Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

1

ONDER VOETBALSUPPORTERS

Dagelijks

Afgelopen zondag degradeerde voetbalclub RKC uit de eredivisie. De Rooms Katholieke Combinatie moest met twee doelpunten verschil van Excelsior winnen om zich te handhaven. Het werd 2-2.
Ik was er bij. Zoon Arjan verdedigde de afgelopen maanden het doel bij de Waalwijkers. Na het laatste fluitsignaal vallen de uitgeputte spelers van RKC languit op het zonovergoten grasveld. Degraderen is omvallen en blijven liggen. Denken aan Telstar Uit, 25% minder salaris en vier keer zo weinig aandacht. Het slagveld ligt bezaaid met spelers. Eén speler zit in elkaar gedoken, de handen voor zijn gezicht. Hij wordt getroost door een teamgenoot. Een paar spelers bedanken, niet al te opzichtig applaudiserend, het publiek voor hun aanmoedigingen.

De toeschouwers laten zich traag en gelaten van de tribunes afzakken. Er is geen rumoer en geen gefluit. Berusting overheerst. Misschien dat de woede er thuis pas uitkomt (‘Godverdomme, kut, hedde ge nou weer geen bier koud gelegd?’).
Terwijl de spelers van Excelsior op de andere helft elkaar met champagne bespuiten, druipen de spelers van RKC met hangende schouders het veld af. Voor hen is er geen rol in deze ceremonie, geen aanmoedigingsprijs, geen verwerkingsritueel. Arjan is de enige die de Excelsiorspelers feliciteert.
Ik loop met een leeg gevoel het al bijna lege stadion uit, over het parkeerterrein van de bobo’s naar de glazen hoofdingang, om Arjan op te wachten. Veiligheidsmensen, uitgerust met communicatieapparatuur lopen heen en weer met één hand op het microfoontje, de andere hand op het oortje. De zon schijnt onpasselijk fraai en de Bugatti’s en BMW’s van de sponsoren zien er walgelijk decadent uit. Zouden de sponsoren ook mee degraderen?

Een paar boos uitziende supporters komen in de buurt van de hoofdingang. Vanuit het niets komt er dan opeens een tiental ME’ers aangelopen, in vol gevechtsornaat, met schild en wapenstok. Kalm lopend, als op een zondagmiddagwandeling, maar zeer gedecideerd sluiten ze de hoofdingang af. Niemand mag er meer in of uit. Enkele ME’ers te paard sluiten aan. In Nijmegen heeft een groep NEC-supporters na de degradatie een deel van het stadion vernield. Veiligheidsmaatregelen zijn vaak een antwoord op de vorige ramp.
Er lopen ook supporters die uit zijn op een shirt of een paar keeperhandschoenen.

Aan de zijkant van de glazen ingang staat een drietal fans. Een man van in de vijftig, met getatoeëerde armen, een ronde bierbuik en een rood verbrand hoofd, een vrouw met roodoranje geverfd haar en een dochter, die vanaf de schouders naar de heupen breed uitdijt. Met haar gezicht tegen de ruit loert ze naar de mensen in de hal. Dan kijkt ze naar het groepje supporters tegenover de ME’ers.
‘Jezus, man, wat een mietjes, hou toch oe bakkes! Opflikkeren met die gasten. Oppakken en nooit meer het stadion in’.  Moeder kijkt vanaf een afstandje toe, vader doet of hij er niet bij hoort.
 ‘Doe nu gewoon efkes die deuren open. We moeten alleen Arjan van Dijk hebben. Die loopt daar binnen, da zie ge toch. Of hedde ge een bril nodig, maat?’.
De ME’ers blijven bewegingsloos voor zich uitkijken. Alleen een van de paarden zet zijn achterbenen wat opzij. De agente bovenop trekt wat steviger aan het leidsel.
Aan de andere zijde van de hoofdingang zijn inmiddels enkele spelers verschenen in hun chique hemelsblauwe kostuum. Het drietal loopt erheen en ontdekt Jan Seda, de andere keeper.
‘Zullen we Seda vragen’, oppert de moeder.
‘Die spreekt geen Nederlands’, zegt de dochter. Dan trekt ze toch de stoute schoenen aan.
‘Hé, Seda, do you have…’ , zij steekt haar handen omhoog. Seda gebaart het meisje mee te komen.
Op een stil commando, bijna onopgemerkt, trekt de ME zich weer terug. Ook in hooliganism zou RKC onderaan eindigen. De hoofdingang gaat weer open en de business lounge stroomt leeg. De mensen zijn blij dat ze weer naar buiten mogen. Het lijkt alsof de degradatie alweer vergeten is.
Dan komt ook Arjan naar buiten. Onmiddellijk staat er een jongen van een jaar of 12 naast hem. Die vraagt hem zijn handschoenen. Nog niet zo lang geleden stond Arjan zelf bij FC Utrecht te wachten op een handtekening van de keeper. Hij loopt weer naar binnen om een paar handschoenen te halen.
Het drietal is nergens meer te bekennen. De paarden zijn verdwenen. De supporters zijn naar huis. RKC is gedegradeerd. Het is klote, maar het is waar.

0

HET KOOPCENTRUM VAN DE ACHTERHOEK

Dagelijks
Afgelopen donderdag raakte ik verzeild in Doetinchem. Dat kan wel eens gebeuren. Zo is het leven nu eenmaal.

Voor wie de liefde voor topografie niet bij geboorte of door opvoeding heeft meegekregen: Doetinchem is de grootste plaats in de Achterhoek, een streek, die – zoals de naam al zegt – ergens achter in ons land in een uithoek ligt.
De Achterhoek is de bakermat van het boerengolf. De fans van voetbalclub de Graafschap noemen zich superboeren en het oerend hard scheuren op een Norton of een BSA vinden ze daar Normaal. Kortom, de geuren  van mest en motorolie komen je van tevoren tegemoet.
Op de website van de VVV Doetinchem lees ik:
‘Doetinchem heeft je veel te bieden. Elke dinsdag is er een waren- en lapjesmarkt. Er zijn uitgebreide winkelmogelijkheden en er is een zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden.’
Dat klinkt mij als muziek in de oren, zeker als ik lees dat het uitgaansleven in Doetinchem zich sterk heeft ontwikkeld. Het lijken me unique selling points, zoals marketeers dat zeggen.
Liefhebbers van historie komen daarentegen in Doetinchem weinig aan hun trekken. Het hart van de stad is in maart 1945 weggevaagd. Britse bommenwerpers zagen Doetinchem aan voor het Duitse Anholt. 
Als ik arriveer in Doetinchem hangen er dikke grijze wolken boven de stad. Er valt een dreinerige regen uit. Ik sluit niet uit, dat deze omstandigheden mijn indrukken van de stad enigszins negatief beïnvloed hebben. Op het verlaten marktplein voor het vierkante stadhuis hebben de regen en de wind vrij spel. De bedenker van het geometrische meubilair op het plein had waarschijnlijk een ander sfeerbeeld in zijn hoofd, toen hij de houten bankjes ontwierp. De lichtmasten zijn omgeven door driehoekige posterborden, die uitnodigen voor een bezoek aan de show van Marc-Marie Huijbregts. Er is een gele strook papier schuin over Marc-Marie heen geplakt met de tekst: Tip! Moederdagcadeau! Marketeers weten welke doelgroepen ze moeten aanboren.
In het voetgangersgebied klapperen de reclameborden voor mobiele telefoons, dameslingerie en kipschnitzels in de wind. De weinige bezoekers lopen dicht langs de gevels.
Ik stel me de vraag of er op dit moment iets is wat ik heel graag zou willen kopen. Ik kan niets bedenken. Alle ideëen die naar boven komen gaan gepaard met tegenargumenten.
Tussen alle bekende winkelketens vind ik boekhandel Raadgeep  & Berrevoets. Alleen al de naam lijkt mij een omweg waard. Het is behaaglijk rustig in de ruime, lichte winkel van Raadgeep & Berrevoets. Op  de achtergrond klinkt kalme jazzmuziek.
Ik twijfel over een aankoop, maar laat deze achterwege. Ik moet deze avond nog naar een voetbalwedstrijd. Als ik gefouilleerd word, zal het boek onherroepelijk worden ingenomen. Ik zie er namelijk uit, als iemand die vast van plan is om bij het minste of geringste een boek naar de kanis van de assistent-scheidsrechter te slingeren (‘en steek die vlag maar in je reet, flapdrol!’). Welke idioot gaat er met een boek naar een voetbalwedstrijd?
Aan het einde van de  middag loop ik in cirkels rond de kerk om uit ‘het zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden’ er een uit te kiezen voor een hapje eten. Ik beland in Eethuis ’t Hoekje, een als knus aangeprezen gelegenheid in het hartje van het winkelgebied. Het eenvoudige meubilair is van donker hout en op elk tafeltje staat een enorme lantaarn. Ik word geholpen door een zeer vriendelijke jonge vrouw, die een grote donkere bril draagt. Daar hou ik niet zo van. Ik bedoel van zo’n zwarte bril.
Ik ben er de enige en waarschijnlijk ook de laatste gast. Terwijl ik een kop soep en een broodje vis eet, komt de vrouw vier maal vragen of alles naar wens is. Daarna stapelt ze buiten op het terras de natte stoelen op elkaar en legt deze met een meterslang kabelslot vast. De grote lantaarns worden binnen gebracht.
Tegenover ’t Hoekje gaan de winkels dicht. Als de jonge, mollige vrouw van chocolaterie Mousset het slot van de voordeur tweemaal heeft omgedraaid, controleert ze in de donkere, spiegelende ruit nog even of haar haar goed zit. Ze strijkt een paar lokken opzij en loopt de straat uit.
De avond kan beginnen.

1

DAGSLUITING

Dagelijks
 Het is 23.30 uur. G is al naar bed. De poes ligt opgerold op zijn kussentje op de bank te ronken. Ik  zet de pc uit en leg mijn mobiel aan het infuus. Met twee lege glazen en een kopje in mijn hand doe ik alle lampen uit. Dan breng ik het vaatwerk naar de keuken, haal een broodje uit de vriezer en doe de voordeur op het nachtslot.
Op deze manier sluit ik de dag af. Met elk apparaat dat ik uitdoe, wordt het stiller. Met elk licht dat ik doof wordt de wereld kleiner. Alom heerst er nu rust in huis. Ook buiten is het stil.
Er is weer een dag voorbij. Is dat erg? Of juist prettig?
Het einde van de dag is eigenlijk een bijzonder moment, een gelegenheid om bij stil te staan. Maar meestal doe ik dat niet. Dan loop ik nog te denken aan een vervelende gast bij Pauw en Witteman, aan de beperkte houdbaarheid van biologische wijnen of aan onze nieuwe vaatdoek, die verdacht veel lijkt op een meisjesonderbroekje van vroeger.
In de hoogtijdagen van de radio werd het einde van de dag gemarkeerd. Een geestelijke sprak een epiloog of dagsluiting uit. Na het laatste programma klonk het Wilhelmus. De AVRO eindigde met een eigen afscheidslied, gezongen door Bob Scholte:
Goedenacht en welterusten, welterusten, goede nacht
De AVRO gaat nu sluiten, haar dagtaak is volbracht
http://youtu.be/VHtIhd0Az2c(het geluid start na 18 seconden).
De treden kreunen zachtjes onder mijn voeten als ik in het halfduister naar boven loop. Het aantikken van de lichtknop in de badkamer weerklinkt door de holle stilte.
Sommige mensen spelen vlak voor het slapen gaan nog Wordfeud. Anderen kijken vanuit bed een thriller op tv of liggen nog te whatsappen tot het laatste moment. Voor hen geen dagsluiting of bezinning.
Katholieken baden vroeger de rozenkrans voor het slapen gaan, met de knieën op het zeil of de kokosmat en de ellenbogen leunend op een stoel. Heeft er al iemand een moderne, mindfull variatie hierop bedacht?
Ik heb de afgelopen tijd meegeschreven aan een website, waar mensen met slaapproblemen kennis en vaardigheden leren om hun slapeloosheid aan te pakken: http://slaapproblemen.mirro.nl  Het advies is om te ontspannen en geleidelijk tot rust te komen voor je daadwerkelijk gaat slapen. De rozenkrans hebben we niet aanbevolen.
Nadat ik mijn tanden heb gepoetst, doe ik tot slot  het licht op de overloop uit. Met gemak vind ik in het donker de slaapkamer en het bed. De rode cijfers van de wekker staan op 23:39. Ook mijn dagtaak is volbracht.
Al snel nadat ik het bed in ben gestapt voel ik de slaap komen. Mijn hoofd wordt zwaar, mijn lichaam loom. Ik kan gedachten niet meer vasthouden. Ze schieten weg. Beelden komen onverwachts voorbij. Ik probeer te volgen hoe het inslapen verder verloopt, maar dat lukt niet. Als ik mijn aandacht erop richt, is mijn geest weer actief en trekt de slaap zich weer terug. Laat ik me meevoeren, dan weet ik niet meer wat er gebeurt. ‘Meevoeren’ is wel een goede term. Ik wacht af tot ik meegenomen word. Ik ga er niet op af, maar geef passief me over. Ik zak weg.
Laatst kwam voor het eerst van mijn leven vlak voor het inslapen de vraag in mij op of ik nog weer wakker zou worden. Aanvankelijk voelde dat als een angstige gedachte. Maar in tweede instantie zag ik er iets moois in. Een einde zonder pijn of gedoe, tenminste niet voor mijzelf. Het woord inslapen wordt niet voor niets als eufemisme voor doodgaan gebruikt.
Vreemd hoe zo’n vraag ineens opkomt.
Misschien komt het wel weer door  Brahms. Die houdt mij wel meer bezig. Brahms componeerde zijn overbekende Gute Abend, Gut’Nacht op een volksgedicht uit Des Knaben Wunderhorn. In dit wiegelied komt de volgende regel voor:
Morgen früh, wenn Gott will, wirst du wieder geweckt (2x).
Ik ga dit lied maar niet voor mijn kleinkinderen zingen, als zij naar bed gaan. Dan loop ik  het risico dat ik nog moeilijke vragen moet beantwoorden. Wat is dat voor figuur, die Gott? En, nog lastiger te beantwoorden, wat wil ie eigenlijk? Ik zou dat als kind wel willen weten voor ik ga slapen.
1

GYMNASTIEKEN HOUDT JE LENIG, DEEL II

Dagelijks
Wie zal er voor ons zorgen, als wij oud en gebrekkig zijn?
Die vraag dringt zich soms aan mij op. Bijvoorbeeld als ik in de sportschool ben en daar 70- en 80-jarigen hun oefeningen zie doen.
Enkele jaren geleden maakten wij een wandeltrektocht op Kreta. Eén van de etappes eindigde in Sougia, een klein gehucht aan de zuidkust, niet veel meer dan wat kleine herdershuisjes en pensions aan een door bergen omgeven turquoise baai. De stilte in het dorp werd af en toe onderbroken door een kakelende kip of een blaffende hond. Naast ons pension hoorden we ook regelmatig hulpgeroep van een vrouw. In de tuin zagen we een stokoude, gekromde vrouw, met donker omfloerste ogen, gekleed in het zwart. Ze zat met een tuigje in een stoel en slaakte op luide toon kreten die even angstig als boos klonken. Zij zat daar de hele dag op haar eentje. Alleen voor het eten en slapen werd zij naar binnen gehaald.
Nederlandse politici wijzen regelmatig naar het buitenland, zeker als een voorziening daar goedkoper is. Dan mag zelfs Griekenland een voorbeeld zijn. Zo is de ouderenzorg in Nederland flink duurder dan in omringende landen. Daarom wil de overheid dat zorgbehoevende ouderen langer thuis blijven wonen. Verzorgingshuizen worden in hoog tempo gesloten.
Zoals wel vaker met het overheidsbeleid valt er op de analyse van de problematiek niet veel aan te merken: de kosten rijzen de pan uit en instellingen hospitaliseren. Onder druk van de bezuinigingen schiet men echter in de aanpak van de problemen te ver door.
Toen mijn moeder ging dementeren en een licht herseninfarct kreeg, was zij niet meer in staat zelfstandig thuis te wonen. Op haar 87e verhuisde zij naar een verzorgingshuis in haar dorp. Dat huis bood veiligheid, verzorging bij alledaagse zaken en, niet in de laatste plaats, sociale contacten en groepsbezigheden. Samen koffie drinken en gymnastieken bevordert het welzijn. Mijn moeder bloeide op in deze omgeving.
Het huidige regeringsbeleid wordt gekenmerkt door wensdenken. Alle hoop is erop gevestigd dat mensen elkaar in een wijk ondersteunen. Maar als ‘s morgens een groot deel van de bevolking naar het werk is vertrokken, blijven de zieken, gestoorden en senioren tezamen met de Marokkaanse werksters achter. In de Volkskrant hield een ouderenadviseur daarom een pleidooi om de hoop niet op de wijk te vestigen, maar op de familie. Dat lijkt me even idealistisch. De familie zwermt straks over de hele wereld uit.
Als we weinig mogen verwachten van de buurt of de familie, dan is het maar het beste, dat wij, als we oud zijn, bij elkaar gaan wonen en elkaar helpen, met verzorging en toezicht op afroep. Dat lijkt me toch een stuk aantrekkelijker dan het zo lang mogelijk zelfstandig, maar o zo vereenzaamd in eigen huis de dood afwachten.
Als ik mijn eigen teennagels niet meer kan knippen, dan kan ik nog wel die van de buurvrouw doen. En als ik mijn sleutels kwijt ben, weet mijn buurman in de rolstoel die misschien te vinden.
Voor mij zou het wel een voorwaarde zijn, dat we in de woongroep een redelijke verdeling over de verschillende vocale stemmen hebben. Zodat we nog zolang mogelijk het niveau van Daar was laatst een meisje loos kunnen ontstijgen. Voor liefhebbers van modelvliegtuigen, verzamelaars van biedermeier serviezen en gezondheidszorgeconomen zijn er vast wel andere woongroepen te vinden.
Ik ken mensen die al jaren bezig zijn zo’n woonvorm op te zetten. Dat kost veel energie. Dus ik sta niet te trappelen om morgen dit voorbeeld te volgen. Niet eens zozeer vanwege de gevraagde inspanningen. Het staat me tegen om  nu al bezig te zijn om mijn kostje over twintig jaar veilig te stellen. Zouden de zorgverzekeraars niet een ietsjepietsje van hun opbrengsten kunnen afstaan om deze ontwikkelingen te stimuleren? Daar heb ik meer behoefte aan dan aan de gratis leefstijlcoach die mij zo graag wil bijstaan.
Of toch maar een huisje kopen op Kreta? Daar kan je elke dag in de schaduw van een oosterse plataan fantastisch mijmeren over het leven.
0

GYMNASTIEKEN HOUDT JE LENIG

Dagelijks
Elke woensdag ga ik naar de sportschool. Daar werk ik mijzelf in het zweet aan allerlei apparaten. Leuk kan ik het niet noemen, maar nuttig is het wel. De fitness behoort bij een fysiotherapiepraktijk die gevestigd is onder een seniorenflat. Soms beland ik in een groep van 70- en 80-jarigen. Ze lopen met de rollator van het ene apparaat naar het andere en ze geven elkaar een kontje als het met de stramme spieren niet lukt om op de hometrainer te klimmen.

Met mijn 61 jaar voel ik me in dit gezelschap een jonge held.
Een vrouw schuifelt langs een corpulente man die zich uitput op de Leg Extension.
‘Hé Jan, heb je een nieuwe bril?’, vraagt ze.
‘Ja, ik zag steeds slechter’. Hij stopt even met zijn bewegingen om op adem te komen.
‘Met mijn ogen viel het eigenlijk wel mee, maar de glazen zaten vol krassen en vuil. Toen heb ik toch maar een nieuwe gekocht’.
‘Gelijk heb je, je moet een beetje met je tijd meegaan’.
Een oudere dame wandelt in kalm tempo op de loopband. Ze ziet eruit alsof ze naar een verjaardag gaat, in haar kleurige bloemetjesjurk en gekleed vest, compleet met make-up en sieraden. Uit de geluidsboxen van de sportschool komt Sky Radio, the eye of the tiger.
Zou dit de manier zijn om ervoor te zorgen dat iedere oudere zelfstandig thuis kan blijven wonen?
Bij het tijdschriftenrek zit een vrouw op haar rollator te praten met een kleine, ineengedoken man die op zijn stok leunt.
‘…werd ie nog dezelfde dag opgenomen en gelijk geopereerd’, zegt de vrouw aangedaan.
‘Wat zeg u?’
‘DAT IE GELIJK GEOPEREERD WERD!’
‘Oh’, antwoordt de man op een toon, die verraadt dat hij dit niets bijzonders vindt.
Een andere man fietst op een van de hometrainers. Lusteloos en zwaarmoedig duwt hij langzaam de pedalen rond. Een stagiaire van de fysiotherapiepraktijk staat er bij en probeert manmoedig een gesprekje aan te knopen.
‘Heeft u nog televisie gekeken gisterenavond?’
‘Ik?’, zucht de man. ‘Nee’. Er valt een stilte. ‘Wat moet ik nou kijken?’
Op het grote tv-scherm in de fitness is Air Crash Investigations te zien,  een serie van het National Geographic Channel waarin op realistische wijze vliegtuigongelukken worden nagebootst.
Ik loop naar een volgend apparaat.
De vrouw tegenover mij op de Seated Leg Curl zegt tegen haar buurvrouw: ‘Ik heb zo’n hekel aan die verkeersdrempels’.
‘Hoe zo?’, vraagt haar buurvrouw die voorzichtig de stangen van de Triceps Dip omlaag duwt.
‘Dat hobbelt zo als je erover heen fietst.’
‘Ach.’
‘Ik stap tegenwoordig maar even af, ik ben bang dat ik anders een maagverzakking krijg’.

Ondertussen droom ik weg op de Abduction. Ik zie mijzelf als tachtigjarige op mijn pantoffels over een tuinpad naar het schuurtje schuifelen. Daar staan een fonkelende cross-trainer en home-trainer, in elkaar gezet door mijn Burundese klusjesman. Via diverse camera’s kijkt mijn surveillante mee. Zij houdt vanuit haar huis op de Filipijnen in de gaten of ik zonder kontje op het zadel van de home-trainer kom en of ik er niet aan de andere kant weer aflazer.
Elke morgen, als ik met veel gepuf en gesteun mijn kousen scheef aan heb getrokken, roep ik in de camera naar haar: ’Tot over een uurtje in het schuurtje’! Mocht het syteem uitvallen, dan kan ik altijd nog mijn mechanische hulphond inschakelen.
Zodra ik in mijn schuurtje op de hometrainer zit, zet ik de bril op. Begin ik met trappen dan verschijnen de beelden van een fietstocht, bijvoorbeeld langs de Lange Linschoten op een mooie voorjaarsdag, inclusief het geluid van buitelende kieviten en de geur van net uitgereden mest. Ik kan ook een ander jaargetijde uitkiezen of het werkelijke weer. Zo fiets ik heel Nederland door. Een wereldpakket was me te duur. Anders was ik even naar mijn surveillante op de Filipijnen gefietst.
De ouderdom kan er héél aantrekkelijk uit zien.

 
0

DE DERDE LEVENSFASE VAN DE KAT

Dagelijks

Het is stil in onze huiskamer. G kijkt naar haar Twitter-berichten. Ik speel Spider Solitaire. Dan klinkt er ergens een piepje.
‘Er komt een bericht binnen op je telefoon’, zegt G.

‘Dat is een ander geluid’, antwoord ik, ‘volgens mij is het jouw telefoon’.
‘Nee hoor. Voor een sms heb ik een vogelgeluidje en bij een mail klinkt een bel’.
‘Dan zal het wel Whatsapp zijn’.
‘Die doet ‘pok’ , dat was het zeker niet. Het was echt jouw telefoon’.
‘Misschien is het wel je tablet, die heb ik vaker zo horen piepen’, probeer ik nog eens.
Dan horen we het piepje nog een keer, nu wat klagelijker.
‘Het is Youri bij de voordeur’, zegt G. Zij heeft nog de beste oren van ons beiden.

Als ik de voordeur opendoe, komt de kat met zijn staart omhoog naar binnen. Hij laat nog eens een miauw horen. Zijn officiële naam is Youri, maar zo wordt ie bijna nooit genoemd. Hij heeft wel meer dan tien koosnamen, waarvan Pitipoes en Minimas de meest gebruikte zijn. Dit soort namen zijn zonder na te denken ontstaan, in ogenblikken van diepe verbondenheid.
Youri is nu bijna 16 jaar oud. Hij was altijd een actieve kat, die graag naar buiten ging. Ging hij er via de achterdeur uit, dan kon hij zich even later bij de voordeur melden en andersom. Terwijl hij daarvoor honderden meters moet lopen en als een springpaard tien schuttingen moet slechten. Aan de voorzijde sprong hij met gemak uit stand van het trottoir op de vensterbank, anderhalve meter hoog. Dat was zijn manier om te laten weten dat wij de voordeur voor hem open moesten doen. Te midden van alle katten uit de  buurt hield hij zich moeiteloos staande. In onze beleving was hij the King of the Road. Hij joeg de muizen niet uit huis, want die hebben we niet. Hij nam wel muizen in zijn bek van buiten mee naar binnen. Dan ging hij in de kamer met het versufte beest spelen.
Deze beschrijving staat in de verleden tijd, want sinds enige tijd zijn Youri’s dadendrang, sprongkracht  en imponeringsvermogen aanzienlijk afgenomen. Hij gaat minder vaak de deur uit en zoekt nu een veilig heenkomen als hij een soortgenoot ontmoet. Sinds afgelopen zomer heeft hij bovendien kuren met eten. Youri eet meer dan ooit tevoren, maar tegelijkertijd is hij flink afgevallen.

We zijn sindsdien tweemaal met hem naar de dierenarts geweest. Dat zijn voor hem traumatische visites. Het afgesloten mandje waarin we hem meenemen is al zozeer een teken geworden van naderend onheil, dat we er thuis alleen met afleidingsmanoeuvres in slagen om Youri in het mandje te krijgen.
In het patiëntendossier bij de dierenarts staan er drie uitroeptekens achter Youri’s naam. Dat betekent: kan binnen 5 seconden van zich afbijten. Het personeel volgt bijscholingscursussen voor dieren die behoren tot the dominant agressive male species.
In de steriele praktijk kruipt Youri wel weer dolgraag in zijn mandje. Als hij er thuis uitkomt, vlucht hij op lage poten, schichtig om zich heen kijkend, achter de bank om zich te verbergen voor ieder die hem iets onwelgevalligs wil aandoen en voor veterinaire functionarissen in het bijzonder.
De dierenarts heeft hem het laatste halfjaar dus tweemaal binnenste buiten gekeerd. Dat kostte ons een vermogen, waarmee de arts op zijn minst een mooi weekje Centre Parcs kan boeken. Youri heeft nu vier kiezen minder en hij zwaait wat minder zijn snot in het rond. Problemen met het eten zijn er nog regelmatig. Tijdens het koken zit hij continu op de loer om te zien of er iets van de aanrecht valt en tijdens het eten zit hij samen met ons aan tafel.
Onze pedagogische vaardigheden worden ten zeerste op de proef gesteld. Als ie zich tijdens de maaltijd gedraagt, krijgt hij een likje yoghurt bij het dessert. Komt er een Mona toetje op tafel, dan kan hij zich niet beheersen. Dan zet hij  zijn voorpoten op tafel om zijn aandeel op te eisen.
Hij is in zijn laatste jaren, zoveel is zeker. Hij houdt ons een spiegel voor.

1

I WAS GLAD

Dagelijks
Woensdagmorgen begin ik te hoesten. Dat is op zich niets bijzonders, want ik heb al maanden lang een abonnement op verkoudheid en ik ben, zoals artsen dat noemen, bekend met irritaties van het slijmvlies in neus en keel. Aan het einde van de middag krijg ik koude rillingen en opeens heb ik overal pijnlijke spieren. ‘Het zal toch niet’, denk ik. G heeft al vanaf het begin van deze week hoge koorts. Vanuit een nergens op gebaseerd optimisme dacht ik aan de dans te kunnen ontspringen. Nu lijkt het erop, dat ook ik voor de bijl ga. Het is tijd om de proef op de som te nemen.
Er zijn verschillende manieren om koorts op te meten. Dat kan bijvoorbeeld heel comfortabel via het oor of het voorhoofd. Niettemin doen wij het nog altijd met de vertrouwde staafthermometer, en dan niet gemakkelijk onder de oksel of in de mond, maar tussen de billen. Eigenlijk is dat vreemd, want het is een wat ingewikkeld en tijdrovend gedoe. Ik ben er ook niet echt goed in.
De thermometer is onverbiddellijk. Ik heb 39.1 graden koorts.
Dan begint het proces van verwerken: via ongeloof, verzet en droefheid naar aanvaarding. Ik leg me er uiteindelijk maar bij neer. Het kan de komende dagen lijden. En ik ook.
Ons beleid met koortsende ziekten berust op twee pijlers: goed rusten en veel drinken.
Ik begin daarom te drinken als een tempelier. Die uitdrukking heb ik van een wijkverpleegkundige, die deze ooit bezigde toen een van onze kinderen aan de moederborst lag.
Halverwege de avond loop ik met twee loodzware benen en een verhit hoofd de trappen op naar de tweede etage. Daar hebben we een kamertje dat voor dit soort gevallen van ongerief heel geschikt is. De muren en de kasten zijn rustgevend wit. Je stoort er niemand met woelen en hoesten.
Ik probeer te slapen, maar het lukt van geen kant.
Ik moet om het half uur naar de wc, omdat ik zo overmatig kruidenthee gedronken heb.
Erger nog is het gebonk in mijn hoofd. Alsof er continu de monotone dreun van de meest kale house muziek doorheengaat. Zoals dj’s op die dreun vervolgens een melodie plaatsen, komt er bij mij als ik koorts heb altijd een melodie in mijn hoofd, op de maat van het gebonk. Ik weet uit ervaring, dat zo’n lied mijn  hoofd niet meer uit gaat en de hele nacht door blijft dreunen.
Het kunnen allerlei deuntjes zijn, ook niet bestaande. Dit keer krijg ik de baspartij van het vijfstemmige anthem I was glad van Henry Purcell binnen. Geen verkeerde melodie, maar in een continue herhaling is zelfs het mooiste lied onaangenaam. Qua tempo past het wel goed bij het gebonk. Ik schat het aantal slagen in mijn hoofd op zo’n 80 per minuut. Ook de titel zou nog passend kunnen zijn, gezien het gebruik van de verleden tijd.
Halverwege de nacht slaap ik onrustig in, om vervolgens elk uur wakker te worden met het gebonk van I was glad. Misschien is het wel een speling van het lot, dat Purcell in mijn hoofd moet komen nu ik koorts heb. Purcell hield er als rechtgeaarde Engelsman van om een biertje te drinken met zijn vrienden in het café. Ik weet niet of op hem de term tempelier van toepassing kan zijn. Zijn vrouw vond in ieder geval dat hij vaak te laat thuis kwam. In een winternacht was zij het zo zat, dat zij deur afsloot. Poor Henry moest de nacht buiten in de vrieskou doorbrengen. Hij kreeg flinke koorts en liep een longontsteking op, waaraan hij zou overlijden, 36 jaar oud. Hij had nog zoveel mooie muziek kunnen schrijven.
 
 
0

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KNAAPJE

Dagelijks
Ik sta in mijn onderbroek voor de klerenkast om een broek te pakken. Ik neem een bruine casual van de houten kleerhanger. Mijn oog valt op de tekst op het knaapje: Kleedingmagazijn Nederland, Rotterdam. Dat is me nooit eerder opgevallen. Hoe oud zou die klerenhanger zijn? Na welke omzwervingen is ie bij ons in de kast terecht gekomen? Wat kan ik nog over deze klerenhanger te weten komen? Ik ga op onderzoek uit.
Kleedingmagazijn Nederland, Rotterdam geeft geen bruikbare hits op Google. Ook in het gemeentearchief van Rotterdam ontbreekt elk spoor van deze firma. Museum Rotterdam heeft een soortgelijke kledinghanger in de collectie met het opschrift Kleedingmagazijn “Berlin”. Er staat bij vermeld, dat dit soort hangers tussen 1920 en 1946 geproduceerd worden. De naam van de winkel verwijst naar de Duitse oorsprong van de kleermaker. In de 19e eeuw vestigden zich veel kleermakers uit Duitsland in Nederland. Zij kwamen in het kielzog van stoffen- en fourniturenhandelaren. Wie watertandt bij de geschiedenis van bedrijven in Rotterdam kan op de website van het Museum Rotterdam nog van alles lezen over loodwitmakers, tinnegieters, vijlenkapperijen en nog meer ambachten die de huidige spellingcontrole niet meer herkent. Helaas voor dit verhaal wordt de houtindustrie niet behandeld en komen kledinghangerschavers niet aan bod.
De benaming kledingmagazijn werd in de eerste helft van de 20e eeuw veel gebruikt. Het woord magazijn is uit het Frans in het Nederlands terechtgekomen. Deftige modezaken noemden zich Magasin of Maison. Maar in Rotterdam houden ze daar niet zo van. Het is niet voor niets, dat de VVD in Rotterdam op dit moment stemmen werft met de leuze In Rotterdam spreken we Nederlands. Dat was blijkbaar honderd jaar geleden ook al zo.
Ooit heeft toen iemand die een kledingwinkel wilde beginnen zitten peinzen over een geschikte naam. Waarom zou ie als naam voor zijn Kleedingmagazijn op Nederland uitgekomen zijn? Was dat om aan te geven dat er geen tweederangs Belgische borstrokken werden verkocht? Wilde men benadrukken dat men alledaags was en niet deftig? Of wilde men zich onderscheiden van al die Duitse immigranten?
De dubbele ee in woorden als  kleeding is met de spellingverandering van 1934 veranderd in een enkele e. We mogen dus gevoeglijk aannemen, dat het knaapje uit mijn klerenkast 80 jaar of ouder is. Het is echter niet uit te sluiten dat de eigenaar van het kleedingmagazijn zo zuinig was, dat hij tien jaar na de spellingverandering nog knaapjes met het oude opschrift gebruikte.
Mijn kleerhanger heeft een houten dwarslat, ook wel broekenstang genoemd. Deze hanger heeft dus voor een herenkostuum gediend. De vader van G (geb. 1925) kwam uit Puttershoek, vlak onder Rotterdam. Hij kon in de eerste helft van de vorige eeuw in Puttershoek een elektrische tram nemen van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij. Die bracht hem over de nu niet meer bestaande Barendregtse Brug in een keer in het centrum van Rotterdam.
Toen hij in 1953 trouwde en het ouderlijk huis verliet, nam hij maar weinig mee. Daaronder was wel zijn zondagse pak op een houten hangertje van Kleedingmagazijn Nederland. Zijn vrouw kocht daarna af en toe een nieuw pak voor hem, maar het houten hangertje bleef. Toen G bijna tien jaar geleden het ouderlijk huis leegruimde, kwam zij op zolder een doos met klerenhangers tegen. Die dingen komen altijd wel van pas. Dus vond de doos een plaats in de verhuiswagen die naar ons huis in Utrecht reed.
Zo ongeveer moet het zijn gelopen.
We overwegen om in ons testament deze klerenhanger aan het Rotterdams Museum te vermaken.
Ik sta weer voor mijn klerenkast. Ik schuif wat hangers aan de kant op zoek naar een broek.  Hé, wat zie ik daar. Een houten knaapje met het opschrift Wolf & Hertzdal Sittard – Maastricht – Heerlen. Hoe komt die in godsnaam in onze kast?
0

MIDDEN-BRABANT

Dagelijks

De laatste tijd reis ik nogal eens met de auto tussen Utrecht en Tilburg heen en weer.
De A2 tussen Utrecht en Den Bosch vind ik dodelijk saai. De tijd verloopt traag tussen de schuivende achterzijden van auto’s. De mooiste uitzichten, zoals over het dorp Rumpt aan de Linge, zijn verborgen achter geluidsschermen. De radio houdt me op de been, net als de aalscholver op de lichtmast boven de snelweg en de buizerd op een paaltje in een weiland.

Vanaf Vught wordt het allemaal anders. Daar begint voor de doorsnee automobilist de nachtmerrie en voor mij het aangename slow rijden. Wat heet slow trouwens, 70 / 80 km per uur is op de A65 de limiet. Om de paar kilometer moet je afremmen voor de stoplichten. Als een aaneengeregen ketting zoeven de auto’s tussen de dubbele rijen eikenbomen en de dubbele rijen flitspalen, langs lage boerderijtjes met rieten daken, braakliggende akkers met plassen tussen de stoppels van mais, wegcafeetjes, dressuurveldjes, bosschages en boomkwekerijen.
Onvermijdelijk doemt er dan iets in mij op. Ik wil de gedachte verre van mij houden, maar dat lukt niet. De gedachte aan Guus Meeuwis. Ver van huis, in een plaats waar de mensen vroeg naar bed gaan, kreeg de zanger heimwee en schreef hij zijn hit over Brabant: ..dan denk ik aan Brabant, want daar brandt nog licht. (waarschijnlijk wordt hier bedoeld: in de megastallen). De Nederlandse liedliteratuur dankt aan Guus onvergetelijke strofen als:
De Peel en de Kempen en de Meijerij
Maar het mooiste van Brabant ben jij, dat ben jij.
http://www.youtube.com/watch?v=JylE2A5P5Qg

Wie hier enige spot proeft heeft gelijk. Ik ben jaloers, omdat wij in het midden van het land niet zo’n mooie meezinger kennen; jaloers op de gezelligheid in Brabant en natuurlijk vooral jaloers op een zanger die een massaal meedeinend Philips stadion aan zijn voeten krijgt met zo’n houterige performance.
Ik ken de afslagen van de A65 onderhand uit mijn hoofd: Helvoirt,  Cromvoirt / Nieuwkuijk, Haaren, Biezenmortel; dorpjes verscholen achter bomen, waar het leven goed is en de nachten lang. Of hoe zègde dè èègelek in et Braobaants?
In Nieuwcuyk was ik ooit aan het begin van de nacht in een café. Het licht brandde er nog. Het was de enige keer in mijn leven dat ik twee vechtersbazen uit elkaar haalde. Ze rolden, de vuisten beukend, met elkaar over de vloer. Ik greep de bovenliggende man in zijn kraag en zette hem in één beweging weer overeind. In de buurt van Nieuwcuyk was ik destijds in stottertherapie. Dat doet wonderen met een mens. Ik was daar op het toppunt van mijn fysieke kracht en zelfvertrouwen.

Bij Berkel Enschot, in deze tijd van het jaar Knollevretersgat geheten, neem ik de afslag. Over de rechte, met huizen omzoomde, Bosscheweg rijd ik de laatste kilometers naar Tilburg. Op deze weg moet de snelheid omlaag naar 50 km per uur. Aangezien mijn Heerom ooit tot ereburger van Berkel Enschot werd benoemd voel ik me schatplichtig aan dit dorp. Mijnheer met de pet, steekt u maar rustig over, ik wacht wel even.
Vlak na het bord Tilburg passeer ik het Wilhelminakanaal. In de ijzige winter van 1963 was mijn ome Do de chauffeur van mijn vader’s Volkswagen, die vol met familie op weg was naar mijn Heeroom. Vlak voor de brug over het kanaal raakte de koffiebruine kever in een slip. Het moet aan de voorzienigheid te danken zijn, dat de auto niet in het water gleed, maar met een harde klap tot stilstand kwam tegen de leuning van de ophaalbrug. Met verse verwondingen in zijn gezicht vertelde ome Do die avond het relaas onder het licht van de lampenkamp in het midden van onze huiskamer.
Ik arriveer in Tilburg, toch al niet neerlands mooiste plaats, via een lelijk bedrijventerrein. De Gamma en de Kwikfit brengen me weer met beide benen in de realiteit. Op de ring neem ik de eerste straat links, de Enschotsestraat, langs de parochiekerk Petrus Donders. Ik ben er bijna. Het mooiste van Brabant ben jij, dat ben jij.

1

PLAT HOOFDDEKSEL

Dagelijks

De pet is weer terug. Dan bedoel ik niet de alomtegenwoordige Amerikaanse baseball-pet, de zuidelijke alpino of de stevige uniformpet van agenten, kapiteins of fanfaremuzikanten. Ik heb het over het platte hoofddeksel met klep, zoals dat in vroeger jaren door veel mannen werd gedragen.

Begin 20e eeuw droeg elke jongen zo’n pet. Dan kreeg je niet zo gauw luizen. Boeren en arbeiders droegen een pet. Aan de pet herkende men de sociale status. Wie naar binnen ging deed zijn pet af. In de zomer zag je dan een scherpe scheiding tussen een bruinverbrand gezicht en een spierwit voorhoofd.
Mijn ome Do droeg altijd een pet, zomer en winter, of ie nu aan het werk was in de smederij of op zondag naar de kerk liep. Hij was ongetrouwd en woonde met zijn eveneens vrijgezelle zus in het ouderlijk huis. Hij werkte als knecht in de smederij van zijn broer. Hij was een man van weinig woorden en weinig wensen. Kwam je op zondagmiddag op bezoek, dan zat hij voor het raam in stilte naar buiten te kijken tot de duisternis inviel. Alleen op familiefeesten, als hij de nodige borrels op had, liet hij nog wel eens van zich horen. Dan zong hij, een oude jenever in de ene hand, een sigaar in de andere, het lied van Wilde Johnny, qua karakter de tegenpool van mijn oom. Steevast raakte hij dan zijn tekst kwijt. Dan kwam er een lachje om zijn mond en zijn ogen draaiden naar het plafond. De spanning werd opgelost als een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Bij de boedelverdeling waarbij het onder andere ging om antiek meubilair, tafelservies en portretten van voorouders heb ik uiteindelijk de pet van ome Do in de wacht gesleept. Ik heb ‘em nog eens  opgezet om op mijn beurt op een familiefeest Wilde Johnny te zingen. Daarbij deed ik de geschiedenis enig geweld aan, omdat Ome Do zijn Wilde Johnny-act nooit met een pet op voordroeg. Op feesten was hij in driedelig grijs, het soort grijs, waarop sigarenas niet opviel.

De pet is dus weer helemaal terug. Ik zat er al langere tijd op te spinsen om er een te kopen. Afgelopen zomer nog ging ik in het Walhalla van de Pet, Groot-Brittannië, om precies te zijn in Inverness, aarzelend de deur van een smal winkeltje binnen. Daarachter strekte zich een pijpenlade uit met petten zover je kon kijken in alle denkbare soorten, kleuren, vormen en maten. Ik viel ten prooi aan keuzestress. Hoe meer petten ik opzette, hoe langer ik in de spiegel keek, hoe meer ik begon te twijfelen. Alsof het kiezen nog niet moeilijk genoeg was, haalde de verkoopster op aandringen van G  zelfs de etalage overhoop om er een exemplaar met een bijzonder dessin uit te halen. De gedienstigheid van de juffrouw was zodanig, dat ik nog even overwoog om de etalagepet met de lelijke kleuren maar te kopen. Gelukkig hield de prijs mij tegen. Na een half uur liepen we onverricht ter zake de winkel weer uit. De stemming was er niet beter op geworden.

Onlangs liepen G en ik te winkelen in Utrecht. Dat komt niet veel voor, de sfeer was uitgelaten. In die toestand trok ik in de Bakkerstraat  zonder er bij na te denken G opeens de hoedenspeciaalzaak van Jos van Dyck in. Sinds 1923 brengt men daar hoofddeksels aan de man. Ik sprak mezelf toe, dat ik niet weer zo moest twijfelen. Dat hielp. Na vijf minuten stond ik buiten met een lichtbruin exemplaar in visgraatdesign, Harris Tweed, hand woven in the Outer Hebrides. Dat is niet ver van Inverness. Ik zette de pet gelijk op. Ik zat nog wel te frummelen met mijn oren. Moesten die er nu onder of niet?
Het voordeel is dat ik nu iets onder de pet kan houden. Verder kan ik eindelijk doen, waar ik mijn hele leven naar uitgekeken heb: er met de pet naar gooien. Daarvoor moet ik nog wel in training, want dat heb ik niet van huis uit meegekregen.
Als ik dan zo met mijn pet op door de stad fiets, denk ik aan the Outer Hebrides, maar nog meer aan het lied van Wilde Johnny.