Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

BLOKKADE

Dagelijks

Uit het stottercabaret Groen en Geel

Een van de merkwaardigste aspecten aan het stotteren is, dat het gehakkel zeer aanwezig is in de communicatie maar meestal onbesproken blijft. Terwijl de vreemde klanken, de rare bewegingen en de hoogspanning niet te negeren zijn, doen beide partijen alsof er een normaal gesprek gevoerd wordt. De luisteraar weet niet wat hij moet doen, of hij moet helpen of beter af kan wachten. Hij wordt er zelf gespannen van en kan slechts hopen op een spoedige verlossing.
Wandel je samen met iemand die moeilijk ter been is, dan vraag je rustig of je niet te hard loopt. Weet je dat iemand angstig is dan informeer je of je iets kan doen. Maar in het geval van stotteren leidt het betonblok van de geremde spraak zelden tot openheid.
Ik was zestien jaar toen er voor het eerst een programma over stotteren op tv kwam. Mijn ouders nodigden mij terloops en heel voorzichtig uit om samen naar de uitzending te kijken. Ik veinsde dat mijn huiswerk nog niet af was en ontsnapte naar boven om niet geconfronteerd te worden met alle schaamte- en schuldgevoelens, met al die dagelijkse pijnlijke ervaringen waarvoor ik geen oplossing zag. Ik stopte mijn kop in het zand.
Zo beïnvloedt de vermijding de communicatie. De stotteraar probeert uit alle macht om zijn stotteren niet te laten horen, wat de spanning zo opdrijft dat de blokkades juist wel naar buiten komen. Hij kijkt er letterlijk van weg en brengt daarmee de boodschap over aan de luisteraar dat hier iets dermate pijnlijks aan de hand is, dat deze er beter niets over kan zeggen.

Sire-campagne uit 1987

Een belangrijke onderdeel van de behandeling van het stotteren is daarom: kijk ernaar, praat erover, kom ervoor uit. Toen ik via een groepstherapie voldoende over mijn negatieve gevoelens heen was gekomen, wilde ik niets liever dan de heilige boodschap van openheid overal verkondigen. Ik meldde mij aan als voorlichter bij Demosthenes, de vereniging van stotteraars.
We togen naar pedagogische academies om de studenten te vertellen hoe het voelt om te stotteren. We daagden hen uit om zelf maar eens hakkelend een bruin brood te kopen. We werden uitgenodigd door logopedie-opleidingen en huisvrouwenverenigingen. Daarnaast organiseerden we zogenaamde Stotter-ins, voorlichtingsbijeenkomsten, waar in het openbaar heel wat afgestotterd werd. Stotterjijofstotterik was de leuze op een sticker die we in veelvoud verspreiden. ‘Wacht met koffie zeggen als iemand een ko- ko- kopje thee bestelt’, was een van de leuzen in een Sire-campagne.
We spraken altijd voor een aandachtig gehoor dat de bewondering voor het praten over je eigen zwakheden niet onder stoelen of banken stak. Toen wij eens een christelijke pedagogische academie bezochten opende de lerares met een gebed: ‘En wij danken God dat wij vanmorgen twee stotteraars in ons midden hebben.’

Dergelijke ervaringen kwamen weer boven toen ik onlangs door twee studenten geschiedenis geïnterviewd werd over het Jaar van de Gehandicapte (1981) en de ups en downs van het stotterleven. Onderwerp te zijn van een historisch onderzoek deed me niet alleen beseffen dat de jaren vorderen, maar ook dat negatieve gevoelens soms weer de kop opsteken en de openheid belagen.

0

EEN GEZOND NIEUWJAAR

Dagelijks

‘Mijn buurvrouw is al in de negentig en nog altijd zo vief! Dus laatst vroeg ik haar: buurvrouw, hoe blijft u toch zo gezond? Vertel ‘ns, wat is uw geheim?’
‘Nou, wat zei ze?’
‘Ze wachtte even en toen zei ze: ik wil het jou wel verklappen, ik eet elke dag een pond rauwe uien.’
‘Oh, hoe heeft ze dat geheim kunnen houden?!’
Ik moest aan deze conversatie van Snip en Snap denken bij het lezen van het boek Seniorenbrein van André Aleman, hoogleraar neuropsychologie te Groningen. Het boek beschrijft wat er in ons hoofd gebeurt als we ouder worden, op welke manier onze hersens bij het vorderen der jaren achteruitgaan en of je deze ontwikkeling kunt tegengaan of afremmen.

In onze gepolariseerde maatschappij lijken ook de visies op de dood steeds meer uit elkaar te lopen. Er zijn mensen die bezig zijn met de vraag hoe zij hun overlijden zelf in de hand kunnen houden en hoe zij kunnen voorkomen dat het leven eindigt in een portie narigheid en pijn. Daartegenover staan de mensen die voortdurend op zoek zijn naar manieren om, zo niet eeuwig, dan wel zo lang mogelijk te kunnen leven. Voor deze laatste groep hebben goeroes tal van adviezen over het gebruik van pillen, kruidenmengsels, vetzuren of ginkgo-extract. Anderen raden voor een gezonde oude dag cognitieve trainingen aan, puzzelen, bridgen, geheugenspelletjes en, natuurlijk, zingen, het middel tegen velerlei kwalen. (Over het nut van schrijven is helaas nog niets geschreven.)

Het boek van Aleman puilt uit van de onderzoeken naar middelen om de lichamelijke achteruitgang tegen te gaan. Er wordt naarstig naar gezocht, maar medicijnen om ons geheugen of ons denkvermogen te verbeteren zijn nog niet gevonden, al mogen in een goed dieet vitamine B12 en omega 3-vetzuren niet ontbreken. Er zijn veel stoffen die een beetje helpen en veel methoden waarvoor enig maar geen afdoende bewijs is. Zo gaat dat in de wetenschap. Waarna Aleman constateert, dat er eigenlijk maar één middel is waarvan onomstotelijk is vastgesteld, dat het heilzaam is voor iedere oudere: lichaamsbeweging. Door te sporten worden de hersenen groter. ‘En dat kan geen kwaad gezien de gemiddelde afname van ongeveer 15 procent van ons hersenweefsel tussen ons 30e en 90e levensjaar.’
Bewegen is overigens niet alleen goed voor de hersenen. ‘Voldoende bewegen heeft aantoonbare positieve effecten op een hoge bloeddruk, overgewicht, een te hoog cholesterolgehalte en een te hoge bloedsuikerspiegel die ouderdomssuikerziekte tot gevolg heeft.’ Volgens die andere bekende neuropsycholoog, Erik Scherder, is zelfs flink kauwen goed voor de hersenen. Dus weg met de doorgekookte worteltjes en de rijstepap!

Tot welke groep je ook behoort, ik wens je een gezond 2020 toe en ik hoop dat je je wensen kunt realiseren. Lukt dat niet, luister dan nog even naar de kersttoespraak van onze koning: ook mislukkingen en tegenslagen horen bij het leven. Misschien ook wel bij het einde van het leven, zou ik hieraan toe willen voegen.

1

EEN DELICATE TEST

Dagelijks

De paarse envelop lag weer op de deurmat. Dat betekende: werk aan de winkel na de stoelgang. Voor de lezers onder de 55 jaar: het gaat hier om een bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Mensen tussen de 55 en de 75 jaar worden om de twee jaar hiervoor uitgenodigd. Je ontvangt een buisje dat is afgesloten met een schroefdop. Aan die dop zit een staafje. Daarmee moet je vier maal in je ontlasting prikken. Vervolgens schroef je het buisje weer dicht. Je verpakt het in een extra beveiligd plastic zakje en stopt dit in een retourenvelop. That’s it.

Blijkbaar is er de afgelopen jaren nogal wat misgegaan in dit proces. Lekkende buisjes, open enveloppen, je kunt je er van alles bij voorstellen. Hoe dan ook, het onderzoek is omgeven door een overdaad aan informatie en instructies: een brief, een brochure, een gebruiksaanwijzing en een verwijzing naar nog meer uitleg op de website. Alles in eenvoudige en begrijpelijke taal beschreven. Zo wordt aan het begin van de brief voor de zekerheid gemeld, dat met ontlasting poep bedoeld wordt.
Wie, zoals ik, zich snel afvraagt of het wel goed gaat, krijgt door deze bulk aan instructies het beklemmende idee, dat er van alles in de soep kan lopen. Het begint er al mee, dat er beslist geen water of urine bij het onderzoeksobject mag komen. Omdat in onze wc de drol direct in diep water valt is dat nog wel een dingetje. Aangeraden wordt om een vuilniszak over de pot te spannen, je behoefte op een krant te doen of om een stuk karton in de pot te leggen. Gelukkig vind ik in de keuken nog een mooi wegwerpbordje met gouden stippen dat perfect in de pot past.

Stap 5. Ik moet prikken met het staafje. De instructie waarschuwt: ‘Er hoeft maar een heel klein beetje ontlasting aan het geribbelde puntje te zitten.’ Het zweet breekt mij uit. Wat wordt bedoeld met een heel klein beetje? ‘Te veel ontlasting zorgt ervoor dat de ontlastingstest niet kan worden onderzocht.’ Wat hebben de postbestellers en laboranten meegemaakt, dat deze waarschuwing vet gedrukt in de brochure is opgenomen?
Stap 7: ‘doe de ontlastingstest in het witte zakje met de blauwe rand.’ Er is maar één zakje, dat kan niet missen. Maar waar zit de plakstrip die ik moet verwijderen? Als ik een verkeerde rand er afscheur, kan het zakje misschien niet meer dicht. Het blauwwitte zakje moet vervolgens in een grote envelop. De plakrand hiervan blijft in mijn geval half open staan. Voor deze situatie heeft men nog geen instructie opgenomen.

foto: kwf

Dan volgt de gang naar de brievenbus. De retourenvelop is uitgevoerd in een groengrijze kleur met een dikke gele baan. Een kleurstelling die je nergens anders ziet. Vanaf honderden meters is duidelijk: daar gaat een senior met zijn poepzakje over straat. Terwijl men toch op de hoogte moet zijn van gevoeligheden op dit gebied. Op de camping lopen we niet zichtbaar met een wapperende rol toiletpapier en we haken een hoedje dat de wc-rol achterin de auto moet bedekken.
Gisteren ontving ik een witte envelop. De uitslag is positief, maar – zo waarschuwt de brief – ‘het bevolkingsonderzoek geeft geen 100% zekerheid.’

1

OPWINDING IN DE BUURT

Dagelijks

Op zondagmorgen is onze buurtapp opeens in rep en roer. Een bewoner meldt een ervaring en pong, pong, pong, binnen no-time komt de ene naar de andere reactie binnen. Elke straatbewoner draagt zijn steentje bij, vergezeld van verontwaardigde, gekwelde en walgende gezichtjes. Pong, pong, pong.
De kwestie is er dan ook naar: een reëel ervaren dreiging, een aanval op het comfortabele leven dat wij leiden, een aantasting van het levensgeluk in onze ruime huizen.
De app die het bal opent is kalm van toon:
‘Vraagje: zijn er meer mensen hier die ineens veel vliegen in huis hebben?’
Het vraagje wordt, zoveel zal duidelijk zijn, van alle kanten bevestigend beantwoord. Ook in ons huis hadden we in de voorliggende weken dagelijks een aantal vliegen mogen begroeten. Ze gaan op de broodplank zitten of op de kale plek op mijn hoofd. We verbazen ons erover, maar zijn niet erg onder de indruk. Misschien komt dat wel door wat je levenservaring zou kunnen noemen.

Na de vaststelling van de overlast komen in de buurtapp tal van verklaringen langs: vocht in de kruipruimte, kieren in het systeem van mechanische ventilatie, rondslingerend eten. Maar de meeste stemmen gaan naar de ondergrondse kliko’s voor het restafval die de gemeente onlangs heeft geplaatst. Volgens velen stinkt de container en wemelt het er van de insecten. De zondebok is gevonden. De ene na de andere buurtbewoner laat weten, dat hij terstond een klacht bij de gemeente heeft ingediend. Iemand heeft de GGD om een onderzoek gevraagd. ‘Hebben die ambtenaren morgenochtend weer iets te doen.’
Een bewoonsters heeft op het internet een grote variatie aan vliegen ontdekt. Zij weet nu zeker dat de buurt last heeft van de klustervlieg, een sterk uitgegroeide kamervlieg. Anderen constateren dat vliegen twee tot drie weken oud worden en dat de vrouwtjes in die tijd wel duizend eitjes kunnen leggen. Het aantal opgewonden emoticons laat zich raden.

Diverse oplossingen komen langs: electrische vliegenmeppers, de stofzuiger, allerhande chemicaliën, de ouderwetse plakstrips en ultrasonische apparaten. Eén bewoonster vangt de vliegen onder een glas. Misschien zet zij de beestjes daarna wel weer buiten.
Zo gaat het een lange zondag door in de buurtapp. Een klein insect blijkt in staat de cohesie in de buurt te versterken. Een eigentijdse versie van Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan. Als er maar een gezamenlijke vijand is, of het nu een vlieg is of de gemeente. Wij houden ons buiten de discussies en zijn het helemaal eens met de overbuurman, die van onze leeftijd is: ‘de vliegen komen binnen door de kou. Maar ze leven niet lang, dus binnenkort hebben we er geen last meer van.’
Inmiddels is de kou ingetreden en heeft de overbuurman gelijk gekregen.
Het is maar goed, dat minister Grapperhaus (nog) niet de mogelijkheid heeft om app-conversaties op te eisen en in te zien.

3

BANKSTEL

Dagelijks

In mei schreef ik hier, dat wij een nieuw bankstel hebben gekocht. Daarom was er een bankstel over. Zelfs twee stellen, omdat twee oudere banken nog jarenlang op een jongenskamer dienst hebben gedaan. Gebruikte exemplaren, maar nog keurig om te zien en comfortabel om op te zitten.
Het was dus tijd om het meubilair voor een klein prijsje op Marktplaats aan te bieden. Vol verwachting klopte ons hart. Na twee weken stond het aantal reacties nog op nul. Toen we verder keken, zagen we dat er op deze vrijplaats meer dan 32.000 banken worden aangeboden. De consumptiedrang heeft blijkbaar tot een gigantisch tweedehands aanbod geleid. De omloopsnelheid van de bankstellen is al net zo groot als de spelers in de eredivisie.
Niet getreurd, de kringloopwinkel bleek bereid de banken op te halen. Een man met een eerbiedwaardige buik inspecteerde de boel en zag een los draadje.
‘Sorry, muneeh, deze kenne we nie meer verkope. We hebbe aal veuls te veul van aal daat spul.’
Dat viel tegen. Dat er een enorm overschot is aan banken drong nog niet echt tot ons door. We logden blijmoedig in bij gratisaftehalen.nl en gratisoptehalen.nl. Op of af, het maakte ons niet uit, als we die dingen maar kwijt raakten. Langzamerhand was er toch wat onzekerheid in dit project geslopen. Het ging allang niet meer over geld, het ging over iets wat waarde heeft. Dat gooi je toch niet weg. We produceren al zoveel afval.
Diverse mensen reageerden enthousiast op ons aanbod, maar lieten daarna niets meer van zich horen. Anderen maakten een afspraak, maar kwamen niet opdagen.

Je gunt het die banken niet. Wat hebben ze al niet meegemaakt. Baby’s die er moedermelk overheen spuugden. Kleine kinderen die in hun pyjama aandachtig luisterden naar het laatste verhaaltje voor het slapen gaan. Sinterklaascadeaus die haastig werden uitgepakt. De leuning die als steun diende om de piek op de kerstboom te zetten.
We haalden chips uit de naden nadat pubers languit op de bank voor de tv hadden gelegen. We vonden ’s morgens vroeg een zoonlief die zijn roes lag uit te slapen. En nog steeds zien die banken er goed uit. Er restte ons niets anders dan met pijn in het hart het nummer van het grofvuil te bellen.
Een week later stopte er een enorme wagen voor de deur, als een olifant met een lange snuit. Met speels gemak werden de banken aan de achterzijde in het gat van het monster gegooid. Er volgde een gekraak dat door merg en been ging. Alsof men wilde voorkomen dat we alsnog spijt zouden krijgen werden de banken ter plekke vermalen en vermorzeld. Zo kunnen ze als een compact pakketje worden aangeboden aan een afvalcentrale, het crematorium voor al uw restafval. Als die afvalcentrale tenminste niet aan vervanging toe is.
Elk product heeft zijn levenscyclus, leert ons de econoom. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

0

EEN EXTRA DAG IN DE WEEK

Dagelijks

Ooit ontving ik op mijn werk een eervolle vermelding in een prijsvraag. De vraag luidde: ‘op welke innovatieve wijze kan de efficiency in ons werk vergroot worden?’ Efficiënt werken heeft mij altijd geboeid, maar deze prijsvraag schoot mij in het verkeerde keelgat. Ik beschouwde deze als de zoveelste poging van de directeur om ‘slimmer te produceren’. ‘Slimmer’ was altijd zijn eufemisme voor ‘méér’. Uit oubolligheid diende ik het idee in om tussen de woensdag en de donderdag een achtste dag in te voeren, de wonderdag.
Hoe irreëel ook, onlangs is mij gebleken, dat dit idee toch werkelijkheid kan worden.

In minder tijd hetzelfde doen, het is een belangrijk motief in de ontwikkeling van de mensheid. Wie eenzelfde product in minder tijd kan produceren is spekkoper. In het huishouden volgt de ene automatisering de andere op, zodat we steeds meer tijd overhouden.
Mijn leven lang ben ik al geobsedeerd door tijdsbesparing. Als kind zag ik een Amerikaanse film over een huisvader die met een stopwatch klokte hoe het dichtknopen van zijn vest het snelste verliep: als hij bij het bovenste knoopje begon of bij het onderste. Zoiets onthoud je niet voor niets.
Zo kan ik me bij de supermarkt ergeren als vrouwen (het zijn altijd vrouwen) de boodschappen rustig over de band laten lopen en pas na het afrekenen op hun gemak gaan inpakken. Mijn boodschappen zitten al in de tas als ik ga betalen en ik ben de winkel uit als mijn voorgangster nog staat in te pakken. Waarschijnlijk leeft ze een stuk langer dan ik.

Tijd is objectief te meten, maar de objectieve tijd komt vaak niet overeen met het gevoel. Daar liggen de mogelijkheden voor de wonderdag.
Zo’n dertig jaar lang was de woensdag naast mijn vierdaagse werkweek mijn huishoudelijke dag en oppasdag. ’s Morgens deed ik de boodschappen en ruimde ik het huis op, ’s middags paste ik op de kinderen. Dankzij een grote vrieskist kon ik eenmaal per week het brood bij de bakker kopen. Als ik daar de deur binnenstapte lag de bestelling al voor mij klaar. Ook dat is efficiency. Toen ik er niet meer voor de kinderen hoefde te zijn kwam het sporten voor het oppassen in de plaats. Maar de woensdagmorgen bleef al die jaren gereserveerd voor de boodschappen.
Sinds G., mijn meisje, dit voorjaar ook gestopt is met werken is alles gaan schuiven. Om redenen waar ik je niet mee zal vermoeien doe ik sinds kort op dinsdagochtend boodschappen. En zie wat gebeurt: de volgende dag, woensdag, heb ik het idee dat het donderdag is. Totdat ik besef dat het nog maar woensdag is en ik blij kan constateren dat ik een dag extra heb. Het patroon is er in dertig jaar zo ingesleten, dat ik na vier maanden van dinsdagse boodschappen nog elke week het gevoel van die extra dag heb. Een aanrader dus.
Voor wie vindt dat een week al lang genoeg duurt liggen hier omgekeerd ook kansen om het aantal dagen te bekorten.

6

SCHRIJVEN LOONT NIET

Dagelijks

Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.

0

TE PAARD!

Dagelijks

Het insectenhotel

Zondagmorgen. Wij maken een wandeling tussen Doorn en Langbroek, op de overgang van bos en wei, waar eeuwen geleden drassige landen zijn ontgonnen en machtige mannen kastelen lieten bouwen.
Het donkere water van de Langbroekerwetering weerspiegelt de traag voorbijtrekkende wolken. In de groene weiden wuift het lange gras zachtjes mee met een vleugje wind. Vogels kwetteren in de bomen en onzichtbare kikkers kwaken tussen het kroos.
We passeren iets wat door G. een insectenhotel wordt genoemd. Ik heb er nooit van gehoord, maar ik begrijp dat de beestjes in deze giftige tijden er ook wel eens uit willen.
Op een smal graspaadje trap ik bijna op een slang. Ik sta als aan de grond genageld, me niet bewust dat dit gebroed ook vlakbij Utrecht de paden onveilig maakt. Het is een fors exemplaar, ongeveer een meter lang. Het dier heft zijn kop. Met één klein oog kijkt het me een moment spiedend aan alvorens weg te kronkelen onder de graszoden.
Dat moet een adder zijn geweest, vermoed ik. Die zijn giftig. Ik denk wel vaker gelijk aan het ergste. Thuisgekomen zal internet mij leren, dat we een ongevaarlijke ringslang hebben ontmoet.

Het leven van de mens moet deze ochtend nog op gang komen, met uitzondering van de middle aged men in lycra. De goed gevulde buik uitbollend boven de stang van de racefiets scheren de mannen over de smalle wegen. Nog lang is hun geroep (‘voetganger! bocht!’) in de stille morgen te horen.
De racende mannen worden in deze contreien in aantal alleen overtroffen door paardrijdende vrouwen. Bij de stallen en maneges draaien de jonge-meiden-met-paardenstaarten hun vierkantjes.
Volwassen vrouwen rijden hoog bovenop hun forse ruinen over de bospaden. De bovenlichamen bewegen ritmisch mee op de stappen van het paard. Het zweepje in hun hand steekt een eindje uit. Als wij ons uit ontzag aan de kant van het pad opstellen, zegt een van de vrouwen: ‘rustig maar, ze doen niets.’ Het blijkt dat zij dit tegen haar paard zegt. Ik neem mij voor om voortaan ook zoiets te zeggen mocht ik nog eens een slang op mijn pad vinden.
Vlak buiten de bebouwde kom ontmoeten we enkele oude dames te paard, in een houding die verraadt dat zij hier al jaren rond rijden. Dat je hen niet hoeft te vertellen dat hun viervoeters niet zomaar mogen mesten. De kleine paarden sjokken alsof zij altijd hetzelfde rondje maken en de vermaningen om rustig te lopen wel eens zat zijn. Er hangt een merkwaardige geur rond het stel. Wellicht hebben de dames hun zadel ingesmeerd met vet dat al lang over de datum heen is. Ik weet het niet. Misschien zijn het wel hun rijbroeken met zeemleren voering. De ouderdom komt met gebreken.
Intussen is de middag aangebroken. Over de provinciale weg trekken rijen auto’s, op beide fietspaden geëscorteerd door zoevende e-bikes. De pannenkoekentent heeft de vlaggen uitgehangen en de zon breekt langzaam door.

1

HET WOONPARADIJS

Dagelijks

Mijn schoonouders hadden weinig te makken. Maar de spaarcenten die er waren werden om de paar jaar gespendeerd aan nieuwe meubels of nieuwe vloerbedekking. Bij ons is het precies omgekeerd. Wij hebben genoeg gespaard en doen al jarenlang met dezelfde meubeltjes. Hoe dit verschil te verklaren is, laat ik aan anderen over. Maar nu de scheurtjes in het leer van onze bank en de krassen op de bijzettafeltjes wel erg gaan opvallen ontkomen we er niet meer aan.
Kortom, wij zijn op meubeljacht. Welkom in de wereld van de woonwinkels. Groot, groter, grootst. Het woonparadijs is de ultieme uitdrukking van de overvloed in onze westerse maatschappij, iedere droom kan waargemaakt worden, de keuzemogelijkheden zijn eindeloos.
Ook in deze wereld dringt de tweedeling zich op: ruim opgezette afdelingen met dure designmeubelen tegenover étages waar je volgens vaste looproutes tussen de dicht opeengestapelde massagoederen loopt. Op de laatste is geen personeelslid te vinden, op de eerste wacht een keurkorps aan goedgetrainde verkopers hongerig op de paar klanten die aarzelend de meubelzaal betreden.
Jezelf niet opdringen, maar beschikbaar zijn als het moet, lijkt het credo van deze verkoper. Glimlachen, vragen, informeren, maar alles op een ingehouden manier. Dus komt er een klant met een bovenmatige interesse dan moet je als verkoper volharden. Je omzetcijfers worden immers gemonitord. Heeft de klant één vraag gesteld, dan duik je even later onverwachts achter een pilaar op.
Geleidelijk de mondige klant over de streep trekken, zo gaat de klantgerichte en omzetgestuurde verkoper te werk. Hij peilt welk vlees hij in de kuip heeft. Hij gooit zijn kennis in de strijd, zijn opvattingen over wat modern of kwalitatief is en hij paait. Kopje koffie? Stukje appeltaart erbij?

Afgelopen woensdag brachten wij van 10 tot 3 in zo’n paradijs door en al die uren hadden wij een verkoper als persoonlijk begeleider tot onze beschikking. We kregen een lunch aangeboden, vervolgens de blackbird van Eames, een peperduur kunstzinnig object, en als klap op de vuurpijl een cheque van 400 euro te besteden tijdens ons volgende bezoek. De marges zijn ruim op dit soort afdelingen.
Als klant kan je een beetje hulp best gebruiken. De overvloed aan mogelijkheden leidt al snel tot keuzestress. Wat neem je als uitgangspunt? De bank, de gordijnen, het vloerkleed? Welke stijl spreekt aan, welke materialen, welke kleuren? We waren al langs tig websites gescrolld en we wilden niet even zoveel winkels afgaan. We wilden iets moois en iets betaalbaars. Soms wilden we het onmogelijke. Maar bovenal wilden we onzekerheidsreductie. Dat kan de verkoper wel bieden.
Toen we bijvoorbeeld na lang wikken en wegen – en in goed onderling overleg – de keuze hadden gemaakt voor een bepaalde kast, waren we er nog niet. Er volgden nog talloze opties voor het soort hout, de kleur, links- of rechtsdraaiende deurtjes, lade of klep, plaats van het kabelgat tot aan de kleur van de dop die het kabelgat afdekt; alles via een flitsend computerprogramma aan je voorgeschoteld door de geduldige verkoper, die inmiddels al lang weet dat hij beet heeft.
Verkoper en klant, wat zouden zij zijn zonder elkaar?

0

NESTJE BOUWEN

Dagelijks

Zoals mensen verschillen in intelligentie, zo zijn er ook in het dierenrijk slimme en minder slimme wezens. Onze Youri zaliger bijvoorbeeld was volgens mij een kat met enig inzicht. Ik verbeeldde mij dat hij evolutionair gezien op weg was naar een meer menselijke status. Hij gebruikte regelmatig zijn poot om het voer in zijn bek te stoppen.
Zo heb ik ook gelezen, dat kauwen intelligente vogels zijn. Op welke plaats in de ranglijst van de knapste vogel de Turkse tortel staat zou ik niet weten. Ik vrees sinds deze week dat de tortel ergens in de onderste regionen vertoeft. (Omdat de tortel-met-een-migratieachtergrond een te lange formulering is, zal ik hier simpelweg over tortel schrijven).
Deze week mochten wij er getuige van zijn, dat twee tortels een nest gingen bouwen in onze oude pruimenboom. Het vrouwtje – beter gezegd de tortel die wij ervan verdachten het vrouwtje te zijn – settelde zich urenlang in een opvallende positie, de kop omlaag en het achterste omhoog, zodat wij aanvankelijk dachten dat een snelle paring aanstaande was.
Het mannetje toonde echter geen enkele belangstelling voor de geheven derrière. Het vloog continu af en aan met grassprietjes en kleine takjes, die hij als een kussentjes onder de kop van het vrouwtje probeerde te duwen. Althans dat leek de bedoeling. De tortels hadden een kruising tussen twee dunne takken uitgekozen om te nestelen, een plek waar elke aangeleverde bouwsteen weer terstond omlaag viel. Sterker nog, de stokoude boom is zo dicht bij het moment van euthanaseren dat het drukke gedoe van het mannetje de val van vele dode pruimentakken veroorzaakte. Op de grond onder de boom ontstond zo een nest van dode takken, die voor zeker vier tortelparen voldoende zou zijn. En het mannetje maar omhoog vliegen met minuscule twijgjes van elders.
Ik zag het met verbazing aan. Overtuig dan zo’n stel tortels maar eens van de hopeloosheid van hun onderneming! Ze moeten door schade en schande wijs worden, zou je zeggen.
Na drie uur bikkelen bleek het moment van inzicht gekomen. De derrière ging weer omlaag en de vogels verlieten onverrichter zake de boom. Ook ik kon mijn bezigheden weer hervatten.
De volgende morgen had het vrouwtje weer dezelfde houding op dezelfde plek aangenomen en vloog het mannetje weer druk en liefdevol heen en weer. Op het gebied van de wederzijdse liefde kunnen wij nog wel iets van tortels leren.
Na uren van vruchteloos bouwen, braken zij tegen het middaguur opnieuw hun arbeid af, mij met vele vragen achterlatend. Was het gebrek aan slimheid? Of was ik hier getuige van een aan mensen onbekend voorspel in de liefde? Mogen tortelmannetjes pas het vrouwtje bespringen als zij eerst hebben laten zien, dat zij onverwoestbare werkers zijn? Of ontbreekt het mìj aan slimheid om dit gedrag te verklaren?
Op de website van de Vogelbescherming las ik daarna: ‘het broedsel mislukt regelmatig. Soms valt het gammele nest met eieren en/of kuikens uit de boom of waait weg.’ Dat maakt echter allemaal niet uit. Het beest hoeft namelijk niet zo nauw te kijken: ‘de Turkse tortel heeft een uitzonderlijk groot voortplantings- en verspreidingsvermogen.’ Ach, zoveel verschillen ze dus niet van de mens. Wij mannen hoeven ook niet op een zaadje meer of minder te letten.