Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

0

PARTICIPATIETRAJECT

Dagelijks

De Harmelerwaard, Bron: AD

Aan de achterkant van ons huis strekken de boomgaarden zich uit. Achter de rijen lage boompjes zijn de grijs-witte puntdaken zichtbaar van de kassen waar tomaten en paprika’s gekweekt worden. Daarachter, niet zichtbaar voor ons, liggen tot aan het dorp Harmelen enkele weilanden. Dit hele gebied, de Harmelerwaard geheten en vallend onder de gemeente Woerden, is de groene long tussen het aan elkaar gegroeide Vleuten / Utrecht enerzijds en Harmelen anderzijds. Van beide kanten wil men de groene buffer behouden.
Enkele jaren geleden klopten de tuinders bij de gemeente Woerden aan. Zij willen uitbreiden, maar daarvoor ontbreekt de ruimte. Bovendien blijken hun kassen op een aardbreuk te liggen. Daardoor is het niet mogelijk om de warmte die zij in hoge mate nodig hebben uit de bodem te halen. Of de gemeente wilde meedenken over een oplossing, was de vraag. Waarbij de tuinders zeiden dat verplaatsing (lees: uitkopen) voor hen een goede optie was. Daarmee zou een mooie locatie voor woningbouw ontstaan, wat aansloot bij de opdracht van de gemeente om huizen te bouwen.

De Dorpeldijk tussen Vleuten en Harmelen

De kwekers zijn nazaten van de tuinders die in de 19e eeuw in de stad Utrecht hun groenten teelden. Aan het begin van de 20e eeuw begon de stad flink te groeien. De tuinders werd gevraagd hun nering voort te zetten aan de andere kant van het Merwedekanaal. Die verhuizing ging gepaard met een flinke financiële impuls. In de jaren twintig en dertig ontstond rond de Alendorperweg en ’t Zand een tuinbouwgebied dat de glazen stad van het Westland naar de kroon zou steken. Het verhaal van de zich uitbreidende stad die de tuinders voor zich uitschuift herhaalde zich. Voor de bouw van Leidsche Rijn moesten de tuinders hun dierbare grond verlaten. Via jarenlange onderhandelingen wisten velen een aantrekkelijke som geld binnen te halen. Geef hen eens ongelijk. Een aantal van deze tuinders belandde begin deze eeuw in de Harmelerwaard.

Woerden erkende de problematiek van de tuinders, maar wilde niets doen zonder participatie van alle betrokkenen. Er kwamen verkenningsstudies en landschapsanalyses. Het mocht wat kosten. Daarna volgden brainstormsessies om ideeën op te halen. Dat leverde talrijke flipovers op vol met gele post-it plakkertjes. De wensen werden in verdiepende sessies uitgewerkt tot bouwstenen. Groen, recreatie en verduurzaming bleken belangrijke begrippen. Na elke stap mocht iedere betrokkene commentaar leveren. Zo vroeg ik mij tijdens de bijeenkomsten af wat de financiële randvoorwaarden waren. Het uitkopen van de tuinders leek me een duur plan. Die vraag, zo hoorde ik, zou later aan de orde komen. Op basis van de bouwstenen werden na twee jaar praten drie toekomstscenario’s opgesteld. In alle drie blijft de Harmelerwaard grotendeels groen en is er geen, dan wel beperkt ruimte voor woningbouw. Nu mochten de rekenmeesters aan het werk.

Om kort te gaan: onlangs besloot de gemeenteraad om tot 2030 de zaak te laten zoals die is. ‘De realisatie van de perspectieven is op korte termijn onbetaalbaar’, zo luidt de overweging. De raad besloot ook om ‘woningbouw op grote schaal in de toekomst onmogelijk te maken.’ Hoe de tuinders hierover denken laat zich raden.

1

EEN ZOEKTOCHT

Dagelijks

Met het oorlogsmonument in Vleuten worden twee verzetsstrijders herdacht: Thomas Bakker en Kees Spanjersberg. Over Bakker is ooit een artikel gepubliceerd, van Spanjersberg is nagenoeg niets bekend. Omdat ik bezig ben met het schrijven van een boek over de Tweede Wereldoorlog in Vleuten – De Meern ging ik op zoek. Wie was Kees Spanjersberg en wat heeft hij in het verzet gedaan?
Het weinige dat over hem bekend is komt van een formulier dat zijn vader na de oorlog heeft ingevuld. Het bevindt zich in het archief van het NIOD, het instituut voor oorlogs- holocaust- en genocidestudies.
Kees Spanjersberg wordt geboren in 1911 in Vlaardingen. Hij trouwt in 1936 en wordt in hetzelfde jaar vader van een dochter. Aan het begin van de oorlog woont hij in Utrecht waar hij als kantoorbediende werkt bij Van Gend en Loos. Hij wordt al snel actief in het verzet. In 1941 zit hij vanwege dat verzetswerk drie weken in de strafgevangenis (‘Het Oranjehotel’) in Scheveningen. ‘Hij heeft daarna zeker het illegale werk voortgezet. Hij vertelde ons nooit daarvan’, schrijft zijn vader. Vanaf 1943 heeft Kees een onderduikadres bij tuinder Wttewaal in Vleuten. Daar wordt hij tijdens een razzia op 10 oktober 1944 tezamen met acht andere verzetsstrijders opgepakt. Spanjersberg en Bakker worden twee dagen later in Utrecht gefusilleerd.

Ik begin mijn zoektocht op internet. Ergens wordt vermeld dat Spanjersberg lid was van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. In de twee vuistdikke boeken over deze verzetsorganisatie komt zijn naam niet voor. In de archieven van de LO en die van de Ordedienst, een andere verzetsorganisatie, is de naam Spanjersberg evenmin te vinden.
Na een volgende zoektocht kom ik in contact met een kleindochter van tuinder Wttewaal. Leden van deze familie, zo hoor ik, hielpen met het verspreiden van illegale bladen. Over Spanjersberg weet zij niets meer te vermelden dan dat hij eens zei: ‘als ze mij nog een keer pakken, dan ben ik erbij.’
Het frustreert mij dat er over de man die leider van het verzet in Vleuten wordt genoemd niet meer informatie te vinden is. Ik ga op zoek naar familieleden in Vlaardingen. Via een behulpzame medewerkster van de gemeente en via een rouwadvertentie op internet vind ik een adres. Op goed geluk stuur ik een brief. De aangeschreven man blijkt zowaar een neef van Kees Spanjersberg. Hij stuurt mij bijgaand fotootje van zijn oom. Voor de rest weet hij nog minder dan dat ik weet.

Graf op de erebegraafplaats in Loenen (Gld)

Ik doe nog één poging. Via het Centrum voor Familiegeschiedenis achterhaal ik dat de dochter van Spanjersberg inmiddels overleden is. Maar ik kom ook te weten dat zij één dochter had. Deze vrouw heeft vier voorletters. Dat is niet onbelangrijk want internet geeft op de unieke initialen een bv in Rotterdam. Na ontvangst van mijn brief belt deze vrouw mij onmiddellijk op. Kees Spanjersberg is inderdaad haar opa. Bingo!, denk ik. Zij wil mij graag helpen, maar haar moeder heeft haar nooit iets over opa en zijn verzetsverleden verteld…
Verzetslieden moesten in het geheim opereren en zo min mogelijk sporen achtergelaten. Dat heeft Spanjersberg uitstekend gedaan.

1

PARIJSE MODE

Dagelijks

We bezochten in Parijs de tentoonstelling Parijs 1905 – 1925. In het begin van de twintigste eeuw lag Wenen op apegapen. Berlijn telde nog niet mee. London was weliswaar de grootste stad, maar in Parijs gebeurde het. Parijs was de stad van de vernieuwing, zeker op het gebied van de kunsten, de mode en het uitgaansleven.
De industriële revolutie had geleid tot tal van nieuwe producten: de dieselmotor, de auto, de roltrap. In Parijs werd in 1900 de eerste metrolijn aangelegd. Huizen werden uitgerust met elektriciteit, gas en stromend water. De Franse hoofdstad werd een verzamelplaats voor kunstenaars. Picasso, Satie, Toulouse-Lautrec en vele anderen zochten nieuwe wegen in de kunst. Een interessante, dynamische tijd, bedacht ik, rondlopend op deze tentoonstelling. Maar wie kon zich een auto veroorloven, een satijnen avondjurk, een kaartje voor een concert? In Nederland zal van dit alles weinig doorgedrongen zijn.

Die laatste gedachte moet ik later corrigeren.
Ik herinner me opeens, dat een tante van mijn vader in het begin van de twintigste eeuw haar jurken bestelde bij Parijse winkels zoals Au bon marché en Les Grands Magasins du Louvre. Dat waren modewarenhuizen die over een postorderbedrijf beschikten. Er schiet mij meer te binnen. Ik hol naar boven, waar een houten hoedenkistje staat, dat ik ooit uit het ouderlijk huis heb meegenomen. Zou dat wellicht uit Parijs komen? Grands Magasins du Printemps Jules Jaluzot & Cie Paris, zo staat er op het deksel. Ik lees op Wikipedia dat dit modewarenhuis rond de vorige eeuwwisseling een van de grootste was in Parijs. En het bestaat nog altijd, op een hoek van de Boulevard Haussmann. In 2022 heeft men een filiaal geopend in Qatar. Daar is in onzer dagen blijkbaar de dynamiek te vinden, in ieder geval het geld.
Overigens, meneer Jules Jaluzot, de oprichter van de Printemps, werd in 1904, nadat het bedrijf bijna failliet was gegaan, uit de firma gegooid. Dat betekent dus dat mijn familie al vóór 1904 iets bij dit modebedrijf heeft besteld. Op de deksel van de doos staat in vage hanenpoten A. van Dijk gekrabbeld. Dat kan niemand anders dan mijn opa zijn geweest. Was hij toen zo modebewust? Had hij in 1896 wellicht zijn trouwhoed in Parijs besteld? Of heeft hij zich later het kistje toegeëigend, bijvoorbeeld om zijn zondagse hoed kreukvrij te vervoeren als hij met de Utrechtse mannenzangvereniging Orpheus op reis ging naar Brussel of Essen?

Parijs bleef nog lang Europa’s bruisende hoofdstad, ook na de dip van de Eerste Wereldoorlog, al geeft de benaming Roaring Twenties al aan dat er een andere grootmacht in opkomst was. Opnieuw zie ik in het familiearchief bewijzen dat de Parijse modegolven ook in modale kringen in Nederland doordrongen.
Zie hier rechtsboven de foto uit de jaren twintig van een oom en tante van mijn moeder, wandelend in Utrecht. De dochter, in het midden, draagt de rok boven de knie.
En dan: uit 1931 een foto van mijn moeder, achttien jaar oud, haar vlechten als een koptelefoon om haar oren gedraaid. Ik geloof niet dat er een andere foto is waar mijn moeder zo modieus op staat.

0

GAAN OM TE GAAN

Dagelijks

Het boekje staat misschien al vijftig jaar in mijn boekenkast. Gaan om te gaan is geschreven door Arnold van Dijk en in 1957 uitgegeven door Querido. Dat was zo ongeveer in de tijd dat ik enige interesse begon te krijgen in het lezen van letters. Ik kreeg het boek ooit van mijn zus en zette het in mijn boekenkast. Dat stond wel interessant, vond ik. Deze week bedacht ik dat ik het werk van mijn naamgenoot toch maar eens moest lezen.

De hoofdpersoon van de roman is Adam Verwaat. Hij heeft zijn baan als journalist opgezegd, omdat hij poëzie wil schrijven. Hij draait vele witte vellen in zijn schrijfmachine, maar komt tot weinig. Desondanks denkt hij onder het avondeten: ‘Ik ga het meest realistische, meest schokkende boek schrijven dat ooit geschreven is.’ Hij zegt veel van zijn vrouw Marthe te houden, maar ondertussen is hij met zijn gedachten voortdurend bij de vrouwen van zijn vrienden. Allen worden gewikt en gewogen. De lippen van de een zijn ‘geverfde slijmvliezen’, het gezicht van een ander is een ‘slordig toebereide vleesschotel’. Vanzelfsprekend hebben ook de borsten Adam’s aandacht. …’terwijl zij haar schouders naar achteren trok, waardoor haar laag uitgesneden nylon blouse met uitdagende nauwkeurigheid de vele vormen van haar bovenlichaam registreerde.’ Het lijken er zelfs meer dan twee. Ook zijn beschrijving van staande lampen is van een treffende zekerheid. Tussendoor worden we verwend met filosofische doordenkertjes: ‘het geluk is de goddelijke gemeenplaats in het gesprek tussen dood en leven.’
Geleidelijk komt er enige lijn in het verhaal. De bezoekjes die Adam en Marthe bij bevriende echtparen afleggen geven aanleiding tot een wat broeierige sfeer. Overspel lijkt niet meer te vermijden, al gaat het gesprek tussen de vrienden heel beschaafd verder. Maar dan wordt Adam afgeleid. ‘Opeens zag hij dat met een van haar hijgend op en neer bewegende borstjes een pluis meedeinde. (…) Het pluisje obsedeerde hem. (…) ‘Ik ben verloren’, dacht Verwaat, ‘dit is een rechtstreekse aanslag op mijn bestaan. Zij heeft het pluisje op haar jurk gelegd om mij te vernietigen.’ Anderhalve pagina later is het hem door ‘een bliksemmanoeuvre’ gelukt om het pluisje te verwijderen zonder haar aan te raken. ‘Adam wierp het pluisje in een asbak, hield er een brandende lucifer bij: een vreugdevuur om de grootste overwinning die hij in zijn leven had behaald.’

Van Dijk heeft niet alleen een eerbiedwaardige uitgever voor dit werk gevonden, er zijn ook nog eens zeven dagbladen die het boek recenseren. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Hans Warren is in Het Deventer Dagblad het meest positief. Hoewel hij schrijft dat de auteur vastloopt in het verhaal en onvoldoende afstand houdt tot zijn miserabele hoofdpersoon, noemt hij de roman een interessant debuut dat absoluut het lezen waard is. Ook Parool-recensent H.A. Gomperts ziet wat lichtpuntjes. Jan Greshoff daarentegen noemt het werk in Het Vaderland een boek zonder betekenis. Wie nog weinig ervaring heeft, moet heel veel schrijven, maar zo weinig mogelijk publiceren, vindt Greshoff. Dat mag Arnold van Dijk zich aantrekken.

1

KERST 2023

Dagelijks

Enkele dagen voor de kerst annuleerden we het eerste diner. De nacht daarvoor was begonnen met een vreemde pijn in mijn maag. Al snel liep ik hondsberoerd met een emmer in de hand heen en weer tussen bed en wc. Verdere details zal ik achterwege laten. Twee dagen later nam G. het stokje en de emmer over. We cancelden nu ook het tweede diner. Ik had in de voorafgaande week juist een babybedje in elkaar gezet voor de jongste telg in de familie. Dat leek mij een passend kerstgebaar. Het zou vooralsnog onbeslapen blijven.
Daar zaten we dan met zijn tweeën met een enorme voorraad eten. Alleen al het kijken ernaar riep walging en afkeer op. Het viel me nu pas op dat het kookboek dat klaar lag Plenty heet. Dat betekent zoiets als overvloed. Die hadden wij al meer dan genoeg ervaren.
Ieder van ons kon beschikken over een bank in de kamer om de marathon aan zondagen door te komen. Het was een geschikte plek om met een pijnlijke maag in te dutten of futloos voor ons uit te staren. Het geluk dat ons op de vele kerstkaarten was toegewenst werd ditmaal niet ons deel. Alhoewel, dacht ik mijmerend op de bank: samen lijden geeft een sterke verbondenheid. Dat zou je wel als geluk kunnen betitelen. En van een gedwongen soberheid kan je alleen maar beter worden, was de zeer katholieke gedachte die bij mij opkwam. Die past misschien nog wel beter bij het kerstfeest (bij de tochtige stal, de arme herders en de ruftige ossen) dan de copieuze diners en de duizenden flikkerende lichtjes.

Van alle kerstgedachten en vraaggesprekken in de kranten trof mij nog het meest een zin uit een interview met de generaals Mart de Kruif en Peter van Uhm in Trouw. Een Afghaanse tolk had tegen De Kruif gezegd: ‘Ben je groot [zoals in West-Europa], dan ga je niet meer vernieuwen. Dan wil je behouden wat je hebt. Dan ga je klagen omdat je veel te verliezen hebt.’ Waarbij ik zou willen aanvullen dat er een groep is in het rijke westen voor wie de omstandigheden wel aanleiding geven tot protest.
Tussen een slokje lauwe thee en een hapje van een droge cracker liep ik af en toe de tuin in om een halsbandparkiet van de pinda’s te jagen om daarmee ruim baan te scheppen voor de vele kleine vogeltjes die op zoek waren naar eten. Opkomen voor de zwakkeren is nog zo’n kerstgedachte. Al weet ik eigenlijk niet welke vogels het voer het hardste nodig hebben. Misschien worden die brutale exoten overal wel weggejaagd en krijgen de mezen alleen maar diarree van de overvloed aan pinda’s en vet. Ik ben daarover nog geen info-grafics tegengekomen.

Hoewel G. nog het meest te lijden had, begon zij na een paar dagen opeens vanaf haar bank spontaan een kerstlied te zingen. Daarna maakten we een boswandeling. En dinsdagmorgen brak er zowaar een zonnetje door. Moge die voor eenieder doorbreken in het nieuwe jaar.

1

DE RUGGENGRAAT VAN DE MAN

Dagelijks

bron: unlp.nl/opleidingen/training-man/

‘Man zijn in deze tijd, hoe doe je dat?’ Met deze vraag begint een reportage van Tim van der Pal in Trouw op 25 november j.l. ‘Mannen en mannelijkheid hebben het zwaar in de moderne samenleving’, hoort hij om zich heen. Mannen doorlopen het onderwijs minder gemakkelijk dan vrouwen. Ze zijn vaker depressief en verslaafd. In het werk moeten zij doorgaans de hele dag op een stoel zitten en dan kunnen zij hun energie niet kwijt. Relaties vragen om meer ‘vrouwelijke’ vaardigheden als communiceren en verzorgen. Kortom, de man kan wel wat hulp gebruiken. Van der Pal ontdekt dat er tal van mannenretraites en – workshops worden aangeboden en meldt zich voor de meerdaagse training MAN van Alex Vaassen in Havelte, een training met een fysieke aanpak. De deelnemers moeten met elkaar worstelen. Zich bewust worden van hun lichaam door te ademen vanuit hun geslacht. Vuur maken. Halfnaakt tegen elkaar schreeuwen en kwaad kijken. In rollenspelen de te innige relatie met hun moeder uitmaken. De flapover vermeldt ‘De ruggengraat van elke man: de wijze, de nar, de koning, de krijger, de minnaar, de oerman.’

Ik dacht terug aan de mannengroep waaraan ik in de jaren zeventig deelnam en waarover ik in 2014 al eens eerder schreef. In navolging van de vele vrouwengroepen gingen we met elkaar in gesprek. Hoe kwam het toch dat mannen zich altijd sterk en moedig moeten gedragen? Hoe kunnen wij onze vrouwelijke kanten meer ontwikkelen?
De verschillen met de training MAN kunnen niet groter zijn. In de jaren zeventig wilden wij onze vrouwelijke kanten ontwikkelen. Nu is het blijkbaar de trend om de verloren gegane (?) mannelijke kwaliteiten opnieuw te ontdekken. Wat is er in die vijftig jaar gebeurd, dat de behoeftes zo veranderd zijn? Is het de tijdgeest: de vroegere radicale veranderzucht tegenover de huidige krampachtige behoudzucht? Zijn er in het onderwijs te weinig mannelijke rolmodellen? Worden mannen op verschillende terreinen overvleugeld door vrouwen en hebben zij niet geleerd hoe daarmee om te gaan?

Alle deelnemers aan de beschreven training waren mannen in de middenleeftijd. Dat bracht nog een andere vraag in mij naar boven: hoe staat het met de oudere man in deze maatschappij? Heeft die het ook zwaar? Kijkend vanuit mijn eigen situatie en mijn 71 jaar is mijn antwoord: niks aan de hand. Wanneer je ouder bent hoef je geen partner meer te veroveren, word je niet gevraagd om je te bewijzen in sollicitaties, is het opvoeden van kinderen achter de rug.
Maar dan, denkend aan de laatste levensfase, over welke kwaliteiten moet je beschikken om die goed te doorlopen? Mijn antwoord uit de losse pols: het zou goed zijn als je voor jezelf kan zorgen, contacten kan onderhouden, verlies (van naasten, gezondheid, mobiliteit) kan opvangen, je kan aanpassen aan veranderende omstandigheden, zin in het leven kan blijven zien. Dat bij elkaar lijkt me al een behoorlijke uitdaging. Maar ik zie er geen mannelijke kwaliteiten in en al helemaal geen reden om halfnaakt te gaan worstelen.

3

SKEELERS

Dagelijks

Hoewel ik dit eigenlijk niet de plaats vind om mijn gezondheid te bespreken, moet ik ter inleiding van mijn onderwerp iets vertellen over mijn conditie. Sinds vorig jaar heb ik last van tintelingen en dove gevoelens in benen en armen. Er valt goed mee te leven. De meeste irritatie ervaar ik op de racefiets, als mijn gestrekte armen een deel van mijn bovenlichaam dragen. Huisartsen spreken wel van neuropathie. Dat wil in goed Nederlands zeggen dat ik een zenuwlijder ben. Behalve dat ik nu eindelijk bevestigd zie wat ik altijd al gedacht heb, schiet ik met die term niets op. Een goede behandeling is er namelijk niet. Bewegen is goed, elke dag een half uur fietsen bijvoorbeeld zou mooi zijn…. waarmee de cirkel van het gebrek rond is (doet me denken aan There’s a hole in my bucket van Harry Belafonte.)
Skeelers dus, dacht ik toen, dan kan ik toch buiten sporten.
Ik zie kinderen op straat schuivend lopen op die hoge schoenen met vier wieltjes. Een enkele keer racet er een gespierde god op hoge snelheid hier door het park. En in Utrecht zagen we op zomerse vrijdagavonden nog wel eens een optocht van honderden jongvolwassen skeelerrijders op de maat van luide discoklanken de stad uitrollen. Maar de eerste bejaarde op inline skates moet ik nog tegenkomen. Dus ook in dat opzicht is er een wereld te winnen.

De dichtstbijzijnde speciaalzaak bevindt zich in Achterveld, een dorp tussen de weilanden ten oosten van Amersfoort. Men beweegt zich daar dus niet alleen voort op tractoren of klompen.
Met enige schroom loop ik op de voordeur van de winkel af, een gevoel dat ik probeer te verbergen door achteloos om een paar skeelers te vragen, alsof ik om een pondje kaas kom. Ik tref een alleraardigste verkoopster die geheel in mijn houding meegaat en het doet voorkomen alsof ik die dag al de zoveelste bejaarde ben die dringend om een paar skates verlegen zit. Uit de duizelingwekkende hoeveelheid skeelers die in de winkel tentoongesteld worden laat ze mij enkele paren in kekke kleuren passen. Tien minuten later alweer stap ik met een zware doos de zaak uit.

Dezelfde schroom voel ik weer als ik enkele dagen later op een bankje in het park de skeelers aantrek en zeker als ik de bijbehorende knie-, elleboog- en polsbeschermers omdoe en als een aangeklede pop de eerste, voorzichtige slagen maak. Vergeleken met schaatsen is de weerstand van de wieltjes op het asfalt veel groter. Je gaat minder hard en misschien is dat maar goed ook. Snel remmen is er niet bij, tenzij je voor de bermstop kiest. Skeeleren is niet vrij van risico’s. Voor dit blog zou het wellicht het mooiste zijn geweest als ik hier een sappig relaas over een spectaculaire val kan toevoegen. Zo ver is het echter niet gekomen, ik ben overeind gebleven. Ik weet het, het is geen garantie voor de toekomst. Er komt wat bij kijken als je je zenuwen wilt beheersen.

1

APPELS

Dagelijks

De appels onder een hagelnet

Je zou kunnen zeggen dat ik tussen de appels geboren ben. Aan twee zijden van ons huis lag de boomgaard van Toon van Rossum. Als die met zijn tractor en gifspuit tussen de bomen reed en de wind uit het westen kwam, dan kon je maar beter binnen blijven. Fruitteler Floor woonde aan de overzijde. Ik mocht eens kijken in een donkere ruimte. Ik zag ontelbaar veel appels. Ze werden gekoeld bewaard op houten latten boven de koude grond.
Toeval of niet, nu wonen wij weer naast een appelboomgaard. De afgelopen tijd konden we boven uit ons raam het treintje met Polen tussen de boompjes zien gaan en de vol geplukte kisten in omgekeerde richting. We hadden ons al eens afgevraagd wat er bij het telen komt kijken. Daarover weten we nu wat meer, met dank aan Albert Heijn. De fruitteler werkt sinds enige tijd samen met de grootgrutter. Hij teelt een nieuw soort appel, de Sprank, exclusief voor AH. Het winkelbedrijf nodigde zijn klanten uit voor een plukmorgen. Er was plaats voor dertig mensen. Zo togen wij, op regenlaarzen en gehuld in regenkleding, op een natte zaterdagmorgen met onze oudste kleindochters naar de boomgaard.

De fruitteler vertelde dat al zijn inspanningen er iedere dag weer op gericht zijn om te zorgen dat het kleine appeltje dat in het voorjaar ontspruit een half jaar later als een glimmende, blozende vrucht in de schappen ligt. Dat wil ‘de consument’ nu eenmaal. Voor de appels uit mijn jeugd, die met een rot plekje of een rimpeltje, is geen plaats meer. Het lijkt wel een metafoor voor de huidige maatschappij. In het halfjaar van de groei kan van alles mis gaan. Ziekte van de appelboom, beestjes die de vrucht ook lekker vinden en niet te vergeten het weer. Valt er een flinke hagelbui, dan is de oogst verloren. Bij de nieuwe aanplant is er daarom een hagelnet over de boompjes gespannen. Het nadeel is wel dat de buizerd nu niet meer gemakkelijk de mezen kan vangen. Natuurlijk kreeg de teler de vraag naar het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het antwoord vond ik weinig verrassend: hij werkt zoveel mogelijk met natuurlijke beschermingsmiddelen, maar ‘kan nog niet geheel zonder de traditionele middelen.’ Hoe kan een appel die in oktober geplukt is er in april nog zo fris uitzien? Dat wilde ik ook wel eens weten. Alleen maar donker en koel bewaren zoals Floor dat deed? Het geheim is dat de lucht in de huidige koelcel zuurstofarm is, zodat het groeiproces van de vrucht stopt.

Na deze uitleg kreeg iedere bezoeker een linnen tasje en reden we met het treintje de boomgaard in. Een appel is eenvoudig te plukken door deze met de hand naar boven te draaien. De appels mochten we meenemen, vier tassen vol. Aan het einde van ons bezoek stond er nog appeltaart voor ons klaar.
Thuis zette ik mijn tanden in een Sprank. Het staat me tegen om reclame te maken, maar ik kan niet anders zeggen dan dat ik deze appel bijzonder smakelijk vind.

0

BEESTJES

Dagelijks

Nadat ik de sla in ruim water had gewassen en de bladeren vervolgens nog tweemaal in een vergiet had nagespoeld, zag ik juist op het moment dat ik alles in de slakom wilde doen dat er nog een slakje onder een blad hing. Zo, stevig vastgezogen aan het groen, had ie blijkbaar de overtocht gemaakt van de moestuin naar ons huis, waarna hij nog een paar dagen in de garage had liggen antichambreren. Hij had genoeg te eten gehad. Ik pakte hem met mijn vingers en bekeek hem eens goed. Wat doe ik met het beestje, dacht ik. Mijn reflex was altijd: uit de weg ruimen. Maar nu de bijen aan het uitsterven zijn, de muggen in aantallen afnemen en de hele natuur in gevaar verkeert, begin ik me toch af te vragen of ik mijn gedrag moet aanpassen.

Sommige beesten, zoals spinnen of langpootmuggen kun je goed in potje vangen, vooral als ze tegen een raam of een muur zitten. Potje erop, papiertje erover, en hup, ze kunnen buiten verder spelen. Muizen hebben we niet in huis. Ik zag er laatst wel een door de tuin cruisen. Lijkt me niets op tegen. Soms wandelt er buiten een egel langs. Prachtig beest! Ruim baan voor deze kampioen langeafstandsloper.
Sinds enige tijd hebben we ook een ongenode gast in de tuin. We hebben hem nog niet gezien en dat zal waarschijnlijk niet gebeuren. Hij heeft al heel wat grond verzet. Uit mijn jeugd ken ik een man die tijdenlang doodstil met een geheven spa naast een molshoop kon staan om direct toe te slaan als de mol zijn koppie boven de grond stak. Vooralsnog gedogen we het beest, maar we weten niet of dit verstandig is.
Een ander twijfelgeval zijn de vliegen. Die hebben we in verschillende maten, zij het beperkt in aantal. Het zijn echte volhouders, dat valt nog wel in hen te waarderen. Maar zij kunnen heel irritant zijn als ze op je arm willen zitten of op je boterham met hagelslag. Wuif je ze weg, dan zijn ze binnen de kortste keren weer terug. Naar buiten jagen gaat moeilijk. Dan toch maar de vliegenmepper pakken? Misschien staan ze volgend jaar wel op een rode lijst.

Er zijn tenminste drie beesten die we niet in huis tolereren.
1. De mier. Vanwege het feit dat hij nooit alleen komt. Wat zeg ik, mieren komen in colonnes binnenwandelen, daar komt geen einde aan. Het zijn ijverige schepsels, dat wel. Het gaat me louter om het aantal (al zou ik alleen op basis van dat argument ook wel een paar meerkoeten kunnen doodmeppen).
2. De mug. Omdat ze het steken niet kunnen laten. Bovendien heb ik nog niet ontdekt wat hun positieve bijdrage is aan onze wereld.
3. Het zilvervisje. Ik mag die beestjes niet, het zijn achterbakse kruipers. Op het moment dat je ze ziet schieten ze razendsnel ergens onder. In hun schuilplaats zitten ze zich dan met een vette lach voort te fokken. Geen genade met die soort, schoen erop.
Het slakje mocht verder eten bij het GFT-afval.

2

EEN LESJE OVER KOEIEN

Dagelijks

Het Groene Hart

Ik sta met de boer tussen de koeien op een weiland in het Groene Hart. Waar ik ook kijk zie ik groen gras. Helder groen sappig gras. Rondom is de einder ver weg. Een rijtje bomen, een kleine spitse toren, een paar boerderijen. Boven onze hoofden trekken wolken langs, in een afwisseling van licht- en donkergrijs. De wind heeft hier vrij spel. Enkele kraaien laten zich meevoeren met de stroom, een paar eenden vliegen snaterend op uit een sloot. Verder weg bidt een valkje.
Door toevallige omstandigheden ben ik weer in contact gekomen met een kennis die ik zo’n vijftig jaar geleden regelmatig tegenkwam. A. heeft de boerderij van zijn vader overgenomen. Nu is hij vanwege zijn leeftijd aan het afbouwen. Hij fokt nog een aantal kalveren, die worden na een jaar verkocht. En hij zorg voor enkele droge koeien van een buurman-boer. Nooit van gehoord, droge koeien. Het blijken beesten te zijn die in verwachting zijn en dan een aantal weken droog staan, geen melk geven. Omdat ze dan niets opbrengen, maar wel meetellen in de bureaucratie van de melkproductie in Nederland, verzorgt A. deze koeien in hun droge weken. ‘Ze zijn al een stuk meer ontspannen geworden sinds ze hier zijn’, zegt hij terwijl hij een van hen over de kop aait.

bron: CRV

Tweemaal per dag gaat hij met zijn kar het land achter zijn boerderij in. Bij elke overgang van het ene weiland naar het andere stopt hij om een hek te openen, even door te rijden, weer af te stappen en het hek weer dicht te doen. Tweemaal per dag telt hij of alle veertien koeien er nog zijn. Soms belandt er namelijk wel eens eentje in een sloot. Deze zomer nog had hij zijn kleren uitgetrokken om in de sloot de banden om de schrikachtige koe heen te doen, waarna hij het beest de kant op kon trekken.
A. heeft wat koeken meegenomen voor de dames. Ik leg een brok op mijn vlakke hand en houd die voor zo’n grote, dampende koeienbek. Bang dat zo’n koe tegelijk mijn vingers opeet, hou ik de hand te ver weg, zodat het brokje in het gras valt. Ik wil hem pakken, maar die koe buigt ook voorover. Daar sta ik dan met mijn gepoetste schoenen tussen de koeienvlaaien.
Koeien kalveren nu het hele jaar door, hoor ik. ‘Wanneer noem je een kalf een vaars?’, vraag ik. Na een jaar wordt een kalf een pink. Die benaming was ik vergeten. En na drie jaar wordt een vaars een schot, die kende ik nog niet. Sinds mijn jonge jaren heb ik niet meer tussen de koeien gestaan.
Een koe legt haar forse kop op de schouder van A. Ze heeft donkerblauwe, glazige ogen en daarboven krullende haartjes, als een soort wenkbrauwen. Naast mij staat ook zo’n gevaarte dat aandacht wil. Ik voel de warme adem in mijn nek, daarna een warme schuurlap.
De wind trekt aan, een groep spreeuwen buitelt om elkaar heen. Ver weg klinkt het donkere geluid van een tractormotor.