Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

1

WAT EEN MAN IS

Dagelijks

In 1973 werkte ik als leerling-timmerman. Ik stond elke ochtend al vóór zes uur op om de eerste bus vanuit Utrecht naar Montfoort te nemen. Elke keer als ik langs het station kwam, zag ik daar de wachtende treinen staan. En elke dag weer moest ik de aanvechting onderdrukken om op een trein te stappen, zomaar een trein, het maakte niet uit waarheen deze zou gaan, de vrijheid tegemoet.
wat een man isIn de roman Wat een man is van de Engelse schrijver David Szalay zijn alle mannen onderweg en op zoek. Eigenlijk is het geen roman. Het zijn negen verhalen over negen verschillende mannen, oplopend in leeftijd, zoals een werkloze Franse twintiger die op vakantie is op Cyprus, een Engelse makelaar die in de Franse Alpen vakantiewoningen moet zien te verkopen en een Russische geldmagnaat die op zijn peperdure jacht ronddoolt op de Middellandse Zee. Het verbindend element in de negen verhalen zou je ‘de toestand van de man in hedendaags Europa’ kunnen noemen.
Trouw-columnist Wim Boevink, die ik hoog acht, schreef in een recensie dat er na het dichtslaan van dit boek bij hem tranen kwamen. Dat was voor mij een aanbeveling om het boek te kopen.

Afgaande op het boek staat het er met de Europese man niet best voor.
In hun jonge jaren zijn het onvolwassen types, die op zoek zijn naar bevestiging, altijd hun zin willen hebben en voortdurend bezig zijn met seks. De dertigers en veertigers zijn uit op status en macht, wat vaak niet lukt. De oudere mannen in het boek zijn nog grotere tobbers. Een semi-gepensioneerde Engelsman in een goedkoop appartement in Kroatië lukt het niet meer om een vrouw te versieren. De Rus maakt plannen voor een suicïde op zijn jacht maar heeft het lef niet om deze uit te voeren.
Kortom, bij al deze mannen is er sprake van, zoals Wim Boevink schrijft, ‘een groot tekort, een onvermogen, een falen. In hun diepste wezen zijn ze eenzaam en op drift’.

david szalay

David Szalay

Bij mij kwamen er geen tranen. Ook geen grap trouwens, wat ik dan weer als een tekort ervaar.
Het mooiste vond ik de hoofdstukken waar levensvragen om de hoek komen kijken.
Zoals in het deel over  een Belgische taalwetenschapper die met zijn Poolse vriendin in de auto op weg is naar haar ouders. Hij wil zoveel mogelijk vrijheid om te doen en te laten wat hij wil, maar beseft, dat maximale vrijheid gelijk staat aan eenzaamheid. Want hij heeft  ook behoefte aan geborgenheid en samenzijn met zijn vriendin. Maar dan het liefst op zijn voorwaarden.
In het laatste hoofdstuk ziet een Engelse zeventiger in een klooster in Italië een spreuk boven een deur staan: Amemus eterna et non peritura. Laat ons liefhebben wat eeuwig is en niet wat vergankelijk is. Somber terugkijkend op zijn leven constateert hij dat eigenlijk alles vergaat en dat alleen de tijd eeuwig doorgaat.

Het boek biedt een mooi tegenwicht tegen het beeld van de sterke, in het leven geslaagde man. Elke man zou dit boek moeten lezen, zeker mannen die nog wel wat zelfkritiek kunnen gebruiken.
Waarschijnlijk was ik in 1973 ook eenzaam en op zoek. Maar ik ben nooit in zo’n wachtende trein gestapt. Ik had teveel plichtsbesef. Ik weet niet of dit een mannelijk gebrek is.

David Szalay, Wat een man is, Nijgh & van Ditmar, 2016.

0

ZINGEN TOT HET EINDE

Dagelijks
young-at-heart

Young@Heart

Acht jaar geleden zong ik de Matthaeus Passion bij de Utrechtse Oratorium Vereniging, destijds een groot koor van overwegend bejaarde zangers. Elke repetitieavond werd in de pauze een lange lijst voorgelezen van zangers die ziek waren of in het ziekenhuis lagen.
Rond dezelfde tijd zag ik een documentaire over Young @ Heart, een koor van stokoude Amerikanen die Jimi Hendrix en James Brown zingen. Rock and roll will never die, maar dat gold niet voor de leden. Tijdens de opnamen overlijdt een van de zangers. Daarna zagen we het koor de bus instappen voor een optreden. The show goes on.
Vorige week ontving ik het bericht van het onverwachte overlijden van Femmy, een sopraan van mijn 60plus-koor D’Allure. Ze overleed aan een ernstige hersenbloeding, 71 jaar oud. Enkele dagen daarvoor hadden we nog samen staan zingen. Het was niet te bevatten.
Ook D’Allure stapte in de bus om te gaan zingen. In de afscheidsdienst.

evang-broederg-zeist

Grote Zaal Evangelische Broedergemeente Zeist

Femmy was lid van de Evangelische Broedergemeente in Zeist, een klein protestant kerkgenootschap. Zij woonde met haar man Ben, dirigent in Zeist en tenor in D’Allure, en hun ‘broeders en zusters’ in 18e eeuwse gebouwen bij Slot Zeist.
De Grote Zaal van de kerk is een sobere vierkante ruimte met witte banken en links en rechts een wit koor. Een ruimte van tradities. Er lopen oudere vrijwilligsters, zij dragen een wit kapje op hun hoofd.
De dominee leidt de dienst zittend vanachter een wit beklede tafel als de voorzitter van een vergadering. Hij zit op een voorname zetel met hoge rugleuning.
Tijdens een lezing komt er een stevige bui over. Door de heldere ramen van ongekleurd glas zie ik de bomen woest heen en weer zwaaien. Regen slaat hard tegen de ruiten.
Het leven is niet altijd zonneschijn.
Een dochter leest de levensloop voor. In de Evangelische Broedergemeente speelt muziek een grote rol. Hetzelfde gold voor het leven van Femmy. ‘Muziek zegt soms meer dan woorden, muziek komt direct uit het hart’. Soortgelijke woorden sprak Nicolaus von Zinzendorf, de oprichter van de Broedergemeente. Femmy zong tot het einde van haar leven.
We hadden een paar dagen tevoren een aantal voor mij onbekende, stukken toegestuurd gekregen. Ik vond het protestantse stukken, maar ik kan niet zeggen waarom. In de nacht voorafgaand aan de dienst ging het Father eternal, ruler of creation onafgebroken door mijn hoofd.


Er zijn zo’n 40 zangers. Dat komt goed uit, daardoor kunnen we korisch (om beurten) wegvallen vanwege een brok in de keel. Ik heb zo’n moment bij Doeg Twoi Blazjieg, een heftig stuk, dat door Ben gedirigeerd wordt, terwijl de kist langzaam de kerk wordt uitgedragen.
Zo’n gebeurtenis doet iets met een koor. Het brengt je dichter bij elkaar. Je gaat elkaar vasthouden als om meer leed te voorkomen.

Buiten speelt de blaaskapel van de Broedergemeente gewijde klanken. De blazers dragen handschoentjes zonder vingertoppen. De witte kist met het witte kleed wordt als een lichtend voorbeeld hoog boven de stoet uit geheven door acht jonge dragers in lange grijze jassen. Terwijl het verkeer wordt tegengehouden leidt de blaaskapel de rouwstoet naar het kerkhof, de Godsakker geheten, een grasveld met kaal gesnoeide boomstammen.
De lucht is opgeklaard, de zon net verdwenen. Wolkenflarden in de bleke lucht kleuren licht oranje, het is waterig koud. Het voelt onwerkelijk, daar op de Godsakker, alsof ik meespeel in een film. Tegelijk is er, nog veel meer dan voorheen, het besef van eindigheid: hodie mihi cras tibi. Het zal vaker gaan gebeuren, denk ik. Een stem in mijn hoofd zegt: wen er maar vast aan.

0

EINDEJAARS INTERVIEW

Dagelijks

boom-ouder-wordenU bent dit jaar werkloos geworden…
In mijn jonge jaren noemden we dat baanloos. Ik heb geen baan meer, maar er is altijd voldoende werk te doen ook al krijg je er niet voor betaald.
Volgens sommige wetenschappers zijn zestigers zelfs de gelukkigste mensen. Wij hoeven niets meer en kunnen nog van alles. Ik hoef geen carrière meer te maken, een partner te vinden, enz. En ik heb twee geweldige kleinkinderen, die mij iedere keer om de hals vliegen.
Ik ervaar emotionele rust. Het is gemakkelijker te accepteren als iets anders loopt dan gedacht. De wereld vergaat dan niet.  Al moet ik hier direct aan toevoegen, dat er het afgelopen jaar diverse gebeurtenissen in de wereld zijn geweest die tot een tegenovergestelde gedachte leiden.

U hoeft niet meer zo nodig
Zo zou ik het niet willen formuleren. Je moet altijd streven naar beter, zo ben ik opgegroeid. Zelfs nu denk ik nog regelmatig: later wil ik nog dit of dat. Daar moet ik dan wel mee opschieten, dat weet ik. Ik heb onlangs nog een elektrisch  bedmatje voor mijn voeten gekocht. Kan ik iedereen met koude voeten aanraden. En ik heb  dit jaar een nieuwe fiets gekocht (geen elektrische). Dan vraag ik mij niet af of dit mijn laatste fiets zal zijn. Ik heb genoeg interesses en ambities.

Vandaar dat u zich zo fanatiek op het zingen heeft gestort?
Dat zijn uw woorden.
Toen ik de veertig was gepasseerd, kon ik me al niet meer als lid van de Elfstedenvereniging aanmelden. Ik heb het opgegeven om alle vogelgeluiden te leren kennen. Die beestjes schreeuwen toch altijd maar door elkaar heen. En waarom zou ik aan iets beginnen waar ik de ballen verstand van heb? Ik kan beter iets doen, wat ik al redelijk onder de knie heb. Het grote voordeel van zingen en schrijven is dat je er niet bij hoeft te praten.
En muzikaal gezien zijn er nog zoveel mooie dingen te doen. Mijn ontdekking van het afgelopen jaar is Juditha Triumphans van Vivaldi. Een oratorium met een actueel thema: de christelijke wereld  zegeviert over de Arabieren.
Het lijkt er overigens op, dat er een cultuurafbraak aan komt. Daarom hoop ik  dat minister Henk Krol volgend jaar de subsidies voor de bejaardenkoren (wat eigenlijk een pleonasme is) overeind weet te houden.

ouder-worden-bergmanNog geen tekenen van veroudering?
Ik ben tevreden over mijn gezondheid, al zou ik liever niet van oktober tot april een abonnement op een doorlopende verkoudheid willen hebben. Zangtechnisch is dat geen pré.
Ik merk de  veroudering wel, maar dat is niets nieuws. Het menselijk geheugen neemt na het 10e jaar al af en op mijn 25e ontdekte een vriendin de eerste grijze haar. Ik weet dat de kapper steeds minder werk aan mij heeft. Je wordt er niet mooier op als je ouder wordt.
Er is dit jaar wel iets gebeurd, waarvoor ik me ongelooflijk schaam. Ik heb voor het eerst van mijn leven een aanrijding veroorzaakt. Op weg in de auto keek ik bij een voorrangsweg niet uit, hoorde opeens een klap en een godverdomme en zag toen ik uitstapte een man die nog ongeschonden overeind krabbelde en een dubbel geklapte fiets waar ik met mijn voorwiel overheen was gereden. Het was nog voordat ik aan staar geopereerd werd. Nu heb ik een scherpere blik dan ik me ooit herinner. Maar goed, hoe betrouwbaar is de herinnering?
In tegenstelling tot mijn leeftijdsgenoten drink ik minder alcohol dan voorheen en het vlees laat ik ook meestal staan.

Hoe zo? Bang om eerder dood te gaan?
Ik reken mijzelf nu in ieder geval tot de categorie van mensen, voor wie het leven nog lang mag duren. Ik volg de discussies over de levenseindepil, maar ik kan me er weinig bij voorstellen. Ouderen zijn voor mij anderen.

4

ZINGEVING OP KERSTAVOND

Dagelijks

kerstbalAan het begin van de avond schuifelen de bewoners achter hun rollator naar een gemeenschappelijke ruimte. Blijmoedige vrijwilligsters duwen patiënten in rolstoelen en bedden naar een plekje in de volle zaal. Stramme bewoners, begeleid door familieleden, zoeken met een versteende blik naar een plaats. Op de eerste rijen zitten de dames in hun mooiste bloemetjesjurk, het grijze haar vers gepermanent, het boekje van de dienst in hun rimpelige handen vol aderen.

Op de vooravond van Kerstmis zingt ons kamerkoor Decibelle kerstliederen in een verpleeghuis in Utrecht, het Albert van Koningsbruggenhuis. We verzorgen de muziek in een  kerstdienst voor alle geloven.
Als wij binnenkomen steken wij de kaarsen op het altaar aan. We zingen Es ist ein Ros entsprungen.
De pastor, die zelf ook in een rolstoel zit, heet alle bewoners welkom. Hij rijdt zeer behendig over een plankier het altaar op. Alsof hij het levende bewijs is, dat je niet naar je beperkingen moet kijken, maar naar je mogelijkheden.
De dominee leest uit de bijbel en spreekt de bewoners toe. Dat het leven in het verpleeghuis niet gemakkelijk is, omdat het in het teken staat van afscheid nemen. Afscheid van gezondheid, afscheid van je dierbaren, in het licht van je eigen eindigheid. Zij benoemt dat dit leven eenzaam kan zijn. Dat er vragen naar de zin van het leven naar boven komen. En zij verbindt deze ervaringen met de boodschap uit het Evangelie. Dat wij er voor elkaar zijn en dat we elkaar kunnen helpen.
Dan staat ons koor op en zingt vierstemmig Nu sijt wellekome.
Het is niet goed te peilen hoe de bewoners de dienst ervaren. Sommigen houden hun ogen gesloten, de mond een beetje open. Anderen zingen zachtjes mee. Eén mevrouw roept herhaaldelijk: ‘Waar moet ik nu naar toe?’. Dan komt er snel een opgewekte vrijwilligster die een arm om haar heen legt. Een andere bewoonster zit hardop te huilen, waarop haar buurvrouw haar ergernis niet meer kan inhouden en uitroept: ‘Ga dan naar huis toe!’ Wij zingen Komt allen tezamen.
Na afloop van de dienst gaan de grote lichten weer aan en is er voor ieder warme chocolademelk en een plakje cake. De zaal stroomt al snel weer leeg.

kerststukjeHet lijkt een altruïstische daad om deze diensten met gezang op te luisteren. Maar voor de meesten van ons hebben deze diensten ook een betekenis. Velen zijn jaren geleden van hun geloof gevallen en gaan niet meer naar de kerk. Via deze achterdeur kunnen we nog een spirituele inhoud geven aan het Kerstmis van de grote Coca Colatrailer, de cadeautjes en de nostalgische sneeuwplaatjes. Zo hebben we ons eigen moment van overdenken. Bezinning op onze eigen zorgen, op de zin die wij aan ons leven geven, of op de vraag hoe wij zelf over 25 jaar oud zouden willen zijn.

Enkele jaren geleden werd de pastor wegbezuinigd uit het Albert van Koningsbruggenhuis. Vorig werd de gehele dienst Geestelijke Verzorging op deze locatie opgeheven. Daarmee kwam er een einde aan onze optredens in dit verpleeghuis.
Om niet in een gat te vallen zijn we zelf op zoek gegaan naar een alternatief. We omlijsten nu de kerstmaaltijd in het Bartolomeus Gasthuis in Utrecht. Dat is iets minder spiritueel, maar de waardering van de bewoners is net zo onpeilbaar.
Toen ik vanavond na het optreden naar huis fietste hoorde ik op van meerdere kanten het luiden van kerkklokken.
Kerstmis kan beginnen.

1

STAAR

Dagelijks

 

Ik heb slechts één oma gekend. Zij trok mij als peuter op schoot om mij te voelen met haar handen. Zij was op latere leeftijd blind geworden als gevolg van een niet ontdekte en uit de hand gelopen staar. Ouderdomsstaar heette dat.
Mijn eigen moeder was al in de negentig toen zij regelmatig liet blijken dat zij niet alles meer scherp zag. Zo kon zij op zonovergoten dagen verzuchten: ‘wat een grijze dag is het vandaag!’. Omdat haar geestelijke vermogens destijds sterk waren verminderd, was het voor ons niet duidelijk waar haar waarneming uit voortkwam. Totdat de huisarts adviseerde om de oogspecialist te bezoeken. Die constateerde een flinke staar op beide ogen. Toen zij hieraan geholpen was, bleef het verwachte effect van het sterk verbeterde zicht uit. Naar haar idee had zij altijd al goed kunnen zien.

staar-1Enkele maanden geleden liet ik mijn ogen meten bij de opticien. Ik gebruik een leesbril. Daarnaast was mijn vermogen om veraf te zien sterk afgenomen. Reed ik op de snelweg dan zag ik pas op het laatste moment of er Amsterdam of Rotterdam op het bord stond. En fietste ik in de stad dan groette ik vriendelijk een bekende, die – bij nader inzien – helemaal geen bekende bleek te zijn. Of andersom.
De opticien  vond het nog geen tijd voor een nieuwe bril. Zij raadde mij aan eerst langs de oogspecialist te gaan. Zij had een vermoeden van een beginnende staar.
Het betrof een gediplomeerde oogonderzoeker, een aardige vrouw met een betrouwbare uitstraling. Er was daarom eigenlijk niets wat mij zou doen twijfelen aan haar oordeel. Desondanks was ik ervan overtuigd, dat zij uit zekerheidsoverwegingen handelde. Risico’s uitschakelen is erg in de mode, schadeclaims voorkomen ook. En met het voorbeeld van mijn blinde oma in mijn hoofd kon ik haar geen ongelijk geven. Maar staar had ik natuurlijk niet, daarvan was ik overtuigd. Staar is iets voor oude mensen. Daar reken ik mezelf niet toe. (Hetgeen bijna een definitie is van een oudere, maar dit terzijde).
Vier weken later zat er een jonge vrouw in een spijkerbroek via felle lampjes in mijn ogen te turen. Met mijn hoofd vooruitgeschoven als in een hakblok, lag ik het oordeel van de oogspecialist af te wachten. ‘Aan allebei de kanten staar’, zei de jonge dokter, terwijl ze het hakblok wegdraaide. ‘Zal ik een operatie voor u inplannen’? ‘Laten we dat maar doen’ zei ik, ‘ik ben hier nu toch’.

20160927_143843Deze week was mijn eerste oog aan de beurt. ‘Welk oog?’ vroeg de verpleegkundige. ‘Het rechter’, zei ik. Vervolgens zette zij met viltstift een stip boven mijn linkeroog. ‘Het is mijn rechter’, zei ik met stemverheffing. Haar antwoord, ‘Oh dat komt omdat ik het met mijn rechterhand doe’, gaf niet onmiddellijk vertrouwen in een goed vervolg.
Mijn oog werd au-bain-marie voorbereid, in een badje van diverse medicijnen, waaronder cocaïne.
Er werd om de vijf minuten gedruppeld. Elke toediening werd afgevinkt, zoals de schoonmaak van openbare wc’s.  Alleen het laatste vinkje werd vergeten. Misschien wilde men bij mij de eigen regie bevorderen. Ook dat is nogal erg in de mode.
In de operatiekamer kreeg ik een doek over mijn gezicht met een uitsparing voor het rechteroog. Ditmaal had men de goede zijde gekozen. Al moet ik hieraan toevoegen, dat er natuurlijk een kans was van 50%. Men kon in de uitsparing een bouwputje maken, dat was wel knap. Daarna kreeg ik een fel licht in het oog, waarop ik mij mocht blind staren. Ik was weer even terug bij de psychedelische vloeistofdia’s uit de jaren zeventig.
Na afloop werd ik in een rolstoel teruggebracht naar de voorbereidingskamer, waarna ik als Lazarus opstond en het ziekenhuis uit wandelde. Dat was tegen de regels voor ooglijders, maar ik was er zeker van, dat ik met één oog net zo goed de bushalte zou kunnen bereiken. Dat bleek ook het geval, al had ik wat moeite met het inschatten van de hoogte van de stoepranden. Voor de zekerheid hief ik bij elke stoeprand mijn benen maar flink op, zodat het er uitzag als het Ministry of Silly Walks van Monty Python. Nog geen dag later had ik een ongeëvenaard scherpe en heldere blik in mijn oog. Ik kan niet wachten op de tweede operatie.

0

DE HOOGSTE VAN HET LAND

Dagelijks

domtoren-1In de zestiger jaren maakte ik Tacitusvertalingen in de schaduw van de toren. Ruim tien jaar later sliep ik op mijn studentenkamer, nog dichterbij, onder het doordringende geluid van het carillon. Buurtbewoners protesteerden tegen de nachtelijke decibellen. Nog weer later werkte ik op het Nicolaaskerkhof en keek ik uit op die machtige toren, die niet alleen het centrum, maar de gehele stad en omgeving domineert.
De Domtoren.
Utrechters zijn trots op hun toren, ze zijn ermee vergroeid. Zij voelen zich weer thuis als zij naar Utrecht rijdend de toren al van ver zien liggen. De hoogste kerktoren van het land is hèt kenmerk van de stad. Het komt terug in logo’s, souvenirs, gebakjes, kaarsen en wat al niet meer. Een bezoek aan Utrecht is niet af zonder een bezoek aan de Dom. Wordt Koninginnedag in Utrecht gevierd dan loopt het koningspaar onder de toren door. Doet de Tour de France Utrecht aan dan gaan de beelden van de renners onder de Dom de hele wereld over. Aas ik bove op de Dom stao is een van de bekendste en meest geliefde Utrechtse liedjes.
De Domtoren is al honderden jaren lang een landmark. Reizigers in voorbije eeuwen oriënteerden zich gemakkelijk op de toren. Het bouwwerk staat afgebeeld op talloze schilderijen.
Onder de naam Trots van de Stad wijdt het Centraal Museum in Utrecht een tentoonstelling aan de Dom (t/m 2 oktober a.s.).

De bouw van de toren duurde van 1320 tot 1382.  De oorspronkelijk geplande hoogte van 126 meter werd gaandeweg bijgesteld tot 112 meter. De bouw werd vooral gefinancierd met zogenaamde aflaten. Kerkgangers betaalden flinke sommen geld aan de kerk in de hoop, dat hun verblijf in het vagevuur daarmee bekort zou worden; een vorm van zakkenklopperij waaraan later door Luther een einde zou worden gemaakt.
De Dom, in de 14e eeuw als losse toren gebouwd, werd in de daaropvolgende twee eeuwen aan de Domkerk vast gebouwd. Lang zou deze verbinding niet duren, want in een zware augustusstorm in 1674 werd het middenschip van de kerk weggeblazen, net als de torens van enkele andere kerken in de stad. Alleen al omdat de Dom in dit natuurgeweld overeind bleef, is hij zijn positie waard. Medewerkers van het KNMI hebben overigens berekend dat de toren domweg geluk heeft gehad. De sterkste rukwinden gingen langs de toren heen.

domtoren-2Toen ik naar de tentoonstelling ging, had ik drie vragen.
1.    Welke ziener c.q. idioot heeft opdracht gegeven tot een voor die tijd disproportioneel hoge toren?
Dat blijkt het kapittel (het bestuur) van de Domkerk te zijn geweest. De geestelijken hadden in die tijd niet alleen geestelijke, maar ook politieke macht. De bisschop van Utrecht was een van de machtigste mannen van het land.
2.    Waarom wilde men zo’n hoge toren?
Het antwoord op deze vraag is simpel: om de almacht te tonen. De mannen van het kapittel moesten laten zien wie de grootste heeft. We hebben de Dom dus te danken aan machtswellust. Eigenlijk zijn we in Utrecht trots op een fallus.
3.    Wat vond de bevolking van de bouw?
Het antwoord op deze vraag is niet overgeleverd. Aan het volk werd immers niets gevraagd in die tijd en zij hebben het zelf niet opgeschreven.
De theoloog en jurist Geert Grote, die bekend stond om zijn pleidooien voor een eenvoudiger geloofsbeleving, was een van de weinige criticasters. Grote vond het een zondig bouwsel, voortkomend uit ijdelheid en praalzucht. De man, die in deze kwestie zijn achternaam niet mee heeft,  had natuurlijk groot gelijk.
Toch is het maar goed dat er niet naar hem is geluisterd.

1

WAAR IS VLEUTEN GEBLEVEN?

Dagelijks

Je kunt iemand in Vleuten nog een ansichtkaart sturen. Maar je kunt er niet meer geboren worden. Vleuten is opgegaan in Utrecht. Het is geen gemeente meer, geen dorp, geen wijk. Wat is Vleuten dan wel?

Halverwege de vorige eeuw was Vleuten niet veel meer dan een kruispunt van wegen, tien kilometer ten westen van Utrecht. Er stonden twee kerken, twee scholen, zeker vijf cafés en een aantal oude boerderijen. Mijn geboortehuis stond even buiten het dorp tussen de weilanden en de boomgaarden. Omdat het dorp in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden gingen de monumentale boerderijen in de kern van het dorp tegen de vlakte en werd de ene  na de andere nieuwbouwwijk uit de grond gestampt. Binnen tien jaar was ons vrij gelegen huis aan alle kanten omgeven door nieuwe huizen. Ondanks deze uitbreiding was het streven om Vleuten kleinschalig te houden. De gemeente verzette zich tegen groeiscenario’s zoals in Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. Dat lukte enkele decennia lang en toen ging het dorp alsnog voor de bijl. En hoe. Vleuten en de Meern werden opgeslokt door de grootste Vinexlocatie van Nederland, Leidsche Rijn. Deze ‘wijk’ nadert nu zijn voltooiing. Over enkele jaren zullen er bijna 100.000 mensen wonen.

Als ik vanuit de bestaande stad Utrecht het Amsterdam-Rijnkanaal oversteek kom ik in een woud van nieuwe huizen terecht, dat zich naar alle kanten uitstrekt. Langs straten met namen als Ivoorzwamhof, Zuiderbreedte en Jazzsingel rijgen de eengezinswoningen zich in schier oneindige aantallen aaneen. Heterogeen in stijl, kleur en hoogte, homogeen in hun nieuwe uitstraling. Jonge planten omlijsten de paadjes naar de voordeur. Vitrage en jaloezieën beletten de inkijk. Ik zie afvalcontainers, hondenuitlaatplaatsen en klimrekken.
Er is veel groen en veel water. Waar eens tuinderijen en kassen lagen, liggen nu de vlindertuin, de Japanse tuin en de speeltuin, onderdelen van het grootse Maximapark. Op de in Nederland schaarse ruimte is hier niet bespaard. Hoe langer ik fiets, hoe minder houvast ik heb. Het is een overdaad aan nieuwe huizen, waarin ik me verloren voel. Ik mis bakens als kerktorens, molens of schoorstenen. Ik zie weinig mensen op straat. Ik denk dat ik vroeg naar bed zou gaan, als ik hier zou wonen.

En waar is het dorp Vleuten gebleven?
Zoals mijn ouderlijk huis in de zestiger jaren is ingebouwd, zo ligt het oorspronkelijke dorp Vleuten nu ingeklemd tussen de nieuwbouwwijken, zonder identiteit en zonder grenzen. Het is niet verdwenen zoals sommige Franse dorpen onder de oppervlakte van een stuwmeer. Het is een plantje dat overwoekerd is door nieuwe uitheemse soorten. Een kleur die vervloeit omdat er teveel andere kleuren bij gemengd zijn.
Er staan nog steeds twee kerken en er zijn wat winkels. De woninginrichters en doe-het-zelfzaken doen het hier blijkbaar goed, net als de shoarmatenten en fysiotherapeuten. Het oude gemeentehuis is een eethuis geworden, het Verenigingsgebouw een meubelzaak. De winkeliersvereniging probeert de moed erin te houden. In augustus was er de Braderie en volgende maand wordt een Tiroler Oktober Festijn gehouden.
Op Facebook worden in de groep Je bent Vleutenees als…. oude en nieuwe foto’s uitgewisseld op zoek naar de identiteit van Vleuten. De historische vereniging houdt avonden over ‘de rijke geschiedenis van Vleuten’.

Ik weet het, er zijn nieuwe huizen nodig, nieuwe wegen en spoorbanen. Zo gaan de ontwikkelingen. Mijn geboortedorp is verdwenen. De naam Vleuten bestaat nog, maar er is geen woord meer om aan te duiden, wat Vleuten nu is.

0

OP TEXEL

Dagelijks

Zoals ik mij vroeger op zaterdagochtend bij het voetbal van mijn zonen op en top vader voelde, zo voel ik me nu meer dan ooit grootvader als de kleindochters van 3 en 5 jaar op de achterbank van de auto luidkeels met K3 meezingen: ik wil met je trouwen, altijd van je houen.

texelWe waren deze week op Texel.
Op de boot vanuit Den Helder waren ze al laaiend enthousiast over de meeuwen die in de wind boven hun hoofden bijna stil bleven hangen, loerend naar wat eten. De meisjes lieten zich op de voorplecht met hun armen wijd door de stevige wind naar achteren waaien. Een dag later stortten ze zich zonder dralen in het koude zeewater om vervolgens met hun natte lijven door het zand te rollen. En later waren ze niet weg te slaan bij de kleine zeehondjes in Ecomare die een soort gehuil lieten horen terwijl ze zich moeizaam voortbewogen over de tegels.
In het zwemparadijs deelden we het vakantiegevoel van ontelbare ouders en hun kinderen door mee te deinen op de golven van het golfslagbad. We dobberden allen weer even rond in een gigantische moederbuik.
De onvermijdelijke Disneyfiguur in het vakantiepark heette Koos Konijn. Koos werd elke morgen in een soort pausmobiel rondgereden door het park. Als een rattenvanger van Hamelen verzamelde hij de kinderen voor een knutselactiviteit.
koos konijnAan het begin van elke activiteit hield hij audiëntie. Dan mochten de kinderen hem een high five geven. Daarna was het vijf minuten dansen met Koos. Verder deed ie niets. Hij zei ook niets. Konijnen praten niet. Misschien wel daardoor kreeg Koos een bijna koninklijke status. De kinderen wachtten op hem zoals op Sinterklaas. Toen zij als knutselactiviteit koekjes gebakken hadden, dacht een kleindochter dat alle koekjes voor Koos waren. Ook nadat duidelijk geworden was dat ze hun zelfbereide koekjes mochten opeten, gingen ze naar Koos Konijn om hem het eerste exemplaar aan te bieden. Zoals je een wortel voor het paard van de Sint neerlegt.

Wij hebben niets tegen Koos Konijn. Hij is gelukkig niet historisch beladen.
Ook K3 kunnen we goed verdragen. Elke tijd heeft zijn eigen idolen. Maar onlangs hebben we toch maar eens de cd’s van Ja Zuster, Nee Zuster uit de kast gehaald.
Kwaliteit vergaat niet. Want hoewel de verhalen niet goed te volgen zijn, spreken de emoties en de aanstekelijke refreintjes onze kleindochters direct aan. Zwaaien met je onderbroek, Duifies, duifies, de oude Jacob, Mijn Opa, ze gaan erin als koek. Vooral Moeder ik ben zo bang voor de Bullebak moet steeds opnieuw worden opgezet. Bij ‘de Bullebak staat voor de poort’ vraagt de kleindochter van 3: ‘voor de achterpoort of de voorpoort’?

Je leeft voort in je kinderen en kleinkinderen, zo wordt wel gezegd.
Soms vraag ik me wel eens af, wat ik doorgeef aan hen. Wat de nakomende generaties van mij meenemen. Misschien is dat nu nog wat moeilijk te zeggen en wordt het in de toekomst duidelijker.
Maar zo af en toe heb ik het idee, dat ze wat hebben opgepikt. Dat er een vonk is overgeslagen. Bijvoorbeeld als ik met mijn kleindochter van 3 door de duinen op Texel fiets en zij in dat verlaten landschap, waar wat meeuwen krijsen en schapen grazen, opeens een bijna perfecte versie weergeeft van Stroei, voei, kara kara kios notte kilas stadioel voei.

0

GROTE MONDIGHEID

Dagelijks

mensenAl jarenlang staat het boekje in mijn kast: Opvoeding tot mondigheid van Theodor Adorno (Spectrum, 1973). De Duitse socioloog pleitte in dit boek voor het bevorderen van kritisch bewustzijn bij kinderen. In plaats van kinderen gehoorzaamheid en volgzaamheid aan te leren, moet de nadruk in de opvoeding liggen op het leren zelf na te denken.
Een mondige burger denkt niet alleen na over zijn eigen belangen, maar heeft ook oog voor die van anderen. Hij is bovendien in staat om zijn eigen handelen kritisch te bezien. “De waarlijk mondige burger  is in staat om met tegenslagen en tegenstrijdigheden om te gaan en deze ‘uit te houden’ “.
Adorno kon het weten. Hij is bekend geworden met zijn onderzoek naar de autoritaire persoonlijkheid, de mens die klakkeloos bevelen van anderen volgt, een onderzoek dat hij vlak na de oorlog uitvoerde.
Ik las Opvoeding tot mondigheid in de jaren zeventig, nadat ik zelf een opvoeding tot gehoorzaamheid had genoten. Mijn trouw aan kerk, leraren en andere traditionele autoriteiten had ik inmiddels ingeruimd voor het volgen van andere ideologieën. Voor mijzelf kwam het pleidooi van Theodor Adorno een beetje te laat.

Als ik nu kijk naar de generaties na mij, dan vind ik dat de mondigheid absoluut is toegenomen. Veel mensen accepteren niet meer klakkeloos een besluit van een gemeentebestuur, het beleid van een politicus, de mening van een arts of  een wetenschapper. Zij laten van zich horen, nemen het heft in eigen handen en organiseren indien nodig een tegenbeweging.
Theodor zou hier tevreden mee moeten zijn.
Of niet?
Ik twijfel. Want zijn het wel allen mondige burgers die ik hoor? Waar ligt de grens tussen de mondige burger en de verwende burger? Tussen de burger die opkomt voor zijn mening en zijn rechten en die rekening kan houden met anderen. En de burger die zich laat horen, maar die als een verwend kind niet kan accepteren, dat de zaken niet zo lopen als hij wil.
Zoals ouders, die hun zoontje van de voetbalclub halen omdat zoonlief niet in het selectieteam gekozen is. Progressieve burgers, die protesteren tegen de aanleg van een OV-lijn, omdat zij met hun auto 400 meter extra moeten rijden om de wijk uit te komen. Burgers, die petities tekenen, omdat er op een kilometer afstand een windmolen is gepland.
Twee weken geleden gaf in een dierenboerderij in Utrecht een zeug het leven aan welgeteld 18 biggen. De kinderen en hun (groot-)ouders verdrongen zich rond het hok, waar de biggetjes elkaar huppelend achterna zaten. Vrolijkheid alom, maar het slechte nieuws is dat de kinderboerderij zo’n  aanwas van varkens niet aankan. Een aantal jonggeborenen zal op termijn naar het slachthuis verdwijnen. De actiegroep is inmiddels gevormd. ‘We hebben contact met de wethouder. Er moet beleid komen rond het fokken van dieren in de gemeente’.
Pedagoog Micha de Winter gebruikte ooit de term grote mondigheid.

De toegenomen mondigheid heeft een schaduwzijde in de afnemende bereidheid om rekening te houden met anderen en om tegenslagen te accepteren.
Een mondige burger kan een verwende burger worden. En erger: een verwende burger kan een boze burger worden: een landgenoot die, niet meer voor rede vatbaar, achter leiders aanloopt die het onbereikbare beloven. Dan zijn we weer bijna terug bij de autoritaire persoonlijkheid van Adorno.
Opvoeding tot mondigheid wordt weer actueel.

Reageren? Klik links onder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen.

1

NOU TABÉ DAN

Dagelijks

Het afscheid was gedwongen, een paar jaar voor zijn pensionering. Maar Dijk had er voor zover ik weet, en tot mijn verbazing, niet tegen geprotesteerd.
Uit: H.M. van den Brink, Dijk, Atlas Contact, Amsterdam, 2016.

Ik kijk op de klok en zie dat het al 01.00 uur is. Op de tafel voor mij staan flessen wijn en vazen met bloemen. Er liggen boeken, cadeaubonnen, kleine attenties, een berg verscheurd cadeaupapier en een slordige verzameling wenskaarten. Daartussen nog een  stapel bankbiljetten, de bijdragen die ik gevraagd heb voor een kunstwerk dat ik als aandenken wil kopen. In mijn handen houd ik het vuistdikke liber amicorum. Ik heb er wat in zitten bladeren, nieuwsgierig en gevleid. Maar mijn hoofd zit boordevol. Allerlei beelden en sensaties dreunen na als de muziek na een te luid popconcert.
Ik bewaar het vriendenboek tot morgen en ga naar bed.

wijn afscheidVandaag nam ik na meer dan 36 jaar afscheid van mijn werk. Ik schudde vele handen en zoende nog meer wangen. In de geestelijke gezondheidszorg zijn de dames immers altijd in de meerderheid geweest. Emeritus-hoogleraar Clemens Hosman beschreef de ontwikkelingen in het ggz-preventiewerk in Nederland, waaraan ik gedurende vele jaren heb bijgedragen. Kamerkoor Decibelle verzorgde de verstrooiende noot. Er waren toespraken en een groep oud-collega’s zong een potpourri van nostalgische liederen uit de oude team-doos.
In mijn eigen afscheidswoord vertelde ik dat ik in al die jaren nooit een dag met tegenzin naar mijn werk ben gegaan. Die gedachte bracht enige reuring onder de aanwezigen.
Tenslotte gebruikten we het laatste avondmaal met de collega’s van de laatste jaren. Tijdens de maaltijd verdween de zon aan de horizon. Een tijdperk was afgesloten.

In bed lukt het vooralsnog niet om in slaap te komen. Het gonzen in mijn hoofd gaat in het donker minstens even krachtig door. Ik zie mijzelf weer staan midden in de zaal, als een honingpot waar de bijen omheen zoemen.
Er zijn verrassende contacten, ex-collega’s die ik in jaren niet gezien heb. Er zijn lovende woorden, opgepoetste anekdotes, hartelijke wensen voor de toekomst. Ik vertel, dat ik mijn pensioen net niet heb gehaald, maar dat ik dit niet pijnlijk vind. Dat ik getwijfeld heb, of ik mijn afscheid wilde vieren, omdat de reorganisaties die eraan ten grondslag liggen niet feestelijk zijn.
Het zijn korte, vluchtige gesprekjes.  In mijn ooghoeken zie ik de volgende wachtenden en de nieuw aangekomen gasten.
De eerste cadeaus pak ik nog uit, daarna leg ik de attenties achter mij op een tafel en doe ik een apert onhaalbare poging om te onthouden wie wat gegeven heeft. Waar is de assistent die de namen op de cadeaus kan plakken?
De tijd schiet voorbij. Gewoon doorademen, zeg ik tegen mijzelf tijdens de toespraken. Ik balanceer tussen de lovende woorden en de relativeringen in mijn hoofd. Het lukt mij niet alles in mij op te nemen. Een beetje aandacht is prettig, maar zo in het middelpunt staan voelt onwennig. Door het raam zie ik op een afstand de Domtoren, het standvastig baken boven het gewoel van de stad. Kon ik maar een Domtoren zijn.

De rode cijfers van de wekker staan op 2.30 uur. Ik draai me nog eens om.afscheid nemen
Ik ben mijn loopbaan ooit begonnen als coördinator van  een project over stervensbegeleiding en rouwverwerking. Onze boodschap was dat je kunt leren om afscheid te nemen. Ik probeerde het zelf in de praktijk te brengen. Zo liet ik mijn kinderen, die er als peuter moeite mee hadden, dat ik naar mijn werk ging, uitgebreid voor het raam zwaaien.
Vandaag ben ik uitgezwaaid.
Nou tabé dan, ik groet je…

 

Reageren? Klik links onder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen. Op de hoogte blijven? Vul dan in de rechterkolom je naam en mailadres in.