Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

1

WEEMOED

Herinnering

Deze week hoorde ik het lied weer. Het was jaren geleden dat het voorbij gekomen was. Ik werd er door overvallen en was gelijk van de wereld. Er ontstond een wee gevoel in mijn buik, een heftig verlangen gemengd met de pijnlijke gewaarwording van het onbereikbare. Heimwee naar iets dat al lang voorbij is en nooit meer terugkomt. De muziek nam me mee naar 1970, naar mijn achttiende jaar en het eerste jaar van mijn studie.

America van Simon and Garfunkel is een rustige ballad over een jong stel dat door de Verenigde Staten trekt om het land te ontdekken. Een romantisch lied over vrijheidsdrang en ongebondenheid. De Greyhound bus nemen en dan maar zien waar je uitkomt. Met weinig geld, samen met je lief. Op zoek naar, ja, op zoek naar wat?
Let us be lovers, we’ll marry our fortunes together
I’ve got some real estate here in my bag
So we bought a pack of cigarettes and Mrs. Wagner’s pies
And we walked off to look for America
Zij dromen weg in de Greyhound bus die over eindeloze highways rijdt, terwijl de maan opkomt boven een open veld. Zij ontdekken dat het leven niet alleen maar mooi is.

Cathy I’m lost, I said, though I knew she was sleeping
I’m empty and aching and I don’t know why
Counting the cars on the New Jersey Turnpike
They’ve all come to look for America
Het lied begint en eindigt met zachte gitaarklanken, met neuriënde samenklanken van de tenorstem van Garfunkel en de bariton van Simon, in een afwisseling van mineur en majeurakkoorden. Zijn het verlangen en de nostalgie in die akkoorden verwerkt of leg ik die er in?

Ik had, als eerstejaars student, voor weinig geld een verzamelelpee gekocht. Met een uitgavenpatroon van vijf gulden per dag kon ik mij niet meer veroorloven. Rock Machine – I love you was de titel. De flowerpower periode duurde in 1970 nog voort – in ieder geval in de marketing. Op de hoes stonden talrijke kleine fotootjes van vrijende paartjes afgebeeld, alles Amerikaans-keurig en niet aanstootgevend, al was er hier en daar vaag een door mij gekoesterde blote tiet te zien. De nummers op de lp vielen me enorm tegen en het zou een miskoop geweest zijn, ware het niet dat America van Simon and Garfunkel erop stond.
Er is geen ander lied dat zo goed mijn gevoelens en ervaringen van die tijd belichaamt. Ik was op kamers gaan wonen. Voor het eerst stond ik geheel op eigen benen, met al zijn aantrekkelijkheden en onzekerheden. Er ging een wereld voor mij open, er was een wereld te ontdekken. Ik deed mijn brommer van de hand en spaarde voor een bandrecorder. Ik liep een avond achter een meisje aan, dat vriendelijk naar mij had gelachen. Dat eerste jaar was een avontuur, waar ik nu met nostalgie aan terugdenk. In werkelijkheid was het natuurlijk veel minder mooi dan het nu lijkt.

2

ONVERWACHT BEZOEK

Herinnering

Het moet rond 1960 geweest zijn, dat er halverwege een nazomermiddag een auto stopte bij ons huis. Het was het laatste huis aan een halfverharde, doodlopende weg. Behalve de tractor van een fruitteler kwam er nooit verkeer langs. De auto was te meer bijzonder, omdat het een Mercedes was met een Duits kenteken. Ik zag het gebeuren en mijn overtuiging dat de vreemdelingen de weg kwijt waren geraakt werd ontkracht door het stilvallen van de motor. Vervolgens gingen alle portieren open en stapte een heel gezelschap uit, volwassenen en kinderen. De komst van de vreemdelingen maakte me bezorgd.
Na al die jaren zie ik nog slechts twee mensen duidelijk voor mij. Als eerste van de groep liep er een kleine, brede man met donker haar het erf op. Hij lachte mij toe alsof hij me eerder gezien had. Achterin het gezelschap schuifelde een oude oma, geheel in het zwart gekleed. Zij had een klein mondje en ingevallen kaken.

Dat voorjaar tijdens het Vleutens Feest hadden de winkeliers bij wie je Ring-zegels kon sparen, een ballonwedstrijd uitgeschreven. Voor ieder kind werd door het promotieteam van Ring een ballon gevuld met helium. Daarna werd het kaartje met je naam en adres eraan geknoopt. Vervolgens moesten we onze ballon stevig vasthouden totdat voor alle kinderen de ballonnen waren gevuld. Terwijl er al een enkele ballon de lucht inging, stond ik met een verkrampte hand te wachten. Onder luid gejuich steeg tenslotte de gekleurde massa ballonnen op richting het zuidoosten.
Van mijn ballon is taal noch teken meer vernomen, maar mijn zus ontving na een aantal dagen het kaartje retour. Haar ballon was ergens in Duitsland geland. Daarmee had zij de tweede prijs in de wedstrijd gewonnen. En nu stonden onverwacht de vinders voor de deur.

Daar zaten we dan met zijn allen, in een wijde boog om de tafel in de voorkamer, terwijl mijn moeder druk in de weer was met kopjes en glaasjes. De bezoekers keuvelden er rustig op los, blijkbaar ervan uitgaande dat wij hun Duits goed kon volgen. Veel buitenlanders zien Nederland als een Duitse provincie en het Nederlands als een Duits dialect.
Mijn broer die een paar jaar middelbare school achter de rug had, was de enige die wat kon verstaan. We misten node mijn vader die als veertienjarige met mooie cijfers het diploma Duitsche Handelscorrespondentie had behaald. De woordenschat die mijn moeder in de oorlog had opgedaan, beperkte zich tot woorden als nicht, richtig en aufmachen.
Het was daarom pijnlijk dat mijn moeder op een stoel naast oma belandde. Door het ontbreken van het grootste deel van haar tanden zou het geslis van de oude vrouw zelfs voor leraren Duits onverstaanbaar zijn geweest. Met bewondering zag ik hoe mijn moeder aanhoudend begrijpelijk naar oma knikte.
Er is tot slot nog één beeld dat ik levendig voor me zie. Ik was destijds nog nooit iemand tegengekomen met een gouden tand. Nu zag ik bij elke lach van de Duitse man links en rechts, boven en onder, gouden tanden blinken. Niet lang daarvoor had ik gehoord, dat de nazi’s de gouden tanden uit de lijken van de gaskamers hadden verwijderd.

0

EEN SPECIALE PRIJS

Herinnering

Vakantieherinnering (4)

De haven van Genua

Eenmaal waren G. en ik in Genua, de stad die is beschreven door Ilja Leonard Pfeiffer en eenmaal reden we over het beroemde viaduct, dat ons toen nog kon dragen. Het was in 2012, we beschikten niet over een navigatiesysteem, dus het kostte veel overbodig rondrijden, vragen en irritatie voor we ons doel bereikt hadden: een overdekte, bewaakte parkeergarage naast het station.
We zouden een week gaan wandelen in het Parque Nazionale delle Cinque Terre, langs vijf voormalige vissersdorpjes, die op onmogelijke plaatsen tussen de rotsen boven de Middellandse Zee liggen. Dorpjes die vroeger over land onbereikbaar waren, maar nu vanwege hun schitterende ligging en hun ‘authentieke karakter’ jaarlijks een paar miljoen bezoekers trekken. Waardoor je er niet je auto kunt parkeren. In zijn boek Grand Hotel Europa, één lange aanklacht tegen het toerisme, besteedt Pfeiffer ook een hoofdstuk aan de Cinque Terre.

We reden de Golf Variant de donkere buik van de garage in, het ene na het andere smalle bochtje omlaag, langs stootranden die al vaak geraakt waren en met banden die piepten op een vloer die op geglazuurd beton leek. Diep onderin vonden we een veilig plekje. Het tarief was € 1,60 per uur. Een schappelijk prijsje, maar wij waren benieuwd naar het tarief per week. De automaat gaf het ons niet prijs en het kantoortje daarachter was leeg en donker. In de hele garage was het doodstil, we waren de enigen in het halfduister ergens diep onder de grond. Dit was bewaking op zijn Italiaans.
De automaat beschikte over een gele knop met het woord ‘info’. Aarzelend duwden we deze in. We hoorden een krakerige stem, die ons in het Italiaans toesprak. Het klonk mij alsof wij in overtreding waren en opgesloten zouden blijven, maar G., die beter is in talen, had ook enkele Engelse woorden opgevangen en daaruit begrepen dat er iemand naar ons toe zou komen. Na vijftien spannende minuten kwam er waarachtig een kleine Italiaan in een mouwloos hemd op een scooter aangereden. Hij verontschuldigde zich. Het was de nationale feestdag, La Festa de la Republicca, hij had thuis achter de tv gezeten.
Natuurlijk, een week parkeren was mogelijk. Dat kostte 105 euro, maar – hier begon hij zachter te praten, zijn blik werd samenzweerderig – hij kon ons de stalling voor 90 euro aanbieden, handje contantje. We moesten dan bij het ophalen vragen naar Gianlucca. Zijn ogen glinsterden. Wij keken elkaar bezorgd aan. ‘Dit is Italië’, zei ik in de duistere lift omhoog.

Een week later waren wij opgelucht dat we de auto in puike staat terugzagen. Gianlucca was echter nergens te bekennen. In plaats daarvan zagen wij in het kantoortje een onkreukbaar uitziende Italiaan in uniform, die zomaar eens de baas van Gianlucca zou kunnen zijn. Het leek mij onverstandig om uit te leggen welke prijs wij hadden afgesproken. We stopten daarom ons parkeerkaartje in de automaat. We werden aangeslagen voor € 264. Zie je wel, we zijn bedonderd, zei ik. Er zat niets anders op dan de kwestie aan de onkreukbare beambte voor te leggen. Die glimlachte bij het horen van de naam Gianlucca. Hij gaf ons voor 90 euro de begeerde uitrijkaart, waarna wij met piepende banden uit het duister omhoog reden naar het zonlicht .

1

OPLOPENDE TEMPERATUREN

Herinnering

Vakantieherinnering (3)

Ronda

In augustus 1981 zijn G. en ik in Andalusië met de bus onderweg van Ronda naar Sevilla. Het is 37 graden Celsius in de schaduw. De zweetdruppels lopen van mijn hoofd en mijn rug plakt vast aan de zitting. Ik zweet snel, wat volgens sommigen een voordeel is. Maar in dit soort omstandigheden ervaar ik dat als een nadeel. Zolang de bus maar rijdt en er warme lucht door de openstaande ramen naar binnen waait, is de hitte nog te dragen.
Ik had vier jaar daarvoor 35 graden meegemaakt in Athene. Dat vond ik ongekend. Elvis was net overleden en in de YMCA had ik de bijzondere aandacht van een man die naakt bij de wastafels liep. Ik had niet het idee, dat hij dat deed vanwege de hitte.

Vergeleken met Athene voelt deze hitte ondragelijker. Hoewel we een tentje bij ons hebben zoeken we in Sevilla een fonda waar je voor een habbekrats kunt slapen. Een oude man, die moeizaam loopt, wijst ons op de eerste étage een kamer met een klein balkon boven een nauwe steeg. Het voelt er nog relatief koel. Naar later zou blijken beheert de man het logement samen met een oudere broer en zus. Iedere nacht slaapt een van hen in een leunstoel onderaan de trap om te voorkomen dat gasten ’s morgens vroeg vertrekken zonder te betalen.
Als we onze rugzakken uitpakken blijkt dat het kampeer-botervlootje, ooit gekocht omdat het bestand was tegen hoge temperaturen, tijdens de reis niet goed afgesloten is geweest. De gesmolten boter heeft zich over een slaapzak verspreid. Mijn vermogen om tegenslag te accepteren was in de loop der jaren wat gegroeid, als ik maar de mogelijkheid had om het probleem direct te verhelpen. Maar als ik met de goed beboterde slaapzak en een stukje toiletzeep klaar sta bij het fonteintje, blijkt dat er geen druppel water uit de kraan vloeit. We horen dat het water in Sevilla op rantsoen is. ‘Esta noche, quizas’, vanavond misschien, zegt onze gastheer onverstoord.

Het Alcazar op een rustige morgen

De volgende ochtend gaan we al vroeg op stap naar het Alcazar, het schitterende koninklijk paleis uit de Moorse tijd. We lopen van schaduw naar schaduw om de ongenadige zon te vermijden. In de middag, als de temperatuur opgelopen is tot bijna 40 graden vluchten we naar het Parque Maria Luis om uit te hijgen op een fraai betegelde bank. De warmte ligt als een zware, niet te verwijderen deken om mij heen. Iedere beweging is teveel. Ik voel een enorme weerstand.
Laat op de avond komt er een eerste verkoelend windje door de wijd openstaande balkondeuren van onze kamer. Ik heb al mijn kleren als overbodige ballast uitgetrokken en moet de exhibitionistische neiging onderdrukken om zo het balkon op te lopen. Van buiten klinkt het lawaai van spelende kinderen. Het loopt tegen twaalven.
Om de warmte voor te zijn vertrekken we de volgende morgen in alle vroegte uit het pension. Met een opgeknapte slaapzak en een leeg botervlootje. Het gestommel op de trap maakt de man in de leunstoel wakker. Hij zet zijn stoel aan de kant om ons met de rugzakken te laten passeren. Op naar Cordoba.

2

AAN HET MEER

Herinnering

Vakantieherinnering (2)

G. met de jongens naast onze tent

Zweden moet een mooi land zijn, hadden we gehoord. De campings zijn er rustig, de natuur is in de zomer op zijn mooist en overal is wel een meer om in te duiken. Ruim op tijd kopen we in 1983 kaartjes voor de overtocht van het Deense Fredrikshavn naar het Zweedse Göteborg. Ondertussen hang ik verlekkerd boven de kaart van Zweden en oefen ik de namen van plaatsen en meren.
De misselijk makende deining op de veerboot nemen we voor lief, evenals de dichte regens die ons het zicht op Göteborg ontnemen. ‘Always look at the bright sight of life. Het is vakantie!’. En zie, als we aankomen op de camping in Kil aan het Frykenmeer, is het droog. Op het groene grasveld is nog heel veel ruimte. We kiezen een plek uit op enkele meters afstand van het water. Nog voordat we de tent hebben opgezet is een van de kinderen al in het water gevallen.

Als we de volgende dag terugkomen van een wandeling, zien we dat we buren hebben gekregen. Een stel jonge Duitse atleten is erin geslaagd om hun bungalowtent nog tussen die van ons en de waterkant te plaatsen. De gettoblaster is al aangesloten. We zijn het er nog niet over eens of dit nu typisch Duits is.
Aan de overkant is er een goedkoop, flodderig tentje bijgekomen, fel blauw en zo te zien nog gloednieuw. Af en toe komt er een blonde vijftiger uit tevoorschijn, die zich met de air van een CEO naar het toiletgebouw beweegt. Na een dag zien we dat er een piepjonge, minstens zo blonde vrouw bij hoort. Zij geven geen overlast, want ze liggen de godganse dag in de tent. Gelukkig is er een windje opgestoken waardoor het gefladder van hun tentdoek andere geluiden overstemt.

Een van de attracties van deze camping is de visvijver. Je kunt er een dikke forel aan de haak slaan. Regelmatig zien wij mannen (het zijn alleen maar mannen) met hun trofee over de camping paraderen, even later gevolgd door een geur van gebakken vis. Dat willen wij ook wel eens proberen. Wij huren een werphengel bij een aardige Zweed die naar alcohol ruikt. Hij vertelt ons dat de vangst door hem zal worden gewogen en dat we dan 58 kronen (9 gulden) per kilo moeten afrekenen. De vis wordt duur betaald in Zweden.
Geen van ons heeft ooit met een werphengel gewerkt. Voor G. is dat geen beletsel om kordaat het tuig te pakken. Me verheugend op de primeur van een vrouw die met haar vangst de blitz maakt, laat ik het initiatief graag aan haar over. Het is bovendien een mooie avond, echt zo’n avond dat je voelt dat alles gaat lukken. Met een flinke zwaai gooit zij de lijn het water in. Een fractie van een seconde later kijken we elkaar verbouwereerd aan. G. heeft enkel nog het handvat in haar hand. Twee meter verderop zien we de bijna complete hengel langzaam onder het wateroppervlak verdwijnen. De werphengel heeft zijn naam eer aangedaan. Nu kan het vissen echt beginnen. Ik vraag me bezorgd af hoeveel gevangen werphengel in Zweden per kilo doet.

0

DORPSHOTELLETJE

Herinnering

Vakantieherinnering (1)

We hebben 1120 kilometer gereden en zijn al een uur op zoek naar een geschikt overnachtingsadres als we in Belin-Beliet, een dorpje onder Bordeaux stoppen voor Hôtellerie des Pins. Het is een oud landhuis, dat wel een verfje kan gebruiken. Aan de voorzijde ligt een stoffig grintterrein.
‘Eén ster, dat doen we niet’, zegt onze zoon van elf. ‘Een verrot zooitje, balos!’ , valt zijn jongere broer hem bij. Om zijn uitroep kracht bij te zetten smijt hij enkele keien op het grint.
‘Laten we eerst maar eens gaan kijken, hoe het er binnen uit ziet’, zeg ik vermoeid.
We zijn in 1996 voor een kampeervakantie op weg naar de Picos d’ Europa in het noorden van Spanje. Dat betekent saaie uren over de Autoroute waar weinig afleiding is. ‘Daar gaan die Zweden weer met die surfplanken’. A. turft vrachtwagens (‘M.A.N. doe ik ook maar bij de DAF’). Elke twee uur een stop op zo’n drukke Aire de Service waar altijd wel een van ons roept: ‘hier zijn we eerder geweest!’ En waar je na een plas jezelf weer in de overvolle, warme auto vouwt, de benen over de tassen met broodjes, spelletjes en snoep.
De vrouw van het hotel gaat ons voor, door donkere gangetjes en over smalle trappen naar een warme kamer waar het gordijn voor het half geopende raam opwaait. ‘Ils sont neufs’ zegt ze over de bedden. Negen jaar oud, denk ik, dat valt niet mee. Het is weer even wennen met dat Frans. De kamer ziet er niet ideaal uit, maar we hebben geen zin om verder te zoeken.
Bij het diner valt alles op zijn plek. We zitten op een rustig terras aan de achterzijde onder een eeuwenoude eik. De avondlucht voelt très agréable. Met de gierende geluiden van de zwaluwen in de zachtblauwe lucht en het geknirp van een sprinkhaan verdwijnt de dreun van de Autoroute uit ons hoofd. Dit is het vakantiegevoel, tijd om onszelf te verwennen na zo’n dag. We overwegen menu’s van 85 franc met Franse kaas èn een dessert. Kijkend op de kaart slaat er naast het hotel een hond aan. ‘Ah, un chien méchant’, roep ik uit. ‘Ik wil liever een Dame Blanche’, antwoordt de jongste zoon.

Belin-Beliet – ‘Bourge sans histoire’

De kinderen hebben hun dessert al op, als G. en ik nog zitten te wachten op ons hoofdgerecht. Wanneer dit wordt opgediend is het zo schemerig, dat ik niet meer kan onderscheiden welke vreemde ingrediënten in deze lokale specialiteit zijn verwerkt. Ik merk het pas uren later als ik, half in slaap, vanuit mijn darmen het signaal krijg, dat ik als de gesmeerde bliksem de wc moet opzoeken. Het geluid dat er vervolgens in die nauwe hurkplee klinkt zal ik niet proberen te beschrijven. Wel kan ik zeggen dat dit ritueel zich in de volgende uren diverse keren herhaald heeft. Vermoeid, maar toch klaarwakker kan ik volgen hoe zich buiten op het grint een groepje jongeren verzamelt. Naar later blijkt wachten zij op de komst van de dealer. Met enige zorg controleer ik bij elke blik door de gordijnen of de kampeeruitrusting nog boven op de auto ligt.

3

HET KATHOLIEKE HUWELIJK

Herinnering

Een innige omstrengeling van mijn vader en moeder in het najaar van 1951 zorgde ervoor dat ik de daarop volgende zomer ter wereld kwam, vandaag precies 68 jaar geleden. Van deze gebeurtenissen weet ik uiteraard niets. Wel weet ik nu, dat er in die tijd in de slaapkamers van katholieke echtparen veel problemen waren. De voortplanting was het meest besproken onderwerp in de biechtstoel en overal schoten Katholieke Bureaus voor Huwelijksmoeilijkheden uit de grond. Ik las de afgelopen tijd het boek Geestelijke bevrijders van Hanneke Westhoff over de geschiedenis van de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Daarin nemen huwelijk en seksualiteit een prominente plaats in. Het was allemaal nog veel erger dan ik gedacht had.

Een katholiek gezin – foto: Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)

Mijn ouders groeien op in de eerste helft van twintigste eeuw als de katholieken in een triomftocht naar buiten trekken om het ware geloof te prediken. Men leeft in de geborgenheid van het gezin, de parochie en het eigen onderwijs en in strikte gehoorzaamheid aan de kerk en de paus. De hemel is weliswaar nog niet bereikt, maar het scheelt niet veel. De alomtegenwoordigheid van de kerk gaat gepaard met een strikte controle van de pastoor op de naleving van de regels.
De katholiek dient zich te laten leiden door zijn verstand, dat op zijn beurt gestuurd wordt door de geboden van God. Emoties moeten worden beheerst, driften getemd. Genieten is gevaarlijk. Dansen, bioscoop en zonnebaden zijn verdacht, want lustopwekkend. Mannen met teveel energie moeten worden aangezet tot bezigheden: ‘timmer bijvoorbeeld een kerststalletje.’
Masturbatie vóór of tijdens het huwelijk is vanzelfsprekend een zonde. Het doel van het huwelijk is de voortplanting. Niets mag daarbij in de weg staan. Coïtus interruptus, voor het zingen de kerk uitgaan, is een doodzonde. Priesters worden opgeleid om in de biechtstoel hierop door te vragen. Wie zich niet wil voegen, ontvangt geen vergiffenis voor zijn zonde en mag niet ter communie gaan. Dan ziet heel de goegemeente dat jij tijdens het hoogtepunt van de mis in de bank blijft zitten. En erger nog: wie doodzonden begaat zonder vergeving eindigt in de hel. Zelfs periodieke onthouding is tegennatuurlijk, want tegen de wetten van God.

Een pastoor zegent kruisen – foto: BHIC

Het zijn vooral de gevoelige katholieken die hieronder leiden. Een hele generatie groeit op met tal van remmingen en angsten. Met afkeer van en schuldgevoelens over aanrakingen, genot en seksualiteit. Alleen al de gedachten eraan zijn zondig. In die sfeer ben ik opgegroeid.
De eerste psychologen in de jaren vijftig wijzen op het gebrek aan emotionele volwassenheid en op de risico’s van al die geboden en verboden. Maar psychologen zijn in de ogen van de kerk aanhangers van de zondige Freud. Als mensen problemen hebben dan is dat een kwestie van onwil, zwakte en slechte gewoonten. De leer van de kerk is de enige remedie: bid veel en vertrouw op God. Het geloof is nooit schadelijk, maar altijd heilzaam.

Eenmaal getrouwd is het parool: losgaan! Wat altijd verboden was, is dan opeens noodzaak en plicht. Aan het einde van hun huwelijksdag vonden mijn ouders dichtgenaaide pyjama’s in hun slaapkamer. Ik hoorde dit als kind en begreep er niets van. Het destijds opkomende pleidooi voor meer voorlichting was nog lang niet tot de pastoor van Vleuten doorgedrongen.

2

SLUISWACHTER

Herinnering

Vreeswijk is een oud plaatsje aan de Lek onder Utrecht. In de veertiende eeuw werd hier een sluis in de Vaartse Rijn gebouwd, waardoor Utrecht zijn scheepvaartverbinding met de Lek kreeg. Daarna kwam er een fort om de sluis te beschermen en groeide er een dorp omheen. In 1971 werd Vreeswijk met het buurdorp Jutphaas samengevoegd tot groeikern Nieuwegein.
Het hart van Vreeswijk bestaat nog altijd uit de Oude Sluis. Twee smalle straatjes met aaneengesloten bebouwing onder hoge bomen omzomen het dieper liggende water. Aan beide uiteinden is een ophaalbrug. Waar beurtschippers de trossen om de meerpaal mikten passeren nu de pleziervaartuigen. De laadplaatsen zijn terrassen geworden en in de grutterszaak zit een sieradenwinkel. De huidige horecazaken heten Kings Valley, Happy Garden en Luigi’s IJssalon.

Op 21 oktober 1906 viel sluiswachter Willem van den Hoek in het water en verdronk. Dagblad de Tijd meldde enkele dagen later: ‘De sluisknecht Van den Hoek is waarschijnlijk door te struikelen in de sluiskolk gevallen en verdronken.’ Een bericht dat in nog acht andere dagbladen verscheen, van Leeuwarden tot Arnhem en Rotterdam. De Nieuwe Tilburgsche Courant voegde er nog aan toe: ‘Den ganschen nacht heeft men naar hem gezocht; gisterenochtend werd zijn lijk opgehaald.’
Bij de herbouw van de sluis, van 1822 – 1824, had Dirk van den Hoek, de vader van Willem, met zijn paard alle materialen aangesleept. Daarna was hij sluiswachter geworden in dienst van de provincie. Dirk heeft meermalen drenkelingen uit het water gered. Schippers konden niet altijd zwemmen. Voor deze verdienste kreeg hij ooit een zware snuifdoos. Nadat zijn zoon Willem het werk had overgenomen, ging Dirk eenmaal per jaar naar het Provinciekantoor op de Pausdam in Utrecht om een ‘pensioen’ à f 100,- in ontvangst te nemen. Een pensioen was voor die tijd bijzonder. Eind 19e eeuw waren de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren blijkbaar al aardig geregeld.

Willem van den Hoek (1844 – 1906)

Zoon Willem was behalve sluiswachter ook een begenadigd zanger en dirigent. Naast het koor van de katholieke kerk leidde hij ook een zangvereniging. Op de bewuste 21 oktober had hij een repetitie van het kerkkoor geleid. Volgens de overlevering had hij de koorleden gemaand om het Kyrie Eleison, Heer ontferm u over ons, met meer gevoel te zingen. ‘Denk er toch bij na, wat je zingt’, had hij gezegd. Na afloop van de repetitie waren zij zoals gewoonlijk nog een borrel gaan drinken. Daarna had hij in het donker de kortste weg over de sluisdeuren genomen.
Willem van den Hoek was de jongere broer van mijn overgrootmoeder Theodora van den Hoek, de moeder van mijn opa van Dijk. Mijn Tante Jo schreef over dit ongeluk: ‘waarschijnlijk is hij onwel geworden. Hij had niet teveel gedronken, dat heeft men nagegaan.’ Deze laatste bewering heb ik niet kunnen checken.
Theodora had een van haar zoons Willem genoemd, naar haar broer. In 1883, jaren voor het ongeluk in Vreeswijk, was deze kleine naamgenoot op 3-jarige leeftijd, voor zijn ouderlijk huis tijdens het knikkeren in de sloot gevallen en verdronken. Toeval of niet, maar na het verdrinken van de twee Willems is deze naam in de familie nooit meer gebruikt.

3

DE WIERSCHUUR

Herinnering

Uitgerust met schepjes en emmertjes trekken de groepen kinderen het wad op. De opdracht is om een vierkante meter van het wad te onderzoeken en te noteren wat je tegenkomt. Elke groep wordt begeleid door twee ouders. De gedachte dat er op de eerste dag van het schoolkamp nog voldoende motivatie is voor een educatieve opdracht, blijkt ijdele hoop. In één groep wordt al snel landjepik gespeeld, in een andere bekogelen de jongens elkaar met schelpen. Sommige ouders, waartoe ik behoor, proberen met aanmoedigingen, uitleg of desnoods met stemverheffing de leerlingen bij de les te houden. Andere ouders vinden dat de kinderen zelf de motivatie moeten ontdekken. Die vrijheid slaat al snel over op alle kinderen, een paar gebiologeerd speurende meisjes uitgezonderd. Teleurgesteld loop ik terug naar de kampeerboerderij, waar stapels modderige gympen her en der in het rond liggen. De met sancties onderbouwde instructie om de modder onder de buitenkranen af te spoelen hebben de leerlingen op grote schaal genegeerd.
Welkom in de Wierschuur, het buitendijks gelegen groepsonderkomen op Terschelling, in 1998 door de Montessoribasisschool uit Utrecht afgehuurd als locatie voor het schoolkamp van de groepen zes, zeven en acht. De inrichting is uiterst sober. Alle opsmuk is weggehaald zodat er niets kapot kan gaan.

Tevoren zijn de reglementen van het kamp meegegeven en besproken, zodat op de eerste avond de kinderen op de afgesproken tijd naar de slaapzalen gaan. Zoals een slaapfeestje een feestje is waarop juist zo weinig mogelijk geslapen wordt, zo betekent bedtijd voor de leerlingen hier dat de lol kan beginnen. Om elf uur is voor enkele ouders de maat vol. Boos lopen zij naar de slaapzaal om tot stilte te manen. Hetgeen tot een flinke discussie leidt onder de ouders. De ene helft argumenteert dat de regels niet voor niets zijn afgesproken, de andere helft wil de kinderen hun plezier gunnen. Overeenstemming valt er niet te bereiken, zodat feitelijk het laissez-faire-beleid de overhand heeft. Ik constateer het tot mijn spijt, als ik als een van de eerste ouders mijn eigen slaapzak opzoek. En mijn oordoppen.
Mijn behoefte aan orde en regelmaat wordt deze week vaker op de proef gesteld. Als er friet gegeten wordt gaat een van vaders, die weer helemaal terug is in zijn eigen puberteit, met een emmer mayonaise en een soeplepel langs alle borden voor een flinke klodder. Na het eten veegt een corveeër flinke porties patat van de grond. Friet en mayonaise verdwijnen met de grof gesneden komkommer in de afvalbakken, terwijl de afdroogploeg met kletsnatte theedoeken wat sop van de borden aait. In de derde nacht treft een van de ouders om half vijf het grootste deel van groep acht ergens buiten aan.

Het zijn tenslotte de zilvermeeuwen die, tijdens een bezoek aan hun kolonie, iedereen stil in het gelid krijgen. De broedende vogels zien een groep van tachtig drukke kinderen hun kraamkamer binnendringen. De stok die de boswachter boven zijn hoofd houdt is volstrekt onvoldoende om de aanhoudende duikvluchten van de meeuwen boven de angstige kinderhoofdjes te stoppen. De excursie wordt desondanks een groot succes, evenals, later, het kampvuur en de bonte avond. In de trein terug naar huis heerst de stilte.

0

JEUGDBOEKEN

Herinnering

Omslag van de eerste druk, 1957

Oki en Doki.
Dat zijn de namen van twee matroosjes.
Zij hebben op een grote boot gevaren.
Op de boot van kapitein Paf.
Naar een heel ver land.
Onderweg hebben ze veel beleefd.
Zo begint het boek Oki en Doki zijn kapitein van Henri Arnoldus, met tekeningen van Carol Voges. Het was het eerste boek dat ik ooit las. Ik was vijf of zes jaar oud. Er waren nog meer deeltjes, o.a. Oki en Doki bij de nikkers (in 1971 veranderd in: bij de negers, in 1981 in: op een eiland – met een andere omslag).
Daarna las ik Tup en Joep, van dezelfde schrijver. Misschien ook nog wel Wipneus en Pim. In ieder geval de lotgevallen van Saskia en Jeroen door Jaap ter Haar. Eind jaren vijftig hadden kinderboekenschrijvers een opvallende voorkeur voor duo’s.
Na de zondagse mis liepen wij gelijk naar de katholieke bibliotheek, waar vrijwilligers – onder wie mijn vader – de boeken afstempelden. De Keurraad voor katholieke jeugdlectuur bestond nog. Hoewel er in de boeken van Arnoldus en ter Haar niet vaak werd gebeden of gespaard voor de missie, waren zij blijkbaar deugdzaam genoeg voor katholieke kinderen.

Toen ik wat ouder werd las ik de De Kameleon-serie, over de avontuurlijke tweeling Hielke en Sietse. En natuurlijk Kuifje. Er werd mij geleerd, dat het minder goed was om stripboeken te lezen. Dat was het gemakkelijke lezen, één stap verder was de televisie; een opvatting die ik later weer aan mijn kinderen heb doorgegeven.
Niettemin maakte niemand bezwaar als ik een Kuifje kwam lenen. Ik las de strips ook samen met een vriendje. Lazen we het boek snel uit, dan konden we het nog vóór sluitingstijd van de bibliotheek omruilen voor een ander. Het succes van de strip bestond uit een spannende intrige, een altijd goede afloop en in elke aflevering dezelfde figuren: de slimme journalist Kuifje, op cruciale momenten geholpen door zijn hond Bobbie, de verstrooide prof. Zonnebloem, de domme detectives Jansen en Janssen, de sopraan Bianca Castafiori (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’) en natuurlijk kapitein Haddock met zijn scheldpartijen als de boeven weer net waren ontsnapt (‘Duizend bommen en granaten! …Woestelingen! … Schurken! …Analfabeten! …Ectoplasma’s! …Wafelijzers!’), kannonades die blijkbaar de goedkeuring van de Keurraad hadden kunnen wegdragen.

Via de lagere school waren we geabonneerd op de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie) en later de Taptoe en in de vijfde en de zesde klas had meester Theunissen nog een voorraadje boeken in de kast achter zijn bureau staan. Ik las Arendsoog en ik verslond alle boeken van Pim Pandoer, mijn grote held die elk misdrijf kon oplossen.
Toen de meester eens voorlas uit een verhaal waarin het woord silhouet voorkwam, vroeg hij de klas wie wist wat dat betekende. Ik stak als eerste mijn vinger op: ‘een zwarte schaduw’. Die kwamen in Pim Pandoer nogal vaak voor. ‘Kijk’, zei de meester tevreden tegen de klas, ‘daaraan kan je zien, dat hij veel boeken leest.’ Dat was een complimenten om niet te vergeten. Het klopte overigens niet. Onder schooltijd wilde ik wel lezen, maar daarna speelde ik veel liever buiten.