Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

DE VOORBEREIDING OP HET LEVEN

Herinnering

In september 1962 begon ik aan de vijfde klas van de Willibrordusschool in Vleuten. Het was een gecombineerde vijfde/zesde klas voor kinderen die door zouden gaan naar mulo of hbs. Wij hadden meester Theunissen als onderwijzer. Meester Theunissen was het Hoofd der School. Hij was een strenge, maar rechtvaardige onderwijzer, een autoriteit, die kaarsrecht op zijn fiets door het dorp reed. In de borstzak van zijn colbert zaten de pennen geklemd, waarmee hij het schoolwerk corrigeerde. De telefoon van de school stond in zijn lokaal. Als hij aan de telefoon was, telden wij het aantal keer dat hij achter elkaar het woord ‘ja’ gebruikte. Het record stond op achttien. Meester Theunissen werd door ons Piet Konijn genoemd. Als je tenminste zeker wist dat hij het zelf niet kon horen.

De eerste vier klassen was ik speels en onbezorgd doorgekomen. Ik leerde waar Apeldoorn lag en dat Mozes in een rieten mandje aan de dood ontsnapte. Maar de school was er ook voor het aanleren van discipline. Daar wrong bij mij nog wel eens de schoen. Als jongste van de vier kinderen genoot ik thuis enige regelvrijheid. Die ervaring nam ik mee naar school. Bij juffrouw Wortelboer in de tweede klas kwam ik hollend het lokaal binnen. Dat bleek niet de bedoeling. Ik gilde  ‘Loemoemba!’ en ‘Kasavoeboe!’. Die namen uit de oorlog in Congo kende ik uit het ANP-nieuws waar wij in stilte onder het avondeten naar moesten luisteren. Ik begreep niet waarom je die namen niet mocht roepen. In de derde klas bij juffrouw Witkamp (‘Witscheet’) zat ik in de middenrij, vlak voor de kast met nuttige handwerken, waar doorlopend een geur van mottenballen hing. Tijdens een gebed had ik een keer volgens de juffrouw mijn ogen niet goed gesloten. Zij liep al biddend met haar ogen open rond om te controleren. Zo had ze gezien, dat ik ‘door de kiertjes van mijn ogen gekeken had’. Nu was dat iets waartoe ik zeer wel in staat was. Die ochtend echter had ik mijn ogen stijf dichtgeknepen. Dus ik vond het een grote onrechtvaardigheid, dat ik een half uur  lang op mijn blote knieën voor het bord moest zitten. Tussen juffrouw Witkamp en mij is het daarna niet meer goed gekomen.

Bij meester Haarhuis in de vierde zaten we met meer dan vijftig kinderen in één klas. Dus dat hij het niet kon waarderen, dat er een rode rubberen weckring, waarmee ik zat te spelen, per ongeluk uit mijn handen schoot en bij hem op tafel belandde, kon ik me nog wel voorstellen. Dat ik moest nablijven totdat de school leeg was ook. Maar dat ik in een kromme, beschamende houding moest gaan staan zodat hij me hard op mijn billen kon slaan, vond ik te ver gaan. Voor een ander vergrijp kwam meester Haarhuis bij ons aan huis strafwerk afleveren. Dat zinde mij nog minder. Zo kwamen mijn ouders alles te weten en dat leek mij niet nodig. Ik overwoog even spijkertjes op het erf te strooien, zodat de meester met zijn mooie sportfiets een lekke band zou krijgen. Dat deden ze bij achtervolgingen in Kuifje immers ook.

Eenmaal in de doorleer-klas bij meester Theunissen was het afgelopen met dit soort aanvaringen. Het leven van later kwam om de hoek kijken. Door goed je best te doen op school moest je zo ver mogelijk zien te komen. Daarvoor kregen we alvast Franse les (‘papa fume une pipe’). De  meester nam mij nog wel eens als voorbeeld voor anderen, omdat ik alle boeken van Pim Pandoer had gelezen en de betekenis van het woord silhouet kende. Door die complimenten ging ik nog beter mijn best doen. Ik haalde met glans het toelatingsexamen voor het St. Bonifatiusgymnasium, tezamen met drie medeleerlingen. Daarna hoefden wij geen lessen meer te volgen. In de laatste weken voor de zomervakantie zaten we met zijn vieren boeken te kaften in de kamer van de onderwijzers. We draaiden net zo lang aan de zenderknop van het transistorradiootje tot we radio Veronica gevonden hadden. Love, love me do. We ontstegen de lagere school. Het leven kon beginnen.

0

DE KLOOSTERTUIN

Herinnering

Wie onder Tilburg op de A65 rijdt en naar het Zuidoosten kijkt ziet daar op enige afstand twee ranke torens boven de maisvelden en bomen uitsteken. Via een oude ophaalbrug over het Wilhelminakanaal kan je een weg volgen onder statige eiken. In een haakse bocht naar links sta je dan opeens voor het poortgebouw van de Abdij van Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, een klooster van cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten. De paters in hun wit-zwarte habijt houden er strenge leefregels op na. Zij blijven binnen de muren van het klooster, waar ze in stilte en afzondering bidden, zingen en studeren. Er zijn elke dag zeven gezamenlijke gebedsdiensten, de eerste om 4.30 uur, de laatste om 19.30. Tussen het bidden door werken de monniken in de tuin of  de bierbrouwerij. Zo voorzien ze in hun eigen onderhoud. Het werken, zo lees ik op de website, wordt gezien als een vorm van geestelijke en lichamelijke ontspanning.

Als kind ben ik vaak met familieleden in Koningshoeven geweest. Mijn heeroom was er destijds abt.  Ook mijn vader was ooit bijna ingetreden in deze abdij. Hij werd echter niet geschikt geacht voor het harde kloosterleven. Was hij  gebleven, dan zat ik nu niet hier te schrijven. Een bezoek aan Koningshoeven was altijd een hoogtepunt in het familieleven. We luisterden naar de gregoriaanse gezangen in de abdijkerk en wandelden door de uitgestrekte tuinen. Heeroom leidde ons rond door de lange stille gangen langs de eenvoudige kamertjes, waar de paters op harde stromatrassen sliepen. En natuurlijk door de bierbrouwerij, waar een geur hing die ik nooit eerder geroken had en waar monniken in bruin habijt met leren voorschot de lopende band controleerden.

Ik had ontzag voor de gewijde sfeer in het klooster. Maar ik begreep niet waarom de paters niet met elkaar mochten praten. En dat de vrouwen niet verder mochten komen dan het poortgebouw. Dat gaf ons neven overigens wel weer een voorsprong op de nichten. In 1989 was ik er voor het laatst, ter gelegenheid van de begrafenis van mijn heeroom.

Afgelopen zondag ben ik weer bij Koningshoeven geweest. We lunchten bij het Proeflokaal, een drukbezochte horecagelegenheid naast de brouwerij. Op de golven van de populariteit van speciale bieren is de brouwerij onder de naam La Trappe aan een tweede leven begonnen. Het is de enige trappistenbrouwerij van Nederland. Er werken nu uitsluitend leken, maar de overgebleven monniken van de abdij, twintig in getal, zijn volledig eigenaar. Zij beslissen over alles mee, tot aan de kleur van het etiket. De opbrengsten worden gebruikt voor het onderhoud van het klooster en voor goede doelen. Er wordt nagenoeg geen reclame gemaakt, maar mede dankzij het Proeflokaal en de rondleidingen door de brouwerij is het bier niet aan te slepen.

We aten zondag dikgesneden volkorensneeën met  abdijkaas, waardige opvolgers van de reusachtige boterhammen die wij vroeger in het gastenverblijf voorgeschoteld kregen. Als de laatste boterham van het bord verdwenen was, bracht de gastenpater een nog grotere stapel, die wij tot zijn plezier dan weer compleet wegwerkten. We zaten bij het Proeflokaal aan een soort kloostertafels in wat voorheen de ‘vrouwentuin’ was, een prachtig park met monumentale bomen.Hier ontving mijn heerom zijn familieleden, inclusief de vrouwen. Hier klom ik als een eekhoorn in de bomen en sprong ik in wit overhemd met stropdas van de schommel af. Hier speelden wij boompje verwisselen. Ik wandelde zondag weer over de kronkelende paden, op zoek naar het verleden. Helemaal achterin de tuin, waar bij een wit prieeltje onder donker gebladerte de dikke kloostermuren een hoek maken was ik weer even terug in de tijd. Voor even dan.

 

2

HELLO JOSEPHINE

Herinnering

1965. Ik fiets in de Dorpsstraat in Vleuten en wil afslaan bij bakker van Dijk, als mij voor Hotel Het Oude Raadhuis iets opvalt. Midden op het grindterrein staat een VW-busje. De portieren staan wijd open.
Ik rem af en rijd het grindterrein op naar de werkplaats van schilder van Hoogstraten. Vanaf een afstandje zie ik, dat het busje volgestouwd is met apparaten die er uitzien als versterkers en ingepakte instrumenten. Eromheen lopen figuren, zoals ik die nog niet eerder in het dorp gezien heb. Mannen met lange, vettige haren, slordig gekleed in paarse en goudkleurige broeken. Wat doen die hier? Vanaf de overkant komt er nog een langharige type aangelopen. Hij heeft verschillende puntzakken friet in zijn handen. Hij moet even inhouden voor een vrouw in een keurige regenjas en met een hoofddoek om haar grijze kapsel.
De man in de paarse broek roept iets naar mij in het Engels. Ik versta niet wat hij zegt. Hij draait zich om, haalt iets uit het dashboardkastje en steekt zijn hand uitnodigend naar mij uit. Aarzelend pak ik het aan. Het is een foto van een beatband. De naam naast de foto doet mij duizelen: The Scorpions.
Ik kan het niet geloven. Dat kunnen toch niet dé Scorpions zijn, die Engelse band, die nog geen half jaar geleden een enorme hit had in Nederland met Hello Josephine? De band stond wekenlang in de top 40. Die bandleden staan hier toch niet zomaar midden in Vleuten een patatje te eten?
De man ziet mijn verwarring. Hij zegt weer iets onverstaanbaars. Aan de achterkant van de kaart zie ik de handtekeningen van de bandleden.
In de Jaarbeurshallen had ik nog niet zo lang daarvoor the Motions gezien, the Golden Earring en the Kinks. Ik had het laatste lesuur van de middelbare school gespijbeld om een goed plekje te bemachtigen. Maar desondanks stond ik ergens achter in de hal op een richeltje me uit te rekken om maar iets te kunnen zien van die beroemde figuren op het podium.
En nu sta ik dan hier vlakbij een andere befaamde band. Mijn ongeloof gaat langzaam over in een juichstemming. Ik ben de enige die hier staat en ik heb de handtekeningen van the Scorpions! Zomaar, toevallig en voor niets.

The Scorpions was een Engelse rock-n-rollband. Het was de jongens in eigen land niet gelukt om een platencontract te krijgen. De groep probeerde het daarom in Nederland. Pas bij  de derde single brak de band door. Hello Josephine, een ruige cover van een nummer van Fats Domino, bereikte de tweede plaats in de top 40.
Het hoogtepunt voor the Scorpions was een optreden in oktober 1965 bij het Grand Gala du Disque, op hetzelfde podium als the Everly Brothers, Lucille Starr en the Supremes.
Met de volgende singles haalden zij nauwelijks succes.  Omdat zij slechts voor een beperkte tijd een werkvergunning konden krijgen, moest de band regelmatig weer terug naar Engeland.

Ik prevel iets van Senk you, spring met bonzend hart op mijn fiets en rijd langs de patatkraam van Jo Janssen naar huis, de foto van the Scorpions stevig vastgeklemd tussen mijn vingers.
Had ik eigenlijk niet meer kaarten moeten vragen, gaat er dan door mijn hoofd.
Had ik niet iets moeten zeggen: Where are you going to? Do you like Holland?
Zal ik omkeren?
Thuisgekomen vertel ik opgwonden stotterend dat the Scorpions bij van Berkel stonden. Ik laat de foto zien.
‘Bof jij even’, zegt mijn moeder.
Als ze de kaart bekijkt, zie ik aan haar gezicht, dat zij nog nooit van de groep gehoord heeft en dat zij  dat liever zo wil houden. Zij moet niets hebben van langharig tuig.
Ik hol naar mijn slaapkamer en zet de kaart naast de foto met handtekening van Reinier Paping.
In mijn hoofd hoor ik het einde van Hello Josephine: Ha, ha, ha, ha, ha.

Reageren? Klik linksonder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen. Op de hoogte blijven? Vul dan in de rechterkolom je naam en mailadres in.

0

OP DE FOTO

Herinnering

trouwfoto 43Dit zijn mijn vader en moeder, Kees van Dijk en Anna Ekelschot.
Het is 23 november 1943, de 30e verjaardag van mijn moeder. Mijn vader is een half jaar jonger.
Het is een waterig koude dinsdag, de temperatuur komt niet veel hoger dan 4 graden. Voor de foto is het paar de tuin van het ouderlijk huis van mijn moeder ingelopen. Ze zijn neergezet voor een boom die het wit van de bruidsjurk goed doet uitkomen. Iemand heeft scheef over het gras een oude mat neergelegd. De trouwkledij ziet er onberispelijk uit. De schoenen zijn glimmend gepoetst. De grote dag is aangebroken.
Beiden kijken serieus, onbewogen en onbestemd naar de fotograaf. Als dat zijn bedoeling is geweest, dan is hij er goed in geslaagd.
Ze trouwen – voor die jaren – op late leeftijd, maar ze hebben tenminste een partner gevonden. In een tijd zonder sociale verzekeringen was dat niet onbelangrijk. En nog belangrijker: ze kunnen nu een gezin stichten. Zij kunnen de oproep van de bisschoppen volgen om het katholieke geloof te verbreiden.

Verbeeld ik het me nu of is het werkelijk zo, dat mijn moeder er iets steviger bij staat? De armen van mijn vader lijken niet echt ontspannen. In zijn rechterhand houdt hij die malle hoed. Die ligt nu op mijn kamer. London Manufactory staat er in, Wilson Oxford Street 647, Superior Quality. Het stijve hoofddeksel is voor mijn hoofd veel te klein. Ik vraag me af of  ie mijn vader gepast heeft. Achter de hoed zie je nog net, dat hij in zijn linkerhand een paar handschoentjes draagt. Misschien moest hij de handschoentjes en de hoed alleen maar in zijn handen houden.
Het paar was op 4 oktober in Vleuten voor de burgerlijke stand getrouwd. Voor de wet trouwen hoorde er wel bij, zo leerde ik nog in mijn jeugd, maar het ware huwelijk was de kerkelijke inzegening.

In de Tweede Wereldoorlog ging het aantal huwelijken omlaag. Trouwplannen werden uitgesteld in afwachting van betere tijden. Maar mijn vader en moeder waren niet de jongste meer. Het wachten was alleen nog op een woning. Die kwam beschikbaar, toen er een alleenstaande, oude man overleed. De pastoor adviseerde nog wel om de wind eens goed door het huis te laten waaien. Hij kon het weten, blijkbaar.
Mijn ouders liepen vele winkels in en rond Utrecht af voor de inrichting van het huis. Het was een tijd van schaarste. Vooral aan zeil en vitrage konden zij moeilijk komen. Op zo’n tocht was mijn vader ook nog eens zijn tas met vergunningen en bonkaarten kwijtgeraakt.
Gelukkig had hij goede ruilmiddelen: koffie, thee en tabak. Dat waren schaarse artikelen. Maar niet voor mijn  vader, hij werkte bij Douwe Egberts.
Daarom ook kan er op de bruiloft een goed maal geserveerd worden:
Vooroorlogsch Menu (zonder bon!)
Vermicellisoep
Runderlappen met jus (géén surrogaat)
Aardappelen met bloemkool en spinazie
Compôte
Caramelpudding – Vanillepudding
Fruit.
Er wordt flink gezongen. Er is een liederenbundel van 10 volgetikte pagina’s over de jeugd van de bruid en de bruidegom. Er wordt gezongen over die keer, dat Kees, die zangoefeningen leidde op de jeugdvereniging, boos was weggelopen, omdat Anna voortdurend aan het kletsen was.

Welke toekomst zien zij daar voor zich op die oude mat in de tuin?
Waarschijnlijk denken ze daar op dat moment niet aan. Ze zijn bezig de aanwijzingen van de fotograaf te volgen. Ze moeten stil blijven staan in de kou. Laten zien dat het een gewichtig moment is.
Dan drukt de fotograaf af.

0

GENERATIEBOTSING

Herinnering

In 1962 zond Radio Veronica tussen 17.30 en 18.00 uur een top 10 uit. Mijn zus van 14 zat in de huiskamer vlakbij de Philips radio met het groene oog. Een paar minuten voor zes vond mijn vader het genoeg. Hij wilde het ANP nieuws van 18.00 uur niet missen en draaide eigenhandig de rode zenderwijzer naar Hilversum 1. ‘Er komt nòg een plaat, de nummer één’, riep mijn zus verontwaardigd. ‘Het is zes uur’, zei mijn vader afgemeten. ‘The Young Ones van Cliff Richard, die is echt wel voor zes uur afgelopen’. Mijn vader was echter onverbiddelijk.
Het conflict liep hoog op. Huilend en stampvoetend vertrok mijn zus naar haar slaapkamer. Zij weigerde die avond nog aan tafel te komen. Geschrokken en in stilte prakten wij de aardappels.

Een paar jaar later drong de vernieuwing nog dieper aan de avondmaaltijd door. Na het gebruikelijke ANP Nieuws werd er verder gesproken over de toestand in de wereld. Mijn vijf jaar oudere broer liet toen opeens het woord socialisme vallen. Om er na een korte pauze aan toe te voegen: ‘En daar moeten we toch nog naar toe’.
Er viel een meer dan ijzige stilte. Ik zat op mijn krukje voor de nieuwe gashaard. Door het raam zag ik in de verte een lange goederentrein passeren. Het regelmatige kedeng van de wagons drong zachtjes aan de eettafel door. Ik voelde dat er een onomkeerbare scheiding der geesten het gezin binnen was gekomen. Mijn vader, die immer onder woorden bracht hoe een katholiek behoorde te leven, had blijkbaar op deze onverwachte inbreng geen antwoord paraat. We kenden geen traditie van uitwisseling van standpunten of het naast elkaar bestaan van verschillende meningen.
Zo groeiden de werelden uit elkaar.

Dat mijn broer na een feest met een vriendin verdwenen was, dat hij bier ging drinken en na de middelbare school direct op kamers ging wonen, waren zaken die niet geheel in het wereldbeeld van mijn ouders pasten, maar die met enige moeite nog gezien konden worden als behorend bij zijn leeftijd. Dat hij echter op een gegeven moment besloten had om niet meer naar de kerk te gaan was een volgende bom die insloeg. Er werd geen ruzie gemaakt, er werd niet met deuren geslagen, maar de spanningen en de onmacht waren voelbaar.
En ik?
Ik had een fikse botsing met mijn ouders over de lengte van mijn haar. Mijn moeder had al een paar keer voorzichtig geïnformeerd of het niet eens tijd was voor een afspraak met de kapper. Mijn haren raakten nog niet eens mijn oren. Ik negeerde haar vragen, zodat mijn vader zich ermee ging bemoeien. ‘Je gaat de komende week gewoon naar de kapper’, riep hij met flinke stemverheffing. Ik droop af. Conflictmijding was destijds bij ons de meest gebruikelijke manier van probleemoplossing.
Voor het overige maakte ik als jongste dankbaar gebruik van de paden, die mijn broer en zussen voor mij geplaveid hadden. Ik volgde hun weg naar vernieuwing.  En dus riep ik tijdens de geschiedenisles, dat Nederland de Navo moest verlaten. We moesten tenslotte naar het socialisme toe. Veel meer argumenten kon ik er niet bij leveren.
En terwijl ik een paar jaar daarvoor in mijn logboek nog had geklaagd over het geringe aantal verkenners, dat de ochtendmis had bijgewoond, ging ik op een gegeven moment op zondagmorgen ook niet meer naar de kerk. Ik zat in de luie stoel naast het nieuwe radiomeubel, toen mijn moeder na afloop van het kerkbezoek de kamer binnenkwam. Ik deed alsof ik geheel verdiept was in mijn huiswerk, maar ik voelde me zwaar schuldig, dat ik haar verdriet had aangedaan. Ik verwachtte een lastig gesprek.
Mijn moeder vroeg, wie er nog koffie wilde.

N.B. De NTR zendt op zaterdagavond  Ondersteboven!  uit, een serie over de jaren zestig.

0

SLAGBOMEN IN HET PITZTAL

Herinnering

 

Bij aankomst in Ferienwohnung Bergfreund, op zaterdagmiddag, zien wij op de berghelling een paar honderd meter achter het huis een breed spoor van vuile sneeuw en omgevallen bomen. Het lijkt of er een stoet paarden boomstammen uit het bos heeft gesleept. Dan zie ik onderaan de helling mensen lopen. Ze zijn bezig om de restanten van enkele houten schuurtjes uit sneeuwhopen te halen. ‘Dat is een lawine geweest….’, zeg ik geschrokken.We hadden in 1999 eens een andere bestemming voor de wintersport uitgekozen: St Leonhard im Pitztal, Oostenrijk. Zo’n 20 km voor het dorp was de bus die morgen blijven staan. Vanwege lawinegevaar was de weg afgesloten. In een café werden wij en onze zonen van 12 en 13 door een medewerker van het Turistamt geregistreerd als gestrande toeristen. We werden ondergebracht in een naburig hotel. Net nadat we onze spullen daarheen hadden gebracht werden we aangeklampt door een lange man met donker haar: ‘Familie faan Diek?’ . Het bleek de verhuurder van ons appartement. Hij kon ons naar St. Leonhard brengen. De volgende dag of anders wel maandag zouden we kunnen skieën, zo stelde hij ons gerust. We volgden hem. Onderweg naar St. Leonhard passeerden we diverse slagbomen, waar militairen toekeken. ‘Het lijkt wel oorlog’, zei G.

Op zondagmorgen gaan we eens op verkenning uit. Het dorp ligt bedolven onder een enorm pak sneeuw. Het is er oorverdovend stil. Er is geen verkeer. We kunnen op de weg 100 meter naar links lopen. Daar verhindert een hek de verdere doorgang: Wegen Lawinengefahr auch für Fussgänger gesperrt. Naar rechts kunnen we 500 meter lopen. We zitten opgesloten in een dorpje van 20 huizen, waar verder niets te doen is. Opgesloten als ratten in de val.
Op maandag valt de elektriciteit voor het eerst een aantal uren uit. We gaan naar de enige winkel. Hij is open, maar daar is alles mee gezegd. Brood, groente of vlees is er niet te koop. Uit voorzorg zijn het koelvak en het vriesvak leeggehaald. ‘Dit komt vaker voor’, zegt de winkelier, ‘daarom heeft het hele dorp goed gevulde vrieskisten en voorraadkasten. Jullie verhuurder ook.’
Met wat blikvoer en gedroogde producten gaan we terug naar de Ferienwohnung. Uit een donkere lucht vallen nieuwe sneeuwvlokken. De stemming is bedrukt. Tijdens de lunch moet vooral het zure roggebrood het ontgelden.
’s Avonds vragen we de verhuurder, die beneden ons woont, naar de vooruitzichten. Hij weet het nog niet, zegt ie kortaf. Hij zal bij de burgemeester informeren. We vertellen dat we weinig konden kopen in de winkel. De man reageert er niet op en doet de deur weer dicht. Ik wil een schop tegen de deur geven, maar weet me nog juist in te houden.
Op dinsdag gaan we weer op weg voor ons dagelijkse wandelingetje. In het dorp ligt nu een grote dijk van sneeuw dwars over de weg. De nieuwe lawine is net voor een huis gestopt.
Er is nog altijd geen enkel perspectief op het opengaan van de wegen, laat staan op skiën. We proberen ons ermee te verzoenen. Dat je niet altijd kunt doen of eten wat je wilt, vinden we voor onze kinderen nog wel een leerzame ervaring. Zij zijn het daar hartgrondig mee oneens.
Als we die avond weer een uurtje elektriciteit hebben, zien we op het journaal de beelden van de lawineramp in Galtür, een dorp twee dalen verderop. Er zijn meer dan 30 doden gevallen. Die nacht slaap ik slecht. Waarom zou zoiets niet vannacht hier kunnen gebeuren?

Op woensdagmorgen zien we iemand langs de afzetting lopen. Wat zouden we ook graag even uit onze benauwde omgeving stappen! We denken aan Galtür. We kijken om ons heen, de omgeving ziet er vredig uit. Dan stappen ook wij langs het hek.
In het volgende dorp vinden we een bakker. Het is niet te geloven hoe blij we zijn, dat we na vier dagen vers brood kunnen kopen. Als we weer teruggaan moeten we wachten omdat er onder groot geraas een helikopter gaat landen. Er springen militairen uit. Ze laden zakken met broodjes in, bestemd voor het einde van het dal.
Vanwege het uitvallen van de elektriciteit eten we nu steeds buiten de deur in het enige restaurant van het dorp. Daar heeft men een goed gevulde vrieskist. We eten uit noodzaak bij kaarslicht. We zijn nu in de fase dat we om onze situatie kunnen lachen.
Onze Bergfreund heeft nog steeds geen nieuws van de burgemeester. Het is donderdag en we hebben ons er inmiddels mee verzoend, dat we deze week niet meer kunnen skiën. In plaats daarvan maken we ons zorgen over hoe we weer uit onze winterse quarantaine kunnen komen. Moeten we nog blijven tot alle sneeuw de bergen afgerold is? Tot de lente?
De kinderen hebben op een helling een enorme glijbaan aangelegd, waar ze met behulp van een vuilniszak vanaf glijden. Als we elektriciteit hebben, kijken zij TV. Hun favoriet is een Duitse commerciële sportzender, die Amerikaanse extreme sports uitzendt, begeleid door opgewonden Duits commentaar: ‘Und da kommt die Jeany…’. De meegenomen spelletjes hebben we al honderd keer gespeeld. De verveling slaat toe, spanningen ontaarden in ruzies. De Bergfreund gooit nog eens olie op het vuur door te klagen over het lawaai dat ons heen en weer lopen in zijn huiskamer veroorzaakt.
Op vrijdag is er het gerucht dat de burgemeester die avond de weg een paar uur vrij zal geven. We geloven het pas als het zover is. Om 18.00 uur worden we weggebracht. Langs slagbomen, tot stilstand gekomen lawines en geknakte bomen bereiken we een hotel in de veilige wereld.
Dan gebeurt waar we niet meer op gerekend hadden. Op zaterdagmorgen brengt een hotelmedewerker ons naar de nabijgelegen skipiste in Jerzens. Eén lange dag, tot en met de letzte Bergfahrt van de kabinelift, skiën we als gekken over de zonovergoten pistes.
Wat lag daar een lekker pak sneeuw!

0

AS HEM

Herinnering

Op mijn twaalfde kopen mijn ouders een nieuwe fiets voor mij, een kleine maat herenfiets. Als ik op het zadel zit, kan ik niet met mijn voeten bij de grond. Na de zomervakantie ga ik, in navolging van mijn oudere broer en zussen, naar het Sint-Bonifatiuslyceum in Utrecht. Dat betekent elke dag 10 kilometer heen en 10 kilometer terug fietsen. Dat doe je niet op een afdankertje.
Ik ben blij dat ik van de lagere school af ben en dat ik als jongste in het gezin nu eindelijk mee ga tellen. Maar spannend vind ik het ook, zo’n grote school in een grote stad. Boni heeft dat jaar 1600 leerlingen en meer dan 100 leraren.

Het schooljaar begint met een plechtige Heilige Mis in de Willibrorduskerk aan de Minrebroederstraat. “Bij de voorbereiding op hun toekomstige taak in de maatschappij dienen de leerlingen van het lyceum tevens hun religieus leven te vormen en te verdiepen”, zo staat te lezen in het programmaboekje voor het schooljaar.
Ik ben geplaatst in klas 1D. In de jaargang 1964-1965 zitten de jongens en meisjes van de lagere klassen gescheiden. Het katholieke Bonifatius acht het niet bevorderlijk voor het leerklimaat als jongens in de groei samen met ontluikende meisjes in de klas zitten. Wie in december j.l. mijn blog Die dag gelezen heeft, weet dat er enige aanleiding was voor dit standpunt.
Er gaat nog één andere jongen van mijn lagere school naar het Boni. Ook Jan is ingedeeld in 1D. Wij delen toevallig dezelfde achternaam.
Op de eerste schooldag fiets ik samen met mijn zus naar school, de fonkelnieuwe leren tas boordevol boeken onder de nog strakke snelbinders. Op het Pieterskerkhof aangekomen is het een drukte van belang. Te midden van een stoet jongeren die minstens een kop groter zijn schuifel ik met de fiets in de hand onder de poort door de binnenplaats van de school op. Gespannen zoek ik een plek voor mijn fiets in een van de met roestige golfplaten overdekte fietsrekken. Daarboven strekt zich dreigend en zwijgend het hoge gebouw met de vele ramen uit.
Klas 1D heeft het eerste lokaal links op de begane grond, vlak naast de kamer van conrector Erich. Geïntimideerd door de onbekende omgeving en zoveel stadse klasgenoten gaan Jan en ik samen op de eerste rij zitten.
We krijgen Nederlandse les van meneer Kuitenbrouwer. Hij loopt voor de klas heen en weer als hij in alfabetische volgorde de namen van de leerlingen opnoemt. Bij de D gekomen steken Jan en ik tegelijk onze vinger op. Meneer Kuitenbrouwer blijft hij voor onze bank staan.
‘Zijn jullie broertjes?’, informeert hij.
‘Nee’, kraait Jan lachend, ‘we zijn geen broertjes, we zijn vriendjes!’
Ik vind dat ‘vriendjes’ wat overdreven uitgedrukt, want zo dik zijn we niet met elkaar. Ik heb behoefte om me te onderscheiden.
‘Ik ben ouder as hem’, voeg ik toe.
‘As hem?’, vraagt de leraar Nederlands verbaasd. Zijn spreektoon gaat bij het woord hem fors de hoogte in.
‘As hem?’, herhaalt hij nog eens op vrolijke toon, terwijl hij de klas inkijkt, in afwachting van een reactie om zoveel domheid. De klas wacht gespannen af.
‘Dan hij, zal je bedoelen!’, zegt de leraar.
Dit is het sein voor de klas om in een algeheel gejoel los te barsten.
‘Dan hij’, roep ik nog verongelijkt, maar dat hoort niemand meer in het lawaai.
Taal was een van mijn beste vakken op de lagere school. Ik had met glans het toelatingsexamen voor het lyceum gehaald, met één negen en drie achten, waaronder een acht voor Nederlands. Het gebruik van als en hem in de vergrotende trap was zowel thuis als op school heel gewoon.
Het is duidelijk. Het is op deze eerste schooldag voor eens en voor altijd vastgesteld: wij zijn de boertjes van buiten, wij komen uit Vleuten, zo’n boerendorp, waar ze nog as hem zeggen. Wij kennen nu onze plaats.

Ter plekke neem ik me voor om snel te laten zien, dat ik tot veel meer in staat ben. Dat is de reflex die ik gewend ben van de lagere school, waar ik de meeste kinderen in intellectueel opzicht verre de baas was. De middelbare school is echter anders, zo zal weldra blijken. In deze klas kunnen alle kinderen goed leren. Ik ben op mijn nieuwe fiets in de grote wereld beland.

0

VAAN VENLO TOT MESTREECH

Herinnering

De voorpret begint als we met zijn vieren op zaterdagmorgen de opgelapte Citroën Ami van M instappen.
‘Zul je je onderweg een beetje gedragen?’, vraagt M aan mij.
‘Als ik bij het raampje mag zitten, komt alles goed’, is mijn antwoord.
We rijden op het gemak naar Limburg en zetten Sj af bij haar ouders in Sittard. We mogen pas verder als we eerst een groot stuk kiersevlaai hebben gegeten. Het is alsof overal de opwinding voor het komende feest merkbaar is.
Ook in Beek, bij de ouders van M, is er weer vlaai. En de garage staat vol met soepen, salades, vleesgerechten en pasta’s, die M’s vader in het vooruit gemaakt heeft. Carnaval vier je met elkaar. We zullen drie dagen alles samen doen. Nu ja, bijna alles, zoals zal blijken.
Mijn geboortedorp Vleuten kende geen carnavalscultuur. De vastenavond was wel de dag van het Potverteren van de kaartclub van mijn vader. Dan kwamen de vier families bij elkaar. De moeders stonden uren in de keuken om wafels te bakken. Wij deden ons tegoed aan lekkernijen die we in de daaropvolgende veertigdaagse vastentijd niet meer mochten eten. Maar polonaises of verkleedpartijen kende ik niet en uit je dak gaan en doorzakken kwamen in ons woordenboek niet voor.
Dus toen ik halverwege de zeventiger jaren voor de eerste maal Vastelaovend vierde in Limburg, kostte het me in het begin moeite om mij in het feestgedruis te storten. Het voelde alsof er mensen speciaal naar mij stonden te kijken. Naar hoe ik voorzichtig in die rare uitdossing stond te deinen. Maar als je met een groep bent went dat snel.

Op zaterdagavond beginnen we het fiëst in Geleen. We trekken van de Hanehof naar ’t Luifeltje, en verder, drinken overal een paar biertjes, hossen een tijdje mee en gaan weer door. Soms blijven er nog halfvolle glazen in het gemorste bier op het dienblad staan.
Op straat is het druk, een continue stroom clowns, narren en gekleurde pruiken beweegt zich tussen de lokalen.
Een als meisje verklede jongen met een bloem in het haar legt zijn arm om mijn schouder.
‘Wa zeit gij een liefie’, murmelt hij met zijn gezicht vlak bij het mijne. Ik schud hem van me af.
Even later loop ik naast een man die zich als priester heeft uitgedost.
‘Eerwaarde, ook een slokje?’, vraag ik. Ik houd hem mijn volle plastic beker bier voor.
‘Gerne, mijn vrind’. De priester pakt de beker aan en drinkt hem in een teug helemaal leeg.
‘God zal u hierveur belonen’, knikt hij, het schuim nog op de lippen.
Ondertussen doet M een poging om over een auto heen te lopen.
Elders worden er enkele bloembakken verplaatst.

Op maandagavond gaan we uit in Beek.
In een café hangen foto’s van de Baeker Potentaote, mannen die je vanonder hun carnavalshoed met fazantenveren gemoedelijk maar vastberaden aankijken. We belanden in een grote zaal, waar de Limburgse carnavalsschlagers uit de boxen schallen. Vaan Venlo tot Mestreech en vaan Eijsde tot de Mookerhei. We worden meegevoerd met de meute, die in grote cirkels de zaal doorgaat. In het midden bewegen groepen feestvierders juist de tegengestelde kant op.
In de groep tegenliggers valt mij een leuk meisje op. Blond haar, rode wangen, deemoedige blik. Na een volgende ronde heeft zij mij ook opgemerkt. We lachen naar elkaar. Bij elke ontmoeting kijken we elkaar langer aan. We lachen nu niet meer, we kijken indringend. Ik ga naar haar oversteken, bedenk ik.
Op dat moment roept M: ‘we gaan naar café Frusch’. Ik kom in tweestrijd. Besluiteloos loop ik achter mijn vrienden aan. Pas als onze groep halverwege de nacht besluit naar huis te gaan, zeg ik dat ik nog even blijf.
Ik keer direct terug naar de feestzaal. Onrustig en gedreven ga ik op zoek naar het meisje met de appelwangen. De zaal is al half leeg, maar het gebral klinkt luider. Wo is toch dat Sjterfhoes, wo is dat toch hein. Dat feesten staat me nu erg tegen. Ik zie het meisje nergens meer en voel me hopeloos alleen. Op je eentje is carnaval sjrikkelik.
Terug in mijn logeerbed dreunen de tweekwarts maten nog na. Ik raak het Sjterfhoes niet meer kwijt. De kamer draait om mij heen. Ik knik het bedlampje weer aan en val in een onrustige slaap.
Op dinsdagochtend gaan we terug naar Utrecht. Voor de optocht van de zaate ermenniekes hebben we geen puf meer.

0

KONIJNEN EN ZOGGEDIJSELS

Herinnering

paardenbloemHet was in ons gezin vroeger een vanzelfsprekendheid. De kinderen hielpen mee met allerlei werkzaamheden: de vaat drogen, schoenen poetsen, op zaterdag het erf rijven, in de herfst stoofpeertjes schillen. Elke zondagmiddag telden we de centen, stuivers en dubbeltjes, die mijn vader die ochtend in de kerk in het zakje met de lange stok had opgehaald. En in de winter liep ik door weer en wind en in het donker naar ons voormalig kippenhok om de kolenkit bij te vullen.
Daarnaast was het mijn taak om een paar konijnen te verzorgen. Ik was niet zelf op dat idee gekomen. Wellicht dachten mijn ouders dat het stimuleren van verzorgende kwaliteiten bij mij geen kwaad kon. Er kunnen ook andere redenen hebben gespeeld.
De twee langoren zaten in één hok, maar van elkaar gescheiden door een tussenschot. Waarom ze niet bij elkaar mochten komen, heb ik me toen nooit afgevraagd. Ik wist niet of het mannetjes of vrouwtjes waren. Voor mij waren het gewoon konijnen.
Elke week moest het hok schoongemaakt worden. Daar had ik een grondige hekel aan.
De stank van de konijnenmest was nog tot daar aan toe. Ik rook in het dorp wel vaker luchtjes van dieren en mest. Vervelender was, dat ik na het verwijderen van het gaas voortdurend moest opletten, of niet een van de konijnen van de gelegenheid gebruik zou maken om te ontsnappen. Zie dan zo’n beest nog maar eens te pakken te krijgen.
Ik was bang voor de onverwachte bewegingen van de beesten. Waarschijnlijk waren de konijnen op hun beurt bang voor die grote schop die opeens hun eetkamer annex wc binnenkwam. Zo hielden we elkaar gevangen in een gezamenlijk verbond. Er is er nooit een ontsnapt.

konijnen

Ik kweet mij nauwkeurig en liefdevol van mijn taak. Het was weinig werk. Voer was er rond ons huis in voldoende mate aanwezig. Het gras groeide zelfs onder het hok. Ik hoefde niet met een zeis op pad om in de bermen langs de openbare weg een dagvoorraad bij elkaar te halen, zoals ik semiprofessionele konijnenfokkers met alpinopet regelmatig zag doen. Die hadden dan ook flatgebouwen met konijnen te voeden.
Ik gaf mijn langoren het liefste zoggedijsels[1]. Daar waren ze dol op. Ik mocht er graag naar kijken hoe ze aanvielen op hun verse groenvoer. Al zat er maar één zoggedijsel tussen een berg gras, dan nog haalden ze dat blad er onmiddellijk uit en aten dat als eerste op. Dat zou ik nooit doen, dacht ik dan. Ik bewaarde het lekkerste eten altijd tot het laatst.
Een week voor de Kerst kwam de olieboer uit ons dorp een van de konijnen halen. In zijn vrije tijd had de olieboer namelijk een bloeiende praktijk als dierenviller. Zijn kwaliteiten op dit gebied waren wijd en zijd bekend.
En zo geschiedde het dat er met de Kerst bij ons een konijnenbout in de braadpan lag.
Ik at niet mee.
Niet omdat ik ontdaan was dat die gulzige knager, die mij met zijn grote ogen vaak zo verwachtingsvol aangekeken had, opeens was veranderd in een braadstuk. Ik heb geen traan gelaten om het konijn, terwijl ik toch om het minste of geringste kon huilen.
Bij onze buren ging er eens een kip in de pan, die het hele jaar voor hun raam achteruitlopend de kale grond had afgezocht. Bij hen at de buurvrouw niet mee. Ze was er getuige van geweest dat de kip een kleine kikker had verorberd. De vorm van het beestje was nog enige tijd zichtbaar geweest in de hals van de kip.
Ik vond het opdienen van konijn of kip de normaalste zaak van de wereld. Maar ik at niet mee, omdat ik konijn niet lustte. Ik vond de geur van konijn zoveel vreemder dan de zaterdagse geur van draadjesvlees, gebakken in de bleu band.

________________________________________
[1] Dialect voor paardenbloem. Het Meertens Instituut houdt onder meer een databank bij van volksnamen voor planten. Het woord zoggedijsel (zoggedeisel) staat vermeld voor de plaatsen Benschop en Oud-Maarsseveen, beide met het jaartal 1945. Vleuten, het dorp van mijn jeugd, ligt zo’n beetje in het midden tussen deze West-Utrechtse dorpen. Misschien is het woord zoggedijsel wel het enige dialectwoord, dat ik uit mijn jeugd heb meegenomen.

1

DIE DAG

Herinnering

Brian Hyland, zegt die naam nog iets?
One, two, three, four, tell the people what she wore?
Brian Hyland was een Amerikaans tieneridool. Hij scoorde in 1960 zijn eerste en enige nummer 1 hit met Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polka Dot Bikini.
Ik was acht jaar en zong het refreintje mee, zonder te beseffen wat de tekst betekende. Ik wist nog wel, dat een bikini een tweedelig badpak was. Maar op die leeftijd had ik geen bijzondere belangstelling voor meisjes of hun badkleding. Al hing er iets geheimzinnigs om heen, sinds mijn moeder boos was uitgevallen toen mijn zus ’s zomers in de teil twee kaatseballen onder haar badpakje had gedaan.
Enkele jaren later probeerde ik samen met een vriendje via een openstaand raam van een bouwkeet een foto van een pin-up van de muur te halen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. We werden in onze pogingen gestoord door een gepensioneerde metselaar die elke avond op zijn Mobyletje door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen (‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’).
Het duurde nog tot mijn 13e voor de vonk van het vrouwelijk lichaam daadwerkelijk oversloeg. Die dag herinner ik me precies. Ik keek op school schuin achterom en zag M in de rij naast mij voorovergebogen over haar tafel geleund. Op dat moment vielen mij onder haar blauwwitte wintertrui de welvingen op. Het was of er een bliksemschicht door mij heen ging. Ik was me er niet eerder bewust van geweest, niet bij M, ook niet bij andere meisjes. Of beter gezegd: ik had wel rondingen gezien, maar er nooit wat bij gevoeld. Ditmaal voelde ik van alles door elkaar: verwondering, bewondering, sprakeloosheid, verlegenheid en opwinding. Ik was aangenaam onthutst. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.
Vanaf dat moment wilde ik bij haar in de buurt zijn. Ik wilde dat ze naar mij keek, ik verlangde naar haar aandacht.
Van huis uit heb ik niet meegekregen hoe je dat moet aanpakken. Ik had geleerd om mijn hoofd te gebruiken. Gevoelens diende je te onderdrukken. Mijn voorzichtige avances werden door M op gelijke wijze beantwoord. In de kerstvakantie speelden we boerenbridge. Er waren nog twee klasgenoten bij. Ik deed mijn uiterste best om te winnen.
Geleidelijk kwam het besef dat we iets met elkaar hadden, al spraken we dit niet uit. We gingen samen naar zwembad den Hommel. Ik was op mijn 13e klein van stuk, ik had de baard nog niet in de keel. Als een speels jongetje duwde ik haar onverwacht in het water om daarna als een stoere knaap haar uit het water op de kant te trekken. Dat bood mij enige inkijk in haar badpak.
We gingen samen naar de kermis. Brian Hyland was al lang weer vergeten. That Day van the Golden Earrings schalde rond de cakewalk. Het bleek haar favoriete nummer. ‘O, Arnold’, riep ze in extase uit en ze kneep hard in mijn hand.
We liepen hand in hand over de kermis. Ik hield haar hand ongemakkelijk en gespannen vast. Maar ik durfde niet los te laten. We passeerden een klasgenoot van mijn lagere school. Ik wist niet goed waar te kijken. Het liefst was ik op dat moment met hem door de cake-walk gaan rauzen.
Er volgde een zomervakantie waarin M en ik elkaar niet zagen. Zo onmerkbaar als het was aangeraakt, zo onmerkbaar kwam er weer een einde aan de relatie.
Op de lagere school had ik ook vriendinnetjes gehad. Zelfs in de periode dat jongens alleen met jongens spelen had ik een vriendinnetje op mijn verjaardag uitgenodigd. Dat was de juffrouw van mijn klas opgevallen. Ik had met I gearmd gelopen. We speelden dat we een stelletje waren. Er was geen gevoel bij. We hadden het afgekeken van anderen.
Ditmaal waren de hormonen aan het werk geweest. De warme gevoelens kwamen diep van binnenuit. Ik kon ze niet onderdrukken.
De hormonen zouden daarna nog vaker opspelen. Maar nooit meer was er die vreemde mengeling van gevoelens als op die dag dat ik schuin achterom naar M had gekeken.