Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

2

HET LEVEN IN BEPERKING

Dagelijks

Als ik wakker word trekken droombeelden zich snel en ongrijpbaar terug. In mijn ontwakend bewustzijn dringt direct het besef door van de wereld die veranderd  is. En waar we mee te dealen hebben, is de volgende gedachte. Mijn lichaam moet nog ontwaken, als een zeehond op een zandplaat ligt het zwaar tussen de lakens. Er is geen spier die uit zichzelf begint te bewegen, totdat ik denk dat verder liggen geen zin heeft en me uitrek.
Bij het ontbijt hippen de mussen voor het raam tussen de resten van de broodkruimels die ik er gisteren heb gestrooid. De eerste tuinfluiter heeft zich gemeld, hij begint te zingen zoals hij altijd gezongen heeft. Een merelpaartje fladdert op de rand van het tuinhek om elkaar heen, steeds weer opvliegend, onrustig, totdat het mannetje het genoeg vindt en bovenop het vrouwtje springt, heel snel en heel kortstondig, daarna nogmaals, waarna ze ieder een eigen kant opvliegen. Vergeefs op zoek naar goed nieuws leg ik het Coronadagblad opzij.
Ik vervolg mijn onderzoek naar de Nederlandse samenleving tijdens de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw en naar de belevenissen van mijn familie, een mogelijk onderwerp voor een volgend boek. Ik struin achter mijn pc door digitale archieven, maar ik mis de bibliotheken, de gesprekken en contacten, ik mis de stilte van een archiefzaal waar bedaarde oudere mannen vasthoudend door vergeelde documenten bladeren.
Aan het einde van de morgen doen G. en ik onze dagelijkse fitness, in sportkledij, in de ruime woonkamer. We volgen de pasjes en armbewegingen op het scherm. Voor G. is dit gesneden peijnenburg, ik volg onwennig. Ik raak in de war als mijn benen zijwaarts moeten en mijn armen voorwaarts. Mijn kleinkinderen willen een opname van mijn oefeningen, maar dat heb ik verboden.
Waren G. en ik tot voor kort nooit samen thuis, nu zijn we continu in elkaars nabijheid, op de enige plek waar social distancing niet telt. In een wonderlijke mengeling van vertrouwdheid, gewoontegedrag en nieuwe vormen van samenwerking prijzen we onszelf gelukkig dat we deze tijd samen beleven in een huis dat zowel binnen als buiten ruimte en lucht geeft. Een vergelijking met merels lijkt me wat vergezocht.

Het achterstallig onderhoud in de tuin lopen we snel in. Waar het opschietende onkruid tussen stenen en tegels anders een langdurige opgave zou vormen is het wieden, met uitgedroogde handen, nu een welkome afwisseling in de buitenlucht. Een klusje dat erg meevalt. Het moet eigenlijk niet te snel gaan, want er staat nog zoveel tijd in beperking te wachten.
Ik heb grote bewondering voor de hulpverleners die in moeilijke omstandigheden hun werk doen, maar voor het slapen gaan brengt het kijken hiernaar teveel ellende in mijn hoofd. Zoveel onzekerheid, zoveel onvoorspelbaarheid.
Ik haal het brood voor de volgende dag uit de vriezer, doof de lichten, doe de buitendeur op slot en probeer in bed het gevoel van de zeehond te vinden, die zich laaft aan de zon. Mijn beperkingen zijn gering, is de gedachte die zich tussen waken en slapen opdringt. Ik voel me nog altijd een bevoorrecht mens.

0

KLEINDOCHTERS

Dagelijks

Zijn de kinderen van tegenwoordig bijdehanter dan die van dertig jaar geleden? Intelligenter dan die van zestig jaar geleden? Of lijkt dat maar zo en doen ze hun kennis op jongere leeftijd op?
Mijn oudste kleindochter zit in groep 5, is net negen jaar geworden en kwam met een schitterend rapport thuis. Lezen, spellen, rekenen, het gaat haar allemaal gemakkelijk af.
In het onderwijs van nu wordt elke prestatie gemeten en vergeleken met landelijke cito-standaarden. Daarom weten wij dat zij wat betreft het lezen op het niveau van groep 8 zit. Ze heeft dan ook de eerste drie boeken van Harry Potter uit (aan de volgende mag ze nog niet beginnen). Een bezoek aan de bibliotheek is voor haar een gewild uitje. Om zich niet te gaan vervelen is zij nu maar begonnen aan een digitale cursus Engels.

De jongste kleindochter is zeven jaar en heeft ook een prachtig rapport. Ook zij leest de boeken van Harry Potter. Daarnaast gaat ze graag naar musea. Leergierig als zij is wil ze van alles weten en vooral alles zelf doen. Zelfbewust staat ze vooraan bij een rondleiding en als de gids is uitgesproken vraagt ze keurig: ‘mag ik wat vragen?’
Beide meisjes hebben al verschillende malen verkering gehad. Het hele jargon dat hierbij hoort is langsgekomen. Zij houden trouwens ook erg van klimrekken. Zo kan ik nog even doorgaan.
Ach, is niet iedere grootouder van nu verbaasd over wat zijn kleinkinderen kunnen en beleven?

De kleindochter van negen denkt goed vooruit. Zo kwam zij laatst thuis uit de bibliotheek met het boek Hoe overleef ik de puberteit van Francine Oomen. ‘Ruzie met je ouders? Onzekerheid, getob en getwijfel? Ongesteldheid? Haar op vreemde plekken? Je eerste verliefdheid? Pukkels, puistjes en problemen?’ Alles wat een pubermeisje kan bezighouden komt in informatieve teksten, vragenlijstjes en survivaltips aan de orde.
Onze zoons vroegen indertijd niets. Ze gingen zelf op onderzoek uit of ze leden in stilte. Dus dat was even wennen met deze kleindochter. Op een gewone doordeweekse dag bestormde ze de niet-voorbereide oma met vragen over hoe het was om borsten te krijgen of om ongesteld te worden, met als bonusvraag: ‘Vrijen opa en jij nog met elkaar?’ Dat het boek in een behoefte voorziet is wel duidelijk. Kleindochter maakte zich wat ongerust over de vraag of haar ene borst niet wat groter gaat uitpakken dan de andere.

Nòg mag ik de kleindochters in bad doen. Nòg komen ze op schoot zitten om te knuffelen. En gelukkig mag ik hen voor het slapen gaan gedichtjes voorlezen van Annie M.G. Schmidt (als de coronatijden weer voorbij zijn). Maar over een paar jaar zit ik in de tuin, terwijl de ondergaande zon de avond rood kleurt. Denkend aan mijn kleindochters neurie ik dan zachtjes voor mij uit: ‘Op een mooie Pinksterdag…’. Ook een opa moet vooruitdenken.

1

EEN PODOLOGISCH PRAATJE

Dagelijks

Deze week zat mijn hoofd vol met het c-woord. Ik moest er een blog over schrijven, ook om mijn eigen angsten en ratio in evenwicht te brengen. Elke dag was er een nieuwe ontwikkeling, telkens paste ik mijn tekst aan en nu, op zaterdag, ben ik al die meningen, feiten en ophef even zat. And now for something completely different.

De voeten hiernaast zijn van mij. Zij zijn de basis van mijn bestaan: ze dragen me, ze houden me overeind, ze zorgen dat ik geaard ben. Ze zijn me dan ook zeer dierbaar, zonder mijn voeten zou ik een zittend of liggend bestaan moeten leiden.
Ik heb al heel veel plezier van mijn voeten gehad. Ik ben ermee door heel Europa gewandeld en zij hebben me nooit in de steek gelaten. Met de fiets ben ik gevallen, op de schaats en op de ski ben ik onderuitgegaan, maar behalve wat struikelpartijen hebben mijn voeten me altijd rechtop gehouden. Ze waren me nooit tot last. En dat terwijl elke voet uit 26 beentjes en 33 gewrichten bestaat, omgeven door spierweefsel en zenuwen. Daarmee kan dus een hoop mis gaan, zou je denken. 40% van alle volwassenen krijgt jaarlijks te maken met voetklachten, lees ik op internet. Eeltknobbels, likdoorns of zweetvoeten, het is mij vreemd. Platvoeten, hamertenen, klauwtenen, de lijst van wat er mis kan gaan is lang. Een stem in mij zegt nu dat ik moet ophouden mijn voeten op te hemelen, anders roep ik het onheil over mij af.
Alleen op jonge leeftijd heb ik eenmaal een blessure opgelopen. Tijdens een potje straatvoetbal wilde ik het bruine monster een flinke peer geven, maar in plaats van de bal gaf ik de stoeprand een oplawaai. Dat heb ik geweten.
Daarnaast is er, zoals vaker gemeld op deze plek, het ongemak van de koude voeten. G. heeft het wel eens over frigide extremiteiten. Het zal met de bloeddoorstroming te maken hebben en het zal wel in de genen zitten. Ik heb me ermee moeten verzoenen, onder protest.

Wat op de foto opvalt, is de geringe lengte van mijn kleine tenen. Ik heb ooit gelezen dat deze teentjes in de ontwikkeling van de mens langzamerhand zullen verdwijnen. Als dat waar is loop ik voorop in de evolutie. Erg treurig hoeven we er niet om te zijn. We hoeven er geen takken meer mee te pakken. De voeten lijken gelijk, maar dat zijn ze niet (meer). Dat merk ik als ik schoenen pas. De rechterschoen voelt kleiner.
Zo gaat er na die zevenenzestig jaar nog wel eens vaker iets mis. Soms blijft een van de middelste tenen gekromd overeind staan. Dan lukt het me met geen mogelijkheid om daar iets aan te doen. Elk contact met die kromme is uitgevallen. Dan spreek ik ‘em vermanend toe en zet ‘em met mijn handen weer recht.
Ondanks dit ben ik tevreden over mijn voeten. Zij zien er goed uit. Ze kunnen nog wel een tijdje mee. Alleen, wie zou over twintig jaar, mocht ik die leeftijd halen, de nagels van mijn tenen knippen?
Volgende keer aandacht voor de billen.

2

EEN GESCHENK VOOR DOUWE EGBERTS

Dagelijks

Van het een komt het ander.
Mijn blog in januari over het werk van mijn vader bij Douwe Egberts is voor mij aanleiding om nog eens verder in zijn D.E.- archief te duiken. Ik vind onder meer een lofdicht op de snuiftabak en 19-eeuwse briefkaarten met bestellingen van balen koffie. Uit een bruine envelop haal ik een manuscript van zesentachtig pagina’s: Van Egbert Douwes en Douwe Egberts. Het is een drukproef, in de kantlijn staan een paar handgeschreven correcties. Het begint met een weinig boeiend hoofdstuk over de voorvaderen van de stichters van de koffie- , thee- en tabakshandel. Ik leg het op de stapel ‘teruggeven aan D.E.’.
Die avond begint mij opeens iets te dagen. In de laatste jaren van zijn leven had mijn vader zich beziggehouden met de opzet van een historisch archief. Dat was eind jaren zestig. Al zijn kennis over de geschiedenis van D.E. moest zijn neerslag krijgen in de vorm van een publicatie. Dat mijn vader mogelijk een boek zou publiceren had mij als zestienjarige met trots vervuld. In die jaren was er voor mij weinig wat aanleiding gaf tot dat soort gevoelens over mijn vader. Het is daarom de trots die nu ergens uit een hoekje van mijn geheugen naar boven komt. Als dat mij niet in de steek liet, dan sta ik in mijn handen met zijn manuscript, met de tekst die nooit tot een uitgave is gekomen door zijn voortijdig overlijden. De correcties in de kantlijn verraden het handschrift van mijn vader. Mijn hart begint sneller te slaan.

Directeur E.D. de Jong feliciteert mijn ouders bij het 40-jarig dienstjubileum van mijn vader.

In 1987 kwam het boek Van winkelnering tot wereldmerk uit. De Friese journalist P.R. van der Zee beschrijft hierin de historie van Douwe Egberts. In het voorwoord worden de bronnen genoemd, waaronder ‘aantekeningen van de vroegere bedrijfsarchivaris C. van Dijk’. Aantekeningen, dat klinkt wel erg mager. Zou van der Zee het boek-in-wording niet gekend hebben? Zou niemand geweten hebben dat er sinds 1972 een manuscript in een doos bij ons thuis heeft gelegen?
Ik ga er eens goed voor zitten.
Voor dit boek is mijn vader diep in de Friese archieven gedoken. Daarnaast valt mij de gedegen kennis op van de economische ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw. Ik begin te twijfelen of ik hier wel een werkstuk van mijn vader zie. Het is vooral het bloemrijke taalgebruik dat ik niet herken. Hoe meer ik lees, hoe duidelijker de conclusie: dit manuscript is niet door mijn vader geschreven. Blijkbaar heeft uiteindelijk een ander de opdracht gekregen tot dit boek. Maar goed dat ik dit als zestienjarige niet geweten heb.

Maar kent men bij Douwe Egberts dit werk?
Ik maak een afspraak met de beheerder van het historisch archief. Zo stap ik na meer dan vijftig jaar het kantoor aan de Keulsekade in Utrecht weer binnen. De medewerker neemt me mee naar een soort D.E.-museum. Tevreden constateer ik, dat wat mijn vader ooit begonnen is een vervolg heeft gekregen.
De beheerder kent het manuscript niet. Hij is nog meer tevreden dan ik. Alsof een archeoloog een botje van een dinosaurus gevonden heeft. Hij moet nog verder onderzoeken waarom er blijkbaar nooit iets met dit manuscript is gedaan. Als dank ontvang ik twee tassen vol met koffie.

0

BLOKKADE

Dagelijks

Uit het stottercabaret Groen en Geel

Een van de merkwaardigste aspecten aan het stotteren is, dat het gehakkel zeer aanwezig is in de communicatie maar meestal onbesproken blijft. Terwijl de vreemde klanken, de rare bewegingen en de hoogspanning niet te negeren zijn, doen beide partijen alsof er een normaal gesprek gevoerd wordt. De luisteraar weet niet wat hij moet doen, of hij moet helpen of beter af kan wachten. Hij wordt er zelf gespannen van en kan slechts hopen op een spoedige verlossing.
Wandel je samen met iemand die moeilijk ter been is, dan vraag je rustig of je niet te hard loopt. Weet je dat iemand angstig is dan informeer je of je iets kan doen. Maar in het geval van stotteren leidt het betonblok van de geremde spraak zelden tot openheid.
Ik was zestien jaar toen er voor het eerst een programma over stotteren op tv kwam. Mijn ouders nodigden mij terloops en heel voorzichtig uit om samen naar de uitzending te kijken. Ik veinsde dat mijn huiswerk nog niet af was en ontsnapte naar boven om niet geconfronteerd te worden met alle schaamte- en schuldgevoelens, met al die dagelijkse pijnlijke ervaringen waarvoor ik geen oplossing zag. Ik stopte mijn kop in het zand.
Zo beïnvloedt de vermijding de communicatie. De stotteraar probeert uit alle macht om zijn stotteren niet te laten horen, wat de spanning zo opdrijft dat de blokkades juist wel naar buiten komen. Hij kijkt er letterlijk van weg en brengt daarmee de boodschap over aan de luisteraar dat hier iets dermate pijnlijks aan de hand is, dat deze er beter niets over kan zeggen.

Sire-campagne uit 1987

Een belangrijke onderdeel van de behandeling van het stotteren is daarom: kijk ernaar, praat erover, kom ervoor uit. Toen ik via een groepstherapie voldoende over mijn negatieve gevoelens heen was gekomen, wilde ik niets liever dan de heilige boodschap van openheid overal verkondigen. Ik meldde mij aan als voorlichter bij Demosthenes, de vereniging van stotteraars.
We togen naar pedagogische academies om de studenten te vertellen hoe het voelt om te stotteren. We daagden hen uit om zelf maar eens hakkelend een bruin brood te kopen. We werden uitgenodigd door logopedie-opleidingen en huisvrouwenverenigingen. Daarnaast organiseerden we zogenaamde Stotter-ins, voorlichtingsbijeenkomsten, waar in het openbaar heel wat afgestotterd werd. Stotterjijofstotterik was de leuze op een sticker die we in veelvoud verspreiden. ‘Wacht met koffie zeggen als iemand een ko- ko- kopje thee bestelt’, was een van de leuzen in een Sire-campagne.
We spraken altijd voor een aandachtig gehoor dat de bewondering voor het praten over je eigen zwakheden niet onder stoelen of banken stak. Toen wij eens een christelijke pedagogische academie bezochten opende de lerares met een gebed: ‘En wij danken God dat wij vanmorgen twee stotteraars in ons midden hebben.’

Dergelijke ervaringen kwamen weer boven toen ik onlangs door twee studenten geschiedenis geïnterviewd werd over het Jaar van de Gehandicapte (1981) en de ups en downs van het stotterleven. Onderwerp te zijn van een historisch onderzoek deed me niet alleen beseffen dat de jaren vorderen, maar ook dat negatieve gevoelens soms weer de kop opsteken en de openheid belagen.

0

EEN GEZOND NIEUWJAAR

Dagelijks

‘Mijn buurvrouw is al in de negentig en nog altijd zo vief! Dus laatst vroeg ik haar: buurvrouw, hoe blijft u toch zo gezond? Vertel ‘ns, wat is uw geheim?’
‘Nou, wat zei ze?’
‘Ze wachtte even en toen zei ze: ik wil het jou wel verklappen, ik eet elke dag een pond rauwe uien.’
‘Oh, hoe heeft ze dat geheim kunnen houden?!’
Ik moest aan deze conversatie van Snip en Snap denken bij het lezen van het boek Seniorenbrein van André Aleman, hoogleraar neuropsychologie te Groningen. Het boek beschrijft wat er in ons hoofd gebeurt als we ouder worden, op welke manier onze hersens bij het vorderen der jaren achteruitgaan en of je deze ontwikkeling kunt tegengaan of afremmen.

In onze gepolariseerde maatschappij lijken ook de visies op de dood steeds meer uit elkaar te lopen. Er zijn mensen die bezig zijn met de vraag hoe zij hun overlijden zelf in de hand kunnen houden en hoe zij kunnen voorkomen dat het leven eindigt in een portie narigheid en pijn. Daartegenover staan de mensen die voortdurend op zoek zijn naar manieren om, zo niet eeuwig, dan wel zo lang mogelijk te kunnen leven. Voor deze laatste groep hebben goeroes tal van adviezen over het gebruik van pillen, kruidenmengsels, vetzuren of ginkgo-extract. Anderen raden voor een gezonde oude dag cognitieve trainingen aan, puzzelen, bridgen, geheugenspelletjes en, natuurlijk, zingen, het middel tegen velerlei kwalen. (Over het nut van schrijven is helaas nog niets geschreven.)

Het boek van Aleman puilt uit van de onderzoeken naar middelen om de lichamelijke achteruitgang tegen te gaan. Er wordt naarstig naar gezocht, maar medicijnen om ons geheugen of ons denkvermogen te verbeteren zijn nog niet gevonden, al mogen in een goed dieet vitamine B12 en omega 3-vetzuren niet ontbreken. Er zijn veel stoffen die een beetje helpen en veel methoden waarvoor enig maar geen afdoende bewijs is. Zo gaat dat in de wetenschap. Waarna Aleman constateert, dat er eigenlijk maar één middel is waarvan onomstotelijk is vastgesteld, dat het heilzaam is voor iedere oudere: lichaamsbeweging. Door te sporten worden de hersenen groter. ‘En dat kan geen kwaad gezien de gemiddelde afname van ongeveer 15 procent van ons hersenweefsel tussen ons 30e en 90e levensjaar.’
Bewegen is overigens niet alleen goed voor de hersenen. ‘Voldoende bewegen heeft aantoonbare positieve effecten op een hoge bloeddruk, overgewicht, een te hoog cholesterolgehalte en een te hoge bloedsuikerspiegel die ouderdomssuikerziekte tot gevolg heeft.’ Volgens die andere bekende neuropsycholoog, Erik Scherder, is zelfs flink kauwen goed voor de hersenen. Dus weg met de doorgekookte worteltjes en de rijstepap!

Tot welke groep je ook behoort, ik wens je een gezond 2020 toe en ik hoop dat je je wensen kunt realiseren. Lukt dat niet, luister dan nog even naar de kersttoespraak van onze koning: ook mislukkingen en tegenslagen horen bij het leven. Misschien ook wel bij het einde van het leven, zou ik hieraan toe willen voegen.

1

EEN DELICATE TEST

Dagelijks

De paarse envelop lag weer op de deurmat. Dat betekende: werk aan de winkel na de stoelgang. Voor de lezers onder de 55 jaar: het gaat hier om een bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Mensen tussen de 55 en de 75 jaar worden om de twee jaar hiervoor uitgenodigd. Je ontvangt een buisje dat is afgesloten met een schroefdop. Aan die dop zit een staafje. Daarmee moet je vier maal in je ontlasting prikken. Vervolgens schroef je het buisje weer dicht. Je verpakt het in een extra beveiligd plastic zakje en stopt dit in een retourenvelop. That’s it.

Blijkbaar is er de afgelopen jaren nogal wat misgegaan in dit proces. Lekkende buisjes, open enveloppen, je kunt je er van alles bij voorstellen. Hoe dan ook, het onderzoek is omgeven door een overdaad aan informatie en instructies: een brief, een brochure, een gebruiksaanwijzing en een verwijzing naar nog meer uitleg op de website. Alles in eenvoudige en begrijpelijke taal beschreven. Zo wordt aan het begin van de brief voor de zekerheid gemeld, dat met ontlasting poep bedoeld wordt.
Wie, zoals ik, zich snel afvraagt of het wel goed gaat, krijgt door deze bulk aan instructies het beklemmende idee, dat er van alles in de soep kan lopen. Het begint er al mee, dat er beslist geen water of urine bij het onderzoeksobject mag komen. Omdat in onze wc de drol direct in diep water valt is dat nog wel een dingetje. Aangeraden wordt om een vuilniszak over de pot te spannen, je behoefte op een krant te doen of om een stuk karton in de pot te leggen. Gelukkig vind ik in de keuken nog een mooi wegwerpbordje met gouden stippen dat perfect in de pot past.

Stap 5. Ik moet prikken met het staafje. De instructie waarschuwt: ‘Er hoeft maar een heel klein beetje ontlasting aan het geribbelde puntje te zitten.’ Het zweet breekt mij uit. Wat wordt bedoeld met een heel klein beetje? ‘Te veel ontlasting zorgt ervoor dat de ontlastingstest niet kan worden onderzocht.’ Wat hebben de postbestellers en laboranten meegemaakt, dat deze waarschuwing vet gedrukt in de brochure is opgenomen?
Stap 7: ‘doe de ontlastingstest in het witte zakje met de blauwe rand.’ Er is maar één zakje, dat kan niet missen. Maar waar zit de plakstrip die ik moet verwijderen? Als ik een verkeerde rand er afscheur, kan het zakje misschien niet meer dicht. Het blauwwitte zakje moet vervolgens in een grote envelop. De plakrand hiervan blijft in mijn geval half open staan. Voor deze situatie heeft men nog geen instructie opgenomen.

foto: kwf

Dan volgt de gang naar de brievenbus. De retourenvelop is uitgevoerd in een groengrijze kleur met een dikke gele baan. Een kleurstelling die je nergens anders ziet. Vanaf honderden meters is duidelijk: daar gaat een senior met zijn poepzakje over straat. Terwijl men toch op de hoogte moet zijn van gevoeligheden op dit gebied. Op de camping lopen we niet zichtbaar met een wapperende rol toiletpapier en we haken een hoedje dat de wc-rol achterin de auto moet bedekken.
Gisteren ontving ik een witte envelop. De uitslag is positief, maar – zo waarschuwt de brief – ‘het bevolkingsonderzoek geeft geen 100% zekerheid.’

1

OPWINDING IN DE BUURT

Dagelijks

Op zondagmorgen is onze buurtapp opeens in rep en roer. Een bewoner meldt een ervaring en pong, pong, pong, binnen no-time komt de ene naar de andere reactie binnen. Elke straatbewoner draagt zijn steentje bij, vergezeld van verontwaardigde, gekwelde en walgende gezichtjes. Pong, pong, pong.
De kwestie is er dan ook naar: een reëel ervaren dreiging, een aanval op het comfortabele leven dat wij leiden, een aantasting van het levensgeluk in onze ruime huizen.
De app die het bal opent is kalm van toon:
‘Vraagje: zijn er meer mensen hier die ineens veel vliegen in huis hebben?’
Het vraagje wordt, zoveel zal duidelijk zijn, van alle kanten bevestigend beantwoord. Ook in ons huis hadden we in de voorliggende weken dagelijks een aantal vliegen mogen begroeten. Ze gaan op de broodplank zitten of op de kale plek op mijn hoofd. We verbazen ons erover, maar zijn niet erg onder de indruk. Misschien komt dat wel door wat je levenservaring zou kunnen noemen.

Na de vaststelling van de overlast komen in de buurtapp tal van verklaringen langs: vocht in de kruipruimte, kieren in het systeem van mechanische ventilatie, rondslingerend eten. Maar de meeste stemmen gaan naar de ondergrondse kliko’s voor het restafval die de gemeente onlangs heeft geplaatst. Volgens velen stinkt de container en wemelt het er van de insecten. De zondebok is gevonden. De ene na de andere buurtbewoner laat weten, dat hij terstond een klacht bij de gemeente heeft ingediend. Iemand heeft de GGD om een onderzoek gevraagd. ‘Hebben die ambtenaren morgenochtend weer iets te doen.’
Een bewoonsters heeft op het internet een grote variatie aan vliegen ontdekt. Zij weet nu zeker dat de buurt last heeft van de klustervlieg, een sterk uitgegroeide kamervlieg. Anderen constateren dat vliegen twee tot drie weken oud worden en dat de vrouwtjes in die tijd wel duizend eitjes kunnen leggen. Het aantal opgewonden emoticons laat zich raden.

Diverse oplossingen komen langs: electrische vliegenmeppers, de stofzuiger, allerhande chemicaliën, de ouderwetse plakstrips en ultrasonische apparaten. Eén bewoonster vangt de vliegen onder een glas. Misschien zet zij de beestjes daarna wel weer buiten.
Zo gaat het een lange zondag door in de buurtapp. Een klein insect blijkt in staat de cohesie in de buurt te versterken. Een eigentijdse versie van Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan. Als er maar een gezamenlijke vijand is, of het nu een vlieg is of de gemeente. Wij houden ons buiten de discussies en zijn het helemaal eens met de overbuurman, die van onze leeftijd is: ‘de vliegen komen binnen door de kou. Maar ze leven niet lang, dus binnenkort hebben we er geen last meer van.’
Inmiddels is de kou ingetreden en heeft de overbuurman gelijk gekregen.
Het is maar goed, dat minister Grapperhaus (nog) niet de mogelijkheid heeft om app-conversaties op te eisen en in te zien.

3

BANKSTEL

Dagelijks

In mei schreef ik hier, dat wij een nieuw bankstel hebben gekocht. Daarom was er een bankstel over. Zelfs twee stellen, omdat twee oudere banken nog jarenlang op een jongenskamer dienst hebben gedaan. Gebruikte exemplaren, maar nog keurig om te zien en comfortabel om op te zitten.
Het was dus tijd om het meubilair voor een klein prijsje op Marktplaats aan te bieden. Vol verwachting klopte ons hart. Na twee weken stond het aantal reacties nog op nul. Toen we verder keken, zagen we dat er op deze vrijplaats meer dan 32.000 banken worden aangeboden. De consumptiedrang heeft blijkbaar tot een gigantisch tweedehands aanbod geleid. De omloopsnelheid van de bankstellen is al net zo groot als de spelers in de eredivisie.
Niet getreurd, de kringloopwinkel bleek bereid de banken op te halen. Een man met een eerbiedwaardige buik inspecteerde de boel en zag een los draadje.
‘Sorry, muneeh, deze kenne we nie meer verkope. We hebbe aal veuls te veul van aal daat spul.’
Dat viel tegen. Dat er een enorm overschot is aan banken drong nog niet echt tot ons door. We logden blijmoedig in bij gratisaftehalen.nl en gratisoptehalen.nl. Op of af, het maakte ons niet uit, als we die dingen maar kwijt raakten. Langzamerhand was er toch wat onzekerheid in dit project geslopen. Het ging allang niet meer over geld, het ging over iets wat waarde heeft. Dat gooi je toch niet weg. We produceren al zoveel afval.
Diverse mensen reageerden enthousiast op ons aanbod, maar lieten daarna niets meer van zich horen. Anderen maakten een afspraak, maar kwamen niet opdagen.

Je gunt het die banken niet. Wat hebben ze al niet meegemaakt. Baby’s die er moedermelk overheen spuugden. Kleine kinderen die in hun pyjama aandachtig luisterden naar het laatste verhaaltje voor het slapen gaan. Sinterklaascadeaus die haastig werden uitgepakt. De leuning die als steun diende om de piek op de kerstboom te zetten.
We haalden chips uit de naden nadat pubers languit op de bank voor de tv hadden gelegen. We vonden ’s morgens vroeg een zoonlief die zijn roes lag uit te slapen. En nog steeds zien die banken er goed uit. Er restte ons niets anders dan met pijn in het hart het nummer van het grofvuil te bellen.
Een week later stopte er een enorme wagen voor de deur, als een olifant met een lange snuit. Met speels gemak werden de banken aan de achterzijde in het gat van het monster gegooid. Er volgde een gekraak dat door merg en been ging. Alsof men wilde voorkomen dat we alsnog spijt zouden krijgen werden de banken ter plekke vermalen en vermorzeld. Zo kunnen ze als een compact pakketje worden aangeboden aan een afvalcentrale, het crematorium voor al uw restafval. Als die afvalcentrale tenminste niet aan vervanging toe is.
Elk product heeft zijn levenscyclus, leert ons de econoom. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

0

EEN EXTRA DAG IN DE WEEK

Dagelijks

Ooit ontving ik op mijn werk een eervolle vermelding in een prijsvraag. De vraag luidde: ‘op welke innovatieve wijze kan de efficiency in ons werk vergroot worden?’ Efficiënt werken heeft mij altijd geboeid, maar deze prijsvraag schoot mij in het verkeerde keelgat. Ik beschouwde deze als de zoveelste poging van de directeur om ‘slimmer te produceren’. ‘Slimmer’ was altijd zijn eufemisme voor ‘méér’. Uit oubolligheid diende ik het idee in om tussen de woensdag en de donderdag een achtste dag in te voeren, de wonderdag.
Hoe irreëel ook, onlangs is mij gebleken, dat dit idee toch werkelijkheid kan worden.

In minder tijd hetzelfde doen, het is een belangrijk motief in de ontwikkeling van de mensheid. Wie eenzelfde product in minder tijd kan produceren is spekkoper. In het huishouden volgt de ene automatisering de andere op, zodat we steeds meer tijd overhouden.
Mijn leven lang ben ik al geobsedeerd door tijdsbesparing. Als kind zag ik een Amerikaanse film over een huisvader die met een stopwatch klokte hoe het dichtknopen van zijn vest het snelste verliep: als hij bij het bovenste knoopje begon of bij het onderste. Zoiets onthoud je niet voor niets.
Zo kan ik me bij de supermarkt ergeren als vrouwen (het zijn altijd vrouwen) de boodschappen rustig over de band laten lopen en pas na het afrekenen op hun gemak gaan inpakken. Mijn boodschappen zitten al in de tas als ik ga betalen en ik ben de winkel uit als mijn voorgangster nog staat in te pakken. Waarschijnlijk leeft ze een stuk langer dan ik.

Tijd is objectief te meten, maar de objectieve tijd komt vaak niet overeen met het gevoel. Daar liggen de mogelijkheden voor de wonderdag.
Zo’n dertig jaar lang was de woensdag naast mijn vierdaagse werkweek mijn huishoudelijke dag en oppasdag. ’s Morgens deed ik de boodschappen en ruimde ik het huis op, ’s middags paste ik op de kinderen. Dankzij een grote vrieskist kon ik eenmaal per week het brood bij de bakker kopen. Als ik daar de deur binnenstapte lag de bestelling al voor mij klaar. Ook dat is efficiency. Toen ik er niet meer voor de kinderen hoefde te zijn kwam het sporten voor het oppassen in de plaats. Maar de woensdagmorgen bleef al die jaren gereserveerd voor de boodschappen.
Sinds G., mijn meisje, dit voorjaar ook gestopt is met werken is alles gaan schuiven. Om redenen waar ik je niet mee zal vermoeien doe ik sinds kort op dinsdagochtend boodschappen. En zie wat gebeurt: de volgende dag, woensdag, heb ik het idee dat het donderdag is. Totdat ik besef dat het nog maar woensdag is en ik blij kan constateren dat ik een dag extra heb. Het patroon is er in dertig jaar zo ingesleten, dat ik na vier maanden van dinsdagse boodschappen nog elke week het gevoel van die extra dag heb. Een aanrader dus.
Voor wie vindt dat een week al lang genoeg duurt liggen hier omgekeerd ook kansen om het aantal dagen te bekorten.