Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

VERLEDEN EN TOEKOMST

Herinnering

De Lange Linschoten

Het moet ergens in de jaren zeventig geweest zijn. Of het door de fietstocht langs de Langbroeker Wetering kwam of door die langs de Lange Linschoten naar Oudewater, weet ik niet meer. Maar opeens was ik dol op ouderwetse boerenbuurten. Smalle weggetjes langs het water omzoomd door weggezakte knotwilgen, met aan weerszijden oude boerderijtjes, leilindes voor de ramen van de opkamer en rieten daken. De melkbussen op het erf omgekeerd op een houten rek, hooibergen waarvan het dak omhoog en omlaag gedraaid kan worden, klompen bij de deur. En tussen al die hoeven door de groene weiden met grazende of herkauwende koeien.
Het waren buurten waar de tijd had stilgestaan, waar de toekomst ver weg was en het verleden dichtbij. Waar hard gewerkt werd en eenvoudig geleefd en de boerendochters je vrolijk groetten. Zo leek het mij.
Ik ben afkomstig uit een dorp van boeren en tuinders, dus toen ik in 1970 naar Utrecht verhuisde om te studeren belichaamde de stad de toekomst en was het platteland ouderwets, afgedaan en oninteressant. Mijn aandacht was gericht op wat komen zou. Me ontwikkelen, vrienden maken, idealen nastreven. Dat bleef zo tot die fietstocht er een accent bij plaatste. Misschien kreeg ik daar, op mijn vijfentwintigste, voor het eerst heimwee naar het verleden. Maakte ik kennis met nostalgie, dat merkwaardige gevoel dat zowel prettige als pijnlijke sensaties geeft.

foto: David Hamilton

Ik hing in die tijd de hiernaast afgedrukte poster van David Hamilton op mijn kamer en mijn moeder vertelde mij over de ooit door haar verslonden streekromans van Herman de Man. Over het geharde leven van stijfkoppige en godvrezende boeren, die het doen en laten van hun voorouders volgen en elke nieuwigheid wantrouwend verwerpen.
Het was een periode, dat mijn eigen toekomst er onzeker uitzag. Misschien dat ik daarom teruggreep naar een veilig verleden en droomde over een eenvoudig landleven. Een leven dat ik nauwelijks kende. Ik had wel eens bij een vriendje thuis over de duistere deel gelopen, waar de koeien met hun mysterieuze blikken, hun voortdurende gesnuif en hun doordringende lichaamsgeuren mij vreemd voorkwamen – dan beschrijf ik hier alleen nog maar wat ik aan de voorkant zag. Ik voelde dan ook geen enkele aandrang om mij op een houten krukje onder zo’n kolossaal lijf te buigen en daar mijn levenswerk van te maken. Eenmaal had ik met dezelfde vriend meegeholpen met het binnenhalen van het hooi. Dat wil zeggen: nadat we een kwartiertje met grote houten harken wat hooi bij elkaar geraapt hadden, duwden we elkaar met veel plezier en tot ergernis van zijn vader in de hooimijten. Die lagen klaar om door een gespierde knecht met één zwaai van de hooivork op de wagen geslingerd te worden. Daarna genoten wij, liggend bovenop die hooiwagen, van een majestueuze intocht in het dorp. Dat waren zo ongeveer mijn ervaringen met het boerenleven.

Het leven ging na mijn vijfentwintigste door, de toekomst ontrolde zich als vanzelf, met een baan, een vrouw, een huis en kinderen. En nu, na mijn pensioen, klopt het verleden, ongepland, weer op de deur. Ik onderzoek het en schrijf erover. Nu is het verleden mijn toekomst geworden. En tussendoor fiets ik met plezier langs de Lange Linschoten.

0

EEN ONTERECHTE LIQUIDATIE?

Herinnering

De liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem – bron: Verzetsmuseum

Het is maandagavond 9 oktober 1944. Aan de Enghlaan in Vleuten zit boer en NSB’er Hendrik van der Grift om 20.45 uur met drie huisgenoten in de keuken. Er is even een moment van ontspanning voordat het tijd is om het bed op te zoeken. Dan gaat de keukendeur open. Drie gemaskerde en gewapende mannen richten hun wapens op Van der Grift. Nog voor iemand iets kan doen zijn de mannen weer verdwenen, Van der Grift dood achterlatend. Zijn huisgenoten blijven ongedeerd. Op de grond liggen vijf lege hulzen van negen mm.
In Vleuten verspreidt het nieuws van de aanslag zich de volgende dag razendsnel. Ongeloof overheerst naast onbegrip en ook verontwaardiging. Van der Grift staat bekend als ‘een goede NSB’er’, een nette man die geen vijanden had. Mijn vader schrijft in zijn dagboek: ‘gisteravond is van der Grift vermoord door enkele gemaskerde mannen. Hij had enkele weken geleden zijn radio bij de burgemeester ingeleverd met de tijding dat hij geen NSB’er meer wilde zijn. Men hoort hem veel prijzen. Hij gaf veel aan de armen.’
Als represaillemaatregel worden een paar dagen later twee verzetsmensen opgepakt en gefusilleerd. Er zijn nooit daders voor de aanslag op Van der Grift aangehouden. Na de opwinding van de eerste dagen is er in Vleuten over gezwegen. In 2009 rekent Jack Kooistra in zijn boek Recht op wraak de aanslag in Vleuten tot de dubieuze of onterechte liquidaties. Hoe waarschijnlijk is dit?

In Vleuten woonden zo’n twintig NSB’ers. Ze werden getolereerd zolang zij zich niet te buiten gingen aan zelfverrijking, verraad of geweld. Ook het aantal verzetsmensen was aanvankelijk beperkt. Dat veranderde najaar 1944. De gedachte dat de geallieerden geholpen moesten worden om de vijand te verslaan, nam hand over hand toe. De Engelse luchtmacht dropte in het tuinbouwgebied wapens voor het verzet. Verstopt onder een stapel hout op een handkar werden de stenguns verspreid. Het verzet kon maar mondjesmaat oefenen met de wapens omdat men niet over geluiddempers beschikte. Vlak na de oorlog schreef een verzetsman dat de dood van de twee leiders ‘geheel onverwacht’ kwam.

De bijzondere rechtspleging – bron: Nationaal Archief

Iedere collaborateur moet na de oorlog voor het gerecht verschijnen. In 1947 vindt postuum de rechtszaak plaats tegen Van der Grift. Vier Vleutenaren, inclusief twee verzetsmensen, leggen ontlastende verklaringen af.
Politieman Kolijn verklaart dat hem uit verschillende gesprekken met Van der Grift is gebleken, dat deze zich al veel langer niet meer kon verenigen met de idealen van de NSB en dat hij daarom in september 1944 als lid bedankt heeft. Kolijn vermoedt dat Van der Grift niet eerder heeft willen bedanken ‘om zijn vader, eveneens N.S.B.’er, niet te krenken.’
Een andere inwoner noemt Van der Grift ‘een bijzonder humaan en edel mens.’ Het was geen partijman. ‘Zijn streven was steeds een meer waarderende houding ten opzichte van de agrarische bedrijven.’
Deze laatste waarneming sluit aan bij wat historicus Piet de Rooy schrijft over de uitwerking van de vooroorlogse crisis op de agrarische sector. Veel boeren hadden een afkeer van de politiek. Zij hadden het gevoel dat zij verwaarloosd werden. ‘Ze ontwikkelden een eigen ideologie die zich scherp afzette tegen de moderne stedelijke cultuur van het westen.’ Zo werden zo vatbaar voor extreem-rechts.
De rechter van het Tribunaal besluit dat er geen maatregelen worden opgelegd.
Wie de daders zijn geweest en waarom zij Van der Grift hadden uitgekozen zal waarschijnlijk altijd onbekend blijven.

0

EXPLODE INTO SPACE

Herinnering

Of de duvel ermee speelt. Sinds we binnen moeten blijven is het voortdurend prachtig lenteweer. Wie kan de verlokkingen van buiten weerstaan? Dat vraagt om moeilijkheden. Eerst lagen de strandlopers onder vuur, daarna de motorrijders. Dat laatste had natuurlijk niets met corona van doen. Motorrijders hebben zich met hun leren pakken en integraalhelmen zo goed beschermd dat we hen zonder risico op de IC zouden kunnen inzetten.
Overlast van groepjes motoren die op de eerste lentedag de rivierdijken afscheuren is er al jaren. De motor is een pleziervoertuig geworden dat glimmend in de garage staat te wachten tot de kou en de regens voorbij zijn. Motorrijden is een fysieke beleving. Je hoeft er niet bij na te denken, niet over te discussiëren. Lekker naar buiten, kop in de wind, zonder al te veel inspanning. Het ultieme gevoel van vrijheid, ooit begonnen met Easy Rider, de film. Get your motor running, head out on the highway. Looking for adventure, and whatever comes our way. Liefhebbers delen hun hobby graag. Het zijn groepsmensen, samen scheuren bevordert het kameraadschap.
Het moet gezegd: het zijn in hoofdzaak mannen.

In mijn jonge jaren had ik een tijd een vriendinnetje met een motor. Zij was klein en tenger maar ze had voor het hoogste gekozen: een 500cc Yamaha. Met bewondering keek ik toe hoe ze dat loeizware ding op de standaard wist te zetten. Ik had er plezier in als mensen omkeken als ik achterop ging zitten. M. had voor mij een helm geregeld waarop ze met flinke plakletters mijn naam had aangebracht. Zoals vrachtwagenchauffeurs voor de voorruit een bord met de naam van hun liefje meevoeren.
Tijdens de eerste tocht bleef ik in de bochten angstvallig rechtop zitten. Ik hoorde M. iets onverstaanbaars roepen. Gelukkig mocht ik mijn armen om haar middel houden. Hoe opwindend om bij ondergaande zon langs het Gooimeer te toeren. Ik vond het iets lustopwekkends hebben. Als de rit maar niet te lang duurde. Na een half uur had ik al de behoefte om mijn benen weer te strekken.

Jaren later namen G en ik de veerboot vanuit Schiermonnikoog. Ruim voor de aankomst liepen we alvast naar onze fietsen, zodat we als een van de eersten de wal op zouden kunnen rijden. Tientallen motorrijders waren op dezelfde gedachte gekomen. Een kwartier voor tijd werden in het ruim de motoren alvast gestart. En niet alleen dat, de een na de ander gaf voortdurend een dot gas, alsof elk ogenblik de vlag voor de start van de race zou vallen. Alsof het een wedstrijd was wie het mooiste geluid kon produceren. Er ontstond een orgie van lawaai. Dit was agressie, machtsvertoon, de kracht van de groep. Born to be wild. Moderne krijgers die zich voorbereiden op de oorlog, op de overwinning. Toewerken naar een orgasme. Fire all of your guns at once. And explode into space.
De huidige motorrijder in Nederland verschilt op één cruciaal aspect van die in Easy Rider. Peter Fonda en Dennis Hopper scheurden over verlaten wegen, door een kaal landschap waar geen mens te bekennen was.

0

AFRIJDEN

Herinnering

Het dashboard van de Daffodil

Ik sta in de wachtstand. Bijna ongemerkt trekken er gedachten over de toekomst door mijn hoofd. Zoals dat ooit was voor ik op kamers ging wonen, voor ik een baan kreeg. Straks, als…, straks dan… Maar omdat ik de toekomst nog nooit zo weinig in de hand heb gehad als nu, ga ik in dit stuk vierenveertig jaar terug, naar dinsdag 1 april 1976, de dag dat ik voor de eerste maal opging voor het rijexamen.
Ik was bijna vierentwintig jaar en tot dan had ik niet de minste behoefte gevoeld om het rijbewijs te halen. Het was in de jaren dat ik graag van de hoofdstroom afweek. Ik had me echter laten overhalen met het argument, dat het nooit weg is om een rijbewijs te hebben. Zoals iemand die niet van zwemmen houdt toch zijn zwemdiploma wil behalen.
Overigens had ik al wel vaker een auto bestuurd. Mijn vader had in een Daffodil gereden, uitgevoerd met dubbele rem en dubbele spiegels, wat in die tijd gelijk stond aan een lesauto. Toen hij ernstig ziek was, reed ik ook wel in mijn eentje naar het ziekenhuis.
Ik begon daarom bij de rijschool met het idee, dat ik met mijn rijervaring aan een paar lesjes genoeg zou hebben. De instructeur dacht daar anders over en juist toen ik vermoedde dat hij vanwege zijn portemonnee het examen nog langer wilde uitstellen, viel de oproep in mijn bus.

Het was een vochtige, grijze morgen, die donderdag dat ik mij bij het Oude Tolhuys in Utrecht meldde. Voor de eerste maal dat voorjaar trok er warme lucht over Nederland. Mijn examinator was een oudere man in een wollen winterjas. Of ik het nu warm kreeg van de zenuwen of de examinator door zijn veel te dikke jas, feit was dat, nog voor ik wegreed, de ramen aan alle kanten beslagen waren. In mijn lessen was ik met alle mogelijke situaties geconfronteerd, onder allerlei weersomstandigheden, maar een oefening in beslagen ruiten had ik nooit gehad. Ik wist niet waar de knop zat om dit euvel te verhelpen en was compleet van mijn à propos. Ik verwachtte elk ogenblik een ingreep van de examinator.

Nog juist op tijd vond ik een knop waardoor er ergens een blazend geluid ontstond en er zich aan de onderzijde van de voorruit een paar kijkvensters vormden. Ik vroeg me af of het de bedoeling was, dat ik turend door die smalle spleten de wagen in beweging zou brengen. ‘Laat ‘em nog maar even lekker doorblazen’, bromde de examinator. Ik had het idee dat zijn jas nog dikker geworden was.
Na deze valse start hervond ik mijn beheersing en verliep alles vlot totdat ik aan het einde de oprit achter het stadion naar de snelweg opreed. Dit is, nog altijd, een hele korte oprit. Ik gaf flink gas, tuurde gespannen in mijn zijspiegel en zag enkele auto’s naderen. Vlak voor me kwam ook het einde van de oprit akelig dichtbij. God zegene de greep dacht ik en voegde in. De examinator zag  mijn gespannenheid blijkbaar aan voor koelbloedigheid. Al de volgende dag kon ik vlakbij mijn huis het begeerde roze document ophalen, gemaakt van een papiersoort die kon rafelen als een stuk katoen.

1

ZO LANG MOGELIJK THUIS BLIJVEN WONEN

Herinnering

Het jaar 2000 (3)

Mijn moeder is op hoge leeftijd geïnvalideerd geraakt. Na enkele weken kan de thuiszorg een medewerkster vrijmaken die haar helpt met opstaan, eten en naar bed gaan. Iedere dag is ook een van haar vier kinderen een poos aanwezig. Er moet veel geregeld en afgestemd worden. Fysiotherapie, indicatiecommissie, extra voorzieningen in huis. Het personeel van de thuiszorg wisselt doorlopend, zodat het een gedoe is met het doorgeven van sleutels en er wel eens een hulp voor een dichte deur staat ’s morgens. Of de bezorger van de apotheek kan zijn grootverpakking incontinentiemateriaal niet kwijt.
Het helpt daarbij niet dat de cognitieve vaardigheden van mijn moeder sterk zijn afgenomen. Ze vindt, dat ze geen hulp nodig heeft. De thuishulp hoeft niet schoon te maken. De rollator die we gehaald hebben mag met de kerende post terug. ‘Die heb ik toch zeker niet besteld.’ Het zendkastje van de alarminstallatie haalt ze uit het stopcontact. Ondertussen laat ze de krant op de brandende gaskachel liggen.
Met zo’n grote behoefte aan zorg en toezicht ziet het er niet naar uit, dat ze nog thuis kan blijven wonen. Maar kunnen wij dat doorzetten, terwijl zij er zelf niet aan toe is?

Ik heb mijn handen vol en prijs mezelf gelukkig dat ik mijn werktijden flexibel kan indelen. Van de eerste ervaringen van mijn tienerzoon in de jeugdopleiding van Feyenoord maak ik helaas niet alles mee. Als ik bij mijn moeder kom tref ik haar meestal duttend in een luie stoel. Het kleine oude transistorradiootje staat op hoog volume te blèren. Soms hoor ik twee zenders door elkaar heen.
Zelfwerkzaamheid stimuleren is de mantra van de hulpverleners. Onze pogingen om samen met haar te koken geven we op, als er weer eens een biefstuk zwartgeblakerd is. Die mag overigens niet worden weggegooid. We bestellen de maaltijdservice. En nadat een van ons Cup-a-Soup heeft geïntroduceerd, zijn de soeppakjes niet aan te slepen. Ook kroketjes zijn erg in trek. ‘Wat dat betreft leven we in het land der beloften’, oordeelt mijn moeder.

De keuken

Geleidelijk aan lukt het haar om zelfstandig kleine stukjes te lopen. ‘Heerlijk om er even uit te zijn’, zeg ik op een keer als zij stram aan mijn arm vooruit schuifelt op haar pantoffels. ‘Zeker’, beaamt ze, ‘het houdt je lenig.’
Met behulp van de inzet van een leger vrijwilligers gaat zij na enige tijd tweemaal per week naar de dagopvang. Zolang ze daar maar gezellig kan kaarten vindt zij alles best. Als ze maar niet gedwongen wordt om te kleien of te schilderen.
Het zijn de opmaten naar een opname in het verzorgingshuis. Ze beseft inmiddels dat zo’n overgang niet meer kan worden afgewend. Ze wil haar kinderen niet langer tot last zijn. ‘Je moet je verstand gebruiken’, is een van haar favoriete uitdrukkingen, juist in de tijd dat haar verstand haar dagelijks in de steek laat.
Op maandagmorgen 19 maart 2001 trekt ze haar oude winterjas aan, stapt de achterdeur uit, haakt haar arm in die van haar dochter en loopt zonder iets te zeggen en zonder om te kijken het erf af waar zij vanaf haar kindertijd – met een onderbreking van een paar jaar – zo’n tachtig jaar heeft gewoond.

0

MANTELZORG

Herinnering

Het jaar 2000 (2)

Die zaterdagavond, eind juli 2000, slaap ik voor het eerst sinds vele jaren in mijn ouderlijk huis. Alles oogt klein. De slaapkamer voelt benauwd, het raam is veel kleiner en lager dan het vroeger was. Alsof het huis gekrompen is.
Mijn moeder was gevallen en ze kon niet meer opstaan. Ze had geen gevoel meer aan één kant van haar lichaam. Zij kon slechts met veel moeite haar arm en been iets bewegen. Met een uiterste inspanning was het ons gelukt om samen mijn auto te bereiken, zodat ik haar naar de eerste hulp kon rijden. Daar zaten we uren op slechte plastic stoelen te wachten tussen de gevallen mannen die van de voetbalvelden werden aangevoerd. Het leek alsof het niet tot mijn moeder doordrong wat er met haar gaande was. We verlieten het ziekenhuis met een voorraad bloedverdunners en de verzekering dat er niets gebroken was. Over de oorzaak van haar val en de aard van de beperkingen waren we niet wijzer geworden.
Hoe dan ook, het was duidelijk dat zij bij alle dagelijkse verrichtingen hulp nodig had. Ik bleef bij haar en hielp bij het uitkleden. Het was een gedoe, haar armen en benen werkten niet mee. Ik verbaasde me over wat zij onder haar jurk droeg: verschillende hemden, geen bh, een slobberige onderbroek. Het ondergoed was nog niet versleten tot op de draad, maar het kwam behoorlijk daarbij in de buurt. Met mijn armen om haar bovenlijf liet ik haar heel voorzichtig achterover zakken, zodat zij zittend op het bed belandde. Ik voelde het direct in mijn rug, ik ben een leek in de ouderenzorg. Daarna zwaaide ik haar benen bij. Die horde was genomen.

Moeder bij de wasmachine

Ik had me al vaker afgevraagd wanneer onze hulp nodig zou zijn. Van leeftijdgenoten had ik verhalen gehoord over wat er al niet gevraagd wordt aan mantelzorg. Op dit moment zijn wij aan de beurt, denk ik die avond met enig fatalisme. Ooit waren wij afhankelijk van moeders zorg. Nu zijn de rollen omgedraaid.
‘s Nachts word ik wakker van een geluid uit haar slaapkamer. Het is een langgerekt en angstig oeoeoeoe. Ze moest plassen maar kon haar bed niet uitkomen. Geduldig trek ik haar eerst een schone onderbroek en pyjamabroek aan. Terwijl zij zich vasthoudt aan de wastafel verschoon ik het bed.
Als ik ’s morgens opsta, mijn hoofd nog duf en duizelig, blijkt het bed van moederlief weer nat. Zou er ergens op deze zondag incontinentiemateriaal te koop zijn, vraag ik me af. Ik trek al haar natte goed uit. Ze staat geheel naakt voor me bij de aanrecht in de keuken, klaar om gewassen te worden. Moet ik dit wel doen? Ja, dit hoort erbij, niet nadenken, spreek ik mezelf toe. Mijn moeder lijkt zich niet bewust van het bijzondere van dit moment, ze laat alles gebeuren. Alsof ik haar elke morgen verzorg. Voorzichtig was ik haar witte lijf, de slappe borsten die mij ooit gevoed hebben, de schoot die mij gebaard heeft.
Als zij na veel moeite aangekleed is zitten we samen aan de keukentafel. De wasmachine draait en het koffiezetapparaat pruttelt. We hebben het goed samen.

1

MIDLIFE

Herinnering

Het jaar 2000 (1)

Op mijn werk in de jaren negentig

2020, het jaartal voelt onwennig aan, alsof de stap naar het nieuwe jaar groter is dan anders, alsof het over een verre toekomst gaat. Het doet me denken aan die andere grote overgang, die naar het jaar 2000. Wat deed ik toen? Hoe verging het me in dat jaar?
Ik was zevenenveertig en dus In media vitae, ofwel Mitten im Leben, maar denkend aan 2000 klinkt er geen klassiek muziekstuk met deze titel door mijn hoofd, maar een tekst van Eric Clapton uit 1974:
Standing at the crossroads, trying to read the signs
To tell me which way I should go, to find the answer

De plannen van ‘later als ik groot ben’ waren uitgekomen: ik had een vrouw, een baan, een huis, twee zonen, vrienden. Dat alles was op dat moment echter onvoldoende om mij een zorgeloos en tevreden gevoel te geven.
In 2000 was ik meer dan tien jaar hoofd van een afdeling in de geestelijke gezondheidszorg. Ik keek uit naar iets anders, maar was er tegelijkertijd bevreesd voor om oude zekerheden los te laten. Om verder te komen had ik met succes een driejarige managementopleiding gevolgd. Daarna had ik geprobeerd een andere baan te vinden, wat niet gelukt was.
Ik had me naast het werk en de huishoudelijke taken steeds kunnen uitleven in muziek en cabaret, maar ik was erop uitgekeken zonder dat zich een andere liefhebberij had aangediend.

Jarenlang had ik al die bezigheden gecombineerd, maar aan het begin van de nieuwe eeuw voelde ik me moe en futloos. In mijn hoofd duizelde het. Ik ging naar de KNO-arts en toen die niets kon vinden, klampte ik mij vast aan een te laag ijzergehalte in mijn bloed. En toen de staalpillen slechts tijdelijke verlichting boden, bezocht ik de homeopaat, daarna de acupuncturist. Ik hield aantekeningen bij, probeerde patronen te ontdekken en oorzaken te achterhalen, om alles overziende te constateren: het is niet de objectieve overbelasting die mij nekt, maar de manier waarop ik ermee omga. Ik stel te hoge eisen, neem mezelf voortdurend de maat (die negatief uitvalt) en hou mijn gevoelens teveel in. Het bracht me naar de psychotherapeut. Wat toen niet in mij opkwam, maar nu een voor de hand liggende gedachte is: het was mijn midlife crisis. Teveel gedaan, te weinig stilgestaan en op zoek naar bakens voor de toekomst. Een collega zei dat ik er opeens een stuk ouder uitzag.

Het jaar 2000 was ook het jaar van een fusie op mijn werk. Ik kreeg de opdracht om twee afdelingen, die feitelijk hetzelfde werk deden, maar in aanpak en cultuur hemelsbreed van elkaar verschilden bij elkaar te voegen. Het was, na de tegenslagen in de sollicitaties, een nieuwe uitdaging, waarin ik me met plezier in vastbeet. Het ging me goed af en het gaf me weer nieuwe energie. Die kon ik goed gebruiken.
In juli braken we een kampeervakantie in de Vogezen voortijdig af wegens aanhoudende regenval. Nog maar net thuisgekomen kwam het bericht, dat mijn 86-jarige moeder was gevonden door de SRV-man. Zij lag op de vloer van haar slaapkamer, was bij bewustzijn, maar kon niet meer zelf overeind komen.

0

DOUWE EGBERTS

Herinnering

Net veertien jaar oud behaalde mijn vader het mulo-examen. Daarna deed hij nog cursussen Engelse en Duitse handelscorrespondentie, kantoorstenografie en machineschrijven. Met die bagage begon hij op woensdag 8 januari 1930 zijn werk als kantoorbediende bij Douwe Egberts, het bedrijf van de Friese familie de Jong. Zijn moeder had die baan voor hem uitgezocht. Het was een goed katholiek bedrijf. Daarnaast was het een voordeel dat de Utrechtse vestiging vlakbij Vleuten lag. Zij was met hem meegegaan, toen hij er zich als vijftienjarige ging ‘presenteren’. Hij zou er meer dan veertig jaar blijven werken, tot aan zijn overlijden in 1972.
Mijn vader begon als assistent van de directeur, J.H. de Jong. Net als de andere leden van deze familie werd de directeur met zijn initialen aangeduid: mijnheer J.H. Mijn vader werkte mee in de boekhouding en zorgde ervoor dat de salarissen uitbetaald werden. Door zijn fabelachtige geheugen werd het bedrijfsarchief zijn belangrijkste taak. In mijn jeugd was hij het hoofd van het Centraal Archief. Toen hij vanwege gezondheidsproblemen deze functie niet meer kon uitoefenen werd hem gevraagd een historisch archief op te zetten. Een publicatie over de geschiedenis van het bedrijf heeft hij niet meer kunnen afronden.
De binding tussen de familie de Jong en de werknemers was sterk. Opeenvolgende generaties waren in dienst bij het bedrijf. Bij ons thuis was Dee-ee een van de zekerheden in mijn jonge jaren.

De herinneringstegel van het 200-jarig bestaan, in 1953, hing in de huiskamer. Sinterklaas bracht ooit een houten vrachtwagen met het opschrift D.E. voor mij mee. Vanzelfsprekend spaarden we de punten van de thee en de koffie. Periodiek werden deze in bosjes van honderd gebonden. Daarna kon de keuze uit de geschenkenlijst worden gemaakt. De koffie- en theepotten, de kopjes, de lepeltjes, de trommeltjes en busjes, alles kwam van D.E. Later kwamen daar de electrische koffiemolen en het eerste koffiezetapparaat bij. In zijn archief vind ik nog een lezing terug van mijn vader over het geschenkenstelsel. Hij eindigt deze met een citaat uit de bijbel: ‘Zoek eerst het Rijk Gods en al het andere zal U worden geschonken als toegift.’
Zoals zijn moeder voor hem een baan had geregeld, zo arrangeerde mijn vader voor mij in mijn tienerjaren vakantiewerk bij Douwe Egberts. Ik mocht binnen het bedrijf de post rondbrengen, een luizenbaantje. Daarnaast fotografeerde ik artikelen waarvan de afbeeldingen in het archief bewaard dienden te worden. Het was voor mij een opmaat naar een opleiding als fotograaf, die er nooit van gekomen is.

Het bedrijf deed alles om de werknemers aan zich te binden. Nog voor de sociale verzekeringswetten van de jaren vijftig beschikte D.E. over eenvoudige regelingen voor pensioen en kindertoeslag. Na het overlijden van mijn vader ontving mijn moeder een volledig jaarsalaris als eenmalige uitkering. Daarna ontving zij nog tot in lengte van jaren gratis koffie en thee, een bos bloemen op haar verjaardag en het kerstpakket. Zelf heb ik vanaf 1972 meerdere jaren een studietoelage van D.E. ontvangen. Deze bijdragen hebben niet kunnen voorkomen dat de verbinding door de jaren heen verwaterd is. Met enige schaamte moet ik hier bekennen dat wij al lang onze koffie en thee bij AH kopen. Nu plakken we de zegeltjes van AH. Dat dan weer wel.

1

IN DEN VREEMDE

Herinnering

In zijn nieuwe roman, Finse dagen, beschrijft Herman Koch hoe hij in 1972 als negentienjarige naar Finland trok om op een boerderij te gaan werken. Een jaar eerder was ik, ook op mijn negentiende, met vriend C. in Finland op vakantie.
Van Helsinki herinner ik me weinig meer dan de ontelbare flatgebouwen tussen bossen en rotsen. In Lahti kampeerden we aan een meer. Voor f 1,70 per nacht konden we continu gebruik maken van warme douches en goed geoutilleerde keukens. ‘Het is bijna geen kamperen meer’, schreef ik naar huis. Er lagen roeiboten waarmee we op het meer rond de beboste eilandjes konden varen. Tijdens zo’n tocht brak er een hels onweer los. Slagregens doorweekten ons, een blikseminslag was niet ver verwijderd en de orkaanachtige windvlagen duwden ons bootje bijna om. ‘Dan heb je later een mooi verhaal om aan je kleinkinderen te vertellen’, zei C. kalm. In Savonlinna, op de volgende camping aan een meer in een bos, konden we vanuit de sauna direct het water induiken.

Het was het verlangen naar het onbekende geweest, wat ons naar Finland had gedreven. We wilden zo ver mogelijk van huis, naar onbekende streken, naar de eenzaamheid van oneindige bossen en meren, naar een andere cultuur. De boottocht van Lübeck naar Helsinki, twee dagen en nachten, had mij tevoren ook zeer aantrekkelijk geleken. Maar eenmaal onderweg verveelde ik me al snel dood.
Voor het eerst kwam ik in een land, waar ik niets kon maken van de taal die ik hoorde, waar ik geen woord begreep van wat ik las. We hadden een taalgidsje Fins op reis, zodat we duidelijk konden maken dat wij uit Alankomaat kwamen en we bij de kapper ‘wassen en watergolven’ konden bestellen. Sammeko me kaivaa tähän kuopan?’ was een zinnetje dat we uit ons hoofd hadden geleerd. We vroegen het wildvreemden op straat en in de tram. ‘Mogen we hier een kuil graven?’

Foto’s gemaakt door Arja Turkulainen

Het was de eerste maal, dat ik met C. op vakantie was. Ook dat was wennen. C. was al snel tevreden. Beetje zitten op de camping, boekje lezen, wat ouwehoeren met andere campinggasten. Ik wilde graag iets doen. Dus toen we een keer niet gingen zwemmen of roeien trok ik erop uit voor een boswandeling. Tevergeefs, want al gauw merkte ik dat er nergens paden door de bossen lopen. Het leek op de contacten met de weinig spraakzame en ondoordringbare Finnen: die liepen ook al snel dood. In Helsinki had ik me verbaasd over de lange rijen voor de staatswinkels waar tijdens beperkte uren alcohol verkocht werd. Wat drijft de Finse ziel, vroeg ik mij af.
Gelukkig kwamen we in Savonlinna Arja Turkulainen tegen. Zelfs je naam was mooi, zou Henk Westbroek later zingen. Arja liet ons het stadje zien. We zaten uren achter een duur biertje en kletsten over school, drank en muziek. In die jaren werd ik snel verliefd op ieder meisje dat enige belangstelling voor mij toonde. Bij Arja gebeurde dat niet. Terug in Nederland bleef ik nog een tijd met haar corresponderen. Ik kon, zeker via brieven, het contact intiem en persoonlijk maken, maar tot het hart van Arja heb ik nooit kunnen doordringen.
Ik had gekregen wat ik wilde: het onbekende en het vreemde.

0

HET HOGE WOORD

Herinnering

August Willemsen (1936 – 2007) was een vertaler van Portugese literatuur. Daarnaast heeft hij dagboeken, brieven en essays gepubliceerd. Zijn bekendste boek is Braziliaanse brieven waarin hij op schitterende wijze zijn ervaringen met het Zuid-Amerikaanse land beschrijft. De goddelijke kanarie gaat over het Braziliaanse voetbal, De val over de behandeling van zijn alcoholverslaving.
Willemsen was een stotteraar – of moet ik zeggen: een spreker met een niet-vloeiende achtergrond. (Er zijn meer schrijvers met een spraakgebrek, wellicht is hier sprake van compensatie-gedrag.) Zijn ervaringen als stotteraar beschreef hij in het essay Het hoge woord, in een bundel met dezelfde titel uit 1994. Het was mij destijds ontgaan, maar ik kwam op dit spoor toen Frits Abrahams er onlangs in de NRC over schreef.
Willemsen heeft naar eigen zeggen het stotteren overgenomen van een buurjongen. Hij merkte dat hij door te stotteren onder de hoge verwachtingen van zijn ouders uit kon komen. De beloning was dat hij ontzien werd en minder verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Zo werd het stotteren geleidelijk en onmerkbaar een deel van zijn leven, een houvast in situaties waarin gepresteerd moest worden en een excuus voor tekortkomingen. Het werd zijn manier van ‘in de wereld staan’.
‘Er zit ook een behoorlijk portie aanstellerij bij. Ik vond eigenlijk dat ik een flink pak lazer verdiende’, schrijft Willemsen. Want, zo zegt hij, iedere stotteraar kan ook vloeiend spreken.
Dat laatste is waar. Het verwijst naar het grote raadsel van het stotteren: waarom de ene keer wel en de andere keer niet? Waarom spreken sommige stotteraars vloeiend als zij een rol spelen? Wat te denken van stotteraars die het tot professioneel acteur geschopt hebben (Carol van Herwijnen) of geprezen cabaretier (Herman Finkers)? Marilyn Monroe, Winston Churchill, Rowan Atkinson, de lijst is lang.

De jongensgroep in het zomerkamp, Willemsen uiterst rechts

Ooit deelde ik een week lang een kamer met August Willemsen. Het was in 1975, in de periode dat hij bezig was om een bestaan als vertaler op te bouwen. We waren beiden actief als vrijwilliger in een zomerkamp voor jonge stotteraars. Willemsen was een lange man, die nog langer leek als hij ’s avonds een nachtgewaad aantrok dat tot zijn enkels reikte. Ik vond hem een originele geest met creatieve gedachten. Hij kon op de drukste straathoek van Den Bosch tien minuten lang met zijn ogen dicht een ontspanningsoefening doen. Stotteren hoorde ik hem weinig. Zijn handicap was een ijsberg. Els Versteegh, de therapeute die ons beiden begeleid heeft, zei eens: ‘Stotteren is een oude knecht, die jou al vaak geholpen heeft. Het is nu tijd om het vechten op te geven en vrede met hem te sluiten.’
‘Maar gewoonten van een halve eeuw zijn hardnekkig’, schrijft Willemsen. ‘En zodra er een kink in de kabel komt, ruzie, emotie, woede, irritatie, misverstand, meningsverschil, schieten de schouders en de adem omhoog en maakt het verwende mormel zich weer onaanspreekbaar.’ Als hij consequent op zijn ontspanning en adem let, zou hij vloeiend kunnen spreken. Maar dat voelt voor hem heel vreemd. ‘Ik voel me, zonder de vertrouwde aanstellerij, letterlijk displaced, in een andere wereld, en klamp me aan mijn laatste innerlijke bolwerk, mijn gehate houvast.’
Confronterend en voor mij herkenbaar beschreven. Maar de complexe wereld van de stotteraar laat zich niet op één manier verklaren of verbeteren.