Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

TECH EN GADGETS

Dagelijks

Dagelijks tussen 16.30 en 18.30 wordt op Radio 1 het nieuwsprogramma Nieuws en co uitgezonden, ofwel de Grote Lara Rense Show. Er is een vaste rubriek over technologische ontwikkelingen. We worden daarin bijgepraat over de nieuwste apps. Apps, die Lara zelf ook zo ontzettend kek vind. Of over breinimplantaten die de wereld voorgoed zullen veranderen.
De rubriek wordt door Lara steevast aangekondigd als ‘uw dagelijkse portie tech en gadgets’. Alsof ik als luisteraar hongerig aan het toestel gekleefd zit en met een kwijlende bek ongeduldig zit te wachten tot iemand mijn bak volgooit.

Dit jaar zag ik voor het eerst in mijn omgeving verschillende mensen met een FitBit. Het ziet er uit als een horloge, maar het kan behalve de tijd nog veel meer meten: je hartslag, het aantal stappen per dag (inclusief traptreden) en je stress-niveau gedurende de dag. Bovendien kan je zien of je slaap van voldoende kwaliteit is geweest. ‘In de Sensitive stand detecteert de Fitbit nagenoeg alle bewegingen als wakker of rusteloos. Deze stand kan fijn zijn voor gebruikers die het gevoel hebben futloos wakker te worden, terwijl hun tracker aangeeft dat ze voldoende geslapen hebben die nacht. Aldus de website Smart Health Review. Het OLED scherm zorgt er bovendien voor, dat je connected blijft met je smartphone.

Voor wie door de bomen van alle vernieuwingen het bos niet meer ziet, heeft de Volkskrant een handig lijstje van de gadgets van 2017.
Is de kwaliteit van de slaap niet zo goed, dan is de Somnox Slaaprobot misschien iets voor jou. ‘Dit wezentje nestelt zich lepeltje-lepeltje tegen u aan en ademt u vervolgens zachtjes naar dromenland. Het kan ook slaapgeluidjes maken en liedjes laten horen’. Helaas ontbreekt nog een functie die negatieve gedachten opspoort en tegengaat. Ik denk daarom dat ik nog maar even wacht met de aanschaf tot het product is uitontwikkeld. Of gebeurt dat tegenwoordig niet meer?
De robot, we kunnen er niet meer omheen. ‘Robots begonnen dit jaar ineens spectaculaire capriolen te maken. Soepeltjes op een tafel springen, achterwaartse salto’s maken, dat werk’. Dat lijkt me wel handig als ik net rustig de ochtendkrant zit te lezen. Dat ie bovenop mijn kop koffie springt. Moet ik dan een straf uitdelen of eerst maar eens een gesprek met hem voeren, wat zou het beste werken?
Helemaal 2017 is natuurlijk de Antiminer S9, een machine die bitcoins delft. Je moet wel even investeren, de aanschafprijs ligt rond de 5000 euro, maar dan kan het verdienen beginnen: tenminste een paar tientjes per dag. Een machine die automatisch geld genereert, wie wil dat niet! Er is wel een minpuntje: het apparaat maakt veel lawaai en wordt loeiheet. ‘Het is zo’n beetje het milieubelastendste gadget op aarde’. Misschien moet ik dan toch maar op zoek naar leuke gizmo’s met een hoog fun-gehalte.

Tja. Het beste is natuurlijk om deze gekkigheid maar gewoon voorbij te laten gaan. Maar ergens blijf ik dan wel met een zorg zitten. Ik heb ooit een smartphone gekocht, niet omdat ik nu zo graag een nieuw toestel wilde om mee te bellen, maar uit angst dat ik de boot van de technologische vooruitgang zou missen. Kan ik nog wel meekomen straks?

Ik zie mezelf al zitten over pakweg 10 – 15 jaar. Mijn strijkbout vertoont aan alle kanten kuren en als mijn kleinkinderen mij zo zien modderen, roepen ze vertwijfeld uit: ‘je kunt toch die zelfstrijkende robot nemen, die zijn helemaal niet duur hoor’. En dat ik dan moedeloos mompel: ‘wat moet ik met zo’n nieuw apparaat, alleen al de gebruiksaanwijzing is zo ingewikkeld, dat ik er niets van begrijp’.
‘Gebruiksaanwijzing, opa! Hallo! Dit is de eenentwintigste eeuw!’

1

DE REÜNIE

Dagelijks

Herinneringen verdwijnen naarmate de tijd voortschrijdt. Uitgezonderd de emotionele belevenissen zitten onze ervaringen na tientallen jaren zo diep opgesloten in het geheugen dat deze nauwelijks nog op te halen zijn. Zitten ze er eigenlijk nog wel?
Dit voorjaar ontving ik een mail van het KRO-NCRV-programma De Reünie. In dit tv-programma ontmoeten oud-klasgenoten elkaar sinds lange tijd weer. Men vroeg mijn medewerking aan een uitzending over klas 1D van het Bonifatiuslyceum in Utrecht in 1964. Mijn eerste klas van de middelbare school.

1964, het is meer dan vijftig jaar geleden. Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van de lengte van deze tijdsspanne. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Het is zo lang geleden, dat mij uit deze klas slechts één herinnering voor ogen staat. Die heb ik eerder hier beschreven. Ik heb ook nog maar één vaag fotootje, waarop je kunt zien hoe ik tijdens een klasseavond met drie klasgenoten een beatbandje imiteer (zie hieronder, mijn hoofd uiterst rechts).
Toen ik probeerde namen terug te halen van klasgenoten, kwamen er slechts drie bij mij boven. Uit de lijst die ik daarna van de Reünie ontvang herkende ik nog een paar namen, maar bij de meeste leerlingen had ik geen enkel beeld, geen enkele herinnering. 1D was een brugklas. Na het eerste jaar vertrok het grootste deel naar de HBS, die in een ander gebouw gehuisvest was. De meeste klasgenoten heb ik na dat jaar nooit meer gezien of gesproken.
Mijn interesse was echter wel gewekt, ik ging namen googelen en stuitte op twee verrassingen.
Ik zat in de klas bij ene Henk R. Vaag komt bij deze naam het beeld van een donkere jongen op. Het blijkt dat Henk nu een van Neerlands meest beruchte criminelen is. Mijn zonen kennen hem als de Zwarte Cobra uit de misdaadprogramma’s van Peter R. de Vries.
Verder zag ik tot mijn verbazing de naam van Rob Plijnaar op de lijst. Ik ken Rob uit de negentiger jaren, hij was de buurman van vrienden. We kwamen elkaar twintig jaar geleden nog wel eens tegen, maar geen van beiden hebben wij toen beseft, dat we ooit in dezelfde klas gezeten hebben. Dertig jaar is al genoeg om herinneringen te vervagen.
In mijn eigen archief vond ik een incomplete verzameling van het leerlingenblad Stemmen. Van klas 1D heb ik nog een Godsdienstschrift en een Herbarium. Wie wat bewaart, die heeft wat. De bladeren zijn inmiddels goed opgedroogd.
Eigenlijk was er nog een derde verrassing. Hoe vaker ik de leerlingenlijst bekeek, hoe meer herinneringen er naar boven kwamen. Opeens zag ik bij de naam Anton een lange jongen met blond haar. En uit het niets kwam de herinnering dat Geke en ik op dezelfde dag geboren zijn. Op 18 januari 1965 werden we allebei 12½ jaar. We vierden dat in de pauze met een zakje drop bij de drogist in de Nobelstraat.
Omdat er te weinig leerlingen opgespoord zijn heeft de Reünie nog de medewerking gevraagd van enkele meisjes uit een parallelle brugklas. Toen dook opeens de naam van Charlotte op, het meisje van mijn eerste zoen, waarover ik eerder schreef.

Zo blijken diep weggezakte herinneringen voor een deel weer naar boven te halen. Door te zoeken in spullen van toen, door ermee bezig te zijn. Dat maakt het ophalen leuk en verrassend. Alsof je weer even terug bent in de tijd en een verloren gegaan stukje van jezelf ontdekt.
Voor de opname van het programma was een dag in juli uitgekozen die midden in mijn vakantie viel. Omdat de programmamakers mij er graag bij wilde hebben, bood men aan om mij een dag uit IJsland te laten overvliegen. Dat had ik er niet voor over. Mijn bijdrage is daarom beperkt gebleven tot de voorbereidingen.
Voor wie geïnteresseerd is: op donderdag 9 november a.s., 20.30 uur, wordt het programma uitgezonden, NPO 1. Over wat het leven de 12-jarigen gebracht heeft en wat er is uitgekomen van hun dromen.

1

FEESTEN EN STUDEREN

Dagelijks

Deze corpsballen komen in dit stuk niet voor

In onze buurt is er vijf keer per jaar een buurtlezing. Dan houdt een buurtbewoner een spreekbeurt over zijn werk, hobby of interesse. Vorige week werd de lezing gehouden door de studenten van een huis van het Utrechtse Studenten Corps. Het zijn onze achterburen.
Onze contacten met hen zijn beperkt. De corpsballen gooien regelmatig een briefje door de bus met de aankondiging van een borrel of feest. Wij roepen af en toe over de schutting of de muziek wat zachter mag. Ooit riep het zoontje van onze huisgenoten: ‘Korfballen! Jullie stinken naar wijn!’.
Door de jaren heen zijn er diverse acties van buurtgenoten geweest om de geluidsoverlast te beperken. De verontschuldiging was steeds dat men helaas teveel had gedronken. Of het nu door de laatste buurtactie komt of door een betere opvoeding, de corpsstudenten van nu houden wat meer rekening met de buurt.

Samen met zo’n 25 buurtgenoten schuif ik voor de lezing aan in de achterkamer, waar wij vanuit onze huiskamer op kijken; de achterkamer, die enkele jaren geleden tot discotheek (zonder vergunning) is omgebouwd. Het publiek is grotendeels van mijn leeftijd, mensen die naar mijn inschatting hun studie op andere wijze hebben ingevuld dan de corpsballen.
De jongens ontvangen ons hartelijk. Ze doen geen enkele moeite om zich beter voor te doen dan ze zijn. Het is een rommel in huis, ze lopen met een biertje in de hand, het witte overhemd hangt slordig uit hun broek, er zijn hoge koelkasten, alle tot de nok gevuld met alleen maar flesjes bier. De eerste dia van de powerpointpresentatie is een foto van de huidige groep bewoners, naakt, met een fles voor hun leuter, zoals de jongeheren hun piemel noemen. Schaamtegevoel kennen ze niet, ze zijn met een groep.

de vrijwillige strandwacht bij paal 17 op Texel

Een van de jongens vertelt over het huis en de activiteiten: een schier oneindige rij van festiviteiten zoals huisdiners, reünies en borrels. Er is een jaarlijkse dag voor de ouders, een dag voor oud-bewoners, een weekend in het buitenland, bezoeken aan het gezin van de nieuwe bewoners (‘nestcontrole’) enz. Om het door het Groningse Vindicat beschadigde imago van de corpsbal wat op te vijzelen vertelt men verder over goede-doelen-acties, sponsorlopen en vrijwilligerswerk als strandwacht op Texel. Het leven van de corpsstudent bestaat uit regels, rituelen, structuur en hiërarchie.

In de pauze lopen wij door het huis, door duistere gangen waar de muren met verfspuiten zijn voorzien van versieringen, langs toiletten met naaktfoto’s van corpulente dames, langs een keur van verkeersborden die uit de openbare ruimte zijn meegenomen en over groezelige trappen, waar de handen blijven plakken aan de leuning. De kamers zien er uniform donker, ongezellig en chaotisch uit: hier komt men alleen om te neuken en te slapen.
Iedere jongen woont hier vijf jaar. De nieuwelingen beginnen onder aan de ladder met uitvoerende taken. Hoe langer in huis, hoe meer je te vertellen hebt. Feitelijk krijgen de bewoners naast hun studie een informele opleiding evenementenmanagement. Ze leren organiseren, plannen, leiding ontvangen en leiding geven. Wie nog wat schuchterheid meebrengt leert dat snel af. Het is een ouderwetse cultuur, een hechte gemeenschap in een individualistische maatschappij, een gigantisch rollenspel.
‘Het is niet mijn wereld’, zegt een van de buurtbewoners en ik knik instemmend. Maar als ik kijk naar mijn eigen zoektocht tijdens mijn studietijd vind ik het jammer dat ik destijds niet zo’n soort houvast gevonden heb. En misschien had ik ook wel eens uit de ban wil springen met een fles voor mijn leuter. In iedere man schuilt een corpsbal. In iedere corpsbal schuilt een brave burger.
De jongens kunnen zich vijf jaar lang ongegeneerd als kinderen uitleven voordat de verantwoordelijkheid van gezin en baan roept. Voor hen is geen SIRE-campagne nodig. Zij hebben de tijd van hun leven.

1

KLASSIEK VIERT DE ZOMER

Dagelijks

TV kijken doe ik bijna nooit, maar toen ik een aankondiging zag van een programma over een muziekfestival in de Zwitserse bergen kon ik er niet meer onderuit. Barokmuziek en bergwandelen, veel mooier bestaat er niet. Ik pakte er wat strijkwerk bij, zodat ik mijn tijd nuttig kon besteden.
In Klassiek viert de zomer trekt NTR-presentator Floris Kortie langs muziekfestivals in Europa. Elke uitzending volgt hij enkele Nederlandse bezoekers. Zo maken we in het begin van deze uitzending kennis met de sympathieke zestigers Huib en Judith. Hij is huisarts, zij werkt als vrijwilligster in de kerk. Uitkijkend over de Aletschgletsjer vertellen zij, dat klassieke muziek altijd een belangrijke rol in hun leven heeft gespeeld. De muziek geeft hen troost en rust, zeker ook in tijden van verdriet.
We zien nostalgische plaatjes van het bergdorp Ernen en omdat Huib ook zo heerlijk rustig wordt van tuinieren zien we hem geheel ongedwongen in het tuintje van zomaar een Zwitser schoffelen. Natuurlijk is ook Floris achter zijn microfoon vandaan gekomen om mee te wieden.
Dan zien we even een flits van Andreas Scholl in het Stabat Mater van Vivaldi. De camera zoomt hier in op Huib en Judith. Zien we een spoor van emotie? Het verhaal over de moeder, die treurt om het verlies van haar zoon, dat raakte, dat kwam echt binnen, vertelt Judith, boven op een bankje in de bergen. De wandelstokken staan tegen de leuning, we horen het gebeier van koebellen.
Terwijl ik wacht op meer muziek zie ik dat Floris op bezoek gaat bij een Nederlandse theorbespeler, Mike Fentross. Hij studeert samen met een harpiste in het portaal van het Zwitserse kerkje voor de wijd openstaande deuren. De cameraman maakt sfeervolle beelden van het berglandschap achter de musici. Oefenen voor open kerkdeuren is heel normaal onder musici.

Dan komt het drama. Mike hoorde vlak voor het concert in Ernen, dat zijn vader overleden was. We zien beelden van houten kruisbeelden op het kerkhof. Fentross is desondanks in Zwitserland gebleven om op te treden en Kortie hangt natuurlijk aan zijn lippen om te vragen wat de muziek op dat moment voor hem betekende. De musicus antwoordt op vlakke toon, ‘dat hij het een goede ervaring vond’.
Nog een flits Vivaldi. We keren weer terug bij het echtpaar. Het verhaal van het Stabat Mater is voor hen heel herkenbaar. Zij hebben het afgelopen jaar veel verdriet gehad om een zoon.
De schouderstukken van een overhemd gladstrijkend wordt het me plotseling duidelijk waar deze uitzending over gaat. Muziek geeft troost, het echtpaar heeft verdriet, er is iets met een zoon. We groeien naar een climax toe.

Musikdorf Ernen

Aarzelend vertelt het echtpaar: er is iets, iets wat zij nooit verwacht hadden, zij waren totaal ontredderd. Hun zoon is in detentie genomen. Even denk ik nog aan een psychiatrische opname of iets met quarantaine, maar nee, het is echt waar, de zoon zit in de gevangenis. Een groot verdriet voor het echtpaar, maar een geluk voor de documentaire. Zo’n keurig, hoogopgeleid, weldenkend stel heeft een zoon die al een jaar in de bak zit. Ik strijk opeens diverse vouwen in mijn hemd.
Vivaldi is verdwenen, mijn vragen over het festival, over de groepen die er spelen, over de muziek, ik ben alles allang vergeten en wil nog maar één ding weten: wat heeft die zoon uitgevreten?
Dan zegt Floris Kortie: ‘ik hoef natuurlijk niet te weten, wat daar precies gespeeld heeft, maar ik ben wel heel benieuwd wat dat voor jullie teweeggebracht heeft’.
In het laatste beeld wandelt het echtpaar weg, ze geven elkaar geheel ongedwongen een hand. De vertrouwde wandelstokken konden zij voor dit shot even niet gebruiken.
Klassiek viert de zomer: wat een feest! 1 Minuut klassieke muziek, 24 minuten emotie.

0

HOOG BEZOEK

Dagelijks

Onze kleine stadstuin mag zich de laatste tijd in een toenemende belangstelling van diverse diersoorten verheugen.
Vogels weten altijd al onze tuin te vinden. Spinnen hebben we ook veel, heel veel. Als je een dag je fiets laat staan is ie ingekapseld in een web. En als ik in de tuin werk, wat heel soms wel eens gebeurt, dan kan ik schrikken van een glibberige, geelbruine pad die opeens onder een varen vandaan springt. Die pad is een huisvriend, hij zit er al meer dan twintig jaar. Of het is een nakomeling, ik weet niet hoe dat bij padden werkt. Ik zie er altijd maar één.
Nadat we een weekje weg waren geweest en ook onze kat Youri zoveel dagen vakantie had opgenomen, zagen we dat een van die moderne buurtkatten ons toch al niet florissante gazonnetje als poepdoos had uitgekozen. Bij onze thuiskomst lagen er zes drollen verspreid over het gras. Aan kleur en vorm was te zien, dat de verwende kat elke dag een andere delicatesse voorgeschoteld krijgt. Vanaf dat moment zijn wij dagelijks met cayennepeper en koffiedik in de weer.

Het bijenvolk in onze pruimenboom

Vorige week ontvingen we niet eerder geziene gasten. Wij hoorden op een middag een onbekend zoemend geluid. Alsof een Poolse schilder ergens een gemankeerde schuurmachine gebruikte. Of een centrifugerende wasmachine aan de wandel ging. Buiten gekomen zagen we duizenden insecten rond onze pruimenboom zoemen. Het zag zwart van de heen en weer schietende beestjes, een apocalyptische aanblik. Birds van Hitchcock in een mini-uitgave.
Geleidelijk aan vormde zich aan een van de hoogste takken een donkergekleurde kluit, een soort zak die in de boom hing. ‘Dat moet een bijenvolk zijn’, zei ik tegen G., bijna fluisterend. Ik was bang dat hard praten tot agressie van het volk zou leiden.

Nu wil het geval dat ik op een zangkoor naast een gepensioneerde bas sta, die in zijn vrije tijd imker is. Toen ik vorig jaar een keer met hem meereed heeft hij mij alles verteld over de bijtjes, over volken die zich splitsen, de oude koningin en de nieuwe koningin en de laatdunkende rol van de darren. Ik kan het niet meer navertellen, maar weet wel dat hij soms wordt gebeld als zich bijenzwerm op drift is en zich in een tuin van een argeloze burger heeft genesteld. Dan zorgt hij er op wonderbaarlijke wijze voor dat het volk in een mand verdwijnt en neemt hij de hele kluit mee.
Terwijl G. uit voorzorg alle ramen sloot, je moet er immers niet aan denken dat zo’n oude koningin per ongeluk door een bovenraam naar binnen vliegt en de duizenden onderdanen haar volgen, belde ik E., de imker. Hij kon dezelfde dag nog komen. Maar eerst moest ik nog op zoek naar een hoge ladder.
Ongeluk en tegenslagen zorgen voor verbinding, zo merkte ik op mijn rondgang in de buurt. Mijn verhaal lokte alom medeleven uit, maar pas op het tiende adres trof ik een bewoner met een uitschuifladder. Dat soort bewoners moet je koesteren.
De ladder was hoog genoeg, maar de tak waaraan het bijenvolk zich had opgehangen oogde te dun en de tak die stevig genoeg was om de ladder te dragen was te ver weg, zo zag E. direct al bij zijn aankomst. Onverrichter zake keerde hij naar huis terug.
En dus zat er voor ons niets anders op dan wachten totdat er een Mozes zou opstaan en het volk zijn biezen zou pakken. ‘Tussen twaalf en twee, dat is meestal de tijd dat ze doortrekken’, zei E. Even had ik nog de fantasie, dat die bejaarde pruimenboom zo lekker zou zijn, dat de oude koningin die tak tot haar permanente residentie zou willen maken. Misschien zouden de bijen dan ingezet kunnen worden om rondpoepende buurtkatten te weren. Maar de volgende dag, in een onbewaakt ogenblik, nog voor de klok twaalf uur geslagen had, was het volk weer vertrokken. Een dag later plaatste de Utrechtse Internet Courant bovenstaande foto van een fiets in de Loeff Berchmakerstraat.

1

DUITSLAND

Dagelijks

Wij rijden op de Autobahn en onze Ausdauer wordt flink op de proef gesteld. Op precies 470 plaatsen wordt deze zomer aan de weg gewerkt. Met de onvermijdelijke files als gevolg. Nu weet ik wel, dat het voor mijn eigen bestwil is. Volgend jaar kan ik op deze wegen weer onbekommerd doorsjezen. En elders in een file belanden.
Op één plek zijn zware machines bezig om het oude betonnen wegdek te verwijderen. Ik moet onvermijdelijk aan Adolf Hitler denken, de man die deze brede verkeersbanen heeft aangelegd, zodat zijn legers snel konden oprukken.
‘Het is een boef’,  zei een vriendje op de lagere school tegen mij, ‘hij heeft aan elke arm wel zeven horloges’. Dat kon geen zuivere koffie zijn, zoveel was duidelijk. Later bleek, dat niet alleen Hitler slecht was, maar heel Duitsland. Het was een gemeen volk, dat je moest mijden. Moffen waren het. Wij maakten grapjes: wat is de naam van Hitler in het Russisch en in het Chinees? Tijdens de voetbalfinale Engeland – Duitsland in 1966 zeiden mijn ooms: ‘Als die rotmoffen maar niet winnen’. Blijkbaar dacht de Russische scheidsrechter er ook zo over, getuige een onterecht aan Engeland toegekend doelpunt.
Op het gymnasium kreeg ik Duitse les van juffrouw de Jong, bijgenaamd Mina, een lerares van de oude stempel. Zij had een zenuwtic. Hoe onrustiger de klas , hoe meer zij op haar onderlip kauwde. Met een strak regiem stampte ze de grammatica erin, aan politieke kwesties waagde zij zich niet. Engels was voor ons de taal van de toekomst, Frans van de cultuur, Duits van een verderfelijk verleden. Wie een Duitser nadeed sprong in een militaire houding: ‘Jawohl, Herr Oberleutnant!’

Toen wij in later jaren op vakantie door Europa trokken, meden we Duitsland. Dat was een suffe, autoritaire maatschappij, waar zelfs een klein stationnetje Hauptbahnhof werd genoemd. Waar de te dikke, eigengereide bewoners in Lederhosen hun Strammer Max met grote kannen bier wegspoelden. Duitsers waren lichtsignalen gevende bumperklevers en luidruchtige toeristen. Toen wij eens op een Zweedse camping een mooi plekje aan een meer hadden, zagen wij bij terugkomst van een wandeling tot onze ontzetting dat een stel Duitsers hun bungalowtent nog net tussen die van ons en het meer gepropt hadden. Van Wiedergutmachung was geen sprake.
West-Duitsland was destijds in onze ogen de vazal van het kapitalistische Amerika. Er was een linkse studentenbeweging, maar die schoot al snel door. Anti-autoritaire opvoeders waren zelf autoritair in hun principes. Politiek verzet gleed af naar gewelddadige methoden. Oost-Duitsland kon aanvankelijk nog wel op enige sympathie rekenen totdat de verhalen over onvrijheden, Stasipraktijken en georganiseerde doping dat beeld snel verbleekten.
Toen viel de Muur.
Ik vind dit nog altijd een van de mooiste politieke ontwikkelingen die ik in mijn leven heb meegemaakt. Beelden van het weghakken van het gehate beton bezorgen me ook nu nog een brok in de keel. Voor het eerst leefden we mee met het Duitse volk.
Het beeld van Duitsland kantelde de afgelopen jaren. Positieve ontwikkelingen sijpelden door het vastgeroeste afwijzen. Het besluit de kerncentrales te sluiten. De strijd tegen doping in de sport. Het geld dat men voor cultuur over heeft. De inzet voor samenwerking in Europa. De bereidheid om vluchtelingen te ontvangen. Zelfs Angela Merkel, niet iemand van mijn politieke richting, oogt sympathiek. Op de toiletten in de Raststätten hangen nu reclames van de organisatie Deutschland Hilft.
Wel jammer trouwens van die sjoemelsoftware. En bumperkleven hebben de Duitsers ook nog niet afgeleerd.

1

HET NIEUWE INZAMELEN

Dagelijks

Al jaren brengen we papier, tuinafval en glas naar het afvalscheidingsstation. We dumpen zonder morren het plastic afval in een container in de buurt. Nu vraagt, of beter gezegd: verplicht, de gemeente Utrecht haar burgers om ook het restafval zelf af te voeren. Daartoe worden containers in de buurt geplaatst.
De gemeente heeft het Nieuwe Inzamelen goed voorbereid. Afgelopen halfjaar ontvingen wij maar liefst vier maal een Wijkbericht, waarin de plannen voor ondergrondse containers voor restafval uitgebreid werden toegelicht en onderbouwd. De communicatie met de burger is een immers een gevoelig onderwerp. De gemeente kan niets meer doen zonder raadpleging van betrokken burgers.
In dit geval bleek de plaats van de containers een onderwerp van discussie. Want ja, wie wil er een container voor zijn huis met risico op lawaai, rommel en stank? Op dit punt moesten de plannen hier en daar worden aangepast. Over de definitieve locaties moest nog worden besloten.

Als wij op 10 juli terugkeren van vakantie vinden wij een nieuw Wijkbericht. Het is zover. In onze buurt zijn de containers geplaatst. Vanaf 26 juni wordt er geen restafval meer opgehaald.  We pinken even een traan weg. Een tijdvak is afgesloten, nooit meer een grijze zak aan de rand van de stoep. Het Nieuwe Wegbrengen gaat beginnen.
In het bericht kunnen we van alles lezen over de soort containers en over afval scheiden. Eén ding is helaas niet vermeld, namelijk wààr de containers zijn geplaatst. Wie meer informatie wil  wordt verwezen naar de site van de gemeente Utrecht. ‘Daar vindt u ook de overzichtstekening van de locatie van de ondergrondse afvalcontainers’. Na enig zoeken vinden wij inderdaad een mooie kaart waar voor elke wijk en alle soorten afval staat aangegeven waar de containers staan, op één soort afval na: het restafval. Vervuld van ongeloof, lezen we alle informatie nog eens een tweede keer door, in de veronderstelling dat wìj iets over het hoofd hebben gezien. Maar nee, de locaties blijven onvindbaar.
Bij vragen kunnen we aldus het Wijkbericht contact opnemen met de projectleider. ‘Hij is elke dinsdag van 9.00 – 11.00 uur aanwezig om al uw vragen te beantwoorden’. Dat treft, we zijn juist op dinsdagmorgen aan het zoeken. Je voelt ‘em al aankomen: deze man is op de vermelde tijd in geen velden of wegen te bekennen. Wij leggen de hoorn neer en roepen vertwijfeld uit: ‘Vuilnisman, kan deze zak ook mee?’

Wat is hier misgegaan? Uit zeer nabije en betrouwbare bron weten wij dat ambtenaren goedwillende, hardwerkende en altijd drukke medewerkers zijn. Maar het lijkt erop dat er een cultuur heerst waarin drukte de verontschuldiging is voor het niet-bereikbaar zijn, het niet beantwoorden van mails e.d. Wordt er wel genoeg aan time-management en prioritering gedaan? En terwijl elke uitgave van de gemeente vier parafen nodig heeft, lijkt dit bericht zonder enige controle of double-check de deur uitgedaan.
Omdat we dit vaker meegemaakt hebben, laten we ons niet uit het veld slaan. We bellen het centrale nummer van de gemeente en worden doorverbonden met een frontofficemedewerker die alles van afvalverwerking weet. We vragen of zij voor ons de locatie kan opzoeken. De medewerker verontschuldigt zich voor het gemankeerde Wijkbericht en legt uit dat alles nog in ontwikkeling is. Als wij voor de tweede keer vragen of zíj dan tenminste kan nakijken waar wij met onze vuilniszak naar toe kunnen, moet ook zij het antwoord schuldig blijven.
Rest ons nog één vraag. Wij vinden dit wijkbericht 14 dagen na verspreiding. Zou er nu in die twee weken niemand anders uit de wijk hebben gebeld om naar  de locatie te informeren en heeft dan niemand bij de gemeente dit signaal opgepikt? Het antwoord komt snel: fietsend door de wijk zien we de containers vanzelf staan.

0

VADERSCHAP

Dagelijks

Toen in het begin van de tachtiger jaren de relatie met G. vastere vormen begon aan te nemen – ook al omschreef ik haar nog lange tijd als ‘de vriendin met wie ik het meeste omga’  – was ik degene, die als eerste begon over een kind. (Let op het enkelvoud.)
We zaten op een zaterdagavond achterin het Pandje, destijds de enige kroeg in Utrecht die nog na één uur open was. Het was er overvol en we keken vanaf ons bankje tegen de lijven van de staande drinkers aan. Het was  niet bepaald een omgeving die uitnodigde tot een gesprek over een kinderwens. Dat ik het onderwerp aansneed kwam meer voort uit een opwelling dan uit voorbedachte rade. We concludeerden vrij snel dat het ons ‘wel leuk’ leek om een kind te hebben. Ik geloof niet dat we veel verder zijn gekomen in een onderbouwing van dit verlangen.
Vrienden die vader geworden waren vertelden mij, dat het fantastisch was om te zien hoe een klein kind zich ontwikkelt. Maar ook, dat je wat inlevert: minder uitgaan en minder mogelijkheden tijdens vakanties.

Toen G. voor de eerste maal zwanger was, las ik het boek Baby en Kind en pufte ik driftig mee tijdens de zwangerschapscursus. We wilden het vooral samen doen. Van een mentale voorbereiding op het vaderschap was geen sprake. Vader word je door ervaring. Dus toen onze eerste baby eens uren aan het huilen was en niet getroost kon worden, liet ik in mijn machteloosheid ook mijn eigen tranen de vrije loop. De niet te stillen pijn van een kind is erger dan je eigen verdriet.
Het waren de tijden van de maakbare samenleving en het maakbare individu, de idealen waren groot. Daarom was het een teleurstelling, dat onze jongens niet in de poppen geïnteresseerd waren die wij voor hen hadden gekocht. En dat ze niet altijd zo vredelievend waren als wij voorstonden.
Elke vader is kind geweest en natuurlijk wilde ik het anders doen dan mijn eigen vader.
Ik wilde niet zo streng zijn. De relatie met de kinderen moest meer gebaseerd zijn op gelijkwaardigheid. Maar elke dag werd ik weer geconfronteerd met het dilemma: wat bepaal ik en wat laat ik over aan de kinderen? Wat is onderhandelbaar en wat niet? Telkens als ik dacht: nu heb ik wel zo’n beetje door hoe dat moet, dat opvoeden, ontstond er weer een nieuwe situatie die om een nieuwe stellingname vroeg.

Ik ging graag met mijn zoontjes voetballen. Nooit heb ik me meer vader gevoeld dan op zaterdagmorgen langs het voetbalveld. En ik bedacht leuke, spannende spelletjes. Stoeien, nukkig paard spelen, achtervolgingen door het huis. En truukjes als Jan en Piet, die zaten in het riet waren vader’s specialiteit.
Boven alles wilden G. en ik gelijkwaardigheid in het ouderschap. Wij werkten evenveel en we pasten precies even vaak op. Het eten koken, de was ophangen, de kinderen uit school halen, alle taken waren tot in de details gelijkelijk verdeeld. We wilden beiden mader en voeder zijn. In theorie, want in de praktijk pakte ik wat eerder de boormachine en G. de naaimachine en vaak trad vader’s gezag op de beslissende momenten meer op de voorgrond. Niettemin zag ik het als een groot compliment, dat een vriendje aan een van onze kinderen vroeg: ‘waarom staat jouw vader te strijken?’ Overigens kom ik met vaderdag nog altijd geen advertenties tegen voor een nieuwe strijkplankovertrek. Wel voor een gezondheidscrème voor mannen.
Daarna kwam de fase die zo treffend door Annie M.G. beschreven is: vader is een hypocriet, vader is een nul. Vader is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwekul. Die fase had ik destijds in het Pandje niet ingecalculeerd.
En nu ben ik vader van een vader. Een jonge vader die het weer anders wil doen dan zijn ouders.

0

KLOOSTERLEVEN

Dagelijks

In februari schreef ik hier over de keuze van mijn Heeroom (1903 – 1989) voor het klooster. Hij was monnik en abt van de trappistenabdij Koningshoeven in Tilburg. Maandag was ik met enkele familieleden nog eens op bezoek in het klooster.

Zo loop ik na jaren opnieuw onder de gewelfde bogen van de gewijde kloostergang. We worden rondgeleid door een vriendelijke pater. Zijn habijt ziet er bij de kraag sleets uit en de rand van zijn zwarte superpli is op één plek met grove steken dichtgenaaid. In de abdijkerk staan we stil bij het kloosterleven. ‘Ik weet wat ik morgen ga doen, en overmorgen, en alle dagen die komen’, zegt hij. ‘Dat oogt saai, maar ik heb er geen moeite mee’. Voor hem is de gelofte van gehoorzaamheid het moeilijkste. Een monnik volgt nooit zijn persoonlijke wensen, maar stelt zich in dienst van een leven met god. Wie intreedt ziet af van elk persoonlijk bezit. ‘Ik moet om alles toestemming vragen’, vertelt de pater,  ‘ook als ik nieuwe schoenen nodig heb’.
Mijn neef vertelt dat hij vijf jaar de priesteropleiding bij de Kruisheren heeft gevolgd. Daarna werd hem te verstaan gegeven, dat hij niet geschikt was voor het klooster, omdat de eenzaamheid hem te zwaar zou vallen. Ook mijn eigen vader is ooit aspirant-monnik geweest in Koningshoeven. Hij had geen moeite met het harde, sobere leven, maar mocht er niet blijven, omdat hij te weinig flexibel zou zijn.

Na de rondleiding worden we ontvangen door Dom Bernard, de huidige abt van Koningshoeven.
Hij is, net als veel andere monniken, een vriendelijke, goedlachse man. Het lijkt wel alsof sommige monniken twee gezichten hebben: een naar binnen en een naar buiten.

De smeedijzeren lampen zijn gemaakt door enkele familieleden van mij

We spreken over mijn Heeroom. Die was voor ons, familieleden, en voor vele anderen in de buitenwereld een zeer aimabele, milde man, een toonbeeld van rust en acceptatie. Voor zichzelf was hij echter zeer streng. Dat was hij ook als abt voor zijn monniken. Een monnik diende zich zoveel mogelijk comfort te ontzeggen. Enkele korsten droog brood volstond als ontbijt. Van zijn warme maaltijd maakte mijn oom een afschuwelijk mengsel. Pap, groente, bier, hij  gooide als een vorm van zelfkastijding alles door elkaar om het zo smakeloos mogelijk te maken.
Dom Bernardus vertelt dat hij als jonge monnik elke dag een half uur moest voorlezen, toen mijn Heeroom op hoge leeftijd niet meer zelf kon lezen. Dat was voor Bernardus geen pretje. Mijn oom was zeer veeleisend en vroeg na enige tijd om een andere voorlezer.
Heeroom heeft na 21 jaar vrijwillig zijn functie als abt neergelegd. Het besturen van de kloostergemeenschap was hem te zwaar geworden. Dom Bernardus vertelt nu, dat mijn oom bij zijn aftreden een sterk verdeelde gemeenschap achterliet. Er waren flinke meningsverschillen over de vernieuwing van het geloof en over de kloosterregels. Mijn oom was niet altijd even consequent geweest in zijn bestuur. Hij had een groep van medestanders en er was een  groep van opponenten. De verdeeldheid binnen de gemeenschap was zo diep, dat er pas drie jaar later een nieuwe abt gekozen kon worden.
Dat mag je wel leven in de brouwerij noemen.

Op onze terugreis van Koningshoeven concluderen we, dat niet alleen het beeld van onze oom bijgesteld moet worden, maar ook het beeld van deze kloostergemeenschap als vredige broederschap. De binnenkant en de buitenkant komen niet altijd met elkaar overeen.
De strenge orde van trappisten vraagt nogal wat van zijn monniken. Je moet een sober en eenzaam leven aankunnen. Je moet principieel en dogmatisch zijn in je opvattingen, maar tegelijk ook flexibel in de omgang met de confraters met wie je dag in dag uit het leven deelt. Dat is bijna vragen om spanningen.

0

DRIJFVEREN

Dagelijks

Elke maandag staan er in dagblad Trouw levensbeschrijvingen van bekende of onbekende personen die pas zijn overleden. Tot voor kort sloeg ik deze over. Totdat mijn aandacht getrokken werd door een foto-onderschrift. Het betrof een man van mijn generatie, die de katholieke kerk vaarwel had gezegd, in het welzijnswerk was beland en zijn leven besteed had aan het helpen van de behoeftige medemens. Ik raakte geïnteresseerd, las verder over de drijfveren van deze man en spiegelde dit aan mijn eigen leven.
Waarom wordt de ene mens politieagent en belandt zijn klasgenoot in het criminele circuit? Wordt de een ondernemer en zijn buurjongen diens chauffeur? Dat vind ik boeiende vragen. Ooit heb ik zelf voor psychologie gekozen. Vanuit de hartelust waarmee ik me nu met zingen en schrijven bezig hou, vraag ik me wel eens af, of ik indertijd de goede keuze heb gemaakt. Het lezen van een necrologie heeft dan in zoverre nut, dat ik weer besef, dat ik niet warm loop voor technische innovaties of notariële teksten, maar voor de mens, zijn drijfveren en zijn levenswandel.

De belangrijke keuzen in het leven hebben te maken met een partner, kinderen, een baan of een promotie. Het zijn de zaken waarvan kinderen zeggen: ‘Later als ik groot ben, wil ik…’ Ik betrap mijzelf nog steeds op dit soort wensen voor later.
Volgens managementgoeroe Steven Covey moet je je afvragen hoe jij wilt dat er op je begrafenis over je gesproken wordt. Daaruit zijn je doelen af te leiden.
Als je je loopbaan hebt afgesloten en je kinderen het huis uit zijn verandert het perspectief enigszins, maar de vraag blijft gelijk: hoe wil je de jaren die voor je liggen invullen? De grote onbekende hierin is de Tijd. Hoeveel jaren zijn je nog gegeven?
Wie de zaak op zijn beloop laat, kan spijt krijgen en dan wordt het link. Spijt is een herkenbare, veel voorkomende, maar oh zo nutteloze emotie. In ieder geval voor wie op zijn sterfbed ligt. Aan  de eindeloze rij van top-zoveel lijstjes heeft de Australische schrijfster Bronnie Ware de Top 5 regrets of the dying toegevoegd. Mensen die doodgaan hebben vooral spijt over het gebrek aan moed om een eigen leven te leiden, over te hard werken, te weinig genieten, het onvoldoende uiten van gevoelens en over het gebrek aan aandacht die zij aan hun vrienden hebben besteed. Geen lijstje om te memoreren op de begrafenis of in de levensbeschrijving van Trouw. Terwijl ik dit tik begint hier in de buurt de klok van het kerkje op de begraafplaats St. Barbara te luiden.
De boodschap is: stel niet uit tot morgen, wat je vandaag wilt…. Ik ben het me bewust, het schiet regelmatig door mijn hoofd en toch stel ik  sommige dingen uit tot later, als ik groot ben.

Deze week was ik bij een optreden  van het vocaal ensemble Sfinx. Men zong onder meer een compositie van Wim van Wolferen op een tekst van Shakespeare over de genadeloze werking van de Tijd. De vrije vertaling is van Hans Manders:

Zoals golven naar het strand toe stromen
Zo gaan de minuten een voor een voorbij
Zij blijven zonder oponthoud maar komen
En niemand stopt dit eeuwige getij.

Een baby die het daglicht heeft bewonderd
Groeit in een zucht van klein tot groot
Waarna de Tijd ‘m, niemand uitgezonderd,
Gauw uit het rijk der jeugd verstoot

Als de Tijd iets geeft, dan neemt hij ’t terug
Want schoonheid mag niet te lang duren
Wat komt tot bloei verdwijnt erna weer vlug
En moet het na een tijdje flink bezuren

Alleen dit vers voor jou blijft buiten schot
Dat krijgt de Tijd, hoe wreed ook, niet kapot.