Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

TONEEL OP DE DEEL

Herinnering
Het was dit jaar vijftig jaar geleden, dat André van Duin een talentenjacht won en dat Johan Cruyff debuteerde in het eerste van Ajax. Het was ook vijftig jaar geleden, dat in Vleuten de toneelclub “La Jeunesse” het licht zag.
Twaalf jaar waren wij, mijn vriend Frank en ik, toen wij op 4 oktober 1964 een toneelvereniging oprichtten. Omdat een vereniging met twee leden een te smalle basis is, gingen we op zoek naar leden. Al snel vonden we Marjolein en Margriet bereid om mee te doen. Er waren nog meer belangstellenden, maar die kwamen de eerste keer niet opdagen.
We spraken om te beginnen over de naam van de vereniging. Uit een groot aantal voorstellen kozen we unaniem voor “La Jeunesse”. Het gaf ons jeugdig enthousiasme een internationaal tintje. Vervolgens werd Frank tot directeur gekozen en ik tot secretaris. Dit alles verliep via een geheime stemming met stembriefjes. De contributie werd vastgesteld op 20 cent per maand.
Al voordat er maar enige bijdrage binnen was, deed ik een eerste investering. Ik kocht voor 35 cent een gelinieerd schrift met gele kaft. Op pagina één maakte ik het contributieoverzicht. Met fraaie letters, het was tenslotte de eerste pagina, noteerde ik daaronder de aanschaf van het schrift. Op de volgende pagina’s schreef Frank onze eerste, zelfbedachte eenacter.
Frank en ik woonden in dezelfde straat en waren sinds lang met elkaar bevriend. Als ik naar de kleuterschool liep, klepperde ik bij zijn voordeur met de brievenbus. Dan gingen we samen verder. We stonden regelmatig bekvechtend tegenover elkaar in de zandbak achter zijn huis. Frank speelde graag de baas en ik wilde veelal mijn zin hebben. Maar we zochten elkaar steeds weer op.
De eerste voorstelling werd gepland op zondag 8 november. We regelden dat we gebruik konden maken van de deel van een voormalige boerderij. Die was destijds in gebruik bij de gidsen, de vrouwelijke tak van de padvinders. We maakten zelf aanplakbiljetten en brachten de uitnodigingen rond.
Die zondagmiddag zaten er op de bankjes en stoeltjes zo’n twintig familieleden en vriendjes klaar voor onze voorstelling.
Op het programma stonden drie stukken.
1.     De twee arme zwervers
Een zelf geschreven, op Swiebertje geïnspireerde scène waarin de zwervers Bas Boterbloem en Piet Paardenbloem brood stelen bij de bakker. We zongen een lied op de melodie van Als ’t effe kan (uit My fair lady): ‘welbedankt voor het brood, het was lekker, we gingen niet dood’.
2.     De zonsverduistering
Een schuifdeur- en kampvuursucces over diverse rangen in het leger, die elkaar een order doorgeven. De overste begint: ‘Morgen om negen uur is er een zonsverduistering. Iets dat niet elke dag voorkomt. Laat de manschappen in werktenue aantreden op het exercitieplein, zodat zij dit zeldzame verschijnsel kunnen zien. Als het regent zullen we niets kunnen zien; in dat geval neemt u de mannen mee naar de gymnastiekzaal’. De majoor brengt vervolgens de boodschap in iets gewijzigde vorm over aan de kapitein. Bij elke overdracht sluipen er meer fouten in, zodat aan het einde de sergeant aan zijn manschappen meedeelt : ‘Morgen om negen uur zal de verduistering van de overste plaatsvinden in werktenue door middel van de zon. Als het regent in de gymnastiekzaal, moeten jullie aantreden op het exercitieplein, iets dat niet elke dag voorkomt”.
3.     De diefstal
Een zelfbedachte scene, die opent met een raadselachtige diefstal bij de familie de Bruin. Twee vrouwen vallen flauw (‘de lijken worden weggesleept’, meldt het script). Een domme politieagent arresteert abusievelijk meneer de Bruin, waarna alles weer op zijn pootjes terecht komt.
Aan het einde riep Frank: ‘The End’! Daarna werd er hard geapplaudisseerd en met zijn vieren bogen we onwennig en ongelijk het hoofd.
Het is bij die ene voorstelling van “La Jeunesse” gebleven. Soms krijgt een debuut geen vervolg. Frank verhuisde in 1965 met zijn ouders naar Noord-Brabant. Op 26 oktober dat jaar boekte ik nog een inkomend bedrag van 42 cent. Er zat toen 3 gulden 55 in kas. Daarna bleeft het schrift leeg.
Het is mij niet bekend wat er met het batig saldo is gebeurd.

 

1

KERSTDINER IN HET VERZORGINGSHUIS

Herinnering
We zitten met zijn achten aan een tafel.
Bewoner A draagt een colbert en een stropdas. Hij kijkt strak voor zich uit en zegt weinig. ‘Maar hij weet nog alles’, zegt zijn dochter trots naast hem. ‘En met zijn gehoor is ook niks mis’. Deze openbaring brengt geen verandering op zijn gezicht.
Mevrouw B kijkt met een olijke, maar ook wat melancholieke blik de kring rond. Ze hoopt, dat er een besje voor haar wordt ingeschonken. ‘Want ik weet niet of ze die in de hemel hebben’.  Ook zij wordt vergezeld door een dochter.
Mevrouw C is een kleine, tengere mevrouw, die in elkaar gedoken in haar een electrische rolstoel zit. Zij heeft een te wijd uitgevallen gebloemde jurk aan. Haar blik is voortdurend omlaag gericht. Naast haar zit haar zoon. ‘Ik ben zo blij, dat je er bent’, lispelt ze met enige regelmaat tegen hem.
Mijn moeder is de vierde bewoonster aan tafel. Zij is 95 en haar geheugen laat haar behoorlijk in de steek. Ze probeert dat zo goed mogelijk te verbergen. Ze wil niet klagen. ‘Wat is verder de bedoeling?’, vraagt ze mij.
Eerst wordt er door de vrijwilligsters een drankje geserveerd. Het zijn struise, breedlijvige dames van in de zestig, aan wie de kapper goede klanten heeft. Opgewekt en voortvarend gaan ze de tafels langs.
De zoon van  mevr. C vertelt, dat zijn moeder past sinds enkele weken in het huis woont. Hij is aanwezig, omdat alles voor zijn moeder nog onbekend is. Maar eigenlijk komt het hem niet goed uit. Hij heeft deze avond ook een eindejaarsetentje op zijn sportclub. Er staan twee zakken met 150 warme oliebollen op de achterbank van zijn auto. Dus hij heeft zich voorgenomen om na het voorgerecht te vertrekken.
Voorlopig moet hij nog even wachten. Voor de vrijwilligsters is een glaasje vooraf een aangename bezigheid. Maar hier aan tafel kennen we elkaar niet, dus na drie kwartier begint de conversatie ernstig te stokken en kijken wij met zoon C verlangend uit naar de komst van het voorgerecht.
‘Alles op zijn tijd, zei de boer en hij kuste de meid’, zegt mevr. B.  Zij kijkt verwachtingsvol rond of er gereageerd wordt. Meneer A kijkt afkeurend. Maar misschien staat zijn gezicht altijd in diezelfde stand. Bij sommige ouderen staat het leven op het gezicht getekend.
Na een uur wordt een gebonden champignonsoep opgediend.
‘Smaakt ie, mevrouw van Dijk?’, vraagt een vrijwilligster.
Mijn moeder steekt de duim van haar linkerhand in de lucht.
‘We hebben hier niets te klagen hoor!’
Dan buigt zoon C zich voorover naar zijn moeder.
‘Ik moet nu gaan, er wachten een heleboel mensen op mij bij de club’.
Zijn moeder duikt nog verder in elkaar en haar onderlip begint te trillen. Nauwelijks hoorbaar huilt ze: ‘ik heb zo’n pijn jongen, blijf nog even’.
‘Wat zegt ze?’, vraagt mevrouw B.
De zoon wil zijn moeder antwoorden, maar hij sluit zijn lippen weer. Hij doet zijn colbert uit.
Als het hoofdgerecht wordt opgediend, zet mevr. B een lied in:
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, met je hengels en je worrempies erbij’.
Haar dochter stoot de arm van mevrouw aan: ‘Zeg, het is kersttijd hoor!’
‘Was ik maar in Lutjebroek gebleven, dat was beter voor jou en voor mij en voor Lutjebroek erbij’.
Mijn moeder beweegt met haar rechter wijsvinger mee op de maat van het lied.
‘Wat is het gezellig, hè’, zegt de vrijwilligster die uitserveert. ‘En wat een lekker eten hè, meneer! Rollade, dat kreeg u zeker vroeger thuis niet? Of wel?’. Meneer A wil net een hap nemen, maar het eten valt van zijn vork af.
Zijn dochter antwoordt: ‘ik denk het niet, nee’.
‘Nou, laat u maar lekker verwennen hoor!’
Terwijl Mevr. B Ouwe taaie, jippie, jippie, jeeh inzet, doet zoon C een nieuwe poging om op te stappen. Dit keer huilt zijn moeder harder. Met een zucht gaat de zoon weer in zijn stoel zitten, zich realiserend, dat hij zijn 300 lauwe oliebollen vanavond niet meer kwijt zal raken.
Er worden kerstliederen gezongen.
In afwachting van het dessert vallen de ogen van mijn moeder regelmatig dicht.
Na het puddinkje met bessensap is het tijd om te gaan.
Aan mijn arm schuifelt mijn moeder op haar kaalgetrapte pantoffels over het tapijt van de grote zaal. Ik hoop maar dat het tapijt geen statische elektriciteit opwekt.

 

2

MANNEN LET OP UW SAECK

Herinnering
We zitten met zes jonge mannen in een rommelige studentenkamer. Op een lage houten tafel, voor eeuwig gemerkt met kringen van glazen en schroeivlekken van peuken, staat een pot koffie op een brandend theelichtje. Er ligt een exemplaar van De (Vogel-)Vrije Fietser naast een nummer van het Utrechts Mannenblad. Vanuit de keuken horen we een hoogfrequent metalen tikgeluid. P, onze gastheer, houdt ervan om de warme melk voor de koffie zeer fijn op te kloppen.
‘B is natuurlijk weer eens te laat’, zucht V.
‘Gaan we dat nu een keer aan de orde stellen?’, vraagt F., terwijl hij met zijn tong het vloeipapier van een shagje vochtig maakt.
‘Daar ben ik erg voor’, antwoord ik.
M. kijkt de kring rond en zegt dan met nadruk, alsof hij wil scoren: ‘Het is natuurlijk wel erg mannelijk om elkaar daar zo strikt op aan te spreken’.
Het is eind jaren zeventig. De tweede feministische golf is op zijn hoogtepunt. Dat vrouwen van alles met elkaar delen in vrouwengroepen en vrouwenhuizen roept een reactie op: ook mannen moeten emanciperen. We moeten af van de traditionele rol van de stoere, zelfverzekerde en machtsbeluste man. Mannen moeten hun zachtere kanten ontdekken en onzekerheid durven laten zien.
Er worden op kringlooppapier gestencilde mannenbladen uitgegeven en Man-ifestaties gehouden. Ik draag een button met het ‘mannenteken’, waarbij de fier naar rechts gestoken pijl is omgebogen tot een slap naar beneden hangend pijltje. Ik koop een tuinbroek en versier mijn rechteroor met een lichtblauw knopje. Ik zet regelmatig een breiwerkje op. De aanmelding voor de mannenpraatgroep is een logische volgende stap.
We lezen Het kleine verschil en de grote gevolgen van Alice Schwarzer, interviews met vrouwen die onderdrukt zijn door hun man. We voelen ons erg schuldig. Wij, de mannen, hebben de vrouwen slecht behandeld. Het is tijd om onszelf onder handen nemen.
We lezen verder en ontdekken dat schuldgevoelens de emancipatie in de weg staan. Aan de hand van Angst im Kapitalismus van Dieter Duhm wordt de sosjalisatie van mannen in kapitalistisch perspectief geplaatst. De eis aan mannen om zich altijd sterk en moedig te gedragen heeft een keerzijde in een ‘regressieve behoefte aan koestering’.
Dan merkt iemand in de groep op, dat we mannenemancipatie op een wel erg theoretische manier  bespreken. Dat zoiets typisch mannelijk is.
Dit inzicht zorgt voor een doorbraak. We moeten het over onszelf hebben en over onze gevoelens. Dan pas kunnen we emanciperen.
De volgende avond bespreken we wat we onder emoties verstaan en waar ze vandaan komen. Er worden stellingen geponeerd en intelligente vragen opgeworpen. Dat gaat tot laat in de avond door. Het lijkt af en toe een wedstrijd: wie maakt de meest steekhoudende opmerking? Verspreid over de vloer naast de stoelen staan de lege beugelflessen Grolsch. De asbak zit vol met peuken.
‘We komen niet verder. Ik denk dat we moeten proberen om onze persoonlijke ervaringen aan emoties te koppelen’, stelt P. voor. ‘Laten we uitwisselen, waar we onzeker in zijn’.
De keer daarop praten we alleen nog maar over problemen in relaties. Ruzies over thuis blijven of uitgaan. Mag je twee vriendinnetjes hebben? De verschillen in behoefte aan seks komen aan de orde. Kan je een fikse ruzie oplossen door een vrijpartij? Is masturbatie schadelijk voor een goede relatie?
Om elkaar beter te begrijpen vertelt ieder zijn levensverhaal. We proberen patronen te ontdekken. Het gaat het er steeds therapeutischer aan toe. We ontleden en analyseren de verhoudingen in onze mannengroep.
‘Jij kijkt voortdurend zo afkeurend naar mij, als ik iets vertel’, zeg ik tegen M. vanuit mijn oude rookstoel. Waarop M. antwoordt: ‘Wat zegt dit over jou, dat jij zo op mij reageert? Lijk ik misschien op je vader?’
Wat mij nu terugkijkend opvalt, is dat ik in mijn schriftje van de mannengroep niets tegenkom over concurrentie tussen mannen onderling. Over de wedstrijdjes die mannen met elkaar houden om de meeste aandacht en de meest invloedrijke argumenten. Over de discussies die zij houden om het debat te winnen. Over de geurvlag die mannen neerzetten in een vergadering. Ik maak dit bijna dagelijks mee. Ik ken het van mezelf.
Elke man kan leren om zijn eigen overhemd te strijken. Je gedrag veranderen is een stuk ingewikkelder.
1

MIJN ASBESTCRISIS

Herinnering
Het is opvallend, dat de woorden as en best in samenstelling met elkaar de aanduiding vormen voor een brandwerende stof. Asbest is sterk, slijtvast en bovendien goedkoop. Hoewel al in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend was dat blootstelling aan asbestvezels een risico vormt voor de gezondheid, is de grondstof nog lange tijd gebruikt. Met name in de zeventiger jaren nam het gebruik van asbest in de bouw een hoge vlucht.
Ik werkte van september 1973 tot mei 1974 in de werkplaats van aannemer Versteegen in Montfoort.
Versteegen had ooit voor de KVP in de gemeenteraad gezeten. Daarna mocht hij de polders rond Montfoort volbouwen met keurige doorzonwoningen, voorzien van centrale verwarming. Vanwege de toegenomen brandveiligheidseisen diende de CV-ketel op zolder afgeschermd te worden. Daartoe fabriceerden wij in de werkplaats drie schotjes van vurenhouten latten en asbestplaat. De constructie leek op een soort laag uitgevallen kledingscherm. De asbestplaten zaagden we zelf. De chef van de werkplaats rekende uit, op welke wijze er zoveel mogelijk stukken uit één plaat gezaagd konden worden. Dat was economisch en daar had hij voor doorgeleerd.
Enig besef, dat het materiaal niet zo goed was voor de gezondheid was er wel. Als we asbestplaten zaagden, dan stonden alle deuren van de werkplaats open om het vrijkomende stof zo snel mogelijk te laten wegtrekken. Desondanks hing er na het zagen van één plaat al een grijze, stoffige lucht. Zo heb ik indertijd heel wat asbestvezels ingeademd.
Een decennium later kwamen de eerste verontrustende reportages in de media over de gevaren van asbest. Over de werknemers van een asbestfabriek die na jaren longvlieskanker kregen. Niet gewaarschuwd voor de ernstige risico’s voor hun gezondheid hadden zij zelfs hun tuinpaadjes volgestort met asbestafval. Ik verdrong die verhalen.
In de negentiger jaren kwam ik bij het afbreken van de serre van ons huis een aantal asbestplaten tegen. Bij de sloop braken er hier en daar nog stukken af. Ik wist dat ik voorzichtig moest zijn, maar het was voor mij geen aanleiding om de werk subiet te stoppen, de omgeving af te zetten met rood-witte linten en de hulpdiensten te waarschuwen.  Ik mocht de stukken gewoon zelf bij het afvalscheidingsstation afleveren. Als het materiaal maar keurig in plastic zakken was verpakt.
Pas toen er in de zomer van 2012  een asbestcrisis in de wijk Kanaleneiland ontstond en de gezondheidsrisico’s in de media breed werden uitgemeten sloeg mijn houding van ‘het zal wel meevallen’ om in grote bezorgdheid. Vooral het gegeven dat asbestkanker zich pas na jaren openbaart en dat het een stille sluipmoordenaar is, hakte er in. Ik schoot helemaal door naar de andere kant en dacht bij alles wat ik voelde, dat de eerste symptomen van de kanker zich aandienden. Asbestkanker is niet te genezen, dus ik voelde niets meer of minder dan de voortekenen van het naderende einde.
Niettemin duurde het nog enkele maanden voor ik naar de huisarts ging. Ik vond dat ik een duidelijke klacht moest hebben. Die vond ik in een lichte pijn achter het borstbeen. Het was niet zozeer deze pijn, alswel het woord asbest, wat de huisarts deed besluiten om mij direct door te sturen voor een longfoto. De uitslag kwam binnen het uur: de longen zien er nu normaal uit. Dat was een hele geruststelling.
Hodie mihi cras tibi (vandaag ik, morgen jij) is een spreuk die je nog wel eens op een begraafplaats tegenkomt. De doden laten ons met holle lach weten: ‘Denk maar niet dat jìj er aan zult ontsnappen!’.  Het gezegde moet ons herinneren aan onze eigen eindigheid.
Het is wel eens goed om daarbij stil te staan. Op het moment dat ik de dreiging voelde vond ik dit besef echter alleen maar verschrikkelijk. Toen de opluchting voorbij was en het leven weer zijn normale loop had genomen, was het bewustzijn van de sterfelijkheid opnieuw een kwestie van weten en niet van voelen.
Totdat ik dit voorjaar opeens 4 kilo lichter was. Terwijl ik al vanaf mijn 20e jaar constant 68 kilo weeg, gaf de weegschaal plots 64 aan. Dus toch maar weer even naar de huisarts. Je weet maar nooit.
Zo blijven we bezig. Tot het niet meer hoeft.
1

DE EERSTE ZOEN

Herinnering
De eerste kus is een sensatie, die men helaas maar eens beleeft.
De plaats van handeling: Utrecht, aan het begin van de Mr. Tripkade.
De tijd: 1967, tussen Kerst en Oud en Nieuw, rond 12 uur ‘s avonds.
De gebeurtenis vond plaats na een feest van het Bonifatiuslyceum. Daarmee werd het jaarlijkse tafeltennistoernooi in het parochiehuis aan de Grave van Solmstraat afgesloten.
De beste vriendin van C had mij een dag daarvoor opgezocht in de garderobe. In de benauwde ruimte tussen de jassen bracht zij de  boodschap over, dat C op het feest graag met mij wilde dansen. Ik voelde me vereerd.
Ik kende C al van de dansles bij Zeegers in de Breedstraat. Aan het einde van de vrijdagmiddag zaten de jongens in het pak aan de ene zijde van de wachtruimte, de meisjes in een mooie jurk aan de andere zijde. Als de dansleraar in de deuropening verscheen zei hij, de laatste knoop van zijn colbert dichtmakend: ‘Heren, mag ik u verzoeken…’. Nog voor hij het eerste woord had uitgesproken stoven wij, jongens, naar de overkant, strijdend om de hand van de meest populaire meisjes. Mijn oog was altijd gericht op C, maar ik had een flinke concurrent in een rossige HBS’er. Na een aantal weken besliste C de strijd in mijn voordeel. Toen mijn concurrent eerder was zei C: ‘Het spijt me, ik heb al afgesproken met Arnold’. Ik wist van niets, maar sindsdien begon ik elke vrijdag de dansles met C. Totdat de leraar riep: ’Changez’!
Op het schoolfeest in het parochiehuis hoefden C en ik niet van partner te wisselen. In een pauze wees C me op ‘een leuk woordje’ op het flesje Seven-Up, dat voor haar stond: Kiss.Ik pakte  de hint niet op. Zoenen op schoolfeesten was niet toegestaan. Er waren leraren aanwezig om de regels te bewaken.
Aan het einde van de avond verlieten we samen het feest. Ik fietste als vanzelf met haar mee, richting Overvecht. ‘Breng je me tot de Tripkade?’, vroeg C. ‘Het laatste stuk fiets ik dan zelf’.
Eigenlijk was het niet echt de avond van mijn eerste kus. Op de lagere school in Vleuten was ik bevriend met I. We waren gearmd de Hamweg afgelopen. Tussen de weilanden had ik haar een kusje gegeven. Dat deed ik omdat ik dacht dat het zo hoorde. Mijn vader had ons immers geleerd om te doen wat hoort. Maar toen hij er achter kwam, dat we gearmd gewandeld hadden, kreeg ik een stevige uitbrander. ‘Wat zouden de mensen er wel niet van denken!’.
Aan het begin van de Tripkade bleven C en ik staan. Met de fietsen in de hand praatten we nog wat. Het was stil op straat, de lucht voelde vochtig koud. Er viel af en toe een stilte waarin de tijd traag voorbijging. Ik zag het licht van een lantaarnpaal weerspiegeld in het water. We stonden dicht bij elkaar.  Ik vroeg me af hoe dit samenzijn moest eindigen. Ik durfde C niet lang aan te kijken. Toen er een fietser langsreed, schuifelden we het voetpad op.
Wat er daarna gebeurde, kwam niet overeen met wat ik wel eens in de film had gezien: twee gezichten dicht bijeen en twee paar lippen die elkaar tergend langzaam naderen. Ik kan niet zeggen, dat we elkaar een zoen gaven. Dat zou geen geen juiste weergave zijn. Het was C die, na een nieuwe stilte, mij een zoen gaf, vol op de mond. Ik ontving alleen. Zij deed wat ik nagelaten had.
De eerste kus is als een sprookje, die ons de allermooiste dromen geeft.
Van veel gebeurtenissen uit het verleden heb ik een vage herinnering. De eerste zoen staat me echter helder voor de geest. Ik weet dan ook precies, hoe ik reageerde op die zoen.
Op het moment dat C haar lippen terugtrok, zei ik: ‘Welterusten’.
Ik schaamde me direct. Ik wilde het woord weer intrekken, maar het was er al uit.
Achteraf bezien, was wat ik zei volkomen begrijpelijk. Het was een zuivere Pavlov-reactie.
Jarenlang had ik elke avond voor ik naar bed ging mijn ouders een kus gegeven, direct gevolgd door ‘Welterusten’. Zoenen en welterusten wensen waren toen onverbrekelijk met elkaar verbonden.
C lachte vriendelijk. Als je elkaar lief vindt, kan je veel van elkaar hebben.
Het bleef die avond bij die ene zoen en we namen afscheid van elkaar.
De volgende middag, een zondagmiddag, zat ik in de keuken naast de gevelkachel achter mijn huiswerk. Ik probeerde Franse woordjes te leren. Tevergeefs. Ik moest steeds opnieuw beginnen, maar na twee woorden verloor ik weer mijn concentratie. Ik zag alleen maar de beelden van de Tripkade. Ik wilde onmiddellijk naar C toe. Ik wilde haar veel kussen geven.
Het is of onverwacht het volle leven lacht, en dan opeens je hart raakt van de wijs
De eerste kus is een sensatie, hij maakt de wereld tot een paradijs.
(uit: De eerste kus, Eddy Christiani).

 

1

HET ZOMERKAMP

Herinnering
Zo’n vijftig jaar geleden was ik bij de Verkennerij, een katholieke scoutingorganisatie. Je leerde er van alles: knopen leggen, eten koken op houtvuur, stafkaarten lezen, kennis van de natuur. Je kon daarmee insignes verdienen. Veel activiteiten vonden in de buitenlucht plaats: hikes, speurtochten en natuurlijk het jaarlijkse zomerkamp. Elke verkenner was ingedeeld in een patrouille. Rituelen, kreten en vlaggen zorgden voor een gevoel van samenhorigheid.
De verkennerij was een stap op weg in je wording tot volwassen man.
Begin zestiger jaren ging ik voor het eerst mee op kamp. Een week lang bivakkeerden we in tenten in een bos bij Vogelenzang (Zd-Holland). Op de laatste avond werd rond het invallen van de duisternis traditiegetrouw een groot kampvuur aangestoken. Er werden verhalen verteld, over St Drakis en de Joor, er werden liederen gezongen en vragenspelletjes gedaan. We zaten dicht bij elkaar, de slaapzak om onze schouders en het oranje van de vlammen op onze gezichten.
De vaandrig droeg voor uit de ervaringen van een Engelsman in Nederland, die – de nederlandse taal nog niet geheel machtig – vertelde hoe hij had leren schaatsen: ‘…en ik scheette naar links en ik scheette naar rechts. Ik scheette de hele middag door’. Vervolgens kwam het  ‘hardscheten en kunstscheten’ aan bod.
Aan het einde van de avond stond er opeens een wildvreemde man in onze kring. Hij vertelde hijgend dat hij van de inrichting uit de buurt kwam. Er waren die avond een paar gevaarlijke gestoorden ontsnapt. Ze moesten ergens in het bos rond ons kamp lopen. Hij vroeg of wij konden helpen om de ontsnapten op te sporen.
Ik wist niet zo goed wat er met gestoorden werd bedoeld. Ik kende alleen een plaatje uit een Kuifje-stripboek. In een ommuurde tuin zat een man met een omgekeerde bloempot op zijn hoofd en een bloem in het gaatje.
De hopman zei dat we voor onze eigen veiligheid moesten gaan zoeken. Dus toog elke patrouille onder leiding van de patrouilleleider het donkere bos in. Veel animo was er niet. We hadden het niet zo op het donkere bos, al helemaal niet omdat daar opeens enge mannen uit tevoorschijn zouden kunnen komen. Aarzelend liepen we op het bospad achter de PL aan.
Hij scheen met zijn zaklantaarn afwisselend naar voren, naar links en naar rechts. Delen van bomen lichtten op. De rest van het bos was daardoor aardedonker.
‘Laten we even luisteren’, zei de PL, die stil was blijven staan. In de verte hoorden we stemmen van een andere groep.
‘Ze hebben hem denk ik al’, zei iemand.
De PL luisterde weer ingespannen. ‘Stil eens’, zei hij.
We hoorden ergens een paar takken kraken.
‘Hallo, komt u maar, u hoeft niet bang te zijn’, riep de PL.
Ik ging dicht bij de anderen staan. Ik was angstig. Naast mij stond iemand te bibberen.
‘Komt u maar, wij hebben lekker eten’, vervolgde de PL.
‘Heerlijke Zwaardenmakerjam’, zei een grapjas. Die jam hadden we in overvloed, omdat onze hopman bij de fabriek in Maarssen werkte. De jam kwam ons de neus uit.
Het bleef stil en we liepen weer verder. ‘Ik moet plassen’ riep een jongen.
Na een paar honderd meter liep de PL van het pad af het bos in.
‘Hallo, is daar iemand?’
Hij scheen weer in de rondte. We hoorden een soort gegorgel. We bleven direct staan.
‘Meneer?’
De PL liep wat verder en richtte de lantaarn omhoog.
‘Meneer?’
Toen struikelde de PL over een tak en viel. Het licht van de lantaarn ging uit. Het was volkomen donker. Op dat moment hoorden we vlak bij ons het geluid van het slijpen van messen. Een jongen gilde. We probeerden achteruit te lopen, maar we zagen geen hand voor onze ogen.
De lantaarn floepte weer aan en in het licht van de bundel zagen we iemand uit een boom springen.
Anderen hadden het eerder door dan ik. Het was onze vaandrig, die daar kwam aangelopen. ‘Jullie hoeven niet bang te zijn, jongens, het was maar een spel!’
Die nacht plaste ik in mijn slaapzak en met mij een aantal andere jongens. De volgende morgen aten we voor de laatste keer Zwaardenmakerjam. We waren met zijn allen een stukje meer man geworden.

 

0

NO FUTURE

Herinnering
Vorige week was het tv-programma  Andere Tijden gewijd aan de tachtiger jaren.
De tachtiger jaren, dacht ik, wat was dat ook al weer voor tijdperk?
Op een snikhete middag in juni 1984 zit ik met een groot aantal mensen en een vracht aan rugzakken en tenten opgepropt  in een busje. Een warme wind waait door de openstaande raampjes, zweetdruppels staan op de gezichten. We zijn van het station Bergen op Zoom op weg naar de vliegbasis Woensdrecht. Gedurende twee dagen en nachten zal de basis door actievoerders worden omsingeld als uiting van protest tegen de plaatsing van kruisraketten. Na aankomst wordt iedere demonstrant ingedeeld in een van de ploegen, die in wisseldiensten een quasi-belegering zullen uitvoeren.
Mijn ploeg heeft een plek ergens onder de naaldbomen, niet ver van het actiekamp. Er zitten onder meer twee opgewekte meisjes uit Utrecht bij, een geheel in het zwart gekleed duo krakers uit Nijmegen en een stille jongen, die als vrijwilliger in een werklozencentrum in Wageningen werkt.
Daar zitten we dan aan het einde van de middag, op het bosgras en de boomstronken, als vreemden tot elkaar veroordeeld. We zitten naast het metershoge hek van de vliegbasis. Aan de bovenzijde is het hek afgewerkt met prikkeldraad. Aan de andere zijde, op de grond, liggen rollen prikkeldraad.
Het eerste uur verloopt uiterst traag. De stemming lijkt bedrukt. Er komt langzaam een gesprek op gang over het nut van de actie.  Verschillende groepsleden vinden zo’n zit-actie onvoldoende. ‘Zoals meestal met dit soort acties’. Er moet veel meer gebeuren, vinden zij. De meisjes uit Utrecht halen na een tijdje een bundel met actieliederen uit hun rugzak. Aan de andere kant van het hek loopt een marechaussee met een grommende hond langs.
Tussen de diensten door eten we in het basiskamp. Er is ook een muziekpodium. Actievoeren zonder muziek is ondenkbaar. Terwijl een keukenvrijwilliger mijn bord vol schept met een linzengerecht, zie ik een groep actievoerders met ontbloot bovenlijf heen en weer springen op een beukend lied van een punkband. No future zijn de woorden die ik opvang. Elders is een vergadering van vertegenwoordigers van autonome groepen. Er wordt bekend gemaakt dat er inlichtingen verzameld moeten worden over de bewegingen van de mobiele eenheid. Het verbaast mij dat vredesactivisten in militaire termen gaan denken.
Als het donker is geworden, heeft onze ploeg zijn plaats aan het hek weer ingenomen. Een campinglichtje verspreidt koud licht. Geregeld vliegen helicopters laag over. Ze maken een oorverdovend lawaai en beschijnen de omgeving met een felle lichtbundel. Het doet angstaanjagend aan. Het is nog niet het begin van een oorlog, maar ik zie hier bevestigd dat ik mij ooit op S5 heb laten afkeuren.
Als er hier iets gedood moet worden dan is het de tijd.
Er ontstaat in de groep een gesprek over werken. Ik vertel dat ik in de GGZ werk. Ik voel in de schemer de kritische blikken. Iemand zegt, dat actievoeren zijn werk is. Een ander zegt dat ie never nooit voor een baas zal werken. Dat het sowieso een kutmaatschappij is. Het autonome meisje uit Nijmegen voegt er aan toe, dat ze nooit kinderen op deze klotewereld zal zetten. Ze kijkt even om naar haar vriendje. Ik durf niet meer te zeggen, dat mijn vriendin en ik juist besloten hebben dat we kinderen willen.
De meisjes uit Utrecht laten een zak chips rondgaan. De stille werkloze uit Wageningen heeft al aardig wat sterke drank naar binnen gewerkt. Hij deelt de drank niet. Hij kijkt nu minder vaak weg. Er lijkt iets in hem te borrelen, zijn ogen staan wijd open. Ik ben bang dat hij in een doldrieste eenmansactie over het hek zal klimmen of dat hij zich, bij gebrek aan toekomst, voor het front van de groep in de rollen prikkeldraad zal werpen.
Na twee dagen eindigt de actie. De woordvoerders van de autonome groepen laten weten, dat met deze omsingeling een krachtig signaal is afgegeven. Er was uitgebreid gediscussieerd over plannen om de basis op te gaan, maar daarover was geen overeenstemming bereikt. Hier en daar klinkt boegeroep. Als alternatief is besloten om met een ludieke actie te eindigen. Iedere actievoerder wordt opgeroepen om als daad van afkeuring tegen het hek te pissen. Even later zie ik vooral vrouwen naast het hek hurken. Hier en daar watert een  man tegen het prikkeldraad. Dat staat tot hun geluk niet onder stroom.

 

1

VOORUITGANG IN VLEUTEN

Herinnering
In mijn kinderjaren woonde ik aan de Hamweg in Vleuten. Tot begin zestiger jaren was dat een onverhard weggetje dat vanuit de kern van het dorp tussen weilanden en boomgaarden naar het westen liep. Ons huis was het laatste huis. Het weggetje werd daar aan één zijde begrensd door scheefstaande knotwilgen en een ondiep slootje. Enkele honderden meters na ons huis liep de weg dood op het houten hek van een weiland.
Elke werkdag kwam de melkboer langs, Dirk Fokker. Zijn wagentje werd getrokken door een wit-bruine pony. Voor de melkboer was ons huis een keerpunt op de route. Zijn pony greep het moment van rust regelmatig aan om zijn darmen te legen. Zodat wij wegfietsend van ons erf altijd bedacht moesten zijn op het vermijden van een grote hoop. Dat was voor ons de normaalste zaak van de wereld. Paardendrollen hoorden bij het leven, zoals de brandnetels onder de knotwilgen en de kwakende kikkers in het slootje.
In het begin van de zestiger jaren bereikte de vooruitgang onze woonomgeving. Lawaaierige werktuigen haalden de hagen en fruitbomen omver en draglines verplaatsten grote hoeveelheden grond als voorbereiding op de bouw van een nieuwe wijk. De Hamweg werd bestraat en omgedoopt in den Hamstraat. Ook Dirk Fokker ging met zijn tijd mee. Hij verruilde zijn ponywagen voor een electrisch gedreven Spijkstaal wagentje. Het voertuig kon voor ons huis gemakkelijk draaien. Het liet zelfs geen remsporen na.
Het was rond die tijd, dat mijn moeder aan Dirk vroeg of hij in de zomertijd misschien een goede hulp kon gebruiken. Ik ging naar de eerste klas van de middelbare school en had minstens anderhalve maand vakantie. Na drie dagen ga je dan eens om je heen kijken of er nog wat te doen is.
Zo gebeurde het dat ik mij op een maandagmorgen om 7.00 uur meldde bij de melkzaak van Fokker in de Schoolstraat. Enkele minuten later zoefden we zachtjes, de deur van de Spijkstaal open, door de Stationsstraat op weg naar de eerste klanten. Dirk zat breeduit achter het stuur op het met skai beklede bankje. Ik leunde met één bil op de kleine plek die nog over was. Ik durfde niet te vragen of hij wat kon opschuiven.
Bij de eerste klant gekomen, aan de Julianastraat, stapte ik direct de wagen uit en holde het tegelpad op. ‘Doe maar rustig aan’, riep Dirk. Een hulp kon hij wel gebruiken, maar alles op zijn tijd.
Nadat we de wijk Achter het Spoor bediend hadden, stak Dirk om half tien in de ochtend een sigaar op. Ook dat behoorde bij de vooruitgang.
Ik kreeg het zuivelvak snel onder de knie. Ik leerde bij welke klant je aan de voordeur moest zijn en bij wie je achterom liep. Voor wie ik losse melk in een melkkoker moest tappen, waar ik flessenmelk diende te bezorgen en waar taptemelk. Bij welke huisvrouw contant werd afgerekend en bij wie er op rekening werd geleverd.
De vooruitgang in het melkwezen bestond uit de introductie van een plastic zak melk. Die moest het sjouwen met statiegeldflessen overbodig maken. Bij de zak werd een blauwe, hard plastic schenkkan geleverd. Je plaatste de zak in de schenkkan, knipte een hoekje uit de melkzak… en schenken maar!
 
 
Oneindig vaak heb ik Dirk het verhaal horen vertellen over zijn collega in Maarssen die – om de kracht van de plastic zak te bewijzen – een zak naar een klant had geworpen. Met fatale afloop. De vooruitgang verloopt niet altijd gladjes.
Toen ik een paar weken tot tevredenheid van mijn baas had meegewerkt werd ik bevorderd. Ik kreeg  een zwarte leren geldtas, zodat ik zelf kon afrekenen. Daar kwam geen bon of papiertje aan te pas. Teruglopend van de wagen telden we de bedragen in ons hoofd op. De klant, met de portemonnee al geopend in de hand, accepteerde zonder vragen de optelling.
De volgende fase was, dat Dirk het afrekenen veelal aan mij overliet. Hij had in de gaten gekregen dat ik heel snel kon hoofdrekenen. Dirk hield daardoor meer tijd over om te kletsen met zijn klanten. Dat vond ik wel een nadeel, want ik wilde altijd snel verder. Na de middagpauze volgde nog de Schoolstraat. Daar leek nooit een einde aan te komen. 
Mijn loon werd in de loop der tijd verhoogd van 10 gulden naar 12,50 contant op een dag. De vooruitgang was niet te stoppen. 
0

SNELLE PIETJE

Herinnering

Voordat ik ga slapen, pak ik mijn kleren voor de volgende dag. Ik leg een schone onderbroek, een paar sokken, een overhemd in de kamer naast onze slaapkamer. Maar niet mijn broek. Die leg ik op de stoel naast mijn bed. In mijn kontzak zit namelijk mijn portemonnee en ik ken het verhaal van mijn buurman. Die had ooit een inbreker in zijn huis. Terwijl hij op één oor lag te ronken, pikte de dief beneden het geld uit buurman’s broek. Daarom hou ik mijn broek altijd bij mij. Dat deed ik ook die ene keer, dat wìj bezoek kregen van een inbreker.

Op een middag in september was ik alleen thuis. Ik lag met 39 graden koorts in bed en voelde me zo ellendig dat ik alleen maar in staat was om te liggen. Een radiootje naast mij bracht het nieuws van de ramp met de veerboot Estonia.
Er werd aangebeld. Dat kan op dit uur alleen maar iemand zijn die mijn schoorsteen wil vegen, dacht ik. Of die mijn meubels opnieuw wil bekleden. Ik bleef liggen. Tien minuten later ging de bel opnieuw. Zou dat dezelfde verkoper zijn? Daarna hoorde ik het krakende geluid van scheurend hout.

Zo slap als ik was, zat ik toch direct overeind in bed. Ik luisterde gespannen en hoorde nogmaals het gekraak van het hout.
Dat lijkt onze voordeur, dacht ik en als dat klopt, dan is er iemand bezig om in te breken! Het zal toch niet! Laat het een geluid bij de buren zijn, ik ben ziek.
Toen hoorde ik onze voordeur opengaan. Een golf van angst en paniek spoelde over mij heen. Ik moet iets doen, ik moet er naar toe, maar ik lig hier in niets dan een onderbroekje, dat helpt niet mee als je fors wil optreden, en ik heb vandaag geen honkbalknuppel bij de hand, alleen maar een klerenhangertje, dus die indringer ziet me komen in mijn onderbroekje met mijn klerenhangertje  en wie weet heeft hij wel een of ander wapen, maar ik moet nu wel iets doen.
Ik trok mijn kamerjas aan, opende met bonzend hart en slappe knieën de deur en liep, het koord van de jas nog vastmakend, naar beneden. Halverwege de trap zag ik in de hal een blonde man staan. Hij was een jaar of veertig en hij had een schroevendraaier in zijn hand.  Op dat moment was het geen anonieme indringer meer, geen gevaarlijk sujet, geen engerd uit een film.
‘Godverdomme, klootzak, idioot..’ begon ik te schreeuwen. Woede helpt je over je angst heen.
De man keek geschrokken op. Terwijl hij zich snel omdraaide en naar buiten schoot, nam hij mijn gevloek over: ‘godverdomme, teringlijer!’. Het werd op deze manier een stuk voor twee vloekende heren.

Zijn vlucht maakte mij sterk. Ik was in twee sprongen beneden. Daar zag ik dat de man buiten zijn fiets pakte. In alle haast om weg te komen, struikelde hij nog en viel half over de fiets heen, zijn schroevendraaier in zijn hand. ‘Godverdomme’, hoorde ik opnieuw. Misschien had ik hem op dat moment kunnen pakken. Ik had echter zonder nadenken de achtervolging ingezet, niet wetend of ik hem wilde verjagen of oppakken. Hij maakte van mijn kleine aarzeling gebruik en schoot er alsnog met zijn fiets vandoor. Godverdomme, dacht ik.
Niet veel later arriveerde de door mij gealarmeerde politie. Hoewel de deur al uitnodigend open was gezet, werd er beleefd aangebeld. De twee agenten hadden nauwelijks aandacht voor de kapotte deur en al helemaal niet voor mij in mijn kamerjas. Zij inspecteerden direct ramen en deuren op inbraakrisico’s en adviseerden een pakket preventieve maatregelen. Mijn koortsige hoofd begon weer op te spelen.
Enkele dagen daarna, toen de koorts gezakt was, heb ik op het politiebureau een dikke ordner met honderden foto’s van inbrekers doorgeploegd. Ik concentreerde me op de blonde types. Op elke pagina zag ik wel een man die leek op mijn tegenstrever en bij elke volgende pagina dacht ik: ‘dit is ‘em’.  Aan deze database waren helaas geen geluiden verbonden, bijvoorbeeld van vloeken en schelden. Onverrichter zake keerde ik naar huis terug.
Jaren later las ik in het Stadsblad, dat Snelle Pietje, een drugsverslaafde inbraakrecidivist, weer eens was opgepakt. Er stond zowaar een foto bij het artikel.
Dat was ‘em dus. De man die zo razendsnel over zijn fiets kon struikelen.

0

IN JE BLOOTJE

Herinnering
 In de zeventiger jaren was het vak filosofie een verplicht onderdeel voor psychologiestudenten. Het werd mij al snel duidelijk dat de toenmalige filosofen tot een apart slag wetenschappers behoorden. Ze droegen lange baarden of grote hoeden. De lector inleiding tot de wijsbegeerte ontving regelmatig naakt zijn bezoek.

Ik keek daar niet van op. De opdracht van de filosofie is om het denken over het leven te stimuleren en achter iedere vraag weer een nieuwe waarom-vraag op te werpen. Wat zou het dus voor de menselijke communicatie betekenen als je alle uiterlijke verschijnselen en opsmuk zou afleggen? Zonder kleren is er geen verschil tussen een professor en een vuilnisman.
Daartoe uitgedaagd liet ik mijn gedachten gaan over de kwestie van het naakte gastheerschap. Ik vroeg me af, hoe ik mijn bezoek het beste zou kunnen ontvangen. Gewoon direct in mijn nakie en met een pokerface de voordeur van mijn studentenhuis openzwaaien of het bezoek eerst meenemen naar mijn kamer en daar luchtigjes en quasi-onopgemerkt een striptease uitvoeren?

Ik concludeerde al snel, dat het niets voor mij was. Ik was groot geworden in het bedekken of verzwijgen van alles wat maar tot enige opwinding zou kunnen leiden. De verschoning van het ondergoed eenmaal per week deden we in de beslotenheid van de badkamer met de deur op slot. Voor het aantrekken van de zwembroek gebruikten we alleen een eenpersoons kleedhokje of we zaten schichtig kijkend met één hand te sjorren onder een grote badhanddoek, die we met de andere hand krampachtig vasthielden. Het appèl van de lector was aan mij niet besteed.
Nog geen jaar later beleefde ik mijn coming-out.
Een vriend nodigde mij uit voor de sauna. M. woonde op kamers bij een mentor, een leraar van onze middelbare school. Gedrieën liepen we naar de zolder van het huis, waar in een hoekje een houten hokje stond. Enigszins gespannen trok ik mijn kleren uit. In mij streed de neiging tot wegkijken om voorrang met de nieuwsgierigheid naar het lijf van de anderen. Nadat ik geconstateerd had, dat we gelijkwaardig waren geschapen, viel het schaamtegevoel weg en richtte de aandacht zich op het weerstaan van de hitte in het hokje.
Na tien minuten liepen we een etage omlaag. Daar dompelden we ons onder in een badkuip met koud water. Vervolgens ging het verder naar beneden, via de achterdeur de langwerpige tuin in. In het duister paradeerden we in ons blootje het tuinpad op en neer.
Alle spanning was van mij afgevallen. Ik voelde geen enkel schaamtegevoel meer. Integendeel, ik wilde daar nog uren lopen. Het voelde als een bevrijding. Weg met die oude bekrompenheid! Voorbij het stiekeme gedoe! We zouden weer teruggaan naar een natuurlijk leven, zonder opsmuk, zonder poses, zonder maskers.

Het eerste wat ik deed toen ik die avond laat weer terug kwam op mijn studentenkamer, was mezelf  uitkleden. Ik zette Cat Stevens op en liep nog een tijdlang in mijn blootje door de kamer te niksen. Ik wilde het gevoel van bevrijding vasthouden.
Ik was blijkbaar niet de enige die er aan toe was. Bij de Maarsseveense plassen werd een van de ligweides tot naaktstrand bestempeld. Het was een kleine strook gras, door dichte struiken omzoomd en het was er altijd rete-druk. Hoewel er genoeg ligweides waren met een zee van ruimte, wilde ik perse naar het nudistengedeelte om me daar heerlijk bevrijd te voelen tussen al die andere bevrijde mensen.
Vriend T zei me, dat hij er niet over dacht om er heen te gaan. Hij was ervan overtuigd, dat hij daar een eeuwigdurende erectie zou krijgen vanwege alle borsten en billen. Met zo’n vlaggenstok loop je natuurlijk niet op je gemak naar de waterkant.
‘Maar als iedereen bloot is, wordt het juist heel gewoon, dan voel je geen opwinding’, wist ik. ‘Juist als je sommige delen gaat bedekken en andere niet, stimuleer je de spanning’.
‘Ach, klojo, ‘antwoordde hij, ‘ik ben zelf een keer in Zandvoort op het naaktstrand geweest, dus ik weet heus wel hoe dat gaat’.
Ik probeerde hem tevergeefs te overtuigen.
We waren het er wel over eens, dat je in buikligging beter een zwelling kunt krijgen op het plooibare zandstrand aan zee dan op de harde klei rond de Maarsseveense plassen. Ik weet niet of we daarmee tot een filosofisch inzicht waren gekomen.