Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

EEN SPECIALE PRIJS

Herinnering

Vakantieherinnering (4)

De haven van Genua

Eenmaal waren G. en ik in Genua, de stad die is beschreven door Ilja Leonard Pfeiffer en eenmaal reden we over het beroemde viaduct, dat ons toen nog kon dragen. Het was in 2012, we beschikten niet over een navigatiesysteem, dus het kostte veel overbodig rondrijden, vragen en irritatie voor we ons doel bereikt hadden: een overdekte, bewaakte parkeergarage naast het station.
We zouden een week gaan wandelen in het Parque Nazionale delle Cinque Terre, langs vijf voormalige vissersdorpjes, die op onmogelijke plaatsen tussen de rotsen boven de Middellandse Zee liggen. Dorpjes die vroeger over land onbereikbaar waren, maar nu vanwege hun schitterende ligging en hun ‘authentieke karakter’ jaarlijks een paar miljoen bezoekers trekken. Waardoor je er niet je auto kunt parkeren. In zijn boek Grand Hotel Europa, één lange aanklacht tegen het toerisme, besteedt Pfeiffer ook een hoofdstuk aan de Cinque Terre.

We reden de Golf Variant de donkere buik van de garage in, het ene na het andere smalle bochtje omlaag, langs stootranden die al vaak geraakt waren en met banden die piepten op een vloer die op geglazuurd beton leek. Diep onderin vonden we een veilig plekje. Het tarief was € 1,60 per uur. Een schappelijk prijsje, maar wij waren benieuwd naar het tarief per week. De automaat gaf het ons niet prijs en het kantoortje daarachter was leeg en donker. In de hele garage was het doodstil, we waren de enigen in het halfduister ergens diep onder de grond. Dit was bewaking op zijn Italiaans.
De automaat beschikte over een gele knop met het woord ‘info’. Aarzelend duwden we deze in. We hoorden een krakerige stem, die ons in het Italiaans toesprak. Het klonk mij alsof wij in overtreding waren en opgesloten zouden blijven, maar G., die beter is in talen, had ook enkele Engelse woorden opgevangen en daaruit begrepen dat er iemand naar ons toe zou komen. Na vijftien spannende minuten kwam er waarachtig een kleine Italiaan in een mouwloos hemd op een scooter aangereden. Hij verontschuldigde zich. Het was de nationale feestdag, La Festa de la Republicca, hij had thuis achter de tv gezeten.
Natuurlijk, een week parkeren was mogelijk. Dat kostte 105 euro, maar – hier begon hij zachter te praten, zijn blik werd samenzweerderig – hij kon ons de stalling voor 90 euro aanbieden, handje contantje. We moesten dan bij het ophalen vragen naar Gianlucca. Zijn ogen glinsterden. Wij keken elkaar bezorgd aan. ‘Dit is Italië’, zei ik in de duistere lift omhoog.

Een week later waren wij opgelucht dat we de auto in puike staat terugzagen. Gianlucca was echter nergens te bekennen. In plaats daarvan zagen wij in het kantoortje een onkreukbaar uitziende Italiaan in uniform, die zomaar eens de baas van Gianlucca zou kunnen zijn. Het leek mij onverstandig om uit te leggen welke prijs wij hadden afgesproken. We stopten daarom ons parkeerkaartje in de automaat. We werden aangeslagen voor € 264. Zie je wel, we zijn bedonderd, zei ik. Er zat niets anders op dan de kwestie aan de onkreukbare beambte voor te leggen. Die glimlachte bij het horen van de naam Gianlucca. Hij gaf ons voor 90 euro de begeerde uitrijkaart, waarna wij met piepende banden uit het duister omhoog reden naar het zonlicht .

1

OPLOPENDE TEMPERATUREN

Herinnering

Vakantieherinnering (3)

Ronda

In augustus 1981 zijn G. en ik in Andalusië met de bus onderweg van Ronda naar Sevilla. Het is 37 graden Celsius in de schaduw. De zweetdruppels lopen van mijn hoofd en mijn rug plakt vast aan de zitting. Ik zweet snel, wat volgens sommigen een voordeel is. Maar in dit soort omstandigheden ervaar ik dat als een nadeel. Zolang de bus maar rijdt en er warme lucht door de openstaande ramen naar binnen waait, is de hitte nog te dragen.
Ik had vier jaar daarvoor 35 graden meegemaakt in Athene. Dat vond ik ongekend. Elvis was net overleden en in de YMCA had ik de bijzondere aandacht van een man die naakt bij de wastafels liep. Ik had niet het idee, dat hij dat deed vanwege de hitte.

Vergeleken met Athene voelt deze hitte ondragelijker. Hoewel we een tentje bij ons hebben zoeken we in Sevilla een fonda waar je voor een habbekrats kunt slapen. Een oude man, die moeizaam loopt, wijst ons op de eerste étage een kamer met een klein balkon boven een nauwe steeg. Het voelt er nog relatief koel. Naar later zou blijken beheert de man het logement samen met een oudere broer en zus. Iedere nacht slaapt een van hen in een leunstoel onderaan de trap om te voorkomen dat gasten ’s morgens vroeg vertrekken zonder te betalen.
Als we onze rugzakken uitpakken blijkt dat het kampeer-botervlootje, ooit gekocht omdat het bestand was tegen hoge temperaturen, tijdens de reis niet goed afgesloten is geweest. De gesmolten boter heeft zich over een slaapzak verspreid. Mijn vermogen om tegenslag te accepteren was in de loop der jaren wat gegroeid, als ik maar de mogelijkheid had om het probleem direct te verhelpen. Maar als ik met de goed beboterde slaapzak en een stukje toiletzeep klaar sta bij het fonteintje, blijkt dat er geen druppel water uit de kraan vloeit. We horen dat het water in Sevilla op rantsoen is. ‘Esta noche, quizas’, vanavond misschien, zegt onze gastheer onverstoord.

Het Alcazar op een rustige morgen

De volgende ochtend gaan we al vroeg op stap naar het Alcazar, het schitterende koninklijk paleis uit de Moorse tijd. We lopen van schaduw naar schaduw om de ongenadige zon te vermijden. In de middag, als de temperatuur opgelopen is tot bijna 40 graden vluchten we naar het Parque Maria Luis om uit te hijgen op een fraai betegelde bank. De warmte ligt als een zware, niet te verwijderen deken om mij heen. Iedere beweging is teveel. Ik voel een enorme weerstand.
Laat op de avond komt er een eerste verkoelend windje door de wijd openstaande balkondeuren van onze kamer. Ik heb al mijn kleren als overbodige ballast uitgetrokken en moet de exhibitionistische neiging onderdrukken om zo het balkon op te lopen. Van buiten klinkt het lawaai van spelende kinderen. Het loopt tegen twaalven.
Om de warmte voor te zijn vertrekken we de volgende morgen in alle vroegte uit het pension. Met een opgeknapte slaapzak en een leeg botervlootje. Het gestommel op de trap maakt de man in de leunstoel wakker. Hij zet zijn stoel aan de kant om ons met de rugzakken te laten passeren. Op naar Cordoba.

2

AAN HET MEER

Herinnering

Vakantieherinnering (2)

G. met de jongens naast onze tent

Zweden moet een mooi land zijn, hadden we gehoord. De campings zijn er rustig, de natuur is in de zomer op zijn mooist en overal is wel een meer om in te duiken. Ruim op tijd kopen we in 1983 kaartjes voor de overtocht van het Deense Fredrikshavn naar het Zweedse Göteborg. Ondertussen hang ik verlekkerd boven de kaart van Zweden en oefen ik de namen van plaatsen en meren.
De misselijk makende deining op de veerboot nemen we voor lief, evenals de dichte regens die ons het zicht op Göteborg ontnemen. ‘Always look at the bright sight of life. Het is vakantie!’. En zie, als we aankomen op de camping in Kil aan het Frykenmeer, is het droog. Op het groene grasveld is nog heel veel ruimte. We kiezen een plek uit op enkele meters afstand van het water. Nog voordat we de tent hebben opgezet is een van de kinderen al in het water gevallen.

Als we de volgende dag terugkomen van een wandeling, zien we dat we buren hebben gekregen. Een stel jonge Duitse atleten is erin geslaagd om hun bungalowtent nog tussen die van ons en de waterkant te plaatsen. De gettoblaster is al aangesloten. We zijn het er nog niet over eens of dit nu typisch Duits is.
Aan de overkant is er een goedkoop, flodderig tentje bijgekomen, fel blauw en zo te zien nog gloednieuw. Af en toe komt er een blonde vijftiger uit tevoorschijn, die zich met de air van een CEO naar het toiletgebouw beweegt. Na een dag zien we dat er een piepjonge, minstens zo blonde vrouw bij hoort. Zij geven geen overlast, want ze liggen de godganse dag in de tent. Gelukkig is er een windje opgestoken waardoor het gefladder van hun tentdoek andere geluiden overstemt.

Een van de attracties van deze camping is de visvijver. Je kunt er een dikke forel aan de haak slaan. Regelmatig zien wij mannen (het zijn alleen maar mannen) met hun trofee over de camping paraderen, even later gevolgd door een geur van gebakken vis. Dat willen wij ook wel eens proberen. Wij huren een werphengel bij een aardige Zweed die naar alcohol ruikt. Hij vertelt ons dat de vangst door hem zal worden gewogen en dat we dan 58 kronen (9 gulden) per kilo moeten afrekenen. De vis wordt duur betaald in Zweden.
Geen van ons heeft ooit met een werphengel gewerkt. Voor G. is dat geen beletsel om kordaat het tuig te pakken. Me verheugend op de primeur van een vrouw die met haar vangst de blitz maakt, laat ik het initiatief graag aan haar over. Het is bovendien een mooie avond, echt zo’n avond dat je voelt dat alles gaat lukken. Met een flinke zwaai gooit zij de lijn het water in. Een fractie van een seconde later kijken we elkaar verbouwereerd aan. G. heeft enkel nog het handvat in haar hand. Twee meter verderop zien we de bijna complete hengel langzaam onder het wateroppervlak verdwijnen. De werphengel heeft zijn naam eer aangedaan. Nu kan het vissen echt beginnen. Ik vraag me bezorgd af hoeveel gevangen werphengel in Zweden per kilo doet.

0

DORPSHOTELLETJE

Herinnering

Vakantieherinnering (1)

We hebben 1120 kilometer gereden en zijn al een uur op zoek naar een geschikt overnachtingsadres als we in Belin-Beliet, een dorpje onder Bordeaux stoppen voor Hôtellerie des Pins. Het is een oud landhuis, dat wel een verfje kan gebruiken. Aan de voorzijde ligt een stoffig grintterrein.
‘Eén ster, dat doen we niet’, zegt onze zoon van elf. ‘Een verrot zooitje, balos!’ , valt zijn jongere broer hem bij. Om zijn uitroep kracht bij te zetten smijt hij enkele keien op het grint.
‘Laten we eerst maar eens gaan kijken, hoe het er binnen uit ziet’, zeg ik vermoeid.
We zijn in 1996 voor een kampeervakantie op weg naar de Picos d’ Europa in het noorden van Spanje. Dat betekent saaie uren over de Autoroute waar weinig afleiding is. ‘Daar gaan die Zweden weer met die surfplanken’. A. turft vrachtwagens (‘M.A.N. doe ik ook maar bij de DAF’). Elke twee uur een stop op zo’n drukke Aire de Service waar altijd wel een van ons roept: ‘hier zijn we eerder geweest!’ En waar je na een plas jezelf weer in de overvolle, warme auto vouwt, de benen over de tassen met broodjes, spelletjes en snoep.
De vrouw van het hotel gaat ons voor, door donkere gangetjes en over smalle trappen naar een warme kamer waar het gordijn voor het half geopende raam opwaait. ‘Ils sont neufs’ zegt ze over de bedden. Negen jaar oud, denk ik, dat valt niet mee. Het is weer even wennen met dat Frans. De kamer ziet er niet ideaal uit, maar we hebben geen zin om verder te zoeken.
Bij het diner valt alles op zijn plek. We zitten op een rustig terras aan de achterzijde onder een eeuwenoude eik. De avondlucht voelt très agréable. Met de gierende geluiden van de zwaluwen in de zachtblauwe lucht en het geknirp van een sprinkhaan verdwijnt de dreun van de Autoroute uit ons hoofd. Dit is het vakantiegevoel, tijd om onszelf te verwennen na zo’n dag. We overwegen menu’s van 85 franc met Franse kaas èn een dessert. Kijkend op de kaart slaat er naast het hotel een hond aan. ‘Ah, un chien méchant’, roep ik uit. ‘Ik wil liever een Dame Blanche’, antwoordt de jongste zoon.

Belin-Beliet – ‘Bourge sans histoire’

De kinderen hebben hun dessert al op, als G. en ik nog zitten te wachten op ons hoofdgerecht. Wanneer dit wordt opgediend is het zo schemerig, dat ik niet meer kan onderscheiden welke vreemde ingrediënten in deze lokale specialiteit zijn verwerkt. Ik merk het pas uren later als ik, half in slaap, vanuit mijn darmen het signaal krijg, dat ik als de gesmeerde bliksem de wc moet opzoeken. Het geluid dat er vervolgens in die nauwe hurkplee klinkt zal ik niet proberen te beschrijven. Wel kan ik zeggen dat dit ritueel zich in de volgende uren diverse keren herhaald heeft. Vermoeid, maar toch klaarwakker kan ik volgen hoe zich buiten op het grint een groepje jongeren verzamelt. Naar later blijkt wachten zij op de komst van de dealer. Met enige zorg controleer ik bij elke blik door de gordijnen of de kampeeruitrusting nog boven op de auto ligt.

3

HET KATHOLIEKE HUWELIJK

Herinnering

Een innige omstrengeling van mijn vader en moeder in het najaar van 1951 zorgde ervoor dat ik de daarop volgende zomer ter wereld kwam, vandaag precies 68 jaar geleden. Van deze gebeurtenissen weet ik uiteraard niets. Wel weet ik nu, dat er in die tijd in de slaapkamers van katholieke echtparen veel problemen waren. De voortplanting was het meest besproken onderwerp in de biechtstoel en overal schoten Katholieke Bureaus voor Huwelijksmoeilijkheden uit de grond. Ik las de afgelopen tijd het boek Geestelijke bevrijders van Hanneke Westhoff over de geschiedenis van de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Daarin nemen huwelijk en seksualiteit een prominente plaats in. Het was allemaal nog veel erger dan ik gedacht had.

Een katholiek gezin – foto: Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)

Mijn ouders groeien op in de eerste helft van twintigste eeuw als de katholieken in een triomftocht naar buiten trekken om het ware geloof te prediken. Men leeft in de geborgenheid van het gezin, de parochie en het eigen onderwijs en in strikte gehoorzaamheid aan de kerk en de paus. De hemel is weliswaar nog niet bereikt, maar het scheelt niet veel. De alomtegenwoordigheid van de kerk gaat gepaard met een strikte controle van de pastoor op de naleving van de regels.
De katholiek dient zich te laten leiden door zijn verstand, dat op zijn beurt gestuurd wordt door de geboden van God. Emoties moeten worden beheerst, driften getemd. Genieten is gevaarlijk. Dansen, bioscoop en zonnebaden zijn verdacht, want lustopwekkend. Mannen met teveel energie moeten worden aangezet tot bezigheden: ‘timmer bijvoorbeeld een kerststalletje.’
Masturbatie vóór of tijdens het huwelijk is vanzelfsprekend een zonde. Het doel van het huwelijk is de voortplanting. Niets mag daarbij in de weg staan. Coïtus interruptus, voor het zingen de kerk uitgaan, is een doodzonde. Priesters worden opgeleid om in de biechtstoel hierop door te vragen. Wie zich niet wil voegen, ontvangt geen vergiffenis voor zijn zonde en mag niet ter communie gaan. Dan ziet heel de goegemeente dat jij tijdens het hoogtepunt van de mis in de bank blijft zitten. En erger nog: wie doodzonden begaat zonder vergeving eindigt in de hel. Zelfs periodieke onthouding is tegennatuurlijk, want tegen de wetten van God.

Een pastoor zegent kruisen – foto: BHIC

Het zijn vooral de gevoelige katholieken die hieronder leiden. Een hele generatie groeit op met tal van remmingen en angsten. Met afkeer van en schuldgevoelens over aanrakingen, genot en seksualiteit. Alleen al de gedachten eraan zijn zondig. In die sfeer ben ik opgegroeid.
De eerste psychologen in de jaren vijftig wijzen op het gebrek aan emotionele volwassenheid en op de risico’s van al die geboden en verboden. Maar psychologen zijn in de ogen van de kerk aanhangers van de zondige Freud. Als mensen problemen hebben dan is dat een kwestie van onwil, zwakte en slechte gewoonten. De leer van de kerk is de enige remedie: bid veel en vertrouw op God. Het geloof is nooit schadelijk, maar altijd heilzaam.

Eenmaal getrouwd is het parool: losgaan! Wat altijd verboden was, is dan opeens noodzaak en plicht. Aan het einde van hun huwelijksdag vonden mijn ouders dichtgenaaide pyjama’s in hun slaapkamer. Ik hoorde dit als kind en begreep er niets van. Het destijds opkomende pleidooi voor meer voorlichting was nog lang niet tot de pastoor van Vleuten doorgedrongen.

2

SLUISWACHTER

Herinnering

Vreeswijk is een oud plaatsje aan de Lek onder Utrecht. In de veertiende eeuw werd hier een sluis in de Vaartse Rijn gebouwd, waardoor Utrecht zijn scheepvaartverbinding met de Lek kreeg. Daarna kwam er een fort om de sluis te beschermen en groeide er een dorp omheen. In 1971 werd Vreeswijk met het buurdorp Jutphaas samengevoegd tot groeikern Nieuwegein.
Het hart van Vreeswijk bestaat nog altijd uit de Oude Sluis. Twee smalle straatjes met aaneengesloten bebouwing onder hoge bomen omzomen het dieper liggende water. Aan beide uiteinden is een ophaalbrug. Waar beurtschippers de trossen om de meerpaal mikten passeren nu de pleziervaartuigen. De laadplaatsen zijn terrassen geworden en in de grutterszaak zit een sieradenwinkel. De huidige horecazaken heten Kings Valley, Happy Garden en Luigi’s IJssalon.

Op 21 oktober 1906 viel sluiswachter Willem van den Hoek in het water en verdronk. Dagblad de Tijd meldde enkele dagen later: ‘De sluisknecht Van den Hoek is waarschijnlijk door te struikelen in de sluiskolk gevallen en verdronken.’ Een bericht dat in nog acht andere dagbladen verscheen, van Leeuwarden tot Arnhem en Rotterdam. De Nieuwe Tilburgsche Courant voegde er nog aan toe: ‘Den ganschen nacht heeft men naar hem gezocht; gisterenochtend werd zijn lijk opgehaald.’
Bij de herbouw van de sluis, van 1822 – 1824, had Dirk van den Hoek, de vader van Willem, met zijn paard alle materialen aangesleept. Daarna was hij sluiswachter geworden in dienst van de provincie. Dirk heeft meermalen drenkelingen uit het water gered. Schippers konden niet altijd zwemmen. Voor deze verdienste kreeg hij ooit een zware snuifdoos. Nadat zijn zoon Willem het werk had overgenomen, ging Dirk eenmaal per jaar naar het Provinciekantoor op de Pausdam in Utrecht om een ‘pensioen’ à f 100,- in ontvangst te nemen. Een pensioen was voor die tijd bijzonder. Eind 19e eeuw waren de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren blijkbaar al aardig geregeld.

Willem van den Hoek (1844 – 1906)

Zoon Willem was behalve sluiswachter ook een begenadigd zanger en dirigent. Naast het koor van de katholieke kerk leidde hij ook een zangvereniging. Op de bewuste 21 oktober had hij een repetitie van het kerkkoor geleid. Volgens de overlevering had hij de koorleden gemaand om het Kyrie Eleison, Heer ontferm u over ons, met meer gevoel te zingen. ‘Denk er toch bij na, wat je zingt’, had hij gezegd. Na afloop van de repetitie waren zij zoals gewoonlijk nog een borrel gaan drinken. Daarna had hij in het donker de kortste weg over de sluisdeuren genomen.
Willem van den Hoek was de jongere broer van mijn overgrootmoeder Theodora van den Hoek, de moeder van mijn opa van Dijk. Mijn Tante Jo schreef over dit ongeluk: ‘waarschijnlijk is hij onwel geworden. Hij had niet teveel gedronken, dat heeft men nagegaan.’ Deze laatste bewering heb ik niet kunnen checken.
Theodora had een van haar zoons Willem genoemd, naar haar broer. In 1883, jaren voor het ongeluk in Vreeswijk, was deze kleine naamgenoot op 3-jarige leeftijd, voor zijn ouderlijk huis tijdens het knikkeren in de sloot gevallen en verdronken. Toeval of niet, maar na het verdrinken van de twee Willems is deze naam in de familie nooit meer gebruikt.

3

DE WIERSCHUUR

Herinnering

Uitgerust met schepjes en emmertjes trekken de groepen kinderen het wad op. De opdracht is om een vierkante meter van het wad te onderzoeken en te noteren wat je tegenkomt. Elke groep wordt begeleid door twee ouders. De gedachte dat er op de eerste dag van het schoolkamp nog voldoende motivatie is voor een educatieve opdracht, blijkt ijdele hoop. In één groep wordt al snel landjepik gespeeld, in een andere bekogelen de jongens elkaar met schelpen. Sommige ouders, waartoe ik behoor, proberen met aanmoedigingen, uitleg of desnoods met stemverheffing de leerlingen bij de les te houden. Andere ouders vinden dat de kinderen zelf de motivatie moeten ontdekken. Die vrijheid slaat al snel over op alle kinderen, een paar gebiologeerd speurende meisjes uitgezonderd. Teleurgesteld loop ik terug naar de kampeerboerderij, waar stapels modderige gympen her en der in het rond liggen. De met sancties onderbouwde instructie om de modder onder de buitenkranen af te spoelen hebben de leerlingen op grote schaal genegeerd.
Welkom in de Wierschuur, het buitendijks gelegen groepsonderkomen op Terschelling, in 1998 door de Montessoribasisschool uit Utrecht afgehuurd als locatie voor het schoolkamp van de groepen zes, zeven en acht. De inrichting is uiterst sober. Alle opsmuk is weggehaald zodat er niets kapot kan gaan.

Tevoren zijn de reglementen van het kamp meegegeven en besproken, zodat op de eerste avond de kinderen op de afgesproken tijd naar de slaapzalen gaan. Zoals een slaapfeestje een feestje is waarop juist zo weinig mogelijk geslapen wordt, zo betekent bedtijd voor de leerlingen hier dat de lol kan beginnen. Om elf uur is voor enkele ouders de maat vol. Boos lopen zij naar de slaapzaal om tot stilte te manen. Hetgeen tot een flinke discussie leidt onder de ouders. De ene helft argumenteert dat de regels niet voor niets zijn afgesproken, de andere helft wil de kinderen hun plezier gunnen. Overeenstemming valt er niet te bereiken, zodat feitelijk het laissez-faire-beleid de overhand heeft. Ik constateer het tot mijn spijt, als ik als een van de eerste ouders mijn eigen slaapzak opzoek. En mijn oordoppen.
Mijn behoefte aan orde en regelmaat wordt deze week vaker op de proef gesteld. Als er friet gegeten wordt gaat een van vaders, die weer helemaal terug is in zijn eigen puberteit, met een emmer mayonaise en een soeplepel langs alle borden voor een flinke klodder. Na het eten veegt een corveeër flinke porties patat van de grond. Friet en mayonaise verdwijnen met de grof gesneden komkommer in de afvalbakken, terwijl de afdroogploeg met kletsnatte theedoeken wat sop van de borden aait. In de derde nacht treft een van de ouders om half vijf het grootste deel van groep acht ergens buiten aan.

Het zijn tenslotte de zilvermeeuwen die, tijdens een bezoek aan hun kolonie, iedereen stil in het gelid krijgen. De broedende vogels zien een groep van tachtig drukke kinderen hun kraamkamer binnendringen. De stok die de boswachter boven zijn hoofd houdt is volstrekt onvoldoende om de aanhoudende duikvluchten van de meeuwen boven de angstige kinderhoofdjes te stoppen. De excursie wordt desondanks een groot succes, evenals, later, het kampvuur en de bonte avond. In de trein terug naar huis heerst de stilte.

0

JEUGDBOEKEN

Herinnering

Omslag van de eerste druk, 1957

Oki en Doki.
Dat zijn de namen van twee matroosjes.
Zij hebben op een grote boot gevaren.
Op de boot van kapitein Paf.
Naar een heel ver land.
Onderweg hebben ze veel beleefd.
Zo begint het boek Oki en Doki zijn kapitein van Henri Arnoldus, met tekeningen van Carol Voges. Het was het eerste boek dat ik ooit las. Ik was vijf of zes jaar oud. Er waren nog meer deeltjes, o.a. Oki en Doki bij de nikkers (in 1971 veranderd in: bij de negers, in 1981 in: op een eiland – met een andere omslag).
Daarna las ik Tup en Joep, van dezelfde schrijver. Misschien ook nog wel Wipneus en Pim. In ieder geval de lotgevallen van Saskia en Jeroen door Jaap ter Haar. Eind jaren vijftig hadden kinderboekenschrijvers een opvallende voorkeur voor duo’s.
Na de zondagse mis liepen wij gelijk naar de katholieke bibliotheek, waar vrijwilligers – onder wie mijn vader – de boeken afstempelden. De Keurraad voor katholieke jeugdlectuur bestond nog. Hoewel er in de boeken van Arnoldus en ter Haar niet vaak werd gebeden of gespaard voor de missie, waren zij blijkbaar deugdzaam genoeg voor katholieke kinderen.

Toen ik wat ouder werd las ik de De Kameleon-serie, over de avontuurlijke tweeling Hielke en Sietse. En natuurlijk Kuifje. Er werd mij geleerd, dat het minder goed was om stripboeken te lezen. Dat was het gemakkelijke lezen, één stap verder was de televisie; een opvatting die ik later weer aan mijn kinderen heb doorgegeven.
Niettemin maakte niemand bezwaar als ik een Kuifje kwam lenen. Ik las de strips ook samen met een vriendje. Lazen we het boek snel uit, dan konden we het nog vóór sluitingstijd van de bibliotheek omruilen voor een ander. Het succes van de strip bestond uit een spannende intrige, een altijd goede afloop en in elke aflevering dezelfde figuren: de slimme journalist Kuifje, op cruciale momenten geholpen door zijn hond Bobbie, de verstrooide prof. Zonnebloem, de domme detectives Jansen en Janssen, de sopraan Bianca Castafiori (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’) en natuurlijk kapitein Haddock met zijn scheldpartijen als de boeven weer net waren ontsnapt (‘Duizend bommen en granaten! …Woestelingen! … Schurken! …Analfabeten! …Ectoplasma’s! …Wafelijzers!’), kannonades die blijkbaar de goedkeuring van de Keurraad hadden kunnen wegdragen.

Via de lagere school waren we geabonneerd op de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie) en later de Taptoe en in de vijfde en de zesde klas had meester Theunissen nog een voorraadje boeken in de kast achter zijn bureau staan. Ik las Arendsoog en ik verslond alle boeken van Pim Pandoer, mijn grote held die elk misdrijf kon oplossen.
Toen de meester eens voorlas uit een verhaal waarin het woord silhouet voorkwam, vroeg hij de klas wie wist wat dat betekende. Ik stak als eerste mijn vinger op: ‘een zwarte schaduw’. Die kwamen in Pim Pandoer nogal vaak voor. ‘Kijk’, zei de meester tevreden tegen de klas, ‘daaraan kan je zien, dat hij veel boeken leest.’ Dat was een complimenten om niet te vergeten. Het klopte overigens niet. Onder schooltijd wilde ik wel lezen, maar daarna speelde ik veel liever buiten.

0

VERLEDEN EN TOEKOMST

Herinnering

De Lange Linschoten

Het moet ergens in de jaren zeventig geweest zijn. Of het door de fietstocht langs de Langbroeker Wetering kwam of door die langs de Lange Linschoten naar Oudewater, weet ik niet meer. Maar opeens was ik dol op ouderwetse boerenbuurten. Smalle weggetjes langs het water omzoomd door weggezakte knotwilgen, met aan weerszijden oude boerderijtjes, leilindes voor de ramen van de opkamer en rieten daken. De melkbussen op het erf omgekeerd op een houten rek, hooibergen waarvan het dak omhoog en omlaag gedraaid kan worden, klompen bij de deur. En tussen al die hoeven door de groene weiden met grazende of herkauwende koeien.
Het waren buurten waar de tijd had stilgestaan, waar de toekomst ver weg was en het verleden dichtbij. Waar hard gewerkt werd en eenvoudig geleefd en de boerendochters je vrolijk groetten. Zo leek het mij.
Ik ben afkomstig uit een dorp van boeren en tuinders, dus toen ik in 1970 naar Utrecht verhuisde om te studeren belichaamde de stad de toekomst en was het platteland ouderwets, afgedaan en oninteressant. Mijn aandacht was gericht op wat komen zou. Me ontwikkelen, vrienden maken, idealen nastreven. Dat bleef zo tot die fietstocht er een accent bij plaatste. Misschien kreeg ik daar, op mijn vijfentwintigste, voor het eerst heimwee naar het verleden. Maakte ik kennis met nostalgie, dat merkwaardige gevoel dat zowel prettige als pijnlijke sensaties geeft.

foto: David Hamilton

Ik hing in die tijd de hiernaast afgedrukte poster van David Hamilton op mijn kamer en mijn moeder vertelde mij over de ooit door haar verslonden streekromans van Herman de Man. Over het geharde leven van stijfkoppige en godvrezende boeren, die het doen en laten van hun voorouders volgen en elke nieuwigheid wantrouwend verwerpen.
Het was een periode, dat mijn eigen toekomst er onzeker uitzag. Misschien dat ik daarom teruggreep naar een veilig verleden en droomde over een eenvoudig landleven. Een leven dat ik nauwelijks kende. Ik had wel eens bij een vriendje thuis over de duistere deel gelopen, waar de koeien met hun mysterieuze blikken, hun voortdurende gesnuif en hun doordringende lichaamsgeuren mij vreemd voorkwamen – dan beschrijf ik hier alleen nog maar wat ik aan de voorkant zag. Ik voelde dan ook geen enkele aandrang om mij op een houten krukje onder zo’n kolossaal lijf te buigen en daar mijn levenswerk van te maken. Eenmaal had ik met dezelfde vriend meegeholpen met het binnenhalen van het hooi. Dat wil zeggen: nadat we een kwartiertje met grote houten harken wat hooi bij elkaar geraapt hadden, duwden we elkaar met veel plezier en tot ergernis van zijn vader in de hooimijten. Die lagen klaar om door een gespierde knecht met één zwaai van de hooivork op de wagen geslingerd te worden. Daarna genoten wij, liggend bovenop die hooiwagen, van een majestueuze intocht in het dorp. Dat waren zo ongeveer mijn ervaringen met het boerenleven.

Het leven ging na mijn vijfentwintigste door, de toekomst ontrolde zich als vanzelf, met een baan, een vrouw, een huis en kinderen. En nu, na mijn pensioen, klopt het verleden, ongepland, weer op de deur. Ik onderzoek het en schrijf erover. Nu is het verleden mijn toekomst geworden. En tussendoor fiets ik met plezier langs de Lange Linschoten.

0

EEN ONTERECHTE LIQUIDATIE?

Herinnering

De liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem – bron: Verzetsmuseum

Het is maandagavond 9 oktober 1944. Aan de Enghlaan in Vleuten zit boer en NSB’er Hendrik van der Grift om 20.45 uur met drie huisgenoten in de keuken. Er is even een moment van ontspanning voordat het tijd is om het bed op te zoeken. Dan gaat de keukendeur open. Drie gemaskerde en gewapende mannen richten hun wapens op Van der Grift. Nog voor iemand iets kan doen zijn de mannen weer verdwenen, Van der Grift dood achterlatend. Zijn huisgenoten blijven ongedeerd. Op de grond liggen vijf lege hulzen van negen mm.
In Vleuten verspreidt het nieuws van de aanslag zich de volgende dag razendsnel. Ongeloof overheerst naast onbegrip en ook verontwaardiging. Van der Grift staat bekend als ‘een goede NSB’er’, een nette man die geen vijanden had. Mijn vader schrijft in zijn dagboek: ‘gisteravond is van der Grift vermoord door enkele gemaskerde mannen. Hij had enkele weken geleden zijn radio bij de burgemeester ingeleverd met de tijding dat hij geen NSB’er meer wilde zijn. Men hoort hem veel prijzen. Hij gaf veel aan de armen.’
Als represaillemaatregel worden een paar dagen later twee verzetsmensen opgepakt en gefusilleerd. Er zijn nooit daders voor de aanslag op Van der Grift aangehouden. Na de opwinding van de eerste dagen is er in Vleuten over gezwegen. In 2009 rekent Jack Kooistra in zijn boek Recht op wraak de aanslag in Vleuten tot de dubieuze of onterechte liquidaties. Hoe waarschijnlijk is dit?

In Vleuten woonden zo’n twintig NSB’ers. Ze werden getolereerd zolang zij zich niet te buiten gingen aan zelfverrijking, verraad of geweld. Ook het aantal verzetsmensen was aanvankelijk beperkt. Dat veranderde najaar 1944. De gedachte dat de geallieerden geholpen moesten worden om de vijand te verslaan, nam hand over hand toe. De Engelse luchtmacht dropte in het tuinbouwgebied wapens voor het verzet. Verstopt onder een stapel hout op een handkar werden de stenguns verspreid. Het verzet kon maar mondjesmaat oefenen met de wapens omdat men niet over geluiddempers beschikte. Vlak na de oorlog schreef een verzetsman dat de dood van de twee leiders ‘geheel onverwacht’ kwam.

De bijzondere rechtspleging – bron: Nationaal Archief

Iedere collaborateur moet na de oorlog voor het gerecht verschijnen. In 1947 vindt postuum de rechtszaak plaats tegen Van der Grift. Vier Vleutenaren, inclusief twee verzetsmensen, leggen ontlastende verklaringen af.
Politieman Kolijn verklaart dat hem uit verschillende gesprekken met Van der Grift is gebleken, dat deze zich al veel langer niet meer kon verenigen met de idealen van de NSB en dat hij daarom in september 1944 als lid bedankt heeft. Kolijn vermoedt dat Van der Grift niet eerder heeft willen bedanken ‘om zijn vader, eveneens N.S.B.’er, niet te krenken.’
Een andere inwoner noemt Van der Grift ‘een bijzonder humaan en edel mens.’ Het was geen partijman. ‘Zijn streven was steeds een meer waarderende houding ten opzichte van de agrarische bedrijven.’
Deze laatste waarneming sluit aan bij wat historicus Piet de Rooy schrijft over de uitwerking van de vooroorlogse crisis op de agrarische sector. Veel boeren hadden een afkeer van de politiek. Zij hadden het gevoel dat zij verwaarloosd werden. ‘Ze ontwikkelden een eigen ideologie die zich scherp afzette tegen de moderne stedelijke cultuur van het westen.’ Zo werden zo vatbaar voor extreem-rechts.
De rechter van het Tribunaal besluit dat er geen maatregelen worden opgelegd.
Wie de daders zijn geweest en waarom zij Van der Grift hadden uitgekozen zal waarschijnlijk altijd onbekend blijven.