Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

MAN EN AUTO

Dagelijks

Waarmee kan een beetje man in het openbaar pronken? In zijn straat of op een feestje? Dat kan maar één ding zijn. Niet zijn grappige barbequeschort, die Italiaanse designschoenen of die kekke verticuteerhark.  Dat kan alleen maar dat grote, glanzende mobiel zijn dat recht voor zijn deur staat en waar hij met opgeheven borst naar toeloopt. Die auto, waar hij graag zijn geld aan spendeert, die hij regelmatig door de wasstraat haalt, en die onderdeel is van zijn identiteit (‘zeg me waarin hij rijdt en ik vertel je wat voor man het is’). Als het even kan heeft hij naast zijn gezinswagen nog een cabriolet of een oldtimer waarvan hij in zijn kinderjaren al een miniatuurversie van had.

Ik vond als kind een Saab prachtig en bij de Mercedes was ik weg van dat fijnmazige rooster voor de motorkap. Maar ergens in mijn ontwikkeling tot man, heb ik een andere afslag genomen en ben ik niet meegegaan met al die mannen die hun auto liefhebben als hun partner.
Voor mij is een auto nu een gebruiksding. Het interesseert me niet hoe ie eruit ziet en wat er aan accessoires op zit. Ik stel het kopen van een andere auto het liefst zo lang mogelijk uit en dat lukt me aardig. Al dertien jaar lang. Maar nu hebben we onze VW Golf Variant (2002) aan zoonlief overgedaan. Nu kan ik er niet meer onderuit.
Maar geen nood, op de website van de ANWB staat de Autokieshulp, een handige tool die mij in tien stappen door het keuzeproces heen helpt. De eerste vraag is: wil ik een hatchback, een sedan of een ander type? Ik ga weer even achterover zitten: een hatchback, een sedan?? Er staat geen vraagtekentje bij voor meer uitleg. Iedereen weet blijkbaar wat bedoeld wordt. Er wordt gevraagd hoeveel vermogen ik wil. Ik heb géén idee, maar ook dit is blijkbaar gesneden koek voor echte mannen.
Na ampele raadpleging van een aantal websites komen we tot de conclusie dat wij gaan voor een hybride, compacte middenklasser, zoals dat in het jargon heet. Het grote voordeel is dat er maar weinig kleine hybride auto’s gemaakt worden. De keuze is beperkt en daar hou ik wel van. De firma Toyota duikt in deze markt herhaaldelijk op en zo lopen we op een zaterdagmiddag de ruime, lichte hal van een Toyota-dealer binnen. We gaan voor een occasion. Want waarom zoveel meer geld uitgeven voor de nieuwste snufjes als een paar jaar oude auto net zo goed rijdt?
Ik ben op mijn hoede. Ik heb me voorbereid op vlotte verkopers met slimme overtuigingspraatjes. Als je al niet weet wat een hatchback is, dan word je zo onder tafel geluld.
De Toyota-verkoper is inderdaad een vlotte vent. Maar aanprijzen of overtuigen doet hij geen moment. Hij neemt uitgebreid de tijd om uit te zoeken wat we willen. Bij alles wat wij zeggen en vragen geeft hij ons het idee, dat onze wens heel begrijpelijk is. Alsof hij het zelf ook zo wil. Misschien zeggen wij wel domme dingen, maar hij verblikt of verbloost niet. Hij gaat nergens tegenin. De man is goed geschoold.
Na een prettig proefritje in een Toyota Yaris zeggen we dat we er nog even over na willen denken. Dit is de eerste maal, dat de verkoper ons niet alleen maar bevestigt. Op handige wijze weet hij onze instemming te krijgen voor een volgende afspraak. Wij zeggen nog wel, dat we ook bij een andere dealer gaan kijken. Op dat moment verstrakt het ontspannen gezicht van de verkoper. Voor een enkel ogenblik maar. Feitelijk zijn de onderhandelingen al begonnen.
In dit interbellum raadplegen we nog wat deskundigen, zoals mijn favoriete autotijdschrift Top Gear. Hierin lees ik: “Zoals ie nu is, zal de Yaris vooral liefhebbers van droog, no-nonsenseautorijden aanspreken”. Kijk, we worden van onverwachte kant bevestigd in onze keus!  Top Gear vervolgt: “Nou ja, hebben zij ook eens iets wat er tof uitziet.” Maar wat Top Gear tof vindt, vindt de no-nonsense automobilist misschien niet altijd tof.  Zo vind ik de achterzijde foeilelijk. Maar ja, dat heb je bij mensen ook wel eens. 
Uiteindelijk kopen we een twee jaar oude Yaris bij de eerste dealer. Als ik de wagen kom halen is ie toegedekt met een groot, felrood fluwelen laken. Ik mag het cadeautje uitpakken. Jammer, dat er geen toeschouwers zijn om te applaudisseren als ik het kunstwerk onthul. Zoveel man ben ik nu ook wel weer.
0

LA GRANDE FÊTE

Dagelijks
Zou er iemand in Nederland zijn, baby’s en hoogbejaarden niet meegerekend, die niet weet dat vandaag de Tour de France in Utrecht is gestart?
Hier in Utrecht zijn we er al maanden op voorbereid met tentoonstellingen, proefritten, festivals en allerlei creatieve variaties op de met Franse vlaggetjes versierde etalage. Nu het eenmaal zover is, is de stad een pretpark en het centrum een verzameling van muziekpodia, waartussen een continue stroom van mensen gaande is. Keerzijdes zijn er ook. Wie zich er op verheugd had om dit weekend van de Grand Départ thuis te bevallen kan dat op haar buik schrijven. Je kunt je in een groot deel van de stad alleen lopend of fietsend verplaatsen, zeker als je, zoals wij, aan of bijna aan het parcours woont.  De stad met de auto uitrijden kan nog wel. Maar ben je eenmaal buiten, dan kom je er niet meer in. Het is een omgekeerd Hotel California.
Nu zul je er mij niet over horen klagen. De Tour in Utrecht, dat is prachtig. Dan neem je wat ongemakken voor lief.
De Tour voelde vandaag wel wat onwerkelijk. Alsof het niet de echte Tour de France is.
Immers, in onze ervaring begint het kijken naar de Tour met een tijdlang stilstaan in een file zonder dat je een meter vooruit komt. In arren moede en god-zegene-de-greep laat je dan je auto half in een greppel achter en loop je een uur in een almaar toenemende stroom mensen. Kijken naar de Tour is een plekje zoeken in een weinig egaal stukje berm, waar het naar hooi ruikt. Is het smeren van stukken stokbrood met La Vache Qui Rit, terwijl je tegen de benen van omstanders aankijkt en merkt dat je te weinig drinken hebt meegenomen.
 
 
                              Col de Berthiand, dep. Ain, 1991.
Het is kijken naar die boer, met zijn platte pet en zijn kromme rug, de kinderen die wapperen met het groene handje van sponsor PMU, naar drie nonnen op hun verkleurde tuinstoeltjes.
Het is uren wachten in de mistige kou en regen op de Galibier, met een transistorradiootje via de Wereldomroep luisterend naar Radio Tour de France, terwijl fanatieke Italianen voortdurend vragen of Pantani nog bij de koplopers zit. Het is ongeduldig hangen in de hekken op de Champs Elysee, in de brandende zon, met het geluid van musette-walsen uit de luidsprekers, naast die oude Parijzenaar op zijn pantoffels en Le Figaro in de wijde zak van zijn ochtendjas.
Kijken naar de Tour is vooral wachten, wachten, wachten, totdat er 13 volle seconden lang iets voorbij flitst.
Vandaag konden we de hele reclamekaravaan en al dat wachten overslaan. Op het moment dat de starter zijn laatste vinger introk en de eerste renner voor de tijdrit van het startpodium dook, liepen wij op ons gemak met een klapstoeltje de voordeur uit. Honderd meter verder sloten we aan bij de rijen langs de dranghekken in de zon, nog ruim op tijd om die eerste renner, hartstochtelijk toegejuicht, langs te zien stuiven.
Met tussenpauzen van 1 of 2 minuten volgden successievelijk de overige 197 renners. Eerst doemden steeds de blauwe zwaailichten op van een Franse motoragent en een Nederlandse collega. Op gepaste afstand volgde dan een spichtige renner in een strak, kleurig pak, voorovergebogen over zijn stuur, waardoor de botten van zijn ruggengraat goed te zien waren, weggedoken onder een enorme, aerodynamische helm met een scherm voor de onzichtbare ogen, de benen ritmisch rondmalend onder een bewegingloos bovenlijf. Als een emotieloze machine voortmalend achter de twee even bewegingloze motoragenten. Voor de emotie hoef je niet naar een tijdrit te kijken.
Elke renner werd met applaus ontvangen,  maar naderde er een Nederlander dan was dit al duidelijk nog voordat het blauwe zwaailicht zichtbaar was. Langs het gehele parcours golfde dan een overdonderend lawaai, zoals een wave zich door een stadium verplaatst.
Was ons gekoelde water op of hadden we zonnecrème nodig, dan liepen we even naar huis.
Het voelde niet helemaal als de Tour, maar het was net zo leuk.
De Tour is van start gegaan. Het feest gaat nog wel even door hier.
1

WE ZIJN WEER THUIS

Dagelijks
Het is al donker als G en ik na veertien dagen vakantie weer onze straat inlopen, de koffers achter ons aanslepend en het rugzakje op de rug. Het voelt fris. Ik loop er in mijn korte broek en op mijn zware bergschoenen wat ongepast bij.
De straat ligt bezaaid met dor blad, de gebruikelijke voorjaarsval van de platanen. Er hangen vlaggen met schooltassen aan de huizen.
Terugkeren van vakantie geeft gemengde gevoelens. Het is fijn om thuis te komen, bij mijn dierbaren, mijn muziek, mijn eigen bed. Maar het mooie leven is afgelopen. Straks wachten weer de dagelijkse verplichtingen.
Als we voor onze deur staan, moeten we eerst op zoek naar de huissleutel. Waar hadden we die ook alweer opgeborgen?
‘Het is ook zo verdomde donker in het trapportaal.’
‘We zouden toch nog een keer een lamp laten aanleggen hier?’
Als we de deur openen schuift er een stapel kranten en post de hal in. Uit het huis komt ons de muffe geur tegemoet van een woning, die twee weken niet gelucht is.
We zijn weer thuis!
We hebben het er andermaal goed van afgebracht! Geen verstuikte enkel, tasjesroof, buikgriep of ontmoeting met een suicidale copiloot. Hoe ouder ik word, hoe meer ik bij terugkomst een gevoel van tevredenheid ervaar, van opluchting, ik zou haast zeggen van dankbaarheid, al weet ik niet wie ik hiervoor zou moeten bedanken.
Merkwaardig toch, hoe je meer gaat vrezen, hoe korter je leven nog duurt.
We schenken een drankje in, maken stapels van de post en de kranten, starten de computer op. Ik bekijk wat krantenkoppen. Wie zou er dit jaar overleden zijn? Ik open hier en daar wat post. Ik krijg een gevoel van rusteloosheid: waar ga ik beginnen? De lijst met mails klik ik maar weer weg. Laten we eerst maar eens gaan slapen, in ons vertrouwde bed.
Als ik de volgende dag bezig ben met uitpakken, valt me van alles op wat er nog moet gebeuren. Waar ik ook kom om wat op te bergen, ik zie iets wat aangepakt moet worden.
De tuin is een wildernis en die verfspullen in de kelder moeten eindelijk eens opgeruimd worden. De banken moeten hoognodig in de was gezet worden en ja, da’s waar, we moeten eens op nieuwe stoelen uit. Ik moet ergens opschrijven, dat ik nog een cadeautje moet kopen. Waar heb ik toch dat koordje van mijn bril gelaten, heb jij dat ergens gezien? De kachels moeten dit jaar een controlebeurt hebben, help je mee onthouden? Wat stinkt die wasmachine trouwens, wat zouden we daaraan kunnen doen? Heb jij de autoverzekering al opgezegd? Dat zou jij toch doen?
Ondertussen valt de koloniale palm, die al jaren onze slaapkamer siert, geheel uit zichzelf van zijn voetstuk. Die heeft te droog gestaan. Hij heeft gewacht met vallen tot wij thuis zijn. De pot is in tweeën gebroken en de vloer ligt vol met uitgemergelde potaarde. Een nieuwe pot kopen, dat kunnen we ook aan het lijstje toevoegen.
En oh ja, ik moet niet vergeten om binnenkort op een nieuwe zwembroek uit te gaan, anders loop ik volgend jaar weer in dat versleten ding. Het elastiek is er totaal uit, wat al een paar jaar lang bij het in en uit het water gaan tot onverantwoorde risico’s leidt.
Zo gaat het maar door. Er is geen enkel moment in het jaar, dat er zoveel opvalt wat er nog moet gebeuren als na een vakantie. Binnen de kortste keren is het vakantiegevoel geheel verdwenen.
Ik heb denk ik last van het postvakantiesyndroom. Het zal de overgang wel zijn, laten we het daar maar op houden. De overgang van de onbezorgde, kalme vakantiemodus naar het dagelijkse ritme. Sommige mensen blijven te lang in de vakantiemodus hangen. Anderen gaan in de week na hun vakantie nieuwe plannen maken. Dat is ook een strategie. Ik schiet te snel in de actiemodus. 
Laat ik eerst maar eens wat gaan zingen. Dat helpt tegen alle kwalen.
1

GELUK IS….

Dagelijks
Dit wordt een saai stukje.
Over oorlog, angst of seks kan je spannende verhalen vertellen. Maar schrijven over geluk vind ik een stuk moeilijker. Dan bedoel ik niet het geluk van verliefdheid of het winnen van een prijs, maar alledaags geluk.
Op een mooie lentemorgen maak ik in de omgeving van Tilburg een fietstochtje. Overal zie ik het zachte groen van ontluikende blaadjes, het uitbundige roze en wit van de bloesem, het frisse groen van bermplanten. Er is weinig wind en de zon breekt door de ochtendnevels. De koelte van de morgen bezorgt me nog een tranend oog.
Voorop de fiets zit S, mijn kleindochter van 4, achterop N van 2 jaar.
De Mozart, die ik bij dit harmonisch tafereel hoor, wordt verdreven door N. Bij het zien van een bus zet zij De wielen van de bus gaan rond en rond in. S gaat hieroverheen met Doe maar een, twee, drie, geeft je energie. Net als ik me afvraag, waar dat lied vandaan komt, roept ze keihard: ‘Koningsspelen! 2015!’.
De kinderen wijzen van alles aan.
‘De rails, daar mogen geen auto’s over’, zegt S.
‘Nee’, zeg ik, ‘en je mag er ook niet fietsen en lopen’.
Zoals kinderen leergierig zijn, zo wil ik graag vertellen en uitleggen. Ik weet niet of daar een woord voor is, maar het moet iets zijn als onderwijsgierig. Of ik ben een educafiel.
‘Die vogel heeft een witte buik!’, ziet S.
‘Ja’, leg ik uit, ‘dat is een huiszwaluw. En die daar op dat hekje, dat is een grasmus’.
‘Gasmus??’, herhaalt N vragend. Ze herhaalt alle woorden, die ze niet kent, met een groot vraagteken. Alsof ze nauwelijks kan geloven dat er zo’n raar woord bestaat.
Bij een natuurgebied wil S van de fiets af. Ze gaat  bloemetjes plukken.
‘Dat is een pinksterbloem en dat is speenkruid…’. Als een hedendaagse Jac. P. Thijsse vertel ik wat ik weet over alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit. En wat door de mensheid wordt verknoeid, denk ik er achteraan.
N blijft staan bij een hoop paardenuitwerpselen.
‘Opa, poep!’, gilt ze met haar hoge stem door de stille morgen.
Ze is geobsedeerd door drollen. Ze heeft er de leeftijd voor.
Ze is nog niet zindelijk, maar af en toe legt ze een bolus op de wc. Laatst had zij in de AH zelf haar luier uitgetrokken. Tussen de schappen toonde zij triomfantelijk de opbrengst aan haar vader: ‘Papa, poep!’.
‘Dit is van een paard’, leg ik uit. ‘En kijk, deze kleine keuteltjes hier, die zijn van een konijn’. Daarna ontdekken we een hoop van een schaap.
Geheel geobsedeerd blijft N bij elke keutel staan. Het tempo van de wandeling daalt onrustbarend. S heeft zich ondertussen gespecialiseerd in paardenbloemen.
Als we bij een klein ven komen, is er weer een andere uitdaging.
De dames graven met hun handen in het zand. Vooroverstaand krabbelen ze als een hond het zand tussen de benen door. Daarna is het tijd om dingen in het water te gooien. Kleine stenen, grote stenen, stukken hout. ‘Die gaat zwemmen’, zegt S over een drijvende tak.
De uitleg daarvan laat ik maar achterwege. Natuurkunde is nooit mijn sterkste vak geweest.
Ik zit op een picnicbank, mijn hoofd in de zon.
Mijn gedachten gaan alweer vooruit. Ik denk aan het middageten en kijk op mijn horloge.
‘Kom op, we gaan’, roep ik.
Als ik mijn oproep herhaal, zegt S vanuit de grond van haar hart: ‘Nee! Ik vind het hier leueueuk!’
‘Dan kunnen jullie zo nog even fietsen achter het huis’.
Ze spelen gewoon verder.
‘Dan gaan we lekker eten!’
Geen reactie.
Ik speel mijn laatste troef uit: ‘Papa is nu ook weer thuis’.
Ze hollen de andere kant op.
Er loopt een man langs met drie grote honden. Hij heeft een verweerd gezicht.
‘Die hè nen eigen wil hè’, zegt hij met rasperige stem.
Hij ziet eruit, alsof ie alles van dresseren weet en mij graag wat adviezen wil geven.
Kinderen kunnen mij ook wat leren. Ze kunnen veel beter dan ik genieten van het moment.
Dus ik geef het over en laat ze nog even spelen.
Aan de serie Geluk is…kan weer een nieuwe zin toegevoegd worden.
Geluk is… fietsen met je kleindochters op een zonnige lentemorgen.
Dat moet je ervaren, het is niet te beschrijven.
1

HET WONDER VAN DE FIETS

Dagelijks
Zo rond mijn zesde jaar leerde ik fietsen. Als jongste van de vier kreeg ik een afdanker, een te grote kinderfiets met blokken op de pedalen. Het moment dat ik op de onverharde Hamweg in Vleuten werd losgelaten en zelfstandig mijn weg vervolgde, staat me nog goed bij. Wat een sensatie om overeind te blijven! Nu hoefde ik niet meer achterop bij een ander. Lopen was overbodig geworden. Ik kon fietsen, ik kon ver weg.
De fiets vind ik een van de mooiste uitvindingen die er bestaan.
Het is een eenvoudige constructie van twee met elkaar verbonden wielen, een trapmechanisme, een stuur en een zadel. Fietsen is gezond en het brengt geen schade toe aan het milieu. Met dezelfde inspanning ga je drie maal zo snel als wanneer je loopt.
Omdat na de uitvinding van de fiets nog de auto en het vliegtuig gevolgd zijn, staan wij bij dit laatste argument niet meer zo stil. Maar eind negentiende eeuw betekende de komst van de fiets een revolutie in het vervoer.
In die tijd woonde er familie in Montfoort, een klein gat met stadsrechten in het zuid-westen van de provincie Utrecht. Het leven van de inwoners speelde zich grotendeels in het plaatsje af. Men werkte er en trouwde een partner van om de hoek. In Montfoort kon je bijna alles kopen wat je nodig had. Zo heel af en toe ging men wel eens naar Utrecht toe, een reis van 15 kilometer. Lopend deed je daar zo’n vier uur over. Wie niet wilde lopen kon zich ’s morgens om half zes inschepen op de vrachtboot, die via Jutphaas naar Utrecht voer. Die deed er ook vier uur over.
Dat er een voertuig was uitgevonden, waarmee je in één à anderhalf uur in Utrecht kon zijn, was dus een geweldige vooruitgang. Het vergrootte je actieradius en versterkte je zelfstandigheid. De fiets gaf een enorme stimulans aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Zo’n voertuig wilde je hebben. Het was een bezit om te koesteren.
Ook mijn moeder wilde dolgraag een fiets, zo halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw. Al haar broers hadden er al een.
Voor vrouwen was het gebruik van de fiets echter minder vanzelfsprekend. Vrouwen waren veel meer aan huis gebonden. Bovendien was het fietsen met die lange rokken geen sinecure. Zo heeft de regering in 1897 aan koningin Wilhelmina verboden om gebruik te maken van een rijwiel. Hoewel de koningin bleef volhouden, dat wielrijden een gezonde inspanning is achtte de regering, gelet op de  zware verantwoordelijkheid van de majesteit, het risico te groot.
Mijn oma had wel geleerd om te fietsen. Ze was er echter mee gestopt uit angst dat ze in een heg of in een sloot zou rijden ‘met al die mensen op de weg’. Ze maakte liever bonen in.
Een tante had weer last gehad van een ander ongemak. Vrouwen droegen in de tijd veelal een wijd soort onderbroek met vier banden, twee aan het voorpand en twee aan de achterklep. Tijdens een fietstocht merkte mijn tante dat de banden van haar achterklep los waren geraakt. Dat fietste niet prettig. In een café aan het einde van de Biltstraat in Utrecht kon zij de zaak fatsoeneren: de lange rok optillen, de onderrok optillen, beide rokken stevig vastklemmen onder de kin, zodat de handen vrijkwamen om de banden van de achterklep met een dubbele knoop weer vast te maken.
Een fiets voor mijn moeder was derhalve niet vanzelfsprekend. Haar vader, een boer met een handvol koeien op een gepacht stukje land, besloot toen, dat de fiets er zou komen, als zij zou leren melken. Dat noem je tegenwoordig een win-winsituatie. Haar moeder raadde haar deze deal af. ‘Dan moet je altijd mee met melken’. Mijn moeder hield vol. Ze  leerde melken en kreeg haar rijwiel. 
De fiets was de ontsluiting van de wereld.
0

DE OCHTENDKRANT

Dagelijks
Vijfenveertig jaar is een lange tijd. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Meer dan een generatie. Voor velen is het meer dan de duur van hun arbeidzaam leven.
Als je vijfenveertig jaar gewend ben aan iets, dan stap je er niet zo gemakkelijk van af. Een vriendschap, de manier van ontbijten, de onderbroeken die je draagt. Of de krant die je leest.
Ik ben al vijfenveertig jaar geabonneerd op de Volkskrant. Sinds 1970 hoort het dagblad bij mijn ochtendritueel. Natuurlijk zijn er wel eens tijden geweest, dat ik ook een bijkrant las (zoals je een bijgerecht hebt of een bijzettafeltje). Zo las ik het Utrechts Nieuwsblad omdat ik in Utrecht woon, de Waarheid in mijn alles-moet-veranderen-periode, en de NRC omdat ik begrepen had dat je die moest lezen om als weldenkend mens te kunnen meepraten. Maar de Volkskrant is altijd de constante factor.
Ik ben een ochtendkrantmens. Bij het ontbijt wil ik met de boterham het nieuws consumeren. Regelmatig aarzel ik over de vraag of ik een stuk ga lezen. Begin ik aan een lang serieus artikel of laat ik me toch maar meevoeren door een smakelijk, maar irrelevant bericht? Soms stop ik geërgerd halverwege een artikel, omdat er niets nieuws in staat. Een krant is er ook om je aan te ergeren.
De krant moet ’s morgens op de mat liggen. Wordt ie een keer niet bezorgd, dan begint mijn dag niet goed. Dan ga ik als een moederpoes die haar jong kwijt is op zoek naar het nieuws. Is er nog wat gebeurd in Nederland en omstreken? Het is nergens voor nodig, maar ik wil het weten.
Als je al vijfenveertig jaar dezelfde krant leest, dan moet die verbondheid redenen hebben.
Ik kom net als De Volkskrant uit een katholiek nest. De krant was jarenlang een dagblad voor links Nederland. Met serieuze berichtgeving, maar ook aandacht voor de ontspannende zaken van het leven. Ik ben gehecht geraakt aan hoe de krant het nieuws brengt, aan columnisten, recensenten, aan het vertier van Sigmund en Gummbah.
De Volkskrant heeft allerlei ontwikkelingen doorgemaakt. Ik ben meegewaaid. Ik vond het niet altijd even goed, maar ik ben vijfenveertig jaar Trouw gebleven.
Nu hebben we de Volkskrant opgezegd en zijn we overgestapt op Trouw.
Dat kostte moeite. Er ging enkele jaren van twijfel overheen. Maar nu is het dan zover.
Ik heb al veel langer het idee, dat de Volkskrant niet meer voor mij gemaakt wordt. Dat ik niet meer tot de doelgroep behoor van mensen die een kwartier hebben om een krant te lezen met grote koppen, veel foto’s en grafieken. Mensen, die alles willen weten van populaire tv-series, de nieuwste smartphones of de zwaarte van de schoolboeken.
Ik begrijp dat de krant jongere doelgroepen moet bereiken om te overleven. Maar inhoud en stijl zijn aan mij niet meer besteed.
In de politieke verslaglegging gaat het meer om de posities en de relaties dan om de inhoud. Familiedrama’s en overvallen worden uitgeplozen door buren en vrienden te interviewen. Redacteuren gaan op zoek naar fouten van instellingen en beleidsmakers.
Het krioelt in de krant van de meningen, waar we dankzij de sociale media (en weblogs!) toch al mee overgoten worden. De krant wil niet alleen verslagleggen, maar zelf ook nieuws maken.
Joop Visser zong al in de tachtiger jaren over de jou-hoe-hoernalisten:
De brand die ze verslaan, meneer
Als zij het land in gaan, meneer
Steken ze zelf eerst aan, meneer
Dat noemen ze een baan, meneer.
Later schreef hij nog het lied De Volkskrant is een Kutkrant.
Nu hebben we dus een abonnement op Trouw. Een dagblad dat beschrijft wat er gebeurd is zonder daar altijd en overal een mening of een kort-door-de-bochtanalyse aan toe te  voegen. Meer verslaglegging, minder sfeertekening.
Trouw is een bastion van rust. Trouw is ook de ernst zelve.
In mijn dilemma van serieuze artikelen en smakelijke berichten, heb ik nu voor het eerste gekozen. Ik weet niet of het me goed zal bevallen en of de protestantse achtergrond me niet teveel gaat tegenstaan. Bij de katholieken zijn de overlijdensadvertenties toch een stuk interessanter. Maar alla, je kunt niet alles hebben. 
Hoe lang zal ik Trouw blijven? Ik ben bang dat het geen vijfenveertig jaar wordt.
1

FORT ’t HEMELTJE

Dagelijks
Ik reed vanuit Utrecht de A27 naar het zuiden. Direct na knooppunt Lunetten viel mij links van de weg een blauw bord op met de naam Fort ’t Hemeltje. Dit is een van de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Wel een merkwaardige naam, dacht ik, een combinatie van Fort en Hemel.
Ik ben in enkele van deze negentiende eeuwse forten geweest. Ze  zien er stenig en donker uit, met hun smalle gangen waar het waterkoud is en het zonlicht nooit doordringt.  Dat is ongeveer het tegenovergestelde van mijn beeld van de hemel. Omgekeerd stel ik me de hemel geenszins voor als een moeilijk binnen te komen vesting of als onderdeel van een verdedigingslinie. Je moet alleen iets bedenken om langs Petrus te komen.
Rijdend over de snelweg kan je over nutteloze dingen nadenken, dus bedacht ik dat het woord hemeltje ook een merkwaardig woord is. Want noch het zwerk noch het hiernamaals kan ik me in een verkleinde vorm voorstellen. Er moet iets anders mee bedoeld worden.
Bij een hemeltje denk ik aan een kroeg, een cafébrand, een jongerensoos of desnoods een diaconaal centrum voor dak- en thuislozen. Het hemeltje is een woord met een knipoog. Het is prettig om er te zijn, maar je weet dat het niet zaligmakend is en dat het maar voor even is. Bij het hemeltje kan je weer weggaan. (Dat lijkt me overigens een groot voordeel, want de gedachte dat je het hiernamaals nooit meer kunt verlaten, vond ik als kind al angstaanjagend.)
De Waterlinie is een militaire verdedigingslinie die loopt van Muiden naar de Biesbosch. In de 19e eeuw heeft men ten oosten van Utrecht een aantal forten gebouwd, die samen de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden genoemd.
Ten tijde van oorlog konden in deze linie delen van het land onder water worden gezet om de doortocht van de vijand te belemmeren. Het lag voor de hand dat de vijand zou proberen door te breken op de wat hoger gelegen plaatsen, waar inundatie niet mogelijk was. Onder meer op de Houtense Vlakte, ten zuidoosten van Utrecht, werden daarom forten gebouwd.
De Oude Hollandse waterlinie is met succes in 1672 ingezet tegen een inval van de Fransen. Een goede eeuw later werd een zwakke kant van de waterlinie pijnlijk duidelijk. De Fransen vielen in de winter van 1794 / 1795 aan. Door de strenge vorst kon het leger over het ijs Holland binnentrekken. Wijs geworden door deze sof bedachten onze manschappen nieuwe listen. Door middel van ijszagen en speciale waterinlaatplaatsen kon het ijs op een aantal voor de vijand onbekende plekken worden verzwakt. Het beeld van een hele colonne, die door het ijs zakt, moet de bedenkers veel voorpret hebben bezorgd. In 1939 heeft het Nederlandse leger nog op schaatsen geoefend. We voelden ons toen al onverslaanbaar op het ijs.  
De Nieuwe Hollandse Waterlinie is nooit gebruikt. In de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal. In 1939 heeft men bij wijze van oefening een polder bij Gorinchem laten onderlopen. Na de capitulatie konden de Duitsers in 1940 de forten zonder strijd overnemen. In 1945 hebben Canadese soldaten op fort Rhijnauwen nog wat zitten spelen met voor hen onbekende Duitse munitie. Dat heeft flinke beschadigingen aan het fort opgeleverd.
Tot in de zestiger jaren hebben diverse forten gediend als opslagplaats voor munitie en materieel.
Nu zijn ze veelal eigendom van Natuurmonumenten of van Staatsbosbeheer. Omdat de forten beschermde gebieden zijn, zijn een rijke flora en fauna in de plaats gekomen van soldaten en kanonnen.
Fort ’t Hemeltje is gebouwd tussen 1877 en 1881. Op hollandsewaterlinie.nl lees ik: ‘Het fort was voorzien van een bastionet-caponnière in de gracht, met kazematten en lage flanken voor de grachtflankering. Deze waren door middel van poternes bereikbaar’.
Dat u het maar weet.
‘Tegenwoordig is het fort van Staatsbosbeheer. Het fort wordt opgeknapt en krijgt een kantoorfunctie. Daarnaast wordt het fort voor publiek opengesteld en beleefbaar gemaakt met een belevingswandelroute’. Niet zo maar een wandelroute dus.
Rest nog de vraag, hoe Fort ’t Hemeltje aan zijn naam komt. 
Het Fort is genoemd naar een boerderij annex herberg die daar ooit stond. Ook lang geleden werd het café al gezien als een kleine uitgave van de hemel. 
2

DE OMZWERVINGEN VAN EEN MEUBELSTUK

Dagelijks
Op mijn kamer staat een oud eikenhouten bureau. Het robuuste meubel is misschien wel meer dan honderd jaar oud.
Het bureau stond in ons ouderlijk huis in de voorkamer bij het raam. Het diende als bergmeubel voor allerhande papieren en enveloppen. Op het bovenblad lagen de KRO-gids en de Katholieke Illustratie naast een vooroorlogse Remington typemachine en een smeedijzeren brievenstandaard. Boven het bureau, op een gelakte plank die aan de muur bevestigd was, stond een Philips radio-ontvanger. Daarnaast hing het spaarbuisje van het Kannunik van Schaikfonds.
Als mijn vader uit zijn werk kwam, verstopten mijn zus en ik ons steevast onder het bureau. Terwijl wij ingeklemd in de smalle ruimte met ingehouden adem afwachten, zocht hij, iedere dag weer, eerst de hele kamer af alvorens onder het bureau te kijken.
Op zaterdagavonden zaten we er wel eens bovenop. Dan was het hele gezin in de huiskamer bijeen om naar een verstrooiend radioprogramma van de KRO te luisteren, zoals Ons Kent Ons met Kees Schilperoort. Spannend werd het als de uitslag van de SUS-loterij bekend werd gemaakt.
Halverwege de jaren zestig viel het bureau ten prooi aan de moderniseringswind die door Nederland waaide. Het meubel verdween naar boven, naar mijn slaapkamer. Ook al gebruikte ik de kastjes voor mijn plakboeken met foto’s van Connie Froboess en Eddy Hodges en voor het Brio sportalbum van de Olympische Spelen 1964, het werd nog altijd het bureau van pappa genoemd. Op de lege plek in de huiskamer kwam er een modern, gefineerd radiomeubel met ingebouwde pick-up.
Dit was tenminste de tweede maal in zijn bestaan dat het bureau werd afgeserveerd. Jarenlang had het dienst gedaan op het kantoor van Douwe Egberts in Utrecht, waar mijn vader archivaris was. Toen de houten bureaus vervangen werden door stalen exemplaren, was dit schrijfmeubel in onze huiskamer beland.
Er is geen naam van een fabrikant, geen jaartal, geen typenummer in het meubel verwerkt. Het is dus gissen hoe oud het bureau is. Het komt zo te zien uit een tijd, dat er aandacht besteed werd aan enige opsmuk, getuige de drie gleuven in de stijlen, de zwarte versiering daarboven en de meetkundige figuren naast de laden.
De leeftijd zou afgeleid kunnen worden uit de afschrijftermijnen, die DE toendertijd voor zijn meubilair hanteerde. Mijn vader heeft me dat nooit verteld, maar een periode van 40 – 50 jaar lijkt me aannemelijk. Het bureau is dan rond de vorige eeuwwisseling gefabriceerd.
Het meubel van donker eikenhout heeft enige status, maar er ontbreekt sierlijk hang- en sluitwerk. Het zal daarom niet het bureau geweest zijn van mijnheer JH of mijnheer ED, zoals de directeuren bij DE destijds werden aangeduid.
Er heeft een dienstbare klerk met gesteven boord aan gezeten. Voor het controleren van facturen, het bestellen van de koffiebonen of het vullen van de wekelijkse loonzakjes. Ondertussen kwam juffrouw Aafje met de koffie langs. Dat verzin ik er nu bij, maar ik zou zeggen, als er ergens een juffrouw met koffie langs kwam, dan was het wel bij Douwe Egberts.
In de jaren tachtig heeft mijn zus zich over het bureau ontfermd. Zij gebruikte het om vertalingen van Tacitus of Euripides na te kijken. Dat vind ik wel passend. Het is echt zo’n bureau om iets met oude talen te doen. Of om je testament te schrijven. Of de spaarpunten van Douwe Egberts te tellen.
Het schrijfmeubel heeft met mijn zus twee verhuizingen meegemaakt en waterschade doorstaan toen er een dakgoot vervangen werd.
De tijd vliegt. Toen mijn zus na haar pensionering kleiner ging wonen, was er geen plaats meer voor de oude makker. Toen heb ik hem opgehaald. Niet omdat ik een bureau nodig had, maar je laat het bureau van pappa niet in de steek.
Er is nu een voorlopig einde gekomen aan de omzwervingen. Het meubel staat erbij als een trouwe pakezel, die altijd voor je klaar staat. De kastjes zijn zo diep, dat er aan elke zijde minstens twee kleinkinderen in passen. Het bureau zit vol sporen van zijn lange bestaan, maar met een beetje warme aandacht kan het nog lang mee. Als ik er langs loop, strijk ik altijd even over het bovenblad. Het liefste zou ik er weer als kind bovenop klimmen.
Ik kan nu al zitten piekeren over de vraag, waar het heen moet met het bureau, als ik er niet meer ben.

 

4

DE STEEN

Dagelijks
Op een goede manier vallen is een kunst. Judoka’s en keepers worden erin getraind. Aan ouderen wordt training aanbevolen. Dat kan van pas komen bij een losse stoeptegel of bij gladheid.
Al op jonge leeftijd ontdekte ik bij mijzelf een zekere aanleg voor de valkunst. Ik liet mij zonder  mankeren uit knotwilgen vallen en, tijdens het verstoppertje spelen, van de bovenste plank in een kast. Voor een sprong van een hoog zwaaiende schommel draaide ik mijn hand niet om. Ik kon ook fraaie vallen ensceneren. Toen mijn zus eens van vakantie thuis was gekomen en haar koffer midden in de keuken had laten staan, deed ik onder de ogen van mijn moeder alsof ik met een enorme buiteling met mijn hoofd tegen de wasmachine knalde. Daarna heeft niemand ooit meer een tas van enige omvang midden in de keuken laten staan.
Dit soort ervaringen kwamen mij goed van pas als vader.
Bij het naar bed brengen van zoon A waren in een bepaalde leeftijdsfase de verstopspelletjes populair. In die tijd ontwikkelde zich een spelletje, dat we later De Steen zijn gaan noemen.
Als het bedtijd was, holde A vrolijk vooruit naar zijn kamer. Kwam ik daar even later binnen, dan lag hij midden in zijn slaapkamer opgerold onder een deken op de grond. Ik deed of ik niets in de gaten had en viel vervolgens met veel misbaar en geweeklaag over die bult.
‘Welke idioot heeft hier die steen midden in de kamer laten liggen?’, riep ik dan verontwaardigd uit. Ik schoof de steen aan de kant of tilde hem op en deponeerde het gehele pakket in een hoekje van de kamer. Daarna liep ik even de kamer uit. Wanneer ik terugkeerde lag de steen weer midden in de kamer en stootte vader-ezel zich ten tweede male aan de steen.
Ik zou dit spelletje al lang vergeten zijn, als A, inmiddels zelf vader van twee dochters van bijna vier en twee, niet deze week geappt had, dat hij De Steen met zijn oudste dochter had gespeeld. Met groot succes.
Wat een ontroerend moment!
‘Blij’, zou de jongste kleindochter zeggen. Zij deelt sinds kort de wereld, op digitale wijze, in in boos en blij.
‘Opa is boos!’
‘Nee, opa was bang dat je zou vallen’.
Lachend: ‘Opa is blij!’
‘Ja, opa is weer blij’.
Eigenlijk is het woord blij niet sterk genoeg om mijn gevoel over De Steen uit te drukken. Dit gaat evenzeer over geluk en over tevredenheid.
Het is leuk om te merken, dat zo’n eenvoudig spelletje naar een volgende generatie doorgaat. Wie weet wordt het nog verder doorgegeven. Maar dat is niet de kern.
Het is ook niet dat ik me op zo’n moment een tevreden grootvader voel, die trots is op zijn kleinkinderen. Of dat ik het gevoel heb, dat vertolkt wordt in het lied De glimlach van een kind doe je beseffen dat je leeft.
Ik voel me bovenal een tevreden vader. Een geslaagde vader.
Zoals iedere ouder dachten wij bij het opgroeien van de kinderen wel eens: wat moet dat worden? Komt dat wel goed met die jongens? Jonge kinderen hebben immers nog veel te leren. Als ze zich losmaken, doen ze dingen die je onverstandig vindt. Wat we geprobeerd hebben om over te dragen zie je op die momenten niet terug. Dat wordt blijkbaar pas zichtbaar als zij volwassen zijn en verantwoordelijkheid dragen, bijvoorbeeld als ze zelf kinderen hebben.
Grootvader worden betekent niet alleen dat je kleinkinderen krijgt. Je hebt daarnaast, in mijn geval,  opeens een zoon, die vader is. Dat doet iets in een relatie. We delen ervaringen. We komen dichter bij elkaar. Wij zijn niet alleen vader en zoon, maar ook samen vader.
Voor wie al wat langer grootouder is zijn dit soort uitspraken waarschijnlijk open deuren.
Maar jonge opa’s hebben nog veel te leren.
Met mijn kleindochters bedenk ik weer nieuwe spelletjes. Ik loop met een kind op de rug als een huppelend paard door de kamer. Plotseling blijf ik dan stokstijf naast de bank staan. Het paard wil niet meer voor- of achteruit. Het kind op de rug wacht in spanning af. Daarna val ik op de bank. 
Waarschuwing: dit spel vereist enige oefening in het vallen. Oefen bijvoorbeeld eerst zonder kind met een koffer midden in de kamer. Oefen in geen geval op een skipiste.
0

HET IS ROOD-ZWART EN HET FLADDERT

Dagelijks
Het is er het afgelopen weekend weer niet van gekomen. Terwijl het toch een kleine moeite is. Het kost je slechts een half uur en je kunt er voor in je luie stoel blijven zitten. Je draagt bovendien bij aan een doel waar niemand enig bezwaar tegen zal hebben. Dat soort doelen moet je koesteren, die hebben we nauwelijks in Nederland.
Maar vorig weekend zat al vol met het precaire proces van het kopen van een nieuwe tafel en het compleet uitruimen van de huiskamer zodat de schilder ongehinderd  het lawaaischuren kan beoefenen.
Zodoende heb ik opnieuw moeten afzien van mijn deelname aan de Nationale Tuinvogeltelling.
Het is goed, dat we  jaarlijks terugkerende evenementen hebben, zoals Halloween, de Top 2000 en Blue Monday. Dat geeft houvast in deze onzekere tijden. Tellen kan bovendien geen kwaad. Meten is weten,  dat voorkomt eindeloze discussies. Daardoor komen  we dagelijks in de Volkskrant nuttige grafieken tegen, bijvoorbeeld over inteeltdepressie bij otters (21-01). Adverteerders kunnen onderbouwen dat 58% van de vrouwen kiest voor een shampoo met een hydratine glansversterker.
Met het eenmaal per jaar tellen van de vogels in je tuin  houden vogelonderzoekers bij welke soorten het goed doen en welke het moeilijk hebben. Voor de Vogelbescherming is het een fantastisch middel om aandacht te vragen voor alles wat vleugels heeft. Vogels kijken is leuk. Het is een onschuldige bezigheid. Zo is het een stuk minder beladen dan vrouwen kijken, bijvoorbeeld.
Het is echt een vaderding, zo begon het bij mij tenminste. Dat we in Frankrijk kampeerden en dat er een vogeltje in de kleuren van de Duitse vlag op de kampeertafel landde.  Dan maak je als vader geen beste beurt, als je niet kan uitleggen hoe dat beestje heet. Dan koop je een boek dat ook voor kinderen geschikt is en vervolgens een vogelkijker. Terwijl je kinderen allang weer aan het voetballen zijn,  lig jij  dan ergens doodstil in het struikgewas met je kijker onder handbereik, omdat je iets geels tussen het struweel zag oplichten. Zo gaan die dingen.
Toen is ook het tellen begonnen: welke vogel heb ik waar voor het eerst gezien. Ik heb ook bijgehouden welke vogels ik in mijn tuin ben tegengekomen, of beter gezegd: welke ik vanuit tuin en huis heb kunnen waarnemen. Daardoor kon ik de overvliegende aalscholver en de blauwe reiger meenemen in de telling, naast de verdwaalde bosuil die zich ooit aan de voorzijde van ons huis bekend maakte.
Er zijn winters geweest dat we in onze tuin regelmatig bezoek kregen van sijsjes, groenlingen en goudhaantjes. Zou ik in deze winter gaan tellen, dan is de kans groot dat ik 2 houtduiven zie, 1 kauw en 1 koolmees. Daar kan ik het woord opwindend niet voor gebruiken. Vooral die duiven en kauwen kan ik wel schieten. Die zouden echt iets aan hun imago moeten doen.
Na zoveel jaren rondsjouwen met de kijker door de natuur en met het achteruitgaan van ogen en oren  is het vuur wat aan het doven.  Soms flakkert het nog weer even op. Twee weken geleden liep ik  niets vermoedend in de kamer rond, mijn hoofd brekend over het vervolg van mijn blog. Ondertussen schoten er allerlei klussen door mijn hoofd die nog moeten gebeuren. Opeens kwam er vanuit de tuin in mijn ooghoek een rode flits voorbij. Alsof er in het corpsballenhuis achter ons  een colafles uit het raam werd gegooid.
Ik draaide mijn hoofd en zag op een paar meter afstand een vogel met een felrode borst, een zwarte kop, en witte en grijze strepen op zijn rug. Dat kon niet anders dan een goudvink zijn  (voor de eerst gezien: Den Dolder, maart 2002). Gezien de fraaie kleuren moest het een mannetje zijn. Zo gaat dat in de vogelwereld. Daar kijken we naar de mannetjes. http://www.vogelbescherming.nl/vogels_kijken/vogelgids/zoekresultaat/detailpagina/q/vogel/56/tab/Algemeen 
Dat beestje dat zich zelden laat zien zat onaangekondigd in mijn tuin! Mijn lijf was meteen een en al opwinding.  Ik hield mijn adem in, sloop achter het glas stil en gebukt naar mijn kijker, die – niet voor niets – in het dressoir naast het raam ligt. Met trillende handen zocht ik de vogel. Verrek, waar was ie? Die beesten willen nooit eens  rustig blijven zitten. Ik speurde weer zonder kijker rond en zag hem op een andere tak . Rustig blijven, sprak ik mezelf toe. Nu kreeg ik hem in vol ornaat in  de kijker. Met zijn donkere vinkensnavel plukte hij aan de tak. Wat een schoonheid en dat zomaar in onze tuin! Voor niets.