Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

INFOBESITAS EN ROEPTOETERS

Dagelijks
Ieder jaar als ik terugkeer van vakantie lijkt het wel weer erger: de hoeveelheid informatie die in één keer op mij afkomt. Stapels kranten, massa’s mails, brieven, aankondigingen, boeken die verschenen zijn, achtergrondartikelen op interessante websites, festivals die gehouden worden, buurtactiviteiten, weblogs. En dan ‘zit’  ik nog niet eens op Twitter of Facebook. Bij al die informatie krijg ik het gevoel dat ik tekort schiet. Moet ik eigenlijk niet meer weten van alles wat er speelt? Wat mis ik als ik de ontwikkelingen niet een beetje bijhoud?
Sommigen spreken van infobesitas. Dat is de ziekelijke neiging tot het volgen van informatie om maar niets te hoeven missen. Alsof je een grote bibliotheek binnenloopt en je voorneemt om alle boeken te gaan lezen. Zodat je tenminste mee kan praten op verjaardagen. Volgens de Volkskrant krijgen we twintig maal zoveel informatie te verwerken als twintig jaar geleden. (Vraag niet hoe men dit vastgesteld heeft).
In het digitale tijdperk wordt van alles met elkaar gedeeld. Er is geen onderwerp te bedenken, waar niet een website over bestaat, waar je mee kunt denken. De overheid zet sites op om mee te praten over de toekomst van Nederland. Teveel mensen hebben teveel oplossingen, zei de Amerikaanse politiek filosoof Michael Sandel in een uitzending van Human. We kwekken teveel door elkaar heen.
Nadat ik het eerste deel van dit blog geschreven had, las ik vandaag in de Volkskrant een interview met de Amerikaanse oud-bevelhebber en strateeg William Fallon. Hij zegt daarin: ‘er is tegenwoordig zoveel informatie (…) dat het verwarring veroorzaakt en de regering dwingt snel te handelen. Het kan leiden tot slechte beslissingen of besluiteloosheid’.
Naast de infobesitas zou je minstens evenzeer kunnen spreken van een ziekelijke neiging om jezelf te willen laten horen: door je mening te delen op fora, oneliners te plaatsen op Twitter, of weblogs bij te houden. We zijn met zijn allen een stel roeptoeters geworden. Als alles wat geschreven wordt hoorbaar zou zijn, zou er een babylonische kakofonie van de aarde opstijgen. Sites als LinkeIn stimuleren dit gedrag door de Influencers van de week bij te houden en de meest gelezen blogs te turven.  Ik kwam laatst op 50plusser.nl, een site waarop vijftigplussers van alles met elkaar kunnen delen: nieuws, foto’s, recepten, reisjes, kunstwerken, cursussen, blogs. Op dit platform houden welgeteld 2631 vijftigplussers een weblog bij. Je kunt het niet meer ziekelijk noemen. Het is normaal geworden.
In samenhang met het probleem van de informatie-overload zie ik een ander knelpunt. Hoe al deze meningen en ervaringen te beoordelen? Op welk referentiekader baseer ik mijn ‘goed’ of ‘slecht’, welke normen en waarden zijn mijn leidraad? In de huidige westerse cultuur zijn waarden als efficiency, individualisme en competitie leidend. Waar kan ik terecht voor een kritischer geluid?
Niet bij de oude religieuze instituties, waarmee ik ben opgegroeid en in het verzet waartegen ik me heb ontwikkeld. De grote politieke stromingen van weleer hebben aan kracht ingeboet. De verzuilde media zijn opgelost in een amorfe brij van productiemaatschappijen die dingen om de gunst van de lezer en de kijker. Media die ooit links genoemd werden zijn dat al lang niet meer. Ze zijn omgekomen in teveel dogmatiek of veranderd in dichtbij-huis-berichtgeving over te zware schooltassen van brugklassers. Beschouwende praatprogramma’s zijn veranderd in entertainment (ook hier wijk ik met mijn blog meestal niet van de hoofdstroom af, moet ik bekennen).
De patriarchale maatschappij met de vaste denkkaders is er niet meer. De vrijheid van denken die we wilden is realiteit, maar het paradoxale is dat er veel onzekerheid voor in de plaats is gekomen. Of zoals iemand zei (het zal wel een socioloog geweest zijn): we waren nog nooit zo vrij, maar ook nog nooit zo machteloos. Zo loert het gevaar van het verlangen naar een sterke man of één sterke ideologie om de hoek.  Ik denk dat we het meer in kleine verbanden moeten zoeken.

 

0

PUNTJE, PUNTJE, PUNTJE

Dagelijks
Afgelopen zondag bezochten we de tentoonstelling Seurat, meester van het pointillisme. De Franse schilder Georges Seurat (1859 – 1891)  bouwde zijn schilderijen op uit ontelbare stipjes. Hij werkte veel aan de Noord-Franse kust om ‘zich te bezatten aan het licht’. Daarnaast legde hij taferelen in Parijs vast, zoals een circusact en dansers in een nachtclub.
Seurat heeft diverse keren mijn pad gekruist.
Om mijn studentenkamer aan de Oude Kamp in Utrecht te verfraaien kocht ik in 1976 een grote poster van Un dimanche après-midi à l’Île de la Grande Jatte en prikte die op de wand van grijze glaswolcement platen.
In ‘97 bezochten we de tentoonstelling Seurat and the bathers in the National Gallery in London. In onze kelder hangt als decoratie nog altijd een plastic tasje met een detail van Une baignade, Asnières, een soortgelijk tafereel als hierboven. Wat we in London verder aan werken gezien hebben, weet ik niet meer. Daarom was het geen enkel bezwaar om opnieuw een Seurat-expositie te bezoeken. Vergeten heeft ook zijn voordelen.
Eigenlijk is het bezoeken van zo’n tentoonstelling gekkenwerk. Het aantal schilderijen dat ik gemiddeld genomen op een normale dag bekijk ligt in de buurt van de 0,01. Opeens ga ik dan in een paar uur tijd 60 schilderijen bekijken. Is dat niet te veel en te snel? Kunstpresentator Pierre Janssen kon wel een half uur geboeid naar één schilderij kijken. Maar ja, we staan langdurig in de rij om binnen te komen en leggen er € 17,50 p.p. voor neer. Dan ga je niet vier schilderijen uit en te na bestuderen en vervolgens weer naar huis. Dat langdurig kijken kan je thuis op Internet ook nog doen.
Ik moet bekennen, dat ik me niet altijd even gemakkelijk voel in een museum. Als ik mijn jas en tas heb afgeleverd en aarzelend de eerste zaal in loop, vraag ik me af hoe ik het bezoek ga aanpakken.
Kijk ik gewoon naar wat er te zien is op de schilderijen of let ik op wat een werk bij mij oproept? Probeer ik te achterhalen wat de schilder wil uitdrukken of wat het zegt over de tijd waarin het ontstaan is? Of kijk ik naar de wijze van schilderen, de compositie, de lichtval, de techniek? Ik wissel nogal eens van invalshoek.
Hoe dan ook vraag ik me af, wat de keuze van het onderwerp en de wijze van schilderen zeggen over de maker. Wat voor man ben je als je een schilderij uit duizenden puntjes opbouwt?
Verder kijk ik in een museum –  ik kan er niets aan doen, ik ben zo opgeleid – ook naar de andere bezoekers (overeenkomstig de definitie: a psychologist is someone who, when a good-looking girl enters the room, watches everybody else).
Er zijn bezoekers, die minutieus teksten doorlezen en nauwelijks een blik werpen op het betreffende kunstwerk. Je hebt de Japanners die zich op de foto laten zetten naast een overbekende van Gogh.
Er zijn de ingewijden die hard pratend in de rustige zaal hun kennis aan anderen laten blijken en je hebt de stille kijkers, mensen die heel lang en zonder beweging tussen het schuifelende publiek hun blik op een schilderij gericht houden.
Seurat zelf had weinig aandacht voor de mens. Hij schilderde het liefst boten en rotspartijen aan de kust. Zonder mensen. Op werken waar hij deze wel schildert, zoals boven, lijken het levenloze poppen, stijve figuren, in zichzelf verzonken, zonder beweging en zonder contact met anderen. Opvallend zijn de dames met de kunstmatig vergrote derrières, een contrapunt met de boezem aan de voorzijde. Het lijkt een tijd van knellende structuren. Zou Seurat zich met zijn puntjestechniek ook een keurslijf opgelegd hebben?
Vragen opwerpen, het hoort bij de kunst. Pierre Janssen kon er ook wat van. Dan hield de camera zijn blik een tijdlang gevangen. Daarna zette de muziek in.

 

1

DE PRUNUS DOMESTICA

Dagelijks

‘Tot ziens in de pruimentijd!’

Deze afscheidsgroet heeft volgens het Genootschap Onze Taal twee betekenissen: ‘tot over een poosje’ of, als je niet weet wanneer je de ander weer zult zien, ‘tot ooit’. De herkomst van de uitdrukking is niet bekend. Mogelijk is de zegswijze bedacht door P.C. Hooft, die in de zomer zijn vrienden op het Muiderslot ontving. Je hoort de uitdrukking niet veel meer. Het areaal pruimen in Nederland vertoont al jaren een dalende tendens.
Wij kunnen de groet nog in de letterlijke betekenis gebruiken. Achter in onze tuin staat een prunus domestica. De pruimenboom brengt elk jaar een groot aantal ronde, paarskleurige pruimpjes van een onbekend merk voort.
Ik hou van die pruimenboom.
Het is een hele oude, eerbiedwaardige boom. Misschien is ie wel net zo oud als ons huis (1897) of zelfs ouder. Ons huis is namelijk gebouwd op een plaats die in de negentiende eeuw de groentetuin van Utrecht werd genoemd. Er staan nog meer oude fruitbomen in de buurt. Hoe oud de boom is valt niet te achterhalen. Het Meertens-instituut houdt geen databank van vruchtbomen bij. Maar zo’n oud sieraad haal je niet neer.
De boom staat op de grens met de tuin van de achterburen, een studentenhuis van het Utrechts StudentenCorps. Hij vormt een natuurlijke scheiding en schermt een groot deel van het jaar met zijn lover het zicht op onze tuin en ons huis af (helaas houdt hij het geluid niet tegen).
Daarnaast fungeert de pruimenboom als hèt landingspunt voor langsvliegende vogels. Vooral in de winter zitten er niet alleen mezen en vinken, maar ook sijsjes, spechten, boomkruipers en –klevers, koperwieken en zwartkoppen in de boom. Ze rusten even uit of ze vinden voedsel tussen de rimpels van de oude bast.
De enorme lading vruchten die de boom elk jaar weer oplevert nemen wij op de koop toe.
Natuurlijk, we eten er ook van. Het pruimpje heeft de authentieke, volle smaak van een huisgekweekte, langzaam gerijpte vrucht. Pruimen zijn, zoals mijn vader zou zeggen, goed voor een zeker doel. Daarmee bedoelde hij dat het zijn stoelgang bevorderde. Maar als ergens het gezegde ‘overdaad schaadt’ opgaat, dan geldt dat wel de pruimenconsumptie. Eet je teveel dan moet je die gang vaak maken.
In vroeger jaren klom ik onverdroten de boom in om de rijkdom te oogsten. We spreidden de pruimen op oude kranten in de kelder. We maakten er jam van, saus en pruimentaart.
Mijn moeder gold daarbij als groot voorbeeld. Ik ken niemand die vrijwillig zoveel jam van allerhande vruchten heeft geproduceerd en kostenloos gedistribueerd als mijn moeder. Pruimen had zij echter niet in haar tuin. Had ze die gehad, dan was ze wellicht tot dezelfde conclusie gekomen als wij. Na enkele dagen smullen van de zelf bereide pruimenproducten gaat de geur je opeens lelijk tegenstaan. Dan smaakt alles ontzettend weeïg. Alleen al de aanblik van zo’n paars mormel brengt de maag dan in opstand.
De vrucht is niet altijd te pruimen. Het woord zegt het al. ‘O, pruimen!’ leidt tot opruimen.
Nu rapen we elke dag een emmer vol van wat er op de grond gevallen is. We eten met mate van wat niet bedorven of aangevreten is en geven nog wel eens wat weg. Maar de rest wordt doorgedraaid. Met die Russische boycot is het fruit op de markt immers niets meer waard. Misschien moeten we ons maar gaan toeleggen op het stoken van slivovitsj. Dat zal wel niet onder de boycot vallen.
Tegelijkertijd voeren we onze strijd op tegen de grootste liefhebber van de pruim. Het schepsel dat je niet hoort en nauwelijks ziet. Het beest dat wij elk jaar in de pruimentijd weer in grote aantallen mogen begroeten: de fruitvlieg.
Zo gaat dat jaar in, jaar uit. Daarmee wordt waar wat men in Engeland zegt:
Time flies like an eagle
Fruit flies like a prune.
0

HET WASSENDE WATER

Dagelijks

Watermanagement. Wij Nederlanders staan er wijd en zijd om bekend. Is er ergens ter wereld een dijkdoorbraak of overstroming, dan wordt Nederlandse expertise ingevlogen. Wij zijn groot geworden in de strijd tegen het water. Een deel van ons land ligt onder het zeeniveau, tot verbazing van niet-Nederlanders. Alle prognoses over de stijgende zeespiegel, die ervoor zal zorgen dat Amersfoort over enige tijd aan zee ligt, verontrusten ons niet. Buitenlanders kijken in Nederland hun ogen uit naar al die parallelle slootjes en vaarten tussen de weilanden. Watergemalen zijn een attractie geworden.
Watermanagement is zo’n onwrikbaar onderdeel van ons imago, dat, toen er eind negentiger jaren een zinvolle tijdsbesteding werd gezocht voor onze a.s. koning, de keuze als vanzelf op waterbeheer en sanitatie viel.
De laatste jaren staan we in Nederland weer voor nieuwe uitdagingen. Door de klimaatverandering hebben we ‘s zomers in toenemende mate te maken met wolkbreuken en stortbuien. De Deltacommissie is weer nieuw leven ingeblazen. Zij concludeerde onlangs dat er in Nederland teveel asfalt en stenen liggen waardoor bij heftige buien het water niet meer weg kan. Dat zorgt voor ondergelopen straten en natte kelders. De commissie waarschuwt dat de wateroverlast in de toekomst alleen nog maar zal toenemen.
De dreiging van een nieuwe zondvloed is onze straf voor de opwarming van de aarde.
Het is niet alleen maar goed wat er van boven komt.

Op maandag 28 juli ontlaadde zich boven Utrecht en omgeving een wolk met een enorme plens water. Een deel van het winkelcentrum Hoog-Catharijne werd wegens lekkage gesloten. Er kwam zoveel omlaag dat het niet meer met een emmertje hier en een bakje daar was op te lossen. De Oude Gracht trad bijna buiten haar oevers. Dat enkele kroonjuwelen van de stad gevaar liepen, daar konden we nog mee leven. Erger voor ons was, dat het grondwater in onze woonomgeving dusdanig gestegen was, dat het water geleidelijk maar aanhoudend onze kelder binnen kwam siepelen. Het liep door kieren en naden, aanvankelijk in kleine hoeveelheden die nog bij te dweilen waren. Maar juist toen de ergste stortvloed voorbij was en de redding nabij leek, kwam het water, onduidelijk vanuit welke kant, in golven naar binnen stromen.
Sinds we dit huis bewonen, vanaf 1985, is de kelder twee keer eerder ondergelopen. Eenmaal was de brandweer in de straat om kelders leeg te pompen. Bij de aanblik van de 6 centimeter die in onze kelder stond was het schampere antwoord: ‘Dat blijft er ongeveer over als wij ons werk gedaan hebben’.
Dus restte ons, toen en vorige week, niets anders dan dweilen, dweilen, en dweilen. Honderden emmers vol, tot onze beenspieren overbelast raakten bij het bukken, onze ruggen pijn gingen doen bij het sjouwen van de emmers, en het vel van onze handen kapot ging door het wringen (vervloekt zij de firma die de gele huishoudhandschoentjes alleen maar in damesmaten op de markt brengt).
Ik zag ondertussen beelden voor me van meubels die ronddreven in huizen en aardappels die wegrotten op ondergelopen akkers. De gedachte dat het het ongeluk je altijd nog erger kan treffen, werkt verzachtend.
Nu is alles weer opgedroogd. De spullen staan op stenen of houten verhogingen. Gestimuleerd door de Deltacommissie hebben we een rampenplan uitgewerkt (werktitel: Après nous le déluge). Nieuwe materialen zijn aangeschaft, verantwoordelijkheden beschreven en roosters voor piketdiensten opgesteld.
Watermanagement. Het is onze lust en ons leven.
En nu moet ik naar de wc.

Met dank aan streekschrijver Herman de Man, die deze titel voor een van zijn boeken bedacht.

0

DE KUNST VAN HET WACHTEN

Dagelijks

Voor je begint met het verder lezen van dit blog, wil ik je vragen om vijf minuten te wachten. Blijf achter je pc of tablet.

Bedankt voor het wachten! Hoe beviel het?
Ooit stonden wij vier uur lang te wachten in regen en kou op de flanken van de Galibier om de renners van de Tour de France langs te zien komen. Wij wisten dat het zo lang zou duren en we hadden er zelf voor gekozen. Het was wachten op een bijzondere gebeurtenis, dus de wachttijd was nog dragelijk.
Ergens blijven tot iemand of iets komt past niet meer bij deze tijd. Wachten voor een kassa, voor het stoplicht, voor de wc (of op de wc), in de telefonische wachtrij, ik heb er een bloedhekel aan en velen met mij. Wachten is tijd verdoen, die je ergens anders voor kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om te barbecuen, naar sport te kijken, te feesten en te genieten. Nu. Als je wacht tot je gepensioneerd bent, kan je het misschien wel niet meer doen.
Helaas moeten we ons af en toe aanpassen. Op vakantie bijvoorbeeld.
Zo moesten wij ooit in het dorp Vrysses op Kreta een taxi nemen naar Vamos, een gehucht dat alleen op deze wijze te bereiken was.
Op het centrale kruispunt in Vrysses was er een benzinepomp / annex loodgieter / annex constructiebedrijf. Hier runde men ook de enige taxi van het dorp. Die auto was echter naar Chania  en het was onbekend wanneer ie weer terug zou zijn. Geen nood. De monteur, een man met een snor  waarvan de punten omhoog gekruld waren, verkocht ook koffie en broodjes. Het was midden op de dag, we namen het er heerlijk van en lieten ons vermaken door het dorpse leven. Er klonk weemoedige muziek die me deed denken aan Stroei Voei uit Ja Zuster, Nee Zuster (‘Hij zingt over zijn vaderland’. ‘Hoe weet u dat?’. ’Dat voel ik’.).
Na een paar uur echter hadden we het dorpsleven  wel gezien. Er stopte een auto bij het bedrijf, maar dat bleek een handelaar in walnoten te zijn. De vrouw van de monteur stopte ons wat toe. Een uurtje later schonk ze nog een glaasje raki. Ze zei er iets bij wat we niet verstonden. Het klonk als: ‘geniet van het leven!’, maar het had even goed  ‘wel graag afrekenen!’ kunnen zijn. Het was onze eerste dag in Griekenland, dus met de taal wilde het ook nog niet zo vlotten.
We belden eens naar onze eindbestemming, maar daar werd niet opgenomen. We informeerden in een bar, maar het meisje daar kon ons ook niet helpen. De schaduwen in de straat werden langer en langer.
Opeens reed er een taxi voorbij. De vrouw van de monteur gilde over straat. De auto keerde om en verloste ons uit ons lijden.

Mensen, die het goed met ons voor hebben, menen dat wachten ook kansen biedt. Je kunt je  ontspannen en helemaal tot jezelf komen. Je kunt stilstaan bij de vraag of je met het goede bezig bent. Wachtlijsten in de zorg kunnen helend werken. Soms gaan klachten vanzelf weer over. Huisartsen hebben dit tot methodiek verheven. Watchful waiting wordt dat genoemd.
Filosofen zeggen dat wachten bijdraagt aan rust en creativiteit.
Daarom ben ik sinds kort in training om mijn wachtpotentie te vergroten. Ik sta op wachtgeld, dat helpt. Inmiddels kan ik al intens genieten van een rood stoplicht. Ik overweeg mij aan te melden bij de brandweer. Wachtlopen lijkt me ook wel wat. Ik hou van wandelen, dus dan kan ik twee bezigheden in dezelfde tijd combineren! Of is dat weer het oude efficiencydenken?

Mocht je benieuwd zijn naar mijn volgende blog, dan moet je nog even wachten. Vanaf zondag ben ik in Tsjechië voor een zangtiendaagse. De eerstkomende bijdrage is op zijn vroegst over veertien dagen te ver-wachten.

2

RECHTDOOR NAAR SCHOOL EN KANTOOR

Dagelijks

Als ik ‘s morgens tussen acht en half negen naar mijn werk fiets, kom ik door Tuindorp heen.Dat is een dertiger jaren wijk in Utrecht, met keurige eengezinswoningen, voortuintjes, erkers en glas-in-lood boven de ramen. De wijk is populair bij hoger opgeleide jonge stellen met kinderen.
Tussen acht en half negen gaan de deuren en tuinpoorten open en stromen van alle kanten ouders met hun kinderen naar buiten. Dan worden de prinsen en prinsesjes naar school gebracht.
Moeders met brede derrièrres brengen traag de kinderbakfiets op gang. Vaders in krijtstreeppakken, de haren nog vochtig van de douche, manen hun kinderen op te schieten, de smartphone rinkelt. Autoportieren staan open om het kroost in te laden. Moederkloeken rijden midden op de weg om de meefietsende kinderen te beschermen. Andere moeders rijden met zorgen in hun ogen 50 meter achter hun kroost en gillen bij elk kruispunt ‘Uitkijken!’.
Altijd staat ergens wel een kind huilend op de stoep, omdat de juichpet niet op mag of omdat de roze haarband kwijt is. In de huiskamers flitsen de tekenfilms nog over het wandvullende tv-scherm.

Deze week zag ik op de Sjollemalaan een jonge vader fietsen met een klein jongetje in het voorzitje en iets groter peutermeisje in het zitje achter. Tien meter voor hem uit reed een meisje van een jaar of zes op een roze fietsje.
Hoe het opeens gebeurde weet ik niet. Misschien omdat de vader over een ronde verkeersdrempel reed. Misschien dat een van de peuters een onverwachte beweging maakte. Misschien dat de snelheid gewoonweg te laag was. Midden op de verkeersdrempel viel de fiets plotseling om. Het was een soort sur-place-val. Hij kapseisde, zoals onze kat zich regelmatig op zijn zij laat vallen als hij languit op het tapijt wil gaan liggen.
Er ontrolde zich voor mijn ogen een smartelijke scene.
Het jongetje was uit het voorzitje gekukeld. De veiligheidsriemen hadden hem niet tegengehouden. Misschien had hij zichzelf  voor de val al onder de riemen uitgewurmd. Hij lag keihard huilend op zijn rug op straat. Het kind achterop lag, nog altijd in het stoeltje, met het onderbeen geklemd onder het achterwiel. Het voorwiel stak omhoog en draaide tergend langzaam rond.
De vader stond in een mum van tijd weer overeind. Hij aarzelde even naar welk van de krijsende kinderen hij het eerst zou gaan. Toen zette hij de fiets weer overeind en boog zich over het meisje achterop.
‘Het valt wel mee’, probeerde hij te sussen.
Het leek nu of de kinderen nog harder gingen huilen.
Zijn eerste zorg was om de rust te doen weerkeren en de schade te beperken. Dat zou ik ook doen. Je gaat niet midden op straat naast je kind zitten om het uitgebreid over zijn bol te aaien: ‘huil maar lekker, je zult vast wel pijn hebben’. Dat kan altijd later nog.
Met de fiets in de ene hand tilde hij met zijn andere hand moeizaam en wat onorthodox het jongste kind op.
‘Kom, kom, kom’, zei hij met een zachte, kalmerende stem. Meteen daarop keek hij om naar de oudste dochter die twintig meter verderop midden op de weg was blijven staan. ‘Laura, ga aan de kant staan asjeblieft!’, riep hij haar boos toe.

Ondertussen had ik mijn fiets neergezet. Ik vroeg me sterk af of ik ook maar iets voor de huilende kinderen zou kunnen betekenen. Of voor de vader, die deed alsof het een gewone morgen was en zijn kinderen regelmatig van de fiets afkukelen.
‘Kan ik iets voor je doen?’.
 ‘Nee, dat hoeft niet hoor, het gaat wel weer’. Hij leek vooral zichzelf toe te spreken. Of hij was al aan het repeteren hoe hij het voorval aan zijn vrouw zou uitleggen.
Ik vervolgde mijn weg. De kinderen huilden nog steeds onbedaarlijk.
Toen ik langs de oudste dochter fietste, schreeuwde zij naar haar vader: ‘Pap, wie komt ons vanmiddag ophalen?’

0

SUCCESVOL NAAR WERK

Dagelijks
Nog net op de tijd voor de economische crisis van de tachtiger jaren vond ik mijn eerste baan. Ik ging aan het werk en na een aantal jaren kwam de economische groei langdurig terug. De golven van de economische hoogconjunctuur duurden echter net niet lang genoeg om ongeschonden mijn pensioen te halen. Een paar jaar voor de finish ben ik nu werkloos geworden, zij het part-time. Ik  loop sinds enkele maanden met één been in de WW. Al was het maar met één teen geweest, het Uitkeringsinstituut Werknemers Verzekeringen vraagt van elke werkloze hetzelfde. Elke week een sollicitatieactiviteit uitvoeren, bijvoorbeeld. Ook al is er in mijn branche in geen velden of wegen een geschikte functie te bekennen.

Het UWV nodigde me daarnaast uit om deel te nemen aan Succesvol naar werk, een training voor 55-plussers. Uitnodigen is hier een eufemisme voor verplichten. De cursus maakt onderdeel uit van een pakket van maatregelen van minister Asscher om het groeiend aantal oudere werklozen aan een baan te helpen. Hij heeft er 67 miljoen voor uitgetrokken. Dat vraagt om een tegenprestatie.
Zo zit ik nu iedere woensdagmiddag met negen steuntrekkende leerkrachten, financieel dienstverleners en vpro-programmamakers mijn baanverwervende capaciteiten te verhogen.
Iedere deelnemer zet tijdens de bijeenkomsten zijn beste beentje voor. Het is niet duidelijk of men dat doet om een baan te krijgen of om een strafkorting te vermijden. Er worden wel eens kritische vragen gesteld. Of, gelet op de hoge jeugdwerkloosheid, de beschikbare banen niet beter aan jongeren gegund kunnen worden. Of het überhaupt zin heeft om ons aan een baan te helpen, want als dat bij een van ons lukt, blijft toch weer iemand anders werkloos. De begeleider van het UWV beantwoordt dit soort vragen rustig. Het is een oudere, aimabele Limburger. Hij is ervaringsdeskundige, want hij was enige tijd werkzoekend voordat hij als begeleider bij het UWV aan de slag kon. Helaas kan niet elke werkloze als UWV-consulent aan het werk. Dan zou er niemand meer zijn om te begeleiden.

De rode draad in de training is Personal Branding. Beschouw jezelf als een merk en zet een consistent imago in de markt neer. Laat weten wat je toegevoegde waarde is, wat je ambities zijn, hoe jij je onderscheidt van anderen en welk concurrentievoordeel de werkgever met jou kan behalen. Zet social media hierbij in en ontwerp een eigen website. Laat je begeleiden door een topcoach die jou de tools in handen geeft en je de laatste tips en tricks bijbrengt. En oefen met de elevator pitch. Als jij in een halve minuut jezelf goed kunt presenteren, stap je met een nieuwe baan uit de lift.
Dat er op dit terrein nog veel werk verricht moet worden, bleek wel uit de reacties in onze groep.
‘Dit is iets voor jonge mensen. Die zijn opgevoed met de boodschap dat alles wat zij doen fantastisch is. Wij moesten onze ouders en meesters volgen. Wij hebben niet geleerd om voor onszelf op te komen en op eigen gedachten te vertrouwen’.
Volgzaam als ik ben, ben ik niettemin direct begonnen om mijzelf aan een sterkte-zwakte-analyse te onderwerpen. Ik heb in kaart gebracht wie ik ben, wat ik kan en wat ik wil. Ik heb al mijn interesses ingevuld in de systemen van het UWV. Het was wel een beetje jammer, dat veel van mijn belangstellingsgebieden door het systeem beoordeeld werden als ‘weinig kansrijk’. Er kwam in de branche Cultuur nog wel een enkele vacature naar boven voor een redacteur van technisch voorlichtingsmateriaal. Dat zijn mensen die moeten uitleggen hoe je een wasmachine of smartphone moet bedienen.
Aan de hand van mijn analyse heb ik een marketingstrategie opgezet. Deze blog is daar een onderdeel van. Ik ga dus zeker geen formulier invullen om uit Google verwijderd te worden. Ik heb juist aan een Search Engine Operator gevraagd hoe ik hogerop in de vindlijsten kan komen.  Daartoe heb ik een wervend en vooral onderscheidend profiel opgesteld:
Ervaren professional in zorg en welzijn, analytisch sterk, gestructureerd werkend, met een uitstekende pen, geoefend en gedreven zanger en bekend met de klapschaats.
Morgen ga ik mijn profiel weer bijstellen. Stilstaan is immers achteruitgang.
Het UWV houdt me zo aardig aan het werk.

1

ONDER VOETBALSUPPORTERS

Dagelijks

Afgelopen zondag degradeerde voetbalclub RKC uit de eredivisie. De Rooms Katholieke Combinatie moest met twee doelpunten verschil van Excelsior winnen om zich te handhaven. Het werd 2-2.
Ik was er bij. Zoon Arjan verdedigde de afgelopen maanden het doel bij de Waalwijkers. Na het laatste fluitsignaal vallen de uitgeputte spelers van RKC languit op het zonovergoten grasveld. Degraderen is omvallen en blijven liggen. Denken aan Telstar Uit, 25% minder salaris en vier keer zo weinig aandacht. Het slagveld ligt bezaaid met spelers. Eén speler zit in elkaar gedoken, de handen voor zijn gezicht. Hij wordt getroost door een teamgenoot. Een paar spelers bedanken, niet al te opzichtig applaudiserend, het publiek voor hun aanmoedigingen.

De toeschouwers laten zich traag en gelaten van de tribunes afzakken. Er is geen rumoer en geen gefluit. Berusting overheerst. Misschien dat de woede er thuis pas uitkomt (‘Godverdomme, kut, hedde ge nou weer geen bier koud gelegd?’).
Terwijl de spelers van Excelsior op de andere helft elkaar met champagne bespuiten, druipen de spelers van RKC met hangende schouders het veld af. Voor hen is er geen rol in deze ceremonie, geen aanmoedigingsprijs, geen verwerkingsritueel. Arjan is de enige die de Excelsiorspelers feliciteert.
Ik loop met een leeg gevoel het al bijna lege stadion uit, over het parkeerterrein van de bobo’s naar de glazen hoofdingang, om Arjan op te wachten. Veiligheidsmensen, uitgerust met communicatieapparatuur lopen heen en weer met één hand op het microfoontje, de andere hand op het oortje. De zon schijnt onpasselijk fraai en de Bugatti’s en BMW’s van de sponsoren zien er walgelijk decadent uit. Zouden de sponsoren ook mee degraderen?

Een paar boos uitziende supporters komen in de buurt van de hoofdingang. Vanuit het niets komt er dan opeens een tiental ME’ers aangelopen, in vol gevechtsornaat, met schild en wapenstok. Kalm lopend, als op een zondagmiddagwandeling, maar zeer gedecideerd sluiten ze de hoofdingang af. Niemand mag er meer in of uit. Enkele ME’ers te paard sluiten aan. In Nijmegen heeft een groep NEC-supporters na de degradatie een deel van het stadion vernield. Veiligheidsmaatregelen zijn vaak een antwoord op de vorige ramp.
Er lopen ook supporters die uit zijn op een shirt of een paar keeperhandschoenen.

Aan de zijkant van de glazen ingang staat een drietal fans. Een man van in de vijftig, met getatoeëerde armen, een ronde bierbuik en een rood verbrand hoofd, een vrouw met roodoranje geverfd haar en een dochter, die vanaf de schouders naar de heupen breed uitdijt. Met haar gezicht tegen de ruit loert ze naar de mensen in de hal. Dan kijkt ze naar het groepje supporters tegenover de ME’ers.
‘Jezus, man, wat een mietjes, hou toch oe bakkes! Opflikkeren met die gasten. Oppakken en nooit meer het stadion in’.  Moeder kijkt vanaf een afstandje toe, vader doet of hij er niet bij hoort.
 ‘Doe nu gewoon efkes die deuren open. We moeten alleen Arjan van Dijk hebben. Die loopt daar binnen, da zie ge toch. Of hedde ge een bril nodig, maat?’.
De ME’ers blijven bewegingsloos voor zich uitkijken. Alleen een van de paarden zet zijn achterbenen wat opzij. De agente bovenop trekt wat steviger aan het leidsel.
Aan de andere zijde van de hoofdingang zijn inmiddels enkele spelers verschenen in hun chique hemelsblauwe kostuum. Het drietal loopt erheen en ontdekt Jan Seda, de andere keeper.
‘Zullen we Seda vragen’, oppert de moeder.
‘Die spreekt geen Nederlands’, zegt de dochter. Dan trekt ze toch de stoute schoenen aan.
‘Hé, Seda, do you have…’ , zij steekt haar handen omhoog. Seda gebaart het meisje mee te komen.
Op een stil commando, bijna onopgemerkt, trekt de ME zich weer terug. Ook in hooliganism zou RKC onderaan eindigen. De hoofdingang gaat weer open en de business lounge stroomt leeg. De mensen zijn blij dat ze weer naar buiten mogen. Het lijkt alsof de degradatie alweer vergeten is.
Dan komt ook Arjan naar buiten. Onmiddellijk staat er een jongen van een jaar of 12 naast hem. Die vraagt hem zijn handschoenen. Nog niet zo lang geleden stond Arjan zelf bij FC Utrecht te wachten op een handtekening van de keeper. Hij loopt weer naar binnen om een paar handschoenen te halen.
Het drietal is nergens meer te bekennen. De paarden zijn verdwenen. De supporters zijn naar huis. RKC is gedegradeerd. Het is klote, maar het is waar.

0

HET KOOPCENTRUM VAN DE ACHTERHOEK

Dagelijks
Afgelopen donderdag raakte ik verzeild in Doetinchem. Dat kan wel eens gebeuren. Zo is het leven nu eenmaal.

Voor wie de liefde voor topografie niet bij geboorte of door opvoeding heeft meegekregen: Doetinchem is de grootste plaats in de Achterhoek, een streek, die – zoals de naam al zegt – ergens achter in ons land in een uithoek ligt.
De Achterhoek is de bakermat van het boerengolf. De fans van voetbalclub de Graafschap noemen zich superboeren en het oerend hard scheuren op een Norton of een BSA vinden ze daar Normaal. Kortom, de geuren  van mest en motorolie komen je van tevoren tegemoet.
Op de website van de VVV Doetinchem lees ik:
‘Doetinchem heeft je veel te bieden. Elke dinsdag is er een waren- en lapjesmarkt. Er zijn uitgebreide winkelmogelijkheden en er is een zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden.’
Dat klinkt mij als muziek in de oren, zeker als ik lees dat het uitgaansleven in Doetinchem zich sterk heeft ontwikkeld. Het lijken me unique selling points, zoals marketeers dat zeggen.
Liefhebbers van historie komen daarentegen in Doetinchem weinig aan hun trekken. Het hart van de stad is in maart 1945 weggevaagd. Britse bommenwerpers zagen Doetinchem aan voor het Duitse Anholt. 
Als ik arriveer in Doetinchem hangen er dikke grijze wolken boven de stad. Er valt een dreinerige regen uit. Ik sluit niet uit, dat deze omstandigheden mijn indrukken van de stad enigszins negatief beïnvloed hebben. Op het verlaten marktplein voor het vierkante stadhuis hebben de regen en de wind vrij spel. De bedenker van het geometrische meubilair op het plein had waarschijnlijk een ander sfeerbeeld in zijn hoofd, toen hij de houten bankjes ontwierp. De lichtmasten zijn omgeven door driehoekige posterborden, die uitnodigen voor een bezoek aan de show van Marc-Marie Huijbregts. Er is een gele strook papier schuin over Marc-Marie heen geplakt met de tekst: Tip! Moederdagcadeau! Marketeers weten welke doelgroepen ze moeten aanboren.
In het voetgangersgebied klapperen de reclameborden voor mobiele telefoons, dameslingerie en kipschnitzels in de wind. De weinige bezoekers lopen dicht langs de gevels.
Ik stel me de vraag of er op dit moment iets is wat ik heel graag zou willen kopen. Ik kan niets bedenken. Alle ideëen die naar boven komen gaan gepaard met tegenargumenten.
Tussen alle bekende winkelketens vind ik boekhandel Raadgeep  & Berrevoets. Alleen al de naam lijkt mij een omweg waard. Het is behaaglijk rustig in de ruime, lichte winkel van Raadgeep & Berrevoets. Op  de achtergrond klinkt kalme jazzmuziek.
Ik twijfel over een aankoop, maar laat deze achterwege. Ik moet deze avond nog naar een voetbalwedstrijd. Als ik gefouilleerd word, zal het boek onherroepelijk worden ingenomen. Ik zie er namelijk uit, als iemand die vast van plan is om bij het minste of geringste een boek naar de kanis van de assistent-scheidsrechter te slingeren (‘en steek die vlag maar in je reet, flapdrol!’). Welke idioot gaat er met een boek naar een voetbalwedstrijd?
Aan het einde van de  middag loop ik in cirkels rond de kerk om uit ‘het zeer verscheiden aanbod aan horecagelegenheden’ er een uit te kiezen voor een hapje eten. Ik beland in Eethuis ’t Hoekje, een als knus aangeprezen gelegenheid in het hartje van het winkelgebied. Het eenvoudige meubilair is van donker hout en op elk tafeltje staat een enorme lantaarn. Ik word geholpen door een zeer vriendelijke jonge vrouw, die een grote donkere bril draagt. Daar hou ik niet zo van. Ik bedoel van zo’n zwarte bril.
Ik ben er de enige en waarschijnlijk ook de laatste gast. Terwijl ik een kop soep en een broodje vis eet, komt de vrouw vier maal vragen of alles naar wens is. Daarna stapelt ze buiten op het terras de natte stoelen op elkaar en legt deze met een meterslang kabelslot vast. De grote lantaarns worden binnen gebracht.
Tegenover ’t Hoekje gaan de winkels dicht. Als de jonge, mollige vrouw van chocolaterie Mousset het slot van de voordeur tweemaal heeft omgedraaid, controleert ze in de donkere, spiegelende ruit nog even of haar haar goed zit. Ze strijkt een paar lokken opzij en loopt de straat uit.
De avond kan beginnen.

1

DAGSLUITING

Dagelijks
 Het is 23.30 uur. G is al naar bed. De poes ligt opgerold op zijn kussentje op de bank te ronken. Ik  zet de pc uit en leg mijn mobiel aan het infuus. Met twee lege glazen en een kopje in mijn hand doe ik alle lampen uit. Dan breng ik het vaatwerk naar de keuken, haal een broodje uit de vriezer en doe de voordeur op het nachtslot.
Op deze manier sluit ik de dag af. Met elk apparaat dat ik uitdoe, wordt het stiller. Met elk licht dat ik doof wordt de wereld kleiner. Alom heerst er nu rust in huis. Ook buiten is het stil.
Er is weer een dag voorbij. Is dat erg? Of juist prettig?
Het einde van de dag is eigenlijk een bijzonder moment, een gelegenheid om bij stil te staan. Maar meestal doe ik dat niet. Dan loop ik nog te denken aan een vervelende gast bij Pauw en Witteman, aan de beperkte houdbaarheid van biologische wijnen of aan onze nieuwe vaatdoek, die verdacht veel lijkt op een meisjesonderbroekje van vroeger.
In de hoogtijdagen van de radio werd het einde van de dag gemarkeerd. Een geestelijke sprak een epiloog of dagsluiting uit. Na het laatste programma klonk het Wilhelmus. De AVRO eindigde met een eigen afscheidslied, gezongen door Bob Scholte:
Goedenacht en welterusten, welterusten, goede nacht
De AVRO gaat nu sluiten, haar dagtaak is volbracht
http://youtu.be/VHtIhd0Az2c(het geluid start na 18 seconden).
De treden kreunen zachtjes onder mijn voeten als ik in het halfduister naar boven loop. Het aantikken van de lichtknop in de badkamer weerklinkt door de holle stilte.
Sommige mensen spelen vlak voor het slapen gaan nog Wordfeud. Anderen kijken vanuit bed een thriller op tv of liggen nog te whatsappen tot het laatste moment. Voor hen geen dagsluiting of bezinning.
Katholieken baden vroeger de rozenkrans voor het slapen gaan, met de knieën op het zeil of de kokosmat en de ellenbogen leunend op een stoel. Heeft er al iemand een moderne, mindfull variatie hierop bedacht?
Ik heb de afgelopen tijd meegeschreven aan een website, waar mensen met slaapproblemen kennis en vaardigheden leren om hun slapeloosheid aan te pakken: http://slaapproblemen.mirro.nl  Het advies is om te ontspannen en geleidelijk tot rust te komen voor je daadwerkelijk gaat slapen. De rozenkrans hebben we niet aanbevolen.
Nadat ik mijn tanden heb gepoetst, doe ik tot slot  het licht op de overloop uit. Met gemak vind ik in het donker de slaapkamer en het bed. De rode cijfers van de wekker staan op 23:39. Ook mijn dagtaak is volbracht.
Al snel nadat ik het bed in ben gestapt voel ik de slaap komen. Mijn hoofd wordt zwaar, mijn lichaam loom. Ik kan gedachten niet meer vasthouden. Ze schieten weg. Beelden komen onverwachts voorbij. Ik probeer te volgen hoe het inslapen verder verloopt, maar dat lukt niet. Als ik mijn aandacht erop richt, is mijn geest weer actief en trekt de slaap zich weer terug. Laat ik me meevoeren, dan weet ik niet meer wat er gebeurt. ‘Meevoeren’ is wel een goede term. Ik wacht af tot ik meegenomen word. Ik ga er niet op af, maar geef passief me over. Ik zak weg.
Laatst kwam voor het eerst van mijn leven vlak voor het inslapen de vraag in mij op of ik nog weer wakker zou worden. Aanvankelijk voelde dat als een angstige gedachte. Maar in tweede instantie zag ik er iets moois in. Een einde zonder pijn of gedoe, tenminste niet voor mijzelf. Het woord inslapen wordt niet voor niets als eufemisme voor doodgaan gebruikt.
Vreemd hoe zo’n vraag ineens opkomt.
Misschien komt het wel weer door  Brahms. Die houdt mij wel meer bezig. Brahms componeerde zijn overbekende Gute Abend, Gut’Nacht op een volksgedicht uit Des Knaben Wunderhorn. In dit wiegelied komt de volgende regel voor:
Morgen früh, wenn Gott will, wirst du wieder geweckt (2x).
Ik ga dit lied maar niet voor mijn kleinkinderen zingen, als zij naar bed gaan. Dan loop ik  het risico dat ik nog moeilijke vragen moet beantwoorden. Wat is dat voor figuur, die Gott? En, nog lastiger te beantwoorden, wat wil ie eigenlijk? Ik zou dat als kind wel willen weten voor ik ga slapen.