Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

2

ANGST VOOR GEVAREN

Dagelijks

Hoe ouder ik word, hoe meer gevaren ik zie, hoe minder risico ik neem. Alsof ik een wandelende FOBO-commissie ben (Fouten, Ongelukken, Bijna Ongelukken) die constant aanbevelingen doet voor veilige gedragingen.
Ik doe van alles om risico’s te verkleinen. Voordat ik de deur uitga controleer ik of ik mijn portemonnee, sleutels, en mijn telefoon bij mij heb. Als ik op een tweebaansweg ook maar een stipje van een tegenligger zie, haal ik niet in. Ik ga niet als eerste schaatser onder een bruggetje door. Ik eet geen zwartverbrande korsten en rook geen sigaretten. Ik probeer elke dag een half uur te bewegen. Zo hoop ik nog even verder te leven en een slopend ziekbed te voorkomen. En zo lijkt het alsof ik mijn leven in eigen hand heb.

Maar niets is minder waar.
Als jong kind liep ik na het uitgaan van de school vol enthousiasme bijna onder een auto. Later maakte ik in de bergen hachelijke situaties mee. In 1978 daalde ik in de Franse Alpen de Col d’Allos af. Het was stralend weer, de weg was schoon en zeer bochtig. Op mijn zwaar beladen racefiets ging ik al snel meer dan zestig kilometer per uur. De omgeving was adembenemend mooi. Hier moet ik van genieten, dacht ik. Ik richtte me op en keek een ogenblik naar de bergen. In een flits zag ik in een bocht een donkergrijze rotswand opdoemen. Nog juist op tijd kon ik mijn stuur bijdraaien. Een fietshelm droeg ik in die jaren niet.
Wat leerde ik van deze situaties? Het is een cliché: toen ik jong was zag ik de gevaren niet. Of ik was zo eigenwijs om te denken, dat het ongeluk mij niet zou treffen. Daarin werd ik ook nog eens bevestigd. Ik verloor mijn portemonnee, omdat er een flink gat in mijn kontzak zat. Nadat ik ‘em via een eerlijke vinder teruggekregen had bleef ik onbezorgd de broek dragen. Zodat ik de portemonnee niet veel later voor de tweede keer kwijt was. En opnieuw kreeg ik ‘em met inhoud terug.

Zou ik nu in zo’n situatie belanden, dan zou ik flink in mijn remmen knijpen of onmiddellijk een andere broek aantrekken. Hoe dichter ik bij het einde kom, hoe bezorgder ik word. Dat is een aardige paradox. Want als je jong bent, heb je een heel leven te verliezen. Als je oud bent gaat het om een gering aantal jaren. Wie vijfduizend euro bij zich heeft moet voorzichtiger over straat dan wie vijftig eurocent op zak heeft. En toch loop ik met mijn vijftig eurocent alsof ik die elk moment kan verliezen. De crux is natuurlijk dat de kans dat ik op latere leeftijd die vijftig eurocent verlies veel groter is dan dat het verliezen van vijfduizend euro op jonge leeftijd.
Honderd jaar geleden was sterven op je 68e doodnormaal. Toen ik geboren werd was de levensverwachting voor de man zeventig jaar, nu is dat tachtig. Ik ben heel tevreden, dat ik zo’n bofkont ben, maar stiekem hoop ik op meer.

0

ZUSTER BODDEKE

Dagelijks

Een enkele keer ontwaarde ik wel eens een opgetrokken wenkbrauw of hoorde ik een verbaasde vraag (‘Echt waar?’). Maar gelukkig is het beeld van een man achter een strijkplank niet zo schokkend meer. Al meer dan veertig jaar strijk ik zelf mijn wasgoed.
Het gaat niet in de hoeveelheden die mijn moeder verwerkte. Ik beperk me tot broeken en overhemden. Rondlopen in een kreukelig shirt vind ik geen gezicht. Als leidinggevende heb ik tweemaal een collega op een ongestreken voorkomen moeten aanspreken, een man en een vrouw. Met de eerste voelde ik enig medeleven, bij de tweede was het slechts irritatie. Zo word je regelmatig met je gender vooroordelen geconfronteerd.

Ik mag wel zeggen dat het strijken mij vlot afgaat. Wie vraagt wat mijn geheim is, krijgt als antwoord: ‘ik strijk met zuster Boddeke.’ Met zo’n antwoord is het geheim nog niet ontrafeld. Dat komt door dat lastige voorzetsel met. Je kunt dan denken dat ik de strijk samen met zr. Boddeke doe, om de beurt een mouw bijvoorbeeld. Ik zou dat heel graag doen, om niet te zeggen dat het een van de nog niet vervulde wensen van mijn leven is. Maar dat is niet de strekking van mijn antwoord. Ik bedoel dat mijn strijkplank zuster Boddeke heet. Hoezo, hoor ik je denken, wie geeft er zijn strijkplank een naam? Dat voedt de verdenking dat ik ook voor de stofzuiger en de ragebol koosnaampjes heb bedacht. Het eerlijke verhaal is dat ik ooit in een kraakpand heb gewoond, waar huisgenote Lucia B. na haar vertrek een strijkplank had achtergelaten, die aan de achterzijde gebrandmerkt is met de naam Zr. V. Boddeke. Die plank heb ik mij daarna toegeëigend. Zo ging dat destijds in commune-achtige settings.

Ik stel me voor dat Lucia een ongetrouwde tante heeft gehad en dat Lucia na tantes overlijden uit de onverdeelde boedel de strijkplank kreeg toebedeeld. Het is niet aannemelijk dat de tante een Augustines of Claris is geweest. Het zou immers een grove schending van de gelofte van armoede zijn als een non in het bezit van een strijkplank was geweest. Daarom denk ik dat zr. Boddeke een degelijke wijkzuster was (eigen solex, eigen strijkplank) of een verpleegkundige die naast een ziekenhuis in een zusterhuis woonde. Zo’n voorziening waar het krioelde van de zusters, die natuurlijk niet allemaal hun eigen plank hadden. En dat zuster Boddeke na de zoveelste maal dat een collega háár plank had ingepikt een pen heeft gepakt en haar naam op de achterzijde heeft geschreven. Wat haar door het ongelakte hout nog niet gemakkelijk is afgegaan. Wat een gedreven zuster!
Hoe dan ook, het is een beste plank, ook na de zeventig jaar die ik haar (het is een zij) geef. Mijn streven is dat ik nooit meer een andere strijkplank hoef te kopen en dat ik met zr. Boddeke het einde van mijn leven ga halen. Zodat het overhemd dat men mij zal aantrekken als ik in de kist lig op deze plank is gestreken. Ware ik een Egyptenaar, ik zou de zuster meenemen in mijn graf. Nu zit ik mijn hersens te pijnigen wie ik in mijn testament als erfgenaam zal opnemen.

0

WEEKBOEK

Dagelijks

Op zondagmiddag om vijf uur bind ik voor de laatste keer mijn noren onder. Op de vaart achter ons huis kan ik zonder klunen twee kilometer toeren. Aan de zijkant langs het riet is het ijs na vier dagen schaatsplezier nog opvallend goed. Ergens staat een groep veertigers hossend op het ijs, de plastic bekertjes met glühwein in de hand. Alsof het einde van het coronatijdperk gevierd wordt. Onder het wolkendek wordt het licht langzaam grijsblauw. Opeens zie ik G in onze achtertuin. ‘Het is al zes uur’, hoor ik. Ik heb moeite met afscheid nemen. Het is zo’n mooi geluid, de ijzers over het donkere harde ijs. Links, rechts in een fijne cadans. Horizontaal skiën. Zelfs de kou is aangenaam.
Maandagmorgen fiets ik met drie volle boodschappentassen door een druilerige regen naar huis. In onze straat moet ik lopend verder, glijdend over glibberige korsten van platgereden vuile sneeuw. Mijn fiets glijdt weg, maar ik blijf overeind. Links en rechts schuift de laatste sneeuw van een dak met een doffe klap omlaag. Sneeuwbouwsels van kinderen staan er verloren bij.
Regendruppels vallen op het donkere natte ijs. De lichte lijnen van de scheuren vormen een prachtig patroon. Daarboven vliegen eenden, aalscholvers, meeuwen en een paar zilverreigers af en aan op zoek naar eten. Waar zouden de door ons geadopteerde meerkoeten zijn?
Dinsdagmorgen bij het openen van de gordijnen: ‘Hé, daar zijn Keet en Koet!’ Toen het ijs ontstond waren zij verdwenen, met onbekende bestemming. Voor een ongeluk werd gevreesd. Nu zitten ze trouw op het doffe ijs te wachten als twee verslaafden op hun shot. Ze hebben een aantal eenden meegenomen. In de tuin doen de mussen en de mezen zich tegoed aan pinda’s en vetbollen. Andere soorten pikken de restjes op. Een ploeg van twaalf spreeuwen doet goed werk op het gazon.

Aswoendag
. Ik had het goed voorvoeld, het feest is voorbij. Het is tijd om te minderen en niet alleen voor veertig dagen. Minderen in consumeren, in zeuren en eisen, in feesten, in reizen en milieu belasten. Waarin eigenlijk niet? De sneeuw is nu nagenoeg weg. De eerste voorjaarsbloemen zijn tevoorschijn gekomen en de temperatuur bereikt de dubbele cijfers. Het voelt warm aan, maar alles is relatief. Als de temperatuur boven de twintig graden is geweest, dan is elf graden koud.
Op woensdagavond lag er nog een gesloten ijsdek, op donderdagmorgen is alles verdwenen. De vaart is teruggegeven aan de watervogels. De vertrouwde zuidwester blaast de rimpels over het water. Geknakte rietstengels herinneren aan spelende kinderen. Ik zie nog juist dat de kat van de buren een vergeefse sprong waagt naar een aalscholver die zit te mijmeren op de vlonder. Later struinen drie waterhoentjes door de tuin. Zouden hun uitwerpselen goed zijn voor het gras?
Op vrijdag is het tijd om te vissen. Mijn vangst: 4 pakjes Wiki, 2 blikjes energy-drink, 2 half afgekloven appels, 1 aansteker, 1 pakje tempo zakdoekjes, 3 plastic zakken.
Zaterdag: in Utrecht varen er kano’s door de Oude Gracht. Mensen zetten hun stoelen buiten en laten hun jassen binnen. Ik signaleer de eerste korte broek en er is al een waarschuwing voor hooikoorts afgegeven.

1

HERLEZEN

Dagelijks

Opgesloten in huis heb ik verschillende klassiekers uit de Nederlandse literatuur gelezen, zoals Lijmen van Willem Elsschot, De straat van Ina Boudier-Bakker en Dorp aan de rivier van Anton Coolen. Veel van deze boeken zijn gratis en voor niks te lezen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, een goudmijn voor wie geïnteresseerd is in literatuur uit de twintigste eeuw. Je vindt er boeken van bijvoorbeeld Vestdijk, Nescio, Bordewijk en Hugo Claus, maar ook recensies van die werken, tijdschriftartikelen en dergelijke.
Ik herlas Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen (eerste druk 1951). In mijn herinnering is dit het eerste grote-mensen-boek dat ik na mijn kinderjaren las. In ieder geval was dit het eerste boek waarvan ik erg onder de indruk was.

Het verhaal speelt zich af in de jaren twintig. De ik-figuur is een wat onzekere, katholieke jongeman die met zijn hoofd in de boeken zit en zich ver verheven voelt boven zijn leeftijdgenoten. Terwijl zij in spel en sport geïnteresseerd zijn, spaart hij voor de complete werken van Goethe. Op een zondagmiddag gaat hij naar een film in een parochiezaaltje. In het duister ontmoet hij Agnes, een bleek meisje op wie hij verliefd wordt. Tijdens zijn militaire dienst stoort hij zich hevig aan de officieren die bordelen bezoeken en zijn medesoldaten die in vulgaire taal opscheppen over hun prestaties in bed. ‘Ik wilde niets met de techniek der lage driften gemeen hebben.’ Hij wandelt tijdens zijn verlof hand in hand met Agnes en ziet zijn relatie als een verheven, geestelijk verbond.
Dan vallen hun toekomstdromen uiteen, Agnes krijgt tbc. Als duidelijk is dat zij het niet zal overleven, is hij bereid om samen met haar te sterven. ‘Toen zoende ik haar voor het eerst zoals een minnaar een vrouw moet zoenen, dronken en duizelend van verlangen.’

Marnix Gijsen

Ik begrijp nu waarom ik meer dan vijftig jaar geleden Klaaglied om Agnes zo’n prachtig boek vond. Ik kon mij als onzekere puber uitstekend identificeren met de hoofdpersoon. Weliswaar was ik bijzonder geïnteresseerd in sport en niet in Goethe, maar de keurige, katholieke zeden zaten mij in de haarvaten.
Ik verbaasde me nu over de stijl en het taalgebruik. Gijsen schrijft soms lange zinnen, van een hoog abstractieniveau, met verwijzingen naar Faust, Lohengrin, Orpheus en Euridice en naar dichtregels van Boutens. Blijkbaar vond ik als gymnasiast deze stijl heel gewoon. Ik denk dat de huidige middelbare scholier liever Elsschot op zijn lijst zet.
Het herlezen was tenslotte op één ander punt een confrontatie. Hoe ver ik ook in het boek vorderde, er kwam geen enkele herinnering aan dit verhaal meer boven. Ik wist dat het veel indruk op mij gemaakt had, maar de inhoud bleek compleet verdwenen. Als ik tegenwoordig een boek lees, moet ik het niet een week laten liggen. Zeker niet een boek met veel personages en verhaallijnen. Dan weet ik niet meer wie wie is. Dus als dat zo doorgaat heb ik over een tijdje nog meer één boek nodig. Dan kan ik na het laatste hoofdstuk weer aan het eerste beginnen.

1

ONGEBONDEN LEVEN

Dagelijks

Een klein bericht vorige week op Teletekst: ‘de Zwarte Cobra is terug in Nederland.’ De bijnaam verwijst naar drugsbaron Henk R. Hij zat sinds 2006 gevangen in de Verenigde Staten. Op Schiphol is hij direct in hechtenis genomen. Hij moet nog een poosje zitten voor enkele vergrijpen in Nederland en er loopt nog een onderzoek waarin hij verdacht wordt van een dubbele moord. Hij kreeg zijn bijnaam in de tijd dat hij nog een gewone inbreker was. Hij was zo lenig, dat hij door elk sleutelgat naar binnen kon. Slim moet hij ook zijn, want van een dief van postzegelverzamelingen werkte hij zich op tot een van de rijkste drugshandelaren van het land.
In het schooljaar 64/65 zat Henk direct achter mij aan het raam van een benedenlokaal van het Bonifatiuslyceum. Hij kwam van het katholieke internaat Don Bosco in Leusden. Ik vond het een aardige jongen. Hij was goed in sport en niet op zijn mondje gevallen. Bij het begin van het nieuwe schooljaar bleek dat hij van school af was. Katholieke scholen brengen priesters voort, onderwijzers, officieren van justitie, maar ook drugsbaronnen. Wie welke afslag neemt en wat daarbij meespeelt is een vraag die ik hier nu laat liggen. De terugkomst van de Zwarte Cobra heeft bij mij wel andere vragen opgeroepen.

Van een deel van mijn klasgenoten in dat lyceumjaar weet ik wat zij geworden zijn: dierenarts, klinisch psycholoog, ingenieur, tandarts, jurist; beroepen die je kunt verwachten van vwo-scholieren. Er zijn zijn ook klasgenoten met een andere levensloop: een kunstenaar die aan de drugs is verslaafd, een architect met een alcoholverslaving en de genoemde handelaar in drugs.
Wij waren de jongeren voor wie de volwassenwording samenviel met de vrijheidsgolf van de jaren zestig. De rem die we hadden meegekregen in de opvoeding ging eraf. Niets hoefde, alles kon. Wij werden als het ware door de tijdsgeest geholpen in het loskomen van onze ouders. En door de pil, de uitkering en de genotmiddelen. De ouders die zelf nooit die vrijheden hadden gekend werden bedankt. Ging dat niet al te gemakkelijk? Zijn er daarom generatiegenoten blijven steken in het ongebonden leven?

Ik heb er geen cijfers over, maar ik denk dat de meesten van mijn leeftijd ondanks de vrijgevochten jaren keurig op traditionele pootjes terecht zijn gekomen. Omdat zij voldoende zelfvertrouwen hadden meegekregen of omdat zij, zoals ik, de normen uit hun opvoeding stevig hadden geïnternaliseerd. Kenmerkend is wel dat de meesten die ik ken in de non-profit sector zijn beland. De jaren zestig waren geen kweekbak voor marketingmedewerkers of beurshandelaren.
Daarnaast zijn er van mijn generatie meer mensen doorgegaan met een ongebonden levensstijl. Via afwisselende bezigheden zoals een baantje in de biologische tuinbouw, een wereldreis maken, het boeddhisme bestuderen en een dichtbundel uitgeven. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar dat zegt minstens zoveel over mij. En waar verslaving om de hoek komt kijken is het gebruik van de woorden ongebonden leven discutabel. Wie zou beter af zijn: de kunstenaar die gevangen zit in zijn verslaving of de drugshandelaar die opgesloten zit tussen vier muren?

3

VITTEN

Dagelijks

Enkele jaren geleden was ik op reis met een koor. Ik had regelmatig contact met een heel vriendelijk stel. Zowel met hem als met haar kon ik het uitstekend vinden. Het ware lieve mensen bij wie ik me op mij gemak voelde. Op een ochtend zag ik hen samen in de hal van het hotel staan. Vanaf een afstandje hoorde ik een felle woordenwisseling. De meningen, correcties en verwijten vlogen over en weer. Hoe konden die mensen die zo aardig waren tegenover hun reisgenoten zo lelijk doen tegen elkaar?

Wat minder lang geleden deelde ik de wachtkamer van de huisarts met een ouder echtpaar.
‘Jij hebt je mondkapje verkeerd op’, zei de man tegen zijn vrouw. Zij reageerde laconiek.
‘Dat doe je altijd, omdat je gewoon niet goed oplet’, ging de man brommerig verder.
Ik moest denken aan wat een vriendin ooit tegen me zei: oudere stellen zitten vaak te vitten op elkaar. Ik was ervan geschrokken want ondertussen behoor ik ook tot die categorie en ik begreep waar het om ging.
Als de een spreekt over een vakantie in Italië in 2013, corrigeert de ander: dat was 2014. Vraagt de ander waar dat boek gebleven is, zegt de een: dat heb je gisteren ook al gevraagd. Er vallen woorden over de aankoop van een verkeerd merk koffie. Of de plek waar je de plakband opbergt.

Het gaat nergens over. Het betreft futiliteiten. Er is geen sprake van urgentie, er gebeuren geen ongelukken en de gewraakte opmerkingen dienen geen hoger doel. Dat de correcties tot een ander gedrag leiden is een illusie. Waarom dan gemuggenzift? En waarom zouden oudere paren zich vaker hieraan bezondigen?
Je kunt denken, dat wie ouder wordt meer behoefte heeft aan houvast. De vergeetachtigheid neemt toe. Je wilt de wereld behouden die je hebt. Stel toch, dat je niet meer weet wanneer je in Italië was! Of dat het plakband elke week weer op een andere plek ligt.
Een andere, tegenovergestelde verklaring is de volgende. Je bent al lang bij elkaar en je kent elkaar van haver tot gort. Gesprekken herhalen zich. Wie steeds dezelfde wandeling maakt of naar dezelfde muziek luistert, wil wel eens iets anders. Sleur kan tot irritatie leiden. ‘Dat doe je altijd!’
Ik geloof dat er nog iets meespeelt. Het is gemakkelijker boos te worden op degene die dichtbij je staat. Toen ik jong was viel een vader van een vriendje opeens vreselijk naar mij uit. Ik schrok en hij ook. Hij had mij voor zijn zoontje aangezien en bood meteen excuses aan. Heb je elkaar lief dan laat je eerder je irritaties blijken. Je bent er immers zeker van dat de ander je weer snel vergeeft. Als ik tegen mijn buurman begin te vitten, weet ik niet of ik daarmee de relatie bederf en of ik de volgende keer nog wel zijn heggenschaar mag lenen. Vitten op elkaar is een vorm van liefde.

1

KERSTBOOM

Dagelijks

Afgelopen maandag, twaalf uur in de middag. Op de tijd van het vertrouwde luchtalarm werden wij opgeschrikt door de piepjes van de telefoon die het breaking news van de lockdown verkondigden, als was het een boodschap van een engel uit de hemel. G. en ik lieten onmiddellijk alles uit onze handen vallen, als je dat tenminste kunt zeggen over twee gepensioneerden. We waren ons bewust van de ernst van de situatie en wisten wat ons te doen stond: als de gesmeerde bliksem naar het tuincentrum voor een kerstboom. We hebben dit jaar al zoveel moeten missen, daar kan het ontbreken van zo’n vers ruikende boom niet nog eens bijkomen.
Bij de ingang namen we dankbaar een ontsmet winkelwagentje in ontvangst en liepen vol verwachting met mondkapje en beslagen bril het tuinwalhalla binnen. Even nog dreigde de hechte samenwerking tussen ons tweeën een scheur op te lopen, omdat ik doelgericht naar de kerstbomen wilde doorstomen en G. onderweg nog allerlei leuke dingen zag. We vonden elkaar weer in de noodzaak van de aanschaf van vogelvoer.
De bomen in een pot waren al vergeven, dus waren wij aangewezen op een afgezaagd exemplaar van de Abies Nordmanniana. Omdat het houten kruis dat jarenlang onze bomen overeind heeft gehouden de verhuizing blijkbaar niet had overleefd, ging ik direct na thuiskomst aan de slag met duimstok en zaag. Niet veel later kon ik G. met trots een houten standaard laten zien. Met twee roestige spijkers van tien centimeter sloeg ik het kruis stevig onder de stam van de boom. Ik vermeld deze bijzonderheid, omdat het jaren geleden is, dat ik een kruis heb geslagen. En ook, omdat het zomaar kan zijn, dat die spijkers afkomstig zijn uit de smederij van mijn overgrootvader. Gooi nooit iets van waarde weg.

Niet dat we het ooit hebben afgesproken, maar na veertig jaar kennen G. en ik onze taken bij het optuigen van de boom. Eerst hang ìk de lichtjes erin, daarna ontfermt G. zich over de ballen. Vaste gewoonten maken het leven gemakkelijk. Toen ik vanaf een afstandje kritisch keek of de lichtjes mooi over de boom verdeeld waren, zei G.: ‘dat kruis, dat kan niet zo.’ Ik moest haar gelijk geven. Het houten onderstel sprong eruit als het hemdje onder een kindertrui of de onderbroek van een stratenmaker.
Diep uit een van de kasten in de garage kwam nog wat hel groen crèpepapier tevoorschijn, iets dat om onduidelijke redenen wèl was meeverhuisd. Nu volgde een handeling die, zoals later bleek, het meest heikele onderdeel in het proces was. Terwijl ik met een gehandschoende hand de boom omhoog hield, wikkelde G. het crèpepapier om de vier poten. Aan haar gezucht te horen liep dat niet vanzelf. Het papier werkte niet mee en het plakband liet los. Terwijl ik kermde dat ik de boom niet langer meer kon houden, stegen van onderuit de verwensingen naar de hemel. Dat werkte. Na enkele inspannende minuten eindigde onze kruistocht. O Magnum Mysterium.
We gaan de harde lockdown in en zullen eens te meer op elkaar zijn aangewezen. Gesterkt door de oplossing van dit probleem, kunnen we het isolement beter aan dan ooit.

2

FIETS IN BEWARING – DEEL 2

Dagelijks

Als je bij de NS een jaarabonnement koopt voor de fietsenstalling bij Utrecht CS kan het zomaar gebeuren dat de beheerder van de stalling je fiets na achtentwintig dagen verwijdert. Ben je er niet op tijd bij, dan zie je je fiets nooit meer terug. Vorige week beschreef ik hier hoe wij bij het aankaarten van deze vreemde maatregel voortdurend van het kastje (NS) naar de muur (beheerder) werden gestuurd. Na het indienen van een klacht bij de NS Klantenservice moest ik mijn been stevig tussen de deur houden om te zorgen dat ik niet werd afgepoeierd. Na drie gesprekken beloofde de medewerkster om mijn klacht aan haar leidinggevende voor te leggen.

Een week later volgt een besluit dat, na maanden gesoebat, wel een kleine doorbraak genoemd mag worden. NS Fiets erkent, dat men onvolledig is geweest. Men gaat nu de termijn van achtentwintig dagen opnemen in de Algemene Voorwaarden voor de stalling van een fiets. Zodat je tenminste van tevoren weet (of kan weten), dat je je fiets regelmatig moet gebruiken. Daarnaast biedt NS Klantenservice aan om “als tussenschakel te dienen tussen u en de beheerder van de stalling, tot de tijd dat de huidige voorwaarden zijn aangepast.” Ofwel: de instantie die mij maanden van het kastje naar de muur heeft gestuurd wil mij daar nu een handje bij gaan helpen. Voor eventjes dan. Men heeft blijkbaar al een voorschot genomen op een verweer tijdens een mogelijke externe klachtafhandeling. Ik heb geen gebruik gemaakt van dit genereuze aanbod.

G. had zich al een tijd verbaasd over de gedrevenheid waarmee ik achter dit gedoe aanging. Ik zelf vond het vanzelfsprekend. Ik kan er niet tegen als een organisatie een besluit, dat in mijn ogen onrechtvaardig is, ook nog eens onvoldoende onderbouwt. Juist het trage bureaucratische gedoe stimuleert mij om mijn tanden nog steviger in het dossier te zetten.
Na het besluit van de NS leek mij de tijd gekomen om mijn individuele actie van een breder draagvlak te voorzien. Ik legde mijn klacht neer bij zowel de Fietsersbond als bij reizigersvereniging Rover, er al bijna van overtuigd dat deze belangenbehartigers mij van harte zouden steunen.
Na de kleine doorbraak volgde de grote ontgoocheling. Beide consumentenorganisaties lieten weten dat zij achter de 28-dagen-maatregel staan. Ik lag groggy in de touwen. Het duurde even voordat ik enig begrip kon opbrengen voor het argument dat de stallingscapaciteit schaars en kostbaar is en dat het daarom onwenselijk is als iemand zijn fiets 365 dagen ongebruikt laat staan.
Ik schreef terug dat ik dat laatste kan begrijpen, maar dat er nog wel een groot verschil is tussen 28 en 365 dagen. Dat ik zo’n zeventig keer per jaar gebruik maak van de stalling, soms twee keer per week en soms vijf weken niet. Ik stelde voor om voor jaarabonnementhouders de termijn te verhogen van 28 naar 42 dagen.
Het mocht niet baten. Ik was de eerste die dit aankaartte. Ook voor de Fietsersbond en Rover geldt de macht van het getal. Mochten er meer klachten komen, dan gaat men het beleid heroverwegen. Dus, jaarabonnementhouders, laat u horen. Avanti populo, a la riscossa.

4

FIETS IN BEWARING

Dagelijks

G en ik hebben beiden een jaarabonnement op de NS-fietsenstalling aan het Jaarbeursplein in Utrecht. Daarvoor betalen we aan het begin van het jaar € 75. Toen wij in juni dit jaar na twee maanden lockdown onze fietsen weer wilden gebruiken, bleek dat we gezondigd hadden tegen een huisregel. Vanwege corona was men echter zo coulant om onze zonde kwijt te schelden. De betreffende huisregel luidt: fietsen die 28 dagen niet worden gebruikt worden afgevoerd naar een fietsendepot van de gemeente. Daar mag je je fiets ophalen tegen betaling van € 21,35. Heb je je rijwiel niet binnen enkele weken opgehaald, dan wordt hij eigendom van de gemeente Utrecht, die hem verpatst aan een opkoper.
Wij vielen bijna achterover van verbazing. Hoorden we dit goed?
Ik weet dat men in Utrecht streng is tegen fietsen die te lang op de openbare weg geparkeerd staan, zogenaamde weesfietsen. Halfvergane wrakken mogen worden afgevoerd, daar lijkt mij niets op tegen. Om chaos van geparkeerde fietsen rond het station tegen te gaan, mag een fiets daar niet langer dan 14 dagen ongebruikt staan. Daar kan ik ook nog inkomen. Maar in dit geval gaat het om een plek waarvoor ik betaald heb, een heel jaar lang. Dan moet het toch niet uitmaken of ik dagelijks de fiets ophaal of nooit?
Kortom, ik geef mijn fiets in bewaring zodat hij niet gestolen wordt en NS Fiets staat toe dat de beheerder mijn fiets afvoert en dat de gemeente het rijwiel verkoopt. Heling en diefstal, andere woorden kan ik er niet voor bedenken.

De beheerder van de fietsenstalling verwijst mij naar de Klantenservice van NS in de hal van Utrecht Centraal. Daar laat de dienstdoende medewerkster in alles zien dat zij een cursus klantgericht werken heeft gevolgd. Maar omdat zij niets voor mij kan doen, verwijst zij mij terug naar de beheerder. Die zegt op zijn beurt dat ik beter met de NS kan bellen.
Om goed beslagen ten ijs te komen, zoek ik allereerst uit of ik bij het afsluiten van het abonnement wellicht informatie gemist heb. De kleine regeltjes, zeg maar. Nergens is ook maar iets te vinden over de 28-dagen regel. Wel mooie praatjes over het onbezorgde parkeergemak. Wie de stalling beheert staat niet vermeld. De gemeente Utrecht geeft als beheerder Lumiguide. Dit is een ‘end-to-end fietsstallingsbeheerssysteem, dat gebaseerd is op optische detectie van fietsen.’ En blijkbaar zeer geschikt om fietsen te laten verdwijnen.
Na de nodige keuzemenus en wachttijd kom ik telefonisch in contact met de NS Klantenservice. Het langdurige geëmmer met de medewerkster, daarna met de Afdeling Technische Zaken en vervolgens met de Afdeling Fiets zal ik je besparen. Het resultaat is een terugverwijzing naar de beheerder.

Voor het indienen van een klacht tegen de NS moet ik bij….. de Klantenservice zijn. De brief die ik stuur blijkt, als ik na vier weken bel, niet in het bezit van de dienst. Ik stuur ad € 8,80 een aangetekende brief. Daarna volgen twee telefonische twistgesprekken die uiteindelijk resulteren in het advies om bij de beheerder het verzoek in te dienen om voor mijn fiets een uitzondering te maken op de 28-dagenregel. Als ik dit geen goede oplossing vind, zegt de medewerkster toe dat zij mijn verhaal aan haar leidinggevende zal voorleggen.
Wordt vervolgd.

3

ZONDAG

Dagelijks

De Willibrorduskerk in Vleuten

Op doordeweekse dagen moet ik er wel eens over nadenken: is het vandaag dinsdag of woensdag? Op zondag gebeurt dat niet. Bij de zondagen hoort een aparte beleving, een ander gevoel.
In mijn kinderjaren begon de dag met een mis in de katholieke kerk. Pas daarna mochten we ontbijten. Zondag was rustdag en iedereen was thuis. We droegen nette, zondagse kleren. Er werden geen klusjes gedaan, zoals schoenen poetsen of peren plukken. Dat gebeurde op zaterdag. Mijn vader wilde ook niet dat mijn moeder op zondag kookte. Daarom aten we op de dag des heren tussen de middag alleen soep en pudding, gerechten die moeder de dag ervoor had klaargemaakt. Daarna volgde een middag van spelletjes of familiebezoek.
Als puber wist ik niet wat ik erger vond: de verplichtingen van zes dagen schoolbezoek of de verveling van de lege zondagen. Voor wie behoefte heeft aan regelmaat kan de zondag eenzaam zijn. Er zijn mensen die alleen op zondag hoofdpijn hebben.
Tijdens mijn studiejaren stond de zondag in het teken van uitslapen na een nacht van cafébezoek of feestgedruis. Elf uur opstaan was vroeg, één uur niet ongewoon. Op de middag die volgde gebeurde er weinig. Het droeg niet bij aan een prettige stemming.
De overgang naar de fase met kleine kinderen was groot. Om de beurt moest een van ons om zeven uur opstaan. En dat op een rustdag.
Nog weer later was de zondag het enige moment dat onze kinderen rustig huiswerk maakten. Jarenlang gebruikte ik die momenten om stukken voor mijn werk te lezen of te schrijven.
Je zou een leven kunnen beschrijven aan de hand van de invulling van de zondag.

Nu lees ik op zondagmorgen de krantenbijlagen die ik op zaterdag nog niet gezien heb. Voor de afwisseling zijn de puzzels favoriet. Soms weet ik niet wat te doen. Ik hoor wel eens enthousiaste verhalen over tv-programma’s op de zondagmorgen, maar de tv boeit mij weinig en zeker in de ochtend voelt kijken onwennig. Ook dat is historisch-cultureel bepaald.
Komt er geen bezoek, dan zegt een van ons aan het begin van de zondagmiddag: laten we er nog even uitlopen. Hoe lang zou de zondagmiddagwandeling al bestaan in de Europese cultuur? Zondagavond zeven uur zal voor altijd verbonden blijven met sublieme voorzetten en gemene overtredingen.

De christelijke cultuur heeft zijn uitwerking op mij niet gemist. Ik draai weliswaar gerust een was op zondag. Word ik gevraagd om te helpen bij een verhuizing, dan is de zondag geen belemmering. Maar het overheersende gevoel blijft: op zondag hoeft er niets. De voorgeschreven rust is veranderd in een toegestane rust. Al zijn de winkels open, ik ga er ’s zondags niet naar toe. De schuurmachine van de buurman klinkt op zondag irritanter dan op maandag. Zondagmorgen een boek lezen voelt heel gewoon, op maandagmorgen doe ik dat niet, al heb ik er nu de tijd voor.
Van mij mag de zondag rustdag blijven. Of ik er over tien jaar nog zo over denk is de vraag.