Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

LEVEN IN LUXE

Herinnering

Ik fietste langs Kasteel de Haar, het sprookjesachtige kasteel in Haarzuilens, dat de laatste jaren zoveel drommen toeristen trekt en dat ik zo goed ken uit mijn jeugd in Vleuten.
Het kasteel uit de 13e eeuw was een van de verblijven van de invloedrijke Stichtse familie van Zuylen. Door oorlogsgeweld en stormen was het in de loop der eeuwen in een ruïne veranderd. Een lang gekoesterde wens om de Haar weer in volle glorie te herstellen kon eind 19e eeuw in vervulling gaan, omdat baron Etienne zo verstandig was om te trouwen met Hélène de Rothschild, telg uit een rijk bankiersgeslacht. Daarmee kwamen miljoenen voor de herbouw beschikbaar.
Etienne en Hélène waren een luxueus leven gewend. Hun nieuwe stulpje in Haarzuilens moest niet alleen de grandeur van het oude kasteel herstellen maar vooral ook het toppunt zijn van moderne luxe. Voor de herbouw werd Pierre Cuypers ingeschakeld. Het kasteel met tweehonderd vertrekken en vijfentwintig badkamers werd van alle gemakken voorzien: warm en koud stromend water, elektriciteit, liften en centrale verwarming, voor die tijd uniek. De ruimten werden rijk gedecoreerd. Rond het kasteel legde H. Copijn parken aan in Engelse landschapsstijl. Omdat Etienne en Hélène direct indruk wilde maken met hun schitterende tuinen werden er zes duizend volwassen bomen van elders aangevoerd.
Dit alles vertelde ik in mijn eerste spreekbeurt in de tweede klas van het gymnasium. Wat ik nu van het internet haal hoorde ik destijds van mijn vader die op tal van terreinen een wandelende vraagbaak was. Hij sprak met ontzag over de baron. Mijn opa die een smederij had in Vleuten had een zeer goede klant aan de familie van Zuylen. Allerlei smeedijzeren werken en het staal voor de volière (nu het theehuis) zijn door hem geleverd. Zo werd onze familie mede door de erfenis van de Rothschilds in de vaart der volkeren opgestoten.

De aanleg van de volière. De man bovenop de nok is mijn ome Ries

Ik vertelde mijn medegymnasiasten dat kosten noch moeite werden gespaard voor de bouw. Het bestaande dorp Haarzuilens lag in de weg voor de aanleg van de vijverpartijen. Daarom werd het afgebroken en honderden meters verderop weer opgebouwd. De volwassen bomen werden van de Utrechtse Heuvelrug aangevoerd op mallejannen. Omdat de Voorstraat in Utrecht te nauw was voor dit transport moesten ook daar enkele huizen worden afgebroken.
Het paar verbleef overigens alleen in juli en augustus op de Haar. De overige maanden bewoonde het een kasteel in Frankrijk. Kleinzoon Thierry die in mijn jeugd de baron speelde zette deze traditie voort. In de zomermaanden organiseerde hij luxueuze partijen voor de Europese jetset, onder meer voor Roger Moore, Coco Chanel, Maria Callas en Brigitte Bardot. Dagblad Het Centrum beschreef eens de dronken escapades. Zo was Gregory Peck op een motor tussen de eeuwenoude Japanse vazen doorgeslingerd.
Het kasteel is nu eigendom van een stichting en de landgoederen zijn gekocht door Natuurmonumenten. Maar sommige dingen zijn onveranderd. Jort Kelder, frontman van de Nederlandse mondaine wereld, kwam laatst hijgend bij Jinek binnen omdat hij had aangezeten aan een banket op de Haar. Buiten lopen nu, dat is wel anders, ontelbare Japanners en Chinezen met hun camera’s te klikken. Op afstand hoofdschuddend gadeslagen door een fietser die maar weer eens opstapt om terug te keren naar zijn eigen luxueuze stulpje.

1

STRAALBEZOPEN

Herinnering

Nog maar nauwelijks ben ik met mijn auto van het parkeerterrein van voetbalclub Excelsior de Honingerdijk in Rotterdam opgedraaid, of ik word staande gehouden door de opgeheven hand van een politieagente. Ze staat met enkele collega’s in het licht van een straatlantaarn tussen een paar rood-witte pylonnen. Verbaasd en wat zenuwachtig draai ik het raampje open.
‘Alcoholcontrole, meneer. Zou u even willen blazen?’
Ik kom net van een voetbalwedstrijd van mijn zoon. Na afloop heb ik in de businessclub, zoals betaald voetbalclubs de sportkantine voor genodigden noemen, nog even een biertje gedronken. Eén biertje, daarmee loop je toch niet tegen de lamp? Maar helemaal zeker ben ik er niet van. Ik ben nog nooit eerder gecontroleerd.
Dat blijkt als ik in het pijpje blaas.
‘Wacht even, andersom, meneer’, glimlacht de agente. Ze draait het pijpje voor mij om. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Onder haar pet steken blonde haren uit. Het valt me moeilijk om in haar een autoriteit te zien.
Ze leest de score af op de meter. ‘Uitstekend meneer, nog een prettige avond.’

Een half jaar later ontvang ik een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, divisie Vorderingen. De directeur laat mij weten dat men voornemens is mijn rijbewijs tijdelijk ongeldig te verklaren. ‘Dit besluit is genomen vanwege een aanhouding dan wel procesverbaal op 10 maart 2008 door de Regiopolitie Rotterdam Rijnmond, waarbij een alcoholpromillage van 2,56 is geconstateerd.’ Volgens de wet is een maximum van 0,5 promille toegestaan, voor jongeren ligt de grens bij 0,22. Die 2,56 zou betekenen, dat ik straalbezopen achter het stuur heb gezeten.
Mijn eerste verbazing gaat over in pret. Hier is een gigantische vergissing in het spel.
De brief vervolgt met de mededeling dat ik onverwijld dien mee te werken aan een onderzoek. Daarvoor moet ik mij melden op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis in Woerden. Weigeren om mee te werken betekent dat mijn rijbewijs wordt ingenomen. Mijn pret neemt al weer af.
‘Wat een onzin’, zegt G. als de brief gelezen heeft. Voor mijn kinderen die hun vader nog nooit ook maar één moment dronken hebben gezien, is de brief voer voor pesterige speculatie.

Ik bel het CBR met het verzoek om na te gaan waar iets fout is gegaan. Men hoort mij vriendelijk aan. Als ik het niet eens ben met de beslissing moet ik een bezwaarschrift indienen. Ondertussen moet ik wel meewerken aan het onderzoek, zo niet….
Als mijn irritatie weer wat gedaald is, begrijp ik het antwoord. Iedereen kan wel zeggen dat er een foutje is gemaakt. Is het niet kenmerkend voor een alcoholicus dat hij er op deze manier onderuit probeert te komen? Heb ik daardoor juist bijgedragen aan het imago van stevige drinker?
Direct, maar met grote tegenzin stel ik het bezwaarschrift op. Ik wacht nog even met het maken van een afspraak met de psychiater. Ze zien me daar aankomen. Daar heb je die man die met 2,56 promil in zijn auto is gestapt en het vervolgens probeert te ontkennen.
Twee weken later laat de directeur van de Divisie Vorderingen mij in een formeel briefje weten dat de procedure is stopgezet. Geen woord over een vergissing. Geen enkel excuus.

0

PASTOOR BEUTENER

Herinnering

Pastoor J.H. Beutener

Uit mijn familie ken ik het verhaal over een pater die godsdienstles gaf op een lagere school. ‘Kunnen wij God zien?’, vroeg deze pater aan een leerling. De jongen wist het antwoord niet, maar zijn achterbuurman schoot hem fluisterend te hulp: ‘Dat kan niet, want God heeft geen lichaam’, waarop de jongen opgelucht als antwoord gaf: ‘Nee, wij kunnen God niet zien, want hij heeft geen licht aan’.
Op de St. Willibrordusschool kreeg ik godsdienstles van pastoor Beutener. Hij vertelde ons begin jaren zestig over de hel waar de kwaadwilligen jammeren en knarsetanden. Wie daar terechtkomt, kan er nooit meer uit. Daar branden de vlammen eeuwigdurend. ‘Als er ook maar één hele kleine kans zou zijn, dat de duivels de hel kunnen verlaten, al zou het pas over een miljoen jaar zijn, dan nog zou er bij dit vooruitzicht een groot feest in de hel losbarsten’, zei Beutener met gevoel voor drama.
Het maakte zo’n indruk op me dat ik dit na meer dan vijftig jaar nog altijd weet. Alleen wie zich goed gedroeg kon in de hemel komen. Op die plaats van altijddurend geluk mocht je dan eeuwig blijven. Eigenlijk vond ik dat ook wel een beetje angstaanjagend, om ergens te zijn waar nooit een einde aan komt.
Het waren de nadagen van het Rijke Roomsche Leven. De katholieke kerk beheerste ons leven zonder dat wij onszelf daarvan bewust waren. We gingen naar een katholieke school en naar katholieke verenigingen. We kochten bij katholieke middenstanders, lazen katholieke bladen en luisterden naar de Katholieke Radio Omroep. Beelden van Jezus en het Heilig Hart stonden op smeedijzeren consoles aan de kamerwand naast de kalender van het Kanunnik van Schaikfonds, waar je stuivertjes in kon sparen. Na het avondeten baden we de rozenkrans, op onze knieën, zodat na afloop de afdruk van de kokosmat op mijn blote benen stond.
Meneer pastoor was voor elke parochiaan de hoogste vertegenwoordiger van de kerk. Hij was bestuurder van vele verenigingen en kwam op huisbezoek om te controleren of de gelovige nog wel voldoende de regels van de Kerk volgde en om en passant tot gezinsuitbreiding te stimuleren.

De biechtstoel in de katholieke kerk in Vleuten

Tijdens het bestuur van pastoor Beutener werden er nieuwe katholieke scholen gebouwd, een bejaardencentrum en een klooster. Fijnbesnaard was onze pastoor niet. Als hem iets niet zinde kon hij met bulderende stem reageren. Mijn opa zei, dat Beutener beter het vak van diens vader had kunnen kiezen. Die was klompenmaker.
Ik was een beetje bang voor Beutener. Als misdienaar had ik eens de altaarbel uit mijn handen laten vallen. Daarna liet hij het dragen van het zware altaarboek niet meer aan mij over. Toen ik tijdens het Confiteor niet uit mijn woorden kwam, nam hij het gebed direct met harde stem over. Ik schaamde mij diep.
Bij mijn eerste biecht bekende ik bibberend, dat ik bloemetjes uit de tuin van dokter Schuurs had geplukt. Ik durfde nauwelijks naar het houten rooster te kijken waarachter ik, in het duister en heel dichtbij, het hoofd van de pastoor ontwaarde. Zou hij waarschuwen voor hel en vagevuur? De bulderpreek die ik verwachtte bleef uit. Tegen het kindertarief van drie Onze Vaders en drie Weesgegroetjes kon ik alles weer goed maken.

2

EEN EIGEN HUIS

Herinnering

Routineus loop ik met de dik ingesmeerde, dubbelgeslagen baan behang de keukentrap op. De borstel steekt uit de zak van mijn zeventigerjaren tuinbroek. Als ik bovenop sta en me uitrek kom ik met mijn handen net bij het plafond. De muur is 3,60 meter hoog. Zorgvuldig balancerend plak ik het bovenste deel van de baan op de muur en borstel ‘m stevig vast. Nu kan ik de rest van de baan laten zakken.

In 1985 kochten G en ik tezamen met een bevriend stel ons eerste huis. De jaren waarin alles anders moest echoden nog na. Alle vier hadden we tijdens onze studietijd in een groep gewoond. We waren niet toe aan wat wij huisje-boompje-beestje noemden: met zijn tweeën een gezinnetje stichten. Om ons ideaal van samenwonen vorm te geven kochten we een huis dat groot genoeg was voor een gezamenlijk huishouden van vier volwassenen en twee baby’s.
Het was een oud herenhuis, gebouwd in het begin van de eeuw, met originele details waarvan makelaars opgewonden raken: glas-in-loodramen, gestucte engeltjes in het plafond, schouwen van zwart marmer.
Na de aankoop liep ik apetrots door het pand. Dit was óns huis. Ik had al een baan en een vriendin en ons eerste kind was net geboren. Met dit huis erbij was ik nu definitief tot de rangen der volwassenen toegetreden. Tenminste zo leek het.
Het huis van vier verdiepingen, de kelder niet meegerekend, was bewoond geweest door negen studenten en rijp voor een flinke opknapbeurt. We braken tussenwandjes af, sloopten vier keukentjes, een aantal wastafels en een douche, verwijderden de oude betengeling en trokken overal dikke lagen behang van de muren. Lagen die de geschiedenis van het huis en zijn bewoners blootlegden. Maar tijd om ons daarin te verdiepen was er niet.
De opbouw begon met het egaliseren van de muren. Ik was zo lang bezig met het vullen van gaten in alle vertrekken dat ik op mijn werk alleen maar gaten en oneffenheden zag die gladgestreken moesten worden. Daarna begon de grote behangmarathon. Het gehele huis, van boven tot onder, bekleedden we met rauhfaser behang. Ik had nog nooit behangen, maar kreeg het al snel onder de knie. Een strak behangen wand vervulde mij met groot geluk.

Vanuit de hoogte zie ik de twee baby’s in hun wipstoeltje op de vloer staan, tussen de behangtafel en het bouwmateriaal. Een rammelaar en een speen liggen naast hen op de grond. Af en toe geeft een van hen blijk van ontevredenheid. Dan moet het werk, of ik het nu leuk vind of niet, onderbroken worden voor een schone luier of een ommetje met de kinderwagen. Als moderne man wil ik natuurlijk mijn aandeel daarin leveren.
Een aannemer zorgde voor een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer. Ouders en vrienden hielpen mee met tegel- en verfwerk. Maar het leeuwendeel namen we zelf voor onze rekening. Het schuren van alle randjes in de deurposten en paneeldeuren deed een beroep op mijn uithoudingsvermogen. We deden de verbouwing in krap twee maanden, naast ons werk en naast de verzorging van de kinderen. Als ik er nu op terug kijk vraag ik me af, hoe we dat alles voor elkaar speelden. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken.

1

MIJN EERSTE RACEFIETS

Herinnering

Het moet rond 1972 geweest zijn dat Wim T., een van mijn huisgenoten op de studentenflat, opeens op een splinternieuwe blauwe racefiets aan kwam zetten. Zo’n fiets waar Merckx en Zoetemelk op reden! Met belangstelling bekeken wij het kromme stuur, de remkabels die daarbovenuit bolden, het puntzadel en de dunne bandjes. De riempjes om de schoenen vast te binden leken ons wat link bij het afstappen. Wim parkeerde zijn aanwinst in het smalle gangetje van de flat. Dat vond ik wel een minpunt.
Nog geen jaar later liep ik zelf fietsenhandel Kok binnen, de enige zaak in Utrecht die destijds racefietsen verkocht. Even later kwam ik met een paars merkloos, want goedkoop exemplaar weer naar buiten. Overal waar ik kwam werd de racefiets met bewondering bekeken en uitgeprobeerd. Zéven versnellingen, dat was ongekend. En zo licht van gewicht! De gebogen houding waarmee je uitgestrekt over de fiets lag werd niet door iedereen gewaardeerd, al verzekerde een jonge vrouw dat zij op het puntzadel goed zou kunnen klaarkomen.

Wekelijks maakte ik een trainingstocht om me voor te bereiden op het volgende ideaal: samen met vriend Paul op vakantie met de racefiets. De bestemming voor onze toertocht was duidelijk. Dat kon alleen maar Frankrijk zijn.
Bij aankomst met de trein in Cahors, een middeleeuws stadje ten zuiden van de Dordogne, bleek dat mijn fiets de reis niet geheel ongeschonden was doorgekomen. Met enkele kale plekken op het frame en deukjes in het spatbord viel echter nog prima te fietsen. Dat werd anders toen ik tijdens de eerste klim flink op de pedalen ging staan en een behoorlijke speling in het trapstel voelde. Met de blik van een kenner zette ik de fiets op zijn kop. Tot onze verbazing rolden er zes kleine, zwarte kogeltjes ergens uit de fiets via de zadelbuis de onderkant van het zadel in. Boos op de hele wereld en op fietsverkoper K. te U. in het bijzonder liet ik mij schoorfietsend weer naar Cahors afzakken.

Fietsenmakers waren er destijds genoeg in Cahors, maar pas de derde die wij bezochten wilde er wel eens naar kijken. De zaak heette Tout pour le cycle en werd gedreven door een oud mannetje die in zijn vuile werkplaats geholpen werd door een doofstomme man met een zenuwtrek.
Toen wij na anderhalf uur terugkwamen was de baas juist bezig met een zware hamer flinke klappen uit te delen aan het trapstel van mijn nieuwe fiets. Bij iedere klap kromp ik ineen. Zijn rappe commentaar was voor mij niet te volgen. Na zes jaar Franse les op het gymnasium wist ik feilloos de woorden voor het middenschip en de zijbeuken van een kerk, maar aan de onderdelen van een racefiets waren we niet toegekomen. Omdat zijn methode blijkbaar niet de gewenste resultaten gaf maakte hij duidelijk dat het trapstel un peu forcé was en daarom vervangen moest worden. Tegen een bedrag dat een flink gat sloeg in mijn vakantiebudget kon ik de fiets de volgende dag weer ophalen.
Zwaar beladen vertrokken we die dag stroomopwaarts langs de rivier de Lot. Met goede zin, zeven versnellingen en strak aangetrokken riempjes reden we de vrijheid tegemoet.

2

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KIPPENHOK

Herinnering

Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.

1

EEN OUDE PIANO

Herinnering

Ik was vijfentwintig en zat boordevol plannen toen ik tijdens een sportuurtje in volle vaart met mijn hoofd tegen een andere sporter aanliep. Om mijn door elkaar geschudde hersens wat rust te gunnen zat ik regelmatig achter de piano van een huisgenote. Met behulp van het eerste oefenboek van Folk Dean probeerde ik een boerenpolka in mijn vingers te krijgen. Het beviel zo goed, dat ik besloot pianoles te nemen.
Toen er daarna hoorde dat iemand een aftandse piano voor 100 gulden aanbood aarzelde ik geen moment. Een eigen piano, dat maakte me niet alleen onafhankelijk van mijn buurvrouw. Het bezit zou mij in staat stellen om onbekende kanten van mijzelf te ontwikkelen, mijn gevoelens te ontdekken en mijzelf uit te drukken. De piano moest mijn grote vriend worden.
Voor een zelfde bedrag huurde ik een busje en toog naar Alphen aan de Rijn. Daar stond ie te wachten op mij, mijn Woltersdorf, het glanzend zwarte instrument dat mij tot in of minstens tot vlakbij de hemel zou brengen. Het geluid riep associaties op met een afgeragde cafépiano maar dat mocht de pret niet drukken.

Ik oefende iedere dag en maakte vorderingen. Ik schreef mijn eerste eigen compositie. Embattled illusions noemde ik het werkje in e-klein, niet beseffend dat ik mezelf hiermee een vingerwijzing gaf voor de toekomst. Na een tijdje schakelde ik over van het klassieke naar het populaire repertoire, van partituur lezen naar improvisatie.
In die tijd verhuisde ik regelmatig. Mijn spullen pasten in één bakfiets, dus zo’n verhuizing zou een peulenschil zijn geweest, ware het niet dat die verdomde piano iedere keer mee moest. Daar had ik bij de aankoop even niet aan gedacht. Na elke verhuizing klonk het instrument weer valser.

De jonge vader speelt nog eenmaal

Toen na acht jaar onze eerste zoon geboren werd, stopte ik met les en met spelen (de baby slaapt, de baby huilt, de baby moet naar buiten). Als laatste had ik nog een lied van Maurice Dumas¹ uit 1908 ingestudeerd:
Dames, heren, wil eens naar mij horen, welk geluk mij heden is beschoren
Want mijn vrouw heeft mij zo even, een ferme knappe zoon gegeven.
Strikt bekeken was het mij dus gelukt om mijn expressievermogen te vergroten.
Daarna begon de Woltersdorf aan zijn pensioen. Hij had al te lang moeten doorwerken. Ik kon het echter nog niet over mijn hart verkrijgen om hem de deur uit te doen. Wie weet zou ik nog eens inspiratie krijgen. Dus toen wij in 1985 verhuisden naar ons huidige huis moest er een takelwagen aan te pas komen om de piano een plekje op mijn kamer op de tweede etage te geven. Dat was een heleboel geld voor een parkeerplek.
Ik speel al jaren niet meer, enkele toetsen hebben het begeven, dus nu wordt het hoog tijd om het instrument uit zijn lijden te verlossen. Maar hoe? Waar laat je zo’n oud kreng? Het past niet in een container voor restafval en ik heb geen bedrijf voor piano-destructie kunnen vinden. Na wat rondbellen blijkt dat ik mijn Woltersdorf bij een afvalscheidingsstation mag inleveren. Moet ie nog wel eerst van de 2e etage af.

¹Maurice Dumas was een Nederlandse humorist en zanger, bekend van  Joseph, laat je broekie zakken en O lieve Mathilde als jij eens wist wat ik wilde.

0

LOGEREN

Herinnering

‘Zal ik je een stukje duwen’, vroeg mijn moeder, ‘het is zo’n end’.
‘Nee!’, riep ik ferm doortrappend. Ik wou een stoere jongen zijn. Mijn moeder zag het met voldoening aan. We fietsten in de buurt van het Woerdens Verlaat en waren op weg naar tante Alie en ome Piet in de Hoef. Vanuit Vleuten was dat een afstand van bijna 25 kilometer. Voor een 7-jarige op een kinderfietsje geen peulenschil.
Het zou de eerste vakantie van mijn leven worden, al noemden we het niet zo. Ik ging logeren en ik vond het allemaal prachtig. Dé grote attractie voor mij was de roeiboot, die voor het huis in de Amstel lag. Dat roeien wilde ik direct zelf doen. Het bleek moeilijker dan gedacht, regelmatig belandde de boot in het riet. Ik vond het raar om achteruit te varen. Als de scharnieren piepten hield neef Gijs de roeispanen even in het water. Vervaarlijk over de rand van de boot leunend trok ik de drijvende pompenbladeren uit het water, me verbazend over de enorme lengte van de stengel. Ik wilde zien of ze allemaal zo lang waren.
Ome Piet was smid en fietsenmaker. Achter het woonhuis was een werkplaats waar mijn oom zijn kost verdiende in het spaarzame licht dat door de vuile ruitjes viel. De logeerpartij bestond niet alleen uit pret, want er moesten ook klusjes gedaan worden, zo bleek. Ome Piet had een goedkope restpartij van verschillende spijkers gekocht. Die moesten wij op lengte sorteren. Daar had ik niet op gerekend en mokkend vroeg ik me af of ome Piet wel bevoegd was mij zo’n opdracht te geven.

Het huis van ome Piet en tante Alie

Het kwartje dat we ermee verdienden lieten we, anders dan ik thuis gewend was, direct weer rollen. Bij de bakker kochten we Bazooka kauwgom voor vijf cent. Daar zaten wielerplaatjes bij van Gino Bartali en Fausto Coppi. Er ging een wereld van roem en glorie voor mij open. Ik nam mij voor alle plaatjes te sparen en vroeg ome Piet of er nog meer gesorteerd kon worden. Zijn nukkige antwoord stelde me teleur.
Tante Alie deed ondertussen haar best om mijn logeerpartij tot een succes te maken. Op een van de avonden stond er een enorme stapel pannenkoeken op tafel. Ik wilde niet onderdoen voor mijn vier jaar oudere neef. Die avond kon ik in de bedstee mijn misselijkheid niet de baas. Half overeind gekomen kotste ik het bed onder. Mijn tante zorgde zonder iets te zeggen voor een schoon bed.
Ome Piet kon nog wel eens onverwachts boos reageren. Zo riep hij een keer onder het avondeten: ‘Gatverdamme, ik ruik een wind. Wie heeft die gelaten?’ Met boze ogen achter zijn sterke brillenglazen keek hij de kring rond. Ik durfde niet te zeggen, dat ik het geweest was. Bedplassen, kotsen, er was al te veel dat ik niet had kunnen ophouden. Toen voelde ik ook nog eens tranen opkomen. Mijn oom stond met veel misbaar op en schoof achter mij het raam een end omhoog. Ik vond het logeren opeens niet zo leuk meer. Die 25 kilometer fietsen leek me nu een enorme afstand.

5

MIJN MOEDER

Herinnering

De meimaand is in de katholieke kerk gewijd aan Maria, de Moeder aller moeders. In veel landen is het deze maand ook Moederdag, de wereldse versie van de moederverering. Als 8-jarige schreef ik voor mijn moeder:
Ik ben blij omdat Uw jarig is
Ik heb goed voor Uw gebeden in de H. Mis
En het mooiste wat God heeft gegeven
Is Moeder! Dus ik verwen haar even

Mijn moeder in 1931

Na haar lagere school, waarin zij ieder jaar het hoogste cijfer behaalde voor Katechismus , ging mijn moeder (geboren in 1913) thuis op de boerderij aan het werk. Ze leerde melken en kreeg als beloning van haar vader een fiets. Maar het werk aan huis gaf haar niet voldoende bevrediging. Ze werd hulp in de huishouding en als het even kon trok ze eropuit, bijvoorbeeld naar de korfbalclub. Ze was er bij toen in Vleuten een afdeling van de Katholieke Jeugd Vereniging werd opgericht, een vereniging waarin jonge vrouwen op hun toekomstige taak werden voorbereid, naar het voorbeeld van Maria: vrouwen kunnen gelukkig worden als zij zich in dienst stellen van anderen. Ze werd leidster bij de KJV, wat betekende dat zij geen contacten met mannen mocht aanknopen. De retraitedagen waarin werd onderwezen in de leer van het geloof waren voor haar een hoogtepunt. Dàt werk zou ze het liefste willen doen.
Het is er nooit van gekomen. Rijkelijk laat, in 1943, trouwde zij met mijn vader en nam haar plaats in als moeder van het gezin, zoals zij dat bij de KJV geleerd had. Ze wijdde zich volledig aan haar man en vier kinderen, maar een leven tussen aanrecht en waslijn was haar te beperkt. Al snel trok ze wederom eropuit. Ze werd voorzitster van het Vrouwengilde, trad toe tot het Schoolbestuur en richtte een dameskoor op. Ze was nogal eens ’s avonds weg. Ik vond dit alles heel normaal, net zo normaal als dat zij elke dag mijn boterhammen klaarmaakte en mijn gymtas opruimde.

In 1968

Toen de kinderen het huis uit waren en mijn vader in 1972 overleden was, schakelde mijn moeder nog een paar versnellingen hoger. Ze was onder meer vrijwilligster in het bejaardenwerk, werd actief in de Parochiële Caritas en als eerste vrouw lid van het kerkbestuur. Ze was de Marga Klompé van Vleuten. Werken ten behoeve van de gemeenschap, dat was haar roeping. Ik was blij dat zij een actief leven leidde en vond dat alles heel normaal.
Mijn moeder werd een meer dan actieve deelnemer in de kerkelijke werkgroepen Nieuwe Levensstijl en Vrouw en Geloof. Hoewel van huis uit geen lezer las zij een boek over feministische theologie. Zo was ze toch weer een beetje terug bij het catechisatie-werk dat zij ooit geambieerd had.
Nu ben ik mij ervan bewust dat al dat werk voor de gemeenschap absoluut niet normaal was, zeker niet voor een vrouw van haar generatie. Zo sluit zich ook voor mij een cirkel en ben ik terug bij de bewondering die ik als 8-jarige had. Met enige voorspellende waarde eindigde ik mijn gedicht:
Ik hoop dat Uw nog lang zult leven
Tot Uw honderdse jaar
En als Uw oud ben niet meer zult beven.
Zij stierf in 2012, in haar 99e jaar.

0

HET JAAR VAN DE GEHANDICAPTE (1981) – deel II

Herinnering

overleg tijdens de opnamen van de film

Een jaar lang bruiste het van de activiteiten. Er was geld genoeg om het leed van de gehandicapte medemens onder de aandacht te brengen. Of wacht, dit formuleer ik niet goed. De bedoeling was namelijk om te laten zien dat mensen met een handicap gewone mensen zijn met gewone levens. Weg met de zieligheid, weg met de liefdadigheid. Zo kon de boodschap van het jaar wel samengevat worden.
In het gebruis kwam er een smak geld beschikbaar voor het maken van een voorlichtingsfilm over stotteren. Vanwege de gewenste luchtigheid vroeg men de medewerking van het stottercabaret waarmee Jules, Elisabeth en ik destijds door het land toerden.
Toen de film na de nodige hobbels tot stand gekomen was, kwam er een stroom publiciteit op gang. Zo stond er op een doordeweekse avond een ploeg van Brandpunt voor de deur van mijn studentenhuis, onder de luidruchtige aanvoering van Willibrord Frequin. Hij had net goed getafeld, dus toen de technici hun apparatuur uitpakten liep the golden boy zonder te kloppen de ene na de andere studentenkamer binnen. Wie prins Bernard en de paus heeft geïnterviewd, kan zich alles veroorloven. Zoiets noem je geen handicap.

Als ik er nu aan denk dat ik morgen voor de tv zou worden geinterviewd, zou ik het spaans benauwd krijgen, maar in die tijd was ik zodanig gewend aan voorlichting en publiciteit, dat de spanning beheersbaar was. Wat niet goed ging kon er altijd nog uitgeknipt worden.
Tijdens het interview kneep Willibrord af en toe met zijn kleine varkensoogjes als er een stotter in aankomst was. Hij voelde zich niet meer zo op zijn gemak. Zijn macho-gedrag smolt als sneeuw voor de zon. Een van mijn stokpaardjes was dat het stotteren ook voor de luisteraar een probleem kan zijn. Toen ik daarom aan W. vroeg of mijn stotteren bij hem spanning opriep, gooide hij zijn hoofd achterover en riep:
‘Stop maar even jongens, dit is niet de bedoeling.’
Nadat in een vloek (van W.) en een zucht (van mij) de opnamen voltooid waren, vroeg de productieleider nog even mijn medewerking. Het item was een idee van Ad Langebent, een andere vermaarde Brandpunt-reporter. Omdat Ad zoveel jaren in dienst was van de KRO vroeg men in die periode aan alle geïnterviewden om op camera iets tegen Ad te zeggen. Daarvan zou voor zijn jubileumfeest een compilatie gemaakt worden.
Ik dankte Ad hartelijk voor zijn interesse en voegde er spontaan aan toe dat ik hem een uitstekende presentator vond. ‘I-i-ik zou het z-zelf niet b-beter k-k-kunnen doen’, stotterde ik met opzet, want ook die vorm beheerste ik uitstekend. De cameraman richtte zich daarna op de lachende W., die snel wegdook. Dat hij moest lachen om de grap van een ander mocht niet in beeld gebracht worden.
Tijdens de uitzending van Brandpunt mocht ik in de studio aanwezig te zijn. Na afloop bevond ik mij opeens naast monseigneur Langebent aan de bar. Hij had zijn stropdas losgeknoopt en een glas bier in de hand. Ik dankte hem voor zijn initiatief. Het klonk veel te onderdanig, voelde ik direct. Frequin was nergens meer te bekennen.