Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

OP ZOEK

Herinnering
Vorige week kwam ik J. tegen. Dat was in jaren niet gebeurd. Wij kennen elkaar uit de eerste helft van de jaren zeventig. Tezamen met nog acht andere studenten woonden we in een studentenflat aan de van Lieflandlaan in Utrecht.

Als eerste bewoners van de groepswoning hadden we elkaar niet uitgekozen. De Stichting Studentenhuisvesting had een mix gemaakt van leeftijden en studierichtingen, maar wel alleen mannen bij elkaar geplaatst. Naast ons was een woning voor vrouwelijke studenten. Dat gaf voldoende bekijks over en weer.
In onze groepswoning deelden we het sanitair en de keuken cq huiskamer. Ieder zette zijn eigen pot pindakaas in zijn eigen keukenkastje. Alleen de drank werd uit kostenoverwegingen gezamenlijk bij Groothandel Nectar ingekocht. Het verbruik werd bijgehouden op een turflijst.  Op huisvergaderingen was een terugkerend onderwerp van gesprek hoe de niet geturfde flesjes verrekend moesten worden: elke bewoner een gelijke bijdrage of naar gelang de omvang van het verbruik.
In de keuken stonden twee elektrische fornuizen. Van menig fluitketel is onbedoeld getest hoe lang deze kon droogkoken zonder krom te trekken. Van de twee Israëlische studenten in huis leerden we dat ha majm rotchien betekent dat het water kookt.
Na enige tijd kwamen de gezamenlijke maaltijden in zwang. Tenminste als er iemand op de kooklijst een K van Koken had ingevuld. Soms stonden er dagenlang alleen de X-jes van de mee-eters op de lijst. Na afloop van het eten werd er direct en contant afgerekend. ‘Mag ik van jullie 2,95 pp vangen?’
Natuurlijk was er een jaarlijks huisfeest. Dat was voor veel bewoners een goede aanleiding om de kamer eens flink op te ruimen. Dan konden alle gasten op de grond zitten. Het allereerste huisfeest heb ik niet tot het einde meegemaakt. Iemand had mij geadviseerd om eens sherry te proberen. Huisgenoot F had, met de kennelijke bedoeling om de buurvrouwen te behagen, een aantal grote mandflessen voor een spotprijsje in huis gehaald.  Met mijn moeder’s gezegde Onderzoekt alles en behoudt het goede in mijn achterhoofd was ik niets vermoedend aan de sherry begonnen. Halverwege het feest stond ik op mijn kamer met mijn hoofd boven de wastafel, die achter de klerenkast was verstopt. Ik zag alle zorgvuldig gemaakte hapjes weer naar buiten komen. Dit leek mij niet het goede wat behouden diende te worden.

We discussieerden veel. Over het autoritaire onderwijs, over de zin van het meedoen aan demonstraties,  over het koningshuis, over Barend Biesheuvel (Ba-rund, -rund –rund, -rund, -rund), over van alles. We waren eensgezind als het ging om de afkeer van tradities en autoriteiten. We waren het er impliciet ook over eens, dat wij het anders konden doen en dat we het zelf in handen hadden. Maar we konden flink van mening verschillen over welke kant het uit moest. Het waren oefeningen in debatteren en overtuigen. De discussie eindigde pas als iemand de zwart-wit TV aanzette. Dan keken we in gezamenlijkheid naar Avro’s Toppop (‘tip drie-drieeh-drieeehh’). Of ieder trok zich terug op zijn eigen kamer van 3 bij 4, met biezen tegels, grote bandrecorder, sierasperge en citroengeranium.
We waren allen bezig om op eigen benen te gaan staan en de wereld te verkennen. We waren op zoek naar wat we belangrijk vonden in het leven, naar houvast voor de toekomst en zeker ook naar de ware liefde, die we nog geen van allen gevonden hadden.
We waren tegen strikte normen en geboden, maar we hingen overal briefjes op.
Naast de telefoon hing de waarschuwing: ‘vergeet niet de tikken te noteren!!!’. Op de deur van de douche hing, op instigatie van een Brabantse zoon met aanleg voor smetvrees de regel: ‘douche altijd met lysol reinigen’. Ik had op de wc de volgende boodschap achtergelaten: ‘als je carrière wil maken, begin dan hier met het ophangen van een nieuwe wc-rol als de oude op is’.
Of we carrière gemaakt hadden, was een vraag die tijdens het gesprek met J. vorige week niet ter sprake kwam. Wel deelden we met elkaar de ervaring,  dat de tijd hard is gegaan. Dat er, anders dan we destijds dachten, dingen gebeuren in je leven, die je niet in de hand hebt. Dat het omkijken is begonnen.  

0

VOL OP HET ORGEL

Herinnering, Muziek
Dit is uw orgel Heer, dit is uw kerk
‘k Loop zo maar binnen Heer, net van mijn werk

Zo begint het lied Mijn gebed over een liefhebber van orgelmuziek. Het werd gezongen door een Nederlandse zanger, die om onduidelijke redenen de artiestennaam D.C. Lewis had bedacht. In 1970 had hij een nummer-1-hit met dit lied. Daarna hebben we nooit meer iets van D.C. Lewis gehoord, maar elk jaar kom je Mijn gebed weer tegen in de top 2000.
In het 2e couplet komen een paar zinnen voor die al jaren ergens door mijn brein zweven en zo af en toe onaangekondigd naar boven komen:
Ik ben niet hervormd of zo, niet katholiek
Ik kom hier alleen maar Heer voor de muziek
Na deze strofe ging de organist van dienst, Feike Asma, vol op het orgel. Dat was het wijd en zijd bekende Garrelsorgel van de Groote Kerk in Maassluis.
Waarom ik deze regels onthouden heb is voor mij een raadsel. Ik hou van allerlei soorten muziek en veel instrumenten zijn mij lief. Maar als ik iemand op een orgel hoor soleren dan haak ik subiet af.
Ik heb een hekel aan al die in elkaar overvloeiende noten, die dreunende tonen en vooral die zware galm. Ik vind het gekunsteld klinken als er een nieuw register wordt opengetrokken, alsof je een mechanische truc op een speelgoedinstrument uithaalt.
Orgelliefhebbers argumenteren dat een orgel eigenlijk een groot orkest is. Groot is het zeker, daarover hoeven we geen discussie te voeren. Het orgel  is de olifant onder de muziekinstrumenten. Zo dendert de muziek regelmatig door de kerkelijke porceleinkast. Niettemin gaat mijn grote bewondering uit naar meneer Garrels en zijn voorgangers die het instrument hebben ontwikkeld. Minstens evenveel bewondering heb ik voor de mensen die zo’n instrument met twee handen en twee voeten weten te bespelen.
Zoals de klank van een piano of een cello niet in zichzelf een positieve of negatieve waarde heeft, zo zijn de tonen van het orgel ook niet lelijk van zichzelf. Mijn afkeer moet daarom terug te voeren zijn op de omstandigheden waarin ik het orgelspel leerde kennen: het langdurig knielen op houten kerkbanken, een schijnheilige preek en opgelegde dogma’s.

Eenmaal heb ik mijn tranen laten lopen bij het horen van orgelmuziek.
Het was in 1976, ik was 24 jaar en met een groep op bezoek in de Sovjet-Unie. De reis, georganiseerd door de Vereniging Nederland-USSR, ging naar Moskou, Leningrad en Riga. Op het programma stonden bezoeken aan onderwijsinstellingen, jeugdverenigingen en bedrijven. Daarnaast waren er in elke plaats culturele uitjes. In Riga bezochten we ’s avonds een orgelconcert in een protestante kerk. We zaten op harde, rieten stoelen met een ingezakte zitting. Het rook er naar boenwas. Voor mij zat een vrouw met een grote, grijze knot, die mij elk zicht ontnam. Dat was echter geen enkel bezwaar, want het orgel en de organist bevonden zich achter ons. Het voltallige publiek zat met zijn rug naar de musicus gekeerd. Naast de vrouw met de knot zat een magere man in een eenvoudige, grijze regenjas. Bij zijn bakkebaarden sprongen enkele grijze krulharen onder de rand van zijn pet uit.
In afwachting van het begin van het concert vroeg ik me af of met deze man nu de Nieuwe Mens werd bedoeld, waarover tijdens onze bezoeken veelvuldig was gesproken.
Toen het orgel onaangekondigd inzette, stopte het geroezemoes in de kerk terstond. Zachte, ijle mineurtonen vulden de ruimte. Het was alsof de smart van het leven de kerk binnenkwam, maar ook de troost van de muziek. Ik werd overvallen door mijn eigen tranen. De man met de pet voor me hield zijn ogen gesloten. Zou een Nieuwe Mens mogen huilen?
Toen het adagio overging in het allegro besefte ik dat mijn tranen niets te maken hadden met de kerk, met Händel of het orgel, maar alles met mijn eigen gemoedstoestand. Ik was in die dagen op zoek naar een nieuwe maatschappij en ik was me er in het Oostblok van bewust dat dat ideaal verder weg was dan ooit. Bovendien ik was verliefd op het verkeerde meisje in de groep. Dan weet je het wel. Dan zijn een paar mineurtonen voldoende, al is het van een orgel.

0

PATER VAN VREE

Herinnering
In het najaar van 1963, ik ben dan 11 jaar oud, stappen mijn vader en ik op een koude zondagmiddag uit de trein in Tilburg. We zijn op weg naar de paters Oblaten van de heilige Franciscus van Sales. In het missiehuis Ave Maria kunnen jongens een opleiding tot priester volgen.

Destijds was het ideaal, dat elk katholiek gezin een priester zou voortbrengen. Alle hoop was daarbij op mij gevestigd. Enkele jaren daarvoor was een neef tot priester gewijd. Hij was in een open rijtuig als een held in ons dorp binnengehaald. Dat leek me nog wel wat. Maar ik gruwde bij de gedachte aan een internaat.
We worden door een jonge pater binnengelaten in een hoge, betegelde hal waar elke voetstap de stilte verstoort. Spaarzaam licht valt binnen door twee smalle, gebrandschilderde ramen aan weerszijden van een donkere, glimmende trap tegenover de ingang. De stilte voelt beklemmend. Uit een lange, stenen gang klinkt ver weg het sluiten van een deur. Voetstappen naderen en even later zien we een pater van middelbare leeftijd met een grote glimlach op ons afkomen.
‘Pater van Vree’. Hij neemt mijn hand in zijn beide handen en schudt langdurig. Ik herken in hem de pater die enkele maanden daarvoor als uit het niets bij ons aan huis was geweest. Hij was ook toen  zo overdreven vriendelijk. Hij wist dat ik bij de verkenners was en dat ik goed kon leren. Hoe wist die man dat, vroeg ik mij af. Ik vertrouwde hem niet.
We krijgen een kopje thee geserveerd in een ontvangstkamer. ‘Neem gerust twee koekjes’, zegt pater van Vree breed lachend. ‘Dank u wel’, antwoordt mijn vader beleefd. Op een lage tafel staat een grote varen, rond de pot liggen missieblaadjes uitgespreid. Pater van Vree vertelt hoe alle jongens in dit huis hun best doen om het elkaar naar de zin te maken. Na een weekendje thuis komen ze  graag weer terug. Ik kijk uit het raam. Ik wil helemaal niet weg van huis.

Dan leidt de pater ons rond. We gaan eerst naar de recreatiezaal, die deze zondagmiddag vol is met jongens die spelletjes doen. We staan stil bij een tafeltennistafel, waar een jongen in een zondags pak het opneemt tegen een jonge priester in een zwart habijt. Dan maakt pater van Vree met een miniem gebaar van zijn ogen duidelijk dat de jongen plaats moet maken voor mij. Ondanks dat ik meeste ballen met het harde batje naast  de tafel sla, zegt de priester dat hij kan zien, dat ik aanleg heb. De jongen beijvert zich om alle ballen die ik missla weer razendsnel op te rapen. Dat zou ik nooit doen, als ik op bevel mijn beurt had moeten afstaan.

We lopen de trap op. ‘Hier is de kamer van de recreatiepater’, zegt pater van Vree. Hij klopt bescheiden op de deur. ‘Ik denk wel dat hij er is’, zegt hij met een vette knipoog naar mij.
In de kamer zit een jonge pater achter een bureau. ‘Goeiemiddag, zèèg’, klinkt het met een zachte g.
‘Hoe vind je het hier?’, vraagt hij mij vriendelijk.
‘W-wel mooi’, stotter ik.
‘Hou je ook van sporten?’
De recreatiepater vertelt uitgebreid over de sporten en buitenspelen op het internaat. ‘Wij doen hier van alles, eens even kijken’, hij opent een bureaula en zoekt tussen de paperassen. ‘Aha, hier’. Hij overhandigt mij een foto met handtekening van Reinier Paping. ‘Weet je wie dat is?’ Wat een domme vraag, denk ik.
‘Je mag die foto houden’, zegt pater van Vree.
‘Is dat even mooi’, antwoordt mijn vader, ‘dank u wel’.
Na de bezichtiging van de slaapzaal met chambrettes en de studiezaal eindigt de rondleiding in de kapel. Het is er donker en ijskoud. Op het altaar brandt een vlammetje in een rood glaasje. Mijn vader schuift de voorste bank in en knielt. Ik volg hem en knijp mijn ogen dicht. Ik wil hier weg, naar huis en naar mijn moeder. ‘Daar moet ik nu niet aan denken’, spreek ik mezelf toe, ‘ik moet nu bidden’. Ik bid voor de mensen die erg ziek zijn. En dat er vanavond geen auto-ongelukken zullen gebeuren. ‘Onze vader die in de hemel zijt… ’
Ik wacht tot mijn vader opstaat. Die komt overeind als pater van Vree weer terugloopt.
Bij het afscheid legt de pater een hand op mijn schouder. Hij buigt zich naar me toe. ‘Kom gerust nog eens een keertje kijken’. ‘Dank u wel’,  zeg ik beleefd. Ik neem mezelf voor om nooit meer terug te komen. Mijn vader bedankt de pater omstandig, diverse keren zijn hoofd buigend.  

Als ik thuis de achterdeur openzwaai en de keuken binnenstap, flikkert het kleine lichtje van het petroleumstelletje dat de koffie warm houdt. Mijn moeder komt ons met een blij gezicht tegemoet. Ik wil haar om de hals vliegen, maar hou me in.
Met de Kerst komt er een kaart van pater van Vree, daarna ook met mijn verjaardag.
Hij heeft dit vijf jaar volgehouden. Ondertussen hadden mijn ouders besloten, dat ik in Utrecht naar het gymnasium zou gaan. Dan kon ik daarna altijd nog de overstap naar het seminarie maken.
Nog voordat ik het gymnasium had afgemaakt, had ik afscheid genomen van de kerk.

0

GEVOELENS VOOR HET VADERLAND

Herinnering, In het nieuws
 In San Francisco waren wij ooit aanwezig bij een baseballwedstrijd tussen de San Francisco Giants en de Philadelphia Phillies. Voordat de strijd op het veld losbarstte zette een volumineuze sopraan op de werpheuvel het Amerikaanse volkslied in. Het werd op slag doodstil op de volle tribunes. Iedere toeschouwer ging staan. Mensen zetten hun baseballpet af en draaiden zich, de rechterhand op het hart, naar de Amerikaanse vlag. Slechts op het moment dat de zangeres aan het einde even flink uithaalde, werd de stilte onder het publiek onderbroken door een ondersteunend ‘yeah’. Amerikanen zijn trots op hun land en zij laten dat blijken ook.
Zoveel vaderlandsliefde is er nooit door mij gestroomd. We hebben niet eens een vlag die wij voor het vaderland kunnen uitsteken. Ik moet bekennen, dat ik de laatste jaren nog wel eens een brok in mijn keel voel als ik het Wilhelmus hoor. Maar waar zich dat voordoet, is dat denk ik een brok die er al langer zit en niet één die uit patriotisme voortkomt.
Voel ik me wel eens trots op Nederland? Is er iets waardoor ik in het buitenland met de borst vooruit ga lopen? Ik zou niet goed weten wat.
Ik vind het aardig om te horen als men in het buitenland ons koningshuis so cute vindt en de tulpen so lovely. Ik beaam het als men onze voorliefde voor baggeren en droogmalen roemt en ben het natuurlijk volkomen eens met degenen, die vinden dat dat kleine Nederland altijd zo mooi voetbal speelt. En toen ik deze week las dat de firma ten Cate uit Nijverdal, voormalig fabrikant van onderbroeken, nu de chassis voor de nieuwe Alfa Romeo gaat leveren, begon er wel degelijk iets te gloeien in me. Als ik Berlusconi weer eens tegenkom, dan zal ik zeggen: ‘Lekker puh! Dat kan Dolce & Gabbana niet. Voor je zelfbeheersing kan je je beter een stevig chassis van ten Cate laten aanmeten. Hollands fabrikaat!’
Omgekeerd komen er genoeg affaires in mij op, waarover ik in het buitenland liever geen vragen zou willen horen. Leidenaren die een pedofiel op het schavot terecht willen stellen. Geert Wilders en het  Polenmeldpunt. Srebrenica. Mocht ik daar ooit komen, dan zou ik niet weten wat te zeggen. Juist vanwege het besef, dat als ik daar zelf gediend had, ik net zo vrolijk na afloop met Karremans de polonaise had gelopen.
Het minst wil ik herinnerd worden aan ons koloniale verleden, hoe Holland rijk werd van de slavenhandel in West-Afrika en hoe kapitein Westerling zijn executies uitvoerde in de kampongs van Zuid-Celebes.
De afgelopen tijd las ik het boek Na de bevrijding van Ad van Liempt. Dat gaat onder meer over de wijze waarop de Nederlandse politiek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog geprobeerd heeft om de  macht in Nederlands-Indië te herstellen. Een onthutsende geschiedenis.
Een belangrijke reden voor het herstellen van het gezag was dat de inkomsten uit de koloniën weer op gang moesten komen. Dat het leger van 135.000 soldaten een miljoen gulden per dag kostte, geld dat niet aan de wederopbouw besteed kon worden, is een van de ongerijmdheden in deze geschiedenis. Na de verkiezingen in 1948 trok de KVP alle posities in het Indië-beleid naar zich toe. Onder de verhullende noemer politionele actie werd er een oorlog gevoerd die op tal van momenten nog voorkomen had kunnen worden. Het voortdurend wankelende kabinet kreeg het voor elkaar dat de Veiligheidsraad van de VN eensgezind een resolutie tegen Nederland aannam. Nederland werd de risee van de internationale gemeenschap en moest zich met de staart tussen de benen uit de archipel terugtrekken.
Ik zal niet verder uitweiden. Lees het boek van van Liempt. Het leest als een spannend verhaal.
Waarschuwing: lezen vergroot het risico op het verlies van vertrouwen in de politiek en kan leiden tot schaamte voor het aanzien van Nederland in de wereld.
Overigens, waarom zouden Amerikanen geen last hebben van dit soort schaamtegevoelens?
0

WEEKBLAD PANORAMA, 39stejaargang, no 29

Herinnering

Vind ik een schroefje op straat, dan raap ik het op en gooi ik het thuis in de bak met losse schroeven. En als een boterkuipje nagenoeg leeg is, dan schraap ik heel grondig en nauwkeurig de laatste resten van de wanden en de bodem, totdat er niets meer in zit. Dat komt omdat mijn ouders de oorlog meegemaakt hebben.
De Ntr zendt op vrijdagavonden Na de bevrijding uit, een documentaireserie over Nederland in de jaren na de tweede wereldoorlog. Daarin komt naar voren, dat de euforie van de bevrijding weer snel verdwenen is. Delen van het land ligggen in puin, de infrastructuur vertoont grote gebreken. Er moet hard gewerkt worden aan de wederopbouw, terwijl veel bouwmaterialen nog ontbreken. Op de akkers moeten eerst de mijnen geruimd worden.  Leren leven met schaarste is voor de meeste gezinnen de belangrijkste opgave. Aan van alles is gebrek.  Brandstoffen, zeep, voedingsmiddelen zijn op de bon. Na het Zweedse wittebrood, dat smaakte als cake, komt het grijze regeringsbrood. Verschillende initiatieven om de samenleving opnieuw in te richten op basis van harmonie en samenwerking stranden. Na enkele jaren komen de oude verzuiling en de bekende politieke tegenstellingen weer terug. Wat was de vrede mooi toen het nog oorlog was  is de typerende titel van een boek over deze periode.

Door een toeval ben ik in bezit van een origineel exemplaar van de Panorama van 18 juli 1952. Dat is de dag  waarop ik geboren ben. Ik heb deze week het exemplaar uit mijn archief gehaald (ik bewaar niet alleen schroefjes) om eens te kijken of ik iets van de tijdgeest van de jaren na de oorlog kon vinden. Panorama, nu een mannenweekblad vol misdaad, motoren en memmen, was indertijd een keurig gezinsweekblad, dat net als de Avro niet gebonden was aan een religieuze zuil.
Op de voorkant van de uitgave van 18 juli 1952 staat een tekening van Pension Zomerlust, waar de gasten vanachter de ramen vertwijfeld en teleurgesteld naar de stortregen kijken. Blijkbaar was het een slechte zomer, in ieder geval tot aan die dag.
Wat staat er zoal in deze Panorama?
      Een artikel over Amerikaanse gevangenissen waar gevangen grof geld verdienen aan de handel in goederen
      Dit was Olympia, over de geschiedenis van de Olympische Spelen
      Sprinkhanen bedreigen het Midden-Oosten
      Het ontwerp van een nieuwe brandweerauto in de Verenigde Staten
      De bezeten athleet “thuis”, over de lenigheidsoefeningen die Emile Zatopek thuis in de vestibule doet
      De United States verovert de blauwe wimpel, over een wedstrijd tussen passagiersschepen.

De artikelen worden gelardeerd met feuilletons, een strip (Sjors en Sjimmie), een fotoquiz, een pagina humor en een pagina breipatronen. Daarnaast zijn er reclames van Maggi’s tomatensoep (‘Probeer ze eens’), een ontharingsapparaat voor vrouwen (‘Eis, indien U zich zonder moeite vlug en veilig wilt ontharen: “Tak”) en Wrigley’s P.K. Chewing Gum (‘Uw volgende sigaret smaakt beter na de gezonde en verfrissende Wrigley’).
Het blad is informatief en verstrooiend en bevat veel fotomateriaal en teksten uit Amerikaanse bronnen. Het lijkt alsof met de Marshall-hulp ook de informatie en het amusement uit Amerika is meegekomen. Geen woord over politiek, maatschappelijke thema’s, wederopbouw of armoede. Dat past bij de aard van het blad. Tegelijkertijd lijkt het mij ook typerend voor de wederopbouwjaren: niet zeuren, maar spaarzaam leven en jezelf nuttig maken. Dat was de sfeer waarin ik ter wereld kwam. Daarom liep ik met een poetsdoek achter mijn moeder aan, als zij de meubels in de boenwas zette. En hielp ik mee als er van verrotte valappels een voorraad appelmoes geweckt moest worden (‘niet schieten met die ringen!’). Daarom gooi ik  nu het boterbakje, als ik het terdege uitgeschraapt heb, niet weg, maar gebruik het om etensresten in de koelkast te bewaren.
Toen ik geboren werd was de oorlog al weer ver weg. Maar hoe langer de Tweede Wereldoorlog geleden is, hoe dichter 1952 bij 1945 komt te liggen.

 

 

 
0

JONGENS MET GROEISTUIPEN

Herinnering
Er is een tijd geweest, dat ik de eerste dag van het nieuwe jaar de vreselijkste dag van het jaar vond. ‘Dan heb je net een jaar gehad, moet je weer aan een nieuw beginnen’, ging er dan door mijn hoofd. Het was eind jaren zestig, ik was 16 / 17 jaar en  zat op het gymnasium. Ik kon daar behoorlijk meekomen, had genoeg contacten, was kerngezond en had in materieel opzicht niets te klagen. Toch was in die jaren het lijden nooit ver weg.

Ik deed altijd braaf mijn huiswerk en haalde dan zesjes. Mijn beste vriend Ton deed niet aan huiswerk. Vlak voor de les begon schreef hij zonodig de vertaling of de gemaakte sommen van mij over en met repetities haalde hij achten. Als ik de tien kilometer naar huis tegen de wind in fietste, dan waaide de wind altijd een stuk harder dan als ik ’s morgens de wind mee had. Mijn puistjes waren een stuk roder en opvallender dan die van anderen en al mijn leeftijdsgenoten hadden een flux de bouche, terwijl god mij met een spraakgebrek de wereld in gestuurd had.
Ik voerde tijdens de lessen een onderbankse correspondentie op minuscule briefjes met Trees en Hannie, maar was ik op een feestje, dan durfde ik niet op een meisje af te stappen en bleef ik de hele avond op dezelfde stoel zitten.  Na afloop bedankte ik dan met veel gestotter de moeder van het vriendje voor de ‘fijne avond’.
Kortom, ik had in die jaren het gevoel dat de hele wereld tegen mij was en dat anderen het altijd veel beter hadden dan ik.

We kregen aardrijkskundeles van een jonge leraar die moeilijk orde kon houden. Tijdens zo’n les, waarin de hele klas zat te keuvelen, het huiswerk voor de volgende les werd uitgewisseld en met de boterham in de hand spelletjes werden gedaan, viel de leraar tegen mij uit.
‘Nu is het genoeg met dat geklets, van Dijk, ga jij je maar bij de conrector melden’.
Blijkbaar was het zijn tactiek om de orde te herstellen door één leerling de les uit te sturen.
‘Hè, waarom ik?’, riep ik vanaf de achterste bank, ‘iedereen zit toch te kletsen!’.
Als ik boos werd, kon ik vaak opeens vloeiend spreken.
‘Van Dijk, pak je spullen en ga de klas uit’, sprak de jonge leraar elk woord beklemtonend.
Ik vond dit het toppunt van onrechtvaardigheid en een volgend bewijs dat de wereld tegen mij was.  Mijn boosheid groeide naar een hoogtepunt.
‘Ik ben toch niet de enige’, schreeuwde ik, ‘ouwe lul!’.
Na deze laatste woorden werd het doodstil in de klas. Iedereen voelde dat deze aanvaring buitengewoon uit de hand aan het lopen was. Het leek alsof mijn laatste woorden nog door de stille klas echoden. De leraar keek eerst verbouwereerd en siste toen met ingehouden woede dat ik mij direct uit de klas uit diende te verwijderen en dat hij mij voorlopig niet meer wilde zien.
Nog geheel vervuld van het onrecht dat mij was aangedaan klopte ik aan bij de conrector. Hij droeg mij op om in een leeg lokaal twee hoofdstukken aardrijkskunde in mijn kop te stampen. Toen later die middag de dialoog tussen de aardrijkskundeleraar en mij tot hem gekomen was, werd ik opnieuw bij hem geroepen. Ik verdedigde me door te zeggen, dat ik ‘flauwe kul’ geroepen had. Het mocht niet baten. Men nam de zaak zeer ernstig op. Ik werd voor drie dagen geschorst.

In dit nieuwe jaar staan de kranten bol van de artikelen over jongens die overlast bezorgen, auto’s in de fik steken en vuurwerk naar de politie gooien. In opiniërende artikelen vragen schrijvers zich af, wat er misgaat met de opvoeding van jongens.
Volwassen worden gaat niet vanzelf.
Overigens kan je ook op latere leeftijd last hebben van groeistuipen.

 

 
0

IT’S NOW OR NEVER

Herinnering, Muziek
Sommige dingen moet je eenmaal in je leven doen, ook al voel je er aanvankelijk niet zoveel voor. Campari drinken bijvoorbeeld. Dat kon ik op mijn 21e afvinken. Mijn snor laten staan deed ik een paar jaar later, in jeugdige onbevangenheid. Maar het zou nog tot mijn veertigste duren voor ik mij aan karaoke waagde. Met onverwachte gevolgen.
We kampeerden met onze nog jonge kinderen op een kasteelcamping in Bretagne. De kinderen wilden graag naar een karaoke-avond. ‘Ik ga wel met jullie mee’, zei ik, ‘maar ik ga niet zingen’ voegde ik er resoluut aan toe.
Het evenement vond plaats in een grote, rechthoekige zaal van het landhuis, dat bij de camping hoorde. Aan alle vier de zijden stonden tafels en stoelen opgesteld. In de lege ruimte in het midden waren een televisiescherm, een recorder en een microfoon geplaatst. De avond werd ons aangeboden door pastisbrouwer Ricard. Een goed gebruinde jongeman met de naam van de firma op zijn shirt verwelkomde ons met een brede glimlach. Hij deelde een lijst uit met liedjes die gezongen konden worden. Deze zag er uit als de menukaart van een jukebox met nummers als A 151 en B 212. De zaal was goed gevuld met campinggasten, vooral jongeren en moeders met kinderen. Blijkbaar was dit geen festijn voor vaders.
De animo om te zingen bleek aanvankelijk niet zo groot, zodat de Ricard-man zelf de eerste nummers voor zijn rekening nam. Het ijs werd gebroken door een jonge vrouw, die na Tous les garçons et les filles de mon age van Françoise Hardy luid werd toegejuicht. Daarna volgden meer gasten. Ze zongen staccato en soms te snel de regels die op het scherm verschenen. Na afloop kreeg iedere zanger een miniflesje Ricard, een aansteker of een pet van Ricard mee.
‘Als jij iets zou zingen, welk lied zou jij dan uitkiezen?’, vroeg zoon E. Ik liet mijn blik langs de nummers glijden. ‘All my loving’, denk ik. Het begon te kriebelen bij mij. Dat zingen moest toch niet zo moeilijk zijn.
‘Je gaat toch niet echt meedoen?’, vroeg A, de andere zoon. Het was mij niet duidelijk of dit hem met zorg of bewondering vervulde.
Toen het een paar ogenblikken duurde voordat de volgende zanger zich aandiende, stond ik op en stapte met bonzend hart de lege ruimte in. De microfoon die de Ricard-man mij gaf voelde zwaar aan. Hij startte het apparaat. All my loving begint zonder intro, dus voor Close your eyes and I’ll kiss you  was ik te laat. Daarna kwam ik er snel in.
‘Olluh mai lovingk, c’est formidable’, kraaide de presentator na afloop in de microfoon, terwijl hij me een aansteker en een flesje meegaf.
In de pauze kwam er een kleine vrouw op mij af. Verlegen vroeg ze of ik samen met haar iets wilde zingen. ‘Bien sur’, antwoordde ik, ‘quel numéro’. Ze wees op Da doo ron ron. ‘Okay, à bientôt’.
‘Je gaat toch niet met haar zingen’, vroeg A ontsteld. ‘Die vrouw kan helemaal niet zingen, dat zie je zo’.
Even later stond ik met de française in het midden. Ze tuurde geconcentreerd naar het scherm, bang om een fout te maken. Ik vond het al zo vanzelfsprekend gaan, dat ik rustig om mij heen keek.
Niet lang daarna stond er opnieuw een vrouw voor me.
‘Voulez-vous chanter avec moi?’, was haar vraag. Het ontbrak er nog aan dat ze ce soir aan haar vraag toevoegde. Ze zag er prachtig uit. Ze had wat weg van zangeres Vicky Leandros (Ich hab’die Liebe gesehen beim ersten Blick in deinen Augen). Ooit hadden mijn huisgenoten op de studentenflat tegen mij gezegd, dat ik met die woorden naar Vicky Leandros keek.
Ik liet genereus de keuze van het lied aan de franse vrouw over. Het werd It’s now or never.
‘Eh voilà, un autre couple, un autre duo’, kondigde circusdirecteur Ricard aan.
It’s now or never, come hold me tight. Kiss me my darling, be mine tonight. We klonken prachtig samen door de zaal. Ik keek de française niet veel aan. Ik wilde voorkomen, dat ze de woorden letterlijk zou opvatten. Of kwam die gedachte alleen in mijn hoofd op? Ik twijfelde of ik na afloop haar zou zoenen. Ze glimlachte toen we elkaar een hand gaven.
Ik keerde met flesjes en aanstekers terug bij ons tafeltje. Daarna moest ik een volgende vrouw teleurstellen. De Ricard-man vond het welletjes. In de drukte bij het verlaten van de zaal zocht ik Vicky Leandros. Ik zag haar nergens meer. 
Teruglopend naar de tent waren mijn zoontjes het niet eens over de verdeling van de flesjes en de aanstekers. Eén flesje was bovendien al aangebroken – rara, wie had dat gedaan?
Ik stond weer met beide benen op de grond.
 
 
 
 
 
0

EEN KWESTIE VAN CENTEN

Herinnering
In de nazomer van 1970 reed ik op een zondagavond met mijn blauwe Tomos van het ouderlijk huis in Vleuten naar mijn studentenkamer in Utrecht. De avondlucht voelde aangenaam fris. Achter mij in het westen verdween het laatste licht. De lantaarnpalen waren ontstoken.
Halverwege werd ik aangehouden door twee agenten.
Of ik wel wist, dat mijn achterlicht het niet deed. En of ik besefte in welke gevaren ik mij begaf. ‘U bent daarmee in overtreding’.
Dat ‘u’ vond ik raar klinken. Beide mannen waren veel ouder dan ik. Ik raakte bovendien geïrriteerd, want ik vreesde een bekeuring. Met de belofte, dat ik het licht de volgende dag direct zou herstellen en dat ik bereid was om dit op het bureau te laten controleren, probeerde ik het onheil te voorkomen.
Zij keken mij vanonder hun pet vastberaden aan. Een van hen pakte zijn bonboekje.
‘Komt u het morgen maar even laten zien, dan kunt u gelijk uw bekeuring van vijf gulden afrekenen.’
Ik moest mij beheersen om niet uit te vallen.
Als 18-jarige vond ik het in hoge mate onrechtvaardig dat ik moest boeten voor iets waarvan ik geen weet had. Daarnaast was ik van mening, dat er voor de politie op zondagavond wel betere dingen te doen waren dan het bekeuren van arme studentjes. Ik stond hierbij in een familietraditie. Het dorpsblad in Vleuten had ooit een ingezonden brief van mijn broer gepubliceerd, waarin hij kritiek had geuit op het functioneren van de politie. Dat was aanleiding geweest voor een corrigerend gesprek in onze huiskamer. Ik veronderstelde dat mijn ouders een herhaling niet op prijs zouden stellen.
Toen de agent uitgeschreven was, pakte ik zonder iets te zeggen de bon aan.
Ik zon op wraak.
De volgende dag wisselde ik op het postkantoor vijf gulden om in vijfhonderd centen, keurig verpakt in twintig papieren rolletjes van vijfentwintig centen elk. Ik vouwde de rolletjes open en deed alle munten bij elkaar in een plastic zakje. Met dat gewichtige bedrag in mijn jaszak ging ik op weg naar het politiebureau.
Ik werd in een kleine ruimte ontvangen door een blonde agent. Hij zat in zijn blauwe uniformoverhemd achter een bureau. Zonder pet zag hij er uiterst vriendelijk uit. Ik overhandigde hem de bekeuring en het zakje met de vijfhonderd centen. Zijn gezicht betrok.
‘Dus u wilt uw boete in eh…..centen afrekenen?’. Ongeloof en verontwaardiging streden bij hem om voorrang. Na enkele tellen stond hij zonder iets te zeggen op en verdween door een deur achter hem.
Ik ging zitten op een van de stoelen langs de wand van het kleine kantoor. Aan de wand hingen opsporingsposters en een kaart van de gemeente. Mijn hart bonsde. Een wandklok tikte.
De deur achter het bureau zwaaide weer open. Er kwam een oudere agent binnen, gevolgd door de blonde  collega. ‘Ik heb gehoord dat u uw boete hiermee wilt afrekenen’. Hij hield het zakje tussen duim en wijsvinger omhoog, alsof er een nog warme drol in zat. ‘Dat kan in Nederland niet. Volgens de regels mag je je boete maar met een beperkt aantal centen, dubbeltjes enz. voldoen.’ Hij keek me strak aan. Hij had zware wenkbrauwen, waar aan beide kanten een paar langere haren uitsprongen. Hij zag eruit als een conrector die niet van plan was om met zich te laten sollen.
Ik had nog nooit van regels voor het betalen van een boete gehoord. Ik geloofde er niets van.
‘Volgens mij is een cent nog altijd een wettig betaalmiddel. Mag ik…’
Ik wilde vragen waar ik die regels zou kunnen vinden, maar de agent was me voor.
‘Dat klopt, maar’, zijn toon werd nu harder en venijniger, hij sprak elk woord langzaam uit alsof ik doof was, ‘ik heb u net uitgelegd, dat u niet op deze wijze uw boete kunt voldoen, zo zijn de regels’. Hij reikte mij de zak met centen aan.
Ik kreeg sterk de indruk dat ik er beter aan deed het Bevoegd Gezag niet verder te irriteren. Ik hield mijn vraag voor me, haalde mijn portemonnee uit mijn kontzak en overhandigde een briefje van vijf gulden. Buiten voor het raam liet ik mijn Tomos nog een tijdje luidruchtig stationair draaien.
Die avond zat ik op mijn kamertje de centen te verdelen in hoopjes van vijfentwintig. De papiertjes waarin de centen waren geleverd had ik bewaard. Het kostte me de nodige moeite om er weer strak verpakte rolletjes van te maken. Ik hoopte maar dat ik bij teruggave op het postkantoor niet dezelfde kassière zou ontmoeten.
 
 
 
0

DON’T STOP

Herinnering
De popgroep Fleetwood Mac is weer bij elkaar. Onlangs was er een optreden in het Ziggo Dome in Arnhem. Ik hoorde een dag ervoor een overjarige fan in het Radio 1 Journaal die  ‘helemaal gek’ werd van het vooruitzicht van het concert.
Gisteravond zag ik op tv een documentaire over Rumours, het legendarische album uit 1977 waaraan Fleetwood Mac zijn roem te danken heeft. Tijdens de opnamen van de elpee lagen de twee stellen binnen de band in scheiding. Dat kan mooie muziek voortbrengen. Bill Clinton gebruikte in 1992 het nummer Don’t stop in de verkiezingscampagne, waarmee hij de populaire president George Bush sr. versloeg.
Rumours  was een van mijn favoriete elpees aan het eind van de zeventiger jaren. Ik danste vaak op Don’t stop door mijn studentenkamer aan de Oude Kamp. Verder zie ik beelden voor me van een groot feest in een duister Nijmeegs kraakcomplex, waar het nummer de hit van de nacht was.

Maar het meest blijft Don’t stop voor mij verbonden met een avond eind maart 1981 in Ons Centrum in Driebergen. Demosthenes, de nederlandse vereniging van stotteraars, vierde dat weekend het 25-jarig bestaan. De zaterdagavond was gereserveerd voor een feestelijk samenzijn. Enkele maanden  tevoren hadden Jules van der Staaij, Elisabeth Fetter en ik de koppen bij elkaar gestoken. Het leek ons een goed idee om de ernst van de Demosthenesleden, die immer op zoek zijn naar het einde van eigen en andermans ellende, te doorbreken met wat cabareteske humor en zelfkritiek.
De voorbereiding werd één uitbarsting van creativiteit. Binnen korte tijd schreven we een programma van meer dan een uur bij elkaar. Hoewel geen van ons drieën ervaring had met cabaret, schroomden we niet om al onze bedenksels op het toneel uit te voeren. We geloofden in wat we bedacht hadden.
De voorstelling sloeg in als een bom. De honderd aanwezigen bleven tot het einde geboeid.
Die avond ervaarde ik voor het eerst hoe het is om op te treden.

De aanvankelijke bedoeling om eenmalig een uitvoering te geven bleek niet houdbaar. Al snel werden we voor meer optredens gevraagd. Er kwam belangstelling van de pers, want stotteraars die cabaret maken is nieuws. Er werd een film gemaakt over stotteren, waarin ons cabaret, inmiddels Groen en Geel genaamd, de hoofdrol speelde. Er volgden radio- en tv-optredens. We gingen over de grens naar Belgie en voerden voor een duits gezelschap een vertaalde versie van ons programma uit.
‘Is dat nu niet eng om als stotteraar op het toneel te staan?’, was een vraag die we vaak kregen voorgelegd. De crux van het succes, was dat een optreden minder angst inboezemde dan het bestellen van een brood bij de bakker. Stotteren hoorde bij het optreden, stotteren mocht. En als het mag, dan ben je er niet bang voor en dan stotter je bijna niet. Het meeste gestotter op het toneel was, paradoxaal genoeg, nagemaakt. Dat was de reden voor de jury van het cabaretfestival Valt er nog wat te lachen, onder leiding van Hans van Willigenburg, om ons in de finale slechts een vierde plaats toe te kennen. Groen en Geel zou het elf jaar volhouden.
Terug naar maart 1981. We speelden onze emoties uit, we werden geïnspireerd door onze ervaringen. Zo zongen we onszelf moed toe op de melodie van Don’t Stop van Fleetwood Mac en op een tekst van Elisabeth:

Als je vindt, dat je niet perfect bent
Als je altijd naar anderen kijkt
Als je loenst, stottert of hinkt
Als je zielig bent en oh zo zeikt
Refrein:
Weg, weg, weg met die bezwaren
Weg, weg, weg met die flauwekul
Probeer nu eens moed te vergaren
Schijt aan alles, je bent geen nul.

Daarna nam Jules op de piano de gitaarsolo van Lindsey Buckingham over.
Don’t stop is een mooi adagium voor stotteraars. Je kunt het motto op twee manieren opvatten.

Met dank aan Fleetwood Mac.

0

TUSSENPERSOON

Herinnering
 
We schrijven de eerste helft van de jaren negentig. De economie groeit enorm. In de Tweede Kamer stelt Wim Kok voor om de wave in te zetten. De beurskoersen vestigen het ene record na het andere. Financiele dienstverleners bieden lease spaarplannen en winstverdriedubbelaars. Banken maken overuren in het verlenen van tweede hypotheken. Van het geleende geld koop je aandelen waarmee je tenminste 12% winst maakt. De overheid betaalt een deel van de rentekosten. Wie daar niet aan mee doet is een dief van zijn portemonnee.
Het was in die omstandigheden dat wij bezoek kregen van een financieel dienstverlener. Hij kwam ons de voordelen van een koopsompolis uitleggen. Het was een keurige man van in de veertig. Een opzichtige gele stropdas sprong uit zijn strakke pak naar voren (‘wie niet waagt, die niet wint’). Daarnaast had hij een wolk deodorant om zich heenhangen, die zijn weerga niet kende. Soms, wanneer ik bij de hoek van de bank sta, waar de man twintig jaren geleden zat, verbeeld ik mij, dat ik nog steeds zijn geur ruik.
De tussenpersoon had allerlei berekeningen meegenomen, die hij opgewekt en in rap tempo met ons doornam. Ik kon niet alles volgen, maar dat maakte niets uit. Het verhaal was eigenlijk heel simpel. De aanschaf van een koopsompolis of lijfrente kende alleen maar voordelen. Je spaarde een mooi bedrag voor later. Over je gespaarde geld hoefde je geen belasting te betalen. Sterker nog, de fiscus betaalde de helft mee. En het eindbedrag zag er woest aantrekkelijk uit.
Wij houden niet zo van gladde verkooppraatjes, maar toen onze verkoper in persoon verdwenen was en de deodorantgeur zich in hoog tempo door het gehele huis verspreidde, keken G en ik elkaar eens aan en trokken onze conclusies. Sparen is goed, dat wisten we. De fiscus betaalt mee, dus dat was meegenomen. De oude dag was nog ver weg, maar wie weet zouden onze kinderen over zoveel jaar wel wat extra’s kunnen gebruiken. We hakten de knoop door en kochten de polis.
En zo geschiedde.
De jaren verstreken, het financieel adviesbureau werd overgenomen, de tussenpersonen wisselden in hoog tempo. Elk jaar maakten we onze bijdrage over. Na zo’n 8 jaar maakte de overheid een einde aan het belastingvoordeel. Jammer natuurlijk, maar wie A zegt, moet ook B zeggen.
Dit voorjaar ontving ik een brief dat de datum nabij was, waarop het bedrag wegens expiratie beschikbaar zou komen.
Nu word ik vaak blij als er een bijzondere datum in aantocht is. Aan zo’n datum is altijd wel iets moois te ontdekken. Het is net als met de tegeltjeswijsheid Bezoek brengt altijd vreugde aan, is het niet bij het komen, dan wel bij het gaan.Ik worstelde mij door twaalf pagina’s uitleg heen en begreep dat de koopsompolis zijn laatste adem had uitgeblazen. Er waren voor mij tal van mogelijkheden om met het gespaarde bedrag weer andere, nog mooiere financiele producten te kopen.
Het leek mij tijd om de telefoon te pakken.
Waarschijnlijk zal er destijds bij de aanschaf van de koopsompolis in de kleine lettertjes wel iets gestaan hebben over de condities waaronder het geld zou worden uitgekeerd. En wellicht, je weet het maar nooit, zal onze geparfumeerde stropdas in een bijzin nog wel iets onverstaanbaars daarover hebben gemompeld. Hoe dan ook, tijdens het telefoongesprek kwam de ware gedaante van de koopsompolis tevoorschijn. Pas na mijn pensioen wordt het gespaarde geld in termijnen uitgekeerd, waarover ik dan alle denkbare sociale lasten betaal. Zo’n 40% van mijn spaargeld gaat dan weer in rook op.
Ik kon het mijn nieuwe tussenpersoon niet kwalijk nemen. Hij vroeg nog of ik verder advies van hem wilde. Heel even had ik de neiging om alles maar uit mijn handen te laten vallen en te zeggen: ‘zoekt u het zelf maar uit’!  Maar ver weg hoorde ik de stem van mijn moeder: ‘je moet je verstand gebruiken’ en dus bedankte ik beleefd voor zijn verdere ondersteuning. Een week later viel er wegens bemiddelingskosten een rekening van 225 euro op mijn mat. Zo gaat dat met tussenpersonen. Daar kopen ze gele stropdassen van.
Ik sprak mezelf toe: verman je! Neem je verlies en ga lekker genieten van het bedrag dat nu op je lijfrentespaarrekening staat.
Dat was een maand geleden. Nog steeds staat er 0.00 euro op mijn nieuw geopende rekening. Het bedrag is nog niet aangekomen. Verzekeringsmaatschappij ASR (ik hoef hier geen namen te verdoezelen) heeft het bedrag naar een verkeerde rekening bij ASR Bank overgemaakt.
Gelukkig heb ik nog een tussenpersoon.
——
Eind deze week ga ik met vakantie. In augustus volg ik nog een zangweek in Tsjechië.
In de loop van die maand pak ik mijn weblog weer op.
Eenieder een hele goede zomer toegewenst!