Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

1

DEMENTIE

Dagelijks

Ik hoor dat een oud-collega op zoek is naar mij. Zij had bij ons vorige huis gestaan, niet wetend dat wij verhuisd zijn. Ik bel haar op. Het enthousiasme in haar stem klinkt heel vertrouwd. Dit jaar is zij tachtig geworden. Het gaat goed met haar, al merkt zij wel – hier verandert de emotie in haar stem – dat zij steeds meer last krijgt van dementie. Het is een familiekwaal, haar zussen hebben ook Alzheimer. We spreken af, dat ik de volgende dag bij haar op de thee zal komen. ‘Ik schrijf het direct op de kalender’, zegt C. opgewekt.
Als ik die dag met de trein ben aangekomen, bel ik om te zeggen dat ik iets later ben. Het blijft even stil aan de lijn. ‘Je zou toch gisteren komen? Ik moet zo weg.’ De verwarring bij haar verdwijnt echter snel. ‘Ik haal je wel even op met de auto’, klinkt het monter. C. is als altijd een groot liefhebber van autorijden geweest. ‘Ik ben er in een paar minuutjes.’ Ik zeg dat ik aan de achterkant van het station sta. Heen en weer lopend met een grote bos bloemen kijk ik tevergeefs uit naar een auto die het parkeerterrein opdraait. Er gaan tien minuten voorbij. De bloemen voelen steeds zwaarder. Vijftien minuten. Dan komt C. er lachend aangelopen. ‘Stond je toch niet aan de voorkant.’

Een week later bezoek ik een concert van een kamerkoor. Na afloop raak ik in gesprek met een mij welbekende bas. We delen de liefde voor schrijven. Hij is bezig met zijn levensverhaal. ‘Ik ben nu gekomen tot 2004, maar de laatste tijd vlot het niet meer.’ De bas is de vijfenzeventig gepasseerd. ‘Dan mag je wel opschieten’, zeg ik grappenderwijs. Hij beaamt het lachend. ‘Er is bij mij Alzheimer geconstateerd’, zegt hij. Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Laatst is dat nog eens bevestigd.’ Hij vertelt het rustig, zonder emotie. Hij krijgt medicijnen om het proces van achteruitgang te vertragen.
Ooit heb ik op mijn werk een project Dementie geleid. We gaven voorlichting aan medewerkers van de thuiszorg en vrijwilligers. Het woord Alzheimer roept bij mij beelden op van dwalende mensen die hun huis niet meer kunnen vinden. Tafelkleden die in de koelkast zijn opgeborgen. Het zijn beelden die mij beangstigen. Ik kijk ook wel eens in een keukenkastje als ik de nietmachine moet hebben. Om direct daarna te beseffen dat het ding altijd in de kamer ligt.

Weer een week later ben ik bij de crematie van een neef. Tussen de vele aanwezigen tref ik een familielid, die ik lang niet gezien heb. Hij ziet er wat breekbaar uit. Hij moet voor in de tachtig zijn. ‘Het gaat goed met mij’, zegt hij. In één adem door voegt hij eraan toe: ‘bij mij is de ziekte van Alzheimer geconstateerd.’ Ook hij vertelt het nuchter. Hij mag geen auto meer rijden, maar voor het overige leidt hij een normaal leven. Hij eet wel wat meer, zegt hij, omdat de geestelijke achteruitgang nog wel eens samengaat met een flinke vermagering.
Op dit moment zijn er zo’n 200.000 mensen met Alzheimer in Nederland.

0

BIJ DE TIJD

Dagelijks

Ik had nog nooit een honderdjarige ontmoet. Was ik van tevoren onkundig geweest over de leeftijd van de nog altijd zelfstandig wonende mevrouw H. (102), dan zou ik haar zo rond de tachtig geschat hebben. Bij sommigen zit de jeugdigheid in de genen.
De inrichting van haar huis gaf iets prijs van haar lange bestaan. Kaal vinyl, versleten vloerbedekking, krassen op het verfwerk. Maar wie tachtig is en het tapijt sleets ziet worden, denkt al snel: het zal mijn tijd wel duren. Die tijd schat je niet op twintig jaar.
Haar kamer, verwarmd door een zachtjes flakkerende gashaard, was één grote verzameling. Niet alleen van stoelen, tafeltjes en kussentjes uit lang vervlogen tijden. Tussen de snuisterijen, kaarsen, souvenirs en ingelijste foto’s lagen overal stapels papieren, tijdschriften, losse papiertjes met aantekeningen, oude radiogidsen en nog veel meer dat ik nu niet meer kan reproduceren. Alsof mevr. H. de controle op het leven zou verliezen door iets weg te doen. Alsof opruimen voor haar hetzelfde was als afscheid nemen en doodgaan.

De gevel van het hotel-restaurant-café Oog in Al. Foto: J.C. de Graaf, collectie Utrechts Archief.

Ik mocht bij mevrouw op bezoek komen om vragen te stellen over haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Zij woonde destijds in de Utrechtse wijk Oog in Al. Haar vader was textielhandelaar, haar broer handelde in lederwaren. Zij verrichte hand- en spandiensten voor hen. In de wijk waren veel officieren van de Duitse marine gehuisvest. Het weerhield haar er niet van om een Joodse man lopend over straat naar een veilig onderkomen te begeleiden. Als vanzelf werkte zij mee bij het rondbrengen van illegale blaadjes. Ze voorzag Rotterdamse mannen die na een razzia lopend in een colonne de wijk passeerden van eten en liet een enkeling ontsnappen door gearmd met hem weg te lopen. Pas na de oorlog werd dit werk ‘deelname aan het verzet’ genoemd. Destijds voelde dit voor haar niet zo.

Mevr. H. had als jong kind tien jaar in Vleuten gewoond. Aan de Stationsstraat, zo ongeveer tegenover het huis van de burgemeester. De families waren bevriend geraakt met elkaar. Men kwam elke zondagmorgen bij elkaar op de koffie. Mevrouw was bevriend geraakt met M., de enige dochter van de burgemeester. In de herinneringen van mijn tante had ik gelezen dat deze dochter met een Duitser was getrouwd en tijdens de oorlog als tolk voor de Duitsers op de Maliebaan had gewerkt. M.’s enige nog levende broer (ook al de negentig voorbij) kon (of wilde) de Duitse gezindheid van zijn zus tegenover mij niet bevestigen. Mevr. H. daarentegen sprak duidelijke taal. M. had voor een Duitse firma gewerkt en was op die manier aan de Duitse kant beland.
Meer woorden wilde zij er niet aan vuil maken. Ook over de rol van de burgemeester en zijn vrouw was zij snel uitgesproken. Pijnlijke herinneringen laat je liever onaangeroerd. Of je kunt ze niet meer vinden. Mevrouw schakelde moeiteloos over op verhalen over haar kinderen en kleinkinderen. Op de onverdraagzaamheid die zij ziet in de huidige maatschappij. Of op de vrouw in Iran die onlangs was opgepakt en omgekomen. Honderdentwee, op zichzelf staand en een heldere, bijdetijdse geest.

3

VERDOMHOEK

Dagelijks

Afgelopen zaterdag stond op de voorpagina van Trouw prominent een uitspraak van Maria Goos: Kom uit die verdomhoek. Oud, be proud! Het citaat moest verleiden om een interview met de toneelschrijfster te lezen. Ik kreeg direct een vieze smaak in mijn mond.
Goos beweert hier niets meer of minder dan dat ouderen in een verdomhoek zitten. Waarmee zij de situatie die zij wil bestrijden alleen maar bevestigt. Zij als jonge oudere (66 jaar) komt net kijken, maar zij weet wel wat er mis is. Zij plaatst zichzelf buiten die verdomhoek en weet wat al die anderen fout doen. Een voorbeeld van misplaatste trots. Stupid goose.

Na een paar dagen vroeg ik mij af, waarom Goos’ uitspraak mij zo geraakt had. Dat gebeurt niet zomaar. Het was tijd voor een klein zelfonderzoek.
Ik voel mij niet aangesproken. Het beeld dat ik als oudere in een achterafhoekje van de maatschappij zit weg te kwijnen herken ik niet. Ik ben van de geluksgeneratie die in welvaart is opgegroeid en ik ben in de conditie dat ik nog veel kan en weinig hoef. Is de verdomhoek van Goos wellicht mijn (en haar?) angstbeeld? Ben ik bang voor wat mij te wachten staat aan lichamelijke achteruitgang, het verminderen van contacten, het wegvallen van betekenis voor de maatschappij? Moet ik daarom mijn best gaan doen om dat gevoel van betekenis, van trots te houden?

Soms zou ik wel eens hetzelfde willen roepen als Maria. Bijvoorbeeld als ik pleidooien lees van politieke partijen, pensioenactivisten of ingezonden brievenschrijvers die erop neerkomen dat ouderen altijd weer gepakt en achtergesteld worden. De werkelijkheid is dat ouderen het nog nooit zo goed gehad hebben. Het probleem zit in het containerbegrip ouderen. Want natuurlijk is er ook een categorie 65+-ers die het moeilijk heeft. Dan is het goed dat er mensen zijn die daarvoor opkomen. Maar laten ze dan de categorie achtergestelden wel helder benoemen.

Goos heeft nog een argument voor haar uitspraak over de verdomhoek. Ouderen hebben in deze maatschappij een andere positie dan, zeg, honderd jaar geleden. Waar wijsheid en ervaring destijds als vanzelf respect afdwongen, gaat dat door alle technologische ontwikkelingen niet meer op. Oud is uit de mode. Zij ziet ouderen die zich zo jong mogelijk willen voordoen. ‘Vanwaar die focus op jong? Waarom zou je je onder een hoody verstoppen en doen alsof je dertig bent?’
Daar heeft zij een punt. Die neiging onderken ik. Het is een tot mislukken gedoemde poging om jong te blijven. Daarom loop ik maar vaak in een vest, hét kledingstuk voor de oudere man. Daarom heb ik mijn baard niet laten staan. Maar moet ik dit nu trots van de daken schreeuwen? Dat is net zo zeer een knieval voor de huidige cultuur. Ik gebruik liever de 500 woorden van mijn blog dan de 140 tekens van Twitter.

0

GROENTETUIN

Dagelijks

De ochtendlucht voelt fris, de bomen kleuren geel, de nijlganzen snateren in het weiland. Ik ben met de fiets op weg naar de tuin. Sinds dit jaar zijn wij lid van Moestuin De Haar. Op een flinke lap grond in Haarzuilens worden door drie part-time tuinders (allen vrouw) groenten en bloemen geteeld. Onbespoten, biologisch, duurzaam, hoe dan ook verantwoord. Het abonnementsgeld geeft ons recht op vijf groenten per week. Die oogsten wij zelf.
De tuin grenst aan het park van Kasteel de Haar. Jarenlang was op deze plek de groentetuin van de baron. Hoewel de adellijke familie slechts twee maanden per jaar op het landgoed vertoefde beschikte men over een mega moestuin. De medewerkers voor het onderhoud van park en groentetuin stonden onder leiding van Lambert Voortman, de enige niet-katholiek in de gemeenteraad van Haarzuilens. Maar ik dwaal af.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw werden de kosten voor het buitenverblijf de baron wat te gortig. Het kasteel werd in 2000 met geld van Natuurmonumenten eigendom van een stichting. De Moestuin de Haar werd in 2019 opgericht. Elke week nu fietst een van ons, met schepje en mesje in de tas, naar Haarzuilens om de groenten te oogsten. Met de handen in de klei en de poten in de modder.

Mijn vader had vroeger een groentetuin naast ons huis. Ieder jaar vanaf augustus aten wij wekenlang sperziebonen en voor de afwisseling snijbonen. Om mij de liefde voor het vak over te dragen kreeg ik een perkje toegewezen waarop ik groenten naar eigen keuze mocht telen. Mijn enthousiasme was groot toen de oranje kopjes van de peentjes boven de grond uitgroeiden en mijn eigen radijsjes smaakten lekkerder dan ik ze ooit gegeten had. Desondanks was mijn belangstelling voor het kweken al na één seizoen verdwenen. De kennis van het telen, generaties lang van vader op zoon doorgegeven, stopte bij mij en bij velen van mijn generatie. Groentetuinen werden siertuinen en de groenteboer in het dorp kreeg een hoop klandizie. Hoe vaak stond ik niet in de rij voor de toonbank, terwijl onder het stilvallen van de aardappelschilmachine de piepers met een dof geluid in de opvangemmer rolden.

Moestuin De Haar

In de gemeenschappelijke moestuin leer ik iedere keer weer bij. Zodat ik niet per ongeluk snijbiet rooi als ik rode biet wil oogsten. Wij leren nieuwe groenten kennen, zoals Nieuw-Zeelandse spinazie, meiraapjes, bladmosterd en fluo-melde (zelfs voor de spellingchecker is deze laatste onbekend). We volgen de seizoenen. Dat valt nog niet mee. Dit voorjaar wilden we na verloop van tijd wel iets anders eten dan spinazie, snijbiet, raapsteeltjes of postelein.
Een grote vooruitgang is dat we wekelijks tuinkruiden kunnen oogsten. In plaats van de gedroogde kruiden uit het groenterek staat er nu een rij plastic doosjes in de koelkast. Van tijm tot oregano, dille, peterselie, salie en rozemarijn. En een voorraad verse munt voor de thee.
Met twee fietstassen met groente en een bos bloemen fiets ik terug naar huis. Voldaan, alsof ik het zelf gekweekt heb.

0

TAALVIRTUOOS

Dagelijks

Jan Beuving. Bron: Podium Hoge Woerd

Uit het grote theateraanbod hadden wij dit jaar onder andere gekozen voor een voorstelling van Jan Beuving. De naam zei mij vaag iets. Hij maakt in zijn cabaret gebruik van zijn opleiding als wiskundige en hij stelt vragen die tot nadenken stemmen, zo werd de voorstelling aangekondigd. Wiskunde was op de middelbare school veruit mijn zwakste vak. Dus ik maakte me zorgen of ik de grappen wel zou kunnen volgen. Niettemin was mijn nieuwsgierigheid gewekt. De voorstelling, Restante, viel op twee punten anders uit dan ik verwacht had.
Beuving (40) mag dan wiskunde hebben gestudeerd, ik vond hem bovenal een taalvirtuoos. Hij schrijft ijzersterke liedjes. Maatschappelijke problemen of huiselijke sores weet hij in rake bewoordingen te typeren. Hij is een meester in het rijm. Zijn pianist, Tom Dicke, heeft er originele composities bij gemaakt, melodieën die Beuving met verve zingt. De wiskunde kwam nog even om de hoek kijken toen hij de zaal talloze malen liet rijmen op het woord staartdeling.
Jan Beuving toont zich een waardig opvolger van Jeroen van Merwijk of Kees Torn. Hij vertelde dat hij ooit in Utrecht naast Van Merwijk voor het stoplicht stond te wachten. ‘Meneer van Merwijk’, zei hij toen, ‘ik ben een groot fan van u’, waarop Van Merwijk antwoordde: ‘Ja, dat ben ik zelf ook.’
Ik begon een fan van Beuving te worden.
In de tien jaar dat hij in het vak zit heeft hij al tweemaal de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste lied gewonnen, onder ander voor Die Geur, een lied uit 2018 met een zeker voor deze tijd zeer actuele tekst. Het wordt hier gezongen door Patrick Nederkoorn. Melodie en begeleiding zijn van Tom Dicke.

Dan de tweede belofte, die anders uitpakte.
Jan Beuving is christelijk opgevoed. Dat is niets bijzonders. Maar anders dan velen is hij nog steeds een gelovig mens. Voor een wetenschapper die zich tot cabaretier heeft ontwikkeld lijkt me dat uniek. Wie al wat langer meegaat kan zich wellicht nog Fons Jansen herinneren of Jules de Corte. Deze katholieke kleinkunstenaars stopten nogal wat geloof in hun programma’s. Maar zij dreven vooral de spot met de kerk. Jan niet. Lef kan je hem niet ontzeggen. Ik schatte in dat hij voor een overwegend seculier publiek speelde.
Dat hij aan de kaak stelde dat in zijn hoogopgeleide, linkse bubbel de islam wordt verdedigd, maar het christelijk geloof verdacht wordt gemaakt, daar kon ik inkomen. En dat hij heeft leren rijmen door alle liedteksten die hij op zondagen in de kerk gezongen heeft, kon ik begrijpen. Het onderwerp liet hem echter niet los. De vragen die tot nadenken moesten stemden begonnen mij te veel op een getuigenis te lijken. Al kan dit ook mijn allergie zijn. Ik weet nu echter niet meer wat ik tegen hem zou moeten zeggen als we samen voor een stoplicht staan.

3

DE VRAGENDOOS

Dagelijks

Afgelopen zondag vierde ik mijn zeventigste verjaardag. We hadden het Koetshuis van Restaurant Dengh, op de rand van Utrecht en Vleuten, afgehuurd. Een mooie locatie die ik anderen kan aanraden (hiermee heb ik een belofte ingelost die ik bij het afscheid aan het personeel heb gedaan).
De NS werkte aan het spoor, waardoor sommige gasten een flinke omweg moesten maken, maar dat was dan zo ongeveer het enige wat tegenzat. Er waren veel vrienden en familieleden, mooie toespraken, treffende liedjes, cadeaus en gezellligheid. Het weer was prachtig. Ik voelde me dankbaar maar ook wat ongemakkelijk bij alle aandacht.
Midden in het leven was het motto van het feest, een wat provocerende titel om aan te geven waar ik mij voel staan. Dat verhindert niet dat de eindigheid van het leven steeds vaker tot mij doordringt. Dat bleek ook tijdens het feest.

Kleindochter van elf was binnen komen lopen met een doos die beplakt was met kleurige versieringen en de tekst: ‘opa zeventig jaar’. In de deksel had zij een gleuf geknipt. Ze gaat toch niet iets ophalen voor een cadeau, was mijn eerste gedachte. In de uitnodiging had ik zelf immers het banknummer van een goed doel vermeld. Later pas zag ik de woorden De Vragendoos en Stel de ultieme vraag (wat je zou kunnen opvatten als ‘nu opa er nog is’, maar dat zal zij niet bedoeld hebben). Het bleek het voorspel voor een interview dat later die middag plaatsvond. Kleindochter en ik zaten naast elkaar voor het veelkoppige publiek. Zij diepte telkens een van de vragen op die de gasten op kleine papiertjes in de doos gedeponeerd hadden.
Er waren vrolijke vragen bij, zoals: hoe lang houdt Arnold al van augurken? Waar heeft opa oma leren kennen? Bijzondere vragen als: welke uitvinding in de afgelopen zeventig jaar is volgens jou het beste geweest? Maar veel gasten hadden de gelegenheid aangegrepen om persoonlijke vragen te stellen: hoeveel vriendinnen heeft opa gehad (vóór oma)? Als je de tijd kon terugdraaien, waar zou je een andere keuze hebben gemaakt? Wat uit je opvoeding heb je juist wel of niet meegegeven aan je kinderen? Dit soort vragen maakten me een beetje benauwd. Wat moest ik doen? Me ervan afmaken met een kwinkslag, gelet op de feeststemming? Of serieus beantwoorden? Ik probeerde het laatste.
Ik had bewondering voor mijn kleindochter die zich kranig weerde als interviewster. Ze nam niet direct genoegen met een antwoord en vroeg regelmatig door.

– In welke fase (decennia) van je leven was / ben je het gelukkigst?
‘Ik denk in deze fase. Ik kan nog van alles, maar ik hoef niets.’
– Wat is het meest confronterende van ouder worden / zijn?
‘De tijd die sneller lijkt te verstrijken. Een gebeurtenis van tien jaar terug lijkt maar zo kort geleden. Als ik dat omdraai naar de toekomst, dan volgt mijn 80e verjaardag (mocht ik die halen) al snel.’
Tot slot een vraag die ongesteld achtergebleven was in de doos:
– wat wil je de komende tien jaar zeker nog (een keer) gedaan hebben?
Mijn antwoord zou zijn geweest: ‘nog eens zo’n feest geven.’

4

KALF EN KUIT

Dagelijks

Joseph Haydn

In mijn zangweek in Italië zong ik onlangs met een bas en een tenor het lied Daphnens einzige Fehler. Een compositie van Joseph Haydn op een schertsende tekst, een gelegenheidswerkje. In het lied scheppen drie mannen beurtelings op over de kwaliteiten van Daphne. Ze heeft zulke mooie ogen, prachtige handen, een fraaie mond. Ze heeft goede manieren, kan goed spreken en weet op het juiste moment te zwijgen. Maar, dan komt het: Daphne heeft één gebrek. O wüsste Daphne nur noch zu lieben, klagen de mannen in, letterlijk, vele toonaarden. (Ze bedoelen natuurlijk dat zij Daphne niet in bed kunnen krijgen en wijten dat aan een gebrek aan haar kant.)

Het lied zou het vermelden niet waard zijn geweest als het niet de aanleiding was geweest voor een interessante zoektocht naar een taalkundig fenomeen: kalf en kuit. Voor ik daarop inga, moet ik eerst nog wat uitleggen over onze week in Italië.
De zangstudio waar wij oefenen ligt in Maglioggio, een gehucht 250 meter boven het dal en het dorp Crodo. Het hotel waar wij verblijven ligt op de tegenoverliggende helling, in het dorpje Mozzio, 350 meter boven het dal. Er is een busje geregeld voor het vervoer, maar de meeste zangers kiezen ervoor om een- of tweemaal per dag te lopen. Omlaag en omhoog, een heerlijke wandeling van ongeveer een uur. Tijdens de lunch vertelde de bas dat hij die ochtend achter de fraaie kuiten van een van de sopranen omhoog was gelopen. Moeten we dan, zo vroeg ik daarop, ook niet over de kuiten van Daphne zingen? Wat is een kuit eigenlijk in het Duits, was de volgende vraag. Google gaf snel het antwoord: Kalb. ??? Ja, het klopt, het Duits gebruikt hetzelfde woord voor kalf als voor kuit.
Iemand zocht verder en vertelde met stijgende verbazing dat in het Italiaans vitello zowel kalf als kuit betekent. Het Spaanse becerro idem dito. Daarna vlogen de talen over de lunchtafel. Het Russisch, het Zweeds, het Turks, het Grieks, al deze talen kennen hetzelfde woord voor kalf als voor kuit.

bron: www.eigenkracht.nl

Dat riep twee vragen op.
Op de eerste plaats: welke overeenkomst tussen een kalf en een kuit maakt dat zoveel talen hiervoor hetzelfde woord gebruiken? We zochten verder. In vele oude talen is het woord kalf verwant aan woorden voor baarmoeder en foetus (jong dier), maar ook aan woorden voor dik persoon en gezwel. Vandaar is de stap naar dikke of weke kuiten niet meer zo groot.
Maar dan de tweede vraag: waarom gebruiken al die talen hetzelfde woord voor kalf en kuit en heeft alleen het Nederlands twee woorden? Daarop moest dr. Google ons het antwoord schuldig blijven. Later die week spraken we een Italiaanse. Zij gebruikt voor kuit een heel ander woord dan vitello. Zou het kunnen, zo vroeg ik mij af, dat er meer talen zijn die verschillende woorden voor kuit hebben, maar dat Google Translate er steeds maar eentje weet?

0

LEERZAME BOEKEN

Dagelijks

De Volkskrant liet deze zomer een aantal schrijvers aan het woord over de belangrijkste boeken die hen gevormd hadden. Als vanzelf vroeg ik mij af van welke boeken ik veel geleerd heb. Voor ik deze vraag beantwoord, moet ik eerst een bekentenis doen: ik ben helemaal niet zo’n lezer. Als ik een uur over een boek gebogen zit krijg ik de neiging om de was op te hangen of de boontjes te haren. Als kind speelde ik liever buiten. Later las ik alleen in vakanties. En nu ik meer de tijd heb lees ik vooral boeken in het kader van mijn schrijfprojecten. Toen ik een paar maanden geleden een gesprek had met een uitgever, vroeg deze mij of ik ook zo’n fan was van de Russische literatuur. De man had even tevoren mijn schrijfstijl de hemel in geprezen. Ik durfde daarom nauwelijks te bekennen dat ik nog nooit een Tolstoi of Dostojewski gelezen heb.

1. De eerste titel die de vraag van De Volkskrant bij mij opriep is De koperen tuin van Simon Vestdijk. Het gaat over een gevoelige jongen die, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verliefd wordt op de dochter van zijn pianoleraar. Het is een boek dat doortrokken is van mislukte strevingen. Aanvankelijk kwam ik maar met moeite door alle volzinnen heen. Maar hoe meer ik las, hoe meer ik gegrepen werd. Het was alsof ik zelf rondwandelde in die stadstuin. Ik was het zelf die leed onder de onbereikbaarheid van de liefde. Later zorgden boeken als Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen en Terug tot Ina Damman van Vestdijk voor vergelijkbare gevoelens.
2. Van geheel andere aard is Het Verzameld Werk van G.L. Durlacher. In zijn oeuvre staan zijn ervaringen als Joodse jongen in de Tweede Wereldoorlog centraal. Ik had over concentratiekampen gelezen, films gezien, maar pas toen ik de sobere teksten van Durlacher las greep de ellende van het kampleven mij danig bij de keel. Zijn beschrijving hoe hij bij terugkeer in Nederland werd genegeerd en buitengesloten bleef dagen bij mij hangen.

3. Toen ik in mijn studententijd de verhalen van Maarten Biesheuvel in zijn debuut In de bovenkooi gelezen had wilde ik iedereen overhalen dit boek te lezen. Zoals het verhaal over de man in een rijdende bus, die dacht dat de wielen van de bus de aarde deden draaien. De gekte, de humor, de superieure schrijfstijl, het onverbloemd beschrijven van de eigen tekorten, alles beviel me.
4. In de romancyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden las ik het relaas van mijn generatie, al ken ik niet de Brabantse folklore en het verslavingsgedrag van de protagonist.
5. Het schitterende gebrek van Arthur Japin, en meerdere van zijn boeken, brachten me de voorliefde voor geromantiseerde versies van ware, historische gebeurtenissen. Hetzelfde geldt voor de boeken van Stefan Hertmans, zoals het prachtige Oorlog en terpentijn. Deze boeken worden tot de fictie gerekend. Die van Frank Westerman (bijv. De graanrepubliek), Alexander Münninghof (De stamhouder) of Jan Brokken (De vergelding) tot de non-fictie. Alle genoemde werken bevinden zich in het grensgebied, voor mij een grote bron van inspiratie.

———–

Ik ben voor een zangweek in Italië. Mijn plan is om mijn volgende bijdrage op 3 september te publiceren.

1

PANAMA

Dagelijks

Hiernaast zie je het cadeau dat ik van G. kreeg voor mijn zeventigste verjaardag. Een zonnehoed van de firma Mayer, est. 1800. Ik hou wel van de zon, maar mijn hoofd niet. En omdat de koperen ploert zich steeds meer als zodanig gedraagt ga ik ’s zomers niet zonder hoofddeksel naar buiten. Het strooien hoedje dat ik ooit voor een habbekrats op een markt in Frankrijk had gekocht was gescheurd toen ik het in een koffer perste. Dus de suggestie van G. om een nieuwe zonnehoed uit te zoeken was direct raak. Was ik tegelijkertijd verlost van het probleem dat ik niet wist wat ik voor mijn verjaardag moest vragen.

Zo lopen wij op een zonnige middag naar de Bakkerstraat in Utrecht, naar Jos van Dijck, sinds 1923 (geen kledingmerk of -zaak zonder jaartal). Een winkel waar men hoofddeksels van enige stijl en enige prijs verkoopt. Jarenlang ben ik hieraan voorbijgelopen. Maar onderhand ben ik (est. 1952) al net zo arrivé en traditioneel als de waren die men daar aanbiedt.
Hier geen hoge glazen puien en felle spots, geen bonkende muziek. Binnengekomen moeten mijn ogen wennen aan het beperkte licht. De schappen langs de wanden links en rechts liggen barstensvol hoofddeksels. De verkoopster is een wat saai ogende dame van onbestemde leeftijd. Haar kwaliteiten zitten in de materialenkennis, haar oog voor de maat. Een zonnehoed wordt ook wel panama genoemd. De hoed is gemaakt van gevlochten bladeren. De oorsprong ligt in Ecuador en de geleerden zijn het er nog niet over eens waarom dit type de naam panama heeft meegekregen.
Binnen de kortste keren ligt de toonbank vol met allerhande op elkaar lijkende exemplaren. Er zijn kleine verschillen in kleur, structuur en breedte van de band. Me omdraaiend naar de spiegel pas ik de een na de ander. Mijn oren zitten dubbelgeklapt onder de rand. Zou dat normaal zijn of zou ik ze ertussen moeten stoppen, vraag ik me af. Als ik niet direct een model kan kiezen, loopt de verkoopster het magazijn achter de winkel in om nog meer soortgelijke exemplaren te halen. Dat maakt het er niet eenvoudiger op.

Badkoetsen aan het strand van Domburg

Nooit geweten wat nu precies een panama is, bedenk ik, als ik met mijn nieuwe verworvenheid de winkel uitloop. Terwijl ik er vaak over gezongen heb. Toen vriend T. en ik optraden met een programma van oude, nederlandstalige liedjes, was De Ballade een van onze favorieten. Het is een tekst over een jonge vrouw en een jongeman die zodanig verliefd worden op het strand dat zij niet in de gaten hebben dat zij worden omspoeld door de oprukkende branding.

Zo zaten zij daar nu tezamen, natvoets
Een badman wou hen redden in een badkoets
Noch ’t een noch ’t ander hielp hen uit de nood
Voor ogen hadden zij een wisse dood

Zij werd bang en huilde om haar pa en ma
En hij wier woest en zwaaide met zijn panama
Maar ’t enige wat er van hen overbleef
Dat was de panama die op de golfjes dreef….

2

MIJLPAAL

Dagelijks

Afgelopen maandag leek op een doorsnee maandag. Mijn wekker maakte mij om half acht wakker. Beneden opende ik de gordijnen, zette de achterdeur open voor de frisse ochtendlucht, nam mijn medicijn, maakte een ontbijt klaar en las al etend een dunne maandagkrant met veel oud sportnieuws. Daarna deed ik zoals elke maandagochtend de boodschappen. Bij de bakker wachtte ik onder het geronk van de snijmachine mijn bestelling van vijf meergranen broodjes af. Vervolgens liep ik in de supermarkt langs de schappen te turen, aangemoedigd door de opgewekte hits van Jumbo Radio, een aanmoediging die minstens evenzeer voor het traag bewegend personeel bedoeld leek. De week was weer begonnen.

Maar deze maandag was toch anders. Het flitste in de nacht al door mij heen tijdens de momenten van even wakker zijn en omdraaien. Het is mijn geboortedag en dat niet alleen, ik bereik een mijlpaal: zeventig jaar. Feitelijk verandert er niets, zoals dat op je achttiende of bij je pensionering wel het geval is. De tijd gaat door, dat is elke dag, elke week, elke maand zo. Maar gevoelsmatig is het een overgang, alsof je in één keer tien jaar ouder wordt. Wie dertig wordt verliest zijn jeugd, bij vijftig behoor je opeens tot de oudere helft van de samenleving. De zestig is een eerste waarschuwing, al viel me dat mee. Je bent dan nog aan het werk. Maar het bereiken van de zeventig voelt als de definitieve inschakeling in het legioen der ouderen. Ontkennen dat je oud wordt heeft geen zin meer. Je bent het al.

Ik was er voor gewaarschuwd door mensen die mij zijn voorgegaan. Dus heb ik snel wat tegenwerpingen bedacht: ik mag blij zijn dat ik deze leeftijd gehaald heb en dat ik kan genieten van de tijd die ik heb. Alles is relatief, wie nu tachtig is vindt zeventig jong. En als ik nu doodga voelt dat minder erg dan als ik nog negenenzestig was geweest. Enzovoort.
Kijk ik in de spiegel, dan zie ik de achteruitgang. Haren uit mijn oren in plaats van op mijn hoofd. Het gehoor wordt minder. ‘Wat zeg je?’ is bij ons in huis met stip de meest gestelde vraag. Maar mijn lichaam functioneert nog goed, op een enkele functie na die het nooit naar behoren heeft gedaan. Ik vergeet van alles maar dramatisch is het niet. Er zitten wat kunststof onderdelen in mijn lijf en ik draag een paar littekens en butsen mee. Het zijn de sporen van zeventig jaar intensief gebruik, geholpen door goede voeding, voldoende beweging en de dokter die af en toe een handje helpt.
Een prestatie kan ik het behalen van deze leeftijd overigens niet noemen. Dat vindt de burgemeester ook. Die komt pas op bezoek als je zeventig jaar getrouwd ben. (Ik ben benieuwd of hij dat ook doet als je zoveel jaren samenhokt.)
Op naar de volgende mijlpaal dus, al lijkt die nog ver. Ik mag hopen dat ik ‘em haal.

Dit stukje schreef ik maandag toen ik de boodschappen had opgeborgen. Daarna nam ik een kop koffie, loste de kruiswoordtest in Trouw op en ging verder werken aan mijn boek.