Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

OP ZOEK NAAR VERLICHTING

Herinnering
Begin jaren zeventig krijgt psychiater Jan Foudraine grote bekendheid met zijn boek Wie is van hout?Hierin keert hij zich tegen het onpersoonlijke karakter van de medische psychiatrie en het reduceren van de patiënt tot zijn ziekte. Nog nooit verkocht een psychiater zoveel boeken.
Enkele jaren later vindt hij de medemenselijkheid en liefde terug bij de Indiase goeroe Bhagwan. Als Swami Deva Amrito keert hij in een rood-oranje gewaad terug naar Nederland. In zijn voetsporen bezoekt een grote schare Nederlanders de ashram in Poona op zoek naar geluk en zingeving. De leefgemeenschap ontwikkelt zich tot het grootste therapiecentrum ter wereld.
Het zijn de jaren van Sterft gij oude vormen en gedachten. Alles moet anders, vrijer, democratischer en menselijker. Aanvankelijk zijn het de radicale politieke bewegingen waarin jonge mensen zich verenigen. Maar als blijkt dat de maatschappijverandering toch niet zo gemakkelijk gaat, verspringt de aandacht bij velen naar de persoonlijke groei. Waar de traditionele religies hebben afgedaan, gaat men op zoek naar nieuwe vormen van zingeving.
Opeens kwam je ze overal tegen, de verlichte sannyasins in hun kleurige gewaden, de zwarte kralenketting met de foto van Bhagwan om de nek. Net als hun kleding zagen ze er opgewekt en energiek uit. Het leven en de liefde lachten hen toe. Ze richtten communes op om samen te werken aan het loslaten van hun ego.
Ook in de ggz-instelling, waar ik begin jaren tachtig werkzaam was, verschenen hulpverleners in oranje kleding onder een nieuwe naam. Niemand stelde hier vragen bij.
Op mijn afdeling werkte een jonge, afgestudeerde academicus, die, nog onzeker over hoe zijn leven in te richten, vooralsnog de kost verdiende met secretariaatswerk. Hij liet al snel blijken onder de indruk te zijn van Bhagwan. Het duurde nog even voordat hij zich openlijk tot sannyasin bekende. Weifelend als hij was, koos hij voor een combinatie van zijn oude naam met een door Bhagwan toegekende naam. De zwarte mala bleef de eerste tijd nog onder zijn Nederlandse overhemden verborgen.
In de uitgebreide koffie- en theepauzes, die destijds gewoon waren, spraken we nog wel eens over Bhagwan. Ik zei dat ik mij het zoeken naar menselijkheid en zingeving goed kon voorstellen, maar dat ik de verering van Bhagwan niet begreep. Aan het katholieke geloof, dat ik van mij had afgeschud, had ik een allergie voor persoonsverheerlijking overgehouden.
P. antwoordde op dit soort opmerkingen op een standaard wijze: “Bhagwan, zegt….” En dan volgde een uitleg over de visie van de meester. Mijn vraag liet volgens P. zien, dat ik me nog niet kon openstellen voor het positieve. Ik had sterk de indruk, dat hij daar ook moeite mee had.
Na enige tijd kwam ook de vrouw van P. op ons secretariaat werken. Zij was eveneens sannyasin, maar ze vertoonde zich nooit in het oranje. Ik vond haar verre van zweverig. We verzeilden nooit in discussies over verlichting en transcendentie.
Wij vielen bij elkaar in de smaak en dus maakten we een keer een afspraak voor een avondje uit.
We dronken wat in een café en voerden een diepgaand, persoonlijke gesprek. Aan het einde van de avond waren we elkaar zeer nabij, zowel geestelijk als fysiek. Ik voelde een omarming naderen. En misschien nog wel meer.
Het café werd voller, de muziek klonk luider. T. schoof haar stoel wat dichter naar mij toe, legde haar handen op mijn knieën en boog zich met haar mond naar mijn oor.
‘Ik voel..’, zei ze, fluisterend temidden van het lawaai. Ze hield even in, als om de spanning te verhogen. Dit moest een speciale boodschap zijn, die niemand anders mocht horen.
‘Ik voel.., dat Bhagwan tussen ons is’.
Als door een wesp gestoken schoot ik achteruit en keek haar geschrokken aan. Ik wist niet wat te zeggen.
Dodelijker had haar opmerking niet kunnen zijn. Alsof je onder het vrijen wordt gevraagd: ‘heb je de vuilniszak nog buiten gezet?’
 ‘Wa-wat bedoel je daarmee?’, was het enige wat ik na enkele seconden uit kon brengen.
‘Oh, niets anders dan dat ik nu de liefde voel, die Bhagwan in ons opwekt. Ik voel nu die kracht, de energie.. ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen’.
Mijn hoofd bonsde. Ik schoof mijn stoel verder achteruit.
T. vervolgde haar uitleg, maar haar woorden drongen nauwelijks meer tot mij door.
Het kwam die avond niet meer goed. We zijn nooit meer met elkaar uit geweest. 
Bhagwan was inderdaad tussen ons gekomen. Als splijtzwam.

 

1

TIJD VOOR VERANDERING

Herinnering
Op 3 juni 1970 is geschiedenis mijn laatste vak op het mondeling eindexamen gymnasium alpha aan het Bonifatiuslyceum in Utrecht. Geschiedenis is mijn beste vak. Ik vind de meeste vragen niet moeilijk te beantwoorden.
Na afloop rijd ik naar huis, zet mijn blauwe Tomos in de garage en drink thee met mijn moeder. Daarna loop ik naar boven naar mijn kamer en laat mij languit op bed vallen.
We waren dat schooljaar met zijn zeventienen. Het naderende eindexamen had van onze klas een hecht collectief gemaakt. We gingen met zijn allen gebukt onder dat onvermijdelijk naderende examen. Om de gezamenlijkheid te onderstrepen hadden we alle banken tegen elkaar aangeschoven. Als om 14:40 uur de bel had geklonken, verzamelden we ons bij een lantaarnpaal op het Pieterskerkhof.
In april hadden we in de donkere gymzaal de schriftelijke examens afgelegd. De school hing vol met bordjes Stilte Eindexamens. We voelden de blikken van de jongere leerlingen als we uit zo’n hersenpijnigende exercitie kwamen. Nu werden we nog eens mondeling overhoord.
‘Nol, hoe ging het?’, vroegen ze vanmiddag, toen ik ons lokaal in het noodgebouw binnenkwam. Ik stak een sigaret op.
‘Hm, ik weet niet. Het was toch wel lastig’, had ik geantwoord. Naar buiten toe hield ik graag de schijn op, dat het er om zou gaan spannen.
‘Niet overdrijven Nol, je staat er gewoon goed voor.’
Wezenloos lig ik nu op mijn buik op bed, mijn gezicht in het kussen, mijn voeten met schoenen steken opzij uit. Aan de wand hangt een aantal stemmige vakantieplaatjes die ik uit de Autokampioen geknipt heb als vervanging voor de posters uit de Muziek Express. De stilte in huis wordt slechts verbroken door de schelle bel van de Friese staartklok.
Mijn eindexamen zit er op. Ik heb mijn middelbare school afgerond. Ik heb vrij! Drie maanden lang!
Ik zou blij moeten zijn, maar ik voel me alleen maar leeg. Het hele jaar, wat zeg ik, het hele gymnasium lang, heb ik braaf en hard gewerkt voor dit diploma. Vooral de laatste maanden ben ik alleen maar bezig geweest met proefvertalingen Vergilius en Homerus, met de Engelse, Franse en Duitse grammatica, en de complete algebra-stof van de laatste twee jaar. Mijn moeder zei wel eens, als ik ’s avonds laat nog over mijn boeken gebogen zat: ’Is het onderhand geen tijd om te stoppen?’ Dan maakte ik eerst nog af wat ik me voorgenomen had. Ik ging de onzekerheid over het examen te lijf met een straf, mij zelf opgelegd oefenregime.
Nu het voorbij is voel ik me uitgeput en teneergeslagen. Het vooruitzicht van drie vrije maanden is geen lonkende vrije tijd, maar een groot gat, een eindeloze tijd om tegenop te zien. Ik zal gaan werken om op vakantie te kunnen gaan. Ik moet op zoek naar een kamer in Utrecht.  Ik moet me aanmelden bij Psychologie en bij een studentenvereniging. Voorlopig heb ik helemaal nergens zin in.  Ik voel me er schuldig over.
Eerst is er nog de uitslag. Voor de eerste maal in zes jaar betreed ik de lerarenkamer om van conrector Erich te horen dat ik geslaagd ben met een van de mooiste cijferlijsten van gym alpha. Op een platte kar, heel studentikoos met bier en gelal, gaan we vervolgens met alle geslaagden een aantal leraren in Utrecht af. Daarna volgen de eindexamenfeesten, die we om beurten voor elkaar houden.
Na afloop van een van die feesten rijden Ton en ik nog één keer naar de school. Het geknetter van mijn Tomos en het donkere gebrom van zijn Honda vullen ‘s nachts de stille straten. In mijn hoofd gonst de muziek. Op mijn netvlies verschijnen beelden van zoenende paartjes, verstrengelde figuren op matrassen, handen op borsten en onder kleren.
Ton heeft een pot rode verf en een paar kwasten meegenomen. Zijn vader werkt bij een verffabriek. Vijf jaar lang zaten we samen op de achterste bank. Ton profiteerde van het huiswerk dat ik trouw maakte. Ik verdiende een vermogen aan weddenschappen, omdat hij steeds dacht dat hij een onvoldoende zou halen, terwijl hij ook zonder zijn huiswerk te maken hogere cijfers haalde dan ik. We toepten de hele pauze door, liepen achter vriendinnetjes aan of haalden op vrijdag de nieuwe editie van de Top-40 bij Staffhorst.
Nu we het gymnasium gedag zeggen vinden we het tijd om een daad te stellen. Iets achter te laten. Het is 1970 en overal klinkt de roep om verandering. Rood is de kleur van de revolutie en daarom verven wij midden in de nacht voor de school twee paaltjes op de brug over de Kromme Nieuwe Gracht rood. Daarna is onze lantaarnpaal op het Pieterskerkhof aan de beurt. 
Het is tijd voor verandering.
0

VOLKSVERMAAK

Herinnering
Was het vroeger kermis in Vleuten, dan werden er volksspelen georganiseerd. Zoals het tonsteken.
Dan werd er op de Dorpsstraat ter hoogte van de groentewinkel van Jan Bos een houten ton, gevuld met water, boven de weg gehangen. Onderaan de ton bevond zich een rond gat. De deelnemers dienden vanaf een rijdende wagen een lange stok door dit gat te steken. Mikten zij verkeerd en raakten zij het hout, dan duwden ze de ton omver en kregen zij de plens water over zich heen.
Voor dit soort spelen liep het dorp uit. Volksvermaak is leedvermaak. Het publiek stond bijeengepakt op de trottoirs. Als er weer een wagen kwam aangereden, dan stapten de toeschouwers van de stoep om te zien wie het volgende slachtoffer zou zijn, dat zich vrijwillig en onbaatzuchtig naar de waterbak liet leiden. Dan kwam agent Diepeveen naar voren en maande met een kordaat: ‘Vooruit, achteruit!’ eenieder weer de stoep op.
 
Mijn oudere broer Jos was een kei in het tonsteken. Reeds op 14-jarige leeftijd won hij de wedstrijd. Hij droeg toen al een bril, dat scheelde.
Daarna kwam het sprietlopen in zwang. De organisatie hiervan was een stuk eenvoudiger en de deelnemers werden minstens zo nat. In de Meern had men al jaren succes met het sprietlopen over de Oude Rijn.
De kunst was om over een ontschorste boomstam naar de overkant van de Vleutense Wetering te lopen. Om de kans op volksvermaak te verhogen was de stam met groene zeep ingesmeerd.
Op een van de mooiste plekjes van Vleuten, een de bocht in de wetering bij het Alenveltpark, had men de stam over het water gelegd. Merenezen konden sneren, dat de afstand bijna de helft van die van de Oude Rijn was. Desondanks belandden velen in het water, al dan niet na een onzachte aanraking met het gladde hout. Degene met de lichtste tred en de ruwste geitenharen sokken won. Het was leuk om naar te kijken, maar het leek me niet aantrekkelijk om te doen.
Toen men in een volgend jaar het sprietlopen door het polsstokspringen verving, heb ik mij echter direct aangemeld. Bij de polstok komt het aan op lenigheid, kracht en snelheid. Ik was met mijn dertien jaar weliswaar nog een lichtgewicht, maar bij de verkenners had ik het verspringen gewonnen en op mijn rapport had ik een negen voor gymnastiek. Ik dichtte mijzelf kansen toe.
Het evenement speelde zich af aan het begin van een bewolkte meiavond in diezelfde mooie bocht van de Wetering. Er stond een stevige westenwind. Aan de weilandzijde had men een houten vlondertje gebouwd. Daar stond de stok al uitnodigend te wachten. Oefenen tevoren was er niet bij.
Vóór mij was vriend Giel aan de beurt. Hij was al even mager en lichtgebouwd als ik.
Giel nam zijn aanloop wat kort. De vaart was er al uit toen hij met de stok midden boven het water was. Een fractie van een seconde bleef hij bijna stil, met de stok rechtop, staan. Het was onduidelijk of hij door zou gaan of weer terug zou vallen. Dit was volksvermaak op zijn best. De westenwind gaf de beslissende zet. Een flinke vlaag zwiepte Giel midden in de Wetering.
Wijs geworden door deze ervaring nam ik een veel langere aanloop. Ik sprintte in hoog tempo naar de glimmende stok, die schuin boven het vlondertje uit stak. Door mijn hoge snelheid lukte het mij niet om de stok meteen goed beet te pakken, waardoor ie een trillende beweging meekreeg. Ik vertrok als het ware op een zwabberende bezemsteel naar de overkant. In slow motion bovendien, want de vaart was eruit. Omhoog klimmen op de stok tijdens de overtocht, zoals ik mij in een bui van zelfoverschatting had voorgesteld, was er niet meer bij. Ik had al mijn aandacht nodig om mijn bezemsteel op koers te houden. Niettemin schatte ik in, dat ik met een flinke afzet de overkant wel zou halen. Mijn Ome Ries had mij niet voor niets ooit Albert de Eekhoorn genoemd.
Ik belandde met mijn handen in het gras en probeerde mij tevergeefs hieraan vast te klampen. Met mijn benen en bips viel ik in het water. Hier en daar klonk een bescheiden ‘Oh!’. Diep teleurgesteld kroop ik de kant op, vast van plan om nooit meer aan deze stomme sport mee te doen. 
Ik heb me aan mijn voornemen gehouden. Tot op heden, tenminste.
1

HET LAATSTE OORLOGSJAAR IN VLEUTEN

Herinnering
In de nacht van 4 op 5 september 1944 trekken honderden Duitse auto’s en tanks door Vleuten. Palen en brugleuningen worden beschadigd. Voor het huis van mijn ouders wordt het hekje in elkaar gereden. Enkele dagen later vervoegt mijn vader zich bij de Schreibstube van het Duitse leger voor vergoeding van de schade. Hij wordt doorgestuurd naar de Offizier, die verwijst hem  naar de burgemeester, deze weer naar de Schade Enquête Commissie in Zeist en laatstgenoemde weer naar het Departement van Financiën, afdeling Bezettingsschade in Amersfoort.
Het is een van de eerste voorvallen, die mijn vader beschrijft in het dagboek, dat hij van 4 september 1944 tot en met 10 juni 1945 heeft bijgehouden. De aantekeningen beginnen  in de tijd, dat iedereen probeerde om, ondanks de oorlog, zo normaal mogelijk te leven. Hekje kapot? Dan vraag je schadevergoeding.
Vanaf dat najaar is echter niets normaal meer. De narigheden rijgen zich aaneen.
Er komt in toenemende mate een gebrek aan eten. Kleren en schoenen kunnen niet meer gerepareerd worden. Fietsen worden gevorderd. De elektriciteit valt voortdurend uit. Er komt nog maar een paar uur per dag water uit de kraan. Met de invallende winter worden de bomen in het park van kasteel de Haar tot kachelhout verwerkt. Utrechters trekken door het dorp op zoek naar eten.  Er wordt een NSB’er vermoord (‘hoeveel jaar zou het geleden zijn, dat er op Vleuten een moord is gepleegd?’, schrijft hij). Het dorp is bang voor een razzia. Er worden enkele personen ‘opgehaald’. ‘Naar men zegt (…) zijn ze doodgeschoten’.
Mijn vader is 30 jaar, net één jaar getrouwd en hij moet allerlei dingen doen die hij nog nooit eerder gedaan heeft. Een kar met twee mud cokes tegen de hoge brug  op duwen. Bomen klein zagen. Een ruif timmeren voor de geit.
De oorlog met al zijn bedreigingen komt dichtbij. Het meest angstaanjagend zijn de bombardementen, die Engelse vliegtuigen uitvoeren op de spoorlijn Utrecht-Woerden. De eerste  keer maakt mijn vader dit mee als hij op zijn werk is, het kantoor van Douwe Egberts in Utrecht. Doelwit van de bombardementen is de brug over het A’dam-Rijnkanaal. Er vallen ook  bommen op het terrein van Douwe Egberts. ‘Wat veroorzaakt zo’n bombardement een angst! Die geweldige ontploffingen met daarbij de onzekerheid elk ogenblik getroffen te kunnen worden; een soort doodsangst.’
Later moet hij, op weg van zijn werk naar huis in een greppel duiken omdat er een trein wordt aangevallen. ‘De projectielen en kogels vlogen laag over ons heen’.
Hij verzucht: ‘hoeveel bommen zijn er al niet gevallen en wat hebben de Engelsen ermee bereikt?’
Beangstigend zijn ook de aankondigingen dat mannen tussen de 16 en 40 jaar zich moeten melden voor werkzaamheden zoals het dichten van de gaten van de bombardementen aan de spoorlijn. Deze oproepen gaan gepaard met dreigementen om huizen in brand te steken of een groot aantal mannen op te pakken. De onzekerheid is groot. Meld je je aan of niet? Veel mannen durven zich niet op straat te vertonen. Mijn vader gaat er nog wel uit. De directie van Douwe Egberts heeft een verklaring geregeld, dat hij als Haupt-Administrator  nodig is voor het bedrijf.
 
 
Mijn vader heeft  bovendien een schuilplaats, een nis boven het hoofdeinde van hun bed, waar een schilderij voor hangt. Hij heeft  een koffer klaar staan, mocht het nodig zijn om te vluchten.
In december 1944 raakt mijn moeder in verwachting. Mijn vader gaat lopend naast de fiets naar zijn zwager in Hilversum om hout te halen voor een wieg. In Mijdrecht weet hij thee en tabak te ruilen tegen luiers en flanelstof (‘voor een luier gaf men toen wel 15 gulden’).
Ook al is het erg weinig, mijn ouders hebben in de hongerwinter nog wat brood en aardappelen. En zij hebben melk van de geit, die mijn vader met vooruitziende blik in juni 1944 had geruild tegen enkele pakken koffie. Behalve de boeren beschikte niemand meer over melk.
Op de ochtend van de 5e mei is mijn moeder al vroeg wakker. Zij vindt dat niet erg, zo schrijft zij in een vervolg op het dagboek. ‘Er waren zoveel aangename dingen om aan te denken. Vooreerst het was vrede, en dan het blije vooruitzicht dat ik moeder zou worden. Hoe dikwijls verlangde ik naar dit nieuwe leven in ons gezin.’
Op maandag 20 augustus beginnen de weeën, mijn moeder voelt het kind bewegen. Als  ’s avonds de dokter komt, voelt hij geen leven meer. Het jongetje geeft  geen geluid bij de geboorte. Alleen na het dopen nog een klein snikje. Daarna is het afgelopen. Met een leeuwenbekje uit de tuin in zijn hand wordt hij in een kistje gelegd.
Was het kind blijven leven, dan was ik de derde zoon  geweest. Dan  had ik Kees geheten.

 

0

DRINKEN VOOR HET GOEDE DOEL

Herinnering
Er speelde die vrijdagavond, begin jaren tachtig, een bandje in café de Baas aan de Biltstraat in Utrecht.
Achterin de pijpenla was de stamtafel aan de kant gezet en waren de lampen opgetrokken. In het halfduister bewogen drie muzikanten op een smal podiumpje. Rond de langwerpige bar en bij het podium stond het jonge volk dicht opeen, sigaret en glas in de hand.
De Baas was een collectief café met een ideële doelstelling. Het werd voor het grootste deel gerund door vrijwilligers. Ik was een paar jaar een van de vrijwilligers geweest. De opbrengsten gingen naar startende, kleine ondernemingen, die op basis  van zelfbestuur een alternatief moesten zijn voor het grootschalige kapitalisme. Daarnaast ging er financiële steun naar acties tegen kernenergie, woningnood en kruisraketten. Over de besteding van het geld en over het draaien van het café werd avonden lang vergaderd. Er werd alleen een besluit genomen als iedere aanwezige zich erin kon vinden. Plus degenen, die niet aanwezig waren.
Veel vrijwilligers waren ook stamgast. De idealen waren even groot als het verborgen leed. Wie zonder baan, partner of toekomst zijn idealen had ingeruild voor een plek aan de stamtafel verbloemde zijn leed niet langer.
Het bandje speelt aanstekelijke Ierse folkmuziek. De zanger vent met rauwe stem en emotie zijn liederen uit.
Huisgenoot T loopt glimlachend rond. Hij heeft net een nieuwe vriendin. Al pratend strijkt T herhaaldelijk zijn schouderlange haar achter zijn oren. Tevergeefs, want de lokken vallen steeds weer terug in zijn gezicht.
M staat een flinterdun shagje te rollen. Zij draagt een kettinkje met een vrouwenteken. Na de eerste diepe inhalering, blaast ze, vooruitkijkend, de rook naar opzij. Naar haar ervaringen had Harrie Jekkers, stamgast in de Baas, voor het Klein Orkest Het Leed Versierdgeschreven:
Altijd op jacht, gedreven door angst dat ze kansen mist
Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is.
Eenzaam tussen duizend vrienden, duizend vrienden, toch alleen
E schuift langs, een bleke jongen aan wie ik een goede winterjas had geschonken, omdat hij zo berooid was dat hij er zelf niet een kon kopen. Zijn tanden waren toen al voor een deel uitgevallen. Ik heb hem de jas nooit zien dragen.
J komt er bij staan, zij was een tijdlang mijn collega-vrijwilliger in de woensdagploeg. Vanuit haar matras had ik ooit onbedoeld een schurftmijtje mee naar huis genomen, waarna ik mijn hele garderobe moest wassen en een mattenklopper kocht om het stof uit de kussens van mijn bedbank te slaan.
‘Willen jullie er ook nog een?’, vraagt T.
In de drukte voor het podium worden wij heen en weer geduwd door bezoekers die achterin de Baas de toiletten opzoeken. Moe van het staan en praten ga ik opzij op de rand van een tafeltje zitten. Iemand geeft me nog een glas bier, terwijl mijn vorige glas nog half vol is.
De band speelt een ballad.
I wish I was in Carrickfergus
Only for nights, in Ballygrand
I would swim over the deepest ocean
Just to see my love before I die
Een lied van weemoed en verlangen. Ik ben opeens vol aandacht voor de muziek. De zanger houdt me gevangen. Het lied is mooi en droef tegelijk. Ergens anders willen zijn dan waar je bent.
But I’ll sing no more till I’ve had a drink
Well I’m drunk today and I’m seldom sober
Na het optreden vraagt J: ‘waar gaan we heen?’.
Het is half twee, tijd voor de volgende kroeg. Iets in mij zegt: zou je dat wel doen? Dan is morgen je halve zaterdag verpest.
‘We gaan naar Binnen Best’.
‘Nee toch, niet weer die burgerlijke tent!’
Als ik even later bij Binnen Best in de wc sta, dreunt het lawaai in mijn hoofd door. Opeens wankel ik. Mijn handen zoeken steun aan de muren. Als ik mijn ogen sluit, draait mijn hoofd alle kanten op.
‘Nu ga je naar huis’, spreek ik mezelf toe.
In de buitenlucht op het Lucas Bolwerk voelt het beter. Zie je wel, ik kan nog best gecoördineerd mijn ene been voor de andere zetten, constateer ik tevreden.
Carrickfergus, ik moet eens opzoeken hoe je dat schrijft. Misschien is er een lp waar het op staat.
Well I’m drunk today and I’m seldom sober. 
Het tweede deel gaat niet over mij, maar het eerste is helemaal waar.
2

HET KRUISBEELD IN HET KRANKENHAUS

Herinnering
Vanaf de brancard zie ik alleen de bovenkant van de wereld: het systeemplafond, luchtverversingsroosters, bordjes met Röntgenen Unfälleambulanz. Ik word door lange, verlaten gangen gereden. Met een druk op een knop schuift een wand open en word ik de röntgenkamer binnengebracht. Drie medewerkers helpen mij snel en professioneel uit mijn kleren. Zelfs mijn sokken moet ik afstaan. Tot mijn verdriet, want mijn voeten zijn ijskoud. Voor ik het weet heeft een verpleger een strook borsthaar weggeschoren voor het maken van een hartfilmpje. Ik krijg een operatieschortje om, wit met groene figuurtjes. Er worden diverse röntgenfoto’s gemaakt en gegevens verzameld over stoelgang en allergieën. ZoIang ik stil lig, voel ik geen pijn. Alleen van de kou heb ik last.
Daarna lig ik eenzaam te wachten, ik weet niet hoe lang. Mijn horloge is met mijn kleren in een plastic zak afgevoerd. Er hangt geen klok. Wel ontwaar ik tussen de high-tech apparatuur een ouderwets houten kruisbeeld aan de wand. ‘Ik ben gevloerd’, zeg ik tegen het beeld. ‘Het was mijn eigen schuld, mea culpa, mea maxima culpa’.
Dan komt er een man in een witte jas binnen. Hij is lang en heeft donker haar. Kalm en voortvarend tegelijk geeft hij uitleg over de operatie van mijn Oberschenkel. Zijn Duits is goed te volgen. Hij geeft een uitputtende opsomming van alle mogelijke risico’s die deze operatie met zich meebrengt. Vanwaar deze uiteenzetting over alles wat er mis kan gaan, vraag ik me af. Wat voor juridisch getrouwtrek uit het verleden heeft tot deze sombermakende exercitie geleid? ‘Gibt es Alternative’,  vraag ik nog, meer om geen slaafse patiënt te lijken dan vanuit de hoop dat het werkelijk anders kan. Vervolgens houdt de man mij een papier voor waarop ik het vonnis kan ondertekenen. Het maakt me allemaal niet meer uit, als ik maar van mijn koude voeten afkom. Met een blik op het kruisbeeld zet ik een bibberende handtekening.
Aan het einde van de middag nemen G en ik piste nummer 3 , die beneden in het dorp uitkomt. Op een steile, ijzige plek verlies ik de controle. Ik schiet akelig snel door naar de bosrand en weet daar nog te draaien. Uit balans geraakt hel ik voorover en maak in sneltreinvaart een fraaie pirouette. Met een enorme smak beland ik op mijn rechterheup en blijf vrijwel direct liggen. Mijn ski’s en mijn stokken zijn een paar meter boven mij verweesd in de sneeuw achtergebleven. G is alweer honderd meter onder mij.
De jongeman van de Pistenrettung heeft prachtige blauwe ogen en een smal streepje helblond haar op zijn kin. Samen met de mannen van de Letzte Kontroll des Pistendienst legt hij me in één snelle beweging in de banaanvormige sneeuwbrancard. De banaan zet zich op de gladde piste direct eigenstandig in beweging. Ik glij op de donkere dennenrand af. De blauwe ogen weten nog juist op tijd het touw aan de achterzijde te grijpen.
Daarna gaan we in stervormige optocht de berg af, met mij als glanzende oranje streep in het midden. Gewikkeld in folie suis ik in de heldere vrieskou tussen de besneeuwde dennen door. De piste is verlaten en het is windstil. Ik hoor  slechts het geluid van de ski’s. Ik voel me in veilige handen. Boven mijn hoofd ziet de hemel er adembenemend mooi uit. Ik zie diepdonkerblauw naast lichter blauw en smalle, witgrijze flarden. Over alles heen ligt een oranje zweem van de ondergaande zon. Ik zou zo nog uren door willen suizen. O Täler weit, o Höhen, o schöner grüner Wald.
Beneden volgt de ontnuchtering. In het dorp word ik op een brancard in een vernederende tocht tussen de zingende en zuipende après-ski’ers doorgeduwd. Bonkende muziek begeleidt mij. Ik ben een loser die wordt afgevoerd.
In het Sankt Vinzenz Krankenhaus in Zams worden elk uur vele gevallen gewonden aangevoerd. Men opereert er in continudienst de klok rond. Inmiddels ben ik op kamer 304 van de afdeling Unfälle Männer op temperatuur gebracht. Om 21.30 uur is het mijn beurt. Het wordt mijn eerste operatie onder volledige narcose in 56 jaar. Het voelt alsof ik in een vliegtuig stap. Dat gaat bijna altijd goed, maar garanties worden niet gegeven. Men heeft het mij omstandig toegelicht.
In het voorportaal van de OperatieKamer legt een anesthesioloog mij de gang van zaken uit. Ik zal een rubberen kap over mijn neus en mond krijgen. De arts zal tot tien tellen, maar hij garandeert mij dat ik vóór de tiende tel weggezonken ben. 
Het is 30 januari 2009, 21.55 uur. Ik zie het kruisbeeld uit de röntgenkamer weer voor me. Ik hoor de zachte basstem van de arts: ‘Ein, zwei,drei, vier, fünf…’
1

TONEEL OP DE DEEL

Herinnering
Het was dit jaar vijftig jaar geleden, dat André van Duin een talentenjacht won en dat Johan Cruyff debuteerde in het eerste van Ajax. Het was ook vijftig jaar geleden, dat in Vleuten de toneelclub “La Jeunesse” het licht zag.
Twaalf jaar waren wij, mijn vriend Frank en ik, toen wij op 4 oktober 1964 een toneelvereniging oprichtten. Omdat een vereniging met twee leden een te smalle basis is, gingen we op zoek naar leden. Al snel vonden we Marjolein en Margriet bereid om mee te doen. Er waren nog meer belangstellenden, maar die kwamen de eerste keer niet opdagen.
We spraken om te beginnen over de naam van de vereniging. Uit een groot aantal voorstellen kozen we unaniem voor “La Jeunesse”. Het gaf ons jeugdig enthousiasme een internationaal tintje. Vervolgens werd Frank tot directeur gekozen en ik tot secretaris. Dit alles verliep via een geheime stemming met stembriefjes. De contributie werd vastgesteld op 20 cent per maand.
Al voordat er maar enige bijdrage binnen was, deed ik een eerste investering. Ik kocht voor 35 cent een gelinieerd schrift met gele kaft. Op pagina één maakte ik het contributieoverzicht. Met fraaie letters, het was tenslotte de eerste pagina, noteerde ik daaronder de aanschaf van het schrift. Op de volgende pagina’s schreef Frank onze eerste, zelfbedachte eenacter.
Frank en ik woonden in dezelfde straat en waren sinds lang met elkaar bevriend. Als ik naar de kleuterschool liep, klepperde ik bij zijn voordeur met de brievenbus. Dan gingen we samen verder. We stonden regelmatig bekvechtend tegenover elkaar in de zandbak achter zijn huis. Frank speelde graag de baas en ik wilde veelal mijn zin hebben. Maar we zochten elkaar steeds weer op.
De eerste voorstelling werd gepland op zondag 8 november. We regelden dat we gebruik konden maken van de deel van een voormalige boerderij. Die was destijds in gebruik bij de gidsen, de vrouwelijke tak van de padvinders. We maakten zelf aanplakbiljetten en brachten de uitnodigingen rond.
Die zondagmiddag zaten er op de bankjes en stoeltjes zo’n twintig familieleden en vriendjes klaar voor onze voorstelling.
Op het programma stonden drie stukken.
1.     De twee arme zwervers
Een zelf geschreven, op Swiebertje geïnspireerde scène waarin de zwervers Bas Boterbloem en Piet Paardenbloem brood stelen bij de bakker. We zongen een lied op de melodie van Als ’t effe kan (uit My fair lady): ‘welbedankt voor het brood, het was lekker, we gingen niet dood’.
2.     De zonsverduistering
Een schuifdeur- en kampvuursucces over diverse rangen in het leger, die elkaar een order doorgeven. De overste begint: ‘Morgen om negen uur is er een zonsverduistering. Iets dat niet elke dag voorkomt. Laat de manschappen in werktenue aantreden op het exercitieplein, zodat zij dit zeldzame verschijnsel kunnen zien. Als het regent zullen we niets kunnen zien; in dat geval neemt u de mannen mee naar de gymnastiekzaal’. De majoor brengt vervolgens de boodschap in iets gewijzigde vorm over aan de kapitein. Bij elke overdracht sluipen er meer fouten in, zodat aan het einde de sergeant aan zijn manschappen meedeelt : ‘Morgen om negen uur zal de verduistering van de overste plaatsvinden in werktenue door middel van de zon. Als het regent in de gymnastiekzaal, moeten jullie aantreden op het exercitieplein, iets dat niet elke dag voorkomt”.
3.     De diefstal
Een zelfbedachte scene, die opent met een raadselachtige diefstal bij de familie de Bruin. Twee vrouwen vallen flauw (‘de lijken worden weggesleept’, meldt het script). Een domme politieagent arresteert abusievelijk meneer de Bruin, waarna alles weer op zijn pootjes terecht komt.
Aan het einde riep Frank: ‘The End’! Daarna werd er hard geapplaudisseerd en met zijn vieren bogen we onwennig en ongelijk het hoofd.
Het is bij die ene voorstelling van “La Jeunesse” gebleven. Soms krijgt een debuut geen vervolg. Frank verhuisde in 1965 met zijn ouders naar Noord-Brabant. Op 26 oktober dat jaar boekte ik nog een inkomend bedrag van 42 cent. Er zat toen 3 gulden 55 in kas. Daarna bleeft het schrift leeg.
Het is mij niet bekend wat er met het batig saldo is gebeurd.

 

1

KERSTDINER IN HET VERZORGINGSHUIS

Herinnering
We zitten met zijn achten aan een tafel.
Bewoner A draagt een colbert en een stropdas. Hij kijkt strak voor zich uit en zegt weinig. ‘Maar hij weet nog alles’, zegt zijn dochter trots naast hem. ‘En met zijn gehoor is ook niks mis’. Deze openbaring brengt geen verandering op zijn gezicht.
Mevrouw B kijkt met een olijke, maar ook wat melancholieke blik de kring rond. Ze hoopt, dat er een besje voor haar wordt ingeschonken. ‘Want ik weet niet of ze die in de hemel hebben’.  Ook zij wordt vergezeld door een dochter.
Mevrouw C is een kleine, tengere mevrouw, die in elkaar gedoken in haar een electrische rolstoel zit. Zij heeft een te wijd uitgevallen gebloemde jurk aan. Haar blik is voortdurend omlaag gericht. Naast haar zit haar zoon. ‘Ik ben zo blij, dat je er bent’, lispelt ze met enige regelmaat tegen hem.
Mijn moeder is de vierde bewoonster aan tafel. Zij is 95 en haar geheugen laat haar behoorlijk in de steek. Ze probeert dat zo goed mogelijk te verbergen. Ze wil niet klagen. ‘Wat is verder de bedoeling?’, vraagt ze mij.
Eerst wordt er door de vrijwilligsters een drankje geserveerd. Het zijn struise, breedlijvige dames van in de zestig, aan wie de kapper goede klanten heeft. Opgewekt en voortvarend gaan ze de tafels langs.
De zoon van  mevr. C vertelt, dat zijn moeder past sinds enkele weken in het huis woont. Hij is aanwezig, omdat alles voor zijn moeder nog onbekend is. Maar eigenlijk komt het hem niet goed uit. Hij heeft deze avond ook een eindejaarsetentje op zijn sportclub. Er staan twee zakken met 150 warme oliebollen op de achterbank van zijn auto. Dus hij heeft zich voorgenomen om na het voorgerecht te vertrekken.
Voorlopig moet hij nog even wachten. Voor de vrijwilligsters is een glaasje vooraf een aangename bezigheid. Maar hier aan tafel kennen we elkaar niet, dus na drie kwartier begint de conversatie ernstig te stokken en kijken wij met zoon C verlangend uit naar de komst van het voorgerecht.
‘Alles op zijn tijd, zei de boer en hij kuste de meid’, zegt mevr. B.  Zij kijkt verwachtingsvol rond of er gereageerd wordt. Meneer A kijkt afkeurend. Maar misschien staat zijn gezicht altijd in diezelfde stand. Bij sommige ouderen staat het leven op het gezicht getekend.
Na een uur wordt een gebonden champignonsoep opgediend.
‘Smaakt ie, mevrouw van Dijk?’, vraagt een vrijwilligster.
Mijn moeder steekt de duim van haar linkerhand in de lucht.
‘We hebben hier niets te klagen hoor!’
Dan buigt zoon C zich voorover naar zijn moeder.
‘Ik moet nu gaan, er wachten een heleboel mensen op mij bij de club’.
Zijn moeder duikt nog verder in elkaar en haar onderlip begint te trillen. Nauwelijks hoorbaar huilt ze: ‘ik heb zo’n pijn jongen, blijf nog even’.
‘Wat zegt ze?’, vraagt mevrouw B.
De zoon wil zijn moeder antwoorden, maar hij sluit zijn lippen weer. Hij doet zijn colbert uit.
Als het hoofdgerecht wordt opgediend, zet mevr. B een lied in:
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, met je hengels en je worrempies erbij’.
Haar dochter stoot de arm van mevrouw aan: ‘Zeg, het is kersttijd hoor!’
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, dat was beter voor jou en voor mij en voor Lutjebroek erbij’.
Mijn moeder beweegt met haar rechter wijsvinger mee op de maat van het lied.
‘Wat is het gezellig, hè’, zegt de vrijwilligster die uitserveert. ‘En wat een lekker eten hè, meneer! Rollade, dat kreeg u zeker vroeger thuis niet? Of wel?’. Meneer A wil net een hap nemen, maar het eten valt van zijn vork af.
Zijn dochter antwoordt: ‘ik denk het niet, nee’.
‘Nou, laat u maar lekker verwennen hoor!’
Terwijl Mevr. B Ouwe taaie, jippie, jippie, jeeh inzet, doet zoon C een nieuwe poging om op te stappen. Dit keer huilt zijn moeder harder. Met een zucht gaat de zoon weer in zijn stoel zitten, zich realiserend, dat hij zijn 300 lauwe oliebollen vanavond niet meer kwijt zal raken.
Er worden kerstliederen gezongen.
In afwachting van het dessert vallen de ogen van mijn moeder regelmatig dicht.
Na het puddinkje met bessensap is het tijd om te gaan.
Aan mijn arm schuifelt mijn moeder op haar kaalgetrapte pantoffels over het tapijt van de grote zaal. Ik hoop maar dat het tapijt geen statische elektriciteit opwekt.

 

2

MANNEN LET OP UW SAECK

Herinnering
We zitten met zes jonge mannen in een rommelige studentenkamer. Op een lage houten tafel, voor eeuwig gemerkt met kringen van glazen en schroeivlekken van peuken, staat een pot koffie op een brandend theelichtje. Er ligt een exemplaar van De (Vogel-)Vrije Fietser naast een nummer van het Utrechts Mannenblad. Vanuit de keuken horen we een hoogfrequent metalen tikgeluid. P, onze gastheer, houdt ervan om de warme melk voor de koffie zeer fijn op te kloppen.
‘B is natuurlijk weer eens te laat’, zucht V.
‘Gaan we dat nu een keer aan de orde stellen?’, vraagt F., terwijl hij met zijn tong het vloeipapier van een shagje vochtig maakt.
‘Daar ben ik erg voor’, antwoord ik.
M. kijkt de kring rond en zegt dan met nadruk, alsof hij wil scoren: ‘Het is natuurlijk wel erg mannelijk om elkaar daar zo strikt op aan te spreken’.
Het is eind jaren zeventig. De tweede feministische golf is op zijn hoogtepunt. Dat vrouwen van alles met elkaar delen in vrouwengroepen en vrouwenhuizen roept een reactie op: ook mannen moeten emanciperen. We moeten af van de traditionele rol van de stoere, zelfverzekerde en machtsbeluste man. Mannen moeten hun zachtere kanten ontdekken en onzekerheid durven laten zien.
Er worden op kringlooppapier gestencilde mannenbladen uitgegeven en Man-ifestaties gehouden. Ik draag een button met het ‘mannenteken’, waarbij de fier naar rechts gestoken pijl is omgebogen tot een slap naar beneden hangend pijltje. Ik koop een tuinbroek en versier mijn rechteroor met een lichtblauw knopje. Ik zet regelmatig een breiwerkje op. De aanmelding voor de mannenpraatgroep is een logische volgende stap.
We lezen Het kleine verschil en de grote gevolgen van Alice Schwarzer, interviews met vrouwen die onderdrukt zijn door hun man. We voelen ons erg schuldig. Wij, de mannen, hebben de vrouwen slecht behandeld. Het is tijd om onszelf onder handen nemen.
We lezen verder en ontdekken dat schuldgevoelens de emancipatie in de weg staan. Aan de hand van Angst im Kapitalismus van Dieter Duhm wordt de sosjalisatie van mannen in kapitalistisch perspectief geplaatst. De eis aan mannen om zich altijd sterk en moedig te gedragen heeft een keerzijde in een ‘regressieve behoefte aan koestering’.
Dan merkt iemand in de groep op, dat we mannenemancipatie op een wel erg theoretische manier  bespreken. Dat zoiets typisch mannelijk is.
Dit inzicht zorgt voor een doorbraak. We moeten het over onszelf hebben en over onze gevoelens. Dan pas kunnen we emanciperen.
De volgende avond bespreken we wat we onder emoties verstaan en waar ze vandaan komen. Er worden stellingen geponeerd en intelligente vragen opgeworpen. Dat gaat tot laat in de avond door. Het lijkt af en toe een wedstrijd: wie maakt de meest steekhoudende opmerking? Verspreid over de vloer naast de stoelen staan de lege beugelflessen Grolsch. De asbak zit vol met peuken.
‘We komen niet verder. Ik denk dat we moeten proberen om onze persoonlijke ervaringen aan emoties te koppelen’, stelt P. voor. ‘Laten we uitwisselen, waar we onzeker in zijn’.
De keer daarop praten we alleen nog maar over problemen in relaties. Ruzies over thuis blijven of uitgaan. Mag je twee vriendinnetjes hebben? De verschillen in behoefte aan seks komen aan de orde. Kan je een fikse ruzie oplossen door een vrijpartij? Is masturbatie schadelijk voor een goede relatie?
Om elkaar beter te begrijpen vertelt ieder zijn levensverhaal. We proberen patronen te ontdekken. Het gaat het er steeds therapeutischer aan toe. We ontleden en analyseren de verhoudingen in onze mannengroep.
‘Jij kijkt voortdurend zo afkeurend naar mij, als ik iets vertel’, zeg ik tegen M. vanuit mijn oude rookstoel. Waarop M. antwoordt: ‘Wat zegt dit over jou, dat jij zo op mij reageert? Lijk ik misschien op je vader?’
Wat mij nu terugkijkend opvalt, is dat ik in mijn schriftje van de mannengroep niets tegenkom over concurrentie tussen mannen onderling. Over de wedstrijdjes die mannen met elkaar houden om de meeste aandacht en de meest invloedrijke argumenten. Over de discussies die zij houden om het debat te winnen. Over de geurvlag die mannen neerzetten in een vergadering. Ik maak dit bijna dagelijks mee. Ik ken het van mezelf.
Elke man kan leren om zijn eigen overhemd te strijken. Je gedrag veranderen is een stuk ingewikkelder.
1

MIJN ASBESTCRISIS

Herinnering
Het is opvallend, dat de woorden as en best in samenstelling met elkaar de aanduiding vormen voor een brandwerende stof. Asbest is sterk, slijtvast en bovendien goedkoop. Hoewel al in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend was dat blootstelling aan asbestvezels een risico vormt voor de gezondheid, is de grondstof nog lange tijd gebruikt. Met name in de zeventiger jaren nam het gebruik van asbest in de bouw een hoge vlucht.
Ik werkte van september 1973 tot mei 1974 in de werkplaats van aannemer Versteegen in Montfoort.
Versteegen had ooit voor de KVP in de gemeenteraad gezeten. Daarna mocht hij de polders rond Montfoort volbouwen met keurige doorzonwoningen, voorzien van centrale verwarming. Vanwege de toegenomen brandveiligheidseisen diende de CV-ketel op zolder afgeschermd te worden. Daartoe fabriceerden wij in de werkplaats drie schotjes van vurenhouten latten en asbestplaat. De constructie leek op een soort laag uitgevallen kledingscherm. De asbestplaten zaagden we zelf. De chef van de werkplaats rekende uit, op welke wijze er zoveel mogelijk stukken uit één plaat gezaagd konden worden. Dat was economisch en daar had hij voor doorgeleerd.
Enig besef, dat het materiaal niet zo goed was voor de gezondheid was er wel. Als we asbestplaten zaagden, dan stonden alle deuren van de werkplaats open om het vrijkomende stof zo snel mogelijk te laten wegtrekken. Desondanks hing er na het zagen van één plaat al een grijze, stoffige lucht. Zo heb ik indertijd heel wat asbestvezels ingeademd.
Een decennium later kwamen de eerste verontrustende reportages in de media over de gevaren van asbest. Over de werknemers van een asbestfabriek die na jaren longvlieskanker kregen. Niet gewaarschuwd voor de ernstige risico’s voor hun gezondheid hadden zij zelfs hun tuinpaadjes volgestort met asbestafval. Ik verdrong die verhalen.
In de negentiger jaren kwam ik bij het afbreken van de serre van ons huis een aantal asbestplaten tegen. Bij de sloop braken er hier en daar nog stukken af. Ik wist dat ik voorzichtig moest zijn, maar het was voor mij geen aanleiding om de werk subiet te stoppen, de omgeving af te zetten met rood-witte linten en de hulpdiensten te waarschuwen.  Ik mocht de stukken gewoon zelf bij het afvalscheidingsstation afleveren. Als het materiaal maar keurig in plastic zakken was verpakt.
Pas toen er in de zomer van 2012  een asbestcrisis in de wijk Kanaleneiland ontstond en de gezondheidsrisico’s in de media breed werden uitgemeten sloeg mijn houding van ‘het zal wel meevallen’ om in grote bezorgdheid. Vooral het gegeven dat asbestkanker zich pas na jaren openbaart en dat het een stille sluipmoordenaar is, hakte er in. Ik schoot helemaal door naar de andere kant en dacht bij alles wat ik voelde, dat de eerste symptomen van de kanker zich aandienden. Asbestkanker is niet te genezen, dus ik voelde niets meer of minder dan de voortekenen van het naderende einde.
Niettemin duurde het nog enkele maanden voor ik naar de huisarts ging. Ik vond dat ik een duidelijke klacht moest hebben. Die vond ik in een lichte pijn achter het borstbeen. Het was niet zozeer deze pijn, alswel het woord asbest, wat de huisarts deed besluiten om mij direct door te sturen voor een longfoto. De uitslag kwam binnen het uur: de longen zien er nu normaal uit. Dat was een hele geruststelling.
Hodie mihi cras tibi (vandaag ik, morgen jij) is een spreuk die je nog wel eens op een begraafplaats tegenkomt. De doden laten ons met holle lach weten: ‘Denk maar niet dat jìj er aan zult ontsnappen!’.  Het gezegde moet ons herinneren aan onze eigen eindigheid.
Het is wel eens goed om daarbij stil te staan. Op het moment dat ik de dreiging voelde vond ik dit besef echter alleen maar verschrikkelijk. Toen de opluchting voorbij was en het leven weer zijn normale loop had genomen, was het bewustzijn van de sterfelijkheid opnieuw een kwestie van weten en niet van voelen.
Totdat ik dit voorjaar opeens 4 kilo lichter was. Terwijl ik al vanaf mijn 20e jaar constant 68 kilo weeg, gaf de weegschaal plots 64 aan. Dus toch maar weer even naar de huisarts. Je weet maar nooit.
Zo blijven we bezig. Tot het niet meer hoeft.