Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

2

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KIPPENHOK

Herinnering

Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.

1

EEN OUDE PIANO

Herinnering

Ik was vijfentwintig en zat boordevol plannen toen ik tijdens een sportuurtje in volle vaart met mijn hoofd tegen een andere sporter aanliep. Om mijn door elkaar geschudde hersens wat rust te gunnen zat ik regelmatig achter de piano van een huisgenote. Met behulp van het eerste oefenboek van Folk Dean probeerde ik een boerenpolka in mijn vingers te krijgen. Het beviel zo goed, dat ik besloot pianoles te nemen.
Toen er daarna hoorde dat iemand een aftandse piano voor 100 gulden aanbood aarzelde ik geen moment. Een eigen piano, dat maakte me niet alleen onafhankelijk van mijn buurvrouw. Het bezit zou mij in staat stellen om onbekende kanten van mijzelf te ontwikkelen, mijn gevoelens te ontdekken en mijzelf uit te drukken. De piano moest mijn grote vriend worden.
Voor een zelfde bedrag huurde ik een busje en toog naar Alphen aan de Rijn. Daar stond ie te wachten op mij, mijn Woltersdorf, het glanzend zwarte instrument dat mij tot in of minstens tot vlakbij de hemel zou brengen. Het geluid riep associaties op met een afgeragde cafépiano maar dat mocht de pret niet drukken.

Ik oefende iedere dag en maakte vorderingen. Ik schreef mijn eerste eigen compositie. Embattled illusions noemde ik het werkje in e-klein, niet beseffend dat ik mezelf hiermee een vingerwijzing gaf voor de toekomst. Na een tijdje schakelde ik over van het klassieke naar het populaire repertoire, van partituur lezen naar improvisatie.
In die tijd verhuisde ik regelmatig. Mijn spullen pasten in één bakfiets, dus zo’n verhuizing zou een peulenschil zijn geweest, ware het niet dat die verdomde piano iedere keer mee moest. Daar had ik bij de aankoop even niet aan gedacht. Na elke verhuizing klonk het instrument weer valser.

De jonge vader speelt nog eenmaal

Toen na acht jaar onze eerste zoon geboren werd, stopte ik met les en met spelen (de baby slaapt, de baby huilt, de baby moet naar buiten). Als laatste had ik nog een lied van Maurice Dumas¹ uit 1908 ingestudeerd:
Dames, heren, wil eens naar mij horen, welk geluk mij heden is beschoren
Want mijn vrouw heeft mij zo even, een ferme knappe zoon gegeven.
Strikt bekeken was het mij dus gelukt om mijn expressievermogen te vergroten.
Daarna begon de Woltersdorf aan zijn pensioen. Hij had al te lang moeten doorwerken. Ik kon het echter nog niet over mijn hart verkrijgen om hem de deur uit te doen. Wie weet zou ik nog eens inspiratie krijgen. Dus toen wij in 1985 verhuisden naar ons huidige huis moest er een takelwagen aan te pas komen om de piano een plekje op mijn kamer op de tweede etage te geven. Dat was een heleboel geld voor een parkeerplek.
Ik speel al jaren niet meer, enkele toetsen hebben het begeven, dus nu wordt het hoog tijd om het instrument uit zijn lijden te verlossen. Maar hoe? Waar laat je zo’n oud kreng? Het past niet in een container voor restafval en ik heb geen bedrijf voor piano-destructie kunnen vinden. Na wat rondbellen blijkt dat ik mijn Woltersdorf bij een afvalscheidingsstation mag inleveren. Moet ie nog wel eerst van de 2e etage af.

¹Maurice Dumas was een Nederlandse humorist en zanger, bekend van  Joseph, laat je broekie zakken en O lieve Mathilde als jij eens wist wat ik wilde.

0

LOGEREN

Herinnering

‘Zal ik je een stukje duwen’, vroeg mijn moeder, ‘het is zo’n end’.
‘Nee!’, riep ik ferm doortrappend. Ik wou een stoere jongen zijn. Mijn moeder zag het met voldoening aan. We fietsten in de buurt van het Woerdens Verlaat en waren op weg naar tante Alie en ome Piet in de Hoef. Vanuit Vleuten was dat een afstand van bijna 25 kilometer. Voor een 7-jarige op een kinderfietsje geen peulenschil.
Het zou de eerste vakantie van mijn leven worden, al noemden we het niet zo. Ik ging logeren en ik vond het allemaal prachtig. Dé grote attractie voor mij was de roeiboot, die voor het huis in de Amstel lag. Dat roeien wilde ik direct zelf doen. Het bleek moeilijker dan gedacht, regelmatig belandde de boot in het riet. Ik vond het raar om achteruit te varen. Als de scharnieren piepten hield neef Gijs de roeispanen even in het water. Vervaarlijk over de rand van de boot leunend trok ik de drijvende pompenbladeren uit het water, me verbazend over de enorme lengte van de stengel. Ik wilde zien of ze allemaal zo lang waren.
Ome Piet was smid en fietsenmaker. Achter het woonhuis was een werkplaats waar mijn oom zijn kost verdiende in het spaarzame licht dat door de vuile ruitjes viel. De logeerpartij bestond niet alleen uit pret, want er moesten ook klusjes gedaan worden, zo bleek. Ome Piet had een goedkope restpartij van verschillende spijkers gekocht. Die moesten wij op lengte sorteren. Daar had ik niet op gerekend en mokkend vroeg ik me af of ome Piet wel bevoegd was mij zo’n opdracht te geven.

Het huis van ome Piet en tante Alie

Het kwartje dat we ermee verdienden lieten we, anders dan ik thuis gewend was, direct weer rollen. Bij de bakker kochten we Bazooka kauwgom voor vijf cent. Daar zaten wielerplaatjes bij van Gino Bartali en Fausto Coppi. Er ging een wereld van roem en glorie voor mij open. Ik nam mij voor alle plaatjes te sparen en vroeg ome Piet of er nog meer gesorteerd kon worden. Zijn nukkige antwoord stelde me teleur.
Tante Alie deed ondertussen haar best om mijn logeerpartij tot een succes te maken. Op een van de avonden stond er een enorme stapel pannenkoeken op tafel. Ik wilde niet onderdoen voor mijn vier jaar oudere neef. Die avond kon ik in de bedstee mijn misselijkheid niet de baas. Half overeind gekomen kotste ik het bed onder. Mijn tante zorgde zonder iets te zeggen voor een schoon bed.
Ome Piet kon nog wel eens onverwachts boos reageren. Zo riep hij een keer onder het avondeten: ‘Gatverdamme, ik ruik een wind. Wie heeft die gelaten?’ Met boze ogen achter zijn sterke brillenglazen keek hij de kring rond. Ik durfde niet te zeggen, dat ik het geweest was. Bedplassen, kotsen, er was al te veel dat ik niet had kunnen ophouden. Toen voelde ik ook nog eens tranen opkomen. Mijn oom stond met veel misbaar op en schoof achter mij het raam een end omhoog. Ik vond het logeren opeens niet zo leuk meer. Die 25 kilometer fietsen leek me nu een enorme afstand.

5

MIJN MOEDER

Herinnering

De meimaand is in de katholieke kerk gewijd aan Maria, de Moeder aller moeders. In veel landen is het deze maand ook Moederdag, de wereldse versie van de moederverering. Als 8-jarige schreef ik voor mijn moeder:
Ik ben blij omdat Uw jarig is
Ik heb goed voor Uw gebeden in de H. Mis
En het mooiste wat God heeft gegeven
Is Moeder! Dus ik verwen haar even

Mijn moeder in 1931

Na haar lagere school, waarin zij ieder jaar het hoogste cijfer behaalde voor Katechismus , ging mijn moeder (geboren in 1913) thuis op de boerderij aan het werk. Ze leerde melken en kreeg als beloning van haar vader een fiets. Maar het werk aan huis gaf haar niet voldoende bevrediging. Ze werd hulp in de huishouding en als het even kon trok ze eropuit, bijvoorbeeld naar de korfbalclub. Ze was er bij toen in Vleuten een afdeling van de Katholieke Jeugd Vereniging werd opgericht, een vereniging waarin jonge vrouwen op hun toekomstige taak werden voorbereid, naar het voorbeeld van Maria: vrouwen kunnen gelukkig worden als zij zich in dienst stellen van anderen. Ze werd leidster bij de KJV, wat betekende dat zij geen contacten met mannen mocht aanknopen. De retraitedagen waarin werd onderwezen in de leer van het geloof waren voor haar een hoogtepunt. Dàt werk zou ze het liefste willen doen.
Het is er nooit van gekomen. Rijkelijk laat, in 1943, trouwde zij met mijn vader en nam haar plaats in als moeder van het gezin, zoals zij dat bij de KJV geleerd had. Ze wijdde zich volledig aan haar man en vier kinderen, maar een leven tussen aanrecht en waslijn was haar te beperkt. Al snel trok ze wederom eropuit. Ze werd voorzitster van het Vrouwengilde, trad toe tot het Schoolbestuur en richtte een dameskoor op. Ze was nogal eens ’s avonds weg. Ik vond dit alles heel normaal, net zo normaal als dat zij elke dag mijn boterhammen klaarmaakte en mijn gymtas opruimde.

In 1968

Toen de kinderen het huis uit waren en mijn vader in 1972 overleden was, schakelde mijn moeder nog een paar versnellingen hoger. Ze was onder meer vrijwilligster in het bejaardenwerk, werd actief in de Parochiële Caritas en als eerste vrouw lid van het kerkbestuur. Ze was de Marga Klompé van Vleuten. Werken ten behoeve van de gemeenschap, dat was haar roeping. Ik was blij dat zij een actief leven leidde en vond dat alles heel normaal.
Mijn moeder werd een meer dan actieve deelnemer in de kerkelijke werkgroepen Nieuwe Levensstijl en Vrouw en Geloof. Hoewel van huis uit geen lezer las zij een boek over feministische theologie. Zo was ze toch weer een beetje terug bij het catechisatie-werk dat zij ooit geambieerd had.
Nu ben ik mij ervan bewust dat al dat werk voor de gemeenschap absoluut niet normaal was, zeker niet voor een vrouw van haar generatie. Zo sluit zich ook voor mij een cirkel en ben ik terug bij de bewondering die ik als 8-jarige had. Met enige voorspellende waarde eindigde ik mijn gedicht:
Ik hoop dat Uw nog lang zult leven
Tot Uw honderdse jaar
En als Uw oud ben niet meer zult beven.
Zij stierf in 2012, in haar 99e jaar.

0

HET JAAR VAN DE GEHANDICAPTE (1981) – deel II

Herinnering

overleg tijdens de opnamen van de film

Een jaar lang bruiste het van de activiteiten. Er was geld genoeg om het leed van de gehandicapte medemens onder de aandacht te brengen. Of wacht, dit formuleer ik niet goed. De bedoeling was namelijk om te laten zien dat mensen met een handicap gewone mensen zijn met gewone levens. Weg met de zieligheid, weg met de liefdadigheid. Zo kon de boodschap van het jaar wel samengevat worden.
In het gebruis kwam er een smak geld beschikbaar voor het maken van een voorlichtingsfilm over stotteren. Vanwege de gewenste luchtigheid vroeg men de medewerking van het stottercabaret waarmee Jules, Elisabeth en ik destijds door het land toerden.
Toen de film na de nodige hobbels tot stand gekomen was, kwam er een stroom publiciteit op gang. Zo stond er op een doordeweekse avond een ploeg van Brandpunt voor de deur van mijn studentenhuis, onder de luidruchtige aanvoering van Willibrord Frequin. Hij had net goed getafeld, dus toen de technici hun apparatuur uitpakten liep the golden boy zonder te kloppen de ene na de andere studentenkamer binnen. Wie prins Bernard en de paus heeft geïnterviewd, kan zich alles veroorloven. Zoiets noem je geen handicap.

Als ik er nu aan denk dat ik morgen voor de tv zou worden geinterviewd, zou ik het spaans benauwd krijgen, maar in die tijd was ik zodanig gewend aan voorlichting en publiciteit, dat de spanning beheersbaar was. Wat niet goed ging kon er altijd nog uitgeknipt worden.
Tijdens het interview kneep Willibrord af en toe met zijn kleine varkensoogjes als er een stotter in aankomst was. Hij voelde zich niet meer zo op zijn gemak. Zijn macho-gedrag smolt als sneeuw voor de zon. Een van mijn stokpaardjes was dat het stotteren ook voor de luisteraar een probleem kan zijn. Toen ik daarom aan W. vroeg of mijn stotteren bij hem spanning opriep, gooide hij zijn hoofd achterover en riep:
‘Stop maar even jongens, dit is niet de bedoeling.’
Nadat in een vloek (van W.) en een zucht (van mij) de opnamen voltooid waren, vroeg de productieleider nog even mijn medewerking. Het item was een idee van Ad Langebent, een andere vermaarde Brandpunt-reporter. Omdat Ad zoveel jaren in dienst was van de KRO vroeg men in die periode aan alle geïnterviewden om op camera iets tegen Ad te zeggen. Daarvan zou voor zijn jubileumfeest een compilatie gemaakt worden.
Ik dankte Ad hartelijk voor zijn interesse en voegde er spontaan aan toe dat ik hem een uitstekende presentator vond. ‘I-i-ik zou het z-zelf niet b-beter k-k-kunnen doen’, stotterde ik met opzet, want ook die vorm beheerste ik uitstekend. De cameraman richtte zich daarna op de lachende W., die snel wegdook. Dat hij moest lachen om de grap van een ander mocht niet in beeld gebracht worden.
Tijdens de uitzending van Brandpunt mocht ik in de studio aanwezig te zijn. Na afloop bevond ik mij opeens naast monseigneur Langebent aan de bar. Hij had zijn stropdas losgeknoopt en een glas bier in de hand. Ik dankte hem voor zijn initiatief. Het klonk veel te onderdanig, voelde ik direct. Frequin was nergens meer te bekennen.

1

HET JAAR VAN DE GEHANDICAPTE – deel I

Herinnering

Na het Jaar van de Vrouw en het Jaar van het Kind was het in 1981 de beurt aan de Gehandicapte. Zo gaat dat. In het kader daarvan was iemand op het idee gekomen om voor leerkrachten een boek samen te stellen over handicaps bij kinderen. Kennis bevordert immers de acceptatie. Ook aan de vereniging van stotteraars werd een bijdrage gevraagd. Ik was in die jaren nogal actief voor die club en had niet lang daarvoor een boek over stotteren geschreven, een uitgave die het om een of andere reden nog tot een tweede druk geschopt heeft. Derhalve kwam de vraag bij mij of ik een hoofdstuk over stotteren bij kinderen wilde schrijven. Ik hoefde alleen maar een korte samenvatting te geven van mijn boek en zou daarvoor ook nog eens 500 gulden ontvangen. Een handicap leverde in die tijd nog wel eens wat op. Ik bevond mij bovendien in het gezelschap van onder meer Guus Kuijer en Mary Michon, wie zou dat niet willen.
Toen het boek klaar was volgde nog een bijzonderheid: ik ontving een uitnodiging voor de overhandiging van het eerste exemplaar aan prinses Juliana.
Ik was geen fan van het koningshuis. Niet, dat ik een jaar tevoren had deelgenomen aan de Slag om de Blauwbrug (‘Geen Woning, Geen Kroning’), maar mijn sympathie lag meer bij de krakers dan bij de oranjegezinden. Voor het schudden van de hand met de koningin van mijn jeugd wilde ik echter mijn principes wel even opzij zetten.

Alle genodigden dienden om veiligheidsredenen een half uur voor aanvang aanwezig te zijn.
Daar zaten we dan met zijn allen een half uur te niksen. Het viel mij op, dat er voorin de zaal nog enkele kinderen met een verstandelijke handicap aanwezig waren. Het bleek dat zij hadden meegewerkt aan een film.
Hoe meer de tijd verstreek, hoe meer de spanning steeg. Het was het wachten op Sinterklaas en de Tour de France in het kwadraat. Toen Juliana eindelijk binnenkwam, klein van stuk tussen alle veiligheidsfunctionarissen, de zaal geen blik waardig keurend, vond ik die entree er niet zo vorstelijk uitzien, in ieder geval heel anders dan het vriendelijke zwaaien op het bordes.
Nadat het boek was aangeboden en de film over de kinderen met het syndroom van Down was vertoond (de rammelende collectebussen aan het einde bleven achterwege) vond ik, dat het moment wel gekomen was, dat de geprezen auteurs aan Hare Majesteit zouden worden voorgesteld.
Juliana had zich echter na afloop van het programma eenvoudig weg omgedraaid naar de voorste rijen. Zij onderhield zich met zichtbaar plezier met de verstandelijke gehandicapten. Alles mooi en aardig, dacht ik, maar nu is het wel onze beurt. Ik was er vast maar bij gaan staan, wachtend op een teken van de organisatie om naar voren te komen.
Opeens waren er toen weer die veiligheidsmensen. Juliana pakte haar handtas en zo vertrok de koninklijke stoet weer naar buiten. Opnieuw keek zij de zaal niet in, zij had niet eens het aangeboden boek in haar hand. Zo gaat dat als jarenlang je dienaren de aangeboden cadeaus ‘achter de struiken flikkeren’, zoals Wim Sonneveld ooit zei.
‘Samen gewóón verder’ heet het boek, met als ondertitel: ‘Gehandicapt zijn is anders dan je denkt….’. Dat was voor mij in deze situatie een uiterst adequate aanbeveling.

1

ZOEKEN NAAR VOOROUDERS

Herinnering

De boerderij in Maarssenbroek waar mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk woonde (links, met de witte schort)

In het tv-programma Verborgen Verleden gaan Bekende Nederlanders op zoek naar hun familiegeschiedenis. Ze vinden onbekende voorouders en verrassende verhalen. Er komt ook nog al eens een Bekende Vaderlander in de stamboom voor.
Omdat mijn vader wellicht al aanvoelde, dat wij geen Bekende Nederlanders zouden worden heeft hij meer dan zestig jaar geleden dit speurwerk voor ons verricht. Na de zaterdagse arbeid (er was toen nog een 44-urige werkweek) verruilde hij het archief van Douwe Egberts voor gemeentelijke en kerkelijke archieven in Utrecht en omstreken. Daar moet hij uren hebben zitten spitten in kaartenbakken en doopregisters. Het resultaat was een indrukwekkende stamboom waarvan sommige takken tot in de 16e eeuw doorlopen.
Onder mijn voorouders bevinden zich veehouders, landmannen en boeren uit de buurt van Utrecht, maar ook smeden, sluiswachters en wagenmakers. Vooral naamloze zelfstandigen, al wordt er een enkele schepen vermeld.
Een overgrootmoeder van mijn moeder heette Hillegonda Muis. Met haar komt zowaar een Bekende Vaderlander onze stamboom binnen. Mijn vader twijfelde er niet aan, dat Hillegonda een ver familielid was van ene Cornelis Muis of Musius. Deze was rector van een klooster in Delft en bevriend met Willem van Oranje. Cornelis is in 1572 in Leiden door de Geuzen opgehangen, zonder nakomelingen, mag je aannemen. Cornelis Musius heeft een vermelding in de Wikipedia.
‘Tenslotte zij nog vermeld dat alle gevonden voorouders katholiek waren’, schrijft mijn vader er in 1952 ter geruststelling bij. Hij had nog wel meer willen uitzoeken, maar het kostte zoveel tijd. Daarom hoopte hij dat een ander zijn werk zou willen voortzetten.

Boerderij de Tureluur aan de Thematerweg in Vleuten. Hier heeft mijn betovergrootvader Matthijs den Hertog gewoond.

Dat gebeurde. Af en toe kwam er wel eens een onbekende meneer aan de deur, die nog wat namen aan de boom kon toevoegen. Sinds ik op deze website met de genealogische veren van mijn vader kan pronken, heb ik een enkele keer contact met zo’n familieonderzoeker. Net als met vissers en vogelaars zijn het uiterst gedreven mannen die hun complete vrije tijd aan hun hobby besteden en er niet voor terugschrikken om nachtenlang door te zoeken. Ikzelf ben meer in het verhaal achter de mensen geïnteresseerd. Maar uit die enkele keer dat ik in bevolkingsregisters gedoken ben, kan ik me iets voorstellen van de drijfveren van stamboomvorsers. Wie na urenlang zoeken een ontbrekende connectie vindt is minstens zo gelukkig als de vogelaar die een onbekende vogel waarneemt of de visser die een flinke vis uit het water haalt.
Onlangs nog was er nog een ver familielid bij mij op bezoek, een wandelende encyclopedie die feilloos uit zijn hoofd kon reproduceren welke familie in welke periode op welke boerderij in Tull en ’t Waal, Montfoort of waar ook in de omgeving van Utrecht had gewoond en hoe de verschillende families met elkaar verbonden waren. Uit zijn verhalen werd duidelijk hoe de uitdrukking Van een bruiloft, komt een bruiloft is ontstaan. Mensen huwden vroeger binnen dezelfde stand, dezelfde regio en dezelfde geloofsgemeenschap. Een soort regionale inteelt. Zo leerde ik dat er tussen de familie van mijn vader en de familie van mijn moeder nog veel meer lijntjes lopen dan alleen die in 1943 vastgelegde verbinding, waaruit ik voortgekomen ben.

1

DE EERSTE AUTO

Herinnering

Begin jaren zestig vond mijn vader dat hij niet kon achterblijven bij zijn collega’s van D.E., die zich door de toegenomen welvaart een auto konden veroorloven en daarmee naar het werk kwamen. Het werd een DAF Daffodil, beroemd geworden om zijn variomatic transmissie, bijgenaamd het pientere pookje. De auto die ook toen al met een verkleinwoord werd aangeduid was niet de auto waarvan ik als 11-jarige droomde, maar alles was beter dan de Solex waarop mijn vader, gestoken in een leren jas die tot op zijn enkels viel, naar kantoor reed.
Zoals mijn vader ons regelmatig maande om onze fiets schoon te maken, zo verdiende ook dit wonder op wielen de best mogelijke bescherming. De oude houten schuur werd afgebroken en daarvoor in de plaats verrees achter ons huis een moderne stenen garage, ‘bij elkaar gespaard met D.E.-koffiepunten’, grapte een vriend van zijn kaartclub.
Je kwam bij de garage via een grindpad dat tussen het huis en de bessenbomen liep en net breed genoeg was voor een auto. Vanaf de weg was er aan het begin van het pad een flinke bocht en aan het einde was er nog een kleine kromming. Vlak voor de garage was het pad versterkt met enkele grote rode tegels. Het liep daar licht schuin omhoog, zodat een dotje gas extra nodig was om de Daf binnen te rijden; onbelangrijke details, ware het niet, dat omkeren op deze route onmogelijk was, zodat de rit over het grindpad tenminste éénmaal in de achteruitmodus afgelegd diende te worden. Dat vereiste enige stuurkunst.
Op het einde van een middag was ik op mijn eentje achter het huis aan het voetballen. Ik telde het aantal malen, dat ik de bal hoog kon houden, als speler van DOS, Ajax, Feyenoord enz. Zo werkte ik hele competities af. Nauwkeurig hield ik mijn persoonlijke record bij. Terwijl ik geconcentreerd bezig was, hoorde ik het vertrouwde geluid van de overdekte bromfiets uiterst traag over het grindpad naderen. In zijn achteruit, wist ik.
Even later zag ik in mijn ooghoeken het beige wagentje langzaam voorbijschuiven, mijn vader in opperste concentratie stijf achterom kijkend om zijn aanwinst veilig tussen de garagedeuren te loodsen. Ik was zo fanatiek bezig met de bal, dat het even duurde voordat het geluid dat ik hoorde tot mij doordrong: een harde klap en brekend glas. Ik vloog naar de garage en zag dat de glimmende auto binnen tegen de achterwand tot stilstand was gekomen. Aan één zijde lag het achterlicht in diggelen. Glanzende rode, oranje en witte scherven lagen als een mozaïek op de grijze garagevloer. Mijn vader stond erbij en keek erna. Hij was het toppunt van hulpeloosheid.
Ik barstte in een onbedaarlijke huilbui uit. Onze nieuwe auto was kapot. Ik vroeg me af, of dat wel weer goed zou komen. Ik keek naar mijn vader. Die stond daar maar en zei niets. De schaamte om mijn vader won het al snel van het verdriet om de beschadigde auto. Ik huilde omdat ik hem onhandig vond. Omdat ik een stoere vader miste.

1

PLAKBOEK

Herinnering

Het waren maar twee noten die ik onlangs hoorde (e – fis) en maar twee lettergrepen (Nor – man), een flard muziek uit de tv waar ik op dat moment niet naar keek. Meer was er niet nodig om mij terug te brengen naar de tijd, dat ik samen met mijn zus zingend door het huis liep. Norman, oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe-oeoe, Norman, tot en met de lange uithalen aan het einde van het refrein: Norman, my love! Het was in 1962 een hit van de Amerikaanse Sue Thompson, een Nederlandse versie werd gezongen door Willeke Alberti.
Het lied bracht me terug naar een plakboek waarin ik ooit mijn jeugdige interesses heb vastgelegd. Toen ik al lang en breed het huis uit was heeft mijn moeder met een vooruitziende blik het plakboek van de ondergang gered, zodat ik nu kan nakijken of ik een plaatje van Sue Thompson in het boek heb geplakt.

Op de eerste pagina van het plakboek beschrijf ik in korte aantekeningen de gebeurtenissen van de maand december 1960. Het boek blijkt een cadeau van Sinterklaas, die voor mij ook nog een autobusbaan, een agenda en een zakdoek had meegebracht. Op 8 december noteer ik: Maria Onbevlekte Ontvangenis, op de 11e: snoep op gegeten. Zo kabbelt het een tijdje door. Achter de data 23 tot 31 december staat in het groot gekrast: NIKS GEBEURD.
Op de volgende pagina’s verleg ik mijn aandacht naar een verzameling sigarenbandjes: Elisabeth Bas, Hofnar, Ritmeester, Schimmelpenninck. Dan volgen de opstellingen van Ajax, Feyenoord en PSV en een aantal liedteksten zoals:
Wij trekken vrolijk naar het bos
Naar ’t bos in zomertooi
Daar bloeit zo menig bloementros
Aan ’t smalle pad begroeid met mos
(….)
We laten graag de stad alleen
Die straten dof en grijs
Daar waait nooit zuivre lucht door heen
Daar zie je niets dan dorre steen
Het verhaal dat ik met Pasen wil beginnen (‘Jezus is verezen’) maak ik niet af en gaat direct over in titels van Arendsoog en Pim Pandoer.

De voorkeuren en hobby’s van een 8-jarige kunnen snel wisselen. Blijkbaar heb ik bij een volgende gelegenheid Wasco kleurkrijtjes cadeau gekregen. Die vette stiften gebruik ik om de sigarenbandjes, voetbalopstellingen en liedteksten flink door te krassen, mij niet bewust van de waarde die ik er ooit nog eens aan zal toekennen. Andere pagina’s gebruik ik opnieuw door vele malen mijn eerste handtekening te oefenen.
Dan, eindelijk, op pagina 29, zijn we bij de populaire muziek beland. Een foto van de Blue Diamonds, die hun legerschoenen poetsen. ‘Ze zijn op ’t ogenblik in dienst. Ze worden Sergeant en ze gaan naar Nieuw Giuniea om daar de soldaten te vermaken’. De volgende pagina is voor Caterina Valente en Gondoli, Gondola. Het is de tijd van de tienersterren: Eddy Hodges, Willeke Alberti, Conny Froboess, (wie kent niet haar grootste hit?), Cliff Richard.
Een paar maanden geleden schreef ik hier, dat Jacques Brel mij de ogen had geopend voor de populaire muziek. Daarvan moet ik terugkomen, nu ik mijn plakboek weer zie. Zo zie je maar weer, herinneringen van zestig jaar terug zijn onbetrouwbaar.
Ik vind geen foto van Sue Thompson, geen tekst van Norman. Heb ik dat lied eigenlijk wel met mijn zus gezongen?

2

OME RINUS

Herinnering

Ik heb er een achternicht bij. Zij heet Veronique en ze is 74 jaar. Pas sinds kort weet ik van haar bestaan.
Het begon allemaal toen ik bijgaande foto van Hotel Rustoord aan de Mariahoek in Utrecht in ons familie-archief vond. De foto is gemaakt rond 1910 en roept een sfeer op van een goed leven met een modern Frans biljart, zware eikenhouten meubelen en sigarenrook. De man rechts naast het bord is Rinus van Rooijen, een oom van mijn vader en eigenaar van de zaak. Tussen alle boeren en smeden die mijn stamboom bevolken springt deze horeca-oudoom er bijzonder uit. Ik wil meer van hem weten en ga op zoek in gemeentelijke archieven.

Ome Rinus was getrouwd met tante Christien. In het eerste decennium van de 20e eeuw woonden zij met 3 dochters en 2 zoons aan de Buys Ballotstraat nr. 14 in Utrecht. Aanvankelijk stond er een melkhandel aan de Mariahoek op naam van ome Rinus. Daarna pakte hij uit met het hotel.
Rond 1912 moet het hotel failliet zijn gegaan. De familie verhuisde naar Den Haag. Uit deze periode is slechts bekend, dat er veel gemusiceerd werd in huize van Rooijen. Tante Christien speelde het liefst Brahms op de piano en de familie zong zijn liederen. Oom Rinus schilderde het portret van Brahms en hing het boven de piano.
Daarna verhuisde de familie naar Woerden, waar Rinus een bestaan als portretschilder probeerde op te bouwen. De drie oudste kinderen waren er ondertussen achter gekomen, dat hun vader altijd veel plannen had, maar weinig geld. Zij kozen voor een geborgen leven in het klooster. De jongste dochter zou later dezelfde keuze maken. Als uitzondering hierop belandde zoon Piet in het onderwijs. Hij zou zijn verdere leven zijn ouders financieel op sleeptouw nemen.

Tante Christien en Ome Rinus op jeugdige leeftijd

Halverwege de jaren twintig woonde men in Arnhem. Hier runde ome Rinus een pension, tegelijkertijd probeerde hij het maar eens als journalist. Hij schreef af en toe voor het katholieke dagblad Het Centrum. Mijn familie vergeleek hem met mr. Micawber. Dit karakter uit Dickens roman David Copperfield is in het Engelse woordenboek beland voor een persoon ‘who is poor but lives in optimistic expectation of better fortune’. Het verhaal gaat dat ome Rinus wel eens bij mijn opa, zijn zwager, om geld kwam bedelen, wat hem door de laatste op niet mis te verstane wijze werd geweigerd.
Weer een decennium later belandden ome Rinus en tante Christien in huize Nazareth in Best, een rusthuis gedreven door de congregatie waar twee van zijn dochters waren ingetreden. Het lijkt er dus op dat ome Rinus een ietwat turbulent leven heeft geleid. Bekend is, dat hij een uitstekend zanger was, stotterde en van schrijven hield. Daarom wil ik nog wel meer van hem weten.
Ik ga op zoek naar zijn nakomelingen, de kinderen van Piet, die later Peter is gaan heten. Mijn enige aanknopingspunt is de woonplaats Emmen. Een vriendelijke ambtenaar van deze gemeente blijkt bereid om de namen van de 6 kinderen van Peter uit het archief op te duiken. Via een lange zoektocht op internet vind ik tenslotte achternicht Veronique. Eind vorig jaar hebben we kennis met elkaar gemaakt. Over enige tijd gaan we samen verder op zoek in Montfoort, waar ome Rinus en mijn oma ooit het levenslicht zagen.