Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

GELUKSVOGEL

Dagelijks

Sinds 24 februari kijk ik iedere ochtend na het opstaan eerst op Teletekst om te weten of er nog nieuws is uit Oekraïne. Daarna pas pak ik de krant. Ik lees de verhalen over de mannen die hun kostuum omwisselen voor een gevechtspak. Over de mensen in de schuilkelders en de angsten tijdens de inslagen van raketten. Ik zie de foto’s van de geblakerde gevels van flatgebouwen, van de mensen die hun leven wagen op straat om een naaste naar een ziekenhuis te brengen. Hoe zou ik reageren in zo’n situatie? Ik zou niet eens weten waar hier een schuilkelder in de buurt is. Het gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. En tussen al die gedachten over de oorlog dringt het besef door dat ik tot de generatie geluksvogel behoor.

Op de eerste plaats omdat ik nooit een oorlog heb meegemaakt en nooit heb hoeven vechten. De vrede en vrijheid die we kennen zijn als het water voor een vis: zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat. Maar er is veel meer dat mij tot een bevoorrecht mens maakt.
Ik groeide op in een veilige, groene, niet-vervuilde omgeving. Ik genoot degelijk onderwijs, wat mij hogerop bracht. Ik was jong in de jaren zestig, een decennium waarin de rode loper van vrijheid en autonomie voor mijn generatie werd uitgerold. Een golf van democratisering ging door het land. Mijn studie werd deels gefinancierd en ik mocht er lang over doen. De opkomst van de popmuziek was een ongekende ervaring. We konden ons eigen leven leiden, met voldoende middelen, ook op het gebied van genot en anticonceptie. Onder de dienstplicht uitkomen was een koud kunstje. Vervolgens leverde de studie een goed betaalde baan op. We kochten voor een habbekrats een huis en werden slapend rijk omdat het huis elk jaar meer waard werd. Ik had een baan met veel autonomie en voldoende ruimte voor creativiteit. Part-time, zodat ik ook nog verzorgende taken op me kon nemen en me kon uitleven in hobby’s. Lieve vrouw en kinderen, vrienden, goede gezondheid, vakanties naar het buitenland. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan zes van de zeven vinkjes van Joris Luyendijk aankruisen.

Voor zo’n geluksvogel als ik is het toch wel bijzonder dat ik zo vaak geprotesteerd heb tegen wat er in mijn ogen mis is in de maatschappij: de ongelijke kansen, discriminatie, de wapenwedloop, het gebrek aan democratie. Dat komt er blijkbaar van als je bent opgevoed met het streven dat altijd alles beter moet en dat we de hemel nog niet bereikt hebben. Maar heeft het wat uitgehaald? De kernwapens zijn de wereld niet uit, de ongelijkheid neemt toe, de milieuvervuiling kookt over.
De generaties voor mij hebben oorlogen gekend en economische crises. Wij konden profiteren van de vooruitgang en de welvaart. Voor de generaties na mij ziet het er voorlopig niet naar uit dat het beter wordt. Laten wij, van de geluksgeneratie, het huis waarin we zo heerlijk gewoond hebben, in een slechtere staat achter? Het is goed om hoop te houden. Maar ik heb er op zijn minst een ongemakkelijk gevoel bij.

1

CITYMARKETING

Dagelijks

Er is goed nieuws te midden van alle ellende: de EBU is weer bij elkaar! Voor wie het nog niet gelezen heeft: de Economic Board Utrecht is een samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en lokale overheden, opgericht om de regio Utrecht wereldwijd op de kaart te zetten, ditmaal met het thema gezondheid.
Utrecht heeft al de hoogste toren van het land. Nergens in Nederland is de brede welvaart zo hoog als hier. Het Utrecht Science Park is het grootste van de Benelux. De stad was een paar jaar geleden de beste fietsstad ter wereld en wij hebben de grootste fietsenstalling van de aarde en omstreken. En nu liggen er, aldus de EBU, voor de Utrechtse metropoolregio geweldige kansen om koploper te worden op het gebied van gezondheid en gezonde leefomgeving.
Dat u het maar even weet. Wat er nog ontbreekt is dat wij de grootste psychiatrische instelling hebben. En de grootste gevangenis.

‘De beste dames-tasschen vindt men bij magazijn De Concurrent’, klonk het in de vorige eeuw. ‘Onze collectie corsetten met elastieken binnenband kent haar weerga niet.’ Die aanprijzingen zijn nu overgeslagen naar elke zichzelf respecterende stad of gemeente. Citymarketing is een bedrijfstak van jewelste geworden. I Amsterdam.
In Utrecht kennen we Utrecht Marketing, ‘een partnerorganisatie, kennispartner en reputatiebouwer, die als verbinder partijen sectoroverstijgend samenbrengt.’
Het Merk Utrecht staat voor ‘een stad van makers met een drang tot vernieuwen en verbeteren. Kleine en grote ideeën worden hier werkelijkheid dankzij inspirerende verbindingen, verrassende kruisbestuiving en slimme samenwerking.’ Bent u er nog?
Het profiel dat Utrecht onderscheidend maakt is dat van ‘een verbindende creator.’ Waar gaat het dan om? ‘Hier wordt overal iets gemaakt, valt overal iets te ontdekken, vind je overal inspiratie.’ Ook in gezwollen taalgebruik wil Utrecht kennelijk de beste zijn.
In 1995 telde Utrecht 235.000 inwoners, nu zijn dat er 360.000. De stad wil de komende jaren doorstoten naar de 400.000. Daartoe moet elk stukje onbebouwde of verkeerd bebouwde grond worden opgevuld. Bijvoorbeeld de gebiedsontwikkeling Cartesius. ‘Een leefomgeving die bewoners en bezoekers in staat stelt om automatisch te doen wat goed is voor mens en natuur.’ Een plek om op te laden. ‘Cartesius is een gezond en duurzaam statement van wereldformaat’, aldus de baas van Ballast Nedam. Gesproken wordt van een wereldprimeur.

Nog een laatste voorbeeld. De EBU heeft het project Utrecht Talent Alliantie ontwikkeld. De metropoolregio wil het beste talent naar zich toehalen. Zorgen voor voldoende verpleegkundigen bijvoorbeeld.
Op dit punt wil ik dan toch een instemmend geluid laten horen. Die broeders en zusters zullen we met de toenemende vergrijzing hard nodig hebben. Jammer alleen dat Leiden, Apeldoorn en Breda net zoveel bakken geld uitgeven om die verpleegkundigen naar zich toe te halen.
Het Utrecht Marketing Team kan het niet alleen, zo lees ik op de site. Iedere bewoner wordt geacht zijn steentje bij te dragen. Iedereen moet hetzelfde geluid laten horen, dan wordt het een krachtig signaal. Ik heb deze week alvast geoefend. Dit was mijn eerste bijdrage.

0

KRUISHEER

Dagelijks

De Markt in Maaseik

Ik was onlangs in Maaseik, een oud stadje in Belgisch Limburg, met een fraai marktplein omgeven door horecazaken met middeleeuwse gevels. Veel terrassen waren gesloten. In het midden van het plein torende het standbeeld van de schilders Jan en Hubert van Eyk boven de vele geparkeerde auto’s uit.
Omdat ik te vroeg was voor mijn afspraak wandelde ik nog wat rond. In de hal van de Catharinakerk lag het gerepareerde beeld van een engel, die blijkens het bijschrift, op zekere dag vanuit zijn plaats hoog in het gewelf zomaar omlaag was gedonderd. Zonder januaristorm of beeldenstorm. Even verderop werd het Kapucijnenklooster gerestaureerd. Dat kost meer dan zes miljoen euro, vermeldde een bord. Aan dezelfde straat werd gebouwd aan een nieuw onderkomen voor de orde der kruisheren. De kosten stonden er niet bij, waarschijnlijk betaalt de orde dit uit eigen zak.
Ik liep naar de overzijde, naar het huidige kruisherenklooster. Hier moest ik zijn. Ik werk aan een boek over de familie Van Rooijen. Eén van hen was de kruisheer Henri van Rooijen. Hoewel hij nooit in Maaseik gewoond heeft bevindt zijn persoonlijk archief zich hier.

Henri als novice begin jaren twintig tussen twee zussen en een broer

Henri werd geboren in 1902 in Utrecht. Op de priesteropleiding blonk hij dermate uit, dat hij vanaf 1925 zijn studie mocht voortzetten aan het Angelicum, een van de belangrijkste pauselijke opleidingen in Rome. Hij keek er zijn ogen uit naar de vrije manier waarop de Italianen hun geloof belijden. In 1928 promoveerde hij magna cum laude tot doctor in de theologie. Terug in Nederland bouwde hij door het schrijven van boeken een naam op als kenner van de kerkgeschiedenis. Vanaf 1935 was hij studentenpastoor in Leiden. Daar onderhield hij in de oorlogsjaren contacten met studenten die actief waren in het verzet. Die ervaringen leidden bij hem tot de doorbraakgedachte in de studentenwereld: niet meer elke gezindte zijn eigen studentenvereniging, maar één gezelligheidscentrum voor alle studenten. Hij fietste ervoor naar de Maliebaan in Utrecht om toestemming te vragen aan kardinaal De Jong. Leiden was de enige universiteitsstad waar deze doorbraak daadwerkelijk gerealiseerd werd. Voor een aantal jaar tenminste. In de jaren zestig woonde Henri als assistent van de hoogste leider van de kruisheren, door hen Het Hoogwaardig Heer genoemd, alle zittingen van het Tweede Vaticaans Concilie bij. Hij overleed in 1987.

Het Vaticaans Dagboek

Henri van Rooijen heeft niet alleen onnoemelijk veel geschreven, hij heeft ook alles bewaard: dagboeken, studiemateriaal, correspondentie, artikelen, overpeinzingen, enz. Het kostte mij meer dan een uur om de inventarislijst, waarin alle archiefstukken zijn beschreven, door te nemen. Ik maakte een scherpe selectie. De vijf dagen, die ik daarna in Maaseik mocht komen, waren eigenlijk onvoldoende. Alleen al het dagboek dat Henri tijdens het Vaticaans Concilie heeft bijgehouden bevat vijfhonderdvierenveertig dicht beschreven vellen, nog groter van formaat dan A-4.
Hij komt uit de stukken naar voren als een belezen intellectueel, een erg aardige en hulpvaardige man, kalm en gelijkmatig van karakter. Je zou een boek alleen over hem kunnen schrijven. Maar dat zou, vrees ik, een beetje een saai boek worden. Over een door zijn familie aanbeden engel, opgeleid in het Angelicum, die standvastig aan zijn pilaar blijft hangen.

1

DANKBAARHEID

Dagelijks

Elke morgen mogen wij aan de ontbijttafel een vraag beantwoorden. Het papieren label van het Pickwick theebuiltje vraagt ons na te denken: ‘welke levensles wil je doorgeven aan anderen?’ ‘Wat wil je deze week bereiken?’ Het zou me niets verbazen als ik binnenkort de volgende vraag tegenkom: ‘waar ben je vandaag dankbaar voor?’
‘Dankbaarheid blijkt een beschermende werking te sorteren tegen psychische klachten en is een aanjager van veerkracht’, zo las ik onlangs in De Volkskrant (15-01). ‘Mensen die dagelijks een dankbaarheidsdagboek bijhouden waarderen hun leven hoger en ervaren een betere mentale gezondheid dan mensen die dit niet doen.’ Door deze oefening leer je om blij te zijn met wat je hebt.

Zo’n tien jaar geleden liepen G en ik in Schotland de West Highland Way, 165 kilometer van Glasgow naar Fort Williams. Ten noorden van Loch Lomond zaten we op een avond met een groep Canadezen in de Drovers Inn (Est. 1715). Gezeten achter grote pinten Scottish Ale werden we uitgenodigd elkaar de Highs of the day te vertellen. Zij deden dat elke dag. ‘You’ve done a great job’, zei een de mannen toen ik tevreden verteld had dat ik het lange traject had volgehouden. Hij stond op en hield zijn vuist omhoog zodat ik de mijne ertegenaan kon tikken. Daarna hieven we allemaal ons glas en proostten op zoveel moois.
De positieve psychologie is een richting binnen de psychologie die het belang van positieve ervaringen vooropstelt. Ze is ontstaan als tegenhanger tegen methoden die gericht zijn op de ontrafeling van problemen. Het regelmatig benoemen van positieve ervaringen dient om de weerbaarheid en het zelfvertrouwen van mensen te bevorderen. De dankbaarheidsmethode lijkt een nieuwe loot aan de boom van de positieve psychologie.
Tevreden zijn over je eigen werk valt niet onder de nieuwe methode. Dankbaarheid veronderstelt een gever. Relaties zijn onmisbaar voor een goede geestelijke gezondheid. ‘En dankbaarheid is een van de sleutels om die relaties goed te houden en te verdiepen’, aldus hoogleraar Ernst Bohlmeijer, die een app ontwikkeld heeft om de dankbaarheid te bevorderen.

De wereld is zo vergeven van negatieve zaken dat ieder initiatief om het leven lichter te maken mij welkom lijkt. Al bespeur ik bij mijzelf ook een lichte wrevel. De dankbaarheidsmethode roept herinneringen op aan een religieus verleden. Dank U voor deze nieuwe morgen… is het lied dat in mijn hoofd weerklinkt. De laatste jaren overvalt mij steeds vaker een groot gevoel van dankbaarheid als ik thuiskom van een lange reis. Geen ongelukken gebeurd, niks gestolen, niet ziek geworden. Maar ja, wie moet ik in dit geval dankbaar zijn?
Ik was al een eindje op weg met dit blog toen ik zaterdag 19-02 in De Volkskrant een nieuw artikel las. ‘Onze obsessie met positiviteit is schadelijk’, vindt de Amerikaanse psychotherapeut Whitney Goodman. Het idee, dat wie maar positief denkt alles kan bereiken (‘Je kunt het!’, ‘Je bent geweldig’) maakt sommigen diep ongelukkig, ondanks het dagelijks inventariseren van de Highs of the day. Goodmans advies is om te accepteren dat het leven niet altijd leuk is. Ook dat is waar.
Bedankt dat je dit stukje wilde lezen.

3

DE IMPACT VAN DE OORLOG

Dagelijks

NSB’ers paraderen. Bron: Niod

Wie vaker hier komt herinnert zich wellicht dat ik vorig jaar juni schreef over mijn zoektocht naar de daders van de liquidatie van een Vleutense NSB’er. Deze Van der Grift wilde in 1944 zijn lidmaatschap van de NSB inleveren. Hij waarschuwde verzetslieden als er razzia’s op komst waren en hij bood zelf onderdak aan een onderduiker. Na uitgebreid onderzoek onder meer in de dossiers van het Nationaal Archief was mijn conclusie dat de kans groter is, dat Van der Grift door leden van de Landwacht, de NSB-opsporingsdienst, is omgebracht dan door verzetslieden. Er zijn geen gevallen bekend van een NSB’er die door ‘eigen mensen’ is omgebracht. (Overigens, ik noemde geen namen van daders.)

Mijn blogs in juni waren gebaseerd op een concept artikel dat ik – met medeweten van de redactie – schreef voor het tijdschrift van de Historische Vereniging Vleuten – de Meern. In januari 2021 had ik een eerste versie ingeleverd. Met het oog op de familieleden van voormalige NSB’ers wilden de redactie en het bestuur van de vereniging voorzichtig zijn.
Daarom kwam er vanuit de vereniging een gesprek met de kleinzoon van de groepsleider van de NSB. Dit familielid was na het lezen van het concept geschokt. Allerlei nare jeugdherinneringen waren weer naar boven gekomen: dat hij wegens pesterijen van school was gehaald, niet meer aan een sportclub kon deelnemen, e.d. Minstens zo confronterend was, dat het beeld dat hij van huis had meegekregen over zijn grootvader als ‘goede NSB’er’, aan gruzelementen lag.

Het tijdschrift van de Historische Vereniging

Ik was onder de indruk en bood hem een gesprek aan waarin hij zijn kant van het verhaal zou kunnen vertellen. Ondertussen had ik al meermalen contact gehad met publicist Ad van Liempt over de diverse voetangels en klemmen in de beschrijving van verhalen uit de oorlog.
In juni volgde eindelijk een gesprek tussen de kleinzoon, de voorzitter van de historische vereniging, de redactiecoördinator en mij. De uitkomst was dat ik initialen zou gebruiken en de zin zou toevoegen dat er geen aanwijzingen zijn dat Vleutense NSB’ers betrokken waren bij de liquidatie. Hiermee kon de kleinzoon instemmen. Daarmee leek de laatste hobbel geruimd. Van Liempt vond mijn verhaal plausibel.

In augustus schreef een van de redactieleden een uitgebreid bezwaar tegen het aangepaste artikel. Hij vroeg zich af of er wel geciteerd mocht worden uit de dossiers van het Nationaal Archief, sprak over mogelijke hele en halve onwaarheden en was bovendien van mening dat het tijdschrift niet bedoeld was om te beschrijven wat NSB’ers hebben misdaan. Met zijn reactie begon de zaak te kantelen. Bestuur en redactie verschilden van mening. Gelet op het redactionele statuut lag de beslissing bij de redactie. Die liet mij in december weten dat men het artikel niet zou plaatsen. Op de eerste plaats omdat het sommige lezers wellicht slapeloze nachten zou bezorgen. Daarnaast vond men de conclusies te controversieel. Men wil niet dat het blad discussie oproept.
Ondertussen hebben de oorlogsgebeurtenissen mijn blijvende interesse gewekt. Ik ga mijn onderzoek verbreden naar de lokale gebeurtenissen gedurende de vijf oorlogsjaren. Voor publicatie zal ik een ander platform zoeken.

3

BRIL

Dagelijks

Onlangs had ik ruzie met mijn leesbril. Hij zakte voortdurend over mijn neus omlaag, waardoor ik gedwongen was ‘em weer omhoog te duwen. Dat ging door totdat ik me geïrriteerd afvroeg waardoor dat afzakken veroorzaakt werd. Na een vluchtig onderzoek was mijn analyse: de poten staan te wijd uit. De oplossing was derhalve: de pootjes een beetje bijbuigen.
Een bril is een geweldige uitvinding (‘Ze zijn zo knap tegenwoordig’, hoor ik hier mijn moeder zeggen). Omdat ik ‘em alleen nodig heb om te lezen, gaat de bril regelmatig op en af en moet ik ‘em steeds bij de hand hebben. Bijvoorbeeld omdat de ontwerper van het pak tagliatelle ervoor gekozen heeft om de bereidingstijd zo miniem mogelijk weer te geven, terwijl er op het pak ruimte genoeg is voor koeieletters. De afstandsbediening van de tv. De tijdsaanduiding op mijn smartphone. De bordjes in musea. Op en af en op en af. Daar wordt zo’n bril niet beter van.

Ik gebruik een leesbril met een uiterst dun montuur. De kunststof pootjes draaien via een minuscuul stalen scharniertje. Dat scharniertje moest dus een beetje bij te buigen zijn. Kijk alsjeblieft uit, sprak ik mezelf toe. Nog niet eens een jaar geleden heb ik in dezelfde situatie het montuur gebroken. De opticien aan wie ik toen schuldbewust de breuk voorhield, verblikte of verbloosde niet. Alsof er iedere dag wel iemand voor zijn neus staat die op zijn bril is gaan zitten of ‘em van het balkon heeft laten vallen. Uiterst dun of niet, het montuur kon toen gewoon gelijmd worden, een specialistenwerkje dat me drie brilloze dagen en dertig euro kostte.
Met deze geschiedenis in gedachten probeerde ik ditmaal heel voorzichtig de pootjes bij te buigen, ondertussen uitproberend of mijn inspanningen al resultaat gaven. Het montuur bleef intact, constateerde ik tevreden.
Er zijn mensen die een leesbril aan een koordje om hun nek laten bungelen. Daar hou ik niet van. Een tijdlang heb ik de bril met één pootje bovenin mijn overhemd gestoken. Op die manier ben ik ooit in Rio de Janeiro een straat overgestoken, of beter gezegd overgehold, gelet op de stadsbus die in aantocht was. Aan de overkant kon ik nog net zien hoe mijn kostbaar bezit onder de machtige wielen van de bus vermorzeld werd.

Ik boog één pootje nog iets verder. Zodat mijn bril er weer een tijdje tegen kon. Op dat moment viel een van de glazen uit het montuur. Dat glas zat geklemd tussen de metalen bovenrand en een dun plastic koordje aan de onderzijde. Het terugzetten bleek een inspannend gefrut. Tot driemaal toe liet ik de bril met veel verwensingen liggen om evenzovele keren de uitdaging opnieuw op te pakken, mezelf dwingend tot geduld en rustig doorademen.
Precies op het moment dat het me eindelijk lukte het glas vast te zetten brak het pootje van de bril aan de andere zijde. De buren hebben wijselijk niet geïnformeerd naar de oorzaak van mijn uithaal. Tijd voor een nieuwe bril dus. Ondertussen loop ik met een scheve prothese die van plakband aan elkaar hangt. Maar dat past wel bij mijn leeftijd.

5

SCHEMERING

Dagelijks

Aan het einde van een zondagmiddag – de schemering is ingevallen, het water van de Vleutense wetering is donker, de oevers grijs – open ik de donkerrode achterdeur van het huis van mijn tante Jo en ome Do. Het droge, schurende geluid van de scharnieren verbreekt de stilte. Ik stap de keuken in en sluit zachtjes de deur. Binnen is het al bijna donker. Dat deert mij niet, ik ken de weg op mijn duimpje. Ik open de deur naar de woonkamer en neem het opstapje. Ook hier is het duister. Alleen door de ruitjes van de schuifdeuren tegenover mij zie ik het flauwe licht dat door een achterraam naar binnen valt. Er hangt een geur van sigaren en zoete thee. Is er iemand thuis, vraag ik mij af. Ik aarzel een ogenblik. Alleen het tikken van de grote wandklok doorbreekt de stilte. Onzeker loop ik om de ronde tafel heen, naar de half openstaande schuifdeuren en de achterkamer, het weinige avondlicht tegemoet. Dan pas zie ik de silhouetten van twee figuren, links en rechts voor het raam, de hoofden omgedraaid om in het laatste licht te zien wie binnen is gekomen. Mijn jonge geest is verbijsterd. Twee mensen zitten in het bijna-donker stil en zwijgend voor het raam. Het leven lijkt hier tot stilstand gekomen. Wie gaat er nu als een dooie in het duister uit het raam zitten staren? Naar niks. Zonder iets tegen elkaar te zeggen.

Deze herinnering kwam in mij op bij het lezen van een artikel van Marjolijn van Heemstra in de Volkskrant van 20 november j.l. Zij stelt daarin de fixatie op economische groei ter discussie en keert zich ‘tegen het absurde idee dat elke seconde nuttig moet worden besteed, tegen de groeiverslaving die onze levens beheerst.’ Schemeren is in haar ogen een krachtig middel tegen deze fixatie: ‘Simpelweg zitten en zien hoe de duisternis opkomt, hoe grenzen vervagen, de dag verwatert. (…) Een zeer toegankelijke oefening in niet-doen en niet-zijn. (…) Het gaat zo langzaam dat er niets lijkt te gebeuren, terwijl intussen alles verandert. Wat in daglicht vastomlijnd is, verwatert in de schemering.’ Het daglicht beperkt je locatie, de duisternis maakt je wereld grenzeloos, zo schrijft zij.

Nu ik zelf de leeftijd heb van mijn oom en tante destijds, kan ik me vinden in het pleidooi voor schemeren, als voorbeeld voor een moment van rust. Al is de drijfveer om iets te doen bij mij meestal sterker, zeker als ik denk aan de klok die de jaren wegtikt. Deze week zette ik aan het einde van de middag mijn stoel voor het raam aan het westen en liet het vallen van de avond op mij inwerken. Bomen die grijs afsteken tegen het licht daarboven. De contrasten tussen licht en donker weerspiegeld in het wateroppervlak. Een laatste roep van een mees. De wind is gaan liggen, het lijkt of ook de natuur rust neemt. Zo word ik omsloten door het grijsdonker. Totdat binnen het licht aanfloept en de betovering over is.
Heb ik nu een uur gewonnen of een uur verloren?

2

GODFRIED BOMANS

Dagelijks

Tussen de beperkte grammofoonplaatverzameling bij ons thuis stond een promotieplaatje uit 1962. In een als humoristisch bedoelde sketch speelt Wim Sonneveld de interviewer en Godfried Bomans een beroemde componist. De cabaretier Sonneveld is ditmaal de aangever (‘hoebedoeluuu?’) voor de grappen van de schrijver Bomans. Sonnevelds uithaal aan het einde dat hij Bomans een brutale, gezwollen, zelfingenomen, brallerige kwal vindt lijkt niet alleen door de sketch ingegeven. Ik herinner mij dat ik als tienjarige geschokt was door de directe wijze waarop beide mannen elkaar de ongezouten waarheid vertellen.

Godfried Bomans schreef in de jaren dertig en veertig enkele nu nog steeds gelezen boeken, zoals Erik of het klein insectenboek (de 60e druk verscheen in 2013). Na de oorlog schreef hij columns voor De Volkskrant en Elsevier. Door zijn humor, scherpe observaties en originele gedachten werd hij een televisie-persoonlijkheid. In die tijd vond ik hem oubollig en conservatief.
Op 21 december a.s. is het vijftig jaar geleden dat Godfried Bomans overleed. Raken veel schrijvers na hun dood al gauw in de vergetelheid, voor Bomans is de belangstelling nog altijd groot, waarmee een van zijn uitspraken wordt bevestigd: ‘zolang er nog mensen over je spreken, ben je nog niet helemaal dood.’
Het Godfried Bomans Genootschap houdt met publicaties en lezingen zijn gedachtegoed op peil. Er zijn tientallen boeken over de man verschenen, een ongekende verzameling voor een schrijver die tijdens zijn leven nooit één literaire prijs ontvangen heeft. Die aandacht heeft hij zelf in de hand gewerkt. Niet alleen was hij een meester in verzinsels en rookgordijnen – je wist bij hem nooit wat waar of onwaar was. Hij was daarnaast een zeer complexe persoonlijkheid. Bij iedere deskundige van wie het beroep met psy- begint, loopt hiervan het water in de mond. Bomans wordt gekenschetst als overgevoelig, ijdel, clownesk, ongrijpbaar, lichtgeraakt. Een poseur, een onzeker kwetsbaar kind, altijd op zoek naar warmte. Hij genoot ervan als vrouwen verliefd op hem werden en keek ondertussen alweer uit naar de volgende vrouw die hem alle aandacht zou kunnen schenken.

Schrijven kon hij als de besten. Er zijn taalkundigen op zijn werk gepromoveerd. Erkende literaire grootheden als Mulisch en Brouwers spraken hun bewondering uit. Hoewel zij er veelal aan toevoegden dat zij vooral Bomans stijl bewonderen en niet zozeer de inhoud. Maarten ’t Hart daarentegen was niet onder de indruk.
Bomans komt uit een katholiek nest. Op dat punt zijn er geen mystificaties rond zijn persoon. Hij kon goed de spot drijven met de gedragsdragers in de kerk. Tegelijkertijd proef je zijn verlangen naar de aloude katholieke rituelen en gebruiken. Ik las de laatste jaren diverse boeken waarin hij verhaalt van zijn roomse jeugd. Over de kapelaan die het kind vraagt ‘Braaf op school?’ en zonder een antwoord af te wachten alvast invult: ‘kijk dat doet me genoegen’. En over de pastoor: ‘Als hij een parochiaan ontmoette legde hij zijn arm om diens schouder, alsof de man zojuist uit een moeras was opgehaald.’ Bomans noteert over het Rijke Roomsche Leven: ‘wij leefden in een zelfgenoegzaamheid, die wortelde in angst.’

1

EEN EETAFSPRAAK

Dagelijks

Hoe oud zouden zij zijn? Zestien, zeventien hooguit?
Een jongen en een meisje, tegenover elkaar aan een kleine tafel in een restaurant. Zij heeft een gezicht uit duizenden en lang blond haar. Ze draagt een lichtblauwe blouse. Hij heeft kort donker haar. In zijn gezicht zie je tegelijk het kind dat hij was en de man die hij wordt. Hij is gekleed in een wit overhemd. Ze zien er beiden keurig uit, goed opgevoed, bovengemiddeld opgeleid. Zij buigt zich naar hem toe, hij leunt wat achterover.
Ik zie de stapel pannenkoeken voor me, die de moeder van een vriendinnetje lang geleden op tafel zette. Het was de eerste keer dat ik bij haar at en ik kreeg er weinig door mijn keel. Ik vroeg vriendinnetjes mee naar de kermis. Naar het zwembad of de film. Nooit maakte ik op die leeftijd een afspraak in een restaurant. Ik kende dat niet, ik ging ook niet met mijn ouders uit eten.

Het meisje praat, zij ziet er zelfbewust uit. De jongen luistert, zijn gezicht is onbewogen, onpeilbaar. Zij schuift haar stoel nog dichterbij, hij houdt afstand. Is het zijn eerste keer en weet hij niet hoe zich in zo’n situatie te gedragen? Of heeft hij eigenlijk niet zo’n zin in dit etentje? Dat witte overhemd, daarover moet hij nagedacht hebben. Dat draagt hij niet dagelijks. Hij ziet er een beetje uit als een bedaagde veertiger, als zijn vader wellicht.
Ik wilde juist iets wat mijn vader niet droeg: een broek met uitlopende pijpen, oranje badstof sokken, een goudbruine velours trui.
Zij heeft nu haar vingertoppen losjes op zijn hand gelegd. Hij weert niet af, beantwoordt haar gebaar ook niet. Hij laat haar begaan.
Ik moest de meisjes leren kennen. Ik vond hen serieus en braaf. Ze wierpen elkaar onderling blikken toe, die ik niet kon volgen. In de gymnastiekzaal liepen zij achteraan. Ze maakten geen grappen en vonden het niet erg als zij verloren met toepen. Bovendien konden ze lang met elkaar kletsen zonder iets te doen.

De twee zijn alleen op elkaar gericht. Ze kijken niet in het rond, niet op hun telefoon. Het ziet er niet uit als een moeilijk gesprek, maar er wordt ook niet gelachen. Het oogt vooral serieus. Wat zal zij hierover aan haar vriendinnen vertellen? Ik zie hem zitten in de voetbalkantine met zijn teamgenoten na een wedstrijd: veel kabaal, sterke verhalen, korte zinnen, uitroepen, gelach, elkaar de loef afsteken.
Nu liggen van elk beide handen op tafel, ze raken elkaar voorzichtig, vingertoppen die zich om elkaar krullen.
Ik hield wel van dansen, dan deed je tenminste wat. Toen ik eens tijdens het dansen mijn handen op de heupen van het meisje legde, meende ik iets hards te voelen. Zouden meisjes korsetten dragen, vroeg ik mij af, zo’n roze kledingstuk dat ik thuis wel eens aan de lijn zag hangen.
De jongen rekent af. Als zij het restaurant uitlopen haakt zij haar arm in de zijne. Gearmd als een stel dat al jaren bij elkaar is lopen zij naar buiten.

0

VOORBEREIDEN OP DE DOOD

Dagelijks

Twee weken geleden overleed een neef van mij. Hij is vijfenzeventig jaar geworden. Een halfjaar geleden was bij hem darmkanker vastgesteld. Hij was ervoor behandeld en hoopte dat hij nog een tijdje mee zou kunnen. Na enkele maanden constateerden de artsen dat er uitzaaiingen waren in de botten. Dat was niet alleen heel pijnlijk, het was ook onbehandelbaar.
Zijn overlijden confronteerde mij, niet voor de eerste keer, met de harde werkelijkheid: een ongeneeslijke ziekte kan je zomaar overkomen, zonder waarschuwing vooraf. Je kunt je niet op zo’n overval voorbereiden. Of wel?

Hodie mihi, cras tibi, heden ik, morgen gij. Het staat nog wel eens vermeld op begraafplaatsen. Alsof de doden je met een holle lach toeroepen: denk maar niet dat jíj eraan kunt ontsnappen.
De dit jaar overleden cabaretier Jeroen van Merwijk zong ooit over de dood:
Jij kunt van hem altijd op aan
Hij zal nooit iemand overslaan
Het is zeker dat hij vroeg of laat
Een keertje aan de voordeur staat
Dat het leven eindig is weten we allemaal. Maar met die kennis ben je nog niet voorbereid.
De Amerikaanse psychiater Kübler-Ross was in de jaren zeventig een van de eersten die aandacht vroeg voor het stervensproces. Je kunt beter afscheid nemen van het leven als je gedaan hebt wat je wilde doen en gezegd hebt, wat je nog te zeggen had, was haar boodschap. In grote lijnen voldoe ik hieraan, zeg ik dan stoer. Maar mocht ik morgen horen dat mijn einde nabij is, dan zou ik toch nog graag wat tijd willen om het boek, waaraan ik nu werk, af te maken.

De Australische stervensbegeleider Bronnie Ware vroeg aan terminale patiënten waarvan zij spijt hadden. Zij kwam tot een top 5:
1. Ik wilde dat ik meer mijn eigen keuzes had gevolgd in plaats van die van anderen.
2. Ik wilde dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Had ik maar vaker de moed gehad om mijn gevoelens te uiten.
4. Had ik maar meer aandacht besteed aan mijn vrienden.
5. Had ik mezelf maar wat meer geluk gegund.
Kijk ik naar deze punten dan krijg ik het al wat moeilijker. Gevoelens uiten is niet mijn sterkste kant en heb ik wel genoeg tijd aan sociale contacten besteed?

Huub Buijssen, een publicist die werkzaam was in de ouderenzorg, kreeg op een dag het bericht dat hij alvleesklierkanker had en hooguit nog drie maanden te leven had. Na enkele weken vertelde de arts dat hij een foute diagnose had gesteld. Al snel richtte Buijssen zich weer op de toekomst en op de dingen die hij wilde bereiken. Dat is heel menselijk, zegt hij in een interview. Je richt je niet op tegenslag. Ondanks dat hij de klap van het nadere einde ervaren heeft kon hij maanden later de pijn hiervan niet meer oproepen. ‘Je kunt je wel de dood van een ander voorstellen, maar niet die van jezelf.’
Mijn conclusie: ik kan lijstjes afvinken tot ik erbij neerval, maar als de dood morgen bij mij aanbelt zal ik totaal van slag zijn. De vraag is hoe ik daarna verder ga met de verwerking.