Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

VOORKIND

Herinnering

Petronella van Wijk, 1851 – 1932

Mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk is in 1870 negentien jaar oud als zij bevalt van een zoon, Cornelis. Hoewel zij in IJsselstein woont komt het kind in Linschoten ter wereld. De dokter uit Montfoort die geholpen heeft doet de aangifte op het gemeentehuis in Linschoten, waar hij vertelt dat Petronella ongehuwd is.
Blijkbaar komt de biologische vader niet in aanmerking als huwelijkskandidaat en gaat men op zoek naar een geschikte man. Dat vergt enige tijd en enige afstand. Uiteindelijk vindt men in Breukelen de 32-jarige boerenzoon Dirk Ekelschot bereid om met Petronella te trouwen. De huwelijksvoltrekking vindt wederom in Linschoten plaats. De griffier van de arrondissementsrechtbank Utrecht krabbelt in de kantlijn van de geboorteakte van Cornelis dat Dirk en Petronella het kind “als het hunne erkend en alzoo gewettigd hebben.” Cornelis krijgt op die dag de naam Ekelschot. Met deze oudste broer van mijn opa zouden de familiale contacten later zeer beperkt blijven.

Een voor het huwelijk geboren kind, het is van alle tijden. In het uitgebreide overzicht dat F. Pouw maakte van de familie Den Hartog, een andere voorouderlijke tak van mijn familie, kom ik er meer tegen. Zo bevalt de 21-jarige ongehuwde dienstmeid van de getrouwde Johannes den Hartog in 1831 van een zoon.
In de literatuur die ik op internet vind lees ik dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw een piek was in het aantal voor- en buitenechtelijke kinderen. De meest plausibele verklaring onder historici luidt dat de Verlichting en de Franse overheersing hieraan hebben bijgedragen. De Fransen hadden onder meer de prostitutie gelegaliseerd. Buitenechtelijke kinderen kwamen vooral voor in de steden en onder de lagere standen en meer bij protestanten dan bij katholieken. Vrijen voor het huwelijk was echter ook op het platteland heel gewoon. Officieel was het niet toegestaan, maar jongens mochten hun gang gaan, als maar niemand het zag. Er waren artsen die meenden dat het voor jongemannen ongezond zou zijn als zij hun lusten moesten beheersen.
Onder de toenemende invloed van kerkelijke instanties, het beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Victoriaanse tijdsgeest nam aan het einde van de eeuw het aantal buitenechtelijk geboren kinderen weer fors af.

Paulus de Lange, 1846 – 1915

Petronella van Wijk, die als jong kind haar beide ouders verloren had, verliest op 26-jarige leeftijd ook nog eens haar man Dirk Ekelschot. Ze verhuist met haar vier jonge peuters naar Maarssen, waar zij de buurvrouw wordt van boer Paulus de Lange. Als de buurman enkele jaren daarna weduwnaar wordt is het pact snel gesloten. Petronella trekt in bij Paulus, zonder te trouwen, wat voor die tijd nogal ongewoon is. Pas als hun eerste gezamenlijke kind op komst is geven ze elkaar in 1886 het jawoord. Vier maanden later wordt dochter Anna geboren. Ik heb haar nog gekend, het was een tante van mijn moeder.
Overigens was de moeder van Paulus de Lange een zus van Dirk Ekelschot. Petronella’s voormalige schoonzus werd dus nu haar schoonmoeder. Het ware kleine kringetjes waarin de mensen zich bewogen.

1

GODS SCHRIJFWERK

Herinnering

Ik was nog niet lang in het bezit van een brommer, toen ik op een warme zomerse dag ging toeren met de buurjongen. In Noorden werden wij overvallen door het onweer. Terwijl de bliksem door de lucht schoot, parkeerde ik mijn Tomos onder een hoge boom. Al snel drong de dichte regen ook op die plek door. ‘Kom naar binnen!’, riep een man op waarschuwende toon vanuit een bungalow aan de overzijde. Er werd voor ons een stoel aangeschoven aan de tafel waar het gezin zojuist het middagmaal had beëindigd. De borden waren leeggegeten, er lag een boek opengeslagen op tafel. Terwijl het geluid van de neerstortende regen werd afgewisseld met de voortrollende donderslagen, las de man een stuk voor uit de bijbel.

Ik wist niet wat mij overkwam. Dit soort particuliere bijbellezing had ik nooit eerder meegemaakt. Bij katholieken lag er geen bijbel onder handbereik, laat staan dat hieruit werd voorgelezen. Dat lieten we aan de pastoor over in de zondagse mis. We kenden op de lagere school het vak Bijbelse geschiedenis. Ik vond de verhalen over de zonen van Jacob wel spannend.
Op het Bonifaciuslyceum behoorden de Prisma-uitgaven van het Oude en het Nieuwe Testament tot de verplicht aan te schaffen boeken. De boekjes bevatten een ruime selectie uit de bijbel. In de eerste klas dicteerde de godsdienstleraar, de oude deken Wiegerink, in 1964: ‘… dat de bijbel volgens onze overtuiging een boek is, waarvan God de schrijver is. (…) Hieruit volgt dat wij ook moeten aannemen dat in de Bijbel niets dan de waarheid te vinden is.’ Om schrandere vragen over Gods schrijfprestaties voor te zijn, verzekerde de leraar ‘dat God de Bijbel niet heeft laten ontstaan door de tekst te dicteren.’ Daarna liet hij ons de verschillen noteren tussen de katholieke en de protestantse bijbelboeken. ‘De protestanten erkennen sommige van onze boeken niet.’ Ze bleven maar dwalen, die protestanten.
Daarna was het met de raadpleging van de Testamenten wel gedaan, want in het tweede schooljaar probeerde een godsdienstleraar, die in een spijkerbroek rondliep, ons te interesseren voor de werken van Teilhard de Chardin, de jezuïet annex paleontoloog die een ingewikkelde poging had gedaan de evolutieleer in overeenstemming te brengen met het bijbelse scheppingsverhaal. Ik begreep er niets van.

Hoewel ik er nooit een letter in las heb ik de Prismaboekjes nooit de deur uitgedaan. Het Oude en het Nieuwe Testament verhuisden altijd met mij mee. Ze komen de laatste jaren goed van pas nu ik in mijn katholieke voorgeschiedenis ben gedoken. Zodat ik een verwijzing naar Deuteronomium 32:48 kan opzoeken. En zodat ik weet welke verzen uit Genesis mijn oma heeft moeten overschrijven, toen zij in 1880 als jong meisje schrijfles kreeg van haar vader.
Misschien moet ik de nieuwste bijbelvertaling maar kopen. Zodat ik het complete werk heb. Dan hoef ik psalm 94, een van de vele psalmen die ontbreken in de Prisma-selectie, niet in de protestantse Statenvertaling te lezen: Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? (citaat uit Trouw). Ik zou mij weer in Noorden wanen.

0

ZEVENTIG JAAR TELEVISIE

Herinnering

foto: Isgeschiedenis.nl

Eind jaren vijftig stond ik met een groep kinderen iedere woensdagmiddag voor de achterdeur bij de familie Wolters. We wachtten op het sein dat we naar binnen mochten. Als het zover was deden we de schoenen uit en installeerden ons in de huiskamer op de grond voor dat wonderbaarlijke kastje.
Televisie voor kinderen was toen niet veel meer dan een nieuwe versie van de poppenkast, compleet met gordijntjes die open- en dichtgingen. De KRO zond het poppentheater Dappere Dodo uit. De NCRV volgde met Coco en de vliegende knorrepot. Verder werden we iedere uitzending onthaald op De Verrekijker. Die toonde ons educatieve filmpjes over kinderen in andere landen. Er is één filmpje dat ik me na zestig jaar nog kan herinneren: in Finland liepen blote kindertjes door de sneeuw.

Pater Kors voor de camera, foto: Beeld en Geluid

Mijn vader wilde lange tijd niet aan een tv. Achteraf vermoed ik dat zijn behoudende katholieke geloof hierin een rol heeft gespeeld. Katholieken hebben nooit voorop gelopen met vernieuwingen, zeker niet op het gebied van vermaak en genot. Dat leidde maar af het werkelijke doel van het leven. Bovendien lag er altijd het risico van emotie, opwinding en onkuisheid op de loer.
Pater Kors, vlak na de oorlog de voorzitter van de KRO, was daarom een tegenstander van de invoering van televisie. Hij zag het als een gevaar voor de ‘morele volksgezondheid’. De kerk zou de greep op de gelovigen verliezen. Vanuit zijn standpunt bekeken heeft Kors gelijk gekregen. In de jaren zestig en zeventig heeft het medium televisie in niet geringe mate bijgedragen aan het omver halen van heilige huisjes en ontkerkelijking.
De ontwikkelingen tegenhouden kon hij echter niet. Dus deed de omroep in de jaren vijftig met frisse tegenzin mee. Op dinsdag 16 oktober 1951 leidde de voorzitter met de volgende woorden de eerste televisie-uitzending van de KRO in: ‘het technisch vernuft dat de televisie ons heeft geschonken wil onze omroep dienstbaar maken aan het ideaal: de blijde boodschap van Christus niet alleen aan de mensheid te brengen, maar die ook te laten beleven.’ Kors gaf een positieve draai aan tele-visie, het ‘ver kunnen kijken’: ‘het betekent voor de Christen te kunnen schouwen over de grenzen van de stoffelijkheid dezer wereld en van het heelal heen, naar het Goddelijk licht dat ons het geloof heeft geschonken.’ Alsof De Verrekijker op zoek kon gaan naar beelden uit de hemel.

foto: Beeld en Geluid

De tv was in de jaren vijftig het stiefkind van de KRO. Kors vond het medium een stokpaardje van de overheid. Door de algemene programma’s van de NTS, waarmee al snel 40% van de zendtijd was gevuld, werd de invloed van de omroepen teruggedrongen. Daar kwam bij, dat de omroepverenigingen, anders dan bij de radio, niet beschikten over eigen tv-studio’s en opnameapparatuur. Ook nu, na zeventig jaar, klagen de omroepen over de te grote macht van de NPO. Pater Kors was een ziener.
In 1968 deed de tv uiteindelijk zijn intrede in onze huiskamer. De blote borsten van Hoepla, in ’67 van het scherm gehaald, heeft mijn vader niet hoeven meemaken. Ik heb ze ook gemist.

0

WAAKZAAMHEID

Herinnering

Vakantieherinnering (8)

 

Onderschrift in mijn foto-album: ‘slabbetje voor: …. eten’

In 1968 was ik voor het eerst met een vriend op vakantie. Met de tent op de bagagedrager waren wij rond het IJsselmeer gefietst. Een jaar later beschikken F. en ik beiden over een brommer, dus verleggen we onze horizon. Wij scheuren een dag lang naar het zuiden en bereiken Florenville, een stadje in het zuidoosten van België. Daar vinden we in een uithoek van de camping een rustig plekje langs de rivier de Semois. Er staat daar nog één andere tent. Al snel blijkt dat deze toebehoort aan vier Nederlandse meisjes van onze leeftijd. F. en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Die avond wisselen we een paar woorden met onze buurmeisjes. Dat blijft ook de volgende dagen zo. Wij houden enige afstand, zij doen hetzelfde. Volgens F. valt het meisje met het donkere krulhaar op mij. Ik geloof het niet, maar ondertussen probeer ik signalen op te vangen. Tevergeefs. Zo leuk is ze nu ook weer niet, bedenk ik.
’s Avonds in onze tent vertellen we elkaar over de meisjes op school, over stiekem zoenen op feestjes en of je wel eens een vrouw naakt hebt gezien. F. zegt dat hij condooms meegenomen heeft. Ik schrik ervan, maar wil het niet laten blijken. Ik weet nog net wat condooms zijn, maar daar houdt het wel mee op.

Na een paar dagen merken wij enige reuring op de camping. Het blijkt dat de avond tevoren een alleenstaande vrouw is lastig gevallen door een onbekende man. Er wordt een beroep gedaan op ieders waakzaamheid. Onze buurmeisjes vertellen dat zij de vorige avond iemand rond de tent hebben horen sluipen. Dat moet de onbekende man geweest zijn.
Die avond liggen we nog lang klaarwakker in onze slaapzak. We spelen het vijfletterspelletje dat later bekend geworden is onder de naam Lingo. Dan knippen we de zaklantaarns uit. Het is een andere nacht dan de vorige. Ik ben gespitst op geluiden. Behalve het zachte gekabbel van het water van de Semois hoor ik niets. Wij hebben in de voortent twee dikke stokken klaargelegd die we als knuppel kunnen gebruiken, mocht het nodig zijn. In het donker voel ik mijn hartslag redelijk snel tikken. Ik ben een beetje bang, maar tegelijk fantaseer ik over een heldenrol. ‘Aanrander gepakt door twee Nederlandse jongens.’ Hoe zou zo’n kop in het Frans luiden?
Dan zegt F. plots dat hij buiten iemand hoort lopen. Hij snelt als eerste zijn slaapzak uit. Met de knuppels in de hand stormen we naar buiten. Daar komen we meteen tot stilstand. We zien niets, we horen niets. ‘Hij is in de bosjes verdwenen’, zegt F. die zijn brommer start om met de koplamp de omgeving te verlichten. De zwart-groene takken hangen onbeweeglijk omlaag. In de tent van onze buurmeisjes gaat een lichtje aan. Ze zullen wel blij zijn, dat wij zo oplettend zijn. Na enkele minuten kruipen we onze tent weer in.
De volgende morgen breken de meisjes op. Over een mogelijke insluiper wordt niet meer gesproken. Wij vertrekken later naar Neckargemünd, in de buurt van Heidelberg.

0

BURGEMEESTER VAN HET TEAM

Herinnering

Eenmaal in mijn leven heb ik deelgenomen aan een voetbalkamp. Dat was in de zomer van 1967. Ik fietste met mijn elftal naar Baarn, waar midden in het bos een kindervakantiekolonie lag. Die was ooit ontstaan om bleekneusjes uit Amsterdam in de zomer te laten aansterken.
Nu stonden er tussen de bomen zes grote witte tenten voor evenzoveel elftallen. We aten aan lange tafels in een houten kantine. Na afloop leverde je je bord en beker in bij een balie waar twee huisvrouwen in jasschorten het vaatwerk verveeld aannamen. Onszelf wassen deden we buiten bij rijen zinken wasbakken, waar alleen koud water stroomde. Daar was het oppassen geblazen, vooral voor de voetballers van Haarlem en hun grootstedelijke baldadigheden. Ik vond het maar niks dat zij hun handen onder de lopende kraan hielden, zodat het water alle kanten opspoot.

Ik sta op de achterste rij, tweede van rechts

Maar ook in onze eigen tent moest ik opletten. Als de elftalleider er niet was pakten een paar uitgegroeide jongens een van ons stevig vast. Het tegenstribbelende slachtoffer werd vervolgens van zijn broek en onderbroek ontdaan, zodat iedereen kon zien hoe het piemeltje erbij hing. Burgemeester maken, noemden ze dat. Wie niet betrokken was keek nieuwsgierig mee.
Elke dag fietsten we naar het voetbalveld naast paleis Soestdijk om ons te meten met een ander team. Het was het jaar van A whiter shade of pale van Procol Harum. Voor ons was dat een witte scheet op een paal.
Aan het einde van iedere middag was er kampoverleg, waarnaar vanuit elk elftal één speler werd afgevaardigd. Onze elftalleider had mij aangewezen voor die rol. Ik was zeker niet de beste speler of de jongen met de grootste mond. Bovendien was ik behept met een spraakgebrek. Maar als een van de weinige jongens die ‘doorleerde’ – ik zat op het gymnasium – was ik blijkbaar geknipt voor deze functie. In het overleg werden de kampregels besproken – en vooral de handhaving daarvan. Het stond onder leiding van een liefdadige man die wist wat goed voor ons was.
Deze vertegenwoordiging gaf mij binnen het team zoveel ontzag, dat niemand het aangedurfd heeft om mij burgemeester te maken. Ik was het eigenlijk al door mijn deelname aan het kampoverleg. Op de laatste dag ontving ik een erespeld van de KNVB voor mijn bijdrage. Ik hield mijzelf voor dat ik tot erelid was benoemd.

Vaak gebeurd, maar niet tijdens ons toernooi

Voor het begin van het voetbaltoernooi was ons uitgelegd, dat het voetbalveldje ook gebruikt werd als landingsterrein voor de helikopter van Prins Bernhard. Mocht Bernhard een keer onverwachts op deze wijze naar huis komen, dan diende de wedstrijd onderbroken te worden. Wij knikten allen begrijpelijk. Voor een lid van het koningshuis maakte je vanzelfsprekend ruimte. Sterker nog, de waarschuwing dat Bernhard misschien wel eens kon landen veranderde in een steeds sterker wordend verlangen. Tijdens een wedstrijd keek ik voortdurend omhoog naar een stip in de lucht. Ik spitste mijn oren naar een ronkend geluid. Winst of verlies deed er eigenlijk niet meer toe. Als we thuis maar konden vertellen dat de wedstrijd door Bernhards landing was stilgelegd. Maar Bernhard was, en bleef, de hort op.

1

ONRUSTIG GEMEKKER

Herinnering

Vakantieherinnering (7)

De schapenmarkt in Brecon

Pas lang na de vakantie werd duidelijk wat de oorzaak was van het malheur. Toen ik nog eens de gebruiksaanwijzing van onze pyramidetent doorlas ontdekte ik dat we al acht jaar lang het grondzeil op een verkeerde manier hadden vastgezet.
Wij zijn in 1997 op vakantie in Wales. Dit is schapenland. Tijdens onze wandelingen staren de beesten ons waakzaam aan. Er is er altijd wel een die zijn darmen leegt, een rozenkrans van glimmende keuteltjes achterlatend. Of we horen hun geblaat achter de heggen. In Brecon is een schapenmarkt. In de lucht zien we schapenwolken.

Op de camping wemelt het van de kinderen. Onze zoons van tien en twaalf leren de eerste beginselen van cricket. Voortdurend klinkt het ‘Stay!’. Ze zingen een of ander verbasterd Engels lied, wat klinkt als: ‘I saw with my eyes in my underwear’, waarop zij zelf het vervolg bedenken: ‘And I just saw my balls weren’t there.’ We eten een curry in een plaatselijke pub, waar volkse mannen na het plassen nog bezig zijn hun gulp dicht te knopen als ze terugkomen in de gelagkamer. En waar zij met een boer de zaak weer verlaten.
Tijdens regenachtige dagen leren we de kinderen klaverjassen. Op hun beurt leren zij het weer aan campingvriendjes, waarna er een klaverjasgolf door de tenten trekt.

Halverwege de vakantie verplaatsen we ons naar het noorden.
Wij kamperen daar aan de voet van de Snowdon, met 1085 meter het hoogste punt van Wales. Die moeten we natuurlijk bedwingen. De eerste uitdaging is echter het opzetten van de tent. Het waait zo hard, dat we zelfs met zijn vieren nauwelijks in staat zijn om het klapperende doek in bedwang te houden, terwijl we ondertussen alle spullen moeten beschermen tegen de slagregens. Het had een voorteken moeten zijn.
We horen dat de camping bij Brecon de dag na ons vertrek ’s morgens vroeg is overlopen door een kudde schapen. De beesten liepen tot in het toiletgebouw, overal hun keutels achterlatend. We hebben geluk gehad, denken we op dat moment.
De Snowdon bewaren we tot het einde van de week, we trainen eerst onze spieren op wat lagere hellingen. Tijdens een uitje naar het strand helpen wij, gekleed in regenpakken, de kinderen in hun zwembroek en we lopen verdwaasd over de boulevard van Rhyll, waar veel te dikke, bleke Engelsen langs amusementshallen en kermisattracties sjouwen, gevolgd door snoepende kinderen in voetbalshirts en adidasbroeken.
Op maandagochtend 4 augustus neemt het gemekker van de schapen rondom de camping onrustbarende vormen aan. Er steekt een nieuwe storm op. Harde windvlagen gieren door de opbollende tent. De wind golft onder het grondzeil door. Dan opeens waait één zijde van de tent de lucht in. Het kooktoestelletje valt om, kleren worden weggeblazen. Alle tien de scheerlijntjes aan die zijde zijn gebroken. In de bulderende storm knopen we de lijntjes weer provisorisch vast. Het grondzeil aan de windzijde verzwaren we met kratten. In het crisisberaad dat volgt is de conclusie duidelijk. We pakken alles in voor een paar dagen London. De Snowdon bleek een berg te ver.

 

 

1

ZERO TOLERANCE

Herinnering

Vakantieherinnering (6)

Een hoge piep kondigt de sluiting van de deuren aan. De metro komt snel op gang. Twee rijen reizigers tegenover elkaar, de tas op schoot, handen op de tas. Gelijktijdig schudden we heen en weer bij een wissel. Ik tuur schuin omhoog naar de routekaart, zodat ik niet hoef te kijken naar de grote, donkere man, die tegenover mij zit. Hij ziet er in zijn vuile broek en versleten jasje onverzorgd uit. De donkergrijze haren staan alle kanten op. Zijn starre blik is op de vloer gericht. Hij praat in zichzelf, het zijn steeds dezelfde twee woorden, waarmee hij het suizende lawaai van de metro doorbreekt. Onze jongste zoon kan zijn ogen niet van de man afhouden. Als wij uitgestapt zijn, zijn we het niet over eens wat de donkere man riep: ‘three stops’ of ‘free stuff’.

New York was de eerste verblijfplaats op onze reis door de Verenigde Staten, voor onze zoons van veertien en zestien het land dat wij hen al enige jaren daarvoor hadden beloofd. We sliepen in een niet te duur hotel in het hartje van Manhattan, om de hoek bij Times Square. Bij aankomst had een piccolo direct onze rugzakken op een bagagetrolley met koperen stangen geplaatst. Het zag er vreemd uit, de doe-het-zelfbagage op een blinkende wagen in een luxe ambiance van art deco.
Vanuit hotel Edison struinden we drie dagen door de stad, onze hoofden voortdurend in de nek om ons te vergapen aan de hoogbouw. Alles is er hoger en groter dan elders (ook de psychiatrische inrichtingen en de gevangenissen, zo luidde de pointe van een mop uit mijn jeugd). Het Liberty Statue, symbool van de vrijheid, Times Square, symbool van de marketing, de alomtegenwoordige beurskoersen, symbool van de speculatie, McDonalds, symbool van fastfood en wegwerpmaatschappij.
Toen we nog maar net de drempel van een koffiezaak over waren, riep een jongeman vanachter het buffet: ‘Yes, please, can I help you, I love to help you, sure I do, I am quick!’ Ik bestelde ‘two small coffee’, waarna hij direct naar achteren riep: ‘two tall coffee!’. Ik corrigeerde dat ik toch echt ‘small coffees’ had besteld, waarop hij uitlegde dat er drie maten waren: Tall, Grand, Giant.
We bezochten de musical Chicago, aan het einde waarvan de twee hoofdrolspeelsters voor een glittergordijn met sterren the American way of living uitdroegen: you can live the life you like, isn’t it grand, isn’t it great, oh it’s heaven nowadays.

De metro brengt ons naar het station WTC, het World Trade Centre. Om bovengronds te komen passeren we eerst een luxueus winkelcentrum, hoge glazen puien, veel licht, veel marmer. Mode, horloges, parfum en whisky. Buiten steken de verticale lijnen van de Twin Towers de oneindigheid in. Op een marmeren plein ligt een grote fontein met een goudkleurig kunstwerk. Een van onze zoons voelt met zijn handen in het water. Hij wordt direct vermaand door een beveiliger. Het is hier Zero Tolerance. Alles is onder controle. Het is dinsdag 10 juli 2001.

0

SPANNING EN SENSATIE

Herinnering

Opbouw van de kermis in Tilburg

Door de hoge schoolramen zie ik het frisse groen aan de bomen. Witte bloesemblaadjes dwarrelen rond. Het is bijna zover, straks kunnen we gaan kijken. Ik kan bijna niet wachten. Meester Haarhuis vertelt ons het verhaal van Jozef in Egypte. Ik hoor het maar half. Als de schoolbel geklonken heeft hol ik met enkele vriendjes direct naar het weiland langs de Dorpsstraat. Daar wordt de zaak opgebouwd. In het gras staan brede sporen van autobanden. Stalen spanten worden in de lucht gehesen, met houten blokjes worden attracties waterpas gezet. Sterke mannen zwaaien krachtig met hun hamers. We zien een nieuwe attractie. ‘Daar ga ik zeker in’, zegt een vriendje.
‘Ik ook’, zeg ik stoer, maar ik weet niet of ik het durf. Ik ga het mijn broer vragen.

De volgende middag ben ik erbij, als na een toespraak van de voorzitter van het Oranjecomité de kermis van start gaat. De schommelschuitjes laat ik links liggen. We hebben thuis zelf een schommel in de schuur. Maar de zweefmolen is fantastisch. Begeleid door draaiorgelmuziek suis ik hoog door de lucht, met een extra zwaai van de jongen achter mij.
De nieuwe attractie bewaar ik tot het avond is.
Mijn favoriet is de cakewalk. Wij spreken het uit als keekwalluk. Eerst zijn er de op en neer bewegende platforms, waar ik nog wat talm in afwachting van het spannendste element: de loopbaan naar boven. Als je te veel naar achteren staat val je omlaag. Hier duwen stoere jongens bange meisjes naar boven. Ik heb geen hulp nodig. Nadat een lopende band mij weer beneden op een stapel gymnastiekmatten heeft afgeleverd resteert het jammerlijke gevoel dat het te snel afgelopen is.

’s Avonds is daar het moment. Het is al bijna donker, de kleine kinderen zijn naar huis. De draaimolen staat ingepakt stil in het duister. Grote jongens en meisjes lopen innig gearmd en stoere mannen verzamelen zich rond de schiettent waar zij met een toegeknepen oog hun geluk beproeven. Elders klinken de slagen op de Kop van Jut.

Ik loop met mijn broer naar de steilewandrace. Met kloppend hart klim ik naar boven. Van bovenaf kijken we over een houten ton met een diameter van zo’n acht meter. Over de onbeschermde rand zien we hoe beneden een motor kleine rondjes draait om op gang te komen. Een stoere man zonder valhelm stuurt zijn machine omhoog. Het gevaarte ligt horizontaal tegen de houten wanden. De motor maakt een donderend geraas, er hangt een geur van benzine. De houten platen voor onze borst trillen, ongemerkt wijk ik een stukje naar achteren als de motor vlak langs ons scheurt. Daarna verschijnen er twee motoren in de baan, de berijders rijden met losse handen. Als klapstuk wordt het publiek gevraagd, wie er achterop durft.
Als ik uit de steilewandrace kom, voel ik dat het koud geworden is. Het weiland is vochtig. Ik hol in één lange sprint naar huis, opgewonden door de spanning. Maar ook teleurgesteld, dat het weer afgelopen is.

0

VIJLEN (VIELE)

Herinnering

Vakantieherinnering (5)

Deze week zijn we op vakantie in Vijlen, Nederlands hoogst gelegen dorp, niet ver van Vaals in het Zuid-Limburgse heuvelland. We huren een woning in vakantiepark Reevallis. Tussen 1995 en 2000 zijn we hier viermaal met onze twee zonen geweest.
We waren gewend om eenmaal per jaar een weekje uit te gaan in eigen land. Ieder jaar gingen we naar een andere bestemming, zodat we aardig wat delen van Nederland hebben gezien. Reevallis vormde de uitzondering op deze gewoonte. G. en ik genoten van de vele wandelmogelijkheden, over modderige karrensporen, langs oude boerderijen met poorten die toegang geven tot de binnenplaats, langs kruisbeelden en kleine kapelletjes. Waar we ook liepen, we zagen altijd de spitse toren van Vijlen als baken in het landschap. We hielden van de gemoedelijke sfeer en de Limburgse vlaai. We voelden ons thuis in het kleine winkeltje in het dorp, een melkboer die vanachter zijn toonbank ook allerlei kruidenierswaren verkocht. Daartegenover zaten de bakker en het dorpscafé A Gen Kirk (nu nog steeds). We hielden van een diner in de Vijlerhof, waar de ober de ouderwetse soep aan tafel voor je opschepte.

1995

Vanuit de vakantiewoning keken we uit over een golvend landschap van groene weiden en bruine akkers, onderbroken door bochtige zandwegen en plukjes donkergroene bomen.
In het begin nam zoon A. zijn gitaar en zijn lesboek mee. Telkens als hij buiten zat te spelen verzamelden de koeien zich als gewillig publiek aan de andere kant van de heg. Zodra hij begon te tokkelen kwamen de dieren vanuit alle hoeken van de wei aangesjokt om met hun grote kop zo dicht mogelijk bij de heg te genieten van Old McDonald of Sur le pont D’Avignon. ‘Waarom zijn die koeien altijd aan de diarree?’, had A. tijdens een wandeling gevraagd.

2000

Dè grote attractie voor onze kinderen was, dat naast het vakantiepark het veld van de Rooms-Katholieke Voetbalvereniging Vijlen lag. Diverse malen per dag slopen zij door een smalle geul langs het hoge hek om voor een van de grote doelen hun voetbalkunsten te vervolmaken. Zij speelden zelfs tijdens hevige regenbuien door, zodat zij met kletsnatte trainingspakken en natte grassprieten in hun gezicht in de bungalow terugkeerden.
’s Avonds speelden we eindeloos boerenbridge en hartenjagen. Bepaalde kreten die tijdens het spel vielen en voor hilariteit zorgden werden eindeloos herhaald: ‘ik word gesnoeid (of gesnaaid)’, ‘scratch my back’, ‘Hassan jas an’.

Vandaag zagen we de regensluiers door het dal gaan, een grijs waas over de groene heuvels trekkend. De wolken scheerden laag over de torens van Lemiers. Daarboven, op de rand van de heuvels, draaiden de Duitse windmolens er lustig op los.

 

1

EEN KIJKJE IN HET VERLEDEN

Herinnering

h 44 x b 24 x d 27 cm

Laatst herinnerde ik mij dat er vroeger bij ons thuis een ouderwetse kijkkast stond. Hiernaast zie je deze op de foto.  In de kijkgaten zijn vergrootglazen aangebracht. Het licht valt binnen door een matglazen venster aan de tegenoverliggende zijde. Binnenin bevindt zich een ketting van glazen diapositieven. Door aan de knoppen links en rechts te draaien komen de plaatjes een voor een langs. Haal je de deksel eraf, dat zie je dat elk plaatje uit een dubbele foto bestaat. De afbeeldingen lijken precies hetzelfde, maar omdat ze vanuit een net iets verschillende hoek genomen zijn, ontstaat er dieptewerking. Zo lijkt het of je naar een driedimensionale afbeelding kijkt. Op de deksel van deze kijkkast staat:

Vues des Usines
DE DION-BOUTON
Leur production 1906

De Dion-Bouton was een in 1883 in Parijs opgerichte fabriek van automobielen. In 1900 was het de grootste autofabrikant ter wereld. Aanvankelijk werden er open rijtuigen gemaakt waarbij het paard vervangen was door een stoommotor, de leidsels door een stuur en het ‘Hu’ van de voerman door een rem. In het begin van de twintigste eeuw nam benzine de plaats in van stoom. De open rijtuigen kregen een dakje, waarna de gesloten wagen ontstond zoals we die nu nog kennen.
Kijkkasten en diorama’s waren in die jaren zeer populair. Het waren de eerste uitingen van een beeld- en belevingscultuur die later in film, televisie en internet zijn vervolg zou krijgen.

De foto’s tonen ons het productieproces. In de ene na de andere fabriekshal bedienen rijen besnorde arbeiders in lichte jassen en met petten op het hoofd de draaibanken en freesmachines. De toezichthouders dragen een bolhoed en een donkere jas. In een andere hal is de kleurcode omgekeerd. De machines zijn via een wirwar van riemen verbonden met een grote stoommachine die de energie levert. De foto’s stralen toewijding uit. De fabrication des bougies wordt alleen door vrouwen gedaan. Zij dragen dezelfde donkere lange jurken en allen hebben de haren bijeengebonden in een zelfde knotje. De foto Sortie des Usine toont een dicht opeengedrongen massa van wel duizend arbeiders, die zich lopend door de poort heendringen, sommigen in werkkleding, anderen keurig in het pak.

bovenaanzicht zonder deksel

Hoe was de herinnering aan deze kijkkast opeens uit de kelder van mijn geheugen naar boven gekomen? In het kader van mijn volgend boek had ik gelezen dat de broers van mijn oma, die een carrosseriebedrijf dreven, rond 1910 een fabriek in Parijs hebben bezocht. Opeens werd mij duidelijk hoe de kast in onze familie was beland. De plaatjes zouden een goede bron van informatie zijn. Ik kon nu de beschrijving van het bezoek aan Parijs van mooie details voorzien. Opgewonden over dit vooruitzicht haastte ik mij naar mijn broer die de kast in zijn bezit heeft.  Hij hielp mij uit mijn droom. Het apparaat komt via-via van kasteel de Haar in Haarzuilens. Baron Etienne van Zuylen woonde het grootste deel van het jaar in Parijs en hij reed in een Franse automobiel.
Resteert de vraag: hoeveel van deze kijkkasten De Dion-Bouton zouden er nog zijn?