Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

SPANNING EN SENSATIE

Herinnering

Opbouw van de kermis in Tilburg

Door de hoge schoolramen zie ik het frisse groen aan de bomen. Witte bloesemblaadjes dwarrelen rond. Het is bijna zover, straks kunnen we gaan kijken. Ik kan bijna niet wachten. Meester Haarhuis vertelt ons het verhaal van Jozef in Egypte. Ik hoor het maar half. Als de schoolbel geklonken heeft hol ik met enkele vriendjes direct naar het weiland langs de Dorpsstraat. Daar wordt de zaak opgebouwd. In het gras staan brede sporen van autobanden. Stalen spanten worden in de lucht gehesen, met houten blokjes worden attracties waterpas gezet. Sterke mannen zwaaien krachtig met hun hamers. We zien een nieuwe attractie. ‘Daar ga ik zeker in’, zegt een vriendje.
‘Ik ook’, zeg ik stoer, maar ik weet niet of ik het durf. Ik ga het mijn broer vragen.

De volgende middag ben ik erbij, als na een toespraak van de voorzitter van het Oranjecomité de kermis van start gaat. De schommelschuitjes laat ik links liggen. We hebben thuis zelf een schommel in de schuur. Maar de zweefmolen is fantastisch. Begeleid door draaiorgelmuziek suis ik hoog door de lucht, met een extra zwaai van de jongen achter mij.
De nieuwe attractie bewaar ik tot het avond is.
Mijn favoriet is de cakewalk. Wij spreken het uit als keekwalluk. Eerst zijn er de op en neer bewegende platforms, waar ik nog wat talm in afwachting van het spannendste element: de loopbaan naar boven. Als je te veel naar achteren staat val je omlaag. Hier duwen stoere jongens bange meisjes naar boven. Ik heb geen hulp nodig. Nadat een lopende band mij weer beneden op een stapel gymnastiekmatten heeft afgeleverd resteert het jammerlijke gevoel dat het te snel afgelopen is.

’s Avonds is daar het moment. Het is al bijna donker, de kleine kinderen zijn naar huis. De draaimolen staat ingepakt stil in het duister. Grote jongens en meisjes lopen innig gearmd en stoere mannen verzamelen zich rond de schiettent waar zij met een toegeknepen oog hun geluk beproeven. Elders klinken de slagen op de Kop van Jut.

Ik loop met mijn broer naar de steilewandrace. Met kloppend hart klim ik naar boven. Van bovenaf kijken we over een houten ton met een diameter van zo’n acht meter. Over de onbeschermde rand zien we hoe beneden een motor kleine rondjes draait om op gang te komen. Een stoere man zonder valhelm stuurt zijn machine omhoog. Het gevaarte ligt horizontaal tegen de houten wanden. De motor maakt een donderend geraas, er hangt een geur van benzine. De houten platen voor onze borst trillen, ongemerkt wijk ik een stukje naar achteren als de motor vlak langs ons scheurt. Daarna verschijnen er twee motoren in de baan, de berijders rijden met losse handen. Als klapstuk wordt het publiek gevraagd, wie er achterop durft.
Als ik uit de steilewandrace kom, voel ik dat het koud geworden is. Het weiland is vochtig. Ik hol in één lange sprint naar huis, opgewonden door de spanning. Maar ook teleurgesteld, dat het weer afgelopen is.

0

VIJLEN (VIELE)

Herinnering

Vakantieherinnering (5)

Deze week zijn we op vakantie in Vijlen, Nederlands hoogst gelegen dorp, niet ver van Vaals in het Zuid-Limburgse heuvelland. We huren een woning in vakantiepark Reevallis. Tussen 1995 en 2000 zijn we hier viermaal met onze twee zonen geweest.
We waren gewend om eenmaal per jaar een weekje uit te gaan in eigen land. Ieder jaar gingen we naar een andere bestemming, zodat we aardig wat delen van Nederland hebben gezien. Reevallis vormde de uitzondering op deze gewoonte. G. en ik genoten van de vele wandelmogelijkheden, over modderige karrensporen, langs oude boerderijen met poorten die toegang geven tot de binnenplaats, langs kruisbeelden en kleine kapelletjes. Waar we ook liepen, we zagen altijd de spitse toren van Vijlen als baken in het landschap. We hielden van de gemoedelijke sfeer en de Limburgse vlaai. We voelden ons thuis in het kleine winkeltje in het dorp, een melkboer die vanachter zijn toonbank ook allerlei kruidenierswaren verkocht. Daartegenover zaten de bakker en het dorpscafé A Gen Kirk (nu nog steeds). We hielden van een diner in de Vijlerhof, waar de ober de ouderwetse soep aan tafel voor je opschepte.

1995

Vanuit de vakantiewoning keken we uit over een golvend landschap van groene weiden en bruine akkers, onderbroken door bochtige zandwegen en plukjes donkergroene bomen.
In het begin nam zoon A. zijn gitaar en zijn lesboek mee. Telkens als hij buiten zat te spelen verzamelden de koeien zich als gewillig publiek aan de andere kant van de heg. Zodra hij begon te tokkelen kwamen de dieren vanuit alle hoeken van de wei aangesjokt om met hun grote kop zo dicht mogelijk bij de heg te genieten van Old McDonald of Sur le pont D’Avignon. ‘Waarom zijn die koeien altijd aan de diarree?’, had A. tijdens een wandeling gevraagd.

2000

Dè grote attractie voor onze kinderen was, dat naast het vakantiepark het veld van de Rooms-Katholieke Voetbalvereniging Vijlen lag. Diverse malen per dag slopen zij door een smalle geul langs het hoge hek om voor een van de grote doelen hun voetbalkunsten te vervolmaken. Zij speelden zelfs tijdens hevige regenbuien door, zodat zij met kletsnatte trainingspakken en natte grassprieten in hun gezicht in de bungalow terugkeerden.
’s Avonds speelden we eindeloos boerenbridge en hartenjagen. Bepaalde kreten die tijdens het spel vielen en voor hilariteit zorgden werden eindeloos herhaald: ‘ik word gesnoeid (of gesnaaid)’, ‘scratch my back’, ‘Hassan jas an’.

Vandaag zagen we de regensluiers door het dal gaan, een grijs waas over de groene heuvels trekkend. De wolken scheerden laag over de torens van Lemiers. Daarboven, op de rand van de heuvels, draaiden de Duitse windmolens er lustig op los.

 

1

EEN KIJKJE IN HET VERLEDEN

Herinnering

h 44 x b 24 x d 27 cm

Laatst herinnerde ik mij dat er vroeger bij ons thuis een ouderwetse kijkkast stond. Hiernaast zie je deze op de foto.  In de kijkgaten zijn vergrootglazen aangebracht. Het licht valt binnen door een matglazen venster aan de tegenoverliggende zijde. Binnenin bevindt zich een ketting van glazen diapositieven. Door aan de knoppen links en rechts te draaien komen de plaatjes een voor een langs. Haal je de deksel eraf, dat zie je dat elk plaatje uit een dubbele foto bestaat. De afbeeldingen lijken precies hetzelfde, maar omdat ze vanuit een net iets verschillende hoek genomen zijn, ontstaat er dieptewerking. Zo lijkt het of je naar een driedimensionale afbeelding kijkt. Op de deksel van deze kijkkast staat:

Vues des Usines
DE DION-BOUTON
Leur production 1906

De Dion-Bouton was een in 1883 in Parijs opgerichte fabriek van automobielen. In 1900 was het de grootste autofabrikant ter wereld. Aanvankelijk werden er open rijtuigen gemaakt waarbij het paard vervangen was door een stoommotor, de leidsels door een stuur en het ‘Hu’ van de voerman door een rem. In het begin van de twintigste eeuw nam benzine de plaats in van stoom. De open rijtuigen kregen een dakje, waarna de gesloten wagen ontstond zoals we die nu nog kennen.
Kijkkasten en diorama’s waren in die jaren zeer populair. Het waren de eerste uitingen van een beeld- en belevingscultuur die later in film, televisie en internet zijn vervolg zou krijgen.

De foto’s tonen ons het productieproces. In de ene na de andere fabriekshal bedienen rijen besnorde arbeiders in lichte jassen en met petten op het hoofd de draaibanken en freesmachines. De toezichthouders dragen een bolhoed en een donkere jas. In een andere hal is de kleurcode omgekeerd. De machines zijn via een wirwar van riemen verbonden met een grote stoommachine die de energie levert. De foto’s stralen toewijding uit. De fabrication des bougies wordt alleen door vrouwen gedaan. Zij dragen dezelfde donkere lange jurken en allen hebben de haren bijeengebonden in een zelfde knotje. De foto Sortie des Usine toont een dicht opeengedrongen massa van wel duizend arbeiders, die zich lopend door de poort heendringen, sommigen in werkkleding, anderen keurig in het pak.

bovenaanzicht zonder deksel

Hoe was de herinnering aan deze kijkkast opeens uit de kelder van mijn geheugen naar boven gekomen? In het kader van mijn volgend boek had ik gelezen dat de broers van mijn oma, die een carrosseriebedrijf dreven, rond 1910 een fabriek in Parijs hebben bezocht. Opeens werd mij duidelijk hoe de kast in onze familie was beland. De plaatjes zouden een goede bron van informatie zijn. Ik kon nu de beschrijving van het bezoek aan Parijs van mooie details voorzien. Opgewonden over dit vooruitzicht haastte ik mij naar mijn broer die de kast in zijn bezit heeft.  Hij hielp mij uit mijn droom. Het apparaat komt via-via van kasteel de Haar in Haarzuilens. Baron Etienne van Zuylen woonde het grootste deel van het jaar in Parijs en hij reed in een Franse automobiel.
Resteert de vraag: hoeveel van deze kijkkasten De Dion-Bouton zouden er nog zijn?

 

0

EEN ANDER LEVEN

Herinnering

Laatst kwam ik nog eens door Lunetten heen. Deze Utrechtse wijk is eind jaren zeventig gebouwd in de uiterste Zuidoosthoek van de stad, weggestopt achter een spoorlijn en een snelweg. In 1985 hebben G. en ik hier een half jaar gewoond. Het was ons eerste gezamenlijke adres. Maar het was niet de bedoeling.
We waren met een bevriend stel op zoek naar een groot huis, waar we met zijn vieren konden wonen en waar we in een gezamenlijke huishouding de kinderen, die we wilden, zouden kunnen grootbrengen. Dat zoeken duurde langer dan gedacht. In februari begon de tijd te dringen. G. was vijf maanden in verwachting en we wilden samenwonen op het moment dat ons kind zou komen. Daarom ging die maand plan B in werking: wij tweeën gingen op zoek naar een huurwoning, voor tijdelijk. Dat werd Walcheren 96, een nette vierkamerwoning met open keuken. In plaats van ieder één kamer hadden we opeens een heel huis.

Ik had meer dan tien jaar in de binnenstad gewoond. Dat was mijn habitat. Hoewel ik al vijf jaar een baan had, leefde ik nog het leven van een student, in ieder geval in het weekend. Met mijn part-time baan begon dat op donderdagavond. Winkels en bioscopen waren dichtbij. Er waren cafés waar ik iedere week kwam en waar ik altijd bekenden ontmoette. Ik ging mijn eigen gang. Lunetten was voor mij niet alleen fysiek, maar vooral psychologisch ver weg. Daar woonden gezinnetjes, daar heerste de burgerlijkheid. Ik zag ertegen op.
We gingen op pad voor een wasmachine (een Miele, f 1749,-) en een kleurentelevisie (Philips, f 1597,-). Contant betaald, staat er op de facturen die ik nu nog in een hangmap vind. Zoveel geld hadden we nog nooit uitgegeven. Bij de Kwantumhallen haalden we het goedkoopste stukje vloerbedekking uit het assortiment.
Daar zaten we dan, een maand later, aan tafel in ons burgerlijk huisje, achter een door G. gemaakte gehaktbal. We spraken over opstal- en overlijdensrisicoverzekeringen. Want inmiddels hadden we een koophuis gevonden en was het voorlopig koopcontract getekend. 1 juli was de datum van overdracht.

De volgende stap was de inrichting van de kinderkamer. Het hoort erbij, zei ik tot mezelf. Ik wilde toch graag kinderen? Lundia bezorgde een zelfbouwkast, die zou dienen als commode. Er kwam een tweedehands kinderwagen, model zestiger jaren, met flinke vering. Stapels katoenen luiers, hemdjes, rompertjes. Het was niet mijn ding, maar ik was erop gebrand om mijn bijdrage te leveren. Daarna volgden de incontinentiematjes, de huur van de bedverhogers. We keken vol verwachting uit. In de binnenstad kwam ik allang niet meer. Voor het slapen gaan vloog het mij wel eens aan, de vrijheid die ik zou gaan inleveren. Zo voelde het.
Nadat zoon E. op 9 juni geboren was liep ik dagelijks apetrots achter de kinderwagen door de parken van Lunetten. Toen ik ’s morgens in alle vroegte babymelk stond te maken achter een rij van tien lege flesjes op het aanrecht wist ik het zeker: mijn leven is voor altijd veranderd.
Nadat we in twee maanden de koopwoning vertimmerd en opgeknapt hadden, reed ik op 30 augustus het verhuisbusje voor de deur van Walcheren 96 en zeiden wij Lunetten vaarwel.

4

VRIJ ALS EEN VOGEL

Herinnering

De Safety

Op een mooie dag in 1891 stapt de twintigjarige Rinus van Rooijen, de broer van mijn oma, in Montfoort op een boerenwagen. Hij kan meerijden naar Utrecht. Op het Vreeburg stapt hij af en vindt al snel de winkel die hij zoekt.
Rinus was de zoon van wagenmaker Hein van Rooijen. Na de lagere school was hij bij zijn vader in het bedrijf gekomen. Hij leerde snel. Kaasbrikken, boerensjezen, hooiwagens, mallejannen: op zijn achttiende kon hij elke wagen maken. Zijn vader was trots en noemde hem een volleerd wagenmaker. Maar Rinus had een bredere belangstelling. Hij had een tekencursus gevolgd en was bezig Duits en Frans te leren. Hij wilde meegaan met zijn tijd. Dus hij volgde met veel belangstelling het nieuws over de safety. Dit nieuwe rijwiel, in 1885 in Engeland ontwikkeld, was uitgevoerd met een ketting die het achterwiel aandreef. De wielen van deze fiets waren even groot. In 1888 kwam de volgende innovatie. John Dunlop bedacht de luchtbanden. De productie van deze rijwielen nam nu een grote vlucht en al snel waren zij ook in Nederland te koop. Rinus wist in welke winkel hij in Utrecht moest zijn.
Als de winkelbaas hem het rijwiel laat zien, begint Rinus te gloeien van opwinding. Hij twijfelt geen ogenblik. Dit is wat hij zoekt.
‘Heeft u wel eens op zo’n rijwiel gereden?’, vraagt de baas.
‘Nee, nog nooit’, antwoordt Rinus eerlijk.
‘Dan zal ik u helpen.’

Christien en Rinus

Even later zwabbert Rinus buiten tussen de voetgangers, paard-en-wagens en handelaren met handkarren, die zonder regels door elkaar heenlopen. Als hij de bel van de tram hoort stuurt hij snel naar de kant. Hij is een sportieve vent. Het fietsen krijgt hij op het Vreeburg snel onder de knie. Zijn eerste tocht naar Montfoort kan beginnen.
Met de fiets gaat er een wereld voor hem open. De boot Montfoort – Utrecht doet er vier uur over. Op de fiets legt hij de vijftien kilometer in een uurtje af. Woerden is in een half uur te bereiken in plaats van twee uur lopen.
Zijn vader vindt het maar niks. In Montfoort heb je zo’n ding toch niet nodig. Niemand anders heeft een rijwiel. Het is alleen maar voor het genot, zonde om daaraan je centen uit te geven. Maar Rinus voelt zich nu zo vrij als een vogel, hij kan zijn eigen gang gaan. Dus gaat hij op zondagmiddag niet meer naar het plechtig lof, maar naar een café in Utrecht om te biljarten. Als op een middag de ballen gunstig voor hem rollen, begint hij met zijn fraaie bariton een Frans lied te zingen. De dochter van de cafébaas hoort hem vol bewondering aan. Enkele weken later is de verkering een feit.
Het is precies wat zijn vader had gevreesd. ‘Zo’n kakmadaam uit de stad, ’t is schaand.’ In 1896 trouwen Rinus en Christien met elkaar. Zij beginnen samen het Grand Hotel Rustoord. Voor zo lang als het duurt, want eigenlijk wil Rinus portretschilder worden. Gelukkig voor Hein heeft hij nog een tweede zoon, Kees, met wie hij de wagenmakerij zal uitbouwen tot een carrosseriefabriek.
Mijn tweede boek over de geschiedenis van mijn familie is in de maak.

0

ZAADLOZING

Herinnering

De biechtstoel

Ach, wat leef ik met terugwerkende kracht toch mee met de katholieke jongemannen die in de eerste helft van de vorige eeuw volwassen werden. Ze moesten slapen met de handen boven de dekens, ook als de seksuele opwinding door hun lijf gierde. Ik lees hierover in verband met een volgend boek dat ik bezig ben te schrijven.
Volgens de katholieke kerk was elke seksuele activiteit voor ongehuwden uit den boze. Masturbatie was een doodzonde. Wie daarover geen schuld bekende in de biechtstoel kwam in het eeuwig brandende vuur van de hel terecht. Dus jongens die zich niet hadden kunnen beheersen dienden onverwijld hun zonde op te biechten.
Wat moeten zich in de hoofden van die jongens ongelooflijke conflicten hebben afgespeeld, vooral in die van de gevoelige en consciëntieuze types. Er kon niet over gesproken worden, er bestond geen seksuele voorlichting. ‘Zorg vooral voor een maximum aan wils- en gewetensvorming. Dat is beter dan de beste voorlichting’, zo schreven de paters van de Heilige Harten in 1934 in het tijdschrift Huwelijk en Huisgezin. Zij konden het weten. Leer uw kinderen zelfbeheersing en doordring hen ervan dat zij zelf de schuld dragen, als die beheersing mislukt.

Begin jaren zestig was de situatie maar weinig verbeterd. Toen ik in de laatste klas van de lagere school zat, kregen de jongens, alleen zij, een speciaal gesprek met de kapelaan. Het was ergens buiten school, het kwam mij vreemd over. Van alles wat hij gezegd heeft kan ik me een paar zinnen herinneren. Die heb ik wel donders goed onthouden. Ik vond het een merkwaardig en onsmakelijk verhaal. Het paste niet bij de kapelaan die ik kende.
Hij vertelde ons, dat elke jongen die opgroeit op een gegeven moment een zaadlozing krijgt. Ik kende dat woord niet. Er zou dan een beetje vocht uit mijn plassertje komen. Daarover hoefden we ons geen zorgen te maken, zei de kapelaan. Het had iets te maken met een goed huwelijk en kinderen verwekken, begreep ik, maar hoe de vork in de steel stak kwam niet aan de orde. Het verhaal over de zonde en de hel bleef achterwege. De zaadlozing zou ons overkomen, dus dat wij er zelf de hand in konden hebben, bleef ook onvermeld.

Omdat ik verder van vriendjes niets wijzer was geworden, werd ik een paar jaar later compleet overvallen door een heftige spiersamentrekking in mijn onderbuik. Ik lag op mijn buik in bed wat heen en weer te rollen, toen het gebeurde. Mijn eerste associatie was pijn, maar die waarneming moest ik ogenblikkelijk bijstellen. Dit was best lekker, al voelde ik al snel nattigheid. Ik stapte mijn bed uit, schakelde de lamp aan en bestudeerde als verbaasde, jonge onderzoeker wat er gebeurd was. Pas toen ik weer in bed lag herinnerde ik mij de woorden van de kapelaan.
Juist in die jaren kwam er een einde aan de biechtpraktijken. Voor mij verdween daarmee de hel uit mijn leven, maar de schuldgevoelens over zelf opgewekte lusten bleken behoorlijk hardnekkig. Voor de generatie van mijn vader kwam die bevrijding te laat. Velen van hen raakten op latere leeftijd in de problemen door het strenge regiem uit hun jeugd.

1

GOEDE VRIJDAG

Herinnering

Op donderdag koopt G. een paasstol. Als zij op vrijdag het brood wil aansnijden, bedank ik voor een snee. ‘Dat is toch voor Pasen’, antwoord ik, ‘het is vandaag Goede Vrijdag!’ Ziehier het verschil tussen een beperkt hervormde en een volledig verzorgde rooms-katholieke opvoeding.

Ooit liet ik op Goede Vrijdag mij van mijn beste kant zien. Vond ik zelf. Ik hielp de hele ochtend mijn moeder met haar huishoudelijke werk. Dit was de dag waarop Jezus gekruisigd was. Ik vond het gemeen dat hij was opgehangen terwijl hij onschuldig was. Het gebeurde omdat het eerder zo was opgeschreven door de profeet, dat vond ik wel vreemd. Hoe dan ook, Jezus was voor ons gestorven. Die spijkers door de handen en voeten, dat leek mij het ergste. Daarom wilde ik iets doen wat ik niet leuk vond en dus hielp ik met het opmaken van de bedden en het boenen van de meubels en het zeil. Iets wat ik anders nooit deed. Mij bewust van de ernst van deze dag had ik het kruisbeeldje uit mijn slaapkamer gehaald. Ik nam dit overal met mij mee, waar ik die dag ook was.
Op paaszaterdag fietste ik samen met mijn broer naar de kerk. Daar stond in het portaal een houten ton gewijd water. Iedere parochiaan kon daaruit zijn voorraad wijwater aanvullen. In veel katholieke huizen hingen op slaapkamers kruisbeelden met wijwatervaatjes. Zo kon je je aan het begin van de dag beschermen tegen onheil en de verlokkingen van de duivel. Het wijwater werd tevens gebruikt om het huis te behoeden tijdens onweer. Ik had nooit gezien dat er bij ons wijwater werd gebruikt, maar een huis zonder wijwater dat was de goden verzoeken.
Om twaalf uur luidden de kerkklokken het einde van de vastentijd in. Dat klonk heel feestelijk. Veertig dagen lang hadden wij het zonder koekje bij de thee moeten doen. De snoepjes hadden we gespaard in een vastentrommeltje. Zo jong als ik was, was ik al aardig getraind in het uitstellen van behoeftebevrediging. Af en toe keek ik verlekkerd in mijn trommeltje, trots op mijn voorraad en op mijn uithoudingsvermogen. Ik begon er op zaterdag nog niet aan. De volgende dag zou het pas echt feest zijn.

Op zaterdagavond mocht ik mee naar de nachtmis. Ik vond het geweldig dat ik zo laat mocht opblijven. Het hoogtepunt voor mij lag al direct aan het begin. Dan werden alle lichten gedoofd. In het spannende donker hoorde je achter in de kerk wat gerommel. Nadat de paaskaars was aangestoken werd deze in een processie van priesters en misdienaars naar voren gedragen: Lumen Christi, Deo Gratias. Ik rekte mijn nek uit om iets te kunnen zien. Een mis met drie heren, de zegeningen met wijwater en met wierook, alles droeg bij aan een plechtige, feestelijke sfeer. Ik voelde mij onderdeel van een groter geheel.

We hebben onze paasstol uiteindelijk op zaterdag aangebroken. G. had ondertussen nog een ontdekking gedaan. In agenda’s staat Goede Vrijdag in het rijtje van Nationale Feestdagen.

0

WINTERKOU

Herinnering

Op zaterdag 9 januari 1982 reizen G en ik met de trein naar Winterswijk, een plaats die op die dag zijn naam eer aandoet. Het land zucht onder een dikke laag sneeuw en de almaar toenemende vorst.
G is pas afgestudeerd en half januari gaat zij beginnen aan haar eerste baan, als sociaal cultureel werker in een buurthuis. Dat betekent dat de plichten van een werkend leven voor eeuwig in het verschiet liggen. Of tenminste voor zo’n veertig jaar. Daarom hebben we nog snel een vakantiewoning geboekt.
Die ligt bij een boerderij buiten Winterswijk. Als wij op onze huurfietsen aankomen, rijdt de boer juist met zijn tractor het land op om bruine gier over de maagdelijk witte sneeuw te spuiten.
De woning is afgescheiden van de stal. De smalle kamer annex keuken staat volgestouwd met tweedehands meubeltjes. Een steile trap, de luxe uitvoering van een leer, leidt naar een kamer die juist groot genoeg is voor een tweepersoons ledikant. Niet veel ruimte dus, maar wie twee jaar bij elkaar is vindt dat geen enkel bezwaar. In die fase zit je bij voorkeur boven op elkaars lip.
Problematischer is dat de voordeur nogal ruim in de sponningen hangt, zodat de wind de kou de kamer in blaast. ‘Het moet nog even warm worden’, had de boerin gezegd, toen ze de oliegestookte kachel aan de praat had weten te krijgen. ‘Ze zeggen dat het min twintig wordt vannacht’, voegde ze er aan toe, alsof zoiets daar elke week het geval was.

We geven het kacheltje een kans en gaan naar buiten voor een wandeling. Het land is leeg en kaal. De stilte wordt alleen verstoord door het kraken van de sneeuw onder onze wandelschoenen. Kraaien hippen tussen de maisstoppels die nog boven de sneeuwlaag uitkomen en pluimpjes rook waaien uit de schoorstenen naar de grijze lucht.
Terug in ons huisje merken we dat je alleen vlak naast de kachel enige warmte voelt. Wij schuiven onze stoelen aan. G. is bezig met het haken van een sprei, ik heb een breiwerkje. We zijn zo vooruitziend geweest om een kruikfles Berenburg mee te nemen.
Dan houdt aan het begin van de zaterdagavond de oliekachel ermee op. De boer constateert dat de grote olietank buiten, goed voor meer dan een jaar warmte, nu toevallig net zo leeg is als zijn giertank deze middag. ‘Ik ga ‘ns kiek’n of ik iemand vind’n kan’, zegt hij. We halen dekens van boven. Een uur later suist ons kacheltje warempel als nooit tevoren. Dat is het fijne van ontberingen. Dat je na afloop zegt dat je zo’n geluk hebt gehad.
Aan het einde van de avond wacht de volgende uitdaging. De slaapkamer ligt boven de koeienstal. Daarom vriest het er niet, maar daar is alles mee gezegd. ‘Het was of ik met mijn kont in een bijt viel toen ik in bed stapte’, zei mijn ome Ries ooit. Wij hebben de fles Berenburg tot kruik gepromoveerd en kruipen met ijskoude neuzen dicht tegen elkaar aan. Over het aantal dekens waaronder we lagen, lopen de meningen nog altijd uiteen. Iets tussen de vier en de zeven. Wij droegen een zware last, daar in Winterswijk, zoveel is zeker.

1

DECLAMATIE

Herinnering

Boni (3)

‘Nou, mijnheer van Dijk, nu is het wel genoeg geweest. Ik zou maar eens opletten als ik u was. Voor dat soort zaken heeft u later nog tijd genoeg.’ Juffrouw Boerlage, onze lerares Engels op het Bonifatius lyceum, sprak met afschuw over mijn onderonsjes met Marianne, die aan de andere kant van de rij zat. Zelf was de juffrouw ongetrouwd. Ik vroeg me af, of zij nooit tijd had gehad.
Zij was ouderwets en op het extreme af keurig. IJsjes likken op straat was onfatsoenlijk. En aan een goed huwelijk diende een gedegen verlovingstijd vooraf te gaan, zo doceerde zij. Hoe ouder zij werd hoe groter de kloof tussen haar en de leerlingen.

‘5 à 6. Valt zwaar tegen!’, schreef ze eens met rode pen boven mijn proefwerk, een tekst over een of andere dame van adel. ‘Mij ook’, schreef ik onder haar oordeel. ‘Steehouder vindt dat ik altijd pech heb.’
Mijn buurman Steehouder besteedde nog niet half zoveel tijd aan zijn huiswerk als ik. Vlak voor het begin van de les pende hij mijn huiswerk over. Hij haalde hogere cijfers dan ik.
‘Eindelijk gerechtigheid’, was mijn commentaar op de acht, die meneer Kloosterman mij voor een Latijnse vertaling had gegeven. Ik voelde me nogal eens miskend. Leraren konden enthousiast worden als een leerling originele gedachten ventileerde over verhalen uit de oudheid. Creatieve gedachten had ik wel, maar niet over Vergilius. Ik kon me maar moeilijk concentreren op wat mij niet interesseerde. Ik tekende pop-art letters, zoals ik die gezien had op de hoes van Rubber Soul. Of ik turfde de vreemde woorden die mijn leraar geschiedenis gebruikte: du moment, au bout portant, weltpolitisch, Anklang. Er was geen woord Engels bij.

Mijn klasgenoten noemden mij Nol of soms Momfer de Mol. Voor de leraren was ik geen gemakkelijke leerling. Zij zagen mij kletsen in de bank, maar als ik voor de klas een beurt kreeg kwam er door mijn gestotter weinig uit. Zij stelden zo’n beurt dan ook zo lang mogelijk uit. Pas als iedereen geweest was, wist ik dat voor mij het ogenblik daar was. Dan keek ik omlaag in mijn boek alsof ik zo het onheil kon afwenden. Mijn hart bonsde, het zweet brak uit.
Via de twee kloeke delen van Lodewick, Literatuur geschiedenis bloemlezing maakten wij kennis met de poëzie en proza uit de lage landen. Meneer van Leeuwen, alias Pietje Engelenhaar, vanwege zijn blonde golvende lokken, leidde ons er jaar in, jaar uit doorheen. ‘Als je boos bent, stotter je niet, hè’, zei hij mij eens op geniepige toon. Toen ik ten langen leste van hem een beurt in declamatie kreeg, had hij voor mij het gedicht De Dijk van Jan Engelman uitgezocht.
De golven mogen rijzen, dalen
Hij heeft ze steeds geveld.
De dijk zal nimmer, nimmer falen
Bij water en geweld.
Ik worstelde me door de tekst heen, terwijl de klas muisstil en gespannen met mij verlangde naar het einde aan de kwelling. In bovenstaand couplet bij de derde regel gekomen las ik zonder enige hapering:
‘Van Dijk zal nimmer, nimmer falen’, waarna de opgebouwde spanning zich ontlaadde in een luid gelach, ook van de leraar.

0

IUVENES DUM SUMUS

Herinnering

Boni (2)

‘De school stelt zich ten doel de vorming van de leerlingen en verstaat hieronder ook hun godsdienstige en culturele ontplooiing.’ Deze zin uit de programmaboekjes van het Utrechtse St. Bonifatiuslyceum in de jaren zestig laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De lessen waren niet alleen gericht op de sinus en cosinus en de slag bij Heiligerlee, maar minstens even zeer op de vorming van de leerlingen. Leidend daarbij waren het katholieke geloof en de westerse cultuur vanaf de Grieken en Romeinen.
Noblesse oblige: wie geschikt was voor het gymnasium hield zich bezig met het verhevene. Dat kwam niet alleen terug in de studie van de oude Grieken en Romeinen. Ook de andere vakken waren doordrenkt met cultuur. In de Franse vertalingen ging het bijvoorbeeld over de architectuur van de Franse kathedralen. Ik kende de Franse woorden voor middenschip en steunbeer uit mijn hoofd.
In de omgangsvormen lag de nadruk op fatsoen en beheersing. Als je vijftien was ging je op dansles bij de minstens zo keurige katholieke dansschool Zegers. Op schoolfeesten (alleen voor de hogere klassen) waren leraren aanwezig om op te letten dat er niet gezoend werd. En toen onze biologieleraar Nagel tijdens de uitleg over de anatomie bij de geslachtsorganen gekomen was, sloeg hij de pagina om. ‘Bij de jongens is het urinebuisje wat langer dan bij de meisjes, dat is alles.’

Het harmoniemodel domineerde. De inbreng van leerlingen werd gewaardeerd, zolang deze paste in de beoogde vorming. Een jaarlijks gekozen groep leerlingen, eufemistisch schoolbestuur genoemd, organiseerde een cursus over de geschiedenis van de klassieke muziek en avonden met Franse chansons. Er werden films gedraaid, die tot nadenken moesten stemmen.
De schoolkrant stond vol met onder pseudoniem geschreven verhalen van leerlingen die volop bezig waren het leven te ontdekken.
‘Jij praatte tegen mij, ik weet het nog, want ik heb je lippen zien bewegen’ .
Minstens twee pagina’s waren bestemd voor zelfgeschreven poëzie:
‘Ontwaken
Praten met de zon
Is
Niet meer denken’ (Cees van Ede).
Slechts in de advertenties kwam het aardse terug. Snackbar de Vaal: ‘hèt adres voor croquetten, saucijzen en broodjes.’

De playback-act. Uiterst rechts, nog net te zien, mijn hoofd met beatle-pruik

Je moest altijd het hoogste zien te bereiken. Daarom zat ik op het gymnasium. Maar ik ging niet naar de culturele avonden. Ik leverde geen bijdragen aan het schoolblad. Aan de muur van mijn slaapkamer hingen posters van de Beatles en de Stones. Op de eerste klassenavond in de brugklas playbackte ik met drie medeleerlingen Dave Berry: You’ve got this strange effect on me. In de pauze zat ik te toepen en op vrijdag holden we naar Staffhorst om het papieren exemplaar van de Top 40 te halen.
Ik was voorbestemd voor alpha en in de laatste twee jaar kregen we negen uur Latijn en negen uur Grieks per week. Er zijn gemakkelijkere manieren om volwassen te worden. Ik heb nooit uitgekeken naar een les,  uitgezonderd de gymnastiek, waarvoor ik altijd een negen op mijn rapport kreeg. Mijn middelbare schooltijd, dat was het uitzitten van de dagelijkse verplichting van 9.00 tot 14.40 uur, het voldoen aan de verwachtingen van anderen en het volhouden tot het diploma binnen was.