Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

BIJ DE TANDARTS

Dagelijks

Tijdens het eten van een boterham kauwde ik op een hard stukje. Ik dacht dat de bakker een steentje in het brood had verwerkt, maar in mijn handen leek het stuk verdacht veel op een deel van een kies. De tandarts zag een gammele tand en concludeerde dat het plaatsen van een kroon een goede remedie zou zijn.  Vier weken later liep ik met mijn eerste kroon in bijpassende kleur te pronken. Maar omdat de kies mij last bleef bezorgen en bijvijlen niet hielp,  zat er volgens de tandarts niets anders op, dan de kroon weer van zijn plek te lichten en alle zenuwuiteinden dood te boren. Dat klonk weinig aantrekkelijk, maar wie ben ik om daar tegenin te gaan?
Zo heb ik dus de afgelopen tijd heel wat uren horizontaal in de oude tandartsstoel doorgebracht.
Niet alleen de stoel is oud overigens, ook de tandarts is al op leeftijd. Hij is minstens zo oud als ik. Terwijl mijn vorige tandarts altijd met de nieuwste snufjes aan kwam zetten, is deze tevreden met wat hij heeft. Dat heeft wel zijn charme. Ik stel me voor dat een tandartspraktijk in Roemenië er ongeveer zo uit zal zien. Maar misschien onderschat ik de Roemenen en wordt het in Nederland overbodig geworden tandartsinstrumentarium voor een tweede leven naar Afrika verscheept.
De vorige tandarts kletste mij altijd de oren van mijn hoofd. Ik kon alleen maar met ongepolijste keelklanken reageren. Deze tandarts zegt helemaal niets. Een uur lang. Dat is wel zo duidelijk. Het achtergrondgeluid van radio 4 wordt slechts verstoord door het hoge gillen van de boor en het slurpen van de waterzuiger.

Elk behandeluur begon de afgelopen weken met enkele venijnige prikjes verdoving. Ik lag er daarna redelijk ontspannen bij, terwijl de tandarts met rubberen doekjes en steunijzertjes zijn bouwput gereed maakte. Vervolgens ging hij in de weer met allerhande tangen, boren en spuitjes. Bij de meest grove boor kwam er een geur los alsof ze in de buurt paarden aan het beslaan waren.
Geduldig en onvermoeibaar zat mijn helper lange tijd met kleine en grote naalden in de uitgeboorde holtes te peuren. Het doel daarvan ontging mij volledig. Daarna verdween er een batterij aan plastic rietjes in de kies. Aan het einde van je leven heb je meer lichaamsvreemde stoffen in je lijf dan een vis die elke dag door de plastic soep zwemt.
Tenslotte kon het vullen beginnen. De tandarts vroeg zijn assistente om twee eenheden cement. In een bijkamer klonk daarop het geluid van een minuscuul betonmolentje. Tandartsen zijn bouwvakkers op de vierkante millimeter.
Gemiddeld genomen kwam de assistente tweemaal per behandeluur aan mijn stoel om iets aan te reiken of vast te houden. Dat lijkt me een saaie baan. En een kostenpost voor de tandarts. Misschien is daarom ooit het lied Het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente ontstaan. Anders dan bij de zanger kwamen er bij mij geen erotische gedachten naar boven. Wel moest ik denken aan de grote spinnenwebben die ik in de wachtkamer had zien hangen. Tussen het bereiden van het cement door leek mij dat wel een mooie voorjaarsklus.

Na zeven wekelijkse sessies was mijn kies gereed. Ik was geholpen, zogezegd. In de tandheelkunde geldt nog de ouderwetse betekenis van het woord. Terwijl in de rest van de zorg het meedenken, meepraten en de zelfzorg een hoge vlucht nemen, hoef je in de stoel van de tandarts alleen maar te liggen en je mond (open) te houden.

0

EINDELOOS OUDERSCHAP

Dagelijks

Toen zijn dochters rond hun twintigste verjaardag het huis uitgingen, zei een vriend van mij: ‘Zo, het project Kinderen is succesvol afgerond’. De kinderen stonden op eigen benen. Het opvoeden en verzorgen was afgelopen.
Soms loopt het zo. Voor de meeste ouders van mijn generatie geldt echter dat zij voor hun kinderen blijven zorgen, ook als deze volwassen zijn geworden. Herman Vuijsje en Anneke Groen schreven hierover het boek Eindeloos Ouderschap, met de wat fatalistisch klinkende ondertitel: zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op.
Was het dàt wat er door mij heenging, toen onze oudste zoon net geboren was en ik voor het eerst de babymelk aan het bereiden was? Er stonden acht lege flesjes op het aanrecht. Was het het zware gevoel van verantwoordelijkheid wat op mij drukte? Een baan kan je opzeggen, je huis kan je verkopen, je kunt desnoods van je partner af, maar een kind is er voor altijd.
Nu, zoveel jaren later, voldoen wij aan het beeld dat Vuijsje en Groen schetsen: wij passen op de kleinkinderen, staan onze kinderen bij met raad en daad en helpen bij de aankoop en het opknappen van een huis. Dit verschilt nogal met de relatie die wij met onze eigen ouders hadden. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Hoe kan het dat onze generatie die zelfstandigheid zo hoog in het vaandel heeft staan, doorgaat met de zorg voor de volwassen kinderen?

Onze generatie heeft veelal het geld en de tijd om de kinderen te steunen. Voor onze ouders gold dat veel minder. Bovendien hebben wij ons afgezet tegen onze ouders, wij wilden absoluut niet afhankelijk zijn.
Nu is de verhouding tussen ouders en kinderen harmonischer. Voor onze kinderen is de ondersteuning  welkom. De prijzen van huizen zijn vele malen hoger dan in onze tijd, de kinderen werken vaak in tijdelijke contracten. Beide partners werken en opvangarrangementen voor hun kroost zijn prijzig. Bovendien, vanuit de sfeer waarin zij zijn opgegroeid verwachten de volwassen kinderen ook de blijvende steun van hun ouders.

De vraag is of het erg is, dat deze jongvolwassen generatie deels afhankelijk blijft van hun ouders. Ik denk het niet. Ik prijs mezelf gelukkig, dat ik mijn kinderen kan steunen. Het contact met mijn kleinkinderen is een verrijking van mijn leven.
Maar er zijn wel enkele valkuilen.
In het boek van Vuijsje en Groen klinkt op diverse plaatsen een schuldgevoel van onze generatie door. Wij hebben in onze jonge jaren flink de wind mee gehad. Onze studiekosten waren laag, we konden aan een goed betaalde vaste baan komen, een huis kopen, dat sindsdien vier maal meer waard is geworden en geld sparen via fiscaal gunstige regelingen. Wij hadden toch het ideaal van delen en solidariteit? Schuldgevoel, het is geen goede drijfveer.
Een tweede valkuil is dat de volwassen kinderen de ‘altijddurende ouderlijke bijstand’ heel normaal vinden. In de rubriek Moderne Manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw las ik een brief van een vrouw die zich beklaagde over haar schoonzoon. Deze vindt het niet meer dan vanzelfsprekend, dat zijn schoonouders komen oppassen, zodat hij naast zijn drukke baan zijn uitgaansleven kan voortzetten. ‘Jullie hebben toch de tijd! En jullie vinden het toch leuk!’ Ouders hebben moeite met ‘nee’ zeggen. Je wilt geen ruzie met je kinderen.

De afgelopen week waren wij met onze kleindochters in een vakantiepark op de Veluwe. Je kon er geen klein kind tegenkomen of er liep wel een grootouder bij die de aandacht van het kind probeerde te trekken.
32 jaar na het vullen van de babyflesjes stond ik daar een maaltijd te koken voor mijn kleinkinderen. Ze probeerden mij te laten schrikken, maakten de knoop van mijn schort los en zeiden dat ik poep in mijn ogen had.
Zorgen houdt nooit op, zorgen hoort erbij.

1

GEHOORPROBLEMEN

Dagelijks

‘Wat wil je drinken, Sjon?’, vraagt een man met een volks accent. Als een antwoord uitblijft, vraagt de man met stemverheffing: ‘Sjon! Drinken?’
Dit is het begin van een radioreclame, waarin ‘iedereen die wel eens moeite heeft om een ander te verstaan’ wordt uitgenodigd voor de gratis gehoortestdagen van Schoonenberg. Iedere maand een week lang komen de spotjes weer langs. (Ik hoor die reclames nog uitstekend, maar wellicht heb ik de radio te hard aan staan).
Gratis gehoortestdagen, het klinkt bijna als een gezondheidscheck van de GGD. Alsof je gewoon moet meedoen omdat je aan de beurt bent. Het is een geniale en uiterst simpele verkoopstrategie van Schoonenberg. Want, zo lees ik op www.gezondheidsnet.nl, 19% van de 55-plussers is van mening dat het gehoor achteruit gegaan is. Maar wordt het gehoor getest dan blijkt bijna de helft van deze groep niet meer goed te kunnen horen. Dus als het je lukt om deze doelgroep in je winkel te krijgen voor een test (‘neem gerust iemand mee’) dan is een op de twee 55-plussers weer een nieuwe klant. Daar komt nog bij, dat de zorgverzekering 75% tot 100% van de kosten vergoedt.
Ik begrijp nu wel, waarom die vraag aan Sjon maandelijks terugkeert. Welke garagehouder, schoorsteenveger of verzekeringsagent droomt niet van zo’n succesvolle strategie? Ook de erectieshop adverteert trouwens via de radio. Maar daar hoef je niet langs te komen voor een test.

Nu moet ik bekennen dat ook mijn gehoor niet meer is wat het geweest is. Al jarenlang heb ik moeite om mensen in een drukke omgeving te verstaan. Als ik buiten de deur eet kost het me vaak de nodige inspanning om mijn tafelgenote(n) te volgen. Dat er nogal wat eetgelegenheden zijn waar de zaak zo vol staat met tafeltjes dat de ober alleen zijdelings tussen de tafels door kan lopen, zou nog wel eens van betekenis kunnen zijn.
Verder kan ik de televisie niet altijd volgen.  Ook in dit geval kan ik een verzachtende omstandigheid aanvoeren. Pas enkele maanden na aankoop van het scherm ontdekten wij dat de luidsprekers van het toestel aan de achterzijde gemonteerd zijn. Dat is vast niet bedacht door een oudere ontwerper.
Ik ging er steeds van uit dat ik familiaal belast was, want vele van mijn ooms droegen in de vorige eeuw  een hoortoestel. Die grote apparaten wilden nog wel eens plotseling gaan piepen, waarop mijn ome Ries altijd laconiek zei: ‘even radio Veronica afzetten’. Maar als ik die familiale belasting corrigeer op het aantal hoortoesteldragende ooms, die smid waren, dan zou het met die aangeboren doofheid nog wel eens mee kunnen vallen.
Youri, onze kat die binnenkort zijn negentiende verjaardag hoopt te vieren, lijkt ook zo doof als het beestje dat ie graag nog eens zou willen vangen. Wij hopen dus maar, dat hij op straat niet oversteekt als er net een auto aankomt. Het lijkt mij immers ook niet prettig om aan mijn einde te komen vanwege een gehoorstoornis en een suizende elektrische auto.
Daarom heb ik deze week maar een gehoortest gedaan op www.oorcheck.nl,  een site van de Nationale Hoorstichting. Dat klinkt minder commercieel dan Schoonenberg, al wil men mij wel erg graag oordopjes verkopen (voor als ik naar mijn volgende heavymetalfeest ga).
Wat blijkt? Volgens de test is mijn gehoor nog goed!
Ik had het eigenlijk kunnen weten. Want wij vragen onze kleinkinderen vaak: ‘kan het geluid van de tablet / de televisie wat minder?’, in plaats van dat zij uitschreeuwen: ‘opa en oma mag die televisie wat zachter?’. Dat was de tekst van de eerste spot van Schoonenberg.

1

WAT EEN MAN IS

Dagelijks

In 1973 werkte ik als leerling-timmerman. Ik stond elke ochtend al vóór zes uur op om de eerste bus vanuit Utrecht naar Montfoort te nemen. Elke keer als ik langs het station kwam, zag ik daar de wachtende treinen staan. En elke dag weer moest ik de aanvechting onderdrukken om op een trein te stappen, zomaar een trein, het maakte niet uit waarheen deze zou gaan, de vrijheid tegemoet.
wat een man isIn de roman Wat een man is van de Engelse schrijver David Szalay zijn alle mannen onderweg en op zoek. Eigenlijk is het geen roman. Het zijn negen verhalen over negen verschillende mannen, oplopend in leeftijd, zoals een werkloze Franse twintiger die op vakantie is op Cyprus, een Engelse makelaar die in de Franse Alpen vakantiewoningen moet zien te verkopen en een Russische geldmagnaat die op zijn peperdure jacht ronddoolt op de Middellandse Zee. Het verbindend element in de negen verhalen zou je ‘de toestand van de man in hedendaags Europa’ kunnen noemen.
Trouw-columnist Wim Boevink, die ik hoog acht, schreef in een recensie dat er na het dichtslaan van dit boek bij hem tranen kwamen. Dat was voor mij een aanbeveling om het boek te kopen.

Afgaande op het boek staat het er met de Europese man niet best voor.
In hun jonge jaren zijn het onvolwassen types, die op zoek zijn naar bevestiging, altijd hun zin willen hebben en voortdurend bezig zijn met seks. De dertigers en veertigers zijn uit op status en macht, wat vaak niet lukt. De oudere mannen in het boek zijn nog grotere tobbers. Een semi-gepensioneerde Engelsman in een goedkoop appartement in Kroatië lukt het niet meer om een vrouw te versieren. De Rus maakt plannen voor een suicïde op zijn jacht maar heeft het lef niet om deze uit te voeren.
Kortom, bij al deze mannen is er sprake van, zoals Wim Boevink schrijft, ‘een groot tekort, een onvermogen, een falen. In hun diepste wezen zijn ze eenzaam en op drift’.

david szalay

David Szalay

Bij mij kwamen er geen tranen. Ook geen grap trouwens, wat ik dan weer als een tekort ervaar.
Het mooiste vond ik de hoofdstukken waar levensvragen om de hoek komen kijken.
Zoals in het deel over  een Belgische taalwetenschapper die met zijn Poolse vriendin in de auto op weg is naar haar ouders. Hij wil zoveel mogelijk vrijheid om te doen en te laten wat hij wil, maar beseft, dat maximale vrijheid gelijk staat aan eenzaamheid. Want hij heeft  ook behoefte aan geborgenheid en samenzijn met zijn vriendin. Maar dan het liefst op zijn voorwaarden.
In het laatste hoofdstuk ziet een Engelse zeventiger in een klooster in Italië een spreuk boven een deur staan: Amemus eterna et non peritura. Laat ons liefhebben wat eeuwig is en niet wat vergankelijk is. Somber terugkijkend op zijn leven constateert hij dat eigenlijk alles vergaat en dat alleen de tijd eeuwig doorgaat.

Het boek biedt een mooi tegenwicht tegen het beeld van de sterke, in het leven geslaagde man. Elke man zou dit boek moeten lezen, zeker mannen die nog wel wat zelfkritiek kunnen gebruiken.
Waarschijnlijk was ik in 1973 ook eenzaam en op zoek. Maar ik ben nooit in zo’n wachtende trein gestapt. Ik had teveel plichtsbesef. Ik weet niet of dit een mannelijk gebrek is.

David Szalay, Wat een man is, Nijgh & van Ditmar, 2016.

0

ZINGEN TOT HET EINDE

Dagelijks
young-at-heart

Young@Heart

Acht jaar geleden zong ik de Matthaeus Passion bij de Utrechtse Oratorium Vereniging, destijds een groot koor van overwegend bejaarde zangers. Elke repetitieavond werd in de pauze een lange lijst voorgelezen van zangers die ziek waren of in het ziekenhuis lagen.
Rond dezelfde tijd zag ik een documentaire over Young @ Heart, een koor van stokoude Amerikanen die Jimi Hendrix en James Brown zingen. Rock and roll will never die, maar dat gold niet voor de leden. Tijdens de opnamen overlijdt een van de zangers. Daarna zagen we het koor de bus instappen voor een optreden. The show goes on.
Vorige week ontving ik het bericht van het onverwachte overlijden van Femmy, een sopraan van mijn 60plus-koor D’Allure. Ze overleed aan een ernstige hersenbloeding, 71 jaar oud. Enkele dagen daarvoor hadden we nog samen staan zingen. Het was niet te bevatten.
Ook D’Allure stapte in de bus om te gaan zingen. In de afscheidsdienst.

evang-broederg-zeist

Grote Zaal Evangelische Broedergemeente Zeist

Femmy was lid van de Evangelische Broedergemeente in Zeist, een klein protestant kerkgenootschap. Zij woonde met haar man Ben, dirigent in Zeist en tenor in D’Allure, en hun ‘broeders en zusters’ in 18e eeuwse gebouwen bij Slot Zeist.
De Grote Zaal van de kerk is een sobere vierkante ruimte met witte banken en links en rechts een wit koor. Een ruimte van tradities. Er lopen oudere vrijwilligsters, zij dragen een wit kapje op hun hoofd.
De dominee leidt de dienst zittend vanachter een wit beklede tafel als de voorzitter van een vergadering. Hij zit op een voorname zetel met hoge rugleuning.
Tijdens een lezing komt er een stevige bui over. Door de heldere ramen van ongekleurd glas zie ik de bomen woest heen en weer zwaaien. Regen slaat hard tegen de ruiten.
Het leven is niet altijd zonneschijn.
Een dochter leest de levensloop voor. In de Evangelische Broedergemeente speelt muziek een grote rol. Hetzelfde gold voor het leven van Femmy. ‘Muziek zegt soms meer dan woorden, muziek komt direct uit het hart’. Soortgelijke woorden sprak Nicolaus von Zinzendorf, de oprichter van de Broedergemeente. Femmy zong tot het einde van haar leven.
We hadden een paar dagen tevoren een aantal voor mij onbekende, stukken toegestuurd gekregen. Ik vond het protestantse stukken, maar ik kan niet zeggen waarom. In de nacht voorafgaand aan de dienst ging het Father eternal, ruler of creation onafgebroken door mijn hoofd.


Er zijn zo’n 40 zangers. Dat komt goed uit, daardoor kunnen we korisch (om beurten) wegvallen vanwege een brok in de keel. Ik heb zo’n moment bij Doeg Twoi Blazjieg, een heftig stuk, dat door Ben gedirigeerd wordt, terwijl de kist langzaam de kerk wordt uitgedragen.
Zo’n gebeurtenis doet iets met een koor. Het brengt je dichter bij elkaar. Je gaat elkaar vasthouden als om meer leed te voorkomen.

Buiten speelt de blaaskapel van de Broedergemeente gewijde klanken. De blazers dragen handschoentjes zonder vingertoppen. De witte kist met het witte kleed wordt als een lichtend voorbeeld hoog boven de stoet uit geheven door acht jonge dragers in lange grijze jassen. Terwijl het verkeer wordt tegengehouden leidt de blaaskapel de rouwstoet naar het kerkhof, de Godsakker geheten, een grasveld met kaal gesnoeide boomstammen.
De lucht is opgeklaard, de zon net verdwenen. Wolkenflarden in de bleke lucht kleuren licht oranje, het is waterig koud. Het voelt onwerkelijk, daar op de Godsakker, alsof ik meespeel in een film. Tegelijk is er, nog veel meer dan voorheen, het besef van eindigheid: hodie mihi cras tibi. Het zal vaker gaan gebeuren, denk ik. Een stem in mijn hoofd zegt: wen er maar vast aan.

0

EINDEJAARS INTERVIEW

Dagelijks

boom-ouder-wordenU bent dit jaar werkloos geworden…
In mijn jonge jaren noemden we dat baanloos. Ik heb geen baan meer, maar er is altijd voldoende werk te doen ook al krijg je er niet voor betaald.
Volgens sommige wetenschappers zijn zestigers zelfs de gelukkigste mensen. Wij hoeven niets meer en kunnen nog van alles. Ik hoef geen carrière meer te maken, een partner te vinden, enz. En ik heb twee geweldige kleinkinderen, die mij iedere keer om de hals vliegen.
Ik ervaar emotionele rust. Het is gemakkelijker te accepteren als iets anders loopt dan gedacht. De wereld vergaat dan niet.  Al moet ik hier direct aan toevoegen, dat er het afgelopen jaar diverse gebeurtenissen in de wereld zijn geweest die tot een tegenovergestelde gedachte leiden.

U hoeft niet meer zo nodig
Zo zou ik het niet willen formuleren. Je moet altijd streven naar beter, zo ben ik opgegroeid. Zelfs nu denk ik nog regelmatig: later wil ik nog dit of dat. Daar moet ik dan wel mee opschieten, dat weet ik. Ik heb onlangs nog een elektrisch  bedmatje voor mijn voeten gekocht. Kan ik iedereen met koude voeten aanraden. En ik heb  dit jaar een nieuwe fiets gekocht (geen elektrische). Dan vraag ik mij niet af of dit mijn laatste fiets zal zijn. Ik heb genoeg interesses en ambities.

Vandaar dat u zich zo fanatiek op het zingen heeft gestort?
Dat zijn uw woorden.
Toen ik de veertig was gepasseerd, kon ik me al niet meer als lid van de Elfstedenvereniging aanmelden. Ik heb het opgegeven om alle vogelgeluiden te leren kennen. Die beestjes schreeuwen toch altijd maar door elkaar heen. En waarom zou ik aan iets beginnen waar ik de ballen verstand van heb? Ik kan beter iets doen, wat ik al redelijk onder de knie heb. Het grote voordeel van zingen en schrijven is dat je er niet bij hoeft te praten.
En muzikaal gezien zijn er nog zoveel mooie dingen te doen. Mijn ontdekking van het afgelopen jaar is Juditha Triumphans van Vivaldi. Een oratorium met een actueel thema: de christelijke wereld  zegeviert over de Arabieren.
Het lijkt er overigens op, dat er een cultuurafbraak aan komt. Daarom hoop ik  dat minister Henk Krol volgend jaar de subsidies voor de bejaardenkoren (wat eigenlijk een pleonasme is) overeind weet te houden.

ouder-worden-bergmanNog geen tekenen van veroudering?
Ik ben tevreden over mijn gezondheid, al zou ik liever niet van oktober tot april een abonnement op een doorlopende verkoudheid willen hebben. Zangtechnisch is dat geen pré.
Ik merk de  veroudering wel, maar dat is niets nieuws. Het menselijk geheugen neemt na het 10e jaar al af en op mijn 25e ontdekte een vriendin de eerste grijze haar. Ik weet dat de kapper steeds minder werk aan mij heeft. Je wordt er niet mooier op als je ouder wordt.
Er is dit jaar wel iets gebeurd, waarvoor ik me ongelooflijk schaam. Ik heb voor het eerst van mijn leven een aanrijding veroorzaakt. Op weg in de auto keek ik bij een voorrangsweg niet uit, hoorde opeens een klap en een godverdomme en zag toen ik uitstapte een man die nog ongeschonden overeind krabbelde en een dubbel geklapte fiets waar ik met mijn voorwiel overheen was gereden. Het was nog voordat ik aan staar geopereerd werd. Nu heb ik een scherpere blik dan ik me ooit herinner. Maar goed, hoe betrouwbaar is de herinnering?
In tegenstelling tot mijn leeftijdsgenoten drink ik minder alcohol dan voorheen en het vlees laat ik ook meestal staan.

Hoe zo? Bang om eerder dood te gaan?
Ik reken mijzelf nu in ieder geval tot de categorie van mensen, voor wie het leven nog lang mag duren. Ik volg de discussies over de levenseindepil, maar ik kan me er weinig bij voorstellen. Ouderen zijn voor mij anderen.

4

ZINGEVING OP KERSTAVOND

Dagelijks

kerstbalAan het begin van de avond schuifelen de bewoners achter hun rollator naar een gemeenschappelijke ruimte. Blijmoedige vrijwilligsters duwen patiënten in rolstoelen en bedden naar een plekje in de volle zaal. Stramme bewoners, begeleid door familieleden, zoeken met een versteende blik naar een plaats. Op de eerste rijen zitten de dames in hun mooiste bloemetjesjurk, het grijze haar vers gepermanent, het boekje van de dienst in hun rimpelige handen vol aderen.

Op de vooravond van Kerstmis zingt ons kamerkoor Decibelle kerstliederen in een verpleeghuis in Utrecht, het Albert van Koningsbruggenhuis. We verzorgen de muziek in een  kerstdienst voor alle geloven.
Als wij binnenkomen steken wij de kaarsen op het altaar aan. We zingen Es ist ein Ros entsprungen.
De pastor, die zelf ook in een rolstoel zit, heet alle bewoners welkom. Hij rijdt zeer behendig over een plankier het altaar op. Alsof hij het levende bewijs is, dat je niet naar je beperkingen moet kijken, maar naar je mogelijkheden.
De dominee leest uit de bijbel en spreekt de bewoners toe. Dat het leven in het verpleeghuis niet gemakkelijk is, omdat het in het teken staat van afscheid nemen. Afscheid van gezondheid, afscheid van je dierbaren, in het licht van je eigen eindigheid. Zij benoemt dat dit leven eenzaam kan zijn. Dat er vragen naar de zin van het leven naar boven komen. En zij verbindt deze ervaringen met de boodschap uit het Evangelie. Dat wij er voor elkaar zijn en dat we elkaar kunnen helpen.
Dan staat ons koor op en zingt vierstemmig Nu sijt wellekome.
Het is niet goed te peilen hoe de bewoners de dienst ervaren. Sommigen houden hun ogen gesloten, de mond een beetje open. Anderen zingen zachtjes mee. Eén mevrouw roept herhaaldelijk: ‘Waar moet ik nu naar toe?’. Dan komt er snel een opgewekte vrijwilligster die een arm om haar heen legt. Een andere bewoonster zit hardop te huilen, waarop haar buurvrouw haar ergernis niet meer kan inhouden en uitroept: ‘Ga dan naar huis toe!’ Wij zingen Komt allen tezamen.
Na afloop van de dienst gaan de grote lichten weer aan en is er voor ieder warme chocolademelk en een plakje cake. De zaal stroomt al snel weer leeg.

kerststukjeHet lijkt een altruïstische daad om deze diensten met gezang op te luisteren. Maar voor de meesten van ons hebben deze diensten ook een betekenis. Velen zijn jaren geleden van hun geloof gevallen en gaan niet meer naar de kerk. Via deze achterdeur kunnen we nog een spirituele inhoud geven aan het Kerstmis van de grote Coca Colatrailer, de cadeautjes en de nostalgische sneeuwplaatjes. Zo hebben we ons eigen moment van overdenken. Bezinning op onze eigen zorgen, op de zin die wij aan ons leven geven, of op de vraag hoe wij zelf over 25 jaar oud zouden willen zijn.

Enkele jaren geleden werd de pastor wegbezuinigd uit het Albert van Koningsbruggenhuis. Vorig werd de gehele dienst Geestelijke Verzorging op deze locatie opgeheven. Daarmee kwam er een einde aan onze optredens in dit verpleeghuis.
Om niet in een gat te vallen zijn we zelf op zoek gegaan naar een alternatief. We omlijsten nu de kerstmaaltijd in het Bartolomeus Gasthuis in Utrecht. Dat is iets minder spiritueel, maar de waardering van de bewoners is net zo onpeilbaar.
Toen ik vanavond na het optreden naar huis fietste hoorde ik op van meerdere kanten het luiden van kerkklokken.
Kerstmis kan beginnen.

1

STAAR

Dagelijks

 

Ik heb slechts één oma gekend. Zij trok mij als peuter op schoot om mij te voelen met haar handen. Zij was op latere leeftijd blind geworden als gevolg van een niet ontdekte en uit de hand gelopen staar. Ouderdomsstaar heette dat.
Mijn eigen moeder was al in de negentig toen zij regelmatig liet blijken dat zij niet alles meer scherp zag. Zo kon zij op zonovergoten dagen verzuchten: ‘wat een grijze dag is het vandaag!’. Omdat haar geestelijke vermogens destijds sterk waren verminderd, was het voor ons niet duidelijk waar haar waarneming uit voortkwam. Totdat de huisarts adviseerde om de oogspecialist te bezoeken. Die constateerde een flinke staar op beide ogen. Toen zij hieraan geholpen was, bleef het verwachte effect van het sterk verbeterde zicht uit. Naar haar idee had zij altijd al goed kunnen zien.

staar-1Enkele maanden geleden liet ik mijn ogen meten bij de opticien. Ik gebruik een leesbril. Daarnaast was mijn vermogen om veraf te zien sterk afgenomen. Reed ik op de snelweg dan zag ik pas op het laatste moment of er Amsterdam of Rotterdam op het bord stond. En fietste ik in de stad dan groette ik vriendelijk een bekende, die – bij nader inzien – helemaal geen bekende bleek te zijn. Of andersom.
De opticien  vond het nog geen tijd voor een nieuwe bril. Zij raadde mij aan eerst langs de oogspecialist te gaan. Zij had een vermoeden van een beginnende staar.
Het betrof een gediplomeerde oogonderzoeker, een aardige vrouw met een betrouwbare uitstraling. Er was daarom eigenlijk niets wat mij zou doen twijfelen aan haar oordeel. Desondanks was ik ervan overtuigd, dat zij uit zekerheidsoverwegingen handelde. Risico’s uitschakelen is erg in de mode, schadeclaims voorkomen ook. En met het voorbeeld van mijn blinde oma in mijn hoofd kon ik haar geen ongelijk geven. Maar staar had ik natuurlijk niet, daarvan was ik overtuigd. Staar is iets voor oude mensen. Daar reken ik mezelf niet toe. (Hetgeen bijna een definitie is van een oudere, maar dit terzijde).
Vier weken later zat er een jonge vrouw in een spijkerbroek via felle lampjes in mijn ogen te turen. Met mijn hoofd vooruitgeschoven als in een hakblok, lag ik het oordeel van de oogspecialist af te wachten. ‘Aan allebei de kanten staar’, zei de jonge dokter, terwijl ze het hakblok wegdraaide. ‘Zal ik een operatie voor u inplannen’? ‘Laten we dat maar doen’ zei ik, ‘ik ben hier nu toch’.

20160927_143843Deze week was mijn eerste oog aan de beurt. ‘Welk oog?’ vroeg de verpleegkundige. ‘Het rechter’, zei ik. Vervolgens zette zij met viltstift een stip boven mijn linkeroog. ‘Het is mijn rechter’, zei ik met stemverheffing. Haar antwoord, ‘Oh dat komt omdat ik het met mijn rechterhand doe’, gaf niet onmiddellijk vertrouwen in een goed vervolg.
Mijn oog werd au-bain-marie voorbereid, in een badje van diverse medicijnen, waaronder cocaïne.
Er werd om de vijf minuten gedruppeld. Elke toediening werd afgevinkt, zoals de schoonmaak van openbare wc’s.  Alleen het laatste vinkje werd vergeten. Misschien wilde men bij mij de eigen regie bevorderen. Ook dat is nogal erg in de mode.
In de operatiekamer kreeg ik een doek over mijn gezicht met een uitsparing voor het rechteroog. Ditmaal had men de goede zijde gekozen. Al moet ik hieraan toevoegen, dat er natuurlijk een kans was van 50%. Men kon in de uitsparing een bouwputje maken, dat was wel knap. Daarna kreeg ik een fel licht in het oog, waarop ik mij mocht blind staren. Ik was weer even terug bij de psychedelische vloeistofdia’s uit de jaren zeventig.
Na afloop werd ik in een rolstoel teruggebracht naar de voorbereidingskamer, waarna ik als Lazarus opstond en het ziekenhuis uit wandelde. Dat was tegen de regels voor ooglijders, maar ik was er zeker van, dat ik met één oog net zo goed de bushalte zou kunnen bereiken. Dat bleek ook het geval, al had ik wat moeite met het inschatten van de hoogte van de stoepranden. Voor de zekerheid hief ik bij elke stoeprand mijn benen maar flink op, zodat het er uitzag als het Ministry of Silly Walks van Monty Python. Nog geen dag later had ik een ongeëvenaard scherpe en heldere blik in mijn oog. Ik kan niet wachten op de tweede operatie.

0

DE HOOGSTE VAN HET LAND

Dagelijks

domtoren-1In de zestiger jaren maakte ik Tacitusvertalingen in de schaduw van de toren. Ruim tien jaar later sliep ik op mijn studentenkamer, nog dichterbij, onder het doordringende geluid van het carillon. Buurtbewoners protesteerden tegen de nachtelijke decibellen. Nog weer later werkte ik op het Nicolaaskerkhof en keek ik uit op die machtige toren, die niet alleen het centrum, maar de gehele stad en omgeving domineert.
De Domtoren.
Utrechters zijn trots op hun toren, ze zijn ermee vergroeid. Zij voelen zich weer thuis als zij naar Utrecht rijdend de toren al van ver zien liggen. De hoogste kerktoren van het land is hèt kenmerk van de stad. Het komt terug in logo’s, souvenirs, gebakjes, kaarsen en wat al niet meer. Een bezoek aan Utrecht is niet af zonder een bezoek aan de Dom. Wordt Koninginnedag in Utrecht gevierd dan loopt het koningspaar onder de toren door. Doet de Tour de France Utrecht aan dan gaan de beelden van de renners onder de Dom de hele wereld over. Aas ik bove op de Dom stao is een van de bekendste en meest geliefde Utrechtse liedjes.
De Domtoren is al honderden jaren lang een landmark. Reizigers in voorbije eeuwen oriënteerden zich gemakkelijk op de toren. Het bouwwerk staat afgebeeld op talloze schilderijen.
Onder de naam Trots van de Stad wijdt het Centraal Museum in Utrecht een tentoonstelling aan de Dom (t/m 2 oktober a.s.).

De bouw van de toren duurde van 1320 tot 1382.  De oorspronkelijk geplande hoogte van 126 meter werd gaandeweg bijgesteld tot 112 meter. De bouw werd vooral gefinancierd met zogenaamde aflaten. Kerkgangers betaalden flinke sommen geld aan de kerk in de hoop, dat hun verblijf in het vagevuur daarmee bekort zou worden; een vorm van zakkenklopperij waaraan later door Luther een einde zou worden gemaakt.
De Dom, in de 14e eeuw als losse toren gebouwd, werd in de daaropvolgende twee eeuwen aan de Domkerk vast gebouwd. Lang zou deze verbinding niet duren, want in een zware augustusstorm in 1674 werd het middenschip van de kerk weggeblazen, net als de torens van enkele andere kerken in de stad. Alleen al omdat de Dom in dit natuurgeweld overeind bleef, is hij zijn positie waard. Medewerkers van het KNMI hebben overigens berekend dat de toren domweg geluk heeft gehad. De sterkste rukwinden gingen langs de toren heen.

domtoren-2Toen ik naar de tentoonstelling ging, had ik drie vragen.
1.    Welke ziener c.q. idioot heeft opdracht gegeven tot een voor die tijd disproportioneel hoge toren?
Dat blijkt het kapittel (het bestuur) van de Domkerk te zijn geweest. De geestelijken hadden in die tijd niet alleen geestelijke, maar ook politieke macht. De bisschop van Utrecht was een van de machtigste mannen van het land.
2.    Waarom wilde men zo’n hoge toren?
Het antwoord op deze vraag is simpel: om de almacht te tonen. De mannen van het kapittel moesten laten zien wie de grootste heeft. We hebben de Dom dus te danken aan machtswellust. Eigenlijk zijn we in Utrecht trots op een fallus.
3.    Wat vond de bevolking van de bouw?
Het antwoord op deze vraag is niet overgeleverd. Aan het volk werd immers niets gevraagd in die tijd en zij hebben het zelf niet opgeschreven.
De theoloog en jurist Geert Grote, die bekend stond om zijn pleidooien voor een eenvoudiger geloofsbeleving, was een van de weinige criticasters. Grote vond het een zondig bouwsel, voortkomend uit ijdelheid en praalzucht. De man, die in deze kwestie zijn achternaam niet mee heeft,  had natuurlijk groot gelijk.
Toch is het maar goed dat er niet naar hem is geluisterd.

1

WAAR IS VLEUTEN GEBLEVEN?

Dagelijks

Je kunt iemand in Vleuten nog een ansichtkaart sturen. Maar je kunt er niet meer geboren worden. Vleuten is opgegaan in Utrecht. Het is geen gemeente meer, geen dorp, geen wijk. Wat is Vleuten dan wel?

Halverwege de vorige eeuw was Vleuten niet veel meer dan een kruispunt van wegen, tien kilometer ten westen van Utrecht. Er stonden twee kerken, twee scholen, zeker vijf cafés en een aantal oude boerderijen. Mijn geboortehuis stond even buiten het dorp tussen de weilanden en de boomgaarden. Omdat het dorp in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden gingen de monumentale boerderijen in de kern van het dorp tegen de vlakte en werd de ene  na de andere nieuwbouwwijk uit de grond gestampt. Binnen tien jaar was ons vrij gelegen huis aan alle kanten omgeven door nieuwe huizen. Ondanks deze uitbreiding was het streven om Vleuten kleinschalig te houden. De gemeente verzette zich tegen groeiscenario’s zoals in Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. Dat lukte enkele decennia lang en toen ging het dorp alsnog voor de bijl. En hoe. Vleuten en de Meern werden opgeslokt door de grootste Vinexlocatie van Nederland, Leidsche Rijn. Deze ‘wijk’ nadert nu zijn voltooiing. Over enkele jaren zullen er bijna 100.000 mensen wonen.

Als ik vanuit de bestaande stad Utrecht het Amsterdam-Rijnkanaal oversteek kom ik in een woud van nieuwe huizen terecht, dat zich naar alle kanten uitstrekt. Langs straten met namen als Ivoorzwamhof, Zuiderbreedte en Jazzsingel rijgen de eengezinswoningen zich in schier oneindige aantallen aaneen. Heterogeen in stijl, kleur en hoogte, homogeen in hun nieuwe uitstraling. Jonge planten omlijsten de paadjes naar de voordeur. Vitrage en jaloezieën beletten de inkijk. Ik zie afvalcontainers, hondenuitlaatplaatsen en klimrekken.
Er is veel groen en veel water. Waar eens tuinderijen en kassen lagen, liggen nu de vlindertuin, de Japanse tuin en de speeltuin, onderdelen van het grootse Maximapark. Op de in Nederland schaarse ruimte is hier niet bespaard. Hoe langer ik fiets, hoe minder houvast ik heb. Het is een overdaad aan nieuwe huizen, waarin ik me verloren voel. Ik mis bakens als kerktorens, molens of schoorstenen. Ik zie weinig mensen op straat. Ik denk dat ik vroeg naar bed zou gaan, als ik hier zou wonen.

En waar is het dorp Vleuten gebleven?
Zoals mijn ouderlijk huis in de zestiger jaren is ingebouwd, zo ligt het oorspronkelijke dorp Vleuten nu ingeklemd tussen de nieuwbouwwijken, zonder identiteit en zonder grenzen. Het is niet verdwenen zoals sommige Franse dorpen onder de oppervlakte van een stuwmeer. Het is een plantje dat overwoekerd is door nieuwe uitheemse soorten. Een kleur die vervloeit omdat er teveel andere kleuren bij gemengd zijn.
Er staan nog steeds twee kerken en er zijn wat winkels. De woninginrichters en doe-het-zelfzaken doen het hier blijkbaar goed, net als de shoarmatenten en fysiotherapeuten. Het oude gemeentehuis is een eethuis geworden, het Verenigingsgebouw een meubelzaak. De winkeliersvereniging probeert de moed erin te houden. In augustus was er de Braderie en volgende maand wordt een Tiroler Oktober Festijn gehouden.
Op Facebook worden in de groep Je bent Vleutenees als…. oude en nieuwe foto’s uitgewisseld op zoek naar de identiteit van Vleuten. De historische vereniging houdt avonden over ‘de rijke geschiedenis van Vleuten’.

Ik weet het, er zijn nieuwe huizen nodig, nieuwe wegen en spoorbanen. Zo gaan de ontwikkelingen. Mijn geboortedorp is verdwenen. De naam Vleuten bestaat nog, maar er is geen woord meer om aan te duiden, wat Vleuten nu is.