Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

3

VADER

Herinnering

mijn vader en ik – 1953

Het was een regelmatig terugkerend ritueel. Als mijn vader aan het einde van de middag thuiskwam uit zijn werk verstopte ik me snel onder het houten bureau in de kamer. ‘Waar is Arnold’, vroeg hij dan verbaasd als hij de kamer in kwam. Vervolgens liep hij eerst alle andere verstopplekken langs. De spanning liep bij mij vaak zo hoog op dat ik moeite moest doen om geen kick te geven.
Op zondagmiddag mocht ik wel eens mee op de fiets, als hij op bezoek ging bij zijn ome Kees in Jutphaas. Dat voelde geweldig, daar voorop die fiets, ik alleen met mijn vader.
Later groeide de afstand. Zoals veel vaders in de jaren vijftig was hij alle dagen weg voor zijn werk. Dat was niet de enige reden voor de verwijdering. Mijn vader kreeg het moeilijk met zichzelf. Hij zat gevangen in zijn eigen gevoelens, opgesloten in zijn zelfkritiek. Als hij thuis was, was hij vaak in zichzelf gekeerd. Al kon hij goed verwoorden hoe wij, kinderen, ons dienden te gedragen.

Voor de aanvang van een kerstmaal zaten mijn vader en ik als enigen alvast aan de gedekte tafel, in afwachting van de anderen. Mijn vader legde een hand, de handpalm naar boven gekeerd, naast mij op tafel. Hij zei niets, maar glimlachte verlegen. Het was een onverwacht gebaar van toenadering. Ik voelde zijn genegenheid en tegelijk zijn machteloosheid.
Hij leerde me met veel geduld viool spelen. Ik gaf er na een tijd de brui aan. Hij gaf me een fototoestel en deed me voor hoe ik zelf de foto’s kon ontwikkelen. Tijdens mijn tienerjaren was hij altijd bereid om mij na afloop van schoolfeestjes met de auto in Utrecht op te halen, hoe laat het ook was. En toen ik eens geen zin had om mijn kapotte Tomos naar de fietsenmaker te brengen, attendeerde mijn moeder mij er na een paar dagen op, dat mijn vader de brommer had weggebracht. Ik was niet op een leeftijd om achter de strenge geslotenheid zijn goede bedoelingen op te merken.
De komende week is het 50 jaar geleden dat mijn vader overleed, aan een onduidelijke neurologische aandoening. Ik was negentien. Het is een halve eeuw geleden, maar sindsdien is hij wat dichterbij gekomen. Zo heb ik de voorliefde voor geschiedenis en voor klassieke muziek van hem overgenomen.

In 1993, toen ik zelf al weer een tijdje vader was, heb ik hem een brief geschreven. Ik liet hem weten dat ik een lieve vrouw en twee zoontjes had, een goede baan, en een prachtig huis. Dat hij zich geen zorgen om mij hoefde te maken. Ik schreef over zijn moeilijkheden en zijn lijden. Over hoe ik dit ervaren heb toen ik als enige van de kinderen nog thuis woonde. Op dat moment tijdens het schrijven stopte mijn pen, ik aarzelde lang. Toen schreef ik: ‘ik heb een echte vader gemist’, om er direct aan toe te voegen: ‘jij kon er niets aan doen.’
Dat laatste klopt niet helemaal. Maar sinds ik me verdiept heb in mijn familiegeschiedenis en in het gezin waarin hij is opgegroeid, begrijp ik beter wie hij was.

1

LUIZENBAAN

Herinnering

Begin jaren zeventig stap ik een uitzendbureau in Utrecht binnen. Of men nog een eenvoudig baantje voor een paar weken voor mij heeft, is mijn vraag. De medewerkster kijkt me peinzend aan. ‘Kan je typen?’ Na mijn bevestigend antwoord vervolgt zij: ‘je moet wel honderdveertig aanslagen per minuut halen.’ Haar toon verraadt dat zij niet verwacht dat het mij gaat lukken.
Ik was ooit begonnen op de oude Remington van mijn vader. Met twee vingers tikte ik alle winnaars van de atletieknummers op de Olympische Spelen over. Die stonden in een boek, dat wij bij elkaar hadden gespaard met pakjes Brio-boter. Vele jaren later, na het begin van mijn studie, had ik een goedkope Underwood gekocht. Ik typte nog altijd met twee wijsvingers, maar de verslagen en rapporten die de studie verlangde ramde ik er in een snel tempo uit.
Zo doe ik dat ook met een tekst in een hoekje van het uitzendbureau. Of ik precies de honderdveertig aanslagen gehaald heb, is niet duidelijk, maar de medewerkster vindt het voldoende. In ieder geval, zo denk ik achteraf, voor de werkgever die een typiste (m/v) zoekt, de faculteit Geografie van de Rijksuniversiteit Utrecht. Men heeft snel iemand nodig, er ligt een hoop achterstallig werk, dus ik kan de volgende dag beginnen.

Om half negen ’s morgens loop ik een nog stille kantoorkolos aan de rand van Utrecht binnen. Ik struin een paar lege gangen door. De enige medewerker die ik vind zegt, zonder op te kijken van zijn papieren, dat er nog niemand van het secretariaat is. Tegen half tien verschijnt de eerste secretaresse en word ik aan het werk gezet. Het kost mij moeite mij te concentreren in een ruimte waar drie medewerksters boven hun typemachine zitten te kletsen. Nog geen uur later vraagt men hoe ik de koffie wil. Ik ben nog weinig opgeschoten en ga het liefste verder, maar er is geen ontkomen aan. Ik moet een uur lang met de dames koffie leuten. In het volgende uur ontstaat er iets van rust, onder het getik van de toetsen en het verschuiven van de rol. De middagpauze duurt van half een tot twee uur. Als de dames na een ruime theepauze om half vijf hun spullen gaan opruimen, pas ik me maar aan en doe ik hetzelfde. Ik heb nog geen vijf uur gewerkt maar ik durf niet te zeggen dat ik dit eigenlijk schandalig vind.

Na twee dagen constateren de dames dat men eigenlijk onvoldoende werk voor mij heeft. Of ik ben te veel een stoorzender in hun gezellige biotoop. Maar, niet getreurd, er is nog wel een ander klusje. Zo verhuis ik naar een klein kamertje waar ik aan een ponsmachine de getallen uit een onderzoek moet intikken. Niet gehinderd door kwebbelende dames en gedwongen koffiepauzes kan ik hier mijn eigen werktijden aanhouden. Dat plaatst mij wel voor een moreel dilemma: volg ik mijn geweten en maak ik keurig de acht uur vol die ik uitbetaald krijg? Of sluit ik mij aan bij de cultuur van het secretariaat? De koffie- en theepauzes hou ik beperkt, maar voor het overige vind ik de gewoonten van de secretaresses te verleidelijk om niet te volgen.

1

STROPDAS

Herinnering

In een hoekje van onze klerenkast, een beetje weggestopt achter de overhemden, hangt een houder met stropdassen, wel veertien in getal. Het zijn de ondergeschoven kindjes in mijn kledinguitzet, of beter gezegd, het is de afdeling overbodige zaken. Op die enkele keer na dat er voor een kooruitvoering een stropdas is voorgeschreven, draag ik ze nooit.
De moderne stropdas ontstond eind negentiende eeuw in Engeland. Afgaande op foto’s uit het familiealbum begon de das aan zijn opmars in de generatie van mijn opa’s. Zij droegen ‘em op zon- en feestdagen. Aanvankelijk werd de das buiten om het hoge stijve boord gelegd, daarna verdween het bovenste gedeelte onder de kraag. Mijn vader, de volgende generatie, droeg altijd een stropdas. Zelfs als hij in de tuin aan het werk was gloorde het stropje boven de hoogste knoop van zijn overall.

Mijn eerste stropdas ontdek ik op een schoolfoto uit 1959. Mijn moeder moet het dasje hebben uitgekozen. Haar boodschap lijkt me duidelijk: als een echte man zich aan de wereld toont draagt hij een stropdas. Tussen huis en school moet de knoop wat zijn losgeraakt. Mijn netjes gekruiste armen duwen het dasje opzij tot een ontspannen dracht die goed bij de stralende blik past.
Een jaar later, bij mijn Eerste Heilige Communie, is het een strik die mijn witte overhemdje siert. Op foto’s uit de daaropvolgende jaren zie ik steeds weer de scheve strik, tot en met mijn Plechtige Communie als ik twaalf jaar ben. Daarna draag ik een dun stropdasje. Ten behoeve van de volgende Plechtige Gelegenheid, de dansles, zoeken mijn moeder en ik een vlot kostuum uit, onopvallend bruin met ‘een werkje’, inclusief een rood gemêleerde das, die ik ‘goed kan hebben’, aldus de verkoper. In januari 1970, tijdens het veertigjarig dienstjubileum van mijn vader, draag ik het ensemble voor het laatst, zij het onder protest. De stoet directeuren die zijn opwachting maakt om het jubileum luister bij te zetten is het argument dat de doorslag geeft.

Met de jaren zeventig komt er een einde aan wat ik zie als het onderscheidingsteken van het gezag. Twintig jaar later zal ik nog eenmaal ’s ochtends voor de spiegel de kraag van mijn overhemd omhoog zetten om een das aan te leggen. Het strikken ben ik nog niet verleerd. Ik ben in mijn werk steeds hogerop geschoven en zit soms aan tafel met invloedrijke personen uit de zorg, het verzekeringswezen en de overheid. Allemaal lieden die zichzelf de strop omleggen. Ik had me al aangepast door het dragen van een colbert, later werd het een kostuum. Maar ik hikte nog aan tegen de laatste horde: de stropdas.
Die dag zet ik mijn twijfels opzij. Tenminste dat wil ik. Met een quasi-nonchalante houding wandel ik op mijn werk het secretariaat binnen. Om direct daarna verstijfd te blijven staan van alle commotie die ik heb opgeroepen. Dat went wel, spreek ik mezelf toe.
Dat viel echter tegen. Bovendien knelde de bovenste knoop. Tegenwoordig schijnt twee knoopjes los het summum van echte mannelijkheid te zijn.

0

OBERAMMERGAU

Herinnering

Foto van de spelen van 1922

Begin augustus 1922 schrijft mijn oudoom Rinus van Rooijen een brief aan smid Hugo Rutz in het Zuid-Duitse Oberammergau. Hij vraagt Rutz of deze twee kaartjes voor de Passiespelen kan regelen plus drie overnachtingen, vanaf 18 augustus. Rutz antwoordt beleefd, dat alle plaatsen en bedden voor de maand augustus ‘vergeben’ zijn, maar dat er in september nog wel wat geregeld kan worden. Rinus schrijft onmiddellijk terug dat september voor hem onmogelijk is en dat hij daarom vastbesloten is om op 18 augustus in Oberammergau te arriveren. Hij stopt tweehonderd mark voor twee plaatsen eerste rang en tien mark voor een postzegel voor het antwoord in zijn brief. Op 15 augustus volgt een briefkaart aan Hernn J.P. van Rooijen, Portretmäler, Woerden Holland.. ‘dass für 20. August 2 Plätze sowie Logis besorgt sind.’

De rol van Caiphas werd gespeeld door smid Hugo Rutz. Tekening door Rinus van Rooijen

Al meer dan vier eeuwen lang voeren de bewoners van Oberammergau om de tien jaar een muzikale voorstelling op over de laatste vijf dagen van Jezus. Een bezoek aan de Passiespelen is een lang gekoesterde wens van Rinus en zijn vrouw Christien. Hoewel hij als portretschilder maar nauwelijks zijn hoofd boven water kan houden heeft hij in 1922 om onbekende redenen wat meer te besteden. Hij wordt daarbij geholpen door de enorme geldontwaarding in Duitsland in die jaren. Het helpt ook dat hij in zeven opeenvolgende artikelen verslag doet van de reis in het katholieke dagblad Het Centrum. Het is een relaas vol van enthousiasme, opwinding en superlatieven.
Voordat de voorstelling begint wonen Rinus en Christien de hoogmis bij. ‘Wat trof mij dien morgen de machtige eenheid van ons heerlijke Roomsche geloof, toen ik de meer dan duizend vreemdelingen uit aller oorden der wereld hier samengestroomd hetzelfde kruis zag maken en dezelfden God zag aanbidden.’ Waarna de apotheose volgt in het passiespel tijdens het afscheid van Jezus van zijn moeder: ‘O, dit hartroerende afscheid heeft ons allen diep in de ziel gegrepen. Bij iedere toehoorder werkte dit droevige afscheid een smartelijke herinnering op aan zijn eigen leven en lijden. Dit was geen spel meer, maar werkelijkheid.’ Alle vijfduizend toeschouwers zijn aangedaan. ‘Wij schamen ons niet voor onze tranen, want rond om ons zien wij mannen en vrouwen, priesters en leeken hunne tranen wegwisschen.’
Het echtpaar laat zich in Oberammergau nog een dag lang rondrijden in een rijtuig met koetsier. Zij bezoeken kastelen, kloosters en kerken. Op de terugweg naar Nederland maken zij diverse toeristische tussenstops. In München bezoeken zij een museum voor moderne kunst. ‘Vooral op het gebied der portretkunst viel er veel te genieten.’ In Rüdesheim bewonderen zij het Niederwalddenkmal, een metershoog monument dat herinnert aan de stichting van het Duitse Rijk in 1871, direct na de Duitse overwinning op Frankrijk. De Eerste Wereldoorlog dreunt hier nog na. In de sokkel staat de tekst van Die Wacht am Rhein gegraveerd, een patriottisch lied, dat Zuid-Duitse nationalisten als hun volkslied beschouwen. Als Rinus het lied begint te zingen wordt hij gecorrigeerd door een bezoeker. ‘Weissen Sie nicht dass es nicht erlaubt ist das Nationallied zu singen. Die Franzosen haben das verboten.’

1

JAARWISSELING

Herinnering

Bijgaande foto is gemaakt op 1 januari 1965 luttele seconden na 00:00 uur. We zien een huiskamer vol familieleden die elkaar een Zalig Nieuwjaar wensen. De fotograaf heeft zich zó gehaast om het moment suprême vast te leggen dat er een bijna geheel geanonimiseerde foto is ontstaan, een beeld dat uitstekend past in de eisen die de huidige privacywet aan publicatie stelt. Destijds werd de foto gewoon afgedrukt en in het album geplakt.
Het lijkt wel alsof wij destijds al vast een voorschot namen op de anderhalve-meter-samenleving. Geen omhelzingen, geen gezoen, maar een gestrekte arm.
Ik ben de figuur op de voorgrond. Ik ben twaalf jaar en aan de hoge broekspijpen te zien ben ik in de groei. Het geheven knietje doet enig ongemak vermoeden. Daarnaast valt op dat ik mijn winterjas aan heb. De reden moet geweest zijn dat ik na het handen schudden direct naar buiten wilde om rotjes en gillende keukenmeiden af te steken. Een altijd weer spannende bezigheid omdat het aansteken van het lontje vaak niet wilde vlotten en ik bang was dat het vuurwerk in mijn hand zou ontploffen.

1960. Vooraan mijn moeder, daarachter Tante Jo, beiden met een wafelijzer

Dat het een bijzondere dag was merkten we meestal in de loop van de morgen als mijn moeder de grootste pan die er in huis was, zo een die het complete fornuis in beslag nam, naast de kachel plaatste. De pan was afgedekt met een natte theedoek. Ik kreeg eens op mijn kop omdat ik het gewaagd had om onder de theedoek te kijken of het beslag al voldoende gerezen was. Soms bakte mijn moeder oliebollen, soms wafels.
Het wafelijzer zag eruit alsof het van generatie op generatie was doorgegeven. Een van de smeden uit de familie had er ooit een andere ijzeren ring omheen gelegd. Je kon er een grote ronde wafel in bakken die gemakkelijk in vijf hartjes te breken was. In de ring zat een scharnier. Tilde je het wafelijzer aan één kant hoog op dan kon je het ijzer omklappen, zodat ook de andere zijde mooi bruin kon worden. Daarvoor gebruikte mijn moeder een kachelpook.
Het bakken begon aan het einde van de middag. De jassen waren tevoren uit de gang verwijderd om te voorkomen dat men de volgende dag in de kerk de vette geur zou ruiken. Ma hulde zich in een witte jasschort, die speciaal voor deze gelegenheid uit de kast was gehaald. Zij wist als geen ander de juiste hoeveelheid beslag in het ijzer te gieten en in te schatten wanneer de wafel krokant bruin was. Dan opende zij het ijzer met de kachelpoot en wipte met vuurvaste vingers de wafel eruit. Vervolgens was het onze taak om de wafel te breken, de hartjes met gesmolten boter te bestrijken en er een mengsel van suiker en kaneel over te strooien. Het water loopt me nu nog in de mond.

Nadat wij het vuurwerk verknald hadden en de nieuwjaarswensen met de buren hadden uitgewisseld (zij wensten ons veel heil en zegen), wachtte de volgende morgen de mentale kater. De feestmaand was voorbij. School en huiswerk keken alweer venijnig lachend om de hoek.

Ik wens je een gelukkig nieuwjaar.

 

2

SCHUUR

Herinnering

Een foto uit 1964, ik was toen twaalf jaar

Ik las Aan de dijk van Koos van Zomeren, een nostalgisch boek over zijn herinneringen aan Herwijnen aan de Waal en opeens zag ik de schuur van ons ouderlijk huis voor mij. Een flinke schuur, opgetrokken uit brede planken. In mijn jeugd kon je nog juist zien dat ze in een ver verleden donkerblauw waren geweest. Ooit was de schuur het verblijf geweest van enkele koeien en varkens van mijn opa Ekelschot.
Bij binnenkomst was er direct links een groot, stenen fornuis. Misschien hebben daar vaak stoofpeertjes boven het houtvuur staan pruttelen. In mijn jeugd was de oven buiten gebruik. Er stond een bak met roestige spijkers, er lagen een hamer en een kromme schroevendraaier. Rechts van de ingang stond het tuingereedschap: een spa, een hark, een hak, een bezem. Iets verder rechts, onder het raam met spinnenwebben, was een waterkraan boven een putje.

Liep je door dan kwam je bij een eenvoudige ladder, die naar de schuurzolder leidde. Daar mochten we nooit komen. Ik keek wel eens in het trapgat en dan zag ik waarom: kapotte planken, vermolmde resten, gaten in de vloer. Alleen onze poes spookte er rond. Ooit had zij, naast dat trapgat, op een achtergebleven pluk hooi haar jongen geworpen. Dat nageslacht was niet de bedoeling. Mijn moeder stopte de jonkies in een juten zak en hield die een tijdlang onder het water van de Molenvliet. Zelf was zij als kind in haar slaap ooit op een jong poesje gaan liggen, met fatale gevolgen. Ze was er dagenlang verdrietig om. Onze poes was geen huisdier, ze heeft nooit een poot over de drempel van het huis gezet. Buiten stond een schoteltje waar ze een beetje melk en een restje aardappel kon vinden. In ruil daarvoor moest zij de muizen op afstand houden.

Mijn broer,een zus en een neef, plusminus 1953

De vloer in het midden van de schuur bestond uit een hobbelige verzameling stenen. Er was wel een keurig gemetselde geul waar ooit de koeien hun flatsen hadden laten vallen. In mijn jeugd stond daar een Miele wasmachine, een van de eerste elektrische modellen, een witte, open kuip met drie raderen. Ernaast stond een houten wasrek met een wringer in het midden en aan beide zijden plaats voor een zinken teil.
In het midden van de schuur hing een schommel, dé grote attractie voor vriendjes die bij ons kwamen spelen. Mijn favoriete spel was om zo ver mogelijk van de hoog zwaaiende schommel af te springen, tot vlakbij het waterputje. Links, in de ruimte achter de schommel, stonden onze fietsen. Tegen de wand had mijn broer voetbalplaten van Esso geprikt.
Een deel van de schuur was door rieten matten afgescheiden van een achterliggend deel. In mijn geheugen verschijnen daar de ronde bogen van de tweedehands auto die onze buurman hier mocht parkeren. Er was een hoge zijingang. Maar misschien bedriegt mijn geheugen mij hier. Achter de rietmatten waren er in de duisternis uitstekende verstopplekken. Helemaal links achterin kwam je in een ruimte waar lage houten schotten aan het verblijf van varkens herinnerden. Het was een plek, ver van iedereen en alles, waar je ongezien door derden in elkaars broekje kon kijken.

0

VOORKIND

Herinnering

Petronella van Wijk, 1851 – 1932

Mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk is in 1870 negentien jaar oud als zij bevalt van een zoon, Cornelis. Hoewel zij in IJsselstein woont komt het kind in Linschoten ter wereld. De dokter uit Montfoort die geholpen heeft doet de aangifte op het gemeentehuis in Linschoten, waar hij vertelt dat Petronella ongehuwd is.
Blijkbaar komt de biologische vader niet in aanmerking als huwelijkskandidaat en gaat men op zoek naar een geschikte man. Dat vergt enige tijd en enige afstand. Uiteindelijk vindt men in Breukelen de 32-jarige boerenzoon Dirk Ekelschot bereid om met Petronella te trouwen. De huwelijksvoltrekking vindt wederom in Linschoten plaats. De griffier van de arrondissementsrechtbank Utrecht krabbelt in de kantlijn van de geboorteakte van Cornelis dat Dirk en Petronella het kind “als het hunne erkend en alzoo gewettigd hebben.” Cornelis krijgt op die dag de naam Ekelschot. Met deze oudste broer van mijn opa zouden de familiale contacten later zeer beperkt blijven.

Een voor het huwelijk geboren kind, het is van alle tijden. In het uitgebreide overzicht dat F. Pouw maakte van de familie Den Hartog, een andere voorouderlijke tak van mijn familie, kom ik er meer tegen. Zo bevalt de 21-jarige ongehuwde dienstmeid van de getrouwde Johannes den Hartog in 1831 van een zoon.
In de literatuur die ik op internet vind lees ik dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw een piek was in het aantal voor- en buitenechtelijke kinderen. De meest plausibele verklaring onder historici luidt dat de Verlichting en de Franse overheersing hieraan hebben bijgedragen. De Fransen hadden onder meer de prostitutie gelegaliseerd. Buitenechtelijke kinderen kwamen vooral voor in de steden en onder de lagere standen en meer bij protestanten dan bij katholieken. Vrijen voor het huwelijk was echter ook op het platteland heel gewoon. Officieel was het niet toegestaan, maar jongens mochten hun gang gaan, als maar niemand het zag. Er waren artsen die meenden dat het voor jongemannen ongezond zou zijn als zij hun lusten moesten beheersen.
Onder de toenemende invloed van kerkelijke instanties, het beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Victoriaanse tijdsgeest nam aan het einde van de eeuw het aantal buitenechtelijk geboren kinderen weer fors af.

Paulus de Lange, 1846 – 1915

Petronella van Wijk, die als jong kind haar beide ouders verloren had, verliest op 26-jarige leeftijd ook nog eens haar man Dirk Ekelschot. Ze verhuist met haar vier jonge peuters naar Maarssen, waar zij de buurvrouw wordt van boer Paulus de Lange. Als de buurman enkele jaren daarna weduwnaar wordt is het pact snel gesloten. Petronella trekt in bij Paulus, zonder te trouwen, wat voor die tijd nogal ongewoon is. Pas als hun eerste gezamenlijke kind op komst is geven ze elkaar in 1886 het jawoord. Vier maanden later wordt dochter Anna geboren. Ik heb haar nog gekend, het was een tante van mijn moeder.
Overigens was de moeder van Paulus de Lange een zus van Dirk Ekelschot. Petronella’s voormalige schoonzus werd dus nu haar schoonmoeder. Het ware kleine kringetjes waarin de mensen zich bewogen.

1

GODS SCHRIJFWERK

Herinnering

Ik was nog niet lang in het bezit van een brommer, toen ik op een warme zomerse dag ging toeren met de buurjongen. In Noorden werden wij overvallen door het onweer. Terwijl de bliksem door de lucht schoot, parkeerde ik mijn Tomos onder een hoge boom. Al snel drong de dichte regen ook op die plek door. ‘Kom naar binnen!’, riep een man op waarschuwende toon vanuit een bungalow aan de overzijde. Er werd voor ons een stoel aangeschoven aan de tafel waar het gezin zojuist het middagmaal had beëindigd. De borden waren leeggegeten, er lag een boek opengeslagen op tafel. Terwijl het geluid van de neerstortende regen werd afgewisseld met de voortrollende donderslagen, las de man een stuk voor uit de bijbel.

Ik wist niet wat mij overkwam. Dit soort particuliere bijbellezing had ik nooit eerder meegemaakt. Bij katholieken lag er geen bijbel onder handbereik, laat staan dat hieruit werd voorgelezen. Dat lieten we aan de pastoor over in de zondagse mis. We kenden op de lagere school het vak Bijbelse geschiedenis. Ik vond de verhalen over de zonen van Jacob wel spannend.
Op het Bonifaciuslyceum behoorden de Prisma-uitgaven van het Oude en het Nieuwe Testament tot de verplicht aan te schaffen boeken. De boekjes bevatten een ruime selectie uit de bijbel. In de eerste klas dicteerde de godsdienstleraar, de oude deken Wiegerink, in 1964: ‘… dat de bijbel volgens onze overtuiging een boek is, waarvan God de schrijver is. (…) Hieruit volgt dat wij ook moeten aannemen dat in de Bijbel niets dan de waarheid te vinden is.’ Om schrandere vragen over Gods schrijfprestaties voor te zijn, verzekerde de leraar ‘dat God de Bijbel niet heeft laten ontstaan door de tekst te dicteren.’ Daarna liet hij ons de verschillen noteren tussen de katholieke en de protestantse bijbelboeken. ‘De protestanten erkennen sommige van onze boeken niet.’ Ze bleven maar dwalen, die protestanten.
Daarna was het met de raadpleging van de Testamenten wel gedaan, want in het tweede schooljaar probeerde een godsdienstleraar, die in een spijkerbroek rondliep, ons te interesseren voor de werken van Teilhard de Chardin, de jezuïet annex paleontoloog die een ingewikkelde poging had gedaan de evolutieleer in overeenstemming te brengen met het bijbelse scheppingsverhaal. Ik begreep er niets van.

Hoewel ik er nooit een letter in las heb ik de Prismaboekjes nooit de deur uitgedaan. Het Oude en het Nieuwe Testament verhuisden altijd met mij mee. Ze komen de laatste jaren goed van pas nu ik in mijn katholieke voorgeschiedenis ben gedoken. Zodat ik een verwijzing naar Deuteronomium 32:48 kan opzoeken. En zodat ik weet welke verzen uit Genesis mijn oma heeft moeten overschrijven, toen zij in 1880 als jong meisje schrijfles kreeg van haar vader.
Misschien moet ik de nieuwste bijbelvertaling maar kopen. Zodat ik het complete werk heb. Dan hoef ik psalm 94, een van de vele psalmen die ontbreken in de Prisma-selectie, niet in de protestantse Statenvertaling te lezen: Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? (citaat uit Trouw). Ik zou mij weer in Noorden wanen.

0

ZEVENTIG JAAR TELEVISIE

Herinnering

foto: Isgeschiedenis.nl

Eind jaren vijftig stond ik met een groep kinderen iedere woensdagmiddag voor de achterdeur bij de familie Wolters. We wachtten op het sein dat we naar binnen mochten. Als het zover was deden we de schoenen uit en installeerden ons in de huiskamer op de grond voor dat wonderbaarlijke kastje.
Televisie voor kinderen was toen niet veel meer dan een nieuwe versie van de poppenkast, compleet met gordijntjes die open- en dichtgingen. De KRO zond het poppentheater Dappere Dodo uit. De NCRV volgde met Coco en de vliegende knorrepot. Verder werden we iedere uitzending onthaald op De Verrekijker. Die toonde ons educatieve filmpjes over kinderen in andere landen. Er is één filmpje dat ik me na zestig jaar nog kan herinneren: in Finland liepen blote kindertjes door de sneeuw.

Pater Kors voor de camera, foto: Beeld en Geluid

Mijn vader wilde lange tijd niet aan een tv. Achteraf vermoed ik dat zijn behoudende katholieke geloof hierin een rol heeft gespeeld. Katholieken hebben nooit voorop gelopen met vernieuwingen, zeker niet op het gebied van vermaak en genot. Dat leidde maar af het werkelijke doel van het leven. Bovendien lag er altijd het risico van emotie, opwinding en onkuisheid op de loer.
Pater Kors, vlak na de oorlog de voorzitter van de KRO, was daarom een tegenstander van de invoering van televisie. Hij zag het als een gevaar voor de ‘morele volksgezondheid’. De kerk zou de greep op de gelovigen verliezen. Vanuit zijn standpunt bekeken heeft Kors gelijk gekregen. In de jaren zestig en zeventig heeft het medium televisie in niet geringe mate bijgedragen aan het omver halen van heilige huisjes en ontkerkelijking.
De ontwikkelingen tegenhouden kon hij echter niet. Dus deed de omroep in de jaren vijftig met frisse tegenzin mee. Op dinsdag 16 oktober 1951 leidde de voorzitter met de volgende woorden de eerste televisie-uitzending van de KRO in: ‘het technisch vernuft dat de televisie ons heeft geschonken wil onze omroep dienstbaar maken aan het ideaal: de blijde boodschap van Christus niet alleen aan de mensheid te brengen, maar die ook te laten beleven.’ Kors gaf een positieve draai aan tele-visie, het ‘ver kunnen kijken’: ‘het betekent voor de Christen te kunnen schouwen over de grenzen van de stoffelijkheid dezer wereld en van het heelal heen, naar het Goddelijk licht dat ons het geloof heeft geschonken.’ Alsof De Verrekijker op zoek kon gaan naar beelden uit de hemel.

foto: Beeld en Geluid

De tv was in de jaren vijftig het stiefkind van de KRO. Kors vond het medium een stokpaardje van de overheid. Door de algemene programma’s van de NTS, waarmee al snel 40% van de zendtijd was gevuld, werd de invloed van de omroepen teruggedrongen. Daar kwam bij, dat de omroepverenigingen, anders dan bij de radio, niet beschikten over eigen tv-studio’s en opnameapparatuur. Ook nu, na zeventig jaar, klagen de omroepen over de te grote macht van de NPO. Pater Kors was een ziener.
In 1968 deed de tv uiteindelijk zijn intrede in onze huiskamer. De blote borsten van Hoepla, in ’67 van het scherm gehaald, heeft mijn vader niet hoeven meemaken. Ik heb ze ook gemist.

0

WAAKZAAMHEID

Herinnering

Vakantieherinnering (8)

 

Onderschrift in mijn foto-album: ‘slabbetje voor: …. eten’

In 1968 was ik voor het eerst met een vriend op vakantie. Met de tent op de bagagedrager waren wij rond het IJsselmeer gefietst. Een jaar later beschikken F. en ik beiden over een brommer, dus verleggen we onze horizon. Wij scheuren een dag lang naar het zuiden en bereiken Florenville, een stadje in het zuidoosten van België. Daar vinden we in een uithoek van de camping een rustig plekje langs de rivier de Semois. Er staat daar nog één andere tent. Al snel blijkt dat deze toebehoort aan vier Nederlandse meisjes van onze leeftijd. F. en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Die avond wisselen we een paar woorden met onze buurmeisjes. Dat blijft ook de volgende dagen zo. Wij houden enige afstand, zij doen hetzelfde. Volgens F. valt het meisje met het donkere krulhaar op mij. Ik geloof het niet, maar ondertussen probeer ik signalen op te vangen. Tevergeefs. Zo leuk is ze nu ook weer niet, bedenk ik.
’s Avonds in onze tent vertellen we elkaar over de meisjes op school, over stiekem zoenen op feestjes en of je wel eens een vrouw naakt hebt gezien. F. zegt dat hij condooms meegenomen heeft. Ik schrik ervan, maar wil het niet laten blijken. Ik weet nog net wat condooms zijn, maar daar houdt het wel mee op.

Na een paar dagen merken wij enige reuring op de camping. Het blijkt dat de avond tevoren een alleenstaande vrouw is lastig gevallen door een onbekende man. Er wordt een beroep gedaan op ieders waakzaamheid. Onze buurmeisjes vertellen dat zij de vorige avond iemand rond de tent hebben horen sluipen. Dat moet de onbekende man geweest zijn.
Die avond liggen we nog lang klaarwakker in onze slaapzak. We spelen het vijfletterspelletje dat later bekend geworden is onder de naam Lingo. Dan knippen we de zaklantaarns uit. Het is een andere nacht dan de vorige. Ik ben gespitst op geluiden. Behalve het zachte gekabbel van het water van de Semois hoor ik niets. Wij hebben in de voortent twee dikke stokken klaargelegd die we als knuppel kunnen gebruiken, mocht het nodig zijn. In het donker voel ik mijn hartslag redelijk snel tikken. Ik ben een beetje bang, maar tegelijk fantaseer ik over een heldenrol. ‘Aanrander gepakt door twee Nederlandse jongens.’ Hoe zou zo’n kop in het Frans luiden?
Dan zegt F. plots dat hij buiten iemand hoort lopen. Hij snelt als eerste zijn slaapzak uit. Met de knuppels in de hand stormen we naar buiten. Daar komen we meteen tot stilstand. We zien niets, we horen niets. ‘Hij is in de bosjes verdwenen’, zegt F. die zijn brommer start om met de koplamp de omgeving te verlichten. De zwart-groene takken hangen onbeweeglijk omlaag. In de tent van onze buurmeisjes gaat een lichtje aan. Ze zullen wel blij zijn, dat wij zo oplettend zijn. Na enkele minuten kruipen we onze tent weer in.
De volgende morgen breken de meisjes op. Over een mogelijke insluiper wordt niet meer gesproken. Wij vertrekken later naar Neckargemünd, in de buurt van Heidelberg.