Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

4

KATHOLIEKE VERGEVING

Dagelijks

Sassen als burgemeester van Veghel. Bron: BHIC

Jan Coenraad Hubert Marie Wilhelmus Sassen was een Brabantse ondernemer. In de jaren dertig werd hij lid van het Nationaal Front, een kleine fascistische partij die vooral onder katholieken populair was. Als veelgevraagd spreker fulmineerde hij tegen het Amerikaanse grootkapitaal en tegen het Russisch bolsjewisme. In beide geledingen waren immers de Joden heer en meester, zo betoogde hij. In het begin van de oorlog stapte hij over op de NSB, met de bedoeling om ‘de NSB in katholieke zin om te buigen’. Hij vervulde een hoge functie binnen de afdeling Pers en Propaganda van de nationaalsocialisten en hield wekelijkse radiopraatjes. In 1943 werd hij benoemd tot burgemeester van Veghel. Na de bevrijding van Zuid-Nederland vluchtte hij naar Utrecht en werd hij benoemd tot waarnemend burgemeester van Oudenrijn (De Meern). In diezelfde tijd verstrekte hij inlichtingen aan hoge nazi’s over de posities van de geallieerden in Brabant. Daarvoor werd hij flink betaald.

Links J. van Kilsdonk

Ik kwam Sassen tegen in mijn onderzoek naar de oorlog in Vleuten – De Meern. Er zou geen enkele aanleiding zijn geweest om hier aandacht te besteden aan deze foute figuur, die zelfs na de oorlog vond dat hij geen verkeerde idealen had aangehangen, ware het niet dat ik via hem op een interessant fenomeen stuitte.
In de dossiers van NSB’ers kom je vaak verklaringen tegen van getuigen die stellen dat de beklaagde een ‘goede NSB’er’ was die geen vlieg kwaad gedaan heeft. Ik heb tot nu toe zo’n dertig dossiers van NSB’ers bestudeerd en er was niemand die zoveel verklaringen à decharge had verzameld als Jan Sassen. Onder hen een aantal priesters. Een aalmoezenier sprak over Sassen als ‘slachtoffer’ en ‘patiënt’ en smeekt de rechter: ‘Grootedelachtbare, stop het zaakje in de doofpot en laat dhr. Sassen vrij.’ Pater J. van Kilsdonk, de latere voorman van progressief katholiek Nederland, stelde dat Sassen een goede burgemeester was geweest. ‘Met zijn twee jaar internering is hij voldoende gestraft.’ In het dossier trof ik een lijst van hooggeplaatste Nederlandse katholieken die het voor Sassen wilden opnemen, onder andere de hulpbisschop van Breda, de bekende Limburgse priester dr. Poels en A.C. de Bruin, voorzitter van de katholieke vakbond.

Hoe zit dat met die katholieke vergevingsgezindheid?
Al in 1943 hadden de bisschoppen gepleit voor barmhartigheid en opgeroepen om een bijltjesdag te voorkomen. Aartsbisschop De Jong noemde in 1945 de zuivering ‘een ziekelijk verschijnsel’. De geestelijken werd verboden om mee te werken aan de opsporing van landverraders. Kerkhistoricus Joep van Gennip ziet hiervoor twee redenen. Het Italiaans-fascistische gedachtengoed had in de jaren dertig veel aanhangers gehad onder katholieken. De kerk had dat laten gebeuren en was hierin tekort geschoten. Het opkomen voor de ex-NSB’ers zag de kerk als het inlossen van een ereschuld. Als tweede reden noemt Van Gennip de bekeringsdrang van de katholieken. Ik zou er de cultuur van het biechten aan toe willen voegen. Oordelen over zonden en je hiervan bevrijden, dat vond het episcopaat nu typisch een taak van de kerk.
Sassen werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenschap. Na precies drie jaar kwam hij vrij, nog voordat hij tweederde van zijn straf had uitgezeten.

1

HET VIEREN VAN DE VRIJHEID

Dagelijks

Afgelopen zondag, 5 mei, namen G. en ik deel aan een vrijheidslunch op het Berlijnplein in Leidsche Rijn. Sinds enige jaren worden deze maaltijden op taal van plaatsen in het land gehouden. ‘We eten samen om te vieren dat we in vrijheid leven. Samen eten is dé manier om elkaars werelden beter te leren kennen’, zo staat te lezen op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Iedereen is welkom, zo luidde de uitnodiging van het lokale comité, er is plaats voor 250 buurtgenoten.

Ik moet bekennen dat 5 mei voor mij jarenlang niet veel meer is geweest dan een vrije dag ergens tussen Koninginnedag en Hemelvaart. Het is lastig om stil te staan bij wat vrijheid is. Een vis beseft ook niet dat hij in water zwemt. De bevrijdingsfestivals die vanaf de jaren negentig opkwamen en die breed uitgemeten worden in de media bezorgden me cynische gedachten over jongeren en hun bewustzijn van vrijheid. Dan spreekt een gezamenlijke lunch mij meer aan, al ontkom ik ook hierbij niet aan de relativerende gedachte dat een ontmoeting met buurtbewoners een druppel op een gloeiende plaat is in een tijd dat een partij die zich Van de Vrijheid noemt de sfeer in het land verpest.
De aanleiding om mee te eten lag in een kleine bijdrage die ik heb geleverd aan het evenement. De organisatie wilde op posters enkele verhalen van jongeren uit de oorlog plaatsen. Door mijn onderzoek naar de oorlogsjaren in Vleuten – De Meern kon ik deze verhalen leveren.

Alma Mustafic, www.thesilvercity.net

Er was smakelijk eten, live muziek en er waren prettige contacten met tafelgenoten. Er speelde een Oekraïense accordeonist en er werden hapjes geserveerd uit een keuken gerund door asielzoekers. De vrijheidslunch zal ik me echter bovenal herinneren vanwege een indrukwekkende toespraak.
Alma Mustafic is een vrouw van begin veertig. Zij heeft een baan op de universiteit, spreekt goed Nederlands, al hoor je nog af en toe dat dit niet haar moedertaal is. Vrijheid is voor haar het vogeltje dat zij zag vanuit haar huis in Bosnië. Terwijl dat kon vliegen waar het wilde, kon zij zelf amper naar buiten omdat Srebrenica voortdurend vanuit de omringende heuvels beschoten werd. Haar vader werkte voor Dutchbat, maar werd desondanks op die julidag in 1995 meegenomen door de Serviers. En vermoord, zoals veel meer van haar familieleden en vrienden. In deze verkorte weergave van haar verhaal schieten mijn woorden hier vele malen tekort.
Alma heeft een nieuw bestaan kunnen opbouwen in Nederland, nota bene het land, dat bij uitstek de exponent is van het falende NAVO-beleid in Srebrenica. Terwijl Nederland net zijn doden heeft herdacht, en niet de hare, spreekt zij ons toe over vrijheid. Voor wie op dit moment denkt dat Nederland tevreden kan zijn voegt zij een ‘maar’ toe. Ze voelt zich hier niet echt vrij, want ‘ik weet niet meer wat ik op dit ogenblik in Nederland wel of niet mag zeggen.’
Er valt nog veel meer over Alma te vertellen. Voor wie geïnteresseerd is: je vindt hier haar website.

2

ZATERDAGMORGEN

Dagelijks

Als ik mijn ogen open zie ik dat het 7.00 uur is. Het is een zaterdag, ik mag van mijzelf uitslapen. Verder slapen lukt echter niet. Ik sta maar op, al heb ik weinig zin. Ik voel wat pijntjes in mijn benen die ik niet verklaren kan. Het is tijd om te scheren. Zal ik dat gedoe maar eens overslaan? Van dat ouwe gezicht in de spiegel met het steeds dunner wordende haar word ik ook niet vrolijk. Alles staat me tegen. De kies waaraan ik al een aantal keer geholpen ben voelt nog steeds niet goed. Volgens een Oosterse filosofie, waarvan ik de naam vergeten ben, moet je iedere dag vijf maal aan je sterfelijkheid denken. ‘Dat is dan vandaag de eerste keer’, denk ik als ik mijn broek aantrek. Ik zie van alles wat opgeruimd moet worden, maar als ik nu ergens geen zin in heb dan is het in opruimen. Dan maak je maar zin, zegt de altijd aanwezige criticaster in mijn hoofd.
Er volgen gedachten over wat ik deze dag zal gaan doen. Er hoeft niets, er kan van alles. Geen enkele aanleiding dus voor humeurige gevoelens, spreek ik mijzelf toe. Het weer is goed, in de tuin ligt genoeg werk te wachten. Ik erger me aan het grasveldje waar van alles groeit behalve gras. Is er veel dat mij niet aanstaat, dan is er één bezigheid die de zaak kan omdraaien: het werken aan mijn boek. Dat lonkt deze morgen ook niet. De laatste keer was ik een avondlang bezig met een halve pagina. Het resultaat bevalt me nog steeds niet.

foto: Leo Janssen

Ochtendmens of avondmens, is mij wel eens gevraagd. Niet duidelijk een van beide, was mijn antwoord. Als ik beneden kom is het eerste dat ik zie, dat de krant weer eens niet op tijd bezorgd is. G. is ook opgestaan. Zij zegt, dat er een koordje van een zonnescherm op de tweede etage gebroken is.
Na het ontbijt en een deel van de digitale Volkskrant volgt de keuze: wat ga ik doen? Ik sjok met tegenzin de trappen op. Eerst maar eens naar dat zonnescherm kijken. Dat ziet er niet goed uit. Er zal een nieuw koordje moeten komen. Waar halen we dat vandaan? Het valt me op dat het raam onder de vogelpoep zit. Spreeuwen zijn begonnen met een nest in het gootje boven het raam. Lijkt me geen goed idee, al is het alleen maar vanwege die schijterij. Moet ik dat nu aanpakken? Zuchtend haal ik de keukentrap van beneden. Eerst dat nest maar eens weghalen. Dan doe ik die ondergescheten ruiten wel een andere keer.
Na een tijdje poetsen ziet de goot er weer perfect uit. Er komt een aria uit de Johannes Passion in mijn hoofd. Toch maar gelijk even die ramen zemen, de trap staat er nu toch. Een uurtje later kijk ik met een tevreden gevoel naar glimmende dakramen en een opgeruimde kamer. De zon schijnt, de bomen staan in bloei. Ik pak mijn skates en glijd even later met mijn kop in de wind tussen de groene weilanden. Wat een genot.

1

BALIEMEDEWERKSTER

Dagelijks

bron: Autoweek

De ruitenwisser van de auto vertoonde kuren. Het rubber zat op enkele plaatsen los, waardoor er fraaie boogpatronen op de vooruit ontstonden. Mijn pogingen om met bison-kit de zaak weer te lijmen hadden slechts een beperkt en kortstondig resultaat. Dus meldde ik mij bij de balie van de garage en leverde mijn sleutel in. ‘Neemt u even een bak koffie, dan gaan wij aan de slag.’
In de koffieruimte staat een lange tafel met stoelen. De Telegraaf ligt uitnodigend naast een grote vaas met bloemen. Er zijn aansluitingen voor lap-tops. Ik installeer mij met de zelf meegenomen Trouw. Met mij wachten nog drie klanten. De ruimte staat in open verbinding met een enorme hal, die boordevol glimmende auto’s staat die geuren naar metaal en rubber. Ik vraag me af hoeveel auto’s er wel niet verplaatst moeten worden als een klant een wagen kiest die in het midden staat.

De koffieautomaat staat er niet alleen voor klanten, maar ook voor de kantoormedewerkers. Blijkbaar houden ze allen erg van koffie. De een na de ander tikt met de vinger op het touchscreen en wacht onder het krassende geluid tot zijn kop gevuld is. Eigenlijk zijn wij klanten onderdeel van hun kantooromgeving. Wij luisteren mee met de gesprekken bij de automaat. Naar welk fantastisch concert zij zijn geweest. We maken mee hoe medewerkers tussen de auto’s doorlopen en elkaar iets toeroepen over een factuur of een verzekering. Wij horen hoe zij op ontevreden toon lopen te bellen over een bestelling die niet op tijd geleverd is. Ondertussen zijn wij attent op voetstappen die de wachtruimte naderen en een naam die omgeroepen wordt. Dat gebeurt niet op volgorde van binnenkomst. Hoe de afhandeling van servicebeurten en kleine reparaties plaatsvindt blijft verborgen achter de wanden van de garage.

Een jonge vrouw van de balie roept een naam, waarop een oudere man naast mij verheugd ‘ja’ antwoordt. Meestal hoor je daarna aan de balie hoe de reparatie is verlopen. Ditmaal gaat het anders. ‘Je kunt je auto vandaag niet meer gebruiken’, zo spreekt zij de man op strenge toon toe. ‘Hij kan echt niet door de APK.’ Vervolgens kunnen wij allemaal mee genieten van het rapport. De uitlaat is ondeugdelijk, de banden zijn versleten, er zit vocht bij de lampen. Bij ieder mankement gaat de vrouw harder praten met de kennelijke bedoeling om een verweer bij voorbaat de kop in te drukken. ‘Je aandrijfriem is nagenoeg kapot.’ Alsof een leraar met sadistisch genoegen een drie voor een meetkundetoets uitdeelt. Of de huisarts je in een volle wachtkamer vertelt dat je een seksueel overdraagbare aandoening hebt. De man buigt zijn hoofd. De baliemedewerkster is in leeftijd nog niet eens de helft van de toegesproken klant. Dat zij hem tutoyeert maakt het er niet beter op. Ik voel plaatsvervangende schaamte. ‘Kan ik dan vandaag nog een vervangende auto lenen’, vraagt de man bijna op fluistertoon. De medewerkster zal eens kijken wat er mogelijk is. Het getik van haar hakken klinkt nog lang na.

1

PHISHING

Dagelijks

Vorige week kon ik nog op het laatste nippertje mijn blog over de tandarts de digitale lucht insturen. Mijn website was voor het eerst sinds 2016 twee dagen niet bereikbaar geweest. Door een merkwaardig misverstand.
Iedere web- en mailgebruiker is bekend met phishing mails. Dat begon een aantal jaar geleden met mails vol taalfouten die gemakkelijk als nepberichten waren te herkennen. In de loop van de tijd is het taalgebruik verbeterd. Bovendien spelen de criminelen in op de emoties en behoeften van de klant, bijvoorbeeld door goedkope kaartjes voor een concert te bieden. Of een korting te geven op een duur kledingmerk. In Trouw stond deze week het verhaal van een man die een digitale relatie had opgebouwd met een vrouw uit Oekraïne. Door geld te vragen voor medicijnen en operaties had ‘zij’ hem in korte tijd meer dan 20.000 euro afhandig gemaakt.

Bij mijn website horen twee mailadressen. Via het ene wordt het mailbericht over een nieuwe blog verstuurd. Dit adres is voor anderen niet zichtbaar. In de andere mailbox komen vragen of opmerkingen binnen die lezers op de contactpagina van mijn website invullen. Deze laatste mailbox is een soort open brievenbus waar iedereen die op het wereldwijde net rondzwerft briefjes in kan deponeren. Er is een flinke muur omheen gebouwd, maar er slippen nog wel eens berichten doorheen. Dan ontvang ik een Engelstalige mail van Olga dat zij eenzaam is en graag contact met mij wil. Met een foto erbij zodat ik kan zien hoe mooi zij is. Het omgekeerde komt ook voor. Dan belandt een mail van een betrouwbare afzender in de spambox. Dat gebeurde eens met een bericht van zr. Gabriele, een religieuze. Misschien dacht de spamfilter dat ook zij eenzaam was.

Terug naar het probleem dat mijn website uit de lucht was. Het bedrijf dat ervoor zorgt dat de site op het internet zichtbaar is heet Vimexx. Ik betaal dit bedrijf jaarlijks een bedrag voor deze service, plus 6 euro voor de domeinnaam. In december j.l. heb ik mijn abonnement voor 2024 betaald. Dat was net in de tijd dat er allerlei phishing mails in omloop kwamen waarbij criminelen gebruik maakten van de naam Vimexx. Het bedrijf waarschuwde ervoor. Ik zag ze daarna binnenkomen: ‘je hebt een openstaande factuur’, enz. Ik gooide alle mails ongezien weg. Ik verbaasde me er wel over hoe vasthoudend de criminelen ditmaal waren. Tot ik eind februari een andere mail van Vimexx ontving. Vanwege het niet betalen van de factuur van 6 euro voor de domeinnaam was mijn website in ‘quarantaine’ geplaatst, dat wil zeggen: niet meer bereikbaar. Ongedaan maken kostte 84 euro.

2

TANDHEELKUNDIGE ZORG

Dagelijks

Voor het eerst van mijn leven heb ik een vrouwelijke tandarts. Bijzonder is dat zij in een praktijk van uitsluitend vrouwen werkt. De foto’s op de site tonen een in frisse kleuren gekleed team, met stralende glimlach en witte tanden.
Na het schrijven van deze regels moet ik even halt houden, want waarom gebruik ik hier het woord bijzonder voor een vrouwenpraktijk? Is dit omdat deze praktijken maar dun gezaaid zijn of stuit ik met dit woordgebruik op mijn eigen, wellicht achterhaalde oordelen?
G., die ook halfjaarlijks de gang naar deze praktijk maakt, vindt de medewerkers (V) van deze praktijk een stuk persoonlijker dan in de mannenpraktijken waar wij vroeger kwamen. Ik zie ook verschillen. Nog niet eerder heb ik meegemaakt, dat de tandarts meermalen aan mij vroeg of zij mij pijn deed. Daarnaast was de verdoving die zij mij laatst gaf zo stevig, dat ik uren later bij het avondeten nog geen gevoel had waar mijn mond zich bevond en ik de vork met eten bij mijn kin naar binnen wilde duwen.

De afgelopen weken ben ik regelmatig in de praktijk geweest. Het begon ermee, dat een kies in december opeens geen warm en koud meer kon hebben. De tandarts (een vrouwelijke vorm van dit woord bestaat niet) veronderstelde een scheurtje in een oude vulling, maakte een foto en zag met een gaatje haar vermoeden bevestigd. De week daarop boorde zij vakkundig het oude cement eruit en vulde de holle kies in no time weer netjes op. Helaas bleven mijn klachten bestaan. Dus mocht ik opkomen voor een wortelkanaalbehandeling.
Ik ben niet iemand die de innovaties in de tandheelkundige zorg op de voet volgt. Daarom was ik verrast dat het vullen van kiezen anders gaat dan een aantal jaar geleden. Ik was gewend dat er een stalen bekisting om de kies werd gelegd, die door een schroef stevig werd aangedraaid. Daarbij propte de tandarts nog wat cilindervormige watten her en der, zodat ik met een wijd open gesperde mond en stijve kaken de behandeling kon ondergaan. Vervolgens ging de tandarts onder het licht van felle lampen in zijn bouwput aan het werk, terwijl de assistente om zijn bedrijvige handen heen de afzuiger hanteerde en ik manmoedig probeerde om ergens een spoor van ontspanning te vinden. Na het boorwerk werden er diverse ladingen cement in de put gedumpt en stevig aangestampt. Een vlak- en een polijstmachine maakten het werk af.

Wat er in de afgelopen weken precies gebeurde kan ik niet goed omschrijven. Er hoefde geen bouwput gemaakt te worden. Er kwam iets warms aan te pas. Het belangrijkste verschil vond ik nog dat het boren en opnieuw vullen in een mum van tijd waren gebeurd. Op internet lees ik nu dat er een kunststof wordt gebruikt die met UV-licht snel hard wordt gemaakt. Ik mag toch veronderstellen dat het verschil met de oude methode niets te maken heeft met verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen. Deze huidige behandeling voelt een stuk aangenamer. Kunnen we daarmee concluderen dat de tandzorg vrouwelijker aan het worden is?

0

PARTICIPATIETRAJECT

Dagelijks

De Harmelerwaard, Bron: AD

Aan de achterkant van ons huis strekken de boomgaarden zich uit. Achter de rijen lage boompjes zijn de grijs-witte puntdaken zichtbaar van de kassen waar tomaten en paprika’s gekweekt worden. Daarachter, niet zichtbaar voor ons, liggen tot aan het dorp Harmelen enkele weilanden. Dit hele gebied, de Harmelerwaard geheten en vallend onder de gemeente Woerden, is de groene long tussen het aan elkaar gegroeide Vleuten / Utrecht enerzijds en Harmelen anderzijds. Van beide kanten wil men de groene buffer behouden.
Enkele jaren geleden klopten de tuinders bij de gemeente Woerden aan. Zij willen uitbreiden, maar daarvoor ontbreekt de ruimte. Bovendien blijken hun kassen op een aardbreuk te liggen. Daardoor is het niet mogelijk om de warmte die zij in hoge mate nodig hebben uit de bodem te halen. Of de gemeente wilde meedenken over een oplossing, was de vraag. Waarbij de tuinders zeiden dat verplaatsing (lees: uitkopen) voor hen een goede optie was. Daarmee zou een mooie locatie voor woningbouw ontstaan, wat aansloot bij de opdracht van de gemeente om huizen te bouwen.

De Dorpeldijk tussen Vleuten en Harmelen

De kwekers zijn nazaten van de tuinders die in de 19e eeuw in de stad Utrecht hun groenten teelden. Aan het begin van de 20e eeuw begon de stad flink te groeien. De tuinders werd gevraagd hun nering voort te zetten aan de andere kant van het Merwedekanaal. Die verhuizing ging gepaard met een flinke financiële impuls. In de jaren twintig en dertig ontstond rond de Alendorperweg en ’t Zand een tuinbouwgebied dat de glazen stad van het Westland naar de kroon zou steken. Het verhaal van de zich uitbreidende stad die de tuinders voor zich uitschuift herhaalde zich. Voor de bouw van Leidsche Rijn moesten de tuinders hun dierbare grond verlaten. Via jarenlange onderhandelingen wisten velen een aantrekkelijke som geld binnen te halen. Geef hen eens ongelijk. Een aantal van deze tuinders belandde begin deze eeuw in de Harmelerwaard.

Woerden erkende de problematiek van de tuinders, maar wilde niets doen zonder participatie van alle betrokkenen. Er kwamen verkenningsstudies en landschapsanalyses. Het mocht wat kosten. Daarna volgden brainstormsessies om ideeën op te halen. Dat leverde talrijke flipovers op vol met gele post-it plakkertjes. De wensen werden in verdiepende sessies uitgewerkt tot bouwstenen. Groen, recreatie en verduurzaming bleken belangrijke begrippen. Na elke stap mocht iedere betrokkene commentaar leveren. Zo vroeg ik mij tijdens de bijeenkomsten af wat de financiële randvoorwaarden waren. Het uitkopen van de tuinders leek me een duur plan. Die vraag, zo hoorde ik, zou later aan de orde komen. Op basis van de bouwstenen werden na twee jaar praten drie toekomstscenario’s opgesteld. In alle drie blijft de Harmelerwaard grotendeels groen en is er geen, dan wel beperkt ruimte voor woningbouw. Nu mochten de rekenmeesters aan het werk.

Om kort te gaan: onlangs besloot de gemeenteraad om tot 2030 de zaak te laten zoals die is. ‘De realisatie van de perspectieven is op korte termijn onbetaalbaar’, zo luidt de overweging. De raad besloot ook om ‘woningbouw op grote schaal in de toekomst onmogelijk te maken.’ Hoe de tuinders hierover denken laat zich raden.

1

EEN ZOEKTOCHT

Dagelijks

Met het oorlogsmonument in Vleuten worden twee verzetsstrijders herdacht: Thomas Bakker en Kees Spanjersberg. Over Bakker is ooit een artikel gepubliceerd, van Spanjersberg is nagenoeg niets bekend. Omdat ik bezig ben met het schrijven van een boek over de Tweede Wereldoorlog in Vleuten – De Meern ging ik op zoek. Wie was Kees Spanjersberg en wat heeft hij in het verzet gedaan?
Het weinige dat over hem bekend is komt van een formulier dat zijn vader na de oorlog heeft ingevuld. Het bevindt zich in het archief van het NIOD, het instituut voor oorlogs- holocaust- en genocidestudies.
Kees Spanjersberg wordt geboren in 1911 in Vlaardingen. Hij trouwt in 1936 en wordt in hetzelfde jaar vader van een dochter. Aan het begin van de oorlog woont hij in Utrecht waar hij als kantoorbediende werkt bij Van Gend en Loos. Hij wordt al snel actief in het verzet. In 1941 zit hij vanwege dat verzetswerk drie weken in de strafgevangenis (‘Het Oranjehotel’) in Scheveningen. ‘Hij heeft daarna zeker het illegale werk voortgezet. Hij vertelde ons nooit daarvan’, schrijft zijn vader. Vanaf 1943 heeft Kees een onderduikadres bij tuinder Wttewaal in Vleuten. Daar wordt hij tijdens een razzia op 10 oktober 1944 tezamen met acht andere verzetsstrijders opgepakt. Spanjersberg en Bakker worden twee dagen later in Utrecht gefusilleerd.

Ik begin mijn zoektocht op internet. Ergens wordt vermeld dat Spanjersberg lid was van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. In de twee vuistdikke boeken over deze verzetsorganisatie komt zijn naam niet voor. In de archieven van de LO en die van de Ordedienst, een andere verzetsorganisatie, is de naam Spanjersberg evenmin te vinden.
Na een volgende zoektocht kom ik in contact met een kleindochter van tuinder Wttewaal. Leden van deze familie, zo hoor ik, hielpen met het verspreiden van illegale bladen. Over Spanjersberg weet zij niets meer te vermelden dan dat hij eens zei: ‘als ze mij nog een keer pakken, dan ben ik erbij.’
Het frustreert mij dat er over de man die leider van het verzet in Vleuten wordt genoemd niet meer informatie te vinden is. Ik ga op zoek naar familieleden in Vlaardingen. Via een behulpzame medewerkster van de gemeente en via een rouwadvertentie op internet vind ik een adres. Op goed geluk stuur ik een brief. De aangeschreven man blijkt zowaar een neef van Kees Spanjersberg. Hij stuurt mij bijgaand fotootje van zijn oom. Voor de rest weet hij nog minder dan dat ik weet.

Graf op de erebegraafplaats in Loenen (Gld)

Ik doe nog één poging. Via het Centrum voor Familiegeschiedenis achterhaal ik dat de dochter van Spanjersberg inmiddels overleden is. Maar ik kom ook te weten dat zij één dochter had. Deze vrouw heeft vier voorletters. Dat is niet onbelangrijk want internet geeft op de unieke initialen een bv in Rotterdam. Na ontvangst van mijn brief belt deze vrouw mij onmiddellijk op. Kees Spanjersberg is inderdaad haar opa. Bingo!, denk ik. Zij wil mij graag helpen, maar haar moeder heeft haar nooit iets over opa en zijn verzetsverleden verteld…
Verzetslieden moesten in het geheim opereren en zo min mogelijk sporen achtergelaten. Dat heeft Spanjersberg uitstekend gedaan.

1

PARIJSE MODE

Dagelijks

We bezochten in Parijs de tentoonstelling Parijs 1905 – 1925. In het begin van de twintigste eeuw lag Wenen op apegapen. Berlijn telde nog niet mee. London was weliswaar de grootste stad, maar in Parijs gebeurde het. Parijs was de stad van de vernieuwing, zeker op het gebied van de kunsten, de mode en het uitgaansleven.
De industriële revolutie had geleid tot tal van nieuwe producten: de dieselmotor, de auto, de roltrap. In Parijs werd in 1900 de eerste metrolijn aangelegd. Huizen werden uitgerust met elektriciteit, gas en stromend water. De Franse hoofdstad werd een verzamelplaats voor kunstenaars. Picasso, Satie, Toulouse-Lautrec en vele anderen zochten nieuwe wegen in de kunst. Een interessante, dynamische tijd, bedacht ik, rondlopend op deze tentoonstelling. Maar wie kon zich een auto veroorloven, een satijnen avondjurk, een kaartje voor een concert? In Nederland zal van dit alles weinig doorgedrongen zijn.

Die laatste gedachte moet ik later corrigeren.
Ik herinner me opeens, dat een tante van mijn vader in het begin van de twintigste eeuw haar jurken bestelde bij Parijse winkels zoals Au bon marché en Les Grands Magasins du Louvre. Dat waren modewarenhuizen die over een postorderbedrijf beschikten. Er schiet mij meer te binnen. Ik hol naar boven, waar een houten hoedenkistje staat, dat ik ooit uit het ouderlijk huis heb meegenomen. Zou dat wellicht uit Parijs komen? Grands Magasins du Printemps Jules Jaluzot & Cie Paris, zo staat er op het deksel. Ik lees op Wikipedia dat dit modewarenhuis rond de vorige eeuwwisseling een van de grootste was in Parijs. En het bestaat nog altijd, op een hoek van de Boulevard Haussmann. In 2022 heeft men een filiaal geopend in Qatar. Daar is in onzer dagen blijkbaar de dynamiek te vinden, in ieder geval het geld.
Overigens, meneer Jules Jaluzot, de oprichter van de Printemps, werd in 1904, nadat het bedrijf bijna failliet was gegaan, uit de firma gegooid. Dat betekent dus dat mijn familie al vóór 1904 iets bij dit modebedrijf heeft besteld. Op de deksel van de doos staat in vage hanenpoten A. van Dijk gekrabbeld. Dat kan niemand anders dan mijn opa zijn geweest. Was hij toen zo modebewust? Had hij in 1896 wellicht zijn trouwhoed in Parijs besteld? Of heeft hij zich later het kistje toegeëigend, bijvoorbeeld om zijn zondagse hoed kreukvrij te vervoeren als hij met de Utrechtse mannenzangvereniging Orpheus op reis ging naar Brussel of Essen?

Parijs bleef nog lang Europa’s bruisende hoofdstad, ook na de dip van de Eerste Wereldoorlog, al geeft de benaming Roaring Twenties al aan dat er een andere grootmacht in opkomst was. Opnieuw zie ik in het familiearchief bewijzen dat de Parijse modegolven ook in modale kringen in Nederland doordrongen.
Zie hier rechtsboven de foto uit de jaren twintig van een oom en tante van mijn moeder, wandelend in Utrecht. De dochter, in het midden, draagt de rok boven de knie.
En dan: uit 1931 een foto van mijn moeder, achttien jaar oud, haar vlechten als een koptelefoon om haar oren gedraaid. Ik geloof niet dat er een andere foto is waar mijn moeder zo modieus op staat.

0

GAAN OM TE GAAN

Dagelijks

Het boekje staat misschien al vijftig jaar in mijn boekenkast. Gaan om te gaan is geschreven door Arnold van Dijk en in 1957 uitgegeven door Querido. Dat was zo ongeveer in de tijd dat ik enige interesse begon te krijgen in het lezen van letters. Ik kreeg het boek ooit van mijn zus en zette het in mijn boekenkast. Dat stond wel interessant, vond ik. Deze week bedacht ik dat ik het werk van mijn naamgenoot toch maar eens moest lezen.

De hoofdpersoon van de roman is Adam Verwaat. Hij heeft zijn baan als journalist opgezegd, omdat hij poëzie wil schrijven. Hij draait vele witte vellen in zijn schrijfmachine, maar komt tot weinig. Desondanks denkt hij onder het avondeten: ‘Ik ga het meest realistische, meest schokkende boek schrijven dat ooit geschreven is.’ Hij zegt veel van zijn vrouw Marthe te houden, maar ondertussen is hij met zijn gedachten voortdurend bij de vrouwen van zijn vrienden. Allen worden gewikt en gewogen. De lippen van de een zijn ‘geverfde slijmvliezen’, het gezicht van een ander is een ‘slordig toebereide vleesschotel’. Vanzelfsprekend hebben ook de borsten Adam’s aandacht. …’terwijl zij haar schouders naar achteren trok, waardoor haar laag uitgesneden nylon blouse met uitdagende nauwkeurigheid de vele vormen van haar bovenlichaam registreerde.’ Het lijken er zelfs meer dan twee. Ook zijn beschrijving van staande lampen is van een treffende zekerheid. Tussendoor worden we verwend met filosofische doordenkertjes: ‘het geluk is de goddelijke gemeenplaats in het gesprek tussen dood en leven.’
Geleidelijk komt er enige lijn in het verhaal. De bezoekjes die Adam en Marthe bij bevriende echtparen afleggen geven aanleiding tot een wat broeierige sfeer. Overspel lijkt niet meer te vermijden, al gaat het gesprek tussen de vrienden heel beschaafd verder. Maar dan wordt Adam afgeleid. ‘Opeens zag hij dat met een van haar hijgend op en neer bewegende borstjes een pluis meedeinde. (…) Het pluisje obsedeerde hem. (…) ‘Ik ben verloren’, dacht Verwaat, ‘dit is een rechtstreekse aanslag op mijn bestaan. Zij heeft het pluisje op haar jurk gelegd om mij te vernietigen.’ Anderhalve pagina later is het hem door ‘een bliksemmanoeuvre’ gelukt om het pluisje te verwijderen zonder haar aan te raken. ‘Adam wierp het pluisje in een asbak, hield er een brandende lucifer bij: een vreugdevuur om de grootste overwinning die hij in zijn leven had behaald.’

Van Dijk heeft niet alleen een eerbiedwaardige uitgever voor dit werk gevonden, er zijn ook nog eens zeven dagbladen die het boek recenseren. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Hans Warren is in Het Deventer Dagblad het meest positief. Hoewel hij schrijft dat de auteur vastloopt in het verhaal en onvoldoende afstand houdt tot zijn miserabele hoofdpersoon, noemt hij de roman een interessant debuut dat absoluut het lezen waard is. Ook Parool-recensent H.A. Gomperts ziet wat lichtpuntjes. Jan Greshoff daarentegen noemt het werk in Het Vaderland een boek zonder betekenis. Wie nog weinig ervaring heeft, moet heel veel schrijven, maar zo weinig mogelijk publiceren, vindt Greshoff. Dat mag Arnold van Dijk zich aantrekken.