Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

SLAGBOMEN IN HET PITZTAL

Herinnering

 

Bij aankomst in Ferienwohnung Bergfreund, op zaterdagmiddag, zien wij op de berghelling een paar honderd meter achter het huis een breed spoor van vuile sneeuw en omgevallen bomen. Het lijkt of er een stoet paarden boomstammen uit het bos heeft gesleept. Dan zie ik onderaan de helling mensen lopen. Ze zijn bezig om de restanten van enkele houten schuurtjes uit sneeuwhopen te halen. ‘Dat is een lawine geweest….’, zeg ik geschrokken.We hadden in 1999 eens een andere bestemming voor de wintersport uitgekozen: St Leonhard im Pitztal, Oostenrijk. Zo’n 20 km voor het dorp was de bus die morgen blijven staan. Vanwege lawinegevaar was de weg afgesloten. In een café werden wij en onze zonen van 12 en 13 door een medewerker van het Turistamt geregistreerd als gestrande toeristen. We werden ondergebracht in een naburig hotel. Net nadat we onze spullen daarheen hadden gebracht werden we aangeklampt door een lange man met donker haar: ‘Familie faan Diek?’ . Het bleek de verhuurder van ons appartement. Hij kon ons naar St. Leonhard brengen. De volgende dag of anders wel maandag zouden we kunnen skieën, zo stelde hij ons gerust. We volgden hem. Onderweg naar St. Leonhard passeerden we diverse slagbomen, waar militairen toekeken. ‘Het lijkt wel oorlog’, zei G.

Op zondagmorgen gaan we eens op verkenning uit. Het dorp ligt bedolven onder een enorm pak sneeuw. Het is er oorverdovend stil. Er is geen verkeer. We kunnen op de weg 100 meter naar links lopen. Daar verhindert een hek de verdere doorgang: Wegen Lawinengefahr auch für Fussgänger gesperrt. Naar rechts kunnen we 500 meter lopen. We zitten opgesloten in een dorpje van 20 huizen, waar verder niets te doen is. Opgesloten als ratten in de val.
Op maandag valt de elektriciteit voor het eerst een aantal uren uit. We gaan naar de enige winkel. Hij is open, maar daar is alles mee gezegd. Brood, groente of vlees is er niet te koop. Uit voorzorg zijn het koelvak en het vriesvak leeggehaald. ‘Dit komt vaker voor’, zegt de winkelier, ‘daarom heeft het hele dorp goed gevulde vrieskisten en voorraadkasten. Jullie verhuurder ook.’
Met wat blikvoer en gedroogde producten gaan we terug naar de Ferienwohnung. Uit een donkere lucht vallen nieuwe sneeuwvlokken. De stemming is bedrukt. Tijdens de lunch moet vooral het zure roggebrood het ontgelden.
’s Avonds vragen we de verhuurder, die beneden ons woont, naar de vooruitzichten. Hij weet het nog niet, zegt ie kortaf. Hij zal bij de burgemeester informeren. We vertellen dat we weinig konden kopen in de winkel. De man reageert er niet op en doet de deur weer dicht. Ik wil een schop tegen de deur geven, maar weet me nog juist in te houden.
Op dinsdag gaan we weer op weg voor ons dagelijkse wandelingetje. In het dorp ligt nu een grote dijk van sneeuw dwars over de weg. De nieuwe lawine is net voor een huis gestopt.
Er is nog altijd geen enkel perspectief op het opengaan van de wegen, laat staan op skiën. We proberen ons ermee te verzoenen. Dat je niet altijd kunt doen of eten wat je wilt, vinden we voor onze kinderen nog wel een leerzame ervaring. Zij zijn het daar hartgrondig mee oneens.
Als we die avond weer een uurtje elektriciteit hebben, zien we op het journaal de beelden van de lawineramp in Galtür, een dorp twee dalen verderop. Er zijn meer dan 30 doden gevallen. Die nacht slaap ik slecht. Waarom zou zoiets niet vannacht hier kunnen gebeuren?

Op woensdagmorgen zien we iemand langs de afzetting lopen. Wat zouden we ook graag even uit onze benauwde omgeving stappen! We denken aan Galtür. We kijken om ons heen, de omgeving ziet er vredig uit. Dan stappen ook wij langs het hek.
In het volgende dorp vinden we een bakker. Het is niet te geloven hoe blij we zijn, dat we na vier dagen vers brood kunnen kopen. Als we weer teruggaan moeten we wachten omdat er onder groot geraas een helikopter gaat landen. Er springen militairen uit. Ze laden zakken met broodjes in, bestemd voor het einde van het dal.
Vanwege het uitvallen van de elektriciteit eten we nu steeds buiten de deur in het enige restaurant van het dorp. Daar heeft men een goed gevulde vrieskist. We eten uit noodzaak bij kaarslicht. We zijn nu in de fase dat we om onze situatie kunnen lachen.
Onze Bergfreund heeft nog steeds geen nieuws van de burgemeester. Het is donderdag en we hebben ons er inmiddels mee verzoend, dat we deze week niet meer kunnen skiën. In plaats daarvan maken we ons zorgen over hoe we weer uit onze winterse quarantaine kunnen komen. Moeten we nog blijven tot alle sneeuw de bergen afgerold is? Tot de lente?
De kinderen hebben op een helling een enorme glijbaan aangelegd, waar ze met behulp van een vuilniszak vanaf glijden. Als we elektriciteit hebben, kijken zij TV. Hun favoriet is een Duitse commerciële sportzender, die Amerikaanse extreme sports uitzendt, begeleid door opgewonden Duits commentaar: ‘Und da kommt die Jeany…’. De meegenomen spelletjes hebben we al honderd keer gespeeld. De verveling slaat toe, spanningen ontaarden in ruzies. De Bergfreund gooit nog eens olie op het vuur door te klagen over het lawaai dat ons heen en weer lopen in zijn huiskamer veroorzaakt.
Op vrijdag is er het gerucht dat de burgemeester die avond de weg een paar uur vrij zal geven. We geloven het pas als het zover is. Om 18.00 uur worden we weggebracht. Langs slagbomen, tot stilstand gekomen lawines en geknakte bomen bereiken we een hotel in de veilige wereld.
Dan gebeurt waar we niet meer op gerekend hadden. Op zaterdagmorgen brengt een hotelmedewerker ons naar de nabijgelegen skipiste in Jerzens. Eén lange dag, tot en met de letzte Bergfahrt van de kabinelift, skiën we als gekken over de zonovergoten pistes.
Wat lag daar een lekker pak sneeuw!

0

AS HEM

Herinnering

Op mijn twaalfde kopen mijn ouders een nieuwe fiets voor mij, een kleine maat herenfiets. Als ik op het zadel zit, kan ik niet met mijn voeten bij de grond. Na de zomervakantie ga ik, in navolging van mijn oudere broer en zussen, naar het Sint-Bonifatiuslyceum in Utrecht. Dat betekent elke dag 10 kilometer heen en 10 kilometer terug fietsen. Dat doe je niet op een afdankertje.
Ik ben blij dat ik van de lagere school af ben en dat ik als jongste in het gezin nu eindelijk mee ga tellen. Maar spannend vind ik het ook, zo’n grote school in een grote stad. Boni heeft dat jaar 1600 leerlingen en meer dan 100 leraren.

Het schooljaar begint met een plechtige Heilige Mis in de Willibrorduskerk aan de Minrebroederstraat. “Bij de voorbereiding op hun toekomstige taak in de maatschappij dienen de leerlingen van het lyceum tevens hun religieus leven te vormen en te verdiepen”, zo staat te lezen in het programmaboekje voor het schooljaar.
Ik ben geplaatst in klas 1D. In de jaargang 1964-1965 zitten de jongens en meisjes van de lagere klassen gescheiden. Het katholieke Bonifatius acht het niet bevorderlijk voor het leerklimaat als jongens in de groei samen met ontluikende meisjes in de klas zitten. Wie in december j.l. mijn blog Die dag gelezen heeft, weet dat er enige aanleiding was voor dit standpunt.
Er gaat nog één andere jongen van mijn lagere school naar het Boni. Ook Jan is ingedeeld in 1D. Wij delen toevallig dezelfde achternaam.
Op de eerste schooldag fiets ik samen met mijn zus naar school, de fonkelnieuwe leren tas boordevol boeken onder de nog strakke snelbinders. Op het Pieterskerkhof aangekomen is het een drukte van belang. Te midden van een stoet jongeren die minstens een kop groter zijn schuifel ik met de fiets in de hand onder de poort door de binnenplaats van de school op. Gespannen zoek ik een plek voor mijn fiets in een van de met roestige golfplaten overdekte fietsrekken. Daarboven strekt zich dreigend en zwijgend het hoge gebouw met de vele ramen uit.
Klas 1D heeft het eerste lokaal links op de begane grond, vlak naast de kamer van conrector Erich. Geïntimideerd door de onbekende omgeving en zoveel stadse klasgenoten gaan Jan en ik samen op de eerste rij zitten.
We krijgen Nederlandse les van meneer Kuitenbrouwer. Hij loopt voor de klas heen en weer als hij in alfabetische volgorde de namen van de leerlingen opnoemt. Bij de D gekomen steken Jan en ik tegelijk onze vinger op. Meneer Kuitenbrouwer blijft hij voor onze bank staan.
‘Zijn jullie broertjes?’, informeert hij.
‘Nee’, kraait Jan lachend, ‘we zijn geen broertjes, we zijn vriendjes!’
Ik vind dat ‘vriendjes’ wat overdreven uitgedrukt, want zo dik zijn we niet met elkaar. Ik heb behoefte om me te onderscheiden.
‘Ik ben ouder as hem’, voeg ik toe.
‘As hem?’, vraagt de leraar Nederlands verbaasd. Zijn spreektoon gaat bij het woord hem fors de hoogte in.
‘As hem?’, herhaalt hij nog eens op vrolijke toon, terwijl hij de klas inkijkt, in afwachting van een reactie om zoveel domheid. De klas wacht gespannen af.
‘Dan hij, zal je bedoelen!’, zegt de leraar.
Dit is het sein voor de klas om in een algeheel gejoel los te barsten.
‘Dan hij’, roep ik nog verongelijkt, maar dat hoort niemand meer in het lawaai.
Taal was een van mijn beste vakken op de lagere school. Ik had met glans het toelatingsexamen voor het lyceum gehaald, met één negen en drie achten, waaronder een acht voor Nederlands. Het gebruik van als en hem in de vergrotende trap was zowel thuis als op school heel gewoon.
Het is duidelijk. Het is op deze eerste schooldag voor eens en voor altijd vastgesteld: wij zijn de boertjes van buiten, wij komen uit Vleuten, zo’n boerendorp, waar ze nog as hem zeggen. Wij kennen nu onze plaats.

Ter plekke neem ik me voor om snel te laten zien, dat ik tot veel meer in staat ben. Dat is de reflex die ik gewend ben van de lagere school, waar ik de meeste kinderen in intellectueel opzicht verre de baas was. De middelbare school is echter anders, zo zal weldra blijken. In deze klas kunnen alle kinderen goed leren. Ik ben op mijn nieuwe fiets in de grote wereld beland.

0

VAAN VENLO TOT MESTREECH

Herinnering

De voorpret begint als we met zijn vieren op zaterdagmorgen de opgelapte Citroën Ami van M instappen.
‘Zul je je onderweg een beetje gedragen?’, vraagt M aan mij.
‘Als ik bij het raampje mag zitten, komt alles goed’, is mijn antwoord.
We rijden op het gemak naar Limburg en zetten Sj af bij haar ouders in Sittard. We mogen pas verder als we eerst een groot stuk kiersevlaai hebben gegeten. Het is alsof overal de opwinding voor het komende feest merkbaar is.
Ook in Beek, bij de ouders van M, is er weer vlaai. En de garage staat vol met soepen, salades, vleesgerechten en pasta’s, die M’s vader in het vooruit gemaakt heeft. Carnaval vier je met elkaar. We zullen drie dagen alles samen doen. Nu ja, bijna alles, zoals zal blijken.
Mijn geboortedorp Vleuten kende geen carnavalscultuur. De vastenavond was wel de dag van het Potverteren van de kaartclub van mijn vader. Dan kwamen de vier families bij elkaar. De moeders stonden uren in de keuken om wafels te bakken. Wij deden ons tegoed aan lekkernijen die we in de daaropvolgende veertigdaagse vastentijd niet meer mochten eten. Maar polonaises of verkleedpartijen kende ik niet en uit je dak gaan en doorzakken kwamen in ons woordenboek niet voor.
Dus toen ik halverwege de zeventiger jaren voor de eerste maal Vastelaovend vierde in Limburg, kostte het me in het begin moeite om mij in het feestgedruis te storten. Het voelde alsof er mensen speciaal naar mij stonden te kijken. Naar hoe ik voorzichtig in die rare uitdossing stond te deinen. Maar als je met een groep bent went dat snel.

Op zaterdagavond beginnen we het fiëst in Geleen. We trekken van de Hanehof naar ’t Luifeltje, en verder, drinken overal een paar biertjes, hossen een tijdje mee en gaan weer door. Soms blijven er nog halfvolle glazen in het gemorste bier op het dienblad staan.
Op straat is het druk, een continue stroom clowns, narren en gekleurde pruiken beweegt zich tussen de lokalen.
Een als meisje verklede jongen met een bloem in het haar legt zijn arm om mijn schouder.
‘Wa zeit gij een liefie’, murmelt hij met zijn gezicht vlak bij het mijne. Ik schud hem van me af.
Even later loop ik naast een man die zich als priester heeft uitgedost.
‘Eerwaarde, ook een slokje?’, vraag ik. Ik houd hem mijn volle plastic beker bier voor.
‘Gerne, mijn vrind’. De priester pakt de beker aan en drinkt hem in een teug helemaal leeg.
‘God zal u hierveur belonen’, knikt hij, het schuim nog op de lippen.
Ondertussen doet M een poging om over een auto heen te lopen.
Elders worden er enkele bloembakken verplaatst.

Op maandagavond gaan we uit in Beek.
In een café hangen foto’s van de Baeker Potentaote, mannen die je vanonder hun carnavalshoed met fazantenveren gemoedelijk maar vastberaden aankijken. We belanden in een grote zaal, waar de Limburgse carnavalsschlagers uit de boxen schallen. Vaan Venlo tot Mestreech en vaan Eijsde tot de Mookerhei. We worden meegevoerd met de meute, die in grote cirkels de zaal doorgaat. In het midden bewegen groepen feestvierders juist de tegengestelde kant op.
In de groep tegenliggers valt mij een leuk meisje op. Blond haar, rode wangen, deemoedige blik. Na een volgende ronde heeft zij mij ook opgemerkt. We lachen naar elkaar. Bij elke ontmoeting kijken we elkaar langer aan. We lachen nu niet meer, we kijken indringend. Ik ga naar haar oversteken, bedenk ik.
Op dat moment roept M: ‘we gaan naar café Frusch’. Ik kom in tweestrijd. Besluiteloos loop ik achter mijn vrienden aan. Pas als onze groep halverwege de nacht besluit naar huis te gaan, zeg ik dat ik nog even blijf.
Ik keer direct terug naar de feestzaal. Onrustig en gedreven ga ik op zoek naar het meisje met de appelwangen. De zaal is al half leeg, maar het gebral klinkt luider. Wo is toch dat Sjterfhoes, wo is dat toch hein. Dat feesten staat me nu erg tegen. Ik zie het meisje nergens meer en voel me hopeloos alleen. Op je eentje is carnaval sjrikkelik.
Terug in mijn logeerbed dreunen de tweekwarts maten nog na. Ik raak het Sjterfhoes niet meer kwijt. De kamer draait om mij heen. Ik knik het bedlampje weer aan en val in een onrustige slaap.
Op dinsdagochtend gaan we terug naar Utrecht. Voor de optocht van de zaate ermenniekes hebben we geen puf meer.

0

KONIJNEN EN ZOGGEDIJSELS

Herinnering

paardenbloemHet was in ons gezin vroeger een vanzelfsprekendheid. De kinderen hielpen mee met allerlei werkzaamheden: de vaat drogen, schoenen poetsen, op zaterdag het erf rijven, in de herfst stoofpeertjes schillen. Elke zondagmiddag telden we de centen, stuivers en dubbeltjes, die mijn vader die ochtend in de kerk in het zakje met de lange stok had opgehaald. En in de winter liep ik door weer en wind en in het donker naar ons voormalig kippenhok om de kolenkit bij te vullen.
Daarnaast was het mijn taak om een paar konijnen te verzorgen. Ik was niet zelf op dat idee gekomen. Wellicht dachten mijn ouders dat het stimuleren van verzorgende kwaliteiten bij mij geen kwaad kon. Er kunnen ook andere redenen hebben gespeeld.
De twee langoren zaten in één hok, maar van elkaar gescheiden door een tussenschot. Waarom ze niet bij elkaar mochten komen, heb ik me toen nooit afgevraagd. Ik wist niet of het mannetjes of vrouwtjes waren. Voor mij waren het gewoon konijnen.
Elke week moest het hok schoongemaakt worden. Daar had ik een grondige hekel aan.
De stank van de konijnenmest was nog tot daar aan toe. Ik rook in het dorp wel vaker luchtjes van dieren en mest. Vervelender was, dat ik na het verwijderen van het gaas voortdurend moest opletten, of niet een van de konijnen van de gelegenheid gebruik zou maken om te ontsnappen. Zie dan zo’n beest nog maar eens te pakken te krijgen.
Ik was bang voor de onverwachte bewegingen van de beesten. Waarschijnlijk waren de konijnen op hun beurt bang voor die grote schop die opeens hun eetkamer annex wc binnenkwam. Zo hielden we elkaar gevangen in een gezamenlijk verbond. Er is er nooit een ontsnapt.

konijnen

Ik kweet mij nauwkeurig en liefdevol van mijn taak. Het was weinig werk. Voer was er rond ons huis in voldoende mate aanwezig. Het gras groeide zelfs onder het hok. Ik hoefde niet met een zeis op pad om in de bermen langs de openbare weg een dagvoorraad bij elkaar te halen, zoals ik semiprofessionele konijnenfokkers met alpinopet regelmatig zag doen. Die hadden dan ook flatgebouwen met konijnen te voeden.
Ik gaf mijn langoren het liefste zoggedijsels[1]. Daar waren ze dol op. Ik mocht er graag naar kijken hoe ze aanvielen op hun verse groenvoer. Al zat er maar één zoggedijsel tussen een berg gras, dan nog haalden ze dat blad er onmiddellijk uit en aten dat als eerste op. Dat zou ik nooit doen, dacht ik dan. Ik bewaarde het lekkerste eten altijd tot het laatst.
Een week voor de Kerst kwam de olieboer uit ons dorp een van de konijnen halen. In zijn vrije tijd had de olieboer namelijk een bloeiende praktijk als dierenviller. Zijn kwaliteiten op dit gebied waren wijd en zijd bekend.
En zo geschiedde het dat er met de Kerst bij ons een konijnenbout in de braadpan lag.
Ik at niet mee.
Niet omdat ik ontdaan was dat die gulzige knager, die mij met zijn grote ogen vaak zo verwachtingsvol aangekeken had, opeens was veranderd in een braadstuk. Ik heb geen traan gelaten om het konijn, terwijl ik toch om het minste of geringste kon huilen.
Bij onze buren ging er eens een kip in de pan, die het hele jaar voor hun raam achteruitlopend de kale grond had afgezocht. Bij hen at de buurvrouw niet mee. Ze was er getuige van geweest dat de kip een kleine kikker had verorberd. De vorm van het beestje was nog enige tijd zichtbaar geweest in de hals van de kip.
Ik vond het opdienen van konijn of kip de normaalste zaak van de wereld. Maar ik at niet mee, omdat ik konijn niet lustte. Ik vond de geur van konijn zoveel vreemder dan de zaterdagse geur van draadjesvlees, gebakken in de bleu band.

________________________________________
[1] Dialect voor paardenbloem. Het Meertens Instituut houdt onder meer een databank bij van volksnamen voor planten. Het woord zoggedijsel (zoggedeisel) staat vermeld voor de plaatsen Benschop en Oud-Maarsseveen, beide met het jaartal 1945. Vleuten, het dorp van mijn jeugd, ligt zo’n beetje in het midden tussen deze West-Utrechtse dorpen. Misschien is het woord zoggedijsel wel het enige dialectwoord, dat ik uit mijn jeugd heb meegenomen.

1

DIE DAG

Herinnering

Brian Hyland, zegt die naam nog iets?
One, two, three, four, tell the people what she wore?
Brian Hyland was een Amerikaans tieneridool. Hij scoorde in 1960 zijn eerste en enige nummer 1 hit met Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polka Dot Bikini.
Ik was acht jaar en zong het refreintje mee, zonder te beseffen wat de tekst betekende. Ik wist nog wel, dat een bikini een tweedelig badpak was. Maar op die leeftijd had ik geen bijzondere belangstelling voor meisjes of hun badkleding. Al hing er iets geheimzinnigs om heen, sinds mijn moeder boos was uitgevallen toen mijn zus ’s zomers in de teil twee kaatseballen onder haar badpakje had gedaan.
Enkele jaren later probeerde ik samen met een vriendje via een openstaand raam van een bouwkeet een foto van een pin-up van de muur te halen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. We werden in onze pogingen gestoord door een gepensioneerde metselaar die elke avond op zijn Mobyletje door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen (‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’).
Het duurde nog tot mijn 13e voor de vonk van het vrouwelijk lichaam daadwerkelijk oversloeg. Die dag herinner ik me precies. Ik keek op school schuin achterom en zag M in de rij naast mij voorovergebogen over haar tafel geleund. Op dat moment vielen mij onder haar blauwwitte wintertrui de welvingen op. Het was of er een bliksemschicht door mij heen ging. Ik was me er niet eerder bewust van geweest, niet bij M, ook niet bij andere meisjes. Of beter gezegd: ik had wel rondingen gezien, maar er nooit wat bij gevoeld. Ditmaal voelde ik van alles door elkaar: verwondering, bewondering, sprakeloosheid, verlegenheid en opwinding. Ik was aangenaam onthutst. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.
Vanaf dat moment wilde ik bij haar in de buurt zijn. Ik wilde dat ze naar mij keek, ik verlangde naar haar aandacht.
Van huis uit heb ik niet meegekregen hoe je dat moet aanpakken. Ik had geleerd om mijn hoofd te gebruiken. Gevoelens diende je te onderdrukken. Mijn voorzichtige avances werden door M op gelijke wijze beantwoord. In de kerstvakantie speelden we boerenbridge. Er waren nog twee klasgenoten bij. Ik deed mijn uiterste best om te winnen.
Geleidelijk kwam het besef dat we iets met elkaar hadden, al spraken we dit niet uit. We gingen samen naar zwembad den Hommel. Ik was op mijn 13e klein van stuk, ik had de baard nog niet in de keel. Als een speels jongetje duwde ik haar onverwacht in het water om daarna als een stoere knaap haar uit het water op de kant te trekken. Dat bood mij enige inkijk in haar badpak.
We gingen samen naar de kermis. Brian Hyland was al lang weer vergeten. That Day van the Golden Earrings schalde rond de cakewalk. Het bleek haar favoriete nummer. ‘O, Arnold’, riep ze in extase uit en ze kneep hard in mijn hand.
We liepen hand in hand over de kermis. Ik hield haar hand ongemakkelijk en gespannen vast. Maar ik durfde niet los te laten. We passeerden een klasgenoot van mijn lagere school. Ik wist niet goed waar te kijken. Het liefst was ik op dat moment met hem door de cake-walk gaan rauzen.
Er volgde een zomervakantie waarin M en ik elkaar niet zagen. Zo onmerkbaar als het was aangeraakt, zo onmerkbaar kwam er weer een einde aan de relatie.
Op de lagere school had ik ook vriendinnetjes gehad. Zelfs in de periode dat jongens alleen met jongens spelen had ik een vriendinnetje op mijn verjaardag uitgenodigd. Dat was de juffrouw van mijn klas opgevallen. Ik had met I gearmd gelopen. We speelden dat we een stelletje waren. Er was geen gevoel bij. We hadden het afgekeken van anderen.
Ditmaal waren de hormonen aan het werk geweest. De warme gevoelens kwamen diep van binnenuit. Ik kon ze niet onderdrukken.
De hormonen zouden daarna nog vaker opspelen. Maar nooit meer was er die vreemde mengeling van gevoelens als op die dag dat ik schuin achterom naar M had gekeken.

0

STRIJD VOOR RECHTVAARDIGHEID

Herinnering

De beschikking van de Raad van Beroep d.d. 16 september 1974 eindigt met:
“RECHT DOENDE IN NAAM DER KONINGIN!
Verklaart het door opposant gedane verzet niet-ontvankelijk”.
De opposant was ik en mijn verzet gold de beslissing van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid om de ziektewetuitkering te beëindigen.
Ik werkte vanaf september 1973 als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Versteegen. Ik had mijn studie psychologie onderbroken omdat ik iets met mijn handen wilde doen en omdat ik vanuit politieke idealen wilde weten hoe het leven van een arbeider eruit zag.
Op dinsdag 5 maart 1974 moest ik twee vrachtwagens lossen. Ik reikte de platen multiplex hoog boven mijn hoofd aan aan Kees, die ze op de halfopen zolder boven de werkplaats opstapelde. Na een half jaar timmeren waren mijn studentenspiertjes behoorlijk getraind, maar tegen zoveel tilwerk bleek mijn rug niet bestand. Ik kon de volgende ochtend geen kant meer op en meldde mij ziek.
Na een week kwam ik bij de controlearts. Die ging er kennelijk van uit, dat elke klacht gesimuleerd was, tenzij je het tegendeel kon bewijzen. Dat lukte mij niet en dus werd ik weer aan het werk gestuurd. Omdat zelfs het optillen van een kop thee pijnlijk was, bleef ik nog een weekje thuis. Daarna meldde ik mij weer op het werk. Toen men mij moeizaam het hout tussen de schaafbank door zag schuiven, was het advies: ‘Ga jij maar weer naar huis, jochie’.
Dat ik geen ziekengeld ontving, vond ik niet het ergste. Maar ik was woest op de keuringsarts vanwege zijn gebrekkig onderzoek. Strijdbaar als ik in die dagen was wendde ik mij tot de juridische afdeling van het NVV, mijn vakbond.
De ontvangst was koel. Men was nog niet geheel ingesteld op studentikoze types die uit vrije wil bouwvakker waren geworden. De adviseur keek me afstandelijk aan en stelde dezelfde wantrouwige vragen als de controlearts. Alsof hij me een gunst verleende zei hij tenslotte afgemeten dat hij aan het Sociaal Fonds een voor beroep vatbare beslissing zou aanvragen.
Half mei diende ik ‘persoonlijk’ te verschijnen om precies 15.00 uur namiddag bij P.H. van Setten, orthopedisch chirurg’. Mijn klachten waren op dat moment nagenoeg verdwenen. De specialist stond daarom voor de moeilijke taak om te beoordelen of ik twee maanden eerder arbeidsgeschikt was geweest.
Het zat mij niet mee met de instanties die ik op mijn tocht naar rechtvaardigheid tegenkwam. Ik schreef later, dat ‘de deskundige P.H. van Setten de klager meermalen onderbrak en niet uit liet spreken’. Ik was derhalve ‘niet in de gelegenheid geweest om mijn bezwaren mondeling toe te lichten’, zoals de beschikking vermeldde.
In het medisch rapport wordt gesproken over spierhypertonieën, periostalgieën, geringe scoliose en lordose zonder degeneraties en matige pedes plano valgi. Daarnaast staat vermeld, dat ‘getroffene op slechte klompschoentjes liep’.
Op 21 mei nam de Raad zonder slag of stoot de conclusie van de orthopeed over dat ik op 18 maart in staat was geweest om mijn werk te verrichten. Mijn gemachtigde bij de vakbond stelde mij op de hoogte. Desgevraagd liet een assistent weten ‘geen enkele mogelijkheid te zien om in verzet te gaan’. Maar als ik dat echt zo graag wilde, stond het mij natuurlijk vrij om zelf beroep aan te tekenen.
Tot dan toe had ik mijn gang langs de instanties nog kunnen zien als een aardig spel. De botte weigeringen om naar mij te luisteren en de gemakzuchtige oordelen brachten op dat moment in mij een donquichot-achtige verbetenheid naar boven. De rechtvaardigheid moest zegevieren. De bond had ik niet meer nodig. Ik tekende zelf beroep aan en vroeg om ‘de zaak ter zitting te behandelen’.
Mijn voorbereiding was uiterst degelijk. Op alle onderdelen had ik een steekhoudend verhaal. Ik had de huisarts aan mijn zijde. Kortom, ze zouden van goeden huize moeten komen om mijn argumenten van tafel te vegen.
Strijdvaardig parkeerde ik mijn fiets voor het gebouw van de Raad. Ik werd binnengelaten in een zaaltje. Achter een hoge balie zaten drie heren in toga. Eenzaam tussen de vele lege stoelen hield ik mijn betoog. Ik kreeg ditmaal ruim de tijd om mijn bezwaren toe te lichten. De blikken van de raadsheren varieerden van lichtelijk geamuseerd tot bewonderend.
Direct na afloop hoorde ik dat mijn verzet niet-ontvankelijk was, louter en alleen omdat ik niet binnen de gestelde veertien dagen beroep had aangetekend.
De vakbond had mij pas na vier weken op de hoogte gebracht.
Nu begreep ik waarom de bond geen enkele mogelijkheid meer zag.
Het is nog een wonder, dat ik mijn hele werkende leven lid ben gebleven van de vakbond.

0

BEELDEN UIT MIJN KINDERJAREN

Herinnering

Mijn jeugd is niet alleen vastgelegd op talrijke gekartelde zwart-wit kiekjes, die met fotodriehoekjes zorgvuldig in albums zijn geplakt. Mijn vader heeft ook filmopnamen gemaakt. Hij was op zijn werk lid van een fotoclub en kon zo wel eens een filmcamera lenen.
Tussen 1955 en 1960 heeft hij ons gefilmd tijdens het plukken van bessen, klimmend in bomen, voetballend op straat met neven en nichten (zonder dat er ook maar één auto langskwam), op het klimrek voor de kleuterschool, fietsend onder de poort van de Hamtoren in Vleuten.
Aanvankelijk zijn het zwart-wit opnamen, later kwam er kleur bij. Het is op de beelden altijd mooi weer. Iedereen loopt in zijn zondagse pak. Alsof het vroeger immer knus, gezellig en feestelijk was.
Op een zonnige verjaardag met veel familie maakte mijn vader opnamen in de tuin. Hij had bedacht dat het goed zou zijn als alle gasten één voor één de voordeur uit zouden wandelen. Iedereen zou dan ontspannen en natuurlijk in beeld komen.
Voor alle ooms en tantes, die nog niet eens gewend waren aan het poseren voor een fototoestel, bleek dit stukje lopen echter een enorme opgave. We zien aarzelende tantes in de deuropening verschijnen (‘mag ik al doorlopen?’) en omes die in straf marstempo, de armen stijf langs het lichaam gehouden, de tuin in marcheren. Allen komen op geheel onnatuurlijke wijze, het oog strak op de camera gericht, het huis uitgelopen, in een onzekere parade alsof de hele wereld toekijkt. Onderwijl schieten de kinderen uitgelaten hollend door het beeld.

Na een aantal jaren filmen werden alle opnames aan elkaar geplakt en beschikte mijn vader over een film van 15 minuten; een kwartier gezellige familiebijeenkomsten en kinderspelletjes in fraai buitenweer.
Vanaf dat moment werd er om de paar jaar bij ons thuis een filmavond gehouden.
In de voorkamer gingen dan de tafels en stoelen aan de kant. Voor de schuifdeuren werd het grootste witte laken uit de linnenkast opgehangen, met de strijkvouwen er nog in. Aan de andere zijde van de kamer werd de Naumann trapnaaimachine een halve slag gedraaid, onder het Heilig Hartbeeld vandaan, zodat daarop de geleende filmprojector geplaatst kon worden. Mijn vader schoof een stapel DE-landenboeken onder de projector om de filmbeelden op de goede hoogte op het doek te projecteren.
Mijn moeder vulde de koektrommel bij en vervolgens vulde de kamer zich met familieleden uit het dorp. Als de koffie gedronken was en mijn vader met de nodige moeite de projector aan de praat had gekregen, wat ook nadat hij het apparaat al verschillende keren had geleend een probleem bleef, kon dan eindelijk het sein gegeven worden om het licht van de grote lamp, in het midden van de kamer, uit te doen. De projector begon snel ratelend zijn omwentelingen te maken, een schel wit licht viel de donkere kamer binnen en wij zagen onszelf in levende lijve op het laken voorbij schieten.
Na een paar vertoningen zat de lol vooral in de voorspelbaarheid. Nog voordat ome Theo bij de tuinscene in de deuropening verscheen riep er dan iemand: ‘Let op, daar komt ome Theo weer’ en vervolgens lagen we plat van het lachen om zijn krampachtige loop. Bij de scene van het ballen op straat kwam altijd maar weer Arie Hardijzer langsfietsen. We kenden de man niet, maar hij werd door de filmavonden een vertrouwde gast.
Door een onbedoelde fout ergens in het productieproces was er één gedeelte, dat in uiterste vertraging werd weergegeven. In dezelfde tijd dat Sport in Beeld de doelpunten bij het voetbal in slow motion ging herhalen, zagen we mijn broer tergend langzaam door de lucht zweven om telkens precies op het goede moment de bal te vangen.
Aan het einde was er nog iets waar we altijd begerig naar uitkeken.
De film werd dan weer op de oorspronkelijke spoel teruggespoeld. Daarbij zagen we alle beelden in omgekeerde volgorde versneld terug: nichten die in hoog tempo achteruit fietsten, ome Theo die stram achteruit het huis in liep.
Als de projector aan het einde door het losse stukje celluloid een snel slippend geluid maakte en mijn vader haastig op zoek ging naar hoe hij het apparaat weer kon stoppen, wisten we dat het vrolijk avondje weer voorbij was.

0

FLUITEN EN KRASSEN

Herinnering
 
Toen ik zes jaar was achtte mijn vader de tijd rijp om mij de beginselen van de muziek te leren.
Ik leerde blokfluit spelen, in navolging van mijn oudere broer en zussen.
Mijn vader legde mij op zondagmiddag met veel geduld uit, hoe ik mijn vingertjes op de gaatjes van de fluit moest leggen. Dat kostte de nodige inspanning. Lag er maar één vingertje niet goed, dan ontsteeg er een schel hoog geluid aan het instrument. Turend naar de nootjes in het boekje stak ik het mondstuk van de fluit te ver in mijn mond, zodat mijn vader herhaaldelijk het vocht uit het instrument moest halen.
Na een aantal weken oefenen wachtte de eerste beloning. Ik kon een eenvoudig melodietje spelen en ontving de complimenten van mijn moeder.
Het bespelen van de blokfluit was overigens  niet het doel, het was een opmaat voor iets groters.
Mijn vader was een muzikale man. Als kind speelde hij op een kloppiano. Volgens de overlevering kon hij al op zeer jonge leeftijd in alle toonaarden het Stabat Mater spelen. De organist van de kerk had er twee dikke repen chocola voor over. Later kreeg mijn vader een viool. Van toen af aan speelde hij elke avond zijn toonladders en melodieën. ‘Het leek of hij er nooit genoeg van kreeg’, zo omschreef mijn tante Jo zijn hartstocht voor de muziek. Bij de jongerenvereniging gaf hij zangles en dirigeerde hij uitvoeringen.

Zo’n passie voor muziek, die wil je wel op je kinderen overbrengen. Het leren van muziek was daarom bij ons thuis een onderdeel van de opvoeding.

Toen ik via de blokfluit noten had leren lezen, was de tijd aangebroken om een instrument uit te  kiezen. Helaas had tot op dat moment nog niemand voor mijn vaders lievelingsinstrument, de viool, gekozen. Mijn oudste zus had het even geprobeerd, maar was al snel op de piano overgestapt. Net in die tijd viel aan ons gezin een viool toe uit de nalatenschap van een oom van mijn moeder. Er was geen ontkomen meer aan: ik ‘koos’ voor de viool.
Een viool is een mooi strijkinstrument, maar het duurt jaren voor je er iets prachtigs uit kunt halen. Anders dan bij de piano liggen de noten niet voor je klaar, je moet ze zelf maken met je vingers. En leg je je vingers een millimeter verkeerd dan krijg je, net als bij de blokfluit, onzuivere tonen. Daarnaast vraagt het strijken met de stok de nodige ervaring. In de beginjaren produceer je slechts  gekras.
Ik was veel liever buiten aan het voetballen of aan het klimmen in de knotwilgen voor ons huis, maar het kwam niet in mij op om nee te zeggen tegen de viool en zeker niet tegen mijn vader. Ik deed trouw mijn oefeningen en ging vooruit.


Zo kraste ik na enige tijd de eerste kerstliedjes bij de piano. Bij het afscheid van juffrouw Witkamp van de lagere school speelde ik met de tweeling Staal voor een vol Verenigingsgebouw een boerendansje.

En toen er op een zondagmiddag een gast uit Utrecht kwam voerde ik met mijn vader een paar vioolduetjes op. Na afloop zei de man, niet gespeend van kennis van muziek noch van tact in de omgang: ‘Ik vond het wel mooi, maar’, en hierbij richttte hij zicht tot mijn vader, ‘U speelde een beetje vals’.
Mijn vader bracht mij vooral de plicht bij om te oefenen. De bevlogenheid die hij als kind had, wist hij niet door te geven. Ik speelde niet elke avond, alsof ik er nooit genoeg van kreeg.
Hoe ouder ik werd, hoe meer de plicht mij begon op te breken. Ik verzuimde steeds vaker mijn oefeningen. Toen radio Veronica de standaard was geworden en de Beatles doorbraken, was het gauw gedaan met mijn muzikale carrière en borg ik de viool voorgoed op in zijn kist.
Sommige dingen hebben tijd nodig.
Mocht mijn vader nu vanuit de hemel toekijken en zien hoe ik met muziek bezig ben, dan kan hij niet  anders dan glimlachend en tevreden constateren: ‘het is toch niet voor niets geweest’. 
2

MEA MAXIMA CULPA

Herinnering
 
Als ik in de winter om 6.45 uur de Willibrorduskerk in kwam, was het daar angstig stil en donker. Alleen vanuit de half openstaande deur van de sacristie, aan de andere zijde, viel een flauw streepje licht de lege ruimte in. Het donker strekte zich hoog en kil boven mij uit. Dit was het huis van God en hij was alomtegenwoordig. Maar bang voor het donker liep ik, rende ik bijna, door het zijpad. Elk voetstapje weerklonk in de duisternis.
In de sacristie trok ik een zwart toga over mijn kleren aan. Daaroverheen kwam de witte superplie.
Piet Boeijen, de koster, hield een oogje in het zeil. Ondertussen legde hij de gewaden voor de priester klaar. ’s Morgens vroeg stond er vaak een korzelige uitdrukking op zijn gezicht. Was een misdienaar iets te laat of hing er een toog verkeerd, dan kwam er in zijn tirade een verdomme mee. Tenminste, als de pastoor of kapelaan nog niet aanwezig was. Ik vond dat zorgelijk, want de priester mocht er dan wel niet zijn, God luisterde altijd mee.
De twee misdienaars en de priester stelden zich achter elkaar op in de betegelde gang. Nu mochten we niet meer praten. De voorste misdienaar deed de deur naar de kerk open en trok – niet te hard en niet te zacht – aan de grote bel links. Dan liepen we vroom, de handen voor de borst met de palmen tegen elkaar en de vingers omhoog, het altaar op, beducht om niet te vallen over de lange toga.
 
Kapelaan ter Steeg had gevraagd of ik misdienaar wilde worden. Mijn ouders vonden het belangrijk en eervol. Zij hoopten in stilte op een priesterschap en dit zou een mooie eerste stap zijn.
Nee zeggen kwam niet in mij op. Daarnaast leek het me aantrekkelijker om op het toneel van de kerk een kleine rol te vervullen dan om naamloos in de kerkbank een uur lang stil te zitten.
Bovendien had ik thuis op zolder al vaak de mis opgevoerd. Staande achter een oude commode in een heus kazuifel spreidde ik mijn armen en richtte mijn blik omhoog naar de vliering. Vervolgens zegende ik de perensap, die de miswijn verving.
Een misdienaar voerde verschillende taken uit. Zo baden wij het confiteor, reikten het water aan voor de handwassing, en luidden de bel voor  de consecratie.
Het bleek geen sinecure. De Latijnse gebeden diende je uit het hoofd te kennen en je moest weten wat je op welk moment moest doen. Zeker bij pastoor Beutener luisterde dat nauw. In de ochtendmissen hield hij een straf tempo aan. Door een spraakgebrek kwam ik niet altijd snel genoeg uit mijn woorden. Dan nam de pastoor het bidden van mij over en staarde ik, met de blikken van de parochianen in mijn rug, verslagen naar het zwarte marmer van de altaartreden.
Tussen het epistel en het evangelie dienden wij de houten lessenaar met het misboek van de linker- naar de rechterzijde van het altaar te verplaatsen. Omdat ik dat zware boek een keer bijna had laten vallen, voelde ik steeds de kritische blik van Beutener in mijn rug.
Een andere keer had ik mijn altaarbel niet goed neergezet. Die donderde toen met veel kabaal van de treden af. Het gerinkel galmde nog lang na in de kerk. Het kon niemand ontgaan zijn welke stommiteit ik begaan had. Mea culpa.
Plechtige missen op zon- en feestdagen waren een belevenis. Dan reikten wij het walmend wierookvat aan. Of we brachten het wijwatervat met de kwast zodat de pastoor de gelovigen kon behoeden tegen onheil. Ik vond het jammer dat ik de kwast niet mocht hanteren.
Soms werd er een mis voor drie heren opgevoerd. Opzij van het altaar stonden er dan enkele  stoelen waar de priesters konden plaatsnemen. Liep er een priester op een stoel af, dan diende je bliksemsnel achter de stoel te gaan staan. Je moest dan vlug de achterzijde van het kazuifel pakken om deze in één vloeiende beweging over de rug van de stoelleuning te draperen. Daarbij tastte ik meestal mis. Met een rood hoofd zag ik dan hoe de priester, mea maxima culpa, met zijn volle gewicht dat prachtige gewaad zat te verkreukelen. Ik had al zo’n  idee wat Piet Boeijen er van zou zeggen. 
Na enige jaren kwam er een einde aan mijn plichtsgetrouw misdienaarschap. Tot acoliet heb ik het niet meer geschopt. 
0

GELUKZALIG ZWEVEN

Herinnering, Reizen
Jaren geleden was ik verkenner. Als ik mijn uniform aantrok, dan voelde ik mij heel wat. Ik heb me echter nog nooit zó verkenner gevoeld als de afgelopen week. Ter voorbereiding op het jaarlijkse wandelweekend van mijn koor was ik afgereisd naar de Moezel om de wandelmogelijkheden te verkennen en de kapelletjes in kaart te brengen waar de partituren uit de rugzak opgediept kunnen worden.
Welnu, je kunt er wandelen dat het een lieve lust is. Keuzen te over. Wandelaars, die lijden aan keuzestress kunnen dit gebied beter mijden. En natuurlijk is alles er gründlich geregeld. Op elke hoek staan houten wegwijzers, nummers van wandelingen, gekleurde stippen en strepen. Rustbanken en picnicplaatsen met afvalbakken zijn er in overvloed. Er staan educatieve borden met uitleg over de historie, de natuur en cultuur. En natuurlijk zijn er de borden die de Anfahrpunkte für Rettungsfahrzeuge markeren. Alleen de defibrillatoren ontbreken. Verder moet je op fietspaden uitkijken voor de horden sportief uitziende, elektrisch voortgedreven snelfietsen.
De Moezelstreek is het land van de wijngaarden, de wijnproeverijen, de geur van bestrijdingsmiddelen, de opgeruimde straten, de gothische letters, de rondvaartboten met gekleurde lampjes op het dek en de Strammer Max. Het is het vakantieland van onze ouders.
In 1967 hadden mijn ouders een vakantiewoning gehuurd in een bungalowpark boven Kröv aan de Moezel. Mijn vader reed in een Dafje, dat hij omzichtig op de helling parkeerde. Hij legde blokjes achter de achterwielen. De blik waarmee hij deze voorzorgsmaatregel nam deed mij het ergste vrezen. Ik verwachtte elk moment, dat het autootje achteruit de helling af zou rijden.
We wandelden er tussen de wijngaarden, bezochten kastelen, waar ik-weet-niet-wat-voor-hertog mooie spullen verzameld had en gingen elke kerk en kapel binnen, die op ons pad kwam.
Op de brug in Traben-Traarbach aten we zo’n verrukkelijk Italiaans ijsje, dat ik me dit 48 jaar na dato nog herinner. Tot mijn geluk zag ik deze week, dat je op precies dezelfde plek nog altijd Italiaanse ijsjes kunt kopen. De tijd heeft hier stil gestaan.
Het hoogtepunt van de vakantie voor mij was echter niet van culturele of culinaire aard.
Dichtbij het bungalowpark lag een vliegveldje voor zweefvliegtuigen. We zagen de toestellen regelmatig boven het bungalowpark draaien als roofvogels op de thermiek. Voor 15 Mark mocht je een rondje meevliegen. Dat wilde ik natuurlijk wel. D.w.z. op kosten van mijn ouders. Vijftig cent voor de cakewalk op de kermis wilde ik nog wel uit eigen zak betalen, maar een uitgave van omgerekend 16 gulden 50 kon van mij niet verwacht worden, vond ik.
Mijn ouders op hun beurt vonden de kosten van een vlucht voor alle gezinsleden te hoog. Daarom werd besloten, dat mijn broer en ik de zweeftocht mochten maken.
Op een mooie zomeravond klom ik via een trapje op de enige zitplaats achter de vliegenier. De koepel werd gesloten. De spanning steeg, maar bang was ik niet. Ik vroeg me nog wel af of mijn vader de blokjes achter de wielen van het Dafje had gelegd. Het zou de vreugde wel enigszins bederven als ik ergens onder mij een verkreukeld, beige Dafje tussen de wijnranken zou zien hangen.
Het zweefvliegtuig zat met een kabel vast aan een lier, die aan het andere einde van de baan stond. De kabel werd razendsnel opgewonden en zo werden wij de lucht ingebracht. Daarna schrok ik van een enorme klap. Ik dacht dat er iets vreselijk mis was. De vliegenier stelde me gerust. Hij had de kabel losgekoppeld.
Op de baan beneden was de zon al ondergegaan. Eenmaal in de lucht  kwamen de  oranje stralen van de laagstaande zon weer tevoorschijn. Beneden mij zag ik het kronkelende grijze lint van de Moezel tussen het lichte groen van de wijngaarden en het donkere groen van de bossen. Het was adembenemend mooi. Het landschap straalde een eeuwigdurende, paradijselijke rust uit. Dit zweven grensde aan volmaakt geluk.
We scheerden nog over het bungalowpark. Mijn familieleden stonden met de hand boven het hoofd omhoog te turen. Mijn vader wapperde met een enorm wit laken, alsof hij een noodsignaal wilde afgeven. Als hij een zakdoek had gebruikt was het mij nog opgevallen. Ik zei maar niet tegen de piloot dat het mijn vader was.
Toen het vliegtuigje heftig hobbelend op de grasbaan was teruggekeerd, zei ik tegen de vliegenier: “Nun, es war sehr schön”. Daarmee versloeg ik in één keer alle kromme uitspraken die ik die week van mijn vader had gehoord (“Ja, das hatten wir schon gedacht, ja”).