Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

4

DE STEEN

Dagelijks
Op een goede manier vallen is een kunst. Judoka’s en keepers worden erin getraind. Aan ouderen wordt training aanbevolen. Dat kan van pas komen bij een losse stoeptegel of bij gladheid.
Al op jonge leeftijd ontdekte ik bij mijzelf een zekere aanleg voor de valkunst. Ik liet mij zonder  mankeren uit knotwilgen vallen en, tijdens het verstoppertje spelen, van de bovenste plank in een kast. Voor een sprong van een hoog zwaaiende schommel draaide ik mijn hand niet om. Ik kon ook fraaie vallen ensceneren. Toen mijn zus eens van vakantie thuis was gekomen en haar koffer midden in de keuken had laten staan, deed ik onder de ogen van mijn moeder alsof ik met een enorme buiteling met mijn hoofd tegen de wasmachine knalde. Daarna heeft niemand ooit meer een tas van enige omvang midden in de keuken laten staan.
Dit soort ervaringen kwamen mij goed van pas als vader.
Bij het naar bed brengen van zoon A waren in een bepaalde leeftijdsfase de verstopspelletjes populair. In die tijd ontwikkelde zich een spelletje, dat we later De Steen zijn gaan noemen.
Als het bedtijd was, holde A vrolijk vooruit naar zijn kamer. Kwam ik daar even later binnen, dan lag hij midden in zijn slaapkamer opgerold onder een deken op de grond. Ik deed of ik niets in de gaten had en viel vervolgens met veel misbaar en geweeklaag over die bult.
‘Welke idioot heeft hier die steen midden in de kamer laten liggen?’, riep ik dan verontwaardigd uit. Ik schoof de steen aan de kant of tilde hem op en deponeerde het gehele pakket in een hoekje van de kamer. Daarna liep ik even de kamer uit. Wanneer ik terugkeerde lag de steen weer midden in de kamer en stootte vader-ezel zich ten tweede male aan de steen.
Ik zou dit spelletje al lang vergeten zijn, als A, inmiddels zelf vader van twee dochters van bijna vier en twee, niet deze week geappt had, dat hij De Steen met zijn oudste dochter had gespeeld. Met groot succes.
Wat een ontroerend moment!
‘Blij’, zou de jongste kleindochter zeggen. Zij deelt sinds kort de wereld, op digitale wijze, in in boos en blij.
‘Opa is boos!’
‘Nee, opa was bang dat je zou vallen’.
Lachend: ‘Opa is blij!’
‘Ja, opa is weer blij’.
Eigenlijk is het woord blij niet sterk genoeg om mijn gevoel over De Steen uit te drukken. Dit gaat evenzeer over geluk en over tevredenheid.
Het is leuk om te merken, dat zo’n eenvoudig spelletje naar een volgende generatie doorgaat. Wie weet wordt het nog verder doorgegeven. Maar dat is niet de kern.
Het is ook niet dat ik me op zo’n moment een tevreden grootvader voel, die trots is op zijn kleinkinderen. Of dat ik het gevoel heb, dat vertolkt wordt in het lied De glimlach van een kind doe je beseffen dat je leeft.
Ik voel me bovenal een tevreden vader. Een geslaagde vader.
Zoals iedere ouder dachten wij bij het opgroeien van de kinderen wel eens: wat moet dat worden? Komt dat wel goed met die jongens? Jonge kinderen hebben immers nog veel te leren. Als ze zich losmaken, doen ze dingen die je onverstandig vindt. Wat we geprobeerd hebben om over te dragen zie je op die momenten niet terug. Dat wordt blijkbaar pas zichtbaar als zij volwassen zijn en verantwoordelijkheid dragen, bijvoorbeeld als ze zelf kinderen hebben.
Grootvader worden betekent niet alleen dat je kleinkinderen krijgt. Je hebt daarnaast, in mijn geval,  opeens een zoon, die vader is. Dat doet iets in een relatie. We delen ervaringen. We komen dichter bij elkaar. Wij zijn niet alleen vader en zoon, maar ook samen vader.
Voor wie al wat langer grootouder is zijn dit soort uitspraken waarschijnlijk open deuren.
Maar jonge opa’s hebben nog veel te leren.
Met mijn kleindochters bedenk ik weer nieuwe spelletjes. Ik loop met een kind op de rug als een huppelend paard door de kamer. Plotseling blijf ik dan stokstijf naast de bank staan. Het paard wil niet meer voor- of achteruit. Het kind op de rug wacht in spanning af. Daarna val ik op de bank. 
Waarschuwing: dit spel vereist enige oefening in het vallen. Oefen bijvoorbeeld eerst zonder kind met een koffer midden in de kamer. Oefen in geen geval op een skipiste.
0

HET IS ROOD-ZWART EN HET FLADDERT

Dagelijks
Het is er het afgelopen weekend weer niet van gekomen. Terwijl het toch een kleine moeite is. Het kost je slechts een half uur en je kunt er voor in je luie stoel blijven zitten. Je draagt bovendien bij aan een doel waar niemand enig bezwaar tegen zal hebben. Dat soort doelen moet je koesteren, die hebben we nauwelijks in Nederland.
Maar vorig weekend zat al vol met het precaire proces van het kopen van een nieuwe tafel en het compleet uitruimen van de huiskamer zodat de schilder ongehinderd  het lawaaischuren kan beoefenen.
Zodoende heb ik opnieuw moeten afzien van mijn deelname aan de Nationale Tuinvogeltelling.
Het is goed, dat we  jaarlijks terugkerende evenementen hebben, zoals Halloween, de Top 2000 en Blue Monday. Dat geeft houvast in deze onzekere tijden. Tellen kan bovendien geen kwaad. Meten is weten,  dat voorkomt eindeloze discussies. Daardoor komen  we dagelijks in de Volkskrant nuttige grafieken tegen, bijvoorbeeld over inteeltdepressie bij otters (21-01). Adverteerders kunnen onderbouwen dat 58% van de vrouwen kiest voor een shampoo met een hydratine glansversterker.
Met het eenmaal per jaar tellen van de vogels in je tuin  houden vogelonderzoekers bij welke soorten het goed doen en welke het moeilijk hebben. Voor de Vogelbescherming is het een fantastisch middel om aandacht te vragen voor alles wat vleugels heeft. Vogels kijken is leuk. Het is een onschuldige bezigheid. Zo is het een stuk minder beladen dan vrouwen kijken, bijvoorbeeld.
Het is echt een vaderding, zo begon het bij mij tenminste. Dat we in Frankrijk kampeerden en dat er een vogeltje in de kleuren van de Duitse vlag op de kampeertafel landde.  Dan maak je als vader geen beste beurt, als je niet kan uitleggen hoe dat beestje heet. Dan koop je een boek dat ook voor kinderen geschikt is en vervolgens een vogelkijker. Terwijl je kinderen allang weer aan het voetballen zijn,  lig jij  dan ergens doodstil in het struikgewas met je kijker onder handbereik, omdat je iets geels tussen het struweel zag oplichten. Zo gaan die dingen.
Toen is ook het tellen begonnen: welke vogel heb ik waar voor het eerst gezien. Ik heb ook bijgehouden welke vogels ik in mijn tuin ben tegengekomen, of beter gezegd: welke ik vanuit tuin en huis heb kunnen waarnemen. Daardoor kon ik de overvliegende aalscholver en de blauwe reiger meenemen in de telling, naast de verdwaalde bosuil die zich ooit aan de voorzijde van ons huis bekend maakte.
Er zijn winters geweest dat we in onze tuin regelmatig bezoek kregen van sijsjes, groenlingen en goudhaantjes. Zou ik in deze winter gaan tellen, dan is de kans groot dat ik 2 houtduiven zie, 1 kauw en 1 koolmees. Daar kan ik het woord opwindend niet voor gebruiken. Vooral die duiven en kauwen kan ik wel schieten. Die zouden echt iets aan hun imago moeten doen.
Na zoveel jaren rondsjouwen met de kijker door de natuur en met het achteruitgaan van ogen en oren  is het vuur wat aan het doven.  Soms flakkert het nog weer even op. Twee weken geleden liep ik  niets vermoedend in de kamer rond, mijn hoofd brekend over het vervolg van mijn blog. Ondertussen schoten er allerlei klussen door mijn hoofd die nog moeten gebeuren. Opeens kwam er vanuit de tuin in mijn ooghoek een rode flits voorbij. Alsof er in het corpsballenhuis achter ons  een colafles uit het raam werd gegooid.
Ik draaide mijn hoofd en zag op een paar meter afstand een vogel met een felrode borst, een zwarte kop, en witte en grijze strepen op zijn rug. Dat kon niet anders dan een goudvink zijn  (voor de eerst gezien: Den Dolder, maart 2002). Gezien de fraaie kleuren moest het een mannetje zijn. Zo gaat dat in de vogelwereld. Daar kijken we naar de mannetjes. http://www.vogelbescherming.nl/vogels_kijken/vogelgids/zoekresultaat/detailpagina/q/vogel/56/tab/Algemeen 
Dat beestje dat zich zelden laat zien zat onaangekondigd in mijn tuin! Mijn lijf was meteen een en al opwinding.  Ik hield mijn adem in, sloop achter het glas stil en gebukt naar mijn kijker, die – niet voor niets – in het dressoir naast het raam ligt. Met trillende handen zocht ik de vogel. Verrek, waar was ie? Die beesten willen nooit eens  rustig blijven zitten. Ik speurde weer zonder kijker rond en zag hem op een andere tak . Rustig blijven, sprak ik mezelf toe. Nu kreeg ik hem in vol ornaat in  de kijker. Met zijn donkere vinkensnavel plukte hij aan de tak. Wat een schoonheid en dat zomaar in onze tuin! Voor niets.
2

BORDEN EN BRIEFJES

Dagelijks
De Huizingalaan in Utrecht is geen voorrangsweg. Fiets je van west naar oost, dan moet je voorrang geven aan (brom-)fietsers, die van een fietspad rechts komen. Iedereen in Nederland weet, dat rechts voorgaat. Desondanks stond er het afgelopen najaar een groot geel bord: RECHTS HEEFT VOORRANG.
Daar moet iets ernstigs zijn gebeurd. Een fietsongeluk met botbreuken. Een rijwiel dat in de prak is gereden. Een notoire briefschrijver die al twee jaar lang de gemeente bestookt met de klacht, dat hij ter plaatse nóóit voorrang krijgt. Na lange discussie op de afdeling Verkeer moet de verzuchting zijn geweest: ‘laten we dan maar een tijdje een bord plaatsen’. Een niet te missen idiotproof bord in fel-gele kleur en met koeieletters.
Zo gaat het vaak met regelgeving. Er gebeurt een ongeluk. Een groep wordt benadeeld. Mensen maken gebruik van de mazen in de wet. Dan moeten de regels worden aangepast. Zou niet alle wet- en regelgeving ontstaan omdat er ergens iets vreselijk fout is gelopen?
Worden de regels niet gevolgd, dan brengen we ze nog een keer onder de aandacht.
Hoe een mobiele telefoon werkt, wordt in handleidingen slechts globaal uitgelegd. Dat weet iedereen immers. Maar dat rechts voorrang heeft, moet nog eens worden onderwezen.
In het privéleven gaat het al niet veel anders.
Ik ben ooit van plan geweest een verzameling aan te leggen van geboden en verboden die ik op wc’s en badkamers tegenkom. Het is er nog niet van gekomen. Hieronder maak ik op basis van mijn geheugen alvast een begin.
De meeste briefjes, die ik tegenkwam, gaan over wat je niet  in het toilet mag gooien: damesverband, condooms, injectienaalden, medicijnen, handcrèmes, eyeliner en alles waar een mens blijkbaar op die plek van af wil. (Ongeboren kinderen worden niet genoemd.)
Bij het lezen van deze verboden zie je de verhuurder al geïrriteerd met een batterij aan ontstoppingsmiddelen boven de pot hangen.
Dan zijn er de handgeschreven of geprinte aanwijzingen voor het doorspoelen:
Trekker in één vloeiende beweging omlaaghalen en dan direct loslaten.
Eénmaal fors indrukken, daarna even wachten.
Daar sta je dan na een aantal keer indrukken en wachten. Je drol ligt er nog steeds. Het lijkt wel of ie je uitlacht. Opnieuw proberen en weer wachten. Zal ik maar eens bij de eigenaar aankloppen? Maar ja, dan moet wel eerst die hoop weg.
In Ierland lazen we eens het verzoek om ‘s nachts het licht in de wc niet aan te doen omdat het forse geronk van de afzuiger nog twintig minuten in het hele huis te horen was. We moesten de eigenaar gelijk geven. Als je in het donker je hoofd stoot aan de wastafel of naast de pot piest, geeft dat beduidend minder geluidsoverlast.
De wereld van het langeafstandswandelen kent zo zijn eigen regels:
Het is niet toegestaan de föhn te gebruiken om uw schoenen te drogen.
Gelieve uw schoenen niet boven de wastafel te reinigen.
Daaronder mag je de klei er naar hartenlust afkloppen.
Terug naar de wc. Ergens las ik het verzoek:
Wilt u na uw bezoek de borstel gebruiken?
Ik kreeg associaties met de katholieke priester, die met een borstel wijwater zijn parochianen zegent.
En niet zo lang geleden kwam ik in een instelling de volgende boodschap tegen:
wc doortrekken aub
Daarmee zijn we weer terug bij de categorie rechts heeft voorrang.
Waarom zou wat bekend is nog eens onder de aandacht gebracht worden? Heeft het met de complexiteit van de maatschappij te maken of met een cultuur van ieder-gaat-zijn-eigen-gang?
Binnenkort verwacht ik ergens de aansporing:
Gelieve uw broek omhoog te trekken voordat u het toilet verlaat.

 

0

GELOOF HET OF NIET

Dagelijks
De afgelopen weken kwam ik drie keer god tegen.
I
Onder de titel God is springlevend in de filosofie stond dinsdag in de Volkskrant een ingezonden bijdrage van de filosofiedocenten Rutten en de Ridder. Hun boodschap was samengevat in de eerste alinea: ‘Amerikaanse en Britse filosofen hebben nieuwe argumenten voor het bestaan van God ontwikkeld, die niet op gespannen voet staan met de wetenschap’.
Ik werd nieuwsgierig.
Van huis uit ben ik katholiek, maar ergens tussen mijn 15een mijn 18e ben ik het geloof kwijt geraakt. Sindsdien ga ik als niet-gelovige door het leven. Ik vind vragen over de zin van het leven en over inspiratiebronnen belangrijk. Een levensovertuiging kan bovendien een belangrijke steun zijn in het verwerken van verdriet en in het aanvaarden van pijn. Maar ik geloof niet in een god en voel me niet aangetrokken tot een gemeenschap, die een machtige god wil dienen.
Jammer genoeg gaat het ingezonden stuk alleen over het gegeven dàt er nieuwe argumenten zijn voor het bestaan van god, maar komen deze argumenten zelf niet aan de orde. Het meest concreet is de volgende passage:
‘..(de argumenten) zijn ook niet vergezocht en staan niet op gespannen voet met wetenschap. Integendeel, sommige ervan berusten juist op modern wetenschappelijk onderzoek, zoals de ogenschijnlijke finetuning van het universum en de ontdekking dat de kosmos een absoluut begin heeft gehad’. Wat er met de finetuning bedoeld wordt ontgaat me. Teleurstellender is dat de argumenten ontbreken. Daarmee gaat de bijdrage uit als een nachtkaars in de kerk. Is het dan toch weer een kwestie van geloven?
II
Eénmaal per jaar ben ik bij een kerkelijke dienst. Op kerstavond zingt ons koor in een verpleeghuis voor een gehoor van bedlegerige, rolstoelgebonden of verwarde ouderen.
Dit jaar trok de sympathieke dominee in haar preek het kerstverhaal door naar de huidige tijd: ook in onze maatschappij zijn er mensen op zoek naar een plek. Zij sprak de bewoners persoonlijk aan: ‘U zou denk ik liever niet hier zijn’. Ze sprak over achteruitgang en verlies. Bij veel bewoners waren de ogen gesloten en de mond geopend.
Tot op dit punt kon ik haar goed volgen. Ik dacht aan mijn kleinkinderen, die een plek verdienen. De preek ging onvermijdelijk naar een oplossing toe. Ook hier was ik oprecht nieuwsgierig naar de zin die de dominee zou verbinden aan het ongemak van de  bewoners. Haar conclusie luidde: ‘God is er altijd voor ons’.
Misschien was dit voor de aanwezige ouderen een troostende en steunende gedachte, maar ik haakte af. Of zou de dominee met god de liefde bedoelen? Moet ik het zo zien, dat het samenkomen en delen van gedachten op zich al leidt tot verbondenheid en aanvaarding? Maar waarom zouden we er dan een mensachtig wezen als god bij moeten halen?
III
Vlak voor deze kerst was er regelmatig een spotje op de radio dat opriep om eens kennis te maken met de Remonstranten:
‘Wij vinden dat geloof begint bij jou. Met de dingen die jij meemaakt en de vragen die hierop volgen. (…). Als geloof bij jou begint, dan is het ook van jou. Mag je er een eigen mening over hebben, dingen ter discussie stellen. En zelfs de vrijheid nemen om niet alles te geloven’.
Dit was het derde moment van nieuwsgierigheid. Een kerkgemeenschap, die een persoonlijke invalshoek kiest voor het geloof, dat kom je niet vaak tegen. Of is het slimme marketing? Ik ging eens verder kijken. De website begint met bovenstaand citaat. Vervolgens las ik, dat je vriend kunt worden van de Remonstranten, je hoeft je niet aan te sluiten. Verder lezend kwam ik god al gauw weer tegen: ‘de Remonstrantse Broederschap is een geloofsgemeenschap (…) die God wil eren en dienen”.
Drie ontmoetingen en drie maal een ontkenning. De haan heb ik nog niet horen kraaien. Wat heeft het me opgeleverd? Een overdenking en een gedachtebepaling.
In deze tijd voeren economische principes van zakelijkheid en efficiëntie de boventoon.  Dat vraagt  om meer aandacht voor zingeving, voor normen en waarden en voor elkaar. Daar hoeft voor mij geen opperwezen aan te pas te komen. Wat ik wel eens mis, is het gevoel van ergens bij horen, onderdeel te zijn van een gemeenschap. Dat is de herinnering aan het gelovige nest. 
1

OP JE HOEDE VOOR JE WOEDE

Dagelijks
Het kost mij moeite om het te bekennen, maar ik kan er niet omheen: omgaan met boosheid is niet mijn sterkste kant. Als mij iets niet lukt, of als anderen mij in de weg zitten, dan ligt de irritatie al snel op de loer. Vervolgens weet ik niet goed wat ik met dat gevoel moet doen.
Zo kan ik al kregelig worden als ik een theedoek wil ophangen en ik het lusje pas bij de vierde hoek van de doek vind. Handleidingen van mobiele telefoons of downloadprogramma’s op Internet vormen ook een gemakkelijke bron van irritaties. De werking wordt slechts ten dele uitgelegd. Of er worden zaken bekend verondersteld die men mij nooit verteld heeft.
Verder weten mijn gezinsleden, dat ze zich beter niet in mijn buurt kunnen vertonen als vader in de kelder een fiets gaat repareren. Ik heb de firma Batavus al ettelijke malen vervloekt om de ondeugdelijke voorlampen, slecht bevestigde jasbeschermers of niet te openen kettingkasten.
Vaak gaat het om klussen, waar ik eigenlijk geen zin in heb. Als het dan niet meteen wil lukken en ik bovendien nog vind dat ik het klusje in een handomdraai moet kunnen klaren, dan ontstaat er een almaar toenemende onrust, die zicn een weg naar buiten zoekt en die na enige tijd ontsnapt via een flinke zucht, een kreet of een vloek.
Laatst heb ik mij nog ernstig moeten inhouden toen er een colporteur van kunstkaarten voor het goede doel tijdens het avondeten voor de deur stond. Ik kreeg de neiging om hem van het trapje te lazeren, omdat de arme man al de vijfde was die week die zo nodig onder het avondeten aandacht kwam vragen voor een schrijnende misstand.
Ooit heb ik daadwerkelijk een keer een tik uitgedeeld. Ik moest tijdens een sneeuwbui op de fiets onverhoeds in mijn remmen knijpen. Er kwam mij een grote groep scholieren tegemoet, die geen enkele ruimte liet voor een tegenligger. Dat was mij al vaak overkomen. Een ex-collega van mij is eens voor hetzelfde vergrijp door de politie opgebracht.
In mijn jonge jaren werd ik driftig genoemd. Als er ergens iets begon te koken, stuurde mijn moeder mij snel naar kruidenier Broekhuysen voor een pond suiker. Zo heb ik heel wat onnodige boodschapjes gehaald. De emotie moest beheerst en binnengehouden worden. Dat is een gevaarlijke strategie. Want als je irritaties opspaart dan barst de bom later alsnog en heftiger dan je wilt. Of de agressie keert zich tegen jezelf. Daar kan je depressief van worden.
Van alle emoties is de boosheid wel het lastigste te hanteren. Ik ben tenminste nog maar weinig mensen tegengekomen, die gebukt gaan onder gevoelens van hoop of verbazing.
De vraag is wat je het beste kunt doen, als je voelt dat je boos wordt. Tot tien tellen biedt alleen op de korte termijn soelaas.
In voorbije eeuwen werden spanningen niet uitgepraat, maar uitgevochten. Als kind heb ik nog lang in deze traditie gestaan door op het schoolplein menig robbertje te vechten. Als volwassenen moeten we andere manieren vinden om onze boosheid in goede banen te leiden.
Gelukkig zijn er genoeg humane instellingen, waar je kunt leren hoe je beter je agressie kunt reguleren. Op je hoede voor je woede, heet bijvoorbeeld zo’n cursus. Je leert op een beschaafde manier om negatieve gedachten die de boosheid uitlokken te vervangen door positieve gedachten. Hé Batavus, je nodigt mij uit om nieuwe dingen te leren!
Je kunt natuurlijk ook even lekker stampen of hardlopen. Accepteren, dat je deze gevoelens hebt. Boosheid omzetten in humor. Of een pondje suiker bestellen op Internet. 
Ach, we hebben nog veel te leren.  Voor sommige mannen zou een cursus Op je hoede voor je roede ook niet verkeerd zijn.
0

OPBORRELENDE GEDACHTEN

Dagelijks
Heb je wel eens de behoefte om de zaken op een rijtje te zetten? Wil je in alle rust een oplossing voor een probleem bedenken? Of wil je je creativiteit eens de vrije teugels geven?
Neem dan eens een bad.
(Heb je geen bad, vraag er dan een voor je verjaardag).
Niets is zo behaaglijk en ontspannend als een bad. Nergens kan ik zo rustig en helder denken. Geen andere bezigheid – als ik dit liggen en niets doen een bezigheid kan noemen – leidt tot meer creativiteit.
Natuurlijk, ook een bed is heerlijk, maar mijn gedachten worden tussen de lakens al snel overmeesterd door de slaap.
Ik kan ook gewoon in de kamer op de bank gaan liggen, niets doen en kijken welke schitterende inzichten er in mij opkomen. Een kamer nodigt echter uit tot een activiteit: de was vouwen of iets overbodigs opzoeken op internet. In de badkamer, ondergedompeld in het water, is er geen enkele afleiding. Je loopt niet zomaar weg. Er is niets dan stilte, warmte en ontspanning.
Zo maar genieten van het dolce fare niente heb ik mijzelf moeten aanleren.
Toen ik jong was hadden we thuis wel een bad, als opvolger van de teil in de keuken, maar dat bad werd puur functioneel gebruikt. Mijn ouders hadden op zolder een badkamer laten timmeren. De wandjes waren van hardboard en het plafond van zachtboard. Boardmaterialen waren destijds erg in. Zelfs de namaaktegeltjes om het bad heen waren van hardboard. We wasten ons éénmaal per week van top tot teen met zeep. Mensen die destijds zeiden dat je in een bad in je eigen vuil ligt, hadden groot gelijk. Als het water was weggelopen, bleven er rondom randen van vuil en zeep achter.
Toen wij zelf in 1985 ons eerste huis kochten, lieten we op de eerste etage een sobere badkamer inrichten met witte tegels. Naast de douche kwam er een bad. We hadden er de ruimte voor. Zoon A is nog bijna in bad geboren. Om tijdens de weeën de ontspanning te bevorderen ging G af en toe in het warme water zitten. Onderwaterbevallingen waren toen populair. Ik maakte me al zorgen, dat ik voor niets die ijzeren klossen voor het bed bij de Kruisvereniging gehaald had.
Twintig jaar daarna lieten we een nieuwe badkamer aanleggen. Er was in de loop der jaren zoveel water tussen de tegels en de houten vloer gesijpeld, dat het 19e eeuwse stucplafond in de keuken naar beneden was gekomen. Met behulp van een handige 3-D tool op een site voor badkamerbeleving ontwierpen we zelf ons nieuwe waterparadijs. Op instigatie van A kochten we een bad met een binnenmaat van 1 m 90, zo ongeveer zijn eigen lengte. Daar kan je heerlijk languit in liggen. Er werden nog geen discussies gevoerd over verspilling van water en plassen onder de douche.
Ik ben nu echter de enige die hier van geniet. G houdt niet van dat weke gedoe. Na vijf minuten is ze wel uitgekeken en gaat ze met een boek op de bank liggen.
Om de creativiteit in bad te bevorderen hoef je niets te doen, sterker nog: moet je niets doen. Je laat jezelf in de warmte onderdompelen, tuurt eens naar de bewegingen van het schuim of naar de strepen in de tegels. Als vanzelf komen de dingen die belangrijk zijn in je hoofd naar boven en als vanzelf kom je tot inzichten en gedachten, méér en betere dan als je er speciaal voor gaat zitten. Je laat  de gedachten komen, je laat ze opborrelen, zoals er luchtbelletjes onder water omhoog kunnen komen.
De wereld zou er heel wat mooier uitzien als iedereen de kans krijgt om elke week op zijn gemak een bad te nemen. Het gemak zou eigenlijk de naam voor een bad moeten zijn.

Het lijkt me wel prettig als iemand (in bad) nog eens waterbestendige boekjes en potloden kan uitvinden. Zodat je niet al die mooie ideëen hoeft te onthouden. Want dat is weer een ander probleem, waar ik nog eens een oplossing voor moet vinden.

0

INFOBESITAS EN ROEPTOETERS

Dagelijks
Ieder jaar als ik terugkeer van vakantie lijkt het wel weer erger: de hoeveelheid informatie die in één keer op mij afkomt. Stapels kranten, massa’s mails, brieven, aankondigingen, boeken die verschenen zijn, achtergrondartikelen op interessante websites, festivals die gehouden worden, buurtactiviteiten, weblogs. En dan ‘zit’  ik nog niet eens op Twitter of Facebook. Bij al die informatie krijg ik het gevoel dat ik tekort schiet. Moet ik eigenlijk niet meer weten van alles wat er speelt? Wat mis ik als ik de ontwikkelingen niet een beetje bijhoud?
Sommigen spreken van infobesitas. Dat is de ziekelijke neiging tot het volgen van informatie om maar niets te hoeven missen. Alsof je een grote bibliotheek binnenloopt en je voorneemt om alle boeken te gaan lezen. Zodat je tenminste mee kan praten op verjaardagen. Volgens de Volkskrant krijgen we twintig maal zoveel informatie te verwerken als twintig jaar geleden. (Vraag niet hoe men dit vastgesteld heeft).
In het digitale tijdperk wordt van alles met elkaar gedeeld. Er is geen onderwerp te bedenken, waar niet een website over bestaat, waar je mee kunt denken. De overheid zet sites op om mee te praten over de toekomst van Nederland. Teveel mensen hebben teveel oplossingen, zei de Amerikaanse politiek filosoof Michael Sandel in een uitzending van Human. We kwekken teveel door elkaar heen.
Nadat ik het eerste deel van dit blog geschreven had, las ik vandaag in de Volkskrant een interview met de Amerikaanse oud-bevelhebber en strateeg William Fallon. Hij zegt daarin: ‘er is tegenwoordig zoveel informatie (…) dat het verwarring veroorzaakt en de regering dwingt snel te handelen. Het kan leiden tot slechte beslissingen of besluiteloosheid’.
Naast de infobesitas zou je minstens evenzeer kunnen spreken van een ziekelijke neiging om jezelf te willen laten horen: door je mening te delen op fora, oneliners te plaatsen op Twitter, of weblogs bij te houden. We zijn met zijn allen een stel roeptoeters geworden. Als alles wat geschreven wordt hoorbaar zou zijn, zou er een babylonische kakofonie van de aarde opstijgen. Sites als LinkeIn stimuleren dit gedrag door de Influencers van de week bij te houden en de meest gelezen blogs te turven.  Ik kwam laatst op 50plusser.nl, een site waarop vijftigplussers van alles met elkaar kunnen delen: nieuws, foto’s, recepten, reisjes, kunstwerken, cursussen, blogs. Op dit platform houden welgeteld 2631 vijftigplussers een weblog bij. Je kunt het niet meer ziekelijk noemen. Het is normaal geworden.
In samenhang met het probleem van de informatie-overload zie ik een ander knelpunt. Hoe al deze meningen en ervaringen te beoordelen? Op welk referentiekader baseer ik mijn ‘goed’ of ‘slecht’, welke normen en waarden zijn mijn leidraad? In de huidige westerse cultuur zijn waarden als efficiency, individualisme en competitie leidend. Waar kan ik terecht voor een kritischer geluid?
Niet bij de oude religieuze instituties, waarmee ik ben opgegroeid en in het verzet waartegen ik me heb ontwikkeld. De grote politieke stromingen van weleer hebben aan kracht ingeboet. De verzuilde media zijn opgelost in een amorfe brij van productiemaatschappijen die dingen om de gunst van de lezer en de kijker. Media die ooit links genoemd werden zijn dat al lang niet meer. Ze zijn omgekomen in teveel dogmatiek of veranderd in dichtbij-huis-berichtgeving over te zware schooltassen van brugklassers. Beschouwende praatprogramma’s zijn veranderd in entertainment (ook hier wijk ik met mijn blog meestal niet van de hoofdstroom af, moet ik bekennen).
De patriarchale maatschappij met de vaste denkkaders is er niet meer. De vrijheid van denken die we wilden is realiteit, maar het paradoxale is dat er veel onzekerheid voor in de plaats is gekomen. Of zoals iemand zei (het zal wel een socioloog geweest zijn): we waren nog nooit zo vrij, maar ook nog nooit zo machteloos. Zo loert het gevaar van het verlangen naar een sterke man of één sterke ideologie om de hoek.  Ik denk dat we het meer in kleine verbanden moeten zoeken.

 

0

PUNTJE, PUNTJE, PUNTJE

Dagelijks
Afgelopen zondag bezochten we de tentoonstelling Seurat, meester van het pointillisme. De Franse schilder Georges Seurat (1859 – 1891)  bouwde zijn schilderijen op uit ontelbare stipjes. Hij werkte veel aan de Noord-Franse kust om ‘zich te bezatten aan het licht’. Daarnaast legde hij taferelen in Parijs vast, zoals een circusact en dansers in een nachtclub.
Seurat heeft diverse keren mijn pad gekruist.
Om mijn studentenkamer aan de Oude Kamp in Utrecht te verfraaien kocht ik in 1976 een grote poster van Un dimanche après-midi à l’Île de la Grande Jatte en prikte die op de wand van grijze glaswolcement platen.
In ‘97 bezochten we de tentoonstelling Seurat and the bathers in the National Gallery in London. In onze kelder hangt als decoratie nog altijd een plastic tasje met een detail van Une baignade, Asnières, een soortgelijk tafereel als hierboven. Wat we in London verder aan werken gezien hebben, weet ik niet meer. Daarom was het geen enkel bezwaar om opnieuw een Seurat-expositie te bezoeken. Vergeten heeft ook zijn voordelen.
Eigenlijk is het bezoeken van zo’n tentoonstelling gekkenwerk. Het aantal schilderijen dat ik gemiddeld genomen op een normale dag bekijk ligt in de buurt van de 0,01. Opeens ga ik dan in een paar uur tijd 60 schilderijen bekijken. Is dat niet te veel en te snel? Kunstpresentator Pierre Janssen kon wel een half uur geboeid naar één schilderij kijken. Maar ja, we staan langdurig in de rij om binnen te komen en leggen er € 17,50 p.p. voor neer. Dan ga je niet vier schilderijen uit en te na bestuderen en vervolgens weer naar huis. Dat langdurig kijken kan je thuis op Internet ook nog doen.
Ik moet bekennen, dat ik me niet altijd even gemakkelijk voel in een museum. Als ik mijn jas en tas heb afgeleverd en aarzelend de eerste zaal in loop, vraag ik me af hoe ik het bezoek ga aanpakken.
Kijk ik gewoon naar wat er te zien is op de schilderijen of let ik op wat een werk bij mij oproept? Probeer ik te achterhalen wat de schilder wil uitdrukken of wat het zegt over de tijd waarin het ontstaan is? Of kijk ik naar de wijze van schilderen, de compositie, de lichtval, de techniek? Ik wissel nogal eens van invalshoek.
Hoe dan ook vraag ik me af, wat de keuze van het onderwerp en de wijze van schilderen zeggen over de maker. Wat voor man ben je als je een schilderij uit duizenden puntjes opbouwt?
Verder kijk ik in een museum –  ik kan er niets aan doen, ik ben zo opgeleid – ook naar de andere bezoekers (overeenkomstig de definitie: a psychologist is someone who, when a good-looking girl enters the room, watches everybody else).
Er zijn bezoekers, die minutieus teksten doorlezen en nauwelijks een blik werpen op het betreffende kunstwerk. Je hebt de Japanners die zich op de foto laten zetten naast een overbekende van Gogh.
Er zijn de ingewijden die hard pratend in de rustige zaal hun kennis aan anderen laten blijken en je hebt de stille kijkers, mensen die heel lang en zonder beweging tussen het schuifelende publiek hun blik op een schilderij gericht houden.
Seurat zelf had weinig aandacht voor de mens. Hij schilderde het liefst boten en rotspartijen aan de kust. Zonder mensen. Op werken waar hij deze wel schildert, zoals boven, lijken het levenloze poppen, stijve figuren, in zichzelf verzonken, zonder beweging en zonder contact met anderen. Opvallend zijn de dames met de kunstmatig vergrote derrières, een contrapunt met de boezem aan de voorzijde. Het lijkt een tijd van knellende structuren. Zou Seurat zich met zijn puntjestechniek ook een keurslijf opgelegd hebben?
Vragen opwerpen, het hoort bij de kunst. Pierre Janssen kon er ook wat van. Dan hield de camera zijn blik een tijdlang gevangen. Daarna zette de muziek in.

 

1

DE PRUNUS DOMESTICA

Dagelijks

‘Tot ziens in de pruimentijd!’

Deze afscheidsgroet heeft volgens het Genootschap Onze Taal twee betekenissen: ‘tot over een poosje’ of, als je niet weet wanneer je de ander weer zult zien, ‘tot ooit’. De herkomst van de uitdrukking is niet bekend. Mogelijk is de zegswijze bedacht door P.C. Hooft, die in de zomer zijn vrienden op het Muiderslot ontving. Je hoort de uitdrukking niet veel meer. Het areaal pruimen in Nederland vertoont al jaren een dalende tendens.
Wij kunnen de groet nog in de letterlijke betekenis gebruiken. Achter in onze tuin staat een prunus domestica. De pruimenboom brengt elk jaar een groot aantal ronde, paarskleurige pruimpjes van een onbekend merk voort.
Ik hou van die pruimenboom.
Het is een hele oude, eerbiedwaardige boom. Misschien is ie wel net zo oud als ons huis (1897) of zelfs ouder. Ons huis is namelijk gebouwd op een plaats die in de negentiende eeuw de groentetuin van Utrecht werd genoemd. Er staan nog meer oude fruitbomen in de buurt. Hoe oud de boom is valt niet te achterhalen. Het Meertens-instituut houdt geen databank van vruchtbomen bij. Maar zo’n oud sieraad haal je niet neer.
De boom staat op de grens met de tuin van de achterburen, een studentenhuis van het Utrechts StudentenCorps. Hij vormt een natuurlijke scheiding en schermt een groot deel van het jaar met zijn lover het zicht op onze tuin en ons huis af (helaas houdt hij het geluid niet tegen).
Daarnaast fungeert de pruimenboom als hèt landingspunt voor langsvliegende vogels. Vooral in de winter zitten er niet alleen mezen en vinken, maar ook sijsjes, spechten, boomkruipers en –klevers, koperwieken en zwartkoppen in de boom. Ze rusten even uit of ze vinden voedsel tussen de rimpels van de oude bast.
De enorme lading vruchten die de boom elk jaar weer oplevert nemen wij op de koop toe.
Natuurlijk, we eten er ook van. Het pruimpje heeft de authentieke, volle smaak van een huisgekweekte, langzaam gerijpte vrucht. Pruimen zijn, zoals mijn vader zou zeggen, goed voor een zeker doel. Daarmee bedoelde hij dat het zijn stoelgang bevorderde. Maar als ergens het gezegde ‘overdaad schaadt’ opgaat, dan geldt dat wel de pruimenconsumptie. Eet je teveel dan moet je die gang vaak maken.
In vroeger jaren klom ik onverdroten de boom in om de rijkdom te oogsten. We spreidden de pruimen op oude kranten in de kelder. We maakten er jam van, saus en pruimentaart.
Mijn moeder gold daarbij als groot voorbeeld. Ik ken niemand die vrijwillig zoveel jam van allerhande vruchten heeft geproduceerd en kostenloos gedistribueerd als mijn moeder. Pruimen had zij echter niet in haar tuin. Had ze die gehad, dan was ze wellicht tot dezelfde conclusie gekomen als wij. Na enkele dagen smullen van de zelf bereide pruimenproducten gaat de geur je opeens lelijk tegenstaan. Dan smaakt alles ontzettend weeïg. Alleen al de aanblik van zo’n paars mormel brengt de maag dan in opstand.
De vrucht is niet altijd te pruimen. Het woord zegt het al. ‘O, pruimen!’ leidt tot opruimen.
Nu rapen we elke dag een emmer vol van wat er op de grond gevallen is. We eten met mate van wat niet bedorven of aangevreten is en geven nog wel eens wat weg. Maar de rest wordt doorgedraaid. Met die Russische boycot is het fruit op de markt immers niets meer waard. Misschien moeten we ons maar gaan toeleggen op het stoken van slivovitsj. Dat zal wel niet onder de boycot vallen.
Tegelijkertijd voeren we onze strijd op tegen de grootste liefhebber van de pruim. Het schepsel dat je niet hoort en nauwelijks ziet. Het beest dat wij elk jaar in de pruimentijd weer in grote aantallen mogen begroeten: de fruitvlieg.
Zo gaat dat jaar in, jaar uit. Daarmee wordt waar wat men in Engeland zegt:
Time flies like an eagle
Fruit flies like a prune.
0

HET WASSENDE WATER

Dagelijks

Watermanagement. Wij Nederlanders staan er wijd en zijd om bekend. Is er ergens ter wereld een dijkdoorbraak of overstroming, dan wordt Nederlandse expertise ingevlogen. Wij zijn groot geworden in de strijd tegen het water. Een deel van ons land ligt onder het zeeniveau, tot verbazing van niet-Nederlanders. Alle prognoses over de stijgende zeespiegel, die ervoor zal zorgen dat Amersfoort over enige tijd aan zee ligt, verontrusten ons niet. Buitenlanders kijken in Nederland hun ogen uit naar al die parallelle slootjes en vaarten tussen de weilanden. Watergemalen zijn een attractie geworden.
Watermanagement is zo’n onwrikbaar onderdeel van ons imago, dat, toen er eind negentiger jaren een zinvolle tijdsbesteding werd gezocht voor onze a.s. koning, de keuze als vanzelf op waterbeheer en sanitatie viel.
De laatste jaren staan we in Nederland weer voor nieuwe uitdagingen. Door de klimaatverandering hebben we ‘s zomers in toenemende mate te maken met wolkbreuken en stortbuien. De Deltacommissie is weer nieuw leven ingeblazen. Zij concludeerde onlangs dat er in Nederland teveel asfalt en stenen liggen waardoor bij heftige buien het water niet meer weg kan. Dat zorgt voor ondergelopen straten en natte kelders. De commissie waarschuwt dat de wateroverlast in de toekomst alleen nog maar zal toenemen.
De dreiging van een nieuwe zondvloed is onze straf voor de opwarming van de aarde.
Het is niet alleen maar goed wat er van boven komt.

Op maandag 28 juli ontlaadde zich boven Utrecht en omgeving een wolk met een enorme plens water. Een deel van het winkelcentrum Hoog-Catharijne werd wegens lekkage gesloten. Er kwam zoveel omlaag dat het niet meer met een emmertje hier en een bakje daar was op te lossen. De Oude Gracht trad bijna buiten haar oevers. Dat enkele kroonjuwelen van de stad gevaar liepen, daar konden we nog mee leven. Erger voor ons was, dat het grondwater in onze woonomgeving dusdanig gestegen was, dat het water geleidelijk maar aanhoudend onze kelder binnen kwam siepelen. Het liep door kieren en naden, aanvankelijk in kleine hoeveelheden die nog bij te dweilen waren. Maar juist toen de ergste stortvloed voorbij was en de redding nabij leek, kwam het water, onduidelijk vanuit welke kant, in golven naar binnen stromen.
Sinds we dit huis bewonen, vanaf 1985, is de kelder twee keer eerder ondergelopen. Eenmaal was de brandweer in de straat om kelders leeg te pompen. Bij de aanblik van de 6 centimeter die in onze kelder stond was het schampere antwoord: ‘Dat blijft er ongeveer over als wij ons werk gedaan hebben’.
Dus restte ons, toen en vorige week, niets anders dan dweilen, dweilen, en dweilen. Honderden emmers vol, tot onze beenspieren overbelast raakten bij het bukken, onze ruggen pijn gingen doen bij het sjouwen van de emmers, en het vel van onze handen kapot ging door het wringen (vervloekt zij de firma die de gele huishoudhandschoentjes alleen maar in damesmaten op de markt brengt).
Ik zag ondertussen beelden voor me van meubels die ronddreven in huizen en aardappels die wegrotten op ondergelopen akkers. De gedachte dat het het ongeluk je altijd nog erger kan treffen, werkt verzachtend.
Nu is alles weer opgedroogd. De spullen staan op stenen of houten verhogingen. Gestimuleerd door de Deltacommissie hebben we een rampenplan uitgewerkt (werktitel: Après nous le déluge). Nieuwe materialen zijn aangeschaft, verantwoordelijkheden beschreven en roosters voor piketdiensten opgesteld.
Watermanagement. Het is onze lust en ons leven.
En nu moet ik naar de wc.

Met dank aan streekschrijver Herman de Man, die deze titel voor een van zijn boeken bedacht.