Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

STEF

Dagelijks

Op een zomeravond, als de achterdeur wijd open staat om wat koele avondlucht binnen te laten, horen wij opeens het geluid van krassende poten op het parket.
Dan zien wij een duif op zijn gemak de voorkamer binnenstappen. Hij draait met zijn kop om ons met een kraaloogje te monsteren. Hij kijkt of hij de lang verwachte gast is, die eindelijk is aangekomen.
Ik hou van vogels, maar niet van duiven. Er zijn er teveel in de stad, ze schijten de boel onder, ze bedelen brutaal als je wat zit te eten en ze maken je aan het schrikken als ze klapwiekend uit het gebladerte opvliegen.
Omdat wij weinig kennis hebben van de motieven en gedragingen van de duivensoort, willen we het beest zo snel mogelijk het huis uit hebben. Hij zou in paniek een vaas bloemen om kunnen gooien of de canapé onder kunnen schijten. Zie dan de schade nog maar eens op iemand te verhalen. We openen daarom de deuren naar de veranda en op zijn gemak – het beest lijkt veel rustiger dan wij – wandelt ie weer naar buiten.
De volgende morgen zit ie op het hek van de veranda met dezelfde blik: ‘Ik ben toch jullie vriend?’
Pas dan zie ik de gekleurde ringen om zijn poten. Het is een postduif die waarschijnlijk de weg is kwijtgeraakt; een jong beest, die te lang achter de vrouwtjes is aangevlogen of een oude duif die gekweld wordt door geheugenstoornissen.
Ik zie dat er cijfers staan op een ring. Voorzichtig kom ik naderbij om het getal te fotograferen. Ik google op ‘postduif gevonden’ en lees op de site van de postduivenvereniging, dat de beste methode is om het beestje in huis te halen en lekker te verwennen, totdat zijn baasje hem komt halen. Het baasje is echter alleen te detecteren als je naast het registratienummer ook over een jaartal beschikt. Dat zie ik nergens.
Een contactpersoon van de vereniging geeft via de mail advies.
‘Geef hem elke dag een handje rijstkorrels en wat water. Dan kan de duif aansterken en op eigen houtje weer naar huis vliegen’.
Na vier dagen is de duif, die wij inmiddels Stef hebben gedoopt, zodanig kind aan huis geworden, dat ik vrees, dat ie voor altijd ons pleegkind zal blijven. Zodra ik me in de tuin vertoon, komt Stef gezellig buurten. Omdat zijn ring is gedraaid is, lukt het me nu om het jaartal te lezen. Door het vindsysteem van de website kom ik op een telefoonnummer in de regio Eindhoven.
Mijnheer Zaadman (!) blijkt een meneer van 80 jaar te zijn die onlangs zijn auto de deur uit heeft gedaan.
‘Ik zou niet weten, meneer, hoe ik ‘em zou moeten halen’.
Als hij mijn aarzelingen hoort, vervolgt hij boos:
‘Wat is dat nou voor moeite om zo’n beest nog een paar dagen wat oud brood te geven!’
Ik stem toe en het lijkt wel of ik buiten blij vleugelgeklepper hoor.
Nog een week lang eet Stef met ons mee. Dan haal ik de voerbakjes binnen.
Na twee dagen zonder eten komt hij nog steeds op bezoek. Als ik die avond in de tuin zit, drentelt hij langdurig om mijn stoel heen en springt op tafel naast mij. Hij gaat nog net niet op schoot zitten.
Daarna hebben we hem niet meer gezien. Stef heeft op zijn eigen manier afscheid genomen.

1

HITTE

Dagelijks

Nu het weer voorbij is, mogen we concluderen, dat we er aardig doorheen zijn gekomen.
Zolang we rustig binnen bleven, de ramen en deuren gesloten en de gordijnen dicht; en zolang we onze bewegingen tot een minimum beperkten, was het uit te houden.
Al snel bij de eerste hittegolf kwam ons crisisteam bij elkaar en stelden we een PHP op (Persoonlijk Hitte Plan).
Een belangrijke maatregel was: in de nacht alle ramen open, overdag alles dicht. Zo slaagden we erin de temperatuur, die we constant monitorden, binnenshuis tot 25 graden te beperken. Dat ging goed, totdat er dagen kwamen dat de thermometer om 23.30 uur nog op 28 graden stond en bij het opstaan om 7.30 uur op 24 graden. De weerlieden spraken over tropische nachten. Dat begrip kreeg opeens hele andere associaties dan palmenstranden, salsamuziek en hete liefdes.
Ik plaatste flesjes met bevroren water voor de ventilator, wat voor een airco-effect zou moeten zorgen, maar in ons geval alleen leidde tot een grote plas water op de slaapkamervloer.
De koelkast, waarvan we de deur regelmatig open lieten staan, was goed gevuld met water en in de kelder hadden we noodbedden geplaatst. Het strijken binnenshuis werd tot nader order niet toegestaan. Ovengerechten waren ten strengste verboden en we stofzuigden alleen het hoognodige, ook omdat de inspanningen begrensd dienden te blijven. Liep ik naar de tweede etage, dan nam ik een pauze op de eerste, een flesje water onder handbereik.
Daar zat ik me dan hoofdschuddend af te vragen hoeveel hittegolven we de komende jaren nog zullen moeten trotseren en me in gedachten te irriteren aan de mensen die de opwarming van de aarde ontkennen. Mocht ik zo’n idioot tegenkomen, dan vrees ik dat ik hem op zijn bek sla.

Onze rhododendron

Aanvankelijk zorgden we in de zwoele avonduren nog voor de planten in de tuin. Maar omdat volgens onze hitte-app het sjouwen met gieters de inspanningsgrens overschreed en de autoriteiten verzochten om geen onnodig water te gebruiken, was er geen andere keuze dan de verdorring maar te accepteren. De varens lagen er na een paar dagen bij alsof er een bom op gevallen was, de rhododendron was een zielig hoopje dor hout. Van een struik van Rhodos had ik overigens meer uithoudingsvermogen verwacht. Waarschijnlijk is hij al teveel geïntegreerd.
Zelf zorgden we er natuurlijk voor, dat we voldoende vocht binnen kregen. Volgens aanwijzingen van het NHP (Nationaal Hitte Plan), controleerden we onze vochthuishouding elke keer aan de kleur van de urine. Dat leverde de nodige discussies op.
Het scheelde, dat we ooit nuttige ervaringen hadden opgedaan in Las Vegas. De 40 graden waar wij daar mee geconfronteerd werden, bracht mij toen op het idee om mijn katoenen hoedje in het vriesvak van onze camper te leggen. Daarna had ik voor tenminste een half uurtje weer een koel hoofd.
Ik moet zeggen: na een aantal dagen begon het te wennen. Zelfs het slapen tijdens de tropische nachten ging me steeds beter af. De belangrijkste leerervaring, zo constateerden we in de evaluatie, is, dat je je moet aanpassen aan de hittegolf. If you can’t beat them, join them. Ik kijk al weer uit naar de volgende.

3

WAAR IS HET DRAMA?

Dagelijks

Herengracht 274 Amsterdam

Dit voorjaar zat ik weer op school. In een kale bovenkamer van een statig pand aan de Herengracht in Amsterdam zaten de cursisten aan drie zijden van de carré van tafeltjes. Aan de overgebleven zijde zat de docent achter een grote mok thee en twee koekjes, die gedurende de les onaangeroerd bleven.
(Nodigt deze opening uit tot verder lezen?)
Nauwelijks had ik aan het begin van dit jaar besloten om een boek te gaan schrijven over mijn heeroom, toen ik in Trouw een artikel las over een cursus ‘Verhalende non-fictie’. Dat is zoiets als schrijven over wat waar gebeurd is in de vorm van een boeiend verhaal. Dat zou ik in mijn boek ook wel willen. Waar ik normaal nog wel eens loop te dubben over een keuze, meldde ik me na het lezen van het artikel onverwijld bij de Schrijversvakschool aan.
‘Heb jij nog iets te leren dan?’, vroeg een vriend.
(Gebruik regelmatig citaten om de tekst te verlevendigen).
We zaten met zeven leergierige schrijvers-in-spe aan het carré: een gepensioneerde vrouw die de biografie van haar oma wil schrijven; een gewezen gevangenisdirecteur die zijn ervaringen met gedetineerden hoopt vast te leggen; een jonge ondernemer die wil vertellen hoe hij na een burn-out op verhaal kwam bij een Indianenstam; een ontslagen universiteitsmedewerker die al het onrecht dat hem is aangedaan te boek wil stellen; een jonge vrouw die bezig is de ellende met een narcistische vader van zich af te schrijven; en de speechwriter van de bekende A.A., veelgeprezen burgemeester te R.
De docent was Viktor Frölke, filosoof, journalist en schrijver, bekend geworden door het boek Dagboek van een postbode, een waar gebeurd verhaal, wat leidde tot zijn ontslag bij PostNL.
(De personages zijn nu bekend, maar het verhaal wil nog niet echt op gang komen. Is die laatste toevoeging wel relevant?).
Viktor gaf ons opdrachten om ter plekke in tien minuten anekdotes te schrijven, tirades, onze eigen necrologie, een spannend rechtbankverslag en een artikel over de val van Halbe Zijlstra. Thuis mochten we het als huiswerk nog eens overdoen. Bij de bespreking daarna hoorden we dat de helft van wat wij geschreven hadden er wel uit kon, zeker alle uitleg en overtuigingen. Show, don’t tell.
(Waar zit in dit blog het drama en het conflict? Ging er een cursist vreselijk af? Was de docent in slaap gevallen? Zat er onderhuidse irritatie?).
Al snel merkte ik dat mijn bijdragen op positieve reacties van mijn medecursisten konden rekenen. Zo ging ik met steeds meer plezier op maandagavond naar de Herengracht.
(Kill your darlings: woordspelingen en grapjes waar je aan gehecht bent staan soms een goed lopend verhaal in de weg).
Over het onderwerp voor mijn boek waren er wel wat vragen. Valt er wel een spannend boek te schrijven over het saaie leven in het klooster, waar elke dag hetzelfde is als de vorige, jaar in, jaar uit?
‘Als ik geen spannende details had ontdekt, was ik er al mee gestopt’, was mijn antwoord.
(Dit is de eerste stap in de marketing).

0

CREATIEVE BROEINESTEN

Dagelijks

De stad is ingehaald door zijn eigen succes. Jarenlang is het vreemdelingenverkeer gestimuleerd. Op de golven van de Internetrevolutie mag iedere burger nu hotelletje spelen Weggeefprijzen voor vliegreizen en cruises doen de rest. Dus raakt de stad overspoeld door rolkoffers en bierfietsen. Het centrum is één grote horeca-gelegenheid, de geur van weed hangt op elke hoek en op terrassen spreekt de student-bediende je in het Engels aan.
Weg van de toeristen (wij zien onszelf niet als zodanig) nemen wij samen met mijn nicht A de pont naar de overkant van het IJ, een jarenlang verweesd deel van de stad. Daar komt nu verandering in.
Opeenvolgende sociaal-democratische wethouders hebben in de vorige eeuw gezorgd voor keurige huisjes voor werkende mensen in Amsterdam-Noord, niet ver van hun werk in de scheepsindustrie. De huizen zijn nu gerenoveerd, de industrie is compleet verdwenen.

Film bij Pllek

Het terrein van de voormalige NDSM, ooit de grootste scheepswerf ter wereld, is nu een culturele hotspot. De grote loods is ingenomen door kunstenaars en andere creatievelingen. Daarnaast wordt deze rauwe industriële locatie gebruikt voor filmopnamen, tentoonstellingen, dancefeesten e.d. In een oude hal aan het water is Pllek gevestigd, met een aanbod van live muziek, films, kunstexposities, mini-festivals ‘en nog veel meer’. Al rondlopend vraag ik mij af, of er in onze maatschappij een ideale verhouding is tussen het aantal mensen dat kunst maakt en het aantal dat kunst consumeert: tussen schilders en kopers, zangers en publiek, schrijvers en lezers. Naderen we een kritisch punt in deze verhouding? Dan worden de kunstenaars de heckrunderen en konickpaarden van Neerlands Plas.
Er zijn ook straten met garages, werkplaatsen, dansscholen, boksscholen en Thaise massagesalons. Er staan loodsen die mij uitermate geschikt lijken voor gestolen waar en ontvoeringen.
Dan komen wij bij de Ceuvel. Deze voormalige werf waar de grond ernstig vervuild is, is nu een kerkhof voor zestien afgedankte woonboten. De Ceuvel afficheert zichzelf als een van de meest duurzame en vernieuwende stedelijke experimenten in Europa. De oude boten liggen als auto’s zonder wielen op het droge. Ze zijn opgelapt tot werkplekken waar kunstenaars en ondernemers werken aan duurzame innovaties. Onderzoekers uit Wageningen doen experimenten met bodemreinigende planten.
Een labyrinth van houten vlonders leidt tussen de woonboten door. Vlakbij het water vinden we Boef, de oude ark van mijn nicht, een lapjesdeken van schrootjes bovenop een betonnen bak. De boot was stokoud en voldeed niet meer aan de eisen van de gemeente. En ja, wat moet je dan? Er is geen afvalbak of ophaaldienst voor afgeschreven woonboten. De Ceuvel bood een unieke kans. Nu is de ark gerecycled en begonnen aan zijn tweede leven. Voor tien jaar overigens. Dan zal de Ceuvel plaats moeten maken voor een woonproject met een minder prozaïsche naam, Urban Space Living of iets dergelijks, stel ik me voor; fraaie huizen, die ondanks de astronomische prijzen toch allemaal verkocht zullen worden.
Van kunst alleen kan een gemeente niet leven.

1

DE SPEELPARADIJS-ZESDAAGSE

Dagelijks

Het fris-groene gebladerte aan de bomen is nog niet geheel uitgekomen. Een merel zingt, een houtduif klapwiekt. Hoog in de lucht klinkt voortdurend het zachte gebrom van vliegtuigen. Nu het opeens rustig is geworden, vallen mijn ogen dicht. De meisjes zijn op stap om zich te laten schminken. Daarna hebben zij een Meet & Greet met Bollo, de Disney-achtige mascotte.
Nieuw Milligen heet het hier, het is niet veel meer dan een rotonde ten westen van Apeldoorn. G en ik verblijven een weekje met onze kleindochters van 7 en 5 in een bungalowpark.
In de ParkShop laden jonge vaders plastic zakken vol croissants en lekkere broodjes. Corpulente moeders met natte haren komen uit het subtropisch zwemparadijs, gevolgd door een schare kinderen. Opa’s leggen bij de kinderboerderij aan peuters het verschil uit tussen een schaap en een geit.
In een enorme hal is een overdekt speelparadijs. Het terras zit vol ouders en grootouders, terwijl de ontelbare kinderen door het kleurige klim- en springtuig krioelen. Zijn ze eenmaal verdwenen, dan zie je hen niet snel meer terug. Zij springen, glijden, hossen en vallen. Af een toe komt er een huilend uit een opening tevoorschijn.
Het zwembad is de watervariant van het speelparadijs. Onze kleindochters gaan elke dag en het einde komt voor hen altijd te vroeg. Komen ze thuis om te eten, dan willen ze eerst nog een potje voetballen.
Er is een Fun en Entertainment Programma. Er worden hutten gebouwd en knutselwerken gemaakt. Voor het voeren van de dieren is zoveel belangstelling dat je je een paar dagen van tevoren moet opgeven. Na afloop krijg je een getuigschrift: You did it!
Onze meisjes zijn net lang genoeg om mee te doen met het tokkelen. Met een valhelm op scheren ze over een kabelbaan van de ene boomtop naar de andere. Ze draaien er hun hand niet voor om. Het is een voorbereiding op een leven met bungee jumpen, sky-diven, en wat al niet meer.
Het vakantiepark mag dan een en al vermaak zijn, in de nabijheid klinkt de lokroep van nog veel meer vertier. Speel- en doe-paradijzen, klimbossen, magische kastelen met zoektochten. Zelfs het museum Paleis het Loo blijft niet achter met een kinderatelier, prinsessendagen en een speurtocht door de koninklijke tuinen.
Gaan we een keertje buiten de deur eten, dan zijn de meisjes direct naar de speelzolder verdwenen en krijg ik hen voor het uitkiezen van een gerecht slechts met de grootste moeite uit de kinderkapsalon. Na het eten mogen ze een surprise uit een schatkist kiezen.
Wij brengen een dagje door in pretpark de Julianatoren, waar alom een geur van pannenkoeken en zoetigheden hangt. Waar je hier ook kijkt, het draait, tolt, springt, tuft en zweeft. De kinderen zijn voor even weer terug in de baarmoeder. Ik wacht regelmatig op een bankje tot ik een van de kinderen langs zie vliegen. Dan kan ik enthousiast zwaaien.
‘Opa, opa’, hoor ik voortdurend om mij heen, maar het gegil blijkt zelden voor mij bedoeld.
Aan het einde van de dag staan de meisjes nog enthousiast te springen op de trampolines. Ik voel de slaap in mij opkomen.

2

GEDULDIG ZOEKEN

Dagelijks

Ik heb mijzelf deze week opgesloten in een archief. Terwijl ik door het smalle raam zie hoe de magnolia haar knoppen stralend naar het hemels blauw opent, zit ik achter dikke muren in de kilte. Het ruikt er lekker, een beetje muf, naar papier en karton, naar het verleden, naar vergane glorie. De complete rust in het archief is een verwijzing naar de gewijde stilte van deze plek. Om de twee uur klinkt er klokgebeier.
De weg naar de koffie voert door de uitgestorven kloostergangen. O beata solitudo, o schone eenzaamheid, staat er in gekrulde letters boven de deuren naar het slot. Mijn nieuwe schoenen knersen zachtjes op de diagonaal gelegde tegels en op de uitgesleten houten treden van de trap. Hier liggen de voetstappen van mijn heeroom, van mijn vader en van talrijke monniken, die zich sinds 1881 voor gebed en gezang teruggetrokken hebben achter de muren van abdij Koningshoeven in Tilburg.
Mijn oom heeft een boeiend leven geleid als monnik en abt. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Moet ik dat dan maar niet eens doen, vroeg ik me begin dit jaar af.
Alleen al het stellen van deze vraag, riep direct twijfels op. Heb ik wel voldoende stof om een boek te vullen? Ben ik als niet-meer-gelovige wel de juiste persoon om een kloosterleven te beschrijven?
Ik maakte als proef een opzetje voor de indeling en noteerde de onderwerpen waar ik meer over zou moeten lezen. Die laatste lijst groeide snel. Ik las een boek over de geschiedenis van het katholicisme in de 20e eeuw. Het zat de hele dag in mijn hoofd. Heeroom liet mij niet meer los.
Wikkend en wegend stelde ik mijzelf nog één voorwaarde: ik zou toegang moeten krijgen tot het archief van Koningshoeven. Stiekem rekende ik er al op, dat de abdij geen toestemming zou geven. Dan kon ik met een gerust hart deze megaklus laten liggen.
Op mijn voorzichtig informeren mailde de huidige abt terug:
‘Van onze kant verlenen we graag alle medewerking. Het archief staat voor je open’.
Maandagmorgen wacht Dom Bernardus me op. Hij draagt over zijn monnikspij een sportief fleece jack van La Trappe, het bier van Koningshoeven.
Het archief over mijn oom is een meter breed: dozen vol met correspondentie, toespraken, jubileumliederen. Stukjes bij beetjes wordt zichtbaar wat er onder de oppervlakte van het vredige, stille klooster gebeurd is.
In het gastenverblijf ontmoet ik bij het avondmaal een jonge benedictines. Ook zij draagt een fleece jack. Flee into the paradise staat er achter op haar rug. Als zij hoort dat ik niet meer gelovig ben, drukt zij mij hoopvol op het hart: ‘het kan nog komen’. Het lijkt mij het beste haar hoop niet te ontmoedigen. De avondzon projecteert een perfecte kopie van het glas-in-lood rozetraam op de muur van de eetkamer.
Na twee dagen geduldig zoeken heb ik twee archiefdozen doorgewerkt. Er zijn er nog zes te gaan.
Mijn vader, die archivaris was van beroep, kan met voldoening vanuit de hemel meekijken. Zijn zoon, die een andere kant op ging, volgt op latere leeftijd alsnog zijn spoor.

0

EEN UNIEKE BELEVENIS

Dagelijks

De mailwisseling eindigde van mijn kant met het dreigement dat ik contact zal opnemen met de Consumentenbond en het consumentenprogramma Radar. Daarna heb ik van de tegenpartij niets meer gehoord.

Bij het afscheid van mijn werk had ik een cadeaubon van € 50 ontvangen. Het was een klein doosje met de titel Ultimate Choice, uitgegeven door Giftforyou. Een unieke pincode maakte het mij mogelijk een keuze te maken uit meer dan 1500 belevenissen, zoals een borrel, diner,  beauty of weekendje weg.
Het doosje was ergens op een stapel in een kast beland, waar ik het na een goed jaar weer terug vond. Pas toen las ik in de kleine lettertjes, dat de bon één jaar geldig was. Met de staart tussen de benen vroeg ik de firma of hier nog een mouw aan te passen was.
‘Natuurlijk, meneer’, zei de servicegerichte frontoffice-medewerkster ‘u kunt nog voor een jaar verlengen’.
Dit bracht weliswaar € 5 administratiekosten met zich mee, maar dit leek mij draaglijk. Toen ik in een later stadium googlede op ervaringen met de Giftforyou-bon kwam ik tientallen verontwaardigde reacties tegen van boze mensen, die met een niet meer geldige bon waren afgehaakt.

Restaurant Seven, Mariaplaats Utrecht

Na de verlenging stort ik mij verlekkerd op de websitepagina’s met 1500 verwenbelevenissen. Een authentieke scheerbeurt met Barbershop lijkt me wel fun, maar ook een stoere autorit met een Ferrari met Drive Experience ziet er heftig aantrekkelijk uit. Als een kind met een hand boven de snoeptrommel blijf ik lang aarzelen. Uiteindelijk val ik terug op een bekende belevenis en bestel ik een Diner voor Twee voor € 50,-. In Utrecht blijkt slechts een beperkt aantal restaurants de bon te accepteren, maar een kniesoor die daarop let.
Zo beleven G. en ik een gezellige avond bij Restaurant Seven in Utrecht.
We hebben meer geconsumeerd dan € 50, dus volgt er een rekening. Daarop is € 45 in mindering gebracht vanwege onze cadeaubon.
‘€45?’, vraag ik verbaasd.
‘Dat is standaard voor de Giftforyou-bon’, verzekert de ober.
Een ander zou de resterende € 5 bestempelen tot fooi en vrolijk naar huis gaan, maar, ervan overtuigd dat ik een belevenis van € 50 heb aangeklikt, komt er bij mij een irritatie op die niet zal verdwijnen voordat ik de zaak tot op de bodem heb uitgezocht.
Op mijn reclameren bij Giftforyou krijg ik als antwoord, dat een Diner voor Twee belevenis altijd € 45 waard is.
Omdat ik mijn bon al verzilverd heb, is mijn unieke pincode niet meer geldig en kan ik op de site niet meer controleren hoe het aanschafproces verlopen is.
Ik informeer maar eens, waar de overgebleven € 5 gebleven zijn. Die blijven, zo luidt het antwoord, altijd op mijn kaart staan.
‘Maar ik kan er niet meer bij, omdat de pincode niet meer werkt’.
‘Dat komt omdat u uw bon al verzilverd heeft bij restaurant Seven’, zo reageert de Helpdesk.
‘En hoe kan ik dan iets met die € 5 doen?’
Na een langdurige mailwisseling ontvang ik uiteindelijk een nieuwe pincode. Hiermee kan ik constateren, dat er voor de 5 euro’s die voor eeuwig op mijn kaart staan geen enkele belevenis te koop is.

De Consumentenbond heb ik niet meer benaderd.
Het is zes weken geleden. Ik zie nu op de website van Giftforyou, dat een bon inmiddels twee jaar geldig is en dat een Diner voor Twee nu € 45 kost.

0

HAD IK MAAR

Dagelijks

Ze is halverwege de zestig. Haar hele leven bestond uit zorgen, zorgen en nog eens zorgen. Ze had naar de toneelschool gewild, maar dat mocht niet van haar ouders. Het werd een saai baantje in het onderwijs. En nu speelt ze vol overgave toneel.
In het tv-programma Kruispunt kwamen ouderen aan het woord die terugkijken op hun leven. Stel je mocht het leven over doen, zou je het dan anders doen, was de vraag. In een onderzoek onder 1700 ouderen bleek dat meer dan de helft van de ondervraagden zijn leven anders zou inrichten. Het meest genoemde punt van spijt betrof de opleiding. Veel ouderen van nu mochten vroeger niet studeren, ze moesten geld verdienen. Of hun ouders stuurden hen naar een andere opleiding dan zij zelf wilden.
En nu, in de herfst van hun leven, zeggen ze: ‘Had ik maar…’

Als je een trein te laat genomen hebt of als de kapper teveel heeft afgeknipt, dan is het leed te overzien. Het wordt al erger als je een huis gekocht hebt, wat toch niet bevalt. Maar zelfs die keus zou je nog kunnen repareren. Maar als je je hele leven werk gedaan hebt, wat je eigenlijk niet wilde. Of als je decennia lang je ziel en zaligheid hebt opgeofferd voor de PvdA. Tja, wat moet je dan?
Ik weet niet wat bij mij overheerst bij het zien van deze documentaire: de bewondering om het lef waarmee de mensen hun spijt onder woorden brengen of het meeleven met de pijn, die zij hierbij voelen.
Of raakt de documentaire mij, omdat ik geconfronteerd wordt met mijn eigen keuzes?
Aan het einde van de middelbare school twijfelde ik tussen geschiedenis, mijn beste vak, en psychologie. Het werd het laatste. Als ik nu in het jaar van mijn pensionering zie met welke hartstocht ik met zingen en schrijven bezig ben en hoe graag ik met mijn neus in de historische archieven zit, kan ook ik me afvragen of ik andere keuzes zou maken, als ik het leven over mocht doen. Heb ik de juiste richting gekozen? Heb ik mijn talenten voldoende benut?
Deze vragen roepen tegenstrijdige gedachten op. Er schuurt iets in het brein. Psychologen noemen dat cognitieve dissonantie. En net als in de muziek wil je dat de dissonanten oplossen. Daarom komen er in mijn hoofd direct argumenten op, die mijn keuzes ondersteunen: ik heb een mooie loopbaan gehad, met fijne collega’s en met de ruimte om naast het werk een dag voor mijn kinderen te zorgen. Daarnaast had ik de tijd en energie om cabaret te maken en te zingen.
Probleem opgelost. Of niet?

Het zijn confronterende vragen. Want wat doe je als je moet bekennen, dat je eigenlijk liever iets anders had willen doen. Als je ouders de keuze voor jou gemaakt hebben, kan je hen nog de schuld geven. Maar als je zelf hebt kunnen kiezen?
Veel opties om dit conflict op te lossen zijn er niet. Je kunt alsnog proberen om iets in te halen wat je gemist hebt, zoals de vrouw die nu toneel speelt. Of je kunt erin berusten, zoals een aantal ouderen uit de documentaire: ‘het is zo gelopen, zoals het is’.

 

0

HET SMACHTEND WACHTEN

Dagelijks

 

Ach we hadden er zo naar uitgekeken. Zoals zo vaak gebeurd is de afgelopen jaren. Het was een ongekende vlaag van collectieve hartstocht. Een dwangmatig verlangen, dat massa’s mensen onrustig maakte. Dat de arbeidsproductiviteit substantieel deed dalen.
De Sehnsucht werd nog eens aangewakkerd door alle sociale en a-sociale media. Statistieken over ijsgroei en ijsdiktes. Mogelijke schaatslocaties. Aanbevelingen voor een veilige tocht.
Trouw zou Trouw niet zijn als het niet twee filosofen van stal had gehaald om hun licht over dit deel van de oer-Hollandse identiteit te laten schijnen. ‘In het niet-maakbare van het schaatsen op natuurijs zit iets transcendents’, zo lazen we. Het is het Carnaval van het Noorden, op de ijsbaan is iedereen gelijk. Gelet op het afzien in de kou en het meters maken, werd het schaatsen als een protestante bezigheid betiteld.
Ik overwoog een ingezonden brief.

We hadden er eigenlijk al niet meer op gerekend, maart kwam er al aan. De zon scheen weer fel. Maar toen kwam de Siberische beer om de hoek kijken. Die zou de zon een poepie laten ruiken. Hij is al even invloedrijk als zijn baasje Vladimir P.
Elke dag van de afgelopen week stond ik klaar om te gaan. Ik volgde de berichten van uur tot uur. Het werd dinsdag. In de provincie Utrecht staan het Leersumse Veld en de Molenpolder al jarenlang bovenaan de lijst van locaties waar al vroeg geschaatst kan worden. Nu las ik berichten over hoeveel mensen er per uur door het ijs heen gingen. En van baantjes van 40 x 75 meter ontdooi ik niet.
Jos Werkhoven, van het weerstation De Arend in Kortenhoef, steun en toeverlaat voor iedereen tussen Amsterdam en Utrecht die het ijs mint, had vorige week nog een juichend bericht de wereld ingestuurd: het is niet de vraag, òf we kunnen gaan schaatsen, maar op welke dàg. Op woensdag laat Jos in de Volkskrant weten, dat hij het niet meer ziet zitten. Dit soort bijzondere omstandigheden heeft hij nog nooit van zijn leven meegemaakt, zegt hij mismoedig.
Het werd donderdag. Wie het erop wilde wagen, moest niet alleen een nat pak riskeren, maar ook de straffe oostenwind weerstaan. Trotseren was hèt woord in de media. Zou het toch de katholiek zijn, die binnen bleef?

Eergisteren is het er toch nog van gekomen. Ik had mij flink ingepakt. Beschermende kleding in diverse lagen. Hoezen voor mijn schaatsen. Het vetleren buideltje ter bescherming van de edele delen, de ph, mannelijk pendant van de bh, had ik toch maar thuis gelaten. Het was tenslotte geen Elfstedentocht.
Mijn schaatsen had ik verwarmd boven de kachel, zoals we dat vroeger deden. Een beter bewijs van de stelling dat je gedrag bepaald wordt door de ervaringen in je jeugd is er niet. Daarom ook ontbraken de priem, het fluitje en het lange touw in de uitrusting. Mijn telefoon had ik nog wel in een plastic zakje geborgen.
Met mijn broer schaatste ik door de Molenpolder. Aanvankelijk nog wat wankelend tornden we tegen de wind op, soms bijna vallend door de scheuren of het vuil op het ijs. Bij onze aankomst hadden we als waarschuwing een ambulance zien staan. De traumahelikopter bleef achter de hand.
Zelf gevorderd van leeftijd memoreerden wij onze opa, die tot op hoge leeftijd de schaatsen onderbond, en diens broer, ome Kees. Op zijn 73ste schaatste deze over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag twee maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Uit dit “oord der ellende” stuurde hij vrolijke brieven naar de familie. Niet alleen het schaatsen, ook het schrijven zit in onze genen.
We hebben het overleefd. We kunnen het vertellen aan onze kleinkinderen, nee niet later, maar nù. Opa was erbij die barre dag in maart. Hij scheerde langs een wak en schaatste op zijn klappers iedereen voorbij.

2

EEN JANUARISTORM

Dagelijks

Foto: Rob Oostenbroek, Duic

Aeolus, de god van de winden, had Zephyrus erop uitgestuurd. De westenwind had er zin, hij was in vorm. Hij waaide zoals ie nog maar zelden gewaaid had. Vrachtwagens vielen bij tientallen om, daken werden van huizen gerukt, toiletcabines omver geblazen. ‘Van de pot gerukt’ kreeg op donderdag 18 januari 2018 een bijzondere betekenis.
De storm maakte in ons huis hoge fluitende geluiden, zodra er een deur of een raam openging. Het loeien van de wind door de kale platanen in onze straat was zeker zo onheilspellend. Afvallende takken tikten tegen de ramen en op geparkeerde auto’s. Ik vroeg me af of ik niet beter onze auto zou kunnen verplaatsen, maar waarheen?
De bomen in de straat zijn geplant in 1946. Tot twee jaar daarvoor hadden er ook fraaie exemplaren gestaan. Die waren in de hongerwinter voor de bijl gegaan. De huidige platanen zijn uitgegroeid tot reuzen die ver boven de daken van de hoge herenhuizen uitsteken.
Ik tornde tegen de zware windvlagen in voor een boodschap en liet me op de terugweg meenemen door de vlagen. Ik kreeg zin om erbij te joelen. Afgewaaide takken kraakten onder mijn wielen.

Even later zette de eerste boom aan het begin van onze straat, de plataan die nog de meeste wind vangt, zich schrap. Hij had al vele stormen doorstaan in die zeventig jaar. Hij voelde het rukken aan zijn wortels. Hij kreunde en toen hield ie het niet meer. De boomreus viel met zijn wijdverbreide netwerk van takken rakelings langs huis Blijenburg, het hoekpand uit 1882, schuin op de Biltstraat. In zijn val nam hij het negentiende eeuwse hek, dat langs het Maliebaanspoor staat, een paar meter mee de lucht in. Het degelijke gietijzeren smeedwerk stond verdraaid, maar nog intact bovenop de voet van de stam.
Daar lag ie dan, de plataan, nog onwrikbaarder dan een betonnen wegafscheiding, dwars over het begin van de Buys Ballotstraat. De hulpdiensten maakten de Biltstraat weer vrij van takken. Het wachten was op de ontmanteling door een gespecialiseerde firma. Eén dikke tak stak nog als een monument boven de verzameling hout uit. Toen ik de dunne wortels zag, die uit de stam kwamen, vroeg ik me af hoe deze boom het zo lang heeft kunnen uithouden. Ik moet er niet aan denken dat de plataan voor ons huis net zulke iele wortels heeft.

De gevolgen van de storm kwamen nog dichterbij, toen bleek dat alle treinen waren uitgevallen en dat het herstel nog wel even zou duren. Wij zouden vrijdagmorgen om 7.00 uur de ICE naar Duisburg nemen en vandaar verder reizen naar de Dolomieten voor een sneeuwvakantie.
We pakten donderdagavond in, aarzelender dan normaal. We ruimden op met de vraag of het wel nodig was. De onzekerheid knaagde aan onze wortels. Ook in Duitsland was het treinverkeer tot stilstand gekomen.
Het einde van de avond bracht licht met de mededeling, dat op vrijdag negen van de tien treinen weer normaal rijden. Na een onrustige nacht stonden we achter het computerscherm en lazen dat onze ICE die ene trein was die niet reed. Met een latere trein zouden we Trento niet meer kunnen bereiken.
Daar stonden we, om 6.10 uur, alles ingepakt, de koelkast leeg, de boterham in de rugzak. Ik zette de kachel aan en deed de gordijnen die ik al geopend had maar weer dicht. Een lange, lege dag lag voor ons.
Zaterdag doen we alles nog eens over. Die dag zijn er geplande werkzaamheden op het spoor. We moeten een omweg maken en drie maal extra overstappen. Ach, dat is toch de romantiek van het reizen met de trein? Waar is de kruier?