Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

1

EEN GEVAL VAN OVERBEVOLKING

Dagelijks

Slakken kunnen een afstand van wel honderd meter afleggen, zo lees ik op internet. Er staat niet bij hoeveel tijd zij daarvoor nodig hebben. Wel kom ik te weten, dat slakken hermafrodieten zijn, schepsels met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Een enkele soort kan zichzelf bevruchten, een intrigerend gegeven. Bij de meeste slakken echter is er sprake van ‘gelijk oversteken’, waardoor er wederzijdse bevruchting plaatsvindt. Het lijkt me een prachtige basis voor een gelijkwaardige verhouding. Zou de overlevingskans van de slak in de evolutie zó gering zijn geweest, dat die dubbele geslachtsorganen nodig waren, vraag ik me af. Hoe dan ook, het heeft zijn vruchten afgeworpen.
Het begon ermee, dat de bladeren van de hortensia’s in onze tuin kapot gevreten waren. Daarna kwamen de asters aan de beurt, vervolgens andere planten. Het vreemde was dat we aanvankelijk geen enkele slak zagen. Het zijn sluipmoordenaars. Zij houden zich verscholen onder bladeren en struiken en komen in de avondschemering tevoorschijn. Of als er net een regenbui gevallen is. Dat was het moment dat wij opeens tientallen naaktslakken als holle bolle gijzen in de planten zagen hangen.

Dieren horen erbij, dus als een naaktslak met zijn uitgestoken voelsprietjes zijn slijmerige spoor over de tegels trekt laat ik hem / haar rustig lopen. Ik zou hem nog een andere kant opsturen als hij de weg over wil steken. Maar op dezelfde wijze heb ik de zorg voor de planten. Niet ingrijpen was daarom geen keuze, dus begon ik op een avond slakken te verzamelen. Het moet gezegd, dat het me aanvankelijk moeite kostte om die koudbloedige beestjes met mijn blote handen los te trekken van de planten. Ik dacht aan de generaties voor mij en hun omgang met de elementen en sprak mezelf toe.
Mieren en muggen maak ik dood, maar hoe groter het diertje hoe meer ik mij afvraag of ik daartoe wel gerechtigd ben. Dus bracht ik die eerste avond de grote verzameling slakken naar een stuk gras buiten onze tuin. Na de volgende regenbui zat de tuin ( ± 50 vierkante meter) weer vol en las ik het stuk, waarmee ik deze blog begon.

Dit exemplaar had zich vrijwillig binnen gemeld

Het internet staat vol met adviezen over het weren van slakken uit je tuin. Van het ingraven van potjes bier, tot het strooien van eierschalen, van koperen tape tot de onvermijdelijke gifkorrels. Lijsters peuteren slakken uit hun huisje voor een culinair maal, maar die vogels zien we te weinig. Hoe je in geval van overbevolking de weekdiertjes moet verwijderen (lees: dood maken), heb ik nergens gevonden.
Zwemmen kunnen de op land levende slakken niet, dus de vaart achter onze tuin was een aantrekkelijke optie, al voelde ik me niet goed toen ik zag hoe sommigen zich met hun slijm krampachtig vasthielden aan de schep waarop zij lagen. Of verbeeldde ik me dat maar? Eenmaal in het water zakten zij snel naar de bodem en verdwenen zij uit mijn zicht. Alleen de slakken met een huisje bleven nog even drijven, totdat hun onderkomen volgelopen was en de onvermijdelijke gang naar beneden volgde. Zo stierven de afgelopen twee weken meer dan vijfhonderd slakken de verdrinkingsdood.

0

DE LANDWACHT

Dagelijks

Oefening van de Landwacht – Foto collectie Niod

In de Tweede Wereldoorlog zijn door het verzet meer dan vijfhonderd aanslagen gepleegd op NSB’ers, collaborateurs, Nederlandse SS’ers en Duitsers. Dat schrijven Kooistra en Oosthoek in hun boek Recht op Wraak. De 91-jarige Kooistra, ook wel de Friese Wiesenthal genoemd, liet mij via de mail weten dat hij geen enkel geval kende van een NSB’er die niet door het verzet, maar door eigen mensen uit de weg is geruimd. Dat is echter precies de verdenking in het geval van de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Ten behoeve van de historische vereniging Vleuten – de Meern doe ik onderzoek naar deze aanslag. Vorige week beschreef ik hier mijn speurtocht naar de mogelijke betrokkenheid van de Rotterdamse NSB’er Y. Een zoektocht die vooralsnog als enige aanwijzing opleverde dat Y. lid was geweest van de beruchte Landwacht.

De Landwacht was door NSB-leider Mussert opgezet om bescherming te bieden aan NSB-leden. Vanaf najaar 1944 werd de organisatie ingezet voor het opsporen en arresteren van tegenstanders, onderduikers en illegalen. ‘De Duitsers konden het niet alleen’, schrijft historicus Ad van Liempt. Bij de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei hebben nooit meer dan zevenhonderd functionarissen gewerkt. De aanstelling van 20.000 Landwachters betekende daarom een forse uitbreiding van de opsporingsmogelijkheden. Op deze betaalde banen kwamen nogal wat werkloze rauwdouwers en gefrustreerde vechtersbazen af. In hun opsporingswerk gebruikten de Landwachters veel geweld, vaak onder invloed van alcohol. Zo werd de leider van het verzet in Zuid-West Utrecht na zijn arrestatie in de Meern mishandeld door een LW’er die eerst een fles jenever had leeggedronken. De verzetsman werd na overdracht aan de Sicherheitsdienst niet veel later gefusilleerd.

Een liquidatie – Foto collectie Niod

Op zondagmorgen 1 oktober 1944 ontvangt de groepsleider van de NSB in Vleuten een aantal Landwachters. Hij heeft werk voor hun. Op de achterkant van een oude envelop van een verzekeringsmaatschappij heeft hij de namen geschreven van zwarthandelaren, verzetsmensen, onderduikers en ‘communisten’. De eerste razzia van de Landwachters levert weinig op. Veel verdachten zijn niet thuis. Het lijkt erop, dat zij gewaarschuwd zijn. Volgens Kooistra heeft Van der Grift, die gekenmerkt wordt als ‘goede NSB’er’, hierin een rol gespeeld.
Op 9 oktober wordt Van der Grift geliquideerd. Deze aanslag is aanleiding voor de Landwacht om enkele Vleutense verzetsmensen op te pakken. Twee dagen later worden zij door de Duitsers terechtgesteld.

Kortom, de Landwacht en de NSB hadden meer baat bij de liquidatie van Van der Grift dan het Vleutens verzet:
– Van der Grift hinderde hen in het opsporen van onderduikers en verzetsmensen;
– Een liquidatie van een NSB’er zou hen vrij spel geven om verzetslieden op te pakken.
En wie weet was Van der Grift een gevaar geworden, omdat hij na een beëindiging van de oorlog belastende informatie over collaborateurs zou kunnen doorgeven. De vrouw van Van der Grift was ervan overtuigd dat de NSB betrokken was bij de moord op haar man.
Rest de vraag, wie de trekker heeft overgehaald. Wellicht heeft de Landwacht voor het uitvoeren van de aanslag een collega uit Rotterdam ingeschakeld. Of een van de Landwachters heeft als schuilnaam de naam van Y. heeft gebruikt. Bewijzen zijn er niet en waarschijnlijk zullen die er ook niet meer komen.

1

ONDERZOEK VAN EEN DOOFPOT

Dagelijks

Liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem

Vorig jaar schreef ik voor het blad van de Historische Vereniging Vleuten – de Meern een artikel over de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Het dorp was destijds geschokt. Van der Grift stond bekend als ‘een goede NSB’er’. Hij had verzetslieden gewaarschuwd als er een razzia op komst was. Onderzoekers betitelden de aanslag later als ‘dubieus’ en zelfs ‘onterecht’.
Zoals in veel dorpen zijn in Vleuten de oorlogsgebeurtenissen in de kast gestopt. Er werd niet over gesproken. Meer dan vijfenzeventig jaar na de bevrijding zijn alle hoofdrolspelers overleden. Dat wil niet zeggen dat de wonden geheeld zijn, zo bleek mij na de publicatie. Mijn artikel bracht niet alleen  emoties naar boven. Er kwamen nieuwe, bijzondere feiten boven tafel.

Het was mij tijdens het onderzoek voor het artikel niet gelukt om familieleden van Van der Grift te vinden. Ik had niet goed gezocht. De eerste lezer die reageerde was zijn dochter, nu een vrouw van in de tachtig. Zij was verrast door details die ze niet kende. Voor mij onthutsend was haar mededeling dat haar moeder ervan overtuigd was, dat de NSB achter de liquidatie zat. Mijn aanbod om haar versie van het gebeuren in een volgend artikel te beschrijven sloeg zij af. De publicatie had haar al te veel slapeloze nachten bezorgd.
Ik zou daarmee de zaak hebben laten rusten, ware het niet, dat er nog meer reacties binnenkwamen. De zoon van een verzetsman uit Harmelen vertelde dat hij wist wie de trekker had overgehaald. Hij noemde een naam en gaf een signalement. Het zou gaan om een man van buiten de regio die in hotel Het Wapen van Harmelen had gelogeerd. Ik zal deze man hier verder aanduiden met ‘Y’.

De NSB marcheert over de Maliebaan in Utrecht

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Zonder idee van de voetangels en klemmen begon ik te zoeken. Het hotel kon mij helaas niet meer aan de gegevens van de gasten van najaar 1944 helpen. Mijn geluk was dat de betreffende achternaam, volgens de databank van het Meertens Instituut, eind jaren veertig zeer weinig in Nederland voorkwam en dan nog alleen in de regio Rotterdam. Een tweede meevaller was dat een vriendin een collega had gehad met deze achternaam. De collega bleek bereid om binnen haar Rotterdamse familie navraag te doen naar het genoemde signalement. Dat leverde geen match op. Ondertussen had ik via internet achterhaald dat er in Rotterdam een winkelier Y. had gewoond, die lid was geweest van de NSB.
Ik plaatste een oproep in De Oud-Rotterdammer, een tijdschrift dat leeft van de herinneringen aan vroeger. Het leverde een reactie op van een negentigjarige die als jonge vrouw bij Y. in de winkel had gewerkt. In een telefoongesprek haalde zij allerlei herinneringen op. Ze beloofde mij foto’s van haar baas toe te sturen. Daarnaast ontving ik een aardige reactie van een dochter van winkelier Y. Toen duidelijk werd dat ik een gebeurtenis uit 1944 onderzocht haakte zij direct af. Daarna bleek ook de voormalige winkelbediende geen foto’s meer te hebben en zich niets meer te kunnen herinneren.

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging

Vervolgens las ik het complete dossier van Y. in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, een onderdeel van het Nationaal Archief waarin alle documenten van rechtszaken tegen NSB’ers bewaard worden. Hierin vond ik geen aanwijzingen voor aanwezigheid van Y. in Harmelen of Vleuten. Op één mogelijk verband na. Y. was in het najaar van 1944 lid geweest van de Landwacht, de beruchte opsporingsdienst van de NSB.
Wordt vervolgd.

2

EEN DIGITALE TOEVOEGING

Dagelijks

Als ik aan het begin van de morgen de PC opstart, verschijnt plots een mededeling: ‘Browsing protection by F-Secure is toegevoegd aan Microsoft Edge.’ F-Secure is ons beveiligingsprogramma. We gebruiken het al jaren. Begin dit jaar hebben we, op advies van onze ict-man, de beveiliging op onze computers nog eens uitgebreid, uiteraard tegen meerkosten, zodat we, verschanst in onze bunker met driedubbele muren, elke mogelijke vijandelijke aanval kunnen afslaan. Wij zijn van het type die zekerheid voor alles wil.
Maar, zo vraag ik mij af, waarom ontvangen we nu deze mededeling? F-Secure beveiligt – als het goed is – al heel lang onze gang op het web, welke browser we ook gebruiken. Het betreft geen update. Dus waarom moet er iets toegevoegd worden? Van wie is trouwens deze mededeling afkomstig? Er staat geen afzender bij. Zo ontvang ik op mijn telefoon ook periodiek een mededeling dat er updates geïnstalleerd zullen worden. Ik mag nog kiezen of ik dit meteen wil laten ingaan of op een later ogenblik. Ik ben tevreden met de updates, maar waarom ontbreekt er een afzender aan deze aankondiging? Ik weet dat ik niet op linkjes moet klinken die ‘mijn bank’ mij doorstuurt. Dat ik een digitale brief van ‘de overheid’ met de vraag om mijn Digid te vernieuwen moet weggooien en dat ik niet moet ingaan op het appbericht ‘Hey, pap kan je me duizend euro overmaken?’ Maar waarom dan van die anonieme berichten over toevoegingen en updates?

Als het goed is gebeurt er niets aan mijn computer zonder dat ik daar zelf toestemming voor geef. Ik moet derhalve met de toevoeging van F-Secure aan Microsoft Edge instemmen. Ik heb op dat moment echter geen zin om me in dit soort keuzes te verdiepen. Dus ik veins alsof ik niet thuis ben. De mededeling gaat echter niet van mijn scherm af. Ik word gedwongen iets te doen. Als ik op ‘Doorgaan’ klik verschijnt het volgende bericht: ‘Een ander programma op uw computer heeft een extensie toegevoegd waardoor Microsoft Edge mogelijk anders werkt.’ Wat betekent dit nu, vraag ik me af. De irritatie begint op te lopen.

Nu kan Microsoft Edge mij eerlijk gezegd gestolen worden. Ik kies er zelf nooit voor. (Dat doen anderen voor mij).  Maar waar ik niet goed tegen kan is de onduidelijkheid van de mededeling. ‘Een ander programma (welk?) heeft iets (?) toegevoegd waardoor Edge mogelijk (?) anders (?) werkt. Het hoort erbij, spreek ik mezelf toe, wind je niet op. Dit is de digitale wereld zonder welke we niet meer kunnen werken.
Dan valt mijn oog op een vraagteken. Kijk eens aan, ik kan uitleg vragen. Die luidt als volgt: ‘De extensie kan het volgende doen: communiceren met samenwerkende systeem-eigen toepassingen.’ Met dat antwoord moet ik het doen. Daaronder volgt onverbiddellijk de harde keuze: ‘Extensie inschakelen’ (blauwe kleur) of ‘Extensie uitschakelen’ (grijsgekleurd). Voor de liefhebber is er nog een link met uitgebreidere uitleg. Hier beland ik op een Engelstalige pagina vol met systeemeigen termen. Dit is het laatste dat ik wil. Het zal wel goed zijn, verzucht ik, en kies voor ‘Extensie inschakelen’.

0

WAAR IN ‘T BRONSGROEN EIKENHOUT

Dagelijks

Een stukje buitenland in Nederland. Zo voelt het Limburgse Heuvelland. Als ik deze week tussen de nog groene korenvelden en kersenboomgaarden wandel, over modderige paadjes en natte grintwegen, komt er een vraag bij mij boven. Had Limburg eigenlijk niet gewoon buitenland moeten zijn? Ik ga eens struinen op internet. Het blijkt een complexe historie.
Toen Napoleon in 1815 overwonnen was wilden de belangrijke Europese staten een sterke buffer aan de noordgrens van Frankrijk. Daarom werden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samengevoegd onder Koning Willem I. Pruisen had ook zijn zinnen gezet op dat mooie Limburg, maar die wens werd niet ingewilligd.
Een gelukkig huwelijk tussen Zuid en Noord werd het niet. Het Nederlands was als standaardtaal ingevoerd en katholieken werden als tweederangs burgers behandeld. In 1830 waren de Zuidelijke provincies de achterstelling door dat protestantse Noorden zat. Men sprak van arrogante Hollanders en van uitbuiting. De zuidelijken scheidden zich af en Limburg sloot zich aan bij België.
Wederom kwamen de grote mogendheden in het geweer. Het had iets met de broze stabiliteit in Europa te maken. Er waren in meer landen grensconflicten. Zij deelden in 1831 het hertogdom Limburg op en voegden het oostelijk deel weer bij Nederland. Zeer tegen de zin van de Limburgers.

Vreemd genoeg was Limburg ook nog lid van de toenmalige Duitse statenbond, waardoor de Limburgse vertegenwoordigers in het bondsparlement er in 1848 voor pleitten om Limburg onderdeel te maken van een nieuwe Duitse staat. ‘Limburg is een jammerlijke strook gronds, een uitwas van ons land, dat onze beste sappen verteert’, zo meende de Arnhemse Courant. In de Nederlandse politiek voelde men er wel voor om Limburg aan de Duitsers te laten. De Bond viel in 1866 echter uit elkaar en zo werd Limburg in 1867 alsnog Neerlands elfde provincie.
Na de Eerste Wereldoorlog deed België nog een laatste poging om oostelijk Limburg terug te krijgen vanwege de vermeende Nederlandse steun aan Duitsland. Het neutrale Nederland had weliswaar aardappels uitgevoerd naar Duitsland en vervolgens in november 1918 de Duitse keizer binnengelaten toen die opeens aan de grens bij Eijsden stond. Voor de geallieerden was dat echter onvoldoende reden om grondgebied af te pakken. Van een afscheidingsbeweging in Limburg is sinds 1919 niets meer vernomen.

Gank mer wiejer en maak andere bliejer

De Limburgers sloten zich aan bij België, ze deden een poging om onder de Duitse vlag te komen en steeds weer hoorden ze van de grote jongens, dat ze moesten spelen met die eigenwijze Nederlandse kinderen. Wat zij helemaal niet wilden.
Nederland had er een elfde provincie bij, een aanhangsel op de oevers van de Maas, ingeklemd tussen België en Duitsland. Met zijn eigen dialecten en zijn eigen cultuur: het carnaval, de schuttersfeesten, de processies. Zijn invloedrijke bisschop, zijn KVP, zijn PVV en zijn eigen lokale politieke mores.

De vraag stellen of deze provincie wel bij Nederland past is even zinloos als de vraag of Nederland niet eigenlijk de zeventiende deelstaat van de Bondsrepubliek is (zoals sommige buitenlanders denken).
In Eys plant een oude vrouw verse bloemetjes voor een kruisbeeld op straat. Schiet er op een begraafplaats een kruis over, zo vertelt zij, dan plaatst men dat ergens langs de weg. Zo blijft Limburg de provincie die het altijd geweest is.

4

VACCINATIE

Dagelijks

Ziezo, de eerste prik is binnen. Direct toen het sein voor de lichting 1952 op groen ging, meldde ik mij aan. Ik kon op drie plaatsen bij de GGD terecht en koos voor de locatie Woerden. De afhandeling een week later verliep al even vlotjes, niet in het minst door het grote aantal aanwezige medewerkers. Dat begon al buiten. Het was verre van druk, maar er waren vijf mannen in fluorescerend geel aanwezig om mij een parkeerplek te wijzen die ik zelf ook zag. De vaccinatie vond plaats in een overjarig, leegstaand bedrijfsgebouw. Zo’n pand waarover een verhurend makelaar alleen met veel moeite iets positiefs zou kunnen schrijven. Bij binnenkomst moest ik mijn handen wassen en bij een loket bevestigen dat ik mij in een klachtenvrije staat bevond. Gelukkig voelde ik geen aandrang om mijn neus te snuiten. Daarna kwam ik, zonder te hoeven wachten, bij loket nummer twee, waar men hetzelfde vroeg. Daarnaast werden mijn identiteit en de door mij ingevulde vragenlijst gecontroleerd. Ik mocht verder. Nadenken of zelf opletten was niet nodig. Als een flesje op een lopende band ging ik vanzelf verder langs grote paarse pijlen die om de meter op de vloer waren geplakt. Mocht ik van mijn route afwijken dan waren er diverse veiligheidsmedewerkers om mij op het rechte pad te houden. Zo belandde ik bij loket drie, waar opnieuw al mijn gegevens werden doorgenomen. Zekerheid voor alles. Daarna kon ik direct door naar kamertje 3 waar een onderkoelde GGD-medewerkster met een dito spuitje op mij zat te wachten. Mijn pogingen om in deze bureaucratische rondgang iets menselijks in te brengen door een gesprekje aan te knopen hadden weinig succes.

‘Linksaf, daar vindt u de wachtruimte’, was haar automatische tekst, terwijl ik mijn overhemd weer aantrok. Ik kwam terecht in een hoge ruimte die, geheel in de stijl van dit vaccinatieproces, er uitzag als een machinekamer. Over het plafond liep een intrigerende spaghetti van dunne en dikke buizen. Uit verschillende kamers stroomden de gevaccineerden de verkoeverruimte binnen om in vijftien minuten weer bij zinnen te komen. Twee medewerkers hielden nauwlettend in de gaten of er niemand van zijn stoel viel. Een derde medewerker liep rond met een landbouwspuit om leeggekomen stoelen te desinfecteren. Ik vond dat wel zorgvuldig, want er zou nog wat virusmateriaal aan mijn billen kunnen hangen.

Toen ik weer naar huis reed wierp de ondergaande zon een prachtige, warme gloed over de groene weiden. Ik kreeg ineens een intens gevoel van vrede over mij. Al het gezeur over corona, de zorgen, de discussies, de waarschuwingen, het gleed opeens allemaal van mij af. De wereld was mooi. Ik zag een stel jonge eendjes die synchroon elke beweging van de moeder volgden. Lammetjes huppelden door de wei. Wat een prachtig jong leven, zo zonder zorgen en zonder corona!
Onmiddellijk daarna dacht ik echter aan de Q-koorts. Als die om zich heen grijpt, worden de beesten niet door een inentingsstraat gestuurd. Zij worden zonder pardon geruimd. Dan was ik vandaag toch een stuk beter af.
‘Heb je het overleefd?’, was de eerste vraag van G. toen ik thuiskwam.
‘Tot nu toe wel, ja’. Ik hield een slag om de geprikte arm.

0

EEN VERHAALTJE VOOR HET SLAPEN GAAN

Dagelijks

Mijn 400ste blog

 

Ik begin op mijn rug. Dan merk ik al snel een aangename ontspanning, een gevoel van zwaarte in mijn ledematen. Gedachten buitelen over elkaar heen, in mijn hoofd ben ik niet meer de baas. Vervolgens draai ik op mijn zij. Soms val ik direct in slaap, soms duurt het nog een poosje.
Slapen is een van de merkwaardigste bezigheden die ik ken. Of beter gezegd: het is een merkwaardige toestand. Ik leef wel, maar ik merk er niets van, ik ben compleet van de wereld. Het bijzondere is, dat deze toestand na een aantal uur weer stopt, zonder dat ik er iets voor doe. Het gebeurt vanzelf. Er is door de wetenschap al veel onderzoek gedaan naar de slaap. Waar de slaap toe dient is duidelijk en ook dat het iets met een interne klok te maken heeft. Maar over de vraag hoe dat precies werkt is nog altijd weinig bekend. En dat voor iets waar wij een derde van ons leven aan besteden.
Vlak voor het inslapen is er een toestand van halfslaap. Gesproken wordt van ‘in slaap vallen’ of wegzakken. Je stijgt niet op naar de hemel. ‘Overmand worden door slaap’ is een andere uitdrukking. Die suggereert dat er een man is die je overmeestert of meevoert (Klaas Vaak?). Bij doodgaan horen ook associaties met slapen. ‘Slaap zacht’ wordt er tegen overledenen gezegd. Of: ‘hij is vredig ingeslapen.’ Andersom komt niet voor. Je zegt niet tegen iemand die slaapt: ‘blijf nog maar lekker dood.’
Ik heb eens geprobeerd om de overgang van waken naar slapen te onderzoeken. Om na te gaan wat er gebeurde op het moment dat ik mezelf voelde wegzakken. Het onderzoek was een mislukking. Het observeren was een hersenactiviteit die mij stante pede weer omhoog trok.

Soms dringt er tijdens de slaap wel iets door. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Als mijn blaas vol zit bijvoorbeeld. Dan stommel ik enigszins onvast naar de wc om na een paar minuten het bed weer in te kruipen en gewoon verder te slapen, alsof er niets gebeurd is. Een kleine pauze in mijn bewusteloosheid.
In ons vorige huis woonden wij langs een goederenspoorlijn. ’s Nachts kwamen daar ooit zware goederentreinen langs die het bed deden trillen. De eerste paar nachten werden wij daarvan wakker. Daarna niet meer. Toen Limburg in april 1992 om 3.20 uur werd opgeschrikt door een aardbeving (5,8 op de schaal van Richter), waren de schokken tot in Utrecht voelbaar. Ons bed schudde solidair mee. Deze keer was ik direct wakker. Ik moet in mijn onderbewuste hebben opgemerkt dat het trillen niet door een trein werd veroorzaakt.

Zo’n 20% van de Nederlanders heeft last van slapeloosheid: problemen met inslapen, te licht slapen, te vroeg wakker worden. Ik prijs mijzelf gelukkig dat ik niet tot deze groep behoor, al heb ik wel eens een nacht met weinig slaap. Ik krijg wel steeds vaker slaap op het verkeerde moment: bijvoorbeeld als ik ’s middags een boek lees of als ik in het donker van de schouwburg naar een toneelstuk kijk. Is er iets met mijn biologische klok?

2

ANGST VOOR GEVAREN

Dagelijks

Hoe ouder ik word, hoe meer gevaren ik zie, hoe minder risico ik neem. Alsof ik een wandelende FOBO-commissie ben (Fouten, Ongelukken, Bijna Ongelukken) die constant aanbevelingen doet voor veilige gedragingen.
Ik doe van alles om risico’s te verkleinen. Voordat ik de deur uitga controleer ik of ik mijn portemonnee, sleutels, en mijn telefoon bij mij heb. Als ik op een tweebaansweg ook maar een stipje van een tegenligger zie, haal ik niet in. Ik ga niet als eerste schaatser onder een bruggetje door. Ik eet geen zwartverbrande korsten en rook geen sigaretten. Ik probeer elke dag een half uur te bewegen. Zo hoop ik nog even verder te leven en een slopend ziekbed te voorkomen. En zo lijkt het alsof ik mijn leven in eigen hand heb.

Maar niets is minder waar.
Als jong kind liep ik na het uitgaan van de school vol enthousiasme bijna onder een auto. Later maakte ik in de bergen hachelijke situaties mee. In 1978 daalde ik in de Franse Alpen de Col d’Allos af. Het was stralend weer, de weg was schoon en zeer bochtig. Op mijn zwaar beladen racefiets ging ik al snel meer dan zestig kilometer per uur. De omgeving was adembenemend mooi. Hier moet ik van genieten, dacht ik. Ik richtte me op en keek een ogenblik naar de bergen. In een flits zag ik in een bocht een donkergrijze rotswand opdoemen. Nog juist op tijd kon ik mijn stuur bijdraaien. Een fietshelm droeg ik in die jaren niet.
Wat leerde ik van deze situaties? Het is een cliché: toen ik jong was zag ik de gevaren niet. Of ik was zo eigenwijs om te denken, dat het ongeluk mij niet zou treffen. Daarin werd ik ook nog eens bevestigd. Ik verloor mijn portemonnee, omdat er een flink gat in mijn kontzak zat. Nadat ik ‘em via een eerlijke vinder teruggekregen had bleef ik onbezorgd de broek dragen. Zodat ik de portemonnee niet veel later voor de tweede keer kwijt was. En opnieuw kreeg ik ‘em met inhoud terug.

Zou ik nu in zo’n situatie belanden, dan zou ik flink in mijn remmen knijpen of onmiddellijk een andere broek aantrekken. Hoe dichter ik bij het einde kom, hoe bezorgder ik word. Dat is een aardige paradox. Want als je jong bent, heb je een heel leven te verliezen. Als je oud bent gaat het om een gering aantal jaren. Wie vijfduizend euro bij zich heeft moet voorzichtiger over straat dan wie vijftig eurocent op zak heeft. En toch loop ik met mijn vijftig eurocent alsof ik die elk moment kan verliezen. De crux is natuurlijk dat de kans dat ik op latere leeftijd die vijftig eurocent verlies veel groter is dan dat het verliezen van vijfduizend euro op jonge leeftijd.
Honderd jaar geleden was sterven op je 68e doodnormaal. Toen ik geboren werd was de levensverwachting voor de man zeventig jaar, nu is dat tachtig. Ik ben heel tevreden, dat ik zo’n bofkont ben, maar stiekem hoop ik op meer.

0

ZUSTER BODDEKE

Dagelijks

Een enkele keer ontwaarde ik wel eens een opgetrokken wenkbrauw of hoorde ik een verbaasde vraag (‘Echt waar?’). Maar gelukkig is het beeld van een man achter een strijkplank niet zo schokkend meer. Al meer dan veertig jaar strijk ik zelf mijn wasgoed.
Het gaat niet in de hoeveelheden die mijn moeder verwerkte. Ik beperk me tot broeken en overhemden. Rondlopen in een kreukelig shirt vind ik geen gezicht. Als leidinggevende heb ik tweemaal een collega op een ongestreken voorkomen moeten aanspreken, een man en een vrouw. Met de eerste voelde ik enig medeleven, bij de tweede was het slechts irritatie. Zo word je regelmatig met je gender vooroordelen geconfronteerd.

Ik mag wel zeggen dat het strijken mij vlot afgaat. Wie vraagt wat mijn geheim is, krijgt als antwoord: ‘ik strijk met zuster Boddeke.’ Met zo’n antwoord is het geheim nog niet ontrafeld. Dat komt door dat lastige voorzetsel met. Je kunt dan denken dat ik de strijk samen met zr. Boddeke doe, om de beurt een mouw bijvoorbeeld. Ik zou dat heel graag doen, om niet te zeggen dat het een van de nog niet vervulde wensen van mijn leven is. Maar dat is niet de strekking van mijn antwoord. Ik bedoel dat mijn strijkplank zuster Boddeke heet. Hoezo, hoor ik je denken, wie geeft er zijn strijkplank een naam? Dat voedt de verdenking dat ik ook voor de stofzuiger en de ragebol koosnaampjes heb bedacht. Het eerlijke verhaal is dat ik ooit in een kraakpand heb gewoond, waar huisgenote Lucia B. na haar vertrek een strijkplank had achtergelaten, die aan de achterzijde gebrandmerkt is met de naam Zr. V. Boddeke. Die plank heb ik mij daarna toegeëigend. Zo ging dat destijds in commune-achtige settings.

Ik stel me voor dat Lucia een ongetrouwde tante heeft gehad en dat Lucia na tantes overlijden uit de onverdeelde boedel de strijkplank kreeg toebedeeld. Het is niet aannemelijk dat de tante een Augustines of Claris is geweest. Het zou immers een grove schending van de gelofte van armoede zijn als een non in het bezit van een strijkplank was geweest. Daarom denk ik dat zr. Boddeke een degelijke wijkzuster was (eigen solex, eigen strijkplank) of een verpleegkundige die naast een ziekenhuis in een zusterhuis woonde. Zo’n voorziening waar het krioelde van de zusters, die natuurlijk niet allemaal hun eigen plank hadden. En dat zuster Boddeke na de zoveelste maal dat een collega háár plank had ingepikt een pen heeft gepakt en haar naam op de achterzijde heeft geschreven. Wat haar door het ongelakte hout nog niet gemakkelijk is afgegaan. Wat een gedreven zuster!
Hoe dan ook, het is een beste plank, ook na de zeventig jaar die ik haar (het is een zij) geef. Mijn streven is dat ik nooit meer een andere strijkplank hoef te kopen en dat ik met zr. Boddeke het einde van mijn leven ga halen. Zodat het overhemd dat men mij zal aantrekken als ik in de kist lig op deze plank is gestreken. Ware ik een Egyptenaar, ik zou de zuster meenemen in mijn graf. Nu zit ik mijn hersens te pijnigen wie ik in mijn testament als erfgenaam zal opnemen.

0

WEEKBOEK

Dagelijks

Op zondagmiddag om vijf uur bind ik voor de laatste keer mijn noren onder. Op de vaart achter ons huis kan ik zonder klunen twee kilometer toeren. Aan de zijkant langs het riet is het ijs na vier dagen schaatsplezier nog opvallend goed. Ergens staat een groep veertigers hossend op het ijs, de plastic bekertjes met glühwein in de hand. Alsof het einde van het coronatijdperk gevierd wordt. Onder het wolkendek wordt het licht langzaam grijsblauw. Opeens zie ik G in onze achtertuin. ‘Het is al zes uur’, hoor ik. Ik heb moeite met afscheid nemen. Het is zo’n mooi geluid, de ijzers over het donkere harde ijs. Links, rechts in een fijne cadans. Horizontaal skiën. Zelfs de kou is aangenaam.
Maandagmorgen fiets ik met drie volle boodschappentassen door een druilerige regen naar huis. In onze straat moet ik lopend verder, glijdend over glibberige korsten van platgereden vuile sneeuw. Mijn fiets glijdt weg, maar ik blijf overeind. Links en rechts schuift de laatste sneeuw van een dak met een doffe klap omlaag. Sneeuwbouwsels van kinderen staan er verloren bij.
Regendruppels vallen op het donkere natte ijs. De lichte lijnen van de scheuren vormen een prachtig patroon. Daarboven vliegen eenden, aalscholvers, meeuwen en een paar zilverreigers af en aan op zoek naar eten. Waar zouden de door ons geadopteerde meerkoeten zijn?
Dinsdagmorgen bij het openen van de gordijnen: ‘Hé, daar zijn Keet en Koet!’ Toen het ijs ontstond waren zij verdwenen, met onbekende bestemming. Voor een ongeluk werd gevreesd. Nu zitten ze trouw op het doffe ijs te wachten als twee verslaafden op hun shot. Ze hebben een aantal eenden meegenomen. In de tuin doen de mussen en de mezen zich tegoed aan pinda’s en vetbollen. Andere soorten pikken de restjes op. Een ploeg van twaalf spreeuwen doet goed werk op het gazon.

Aswoendag
. Ik had het goed voorvoeld, het feest is voorbij. Het is tijd om te minderen en niet alleen voor veertig dagen. Minderen in consumeren, in zeuren en eisen, in feesten, in reizen en milieu belasten. Waarin eigenlijk niet? De sneeuw is nu nagenoeg weg. De eerste voorjaarsbloemen zijn tevoorschijn gekomen en de temperatuur bereikt de dubbele cijfers. Het voelt warm aan, maar alles is relatief. Als de temperatuur boven de twintig graden is geweest, dan is elf graden koud.
Op woensdagavond lag er nog een gesloten ijsdek, op donderdagmorgen is alles verdwenen. De vaart is teruggegeven aan de watervogels. De vertrouwde zuidwester blaast de rimpels over het water. Geknakte rietstengels herinneren aan spelende kinderen. Ik zie nog juist dat de kat van de buren een vergeefse sprong waagt naar een aalscholver die zit te mijmeren op de vlonder. Later struinen drie waterhoentjes door de tuin. Zouden hun uitwerpselen goed zijn voor het gras?
Op vrijdag is het tijd om te vissen. Mijn vangst: 4 pakjes Wiki, 2 blikjes energy-drink, 2 half afgekloven appels, 1 aansteker, 1 pakje tempo zakdoekjes, 3 plastic zakken.
Zaterdag: in Utrecht varen er kano’s door de Oude Gracht. Mensen zetten hun stoelen buiten en laten hun jassen binnen. Ik signaleer de eerste korte broek en er is al een waarschuwing voor hooikoorts afgegeven.