Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

3

DE WIERSCHUUR

Herinnering

Uitgerust met schepjes en emmertjes trekken de groepen kinderen het wad op. De opdracht is om een vierkante meter van het wad te onderzoeken en te noteren wat je tegenkomt. Elke groep wordt begeleid door twee ouders. De gedachte dat er op de eerste dag van het schoolkamp nog voldoende motivatie is voor een educatieve opdracht, blijkt ijdele hoop. In één groep wordt al snel landjepik gespeeld, in een andere bekogelen de jongens elkaar met schelpen. Sommige ouders, waartoe ik behoor, proberen met aanmoedigingen, uitleg of desnoods met stemverheffing de leerlingen bij de les te houden. Andere ouders vinden dat de kinderen zelf de motivatie moeten ontdekken. Die vrijheid slaat al snel over op alle kinderen, een paar gebiologeerd speurende meisjes uitgezonderd. Teleurgesteld loop ik terug naar de kampeerboerderij, waar stapels modderige gympen her en der in het rond liggen. De met sancties onderbouwde instructie om de modder onder de buitenkranen af te spoelen hebben de leerlingen op grote schaal genegeerd.
Welkom in de Wierschuur, het buitendijks gelegen groepsonderkomen op Terschelling, in 1998 door de Montessoribasisschool uit Utrecht afgehuurd als locatie voor het schoolkamp van de groepen zes, zeven en acht. De inrichting is uiterst sober. Alle opsmuk is weggehaald zodat er niets kapot kan gaan.

Tevoren zijn de reglementen van het kamp meegegeven en besproken, zodat op de eerste avond de kinderen op de afgesproken tijd naar de slaapzalen gaan. Zoals een slaapfeestje een feestje is waarop juist zo weinig mogelijk geslapen wordt, zo betekent bedtijd voor de leerlingen hier dat de lol kan beginnen. Om elf uur is voor enkele ouders de maat vol. Boos lopen zij naar de slaapzaal om tot stilte te manen. Hetgeen tot een flinke discussie leidt onder de ouders. De ene helft argumenteert dat de regels niet voor niets zijn afgesproken, de andere helft wil de kinderen hun plezier gunnen. Overeenstemming valt er niet te bereiken, zodat feitelijk het laissez-faire-beleid de overhand heeft. Ik constateer het tot mijn spijt, als ik als een van de eerste ouders mijn eigen slaapzak opzoek. En mijn oordoppen.
Mijn behoefte aan orde en regelmaat wordt deze week vaker op de proef gesteld. Als er friet gegeten wordt gaat een van vaders, die weer helemaal terug is in zijn eigen puberteit, met een emmer mayonaise en een soeplepel langs alle borden voor een flinke klodder. Na het eten veegt een corveeër flinke porties patat van de grond. Friet en mayonaise verdwijnen met de grof gesneden komkommer in de afvalbakken, terwijl de afdroogploeg met kletsnatte theedoeken wat sop van de borden aait. In de derde nacht treft een van de ouders om half vijf het grootste deel van groep acht ergens buiten aan.

Het zijn tenslotte de zilvermeeuwen die, tijdens een bezoek aan hun kolonie, iedereen stil in het gelid krijgen. De broedende vogels zien een groep van tachtig drukke kinderen hun kraamkamer binnendringen. De stok die de boswachter boven zijn hoofd houdt is volstrekt onvoldoende om de aanhoudende duikvluchten van de meeuwen boven de angstige kinderhoofdjes te stoppen. De excursie wordt desondanks een groot succes, evenals, later, het kampvuur en de bonte avond. In de trein terug naar huis heerst de stilte.

0

JEUGDBOEKEN

Herinnering

Omslag van de eerste druk, 1957

Oki en Doki.
Dat zijn de namen van twee matroosjes.
Zij hebben op een grote boot gevaren.
Op de boot van kapitein Paf.
Naar een heel ver land.
Onderweg hebben ze veel beleefd.
Zo begint het boek Oki en Doki zijn kapitein van Henri Arnoldus, met tekeningen van Carol Voges. Het was het eerste boek dat ik ooit las. Ik was vijf of zes jaar oud. Er waren nog meer deeltjes, o.a. Oki en Doki bij de nikkers (in 1971 veranderd in: bij de negers, in 1981 in: op een eiland – met een andere omslag).
Daarna las ik Tup en Joep, van dezelfde schrijver. Misschien ook nog wel Wipneus en Pim. In ieder geval de lotgevallen van Saskia en Jeroen door Jaap ter Haar. Eind jaren vijftig hadden kinderboekenschrijvers een opvallende voorkeur voor duo’s.
Na de zondagse mis liepen wij gelijk naar de katholieke bibliotheek, waar vrijwilligers – onder wie mijn vader – de boeken afstempelden. De Keurraad voor katholieke jeugdlectuur bestond nog. Hoewel er in de boeken van Arnoldus en ter Haar niet vaak werd gebeden of gespaard voor de missie, waren zij blijkbaar deugdzaam genoeg voor katholieke kinderen.

Toen ik wat ouder werd las ik de De Kameleon-serie, over de avontuurlijke tweeling Hielke en Sietse. En natuurlijk Kuifje. Er werd mij geleerd, dat het minder goed was om stripboeken te lezen. Dat was het gemakkelijke lezen, één stap verder was de televisie; een opvatting die ik later weer aan mijn kinderen heb doorgegeven.
Niettemin maakte niemand bezwaar als ik een Kuifje kwam lenen. Ik las de strips ook samen met een vriendje. Lazen we het boek snel uit, dan konden we het nog vóór sluitingstijd van de bibliotheek omruilen voor een ander. Het succes van de strip bestond uit een spannende intrige, een altijd goede afloop en in elke aflevering dezelfde figuren: de slimme journalist Kuifje, op cruciale momenten geholpen door zijn hond Bobbie, de verstrooide prof. Zonnebloem, de domme detectives Jansen en Janssen, de sopraan Bianca Castafiori (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’) en natuurlijk kapitein Haddock met zijn scheldpartijen als de boeven weer net waren ontsnapt (‘Duizend bommen en granaten! …Woestelingen! … Schurken! …Analfabeten! …Ectoplasma’s! …Wafelijzers!’), kannonades die blijkbaar de goedkeuring van de Keurraad hadden kunnen wegdragen.

Via de lagere school waren we geabonneerd op de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie) en later de Taptoe en in de vijfde en de zesde klas had meester Theunissen nog een voorraadje boeken in de kast achter zijn bureau staan. Ik las Arendsoog en ik verslond alle boeken van Pim Pandoer, mijn grote held die elk misdrijf kon oplossen.
Toen de meester eens voorlas uit een verhaal waarin het woord silhouet voorkwam, vroeg hij de klas wie wist wat dat betekende. Ik stak als eerste mijn vinger op: ‘een zwarte schaduw’. Die kwamen in Pim Pandoer nogal vaak voor. ‘Kijk’, zei de meester tevreden tegen de klas, ‘daaraan kan je zien, dat hij veel boeken leest.’ Dat was een complimenten om niet te vergeten. Het klopte overigens niet. Onder schooltijd wilde ik wel lezen, maar daarna speelde ik veel liever buiten.

0

VERLEDEN EN TOEKOMST

Herinnering

De Lange Linschoten

Het moet ergens in de jaren zeventig geweest zijn. Of het door de fietstocht langs de Langbroeker Wetering kwam of door die langs de Lange Linschoten naar Oudewater, weet ik niet meer. Maar opeens was ik dol op ouderwetse boerenbuurten. Smalle weggetjes langs het water omzoomd door weggezakte knotwilgen, met aan weerszijden oude boerderijtjes, leilindes voor de ramen van de opkamer en rieten daken. De melkbussen op het erf omgekeerd op een houten rek, hooibergen waarvan het dak omhoog en omlaag gedraaid kan worden, klompen bij de deur. En tussen al die hoeven door de groene weiden met grazende of herkauwende koeien.
Het waren buurten waar de tijd had stilgestaan, waar de toekomst ver weg was en het verleden dichtbij. Waar hard gewerkt werd en eenvoudig geleefd en de boerendochters je vrolijk groetten. Zo leek het mij.
Ik ben afkomstig uit een dorp van boeren en tuinders, dus toen ik in 1970 naar Utrecht verhuisde om te studeren belichaamde de stad de toekomst en was het platteland ouderwets, afgedaan en oninteressant. Mijn aandacht was gericht op wat komen zou. Me ontwikkelen, vrienden maken, idealen nastreven. Dat bleef zo tot die fietstocht er een accent bij plaatste. Misschien kreeg ik daar, op mijn vijfentwintigste, voor het eerst heimwee naar het verleden. Maakte ik kennis met nostalgie, dat merkwaardige gevoel dat zowel prettige als pijnlijke sensaties geeft.

foto: David Hamilton

Ik hing in die tijd de hiernaast afgedrukte poster van David Hamilton op mijn kamer en mijn moeder vertelde mij over de ooit door haar verslonden streekromans van Herman de Man. Over het geharde leven van stijfkoppige en godvrezende boeren, die het doen en laten van hun voorouders volgen en elke nieuwigheid wantrouwend verwerpen.
Het was een periode, dat mijn eigen toekomst er onzeker uitzag. Misschien dat ik daarom teruggreep naar een veilig verleden en droomde over een eenvoudig landleven. Een leven dat ik nauwelijks kende. Ik had wel eens bij een vriendje thuis over de duistere deel gelopen, waar de koeien met hun mysterieuze blikken, hun voortdurende gesnuif en hun doordringende lichaamsgeuren mij vreemd voorkwamen – dan beschrijf ik hier alleen nog maar wat ik aan de voorkant zag. Ik voelde dan ook geen enkele aandrang om mij op een houten krukje onder zo’n kolossaal lijf te buigen en daar mijn levenswerk van te maken. Eenmaal had ik met dezelfde vriend meegeholpen met het binnenhalen van het hooi. Dat wil zeggen: nadat we een kwartiertje met grote houten harken wat hooi bij elkaar geraapt hadden, duwden we elkaar met veel plezier en tot ergernis van zijn vader in de hooimijten. Die lagen klaar om door een gespierde knecht met één zwaai van de hooivork op de wagen geslingerd te worden. Daarna genoten wij, liggend bovenop die hooiwagen, van een majestueuze intocht in het dorp. Dat waren zo ongeveer mijn ervaringen met het boerenleven.

Het leven ging na mijn vijfentwintigste door, de toekomst ontrolde zich als vanzelf, met een baan, een vrouw, een huis en kinderen. En nu, na mijn pensioen, klopt het verleden, ongepland, weer op de deur. Ik onderzoek het en schrijf erover. Nu is het verleden mijn toekomst geworden. En tussendoor fiets ik met plezier langs de Lange Linschoten.

0

EEN ONTERECHTE LIQUIDATIE?

Herinnering

De liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem – bron: Verzetsmuseum

Het is maandagavond 9 oktober 1944. Aan de Enghlaan in Vleuten zit boer en NSB’er Hendrik van der Grift om 20.45 uur met drie huisgenoten in de keuken. Er is even een moment van ontspanning voordat het tijd is om het bed op te zoeken. Dan gaat de keukendeur open. Drie gemaskerde en gewapende mannen richten hun wapens op Van der Grift. Nog voor iemand iets kan doen zijn de mannen weer verdwenen, Van der Grift dood achterlatend. Zijn huisgenoten blijven ongedeerd. Op de grond liggen vijf lege hulzen van negen mm.
In Vleuten verspreidt het nieuws van de aanslag zich de volgende dag razendsnel. Ongeloof overheerst naast onbegrip en ook verontwaardiging. Van der Grift staat bekend als ‘een goede NSB’er’, een nette man die geen vijanden had. Mijn vader schrijft in zijn dagboek: ‘gisteravond is van der Grift vermoord door enkele gemaskerde mannen. Hij had enkele weken geleden zijn radio bij de burgemeester ingeleverd met de tijding dat hij geen NSB’er meer wilde zijn. Men hoort hem veel prijzen. Hij gaf veel aan de armen.’
Als represaillemaatregel worden een paar dagen later twee verzetsmensen opgepakt en gefusilleerd. Er zijn nooit daders voor de aanslag op Van der Grift aangehouden. Na de opwinding van de eerste dagen is er in Vleuten over gezwegen. In 2009 rekent Jack Kooistra in zijn boek Recht op wraak de aanslag in Vleuten tot de dubieuze of onterechte liquidaties. Hoe waarschijnlijk is dit?

In Vleuten woonden zo’n twintig NSB’ers. Ze werden getolereerd zolang zij zich niet te buiten gingen aan zelfverrijking, verraad of geweld. Ook het aantal verzetsmensen was aanvankelijk beperkt. Dat veranderde najaar 1944. De gedachte dat de geallieerden geholpen moesten worden om de vijand te verslaan, nam hand over hand toe. De Engelse luchtmacht dropte in het tuinbouwgebied wapens voor het verzet. Verstopt onder een stapel hout op een handkar werden de stenguns verspreid. Het verzet kon maar mondjesmaat oefenen met de wapens omdat men niet over geluiddempers beschikte. Vlak na de oorlog schreef een verzetsman dat de dood van de twee leiders ‘geheel onverwacht’ kwam.

De bijzondere rechtspleging – bron: Nationaal Archief

Iedere collaborateur moet na de oorlog voor het gerecht verschijnen. In 1947 vindt postuum de rechtszaak plaats tegen Van der Grift. Vier Vleutenaren, inclusief twee verzetsmensen, leggen ontlastende verklaringen af.
Politieman Kolijn verklaart dat hem uit verschillende gesprekken met Van der Grift is gebleken, dat deze zich al veel langer niet meer kon verenigen met de idealen van de NSB en dat hij daarom in september 1944 als lid bedankt heeft. Kolijn vermoedt dat Van der Grift niet eerder heeft willen bedanken ‘om zijn vader, eveneens N.S.B.’er, niet te krenken.’
Een andere inwoner noemt Van der Grift ‘een bijzonder humaan en edel mens.’ Het was geen partijman. ‘Zijn streven was steeds een meer waarderende houding ten opzichte van de agrarische bedrijven.’
Deze laatste waarneming sluit aan bij wat historicus Piet de Rooy schrijft over de uitwerking van de vooroorlogse crisis op de agrarische sector. Veel boeren hadden een afkeer van de politiek. Zij hadden het gevoel dat zij verwaarloosd werden. ‘Ze ontwikkelden een eigen ideologie die zich scherp afzette tegen de moderne stedelijke cultuur van het westen.’ Zo werden zo vatbaar voor extreem-rechts.
De rechter van het Tribunaal besluit dat er geen maatregelen worden opgelegd.
Wie de daders zijn geweest en waarom zij Van der Grift hadden uitgekozen zal waarschijnlijk altijd onbekend blijven.

0

EXPLODE INTO SPACE

Herinnering

Of de duvel ermee speelt. Sinds we binnen moeten blijven is het voortdurend prachtig lenteweer. Wie kan de verlokkingen van buiten weerstaan? Dat vraagt om moeilijkheden. Eerst lagen de strandlopers onder vuur, daarna de motorrijders. Dat laatste had natuurlijk niets met corona van doen. Motorrijders hebben zich met hun leren pakken en integraalhelmen zo goed beschermd dat we hen zonder risico op de IC zouden kunnen inzetten.
Overlast van groepjes motoren die op de eerste lentedag de rivierdijken afscheuren is er al jaren. De motor is een pleziervoertuig geworden dat glimmend in de garage staat te wachten tot de kou en de regens voorbij zijn. Motorrijden is een fysieke beleving. Je hoeft er niet bij na te denken, niet over te discussiëren. Lekker naar buiten, kop in de wind, zonder al te veel inspanning. Het ultieme gevoel van vrijheid, ooit begonnen met Easy Rider, de film. Get your motor running, head out on the highway. Looking for adventure, and whatever comes our way. Liefhebbers delen hun hobby graag. Het zijn groepsmensen, samen scheuren bevordert het kameraadschap.
Het moet gezegd: het zijn in hoofdzaak mannen.

In mijn jonge jaren had ik een tijd een vriendinnetje met een motor. Zij was klein en tenger maar ze had voor het hoogste gekozen: een 500cc Yamaha. Met bewondering keek ik toe hoe ze dat loeizware ding op de standaard wist te zetten. Ik had er plezier in als mensen omkeken als ik achterop ging zitten. M. had voor mij een helm geregeld waarop ze met flinke plakletters mijn naam had aangebracht. Zoals vrachtwagenchauffeurs voor de voorruit een bord met de naam van hun liefje meevoeren.
Tijdens de eerste tocht bleef ik in de bochten angstvallig rechtop zitten. Ik hoorde M. iets onverstaanbaars roepen. Gelukkig mocht ik mijn armen om haar middel houden. Hoe opwindend om bij ondergaande zon langs het Gooimeer te toeren. Ik vond het iets lustopwekkends hebben. Als de rit maar niet te lang duurde. Na een half uur had ik al de behoefte om mijn benen weer te strekken.

Jaren later namen G en ik de veerboot vanuit Schiermonnikoog. Ruim voor de aankomst liepen we alvast naar onze fietsen, zodat we als een van de eersten de wal op zouden kunnen rijden. Tientallen motorrijders waren op dezelfde gedachte gekomen. Een kwartier voor tijd werden in het ruim de motoren alvast gestart. En niet alleen dat, de een na de ander gaf voortdurend een dot gas, alsof elk ogenblik de vlag voor de start van de race zou vallen. Alsof het een wedstrijd was wie het mooiste geluid kon produceren. Er ontstond een orgie van lawaai. Dit was agressie, machtsvertoon, de kracht van de groep. Born to be wild. Moderne krijgers die zich voorbereiden op de oorlog, op de overwinning. Toewerken naar een orgasme. Fire all of your guns at once. And explode into space.
De huidige motorrijder in Nederland verschilt op één cruciaal aspect van die in Easy Rider. Peter Fonda en Dennis Hopper scheurden over verlaten wegen, door een kaal landschap waar geen mens te bekennen was.

0

AFRIJDEN

Herinnering

Het dashboard van de Daffodil

Ik sta in de wachtstand. Bijna ongemerkt trekken er gedachten over de toekomst door mijn hoofd. Zoals dat ooit was voor ik op kamers ging wonen, voor ik een baan kreeg. Straks, als…, straks dan… Maar omdat ik de toekomst nog nooit zo weinig in de hand heb gehad als nu, ga ik in dit stuk vierenveertig jaar terug, naar dinsdag 1 april 1976, de dag dat ik voor de eerste maal opging voor het rijexamen.
Ik was bijna vierentwintig jaar en tot dan had ik niet de minste behoefte gevoeld om het rijbewijs te halen. Het was in de jaren dat ik graag van de hoofdstroom afweek. Ik had me echter laten overhalen met het argument, dat het nooit weg is om een rijbewijs te hebben. Zoals iemand die niet van zwemmen houdt toch zijn zwemdiploma wil behalen.
Overigens had ik al wel vaker een auto bestuurd. Mijn vader had in een Daffodil gereden, uitgevoerd met dubbele rem en dubbele spiegels, wat in die tijd gelijk stond aan een lesauto. Toen hij ernstig ziek was, reed ik ook wel in mijn eentje naar het ziekenhuis.
Ik begon daarom bij de rijschool met het idee, dat ik met mijn rijervaring aan een paar lesjes genoeg zou hebben. De instructeur dacht daar anders over en juist toen ik vermoedde dat hij vanwege zijn portemonnee het examen nog langer wilde uitstellen, viel de oproep in mijn bus.

Het was een vochtige, grijze morgen, die donderdag dat ik mij bij het Oude Tolhuys in Utrecht meldde. Voor de eerste maal dat voorjaar trok er warme lucht over Nederland. Mijn examinator was een oudere man in een wollen winterjas. Of ik het nu warm kreeg van de zenuwen of de examinator door zijn veel te dikke jas, feit was dat, nog voor ik wegreed, de ramen aan alle kanten beslagen waren. In mijn lessen was ik met alle mogelijke situaties geconfronteerd, onder allerlei weersomstandigheden, maar een oefening in beslagen ruiten had ik nooit gehad. Ik wist niet waar de knop zat om dit euvel te verhelpen en was compleet van mijn à propos. Ik verwachtte elk ogenblik een ingreep van de examinator.

Nog juist op tijd vond ik een knop waardoor er ergens een blazend geluid ontstond en er zich aan de onderzijde van de voorruit een paar kijkvensters vormden. Ik vroeg me af of het de bedoeling was, dat ik turend door die smalle spleten de wagen in beweging zou brengen. ‘Laat ‘em nog maar even lekker doorblazen’, bromde de examinator. Ik had het idee dat zijn jas nog dikker geworden was.
Na deze valse start hervond ik mijn beheersing en verliep alles vlot totdat ik aan het einde de oprit achter het stadion naar de snelweg opreed. Dit is, nog altijd, een hele korte oprit. Ik gaf flink gas, tuurde gespannen in mijn zijspiegel en zag enkele auto’s naderen. Vlak voor me kwam ook het einde van de oprit akelig dichtbij. God zegene de greep dacht ik en voegde in. De examinator zag  mijn gespannenheid blijkbaar aan voor koelbloedigheid. Al de volgende dag kon ik vlakbij mijn huis het begeerde roze document ophalen, gemaakt van een papiersoort die kon rafelen als een stuk katoen.

1

ZO LANG MOGELIJK THUIS BLIJVEN WONEN

Herinnering

Het jaar 2000 (3)

Mijn moeder is op hoge leeftijd geïnvalideerd geraakt. Na enkele weken kan de thuiszorg een medewerkster vrijmaken die haar helpt met opstaan, eten en naar bed gaan. Iedere dag is ook een van haar vier kinderen een poos aanwezig. Er moet veel geregeld en afgestemd worden. Fysiotherapie, indicatiecommissie, extra voorzieningen in huis. Het personeel van de thuiszorg wisselt doorlopend, zodat het een gedoe is met het doorgeven van sleutels en er wel eens een hulp voor een dichte deur staat ’s morgens. Of de bezorger van de apotheek kan zijn grootverpakking incontinentiemateriaal niet kwijt.
Het helpt daarbij niet dat de cognitieve vaardigheden van mijn moeder sterk zijn afgenomen. Ze vindt, dat ze geen hulp nodig heeft. De thuishulp hoeft niet schoon te maken. De rollator die we gehaald hebben mag met de kerende post terug. ‘Die heb ik toch zeker niet besteld.’ Het zendkastje van de alarminstallatie haalt ze uit het stopcontact. Ondertussen laat ze de krant op de brandende gaskachel liggen.
Met zo’n grote behoefte aan zorg en toezicht ziet het er niet naar uit, dat ze nog thuis kan blijven wonen. Maar kunnen wij dat doorzetten, terwijl zij er zelf niet aan toe is?

Ik heb mijn handen vol en prijs mezelf gelukkig dat ik mijn werktijden flexibel kan indelen. Van de eerste ervaringen van mijn tienerzoon in de jeugdopleiding van Feyenoord maak ik helaas niet alles mee. Als ik bij mijn moeder kom tref ik haar meestal duttend in een luie stoel. Het kleine oude transistorradiootje staat op hoog volume te blèren. Soms hoor ik twee zenders door elkaar heen.
Zelfwerkzaamheid stimuleren is de mantra van de hulpverleners. Onze pogingen om samen met haar te koken geven we op, als er weer eens een biefstuk zwartgeblakerd is. Die mag overigens niet worden weggegooid. We bestellen de maaltijdservice. En nadat een van ons Cup-a-Soup heeft geïntroduceerd, zijn de soeppakjes niet aan te slepen. Ook kroketjes zijn erg in trek. ‘Wat dat betreft leven we in het land der beloften’, oordeelt mijn moeder.

De keuken

Geleidelijk aan lukt het haar om zelfstandig kleine stukjes te lopen. ‘Heerlijk om er even uit te zijn’, zeg ik op een keer als zij stram aan mijn arm vooruit schuifelt op haar pantoffels. ‘Zeker’, beaamt ze, ‘het houdt je lenig.’
Met behulp van de inzet van een leger vrijwilligers gaat zij na enige tijd tweemaal per week naar de dagopvang. Zolang ze daar maar gezellig kan kaarten vindt zij alles best. Als ze maar niet gedwongen wordt om te kleien of te schilderen.
Het zijn de opmaten naar een opname in het verzorgingshuis. Ze beseft inmiddels dat zo’n overgang niet meer kan worden afgewend. Ze wil haar kinderen niet langer tot last zijn. ‘Je moet je verstand gebruiken’, is een van haar favoriete uitdrukkingen, juist in de tijd dat haar verstand haar dagelijks in de steek laat.
Op maandagmorgen 19 maart 2001 trekt ze haar oude winterjas aan, stapt de achterdeur uit, haakt haar arm in die van haar dochter en loopt zonder iets te zeggen en zonder om te kijken het erf af waar zij vanaf haar kindertijd – met een onderbreking van een paar jaar – zo’n tachtig jaar heeft gewoond.

0

MANTELZORG

Herinnering

Het jaar 2000 (2)

Die zaterdagavond, eind juli 2000, slaap ik voor het eerst sinds vele jaren in mijn ouderlijk huis. Alles oogt klein. De slaapkamer voelt benauwd, het raam is veel kleiner en lager dan het vroeger was. Alsof het huis gekrompen is.
Mijn moeder was gevallen en ze kon niet meer opstaan. Ze had geen gevoel meer aan één kant van haar lichaam. Zij kon slechts met veel moeite haar arm en been iets bewegen. Met een uiterste inspanning was het ons gelukt om samen mijn auto te bereiken, zodat ik haar naar de eerste hulp kon rijden. Daar zaten we uren op slechte plastic stoelen te wachten tussen de gevallen mannen die van de voetbalvelden werden aangevoerd. Het leek alsof het niet tot mijn moeder doordrong wat er met haar gaande was. We verlieten het ziekenhuis met een voorraad bloedverdunners en de verzekering dat er niets gebroken was. Over de oorzaak van haar val en de aard van de beperkingen waren we niet wijzer geworden.
Hoe dan ook, het was duidelijk dat zij bij alle dagelijkse verrichtingen hulp nodig had. Ik bleef bij haar en hielp bij het uitkleden. Het was een gedoe, haar armen en benen werkten niet mee. Ik verbaasde me over wat zij onder haar jurk droeg: verschillende hemden, geen bh, een slobberige onderbroek. Het ondergoed was nog niet versleten tot op de draad, maar het kwam behoorlijk daarbij in de buurt. Met mijn armen om haar bovenlijf liet ik haar heel voorzichtig achterover zakken, zodat zij zittend op het bed belandde. Ik voelde het direct in mijn rug, ik ben een leek in de ouderenzorg. Daarna zwaaide ik haar benen bij. Die horde was genomen.

Moeder bij de wasmachine

Ik had me al vaker afgevraagd wanneer onze hulp nodig zou zijn. Van leeftijdgenoten had ik verhalen gehoord over wat er al niet gevraagd wordt aan mantelzorg. Op dit moment zijn wij aan de beurt, denk ik die avond met enig fatalisme. Ooit waren wij afhankelijk van moeders zorg. Nu zijn de rollen omgedraaid.
‘s Nachts word ik wakker van een geluid uit haar slaapkamer. Het is een langgerekt en angstig oeoeoeoe. Ze moest plassen maar kon haar bed niet uitkomen. Geduldig trek ik haar eerst een schone onderbroek en pyjamabroek aan. Terwijl zij zich vasthoudt aan de wastafel verschoon ik het bed.
Als ik ’s morgens opsta, mijn hoofd nog duf en duizelig, blijkt het bed van moederlief weer nat. Zou er ergens op deze zondag incontinentiemateriaal te koop zijn, vraag ik me af. Ik trek al haar natte goed uit. Ze staat geheel naakt voor me bij de aanrecht in de keuken, klaar om gewassen te worden. Moet ik dit wel doen? Ja, dit hoort erbij, niet nadenken, spreek ik mezelf toe. Mijn moeder lijkt zich niet bewust van het bijzondere van dit moment, ze laat alles gebeuren. Alsof ik haar elke morgen verzorg. Voorzichtig was ik haar witte lijf, de slappe borsten die mij ooit gevoed hebben, de schoot die mij gebaard heeft.
Als zij na veel moeite aangekleed is zitten we samen aan de keukentafel. De wasmachine draait en het koffiezetapparaat pruttelt. We hebben het goed samen.

1

MIDLIFE

Herinnering

Het jaar 2000 (1)

Op mijn werk in de jaren negentig

2020, het jaartal voelt onwennig aan, alsof de stap naar het nieuwe jaar groter is dan anders, alsof het over een verre toekomst gaat. Het doet me denken aan die andere grote overgang, die naar het jaar 2000. Wat deed ik toen? Hoe verging het me in dat jaar?
Ik was zevenenveertig en dus In media vitae, ofwel Mitten im Leben, maar denkend aan 2000 klinkt er geen klassiek muziekstuk met deze titel door mijn hoofd, maar een tekst van Eric Clapton uit 1974:
Standing at the crossroads, trying to read the signs
To tell me which way I should go, to find the answer

De plannen van ‘later als ik groot ben’ waren uitgekomen: ik had een vrouw, een baan, een huis, twee zonen, vrienden. Dat alles was op dat moment echter onvoldoende om mij een zorgeloos en tevreden gevoel te geven.
In 2000 was ik meer dan tien jaar hoofd van een afdeling in de geestelijke gezondheidszorg. Ik keek uit naar iets anders, maar was er tegelijkertijd bevreesd voor om oude zekerheden los te laten. Om verder te komen had ik met succes een driejarige managementopleiding gevolgd. Daarna had ik geprobeerd een andere baan te vinden, wat niet gelukt was.
Ik had me naast het werk en de huishoudelijke taken steeds kunnen uitleven in muziek en cabaret, maar ik was erop uitgekeken zonder dat zich een andere liefhebberij had aangediend.

Jarenlang had ik al die bezigheden gecombineerd, maar aan het begin van de nieuwe eeuw voelde ik me moe en futloos. In mijn hoofd duizelde het. Ik ging naar de KNO-arts en toen die niets kon vinden, klampte ik mij vast aan een te laag ijzergehalte in mijn bloed. En toen de staalpillen slechts tijdelijke verlichting boden, bezocht ik de homeopaat, daarna de acupuncturist. Ik hield aantekeningen bij, probeerde patronen te ontdekken en oorzaken te achterhalen, om alles overziende te constateren: het is niet de objectieve overbelasting die mij nekt, maar de manier waarop ik ermee omga. Ik stel te hoge eisen, neem mezelf voortdurend de maat (die negatief uitvalt) en hou mijn gevoelens teveel in. Het bracht me naar de psychotherapeut. Wat toen niet in mij opkwam, maar nu een voor de hand liggende gedachte is: het was mijn midlife crisis. Teveel gedaan, te weinig stilgestaan en op zoek naar bakens voor de toekomst. Een collega zei dat ik er opeens een stuk ouder uitzag.

Het jaar 2000 was ook het jaar van een fusie op mijn werk. Ik kreeg de opdracht om twee afdelingen, die feitelijk hetzelfde werk deden, maar in aanpak en cultuur hemelsbreed van elkaar verschilden bij elkaar te voegen. Het was, na de tegenslagen in de sollicitaties, een nieuwe uitdaging, waarin ik me met plezier in vastbeet. Het ging me goed af en het gaf me weer nieuwe energie. Die kon ik goed gebruiken.
In juli braken we een kampeervakantie in de Vogezen voortijdig af wegens aanhoudende regenval. Nog maar net thuisgekomen kwam het bericht, dat mijn 86-jarige moeder was gevonden door de SRV-man. Zij lag op de vloer van haar slaapkamer, was bij bewustzijn, maar kon niet meer zelf overeind komen.

0

DOUWE EGBERTS

Herinnering

Net veertien jaar oud behaalde mijn vader het mulo-examen. Daarna deed hij nog cursussen Engelse en Duitse handelscorrespondentie, kantoorstenografie en machineschrijven. Met die bagage begon hij op woensdag 8 januari 1930 zijn werk als kantoorbediende bij Douwe Egberts, het bedrijf van de Friese familie de Jong. Zijn moeder had die baan voor hem uitgezocht. Het was een goed katholiek bedrijf. Daarnaast was het een voordeel dat de Utrechtse vestiging vlakbij Vleuten lag. Zij was met hem meegegaan, toen hij er zich als vijftienjarige ging ‘presenteren’. Hij zou er meer dan veertig jaar blijven werken, tot aan zijn overlijden in 1972.
Mijn vader begon als assistent van de directeur, J.H. de Jong. Net als de andere leden van deze familie werd de directeur met zijn initialen aangeduid: mijnheer J.H. Mijn vader werkte mee in de boekhouding en zorgde ervoor dat de salarissen uitbetaald werden. Door zijn fabelachtige geheugen werd het bedrijfsarchief zijn belangrijkste taak. In mijn jeugd was hij het hoofd van het Centraal Archief. Toen hij vanwege gezondheidsproblemen deze functie niet meer kon uitoefenen werd hem gevraagd een historisch archief op te zetten. Een publicatie over de geschiedenis van het bedrijf heeft hij niet meer kunnen afronden.
De binding tussen de familie de Jong en de werknemers was sterk. Opeenvolgende generaties waren in dienst bij het bedrijf. Bij ons thuis was Dee-ee een van de zekerheden in mijn jonge jaren.

De herinneringstegel van het 200-jarig bestaan, in 1953, hing in de huiskamer. Sinterklaas bracht ooit een houten vrachtwagen met het opschrift D.E. voor mij mee. Vanzelfsprekend spaarden we de punten van de thee en de koffie. Periodiek werden deze in bosjes van honderd gebonden. Daarna kon de keuze uit de geschenkenlijst worden gemaakt. De koffie- en theepotten, de kopjes, de lepeltjes, de trommeltjes en busjes, alles kwam van D.E. Later kwamen daar de electrische koffiemolen en het eerste koffiezetapparaat bij. In zijn archief vind ik nog een lezing terug van mijn vader over het geschenkenstelsel. Hij eindigt deze met een citaat uit de bijbel: ‘Zoek eerst het Rijk Gods en al het andere zal U worden geschonken als toegift.’
Zoals zijn moeder voor hem een baan had geregeld, zo arrangeerde mijn vader voor mij in mijn tienerjaren vakantiewerk bij Douwe Egberts. Ik mocht binnen het bedrijf de post rondbrengen, een luizenbaantje. Daarnaast fotografeerde ik artikelen waarvan de afbeeldingen in het archief bewaard dienden te worden. Het was voor mij een opmaat naar een opleiding als fotograaf, die er nooit van gekomen is.

Het bedrijf deed alles om de werknemers aan zich te binden. Nog voor de sociale verzekeringswetten van de jaren vijftig beschikte D.E. over eenvoudige regelingen voor pensioen en kindertoeslag. Na het overlijden van mijn vader ontving mijn moeder een volledig jaarsalaris als eenmalige uitkering. Daarna ontving zij nog tot in lengte van jaren gratis koffie en thee, een bos bloemen op haar verjaardag en het kerstpakket. Zelf heb ik vanaf 1972 meerdere jaren een studietoelage van D.E. ontvangen. Deze bijdragen hebben niet kunnen voorkomen dat de verbinding door de jaren heen verwaterd is. Met enige schaamte moet ik hier bekennen dat wij al lang onze koffie en thee bij AH kopen. Nu plakken we de zegeltjes van AH. Dat dan weer wel.