Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

UITVAART

Dagelijks

Willen jullie begraven worden of gecremeerd, vroeg een van onze zoons vorig jaar, zonder enige inleiding. Hij denkt graag vooruit. G. en ik houden daar ook wel van, maar als het onze eigen eindigheid betreft is het heel aantrekkelijk om zo’n vraag voor je uit te schuiven. Zeker als het antwoord niet direct voor de hand ligt. Maar deze vraag verdiende een antwoord.

Alweer lang geleden nam ik vanuit mijn werk deel aan het Landelijk Platform Rouwverwerking, waar ik een mevrouw van de AVVL ontmoette. Toen ik haar eens vroeg waar de afkorting voor stond antwoordde zij met een besmuikt lachje: Arbeiders Vereniging Voor Lijkverbranding. De arbeidersbeweging heeft zich immers niet alleen ingespannen voor de achturige werkdag.
Tot 1955 was cremeren in Nederland verboden. Bij de eerste crematie in 1913 kwam een agent proces-verbaal opmaken. Daarna werden crematies volgens goed Nederlands gebruik gedoogd. Nu laat 60% van de mensen zich cremeren.
Was voor de vroege pleitbezorgers van crematie de hygiëne een belangrijk argument. Nu kiezen mensen voor het cremeren, omdat het goedkoper is en geen onderhoud vraagt of omdat men minder beslag legt op de beperkt beschikbare ruimte. Over de milieuvriendelijkheid van begraven en cremeren verschillen de meningen. Voormalig hoogleraar Lucas Reijnders noemt de mens die aan het einde van zijn leven is een wandelend vuilnisvat, vanwege de protheses, het amalgaam en het cadmium in de nieren. Bij beide vormen komen er dus schadelijke stoffen in het milieu. Vroeg doodgaan is vanuit dat oogpunt bekeken het beste advies.
Een voordeel van cremeren is dat een nabestaande desgewenst de as van de dierbare dichtbij kan bewaren. Dat gaat goed zolang je weet wat er in die vaas zit. Ik ken het verhaal van een verhuizing, waarbij iemand zich op het laatste moment realiseerde dat tante Aagje nog op de schoorsteen stond.

De laatste jaren is natuurbegraven in opkomst. In een bos met zo’n bestemming kan je je eigen plekje kiezen onder een boom. Het stoffelijk overschot wordt in een ongelakte kist en in afbreekbare kleding begraven op een plek die letterlijk voor de eeuwigheid is. Het is niet de bedoeling dat er een steen of een ander teken op het graf komt. Onderhoudsvrij dus. Zo bieden de trappistinnen in Oosterbeek, die hun inkomsten uit de boekbinderij zagen dalen en nog een mooi lapje grond over hadden, voor € 7500,- een prachtig plekje voor twee personen.
Tot 1963 was de katholieke kerk mordicus tegen cremeren. Afvoeren naar de brandstapel bleek geen geschikte straf, maar een kerkelijke uitvaart en een plekje op het kerkhof kon je wel vergeten. Sinds 2016 pleit Rome opnieuw met nadruk voor begraven, omdat – kort samengevat – God je anders niet meer uit de dood kan doen opstaan, zo staat te lezen in de instructie Ad resurgendum cum Christo (Verrijzen met Christus).
Het is voor mij bijna een stimulans om me te laten cremeren. Bij alle voors en tegens zijn het toch de beelden die de keuze bepalen. Het vuur, het as en de urn staan voor mij tegenover het vredige kerkhof met zijn bomen, planten en schaduwen. We hebben een begraafplaats uitgekozen. We hoefden niet te reserveren.

0

JONG LEVEN

Dagelijks

In de vaart achter ons huis passeert nog wel eens een watervogel. Twaalf verschillende soorten lieten zich al bewonderen, zoals afgelopen maandag het koppel op de foto. Ik kan er niets aan doen, maar ik hou de aantallen bij.
Op een dag besloot een stel meerkoeten om maar eens te blijven hangen in het water bij onze tuin. Eigenlijk kregen we er zo twee huisdieren bij zonder ook maar iets voor hen hoeven te doen.
De meerkoet is niet mijn favoriete watervogel. Hij kan er natuurlijk niets aan doen, maar je hebt er al zo veel van, vind ik. Bovendien zijn meerkoeten nogal luidruchtig. Ze klakken met hun snavels dat het een lieve lust is. Misschien is het dat ook wel. G. is door dit geluid weer helemaal thuis in haar jeugd aan een boezemvliet in de Hoekse Waard.
Ik heb me nogal verbaasd over de meerkoet. Bijvoorbeeld over zijn manier van lopen. Zijn poten zitten recht onder zijn kont en niet midden onder zijn lijf. Een beetje vogel zou door zo’n bouw direct voorover kukelen. Zo niet de meerkoet, maar vraag me niet hoe hij dit doet. Lopen over water kan hij ook als de besten, met een snelheid die Jezus nooit gehaald heeft. En ik keek ervan op, dat een meerkoet niet keurig met de kippen op stok gaat (oogjes dicht, snaveltjes toe). Zelfs midden in de nacht, als G. slaapt, voelen ze zich geroepen om met hun geklak de herinnering aan de Hoekse Waard op te roepen.

De beestjes struinen de godganse dag langs het riet op zoek naar eten. ‘Daar hebben ze een dagtaak aan’, zei ik tegen G., om toch ook nog iets positiefs over de soort op te merken. ‘Nou ja, ze hebben toch niets anders te doen’, was haar antwoord.
Wie van de meerkoeten het mannetje is en wie het vrouwtje heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ze zien er nogal uniseks uit. Dat er toch twee verschillende geslachten rondzwemmen bleek een maand geleden. Opeens waren onze vriend en zijn verloofde druk doende om een nestje te bouwen. Een drukke tijd brak aan, het stel nam geen halve maatregelen. Op drie plaatsen tussen het riet werd een bedje opgemaakt. Ik zag een van de twee een poging wagen om met een dik stuk riet horizontaal in de snavel tussen de dicht opeen staande verticale stengels door te komen. Ook de meerkoet heeft zijn levensproblemen op te lossen.

bron: vogelsgrootewielen.nl

Twee weken geleden bleef een van de twee op het nest zitten. ‘Het jonge leven is in aantocht’, zeiden wij vertederd. We besloten direct de zwangerschap met wat broodkorsten te ondersteunen. ‘Goed voor het zog’, zei G., die weer helemaal terug was in de tijd van de blijde verwachting. (Denk overigens niet dat het stel solidair is. Ze pikken elkaar het brood uit de snavel.)
Op Hemelvaartsdag waren wij getuige van wat nog het meest leek op een in de prijzen gevallen EO-documentaire. Uitvergroot door de vogelkijker zag ik twee, drie, nee víer donzen meerkoetjes met rode kopjes van het rieten nest afstappen. Nog wat onzeker, maar gemotiveerd volgden zij pa voor de eerste zwemles. Ik twijfelde of we Lang zullen ze leven zouden zingen. De kokmeeuw die ik een week eerder in Leiden met een meerkoetkuikentje tussen zijn snavel zag wegvliegen, dacht er duidelijk anders over. Ook die meeuw had natuurlijk niets anders te doen.

1

ARCHIEF

Dagelijks

Tevoren moet ik toestemming vragen voor een bezoek. Daarvoor moet ik digitaal een uitgebreid formulier invullen en de voorwaarden ondertekenen. Zo verbind ik me aan de regel, dat ik in publicaties geen namen zal noemen van nog levende personen.
Bij mijn bezoek enkele weken later (nog voor de coronacrisis) draagt de vrouw achter de balie mij op om mijn persoonlijke bezittingen in een kluis op te bergen. Alleen een stukje papier en een potlood mag ik meenemen. Zij maakt een foto van mij en gebruikt deze voor het aanmaken van een pas. Met mijn potlood en papier in een doorzichtige plastic tas loop ik even later naar een man in een donkerblauw uniform. Hij stelt vast dat ik alleen een potlood en een blocnote meeneem. Daarna open ik met mijn nieuw verworven pas een tourniquet en loop de leeszaal binnen.

In het kader van 75 jaar bevrijding schreef ik in februari voor het blad van de historische vereniging Vleuten-de Meern een artikel met delen uit het oorlogsdagboek van mijn vader. Ik vermeldde daarin dat op 9 oktober 1944 in Vleuten de NSB’er Hendrik van der Grift geliquideerd werd. Nog wat googelend op ‘Vleuten in de Tweede Wereldoorlog’ stuitte ik bij toeval op een artikel van Bas Kromhout in het Historisch Nieuwsblad in 2009. Hierin wordt de liquidatie van Van der Grift onterecht genoemd. Zou dit kloppen, vraag ik mij af? Waarom heb ik in Vleuten dan nooit eerder hierover gehoord? Navraag bij de historische vereniging levert niets op.
Kromhout baseert zich op het boek Recht op Wraak van Jack Kooistra, de journalist die ook wel ‘de Friese Wiesenthal’ wordt genoemd. Kooistra heeft een uitgebreid archief aangelegd van Nederlanders die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. In zijn boek vind ik een hoofdstuk ‘bedrijfsongeval, dubieuze aanslag of misverstand’. Hierin staat met een paar regels de liquidatie in Vleuten beschreven. Nieuwe feiten vind ik niet. Er staat niet bij vermeld op welke bronnen Kooistra zich baseert.
Ik probeer tevergeefs via zijn uitgever in contact te komen met Kooistra. Ondertussen lees ik dat de man al in de negentig moet zijn. Als ik via de Leeuwarder Courant nog een laatste, voor mijn gevoel zinloze poging waag, ontvang ik direct een mail van Kooistra: zijn medewerkers hebben de informatie gevonden in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in Den Haag. Dit archief bevat alle dossiers van de meer dan 300.000 collaborateurs, NSB’ers en andere Nederlanders die verdacht werden van samenwerking met de Duitsers. Tegen elk van hen werd een proces gevoerd.

In de leeszaal toon ik bij een uitgiftebalie de brief met toestemming voor mijn bezoek en de nummers van de dossiers die ik mag inzien. Even later staan er twee lichtbruine kartonnen dozen voor mij klaar. Een belangrijk ogenblik is aangebroken, mijn nieuwsgierigheid naar de inhoud bereikt een hoogtepunt. Voorzichtig, alsof ik een partij eieren draag, loop ik met de dozen naar een lege tafel. Langslopende toezichthouders zien hoe ik met mijn potloodje driftig aantekeningen maak over het proces dat in 1947 postuum tegen Van der Grift is gevoerd.
Na anderhalf uur maak ik de gang terug, door het tourniquet, langs dezelfde tasjescontroleur en langs de balie. Volgende week volgt hier het resultaat van deze speurtocht.

1

MIEREN

Dagelijks

De mier is een schepsel, dat bij mij een potje kan breken. Hij is aandoenlijk, werklustig en hij vervult een goede functie in het ecosysteem.
Niettemin heb ik wel eens in een bos met naar afgrijzen neigende verbazing staan kijken naar een mierenhoop in de vorm van een piramide. Al die miljoenen krioelende beestjes die schijnbaar ongeorganiseerd door elkaar heen lopen. Kan dat niet wat efficiënter, vroeg ik me af. Tegelijkertijd boezemde die veelheid aan insecten mij enige angst in. Dat kan met mijn jeugd te maken hebben.
In een van de boeken van Saskia en Jeroen (Jaap ter Haar) was Saskia in een mierenhoop gaan zitten. Zij moest al haar kleren uitslaan om verlost te worden van het grut. Tussen haakjes: deze passage herinner ik me niet zozeer vanwege de mieren, maar vanwege de tekening. De blote billetjes van Saskia waren voor mij, een goed-katholiek kind, van een ongehoorde frivoliteit. Ik had nog nooit een ander mens, zelfs geen ander kind in zijn blootje gezien.

In onze tuin hebben wij een aardige mierenkolonie. Zodra de winterregens voorbij waren verschenen overal tussen de tegels kleine hoopjes opgeworpen zandkorrels. De nijvere seizoensarbeid was begonnen. Het gaf mij de associatie dat de gehele ondergrond een soort platgeslagen mierenhoop is. Zolang ze maar buiten blijven vind ik alles best. Maar je begrijpt dat ik er niet over zou schrijven als zich niet ergens een probleem zou aandienen.

Het eerste was een klein hoopje mieren in de gang. Ze hadden zich de toegang verschaft door onder de voordeur te kruipen. G. maakte zich gelijk ongerust, ik zat toen nog in de fase van het ‘even aankijken’. Soms is dat andersom, dat is wel weer het fijne van onze relatie.
Leuke beestjes of niet, maar op zo’n moment heb ik geen consideratie en ga ik er met mijn schoen bovenop staan.
Op de tweede dag marcheerden de mieren in optocht uit de vaatwasser omhoog tot op het aanrechtblad. Daar werd een grens gepasseerd, vonden we. Bovendien hielden ze geen anderhalve meter afstand van elkaar. Hoewel onze schoonmaaklat al redelijk hoog ligt, gooiden we er nog een nijver schepje bovenop.
Op de derde dag speelden zij met zijn allen verstoppertje onder de aanrechtkastjes. Tuut-tuut-tuut-tuut, zei Truus de mier. De noodzaak van rigoureuze maatregelen bleek onontkoombaar. Geen lockdown, maar een lock-out zogezegd. Een van de vele wetenswaardigheden die we vonden op internet was, dat mieren niet van koper houden. Dat treft! G. bewaart al jarenlang een grote pot met centen. Onze kinderen speelden er wel eens mee, later de kleinkinderen. Nu hebben wij de plinten in onze keuken versierd met rijen munten. Het mag een centje kosten, vonden we. Het resultaat is verbluffend. Zo af en toe zien we nog wel eens een eenzame mier in verwarring tussen twee munten heen en weer lopen op zoek naar de juiste richting. De grote troep is echter de hort op. De vraag is waarnaar toe. Voorlopig zijn er nog geen plannen om de beperkingen op te heffen.

3

VOORPROEFJE

Dagelijks

Johan van Dijk, links, met enkele collega’s van De Maasbode

Op een morgen in 1927 staat Johan voor zijn raam, beneden hem ligt Rotterdam in de ochtendzon. Boten trekken geluidloos voorbij. Hij moet tot een beslissing komen, hij kan niet eeuwig blijven twijfelen. Eigenlijk weet hij het wel, maar durft hij zijn voorkeur te volgen? Het benauwende gevoel, dat steeds weer opkomt, zit hem dwars. Johan draait zich weg van het raam en ziet hoe het zonlicht het kruisbeeld op de muur doet oplichten. Het is een prachtig kruisbeeld, door een vriend die kunstliefhebber is voor hem meegebracht uit Spanje. De schaduw van het lichaam valt op de muur, een perfecte afbeelding van een gebroken gestalte. Jezus heeft zich opgeofferd en de weg gewezen, denkt Johan. Dat is toch de enige weg. Het is stil in zijn kamer, er is niemand thuis. Hij pakt het kruisbeeld van de muur, valt op zijn knieën en drukt zijn lippen zacht tegen het koele koper. Nu ben ik verkocht, denkt hij. Nu moet ik doorzetten en consequent zijn.

De volgende dag gaat hij weer naar zijn werk als journalist bij het katholieke dagblad De Maasbode. Hij volgt de financiële wereld, maar doet ook verslag van moordzaken en van plechtige missen van jubilerende pastoors. Hij schrijft over het transport van grote sluizen vanuit Rotterdam naar IJmuiden en over het vertrek van een bisschop per boot naar Amerika. Als blijkt dat de bisschop vergeten is om hosties in te pakken haalt Johan per taxi een voorraadje op.
Johan geniet van zijn werk, hij wordt gewaardeerd door zijn collega’s en hij leidt een afwisselend leven. Desondanks gaan er regelmatig vragen door zijn hoofd. Het verslag doen van gebeurtenissen, is dat zijn bestemming in het leven, is dat wat God van hem vraagt? Kan hij als journalist wel voldoende betekenen voor de mensen die het nodig hebben? (…..)

Omslagbeeld geschilderd door frère Marie-Jean Année, copyright abdij Koningshoeven

’s Avonds op zijn kamer verlangt hij naar een meisje. Een lieve vrouw op wie hij ontzettend verliefd zou kunnen worden, met wie hij zijn leven zou kunnen delen. Dan zou het duidelijk zijn, dan zou hij ‘dat andere’ kunnen vergeten.
Hij pakt zijn missaaltje en leest opnieuw: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met geheel uw ziel en al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste als uzelf.’
Schuldbewust vraagt Johan zich af wat hij voor zijn naasten doet.
‘Dus aan de ene kant voelde ik dat ik God niet beminde uit geheel mijn hart. En aan de andere kant deed ik ook niet voor de mensen wat ze eigenlijk nodig hadden. Maar als je monnik wordt, dacht ik, kun je bidden, dan kun je ze allemaal bereiken, de hele wereld’.
Eigenlijk is het wel duidelijk waar zijn voorkeur ligt. Maar een definitief besluit schuift hij nog voor zich uit. De grootste crisis moest nog komen.

Dit zijn enkele paragrafen uit het tweede hoofdstuk van het boek dat ik de afgelopen twee jaar schreef over mijn heeroom, Willibrord van Dijk, monnik van de trappistenabdij Koningshoeven in Tilburg. Het was voor mij onlangs een bijzonder moment toen ik een gedrukt exemplaar in handen kreeg. De presentatie van het boek, gepland voor 14 mei a.s., heb ik naar een latere datum moeten uitstellen.

2

HET LEVEN IN BEPERKING

Dagelijks

Als ik wakker word trekken droombeelden zich snel en ongrijpbaar terug. In mijn ontwakend bewustzijn dringt direct het besef door van de wereld die veranderd  is. En waar we mee te dealen hebben, is de volgende gedachte. Mijn lichaam moet nog ontwaken, als een zeehond op een zandplaat ligt het zwaar tussen de lakens. Er is geen spier die uit zichzelf begint te bewegen, totdat ik denk dat verder liggen geen zin heeft en me uitrek.
Bij het ontbijt hippen de mussen voor het raam tussen de resten van de broodkruimels die ik er gisteren heb gestrooid. De eerste tuinfluiter heeft zich gemeld, hij begint te zingen zoals hij altijd gezongen heeft. Een merelpaartje fladdert op de rand van het tuinhek om elkaar heen, steeds weer opvliegend, onrustig, totdat het mannetje het genoeg vindt en bovenop het vrouwtje springt, heel snel en heel kortstondig, daarna nogmaals, waarna ze ieder een eigen kant opvliegen. Vergeefs op zoek naar goed nieuws leg ik het Coronadagblad opzij.
Ik vervolg mijn onderzoek naar de Nederlandse samenleving tijdens de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw en naar de belevenissen van mijn familie, een mogelijk onderwerp voor een volgend boek. Ik struin achter mijn pc door digitale archieven, maar ik mis de bibliotheken, de gesprekken en contacten, ik mis de stilte van een archiefzaal waar bedaarde oudere mannen vasthoudend door vergeelde documenten bladeren.
Aan het einde van de morgen doen G. en ik onze dagelijkse fitness, in sportkledij, in de ruime woonkamer. We volgen de pasjes en armbewegingen op het scherm. Voor G. is dit gesneden peijnenburg, ik volg onwennig. Ik raak in de war als mijn benen zijwaarts moeten en mijn armen voorwaarts. Mijn kleinkinderen willen een opname van mijn oefeningen, maar dat heb ik verboden.
Waren G. en ik tot voor kort nooit samen thuis, nu zijn we continu in elkaars nabijheid, op de enige plek waar social distancing niet telt. In een wonderlijke mengeling van vertrouwdheid, gewoontegedrag en nieuwe vormen van samenwerking prijzen we onszelf gelukkig dat we deze tijd samen beleven in een huis dat zowel binnen als buiten ruimte en lucht geeft. Een vergelijking met merels lijkt me wat vergezocht.

Het achterstallig onderhoud in de tuin lopen we snel in. Waar het opschietende onkruid tussen stenen en tegels anders een langdurige opgave zou vormen is het wieden, met uitgedroogde handen, nu een welkome afwisseling in de buitenlucht. Een klusje dat erg meevalt. Het moet eigenlijk niet te snel gaan, want er staat nog zoveel tijd in beperking te wachten.
Ik heb grote bewondering voor de hulpverleners die in moeilijke omstandigheden hun werk doen, maar voor het slapen gaan brengt het kijken hiernaar teveel ellende in mijn hoofd. Zoveel onzekerheid, zoveel onvoorspelbaarheid.
Ik haal het brood voor de volgende dag uit de vriezer, doof de lichten, doe de buitendeur op slot en probeer in bed het gevoel van de zeehond te vinden, die zich laaft aan de zon. Mijn beperkingen zijn gering, is de gedachte die zich tussen waken en slapen opdringt. Ik voel me nog altijd een bevoorrecht mens.

0

KLEINDOCHTERS

Dagelijks

Zijn de kinderen van tegenwoordig bijdehanter dan die van dertig jaar geleden? Intelligenter dan die van zestig jaar geleden? Of lijkt dat maar zo en doen ze hun kennis op jongere leeftijd op?
Mijn oudste kleindochter zit in groep 5, is net negen jaar geworden en kwam met een schitterend rapport thuis. Lezen, spellen, rekenen, het gaat haar allemaal gemakkelijk af.
In het onderwijs van nu wordt elke prestatie gemeten en vergeleken met landelijke cito-standaarden. Daarom weten wij dat zij wat betreft het lezen op het niveau van groep 8 zit. Ze heeft dan ook de eerste drie boeken van Harry Potter uit (aan de volgende mag ze nog niet beginnen). Een bezoek aan de bibliotheek is voor haar een gewild uitje. Om zich niet te gaan vervelen is zij nu maar begonnen aan een digitale cursus Engels.

De jongste kleindochter is zeven jaar en heeft ook een prachtig rapport. Ook zij leest de boeken van Harry Potter. Daarnaast gaat ze graag naar musea. Leergierig als zij is wil ze van alles weten en vooral alles zelf doen. Zelfbewust staat ze vooraan bij een rondleiding en als de gids is uitgesproken vraagt ze keurig: ‘mag ik wat vragen?’
Beide meisjes hebben al verschillende malen verkering gehad. Het hele jargon dat hierbij hoort is langsgekomen. Zij houden trouwens ook erg van klimrekken. Zo kan ik nog even doorgaan.
Ach, is niet iedere grootouder van nu verbaasd over wat zijn kleinkinderen kunnen en beleven?

De kleindochter van negen denkt goed vooruit. Zo kwam zij laatst thuis uit de bibliotheek met het boek Hoe overleef ik de puberteit van Francine Oomen. ‘Ruzie met je ouders? Onzekerheid, getob en getwijfel? Ongesteldheid? Haar op vreemde plekken? Je eerste verliefdheid? Pukkels, puistjes en problemen?’ Alles wat een pubermeisje kan bezighouden komt in informatieve teksten, vragenlijstjes en survivaltips aan de orde.
Onze zoons vroegen indertijd niets. Ze gingen zelf op onderzoek uit of ze leden in stilte. Dus dat was even wennen met deze kleindochter. Op een gewone doordeweekse dag bestormde ze de niet-voorbereide oma met vragen over hoe het was om borsten te krijgen of om ongesteld te worden, met als bonusvraag: ‘Vrijen opa en jij nog met elkaar?’ Dat het boek in een behoefte voorziet is wel duidelijk. Kleindochter maakte zich wat ongerust over de vraag of haar ene borst niet wat groter gaat uitpakken dan de andere.

Nòg mag ik de kleindochters in bad doen. Nòg komen ze op schoot zitten om te knuffelen. En gelukkig mag ik hen voor het slapen gaan gedichtjes voorlezen van Annie M.G. Schmidt (als de coronatijden weer voorbij zijn). Maar over een paar jaar zit ik in de tuin, terwijl de ondergaande zon de avond rood kleurt. Denkend aan mijn kleindochters neurie ik dan zachtjes voor mij uit: ‘Op een mooie Pinksterdag…’. Ook een opa moet vooruitdenken.

1

EEN PODOLOGISCH PRAATJE

Dagelijks

Deze week zat mijn hoofd vol met het c-woord. Ik moest er een blog over schrijven, ook om mijn eigen angsten en ratio in evenwicht te brengen. Elke dag was er een nieuwe ontwikkeling, telkens paste ik mijn tekst aan en nu, op zaterdag, ben ik al die meningen, feiten en ophef even zat. And now for something completely different.

De voeten hiernaast zijn van mij. Zij zijn de basis van mijn bestaan: ze dragen me, ze houden me overeind, ze zorgen dat ik geaard ben. Ze zijn me dan ook zeer dierbaar, zonder mijn voeten zou ik een zittend of liggend bestaan moeten leiden.
Ik heb al heel veel plezier van mijn voeten gehad. Ik ben ermee door heel Europa gewandeld en zij hebben me nooit in de steek gelaten. Met de fiets ben ik gevallen, op de schaats en op de ski ben ik onderuitgegaan, maar behalve wat struikelpartijen hebben mijn voeten me altijd rechtop gehouden. Ze waren me nooit tot last. En dat terwijl elke voet uit 26 beentjes en 33 gewrichten bestaat, omgeven door spierweefsel en zenuwen. Daarmee kan dus een hoop mis gaan, zou je denken. 40% van alle volwassenen krijgt jaarlijks te maken met voetklachten, lees ik op internet. Eeltknobbels, likdoorns of zweetvoeten, het is mij vreemd. Platvoeten, hamertenen, klauwtenen, de lijst van wat er mis kan gaan is lang. Een stem in mij zegt nu dat ik moet ophouden mijn voeten op te hemelen, anders roep ik het onheil over mij af.
Alleen op jonge leeftijd heb ik eenmaal een blessure opgelopen. Tijdens een potje straatvoetbal wilde ik het bruine monster een flinke peer geven, maar in plaats van de bal gaf ik de stoeprand een oplawaai. Dat heb ik geweten.
Daarnaast is er, zoals vaker gemeld op deze plek, het ongemak van de koude voeten. G. heeft het wel eens over frigide extremiteiten. Het zal met de bloeddoorstroming te maken hebben en het zal wel in de genen zitten. Ik heb me ermee moeten verzoenen, onder protest.

Wat op de foto opvalt, is de geringe lengte van mijn kleine tenen. Ik heb ooit gelezen dat deze teentjes in de ontwikkeling van de mens langzamerhand zullen verdwijnen. Als dat waar is loop ik voorop in de evolutie. Erg treurig hoeven we er niet om te zijn. We hoeven er geen takken meer mee te pakken. De voeten lijken gelijk, maar dat zijn ze niet (meer). Dat merk ik als ik schoenen pas. De rechterschoen voelt kleiner.
Zo gaat er na die zevenenzestig jaar nog wel eens vaker iets mis. Soms blijft een van de middelste tenen gekromd overeind staan. Dan lukt het me met geen mogelijkheid om daar iets aan te doen. Elk contact met die kromme is uitgevallen. Dan spreek ik ‘em vermanend toe en zet ‘em met mijn handen weer recht.
Ondanks dit ben ik tevreden over mijn voeten. Zij zien er goed uit. Ze kunnen nog wel een tijdje mee. Alleen, wie zou over twintig jaar, mocht ik die leeftijd halen, de nagels van mijn tenen knippen?
Volgende keer aandacht voor de billen.

2

EEN GESCHENK VOOR DOUWE EGBERTS

Dagelijks

Van het een komt het ander.
Mijn blog in januari over het werk van mijn vader bij Douwe Egberts is voor mij aanleiding om nog eens verder in zijn D.E.- archief te duiken. Ik vind onder meer een lofdicht op de snuiftabak en 19-eeuwse briefkaarten met bestellingen van balen koffie. Uit een bruine envelop haal ik een manuscript van zesentachtig pagina’s: Van Egbert Douwes en Douwe Egberts. Het is een drukproef, in de kantlijn staan een paar handgeschreven correcties. Het begint met een weinig boeiend hoofdstuk over de voorvaderen van de stichters van de koffie- , thee- en tabakshandel. Ik leg het op de stapel ‘teruggeven aan D.E.’.
Die avond begint mij opeens iets te dagen. In de laatste jaren van zijn leven had mijn vader zich beziggehouden met de opzet van een historisch archief. Dat was eind jaren zestig. Al zijn kennis over de geschiedenis van D.E. moest zijn neerslag krijgen in de vorm van een publicatie. Dat mijn vader mogelijk een boek zou publiceren had mij als zestienjarige met trots vervuld. In die jaren was er voor mij weinig wat aanleiding gaf tot dat soort gevoelens over mijn vader. Het is daarom de trots die nu ergens uit een hoekje van mijn geheugen naar boven komt. Als dat mij niet in de steek liet, dan sta ik in mijn handen met zijn manuscript, met de tekst die nooit tot een uitgave is gekomen door zijn voortijdig overlijden. De correcties in de kantlijn verraden het handschrift van mijn vader. Mijn hart begint sneller te slaan.

Directeur E.D. de Jong feliciteert mijn ouders bij het 40-jarig dienstjubileum van mijn vader.

In 1987 kwam het boek Van winkelnering tot wereldmerk uit. De Friese journalist P.R. van der Zee beschrijft hierin de historie van Douwe Egberts. In het voorwoord worden de bronnen genoemd, waaronder ‘aantekeningen van de vroegere bedrijfsarchivaris C. van Dijk’. Aantekeningen, dat klinkt wel erg mager. Zou van der Zee het boek-in-wording niet gekend hebben? Zou niemand geweten hebben dat er sinds 1972 een manuscript in een doos bij ons thuis heeft gelegen?
Ik ga er eens goed voor zitten.
Voor dit boek is mijn vader diep in de Friese archieven gedoken. Daarnaast valt mij de gedegen kennis op van de economische ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw. Ik begin te twijfelen of ik hier wel een werkstuk van mijn vader zie. Het is vooral het bloemrijke taalgebruik dat ik niet herken. Hoe meer ik lees, hoe duidelijker de conclusie: dit manuscript is niet door mijn vader geschreven. Blijkbaar heeft uiteindelijk een ander de opdracht gekregen tot dit boek. Maar goed dat ik dit als zestienjarige niet geweten heb.

Maar kent men bij Douwe Egberts dit werk?
Ik maak een afspraak met de beheerder van het historisch archief. Zo stap ik na meer dan vijftig jaar het kantoor aan de Keulsekade in Utrecht weer binnen. De medewerker neemt me mee naar een soort D.E.-museum. Tevreden constateer ik, dat wat mijn vader ooit begonnen is een vervolg heeft gekregen.
De beheerder kent het manuscript niet. Hij is nog meer tevreden dan ik. Alsof een archeoloog een botje van een dinosaurus gevonden heeft. Hij moet nog verder onderzoeken waarom er blijkbaar nooit iets met dit manuscript is gedaan. Als dank ontvang ik twee tassen vol met koffie.

0

BLOKKADE

Dagelijks

Uit het stottercabaret Groen en Geel

Een van de merkwaardigste aspecten aan het stotteren is, dat het gehakkel zeer aanwezig is in de communicatie maar meestal onbesproken blijft. Terwijl de vreemde klanken, de rare bewegingen en de hoogspanning niet te negeren zijn, doen beide partijen alsof er een normaal gesprek gevoerd wordt. De luisteraar weet niet wat hij moet doen, of hij moet helpen of beter af kan wachten. Hij wordt er zelf gespannen van en kan slechts hopen op een spoedige verlossing.
Wandel je samen met iemand die moeilijk ter been is, dan vraag je rustig of je niet te hard loopt. Weet je dat iemand angstig is dan informeer je of je iets kan doen. Maar in het geval van stotteren leidt het betonblok van de geremde spraak zelden tot openheid.
Ik was zestien jaar toen er voor het eerst een programma over stotteren op tv kwam. Mijn ouders nodigden mij terloops en heel voorzichtig uit om samen naar de uitzending te kijken. Ik veinsde dat mijn huiswerk nog niet af was en ontsnapte naar boven om niet geconfronteerd te worden met alle schaamte- en schuldgevoelens, met al die dagelijkse pijnlijke ervaringen waarvoor ik geen oplossing zag. Ik stopte mijn kop in het zand.
Zo beïnvloedt de vermijding de communicatie. De stotteraar probeert uit alle macht om zijn stotteren niet te laten horen, wat de spanning zo opdrijft dat de blokkades juist wel naar buiten komen. Hij kijkt er letterlijk van weg en brengt daarmee de boodschap over aan de luisteraar dat hier iets dermate pijnlijks aan de hand is, dat deze er beter niets over kan zeggen.

Sire-campagne uit 1987

Een belangrijke onderdeel van de behandeling van het stotteren is daarom: kijk ernaar, praat erover, kom ervoor uit. Toen ik via een groepstherapie voldoende over mijn negatieve gevoelens heen was gekomen, wilde ik niets liever dan de heilige boodschap van openheid overal verkondigen. Ik meldde mij aan als voorlichter bij Demosthenes, de vereniging van stotteraars.
We togen naar pedagogische academies om de studenten te vertellen hoe het voelt om te stotteren. We daagden hen uit om zelf maar eens hakkelend een bruin brood te kopen. We werden uitgenodigd door logopedie-opleidingen en huisvrouwenverenigingen. Daarnaast organiseerden we zogenaamde Stotter-ins, voorlichtingsbijeenkomsten, waar in het openbaar heel wat afgestotterd werd. Stotterjijofstotterik was de leuze op een sticker die we in veelvoud verspreiden. ‘Wacht met koffie zeggen als iemand een ko- ko- kopje thee bestelt’, was een van de leuzen in een Sire-campagne.
We spraken altijd voor een aandachtig gehoor dat de bewondering voor het praten over je eigen zwakheden niet onder stoelen of banken stak. Toen wij eens een christelijke pedagogische academie bezochten opende de lerares met een gebed: ‘En wij danken God dat wij vanmorgen twee stotteraars in ons midden hebben.’

Dergelijke ervaringen kwamen weer boven toen ik onlangs door twee studenten geschiedenis geïnterviewd werd over het Jaar van de Gehandicapte (1981) en de ups en downs van het stotterleven. Onderwerp te zijn van een historisch onderzoek deed me niet alleen beseffen dat de jaren vorderen, maar ook dat negatieve gevoelens soms weer de kop opsteken en de openheid belagen.