Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

5

SCHEMERING

Dagelijks

Aan het einde van een zondagmiddag – de schemering is ingevallen, het water van de Vleutense wetering is donker, de oevers grijs – open ik de donkerrode achterdeur van het huis van mijn tante Jo en ome Do. Het droge, schurende geluid van de scharnieren verbreekt de stilte. Ik stap de keuken in en sluit zachtjes de deur. Binnen is het al bijna donker. Dat deert mij niet, ik ken de weg op mijn duimpje. Ik open de deur naar de woonkamer en neem het opstapje. Ook hier is het duister. Alleen door de ruitjes van de schuifdeuren tegenover mij zie ik het flauwe licht dat door een achterraam naar binnen valt. Er hangt een geur van sigaren en zoete thee. Is er iemand thuis, vraag ik mij af. Ik aarzel een ogenblik. Alleen het tikken van de grote wandklok doorbreekt de stilte. Onzeker loop ik om de ronde tafel heen, naar de half openstaande schuifdeuren en de achterkamer, het weinige avondlicht tegemoet. Dan pas zie ik de silhouetten van twee figuren, links en rechts voor het raam, de hoofden omgedraaid om in het laatste licht te zien wie binnen is gekomen. Mijn jonge geest is verbijsterd. Twee mensen zitten in het bijna-donker stil en zwijgend voor het raam. Het leven lijkt hier tot stilstand gekomen. Wie gaat er nu als een dooie in het duister uit het raam zitten staren? Naar niks. Zonder iets tegen elkaar te zeggen.

Deze herinnering kwam in mij op bij het lezen van een artikel van Marjolijn van Heemstra in de Volkskrant van 20 november j.l. Zij stelt daarin de fixatie op economische groei ter discussie en keert zich ‘tegen het absurde idee dat elke seconde nuttig moet worden besteed, tegen de groeiverslaving die onze levens beheerst.’ Schemeren is in haar ogen een krachtig middel tegen deze fixatie: ‘Simpelweg zitten en zien hoe de duisternis opkomt, hoe grenzen vervagen, de dag verwatert. (…) Een zeer toegankelijke oefening in niet-doen en niet-zijn. (…) Het gaat zo langzaam dat er niets lijkt te gebeuren, terwijl intussen alles verandert. Wat in daglicht vastomlijnd is, verwatert in de schemering.’ Het daglicht beperkt je locatie, de duisternis maakt je wereld grenzeloos, zo schrijft zij.

Nu ik zelf de leeftijd heb van mijn oom en tante destijds, kan ik me vinden in het pleidooi voor schemeren, als voorbeeld voor een moment van rust. Al is de drijfveer om iets te doen bij mij meestal sterker, zeker als ik denk aan de klok die de jaren wegtikt. Deze week zette ik aan het einde van de middag mijn stoel voor het raam aan het westen en liet het vallen van de avond op mij inwerken. Bomen die grijs afsteken tegen het licht daarboven. De contrasten tussen licht en donker weerspiegeld in het wateroppervlak. Een laatste roep van een mees. De wind is gaan liggen, het lijkt of ook de natuur rust neemt. Zo word ik omsloten door het grijsdonker. Totdat binnen het licht aanfloept en de betovering over is.
Heb ik nu een uur gewonnen of een uur verloren?

1

GODFRIED BOMANS

Dagelijks

Tussen de beperkte grammofoonplaatverzameling bij ons thuis stond een promotieplaatje uit 1962. In een als humoristisch bedoelde sketch speelt Wim Sonneveld de interviewer en Godfried Bomans een beroemde componist. De cabaretier Sonneveld is ditmaal de aangever (‘hoebedoeluuu?’) voor de grappen van de schrijver Bomans. Sonnevelds uithaal aan het einde dat hij Bomans een brutale, gezwollen, zelfingenomen, brallerige kwal vindt lijkt niet alleen door de sketch ingegeven. Ik herinner mij dat ik als tienjarige geschokt was door de directe wijze waarop beide mannen elkaar de ongezouten waarheid vertellen.

Godfried Bomans schreef in de jaren dertig en veertig enkele nu nog steeds gelezen boeken, zoals Erik of het klein insectenboek (de 60e druk verscheen in 2013). Na de oorlog schreef hij columns voor De Volkskrant en Elsevier. Door zijn humor, scherpe observaties en originele gedachten werd hij een televisie-persoonlijkheid. In die tijd vond ik hem oubollig en conservatief.
Op 21 december a.s. is het vijftig jaar geleden dat Godfried Bomans overleed. Raken veel schrijvers na hun dood al gauw in de vergetelheid, voor Bomans is de belangstelling nog altijd groot, waarmee een van zijn uitspraken wordt bevestigd: ‘zolang er nog mensen over je spreken, ben je nog niet helemaal dood.’
Het Godfried Bomans Genootschap houdt met publicaties en lezingen zijn gedachtegoed op peil. Er zijn tientallen boeken over de man verschenen, een ongekende verzameling voor een schrijver die tijdens zijn leven nooit één literaire prijs ontvangen heeft. Die aandacht heeft hij zelf in de hand gewerkt. Niet alleen was hij een meester in verzinsels en rookgordijnen – je wist bij hem nooit wat waar of onwaar was. Hij was daarnaast een zeer complexe persoonlijkheid. Bij iedere deskundige van wie het beroep met psy- begint, loopt hiervan het water in de mond. Bomans wordt gekenschetst als overgevoelig, ijdel, clownesk, ongrijpbaar, lichtgeraakt. Een poseur, een onzeker kwetsbaar kind, altijd op zoek naar warmte. Hij genoot ervan als vrouwen verliefd op hem werden en keek ondertussen alweer uit naar de volgende vrouw die hem alle aandacht zou kunnen schenken.

Schrijven kon hij als de besten. Er zijn taalkundigen op zijn werk gepromoveerd. Erkende literaire grootheden als Mulisch en Brouwers spraken hun bewondering uit. Hoewel zij er veelal aan toevoegden dat zij vooral Bomans stijl bewonderen en niet zozeer de inhoud. Maarten ’t Hart daarentegen was niet onder de indruk.
Bomans komt uit een katholiek nest. Op dat punt zijn er geen mystificaties rond zijn persoon. Hij kon goed de spot drijven met de gedragsdragers in de kerk. Tegelijkertijd proef je zijn verlangen naar de aloude katholieke rituelen en gebruiken. Ik las de laatste jaren diverse boeken waarin hij verhaalt van zijn roomse jeugd. Over de kapelaan die het kind vraagt ‘Braaf op school?’ en zonder een antwoord af te wachten alvast invult: ‘kijk dat doet me genoegen’. En over de pastoor: ‘Als hij een parochiaan ontmoette legde hij zijn arm om diens schouder, alsof de man zojuist uit een moeras was opgehaald.’ Bomans noteert over het Rijke Roomsche Leven: ‘wij leefden in een zelfgenoegzaamheid, die wortelde in angst.’

1

EEN EETAFSPRAAK

Dagelijks

Hoe oud zouden zij zijn? Zestien, zeventien hooguit?
Een jongen en een meisje, tegenover elkaar aan een kleine tafel in een restaurant. Zij heeft een gezicht uit duizenden en lang blond haar. Ze draagt een lichtblauwe blouse. Hij heeft kort donker haar. In zijn gezicht zie je tegelijk het kind dat hij was en de man die hij wordt. Hij is gekleed in een wit overhemd. Ze zien er beiden keurig uit, goed opgevoed, bovengemiddeld opgeleid. Zij buigt zich naar hem toe, hij leunt wat achterover.
Ik zie de stapel pannenkoeken voor me, die de moeder van een vriendinnetje lang geleden op tafel zette. Het was de eerste keer dat ik bij haar at en ik kreeg er weinig door mijn keel. Ik vroeg vriendinnetjes mee naar de kermis. Naar het zwembad of de film. Nooit maakte ik op die leeftijd een afspraak in een restaurant. Ik kende dat niet, ik ging ook niet met mijn ouders uit eten.

Het meisje praat, zij ziet er zelfbewust uit. De jongen luistert, zijn gezicht is onbewogen, onpeilbaar. Zij schuift haar stoel nog dichterbij, hij houdt afstand. Is het zijn eerste keer en weet hij niet hoe zich in zo’n situatie te gedragen? Of heeft hij eigenlijk niet zo’n zin in dit etentje? Dat witte overhemd, daarover moet hij nagedacht hebben. Dat draagt hij niet dagelijks. Hij ziet er een beetje uit als een bedaagde veertiger, als zijn vader wellicht.
Ik wilde juist iets wat mijn vader niet droeg: een broek met uitlopende pijpen, oranje badstof sokken, een goudbruine velours trui.
Zij heeft nu haar vingertoppen losjes op zijn hand gelegd. Hij weert niet af, beantwoordt haar gebaar ook niet. Hij laat haar begaan.
Ik moest de meisjes leren kennen. Ik vond hen serieus en braaf. Ze wierpen elkaar onderling blikken toe, die ik niet kon volgen. In de gymnastiekzaal liepen zij achteraan. Ze maakten geen grappen en vonden het niet erg als zij verloren met toepen. Bovendien konden ze lang met elkaar kletsen zonder iets te doen.

De twee zijn alleen op elkaar gericht. Ze kijken niet in het rond, niet op hun telefoon. Het ziet er niet uit als een moeilijk gesprek, maar er wordt ook niet gelachen. Het oogt vooral serieus. Wat zal zij hierover aan haar vriendinnen vertellen? Ik zie hem zitten in de voetbalkantine met zijn teamgenoten na een wedstrijd: veel kabaal, sterke verhalen, korte zinnen, uitroepen, gelach, elkaar de loef afsteken.
Nu liggen van elk beide handen op tafel, ze raken elkaar voorzichtig, vingertoppen die zich om elkaar krullen.
Ik hield wel van dansen, dan deed je tenminste wat. Toen ik eens tijdens het dansen mijn handen op de heupen van het meisje legde, meende ik iets hards te voelen. Zouden meisjes korsetten dragen, vroeg ik mij af, zo’n roze kledingstuk dat ik thuis wel eens aan de lijn zag hangen.
De jongen rekent af. Als zij het restaurant uitlopen haakt zij haar arm in de zijne. Gearmd als een stel dat al jaren bij elkaar is lopen zij naar buiten.

0

VOORBEREIDEN OP DE DOOD

Dagelijks

Twee weken geleden overleed een neef van mij. Hij is vijfenzeventig jaar geworden. Een halfjaar geleden was bij hem darmkanker vastgesteld. Hij was ervoor behandeld en hoopte dat hij nog een tijdje mee zou kunnen. Na enkele maanden constateerden de artsen dat er uitzaaiingen waren in de botten. Dat was niet alleen heel pijnlijk, het was ook onbehandelbaar.
Zijn overlijden confronteerde mij, niet voor de eerste keer, met de harde werkelijkheid: een ongeneeslijke ziekte kan je zomaar overkomen, zonder waarschuwing vooraf. Je kunt je niet op zo’n overval voorbereiden. Of wel?

Hodie mihi, cras tibi, heden ik, morgen gij. Het staat nog wel eens vermeld op begraafplaatsen. Alsof de doden je met een holle lach toeroepen: denk maar niet dat jíj eraan kunt ontsnappen.
De dit jaar overleden cabaretier Jeroen van Merwijk zong ooit over de dood:
Jij kunt van hem altijd op aan
Hij zal nooit iemand overslaan
Het is zeker dat hij vroeg of laat
Een keertje aan de voordeur staat
Dat het leven eindig is weten we allemaal. Maar met die kennis ben je nog niet voorbereid.
De Amerikaanse psychiater Kübler-Ross was in de jaren zeventig een van de eersten die aandacht vroeg voor het stervensproces. Je kunt beter afscheid nemen van het leven als je gedaan hebt wat je wilde doen en gezegd hebt, wat je nog te zeggen had, was haar boodschap. In grote lijnen voldoe ik hieraan, zeg ik dan stoer. Maar mocht ik morgen horen dat mijn einde nabij is, dan zou ik toch nog graag wat tijd willen om het boek, waaraan ik nu werk, af te maken.

De Australische stervensbegeleider Bronnie Ware vroeg aan terminale patiënten waarvan zij spijt hadden. Zij kwam tot een top 5:
1. Ik wilde dat ik meer mijn eigen keuzes had gevolgd in plaats van die van anderen.
2. Ik wilde dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Had ik maar vaker de moed gehad om mijn gevoelens te uiten.
4. Had ik maar meer aandacht besteed aan mijn vrienden.
5. Had ik mezelf maar wat meer geluk gegund.
Kijk ik naar deze punten dan krijg ik het al wat moeilijker. Gevoelens uiten is niet mijn sterkste kant en heb ik wel genoeg tijd aan sociale contacten besteed?

Huub Buijssen, een publicist die werkzaam was in de ouderenzorg, kreeg op een dag het bericht dat hij alvleesklierkanker had en hooguit nog drie maanden te leven had. Na enkele weken vertelde de arts dat hij een foute diagnose had gesteld. Al snel richtte Buijssen zich weer op de toekomst en op de dingen die hij wilde bereiken. Dat is heel menselijk, zegt hij in een interview. Je richt je niet op tegenslag. Ondanks dat hij de klap van het nadere einde ervaren heeft kon hij maanden later de pijn hiervan niet meer oproepen. ‘Je kunt je wel de dood van een ander voorstellen, maar niet die van jezelf.’
Mijn conclusie: ik kan lijstjes afvinken tot ik erbij neerval, maar als de dood morgen bij mij aanbelt zal ik totaal van slag zijn. De vraag is hoe ik daarna verder ga met de verwerking.

0

WHATS UP?

Dagelijks

‘Ping!’, klonk er op mijn telefoon. Ik zat in Italië in een busje dat zich door het donker langs haardspelbochten omlaag kronkelde. Mijn bril zat onbereikbaar voor mij opgeborgen in een tas die in de bagageruimte stond. Met veel moeite kon ik de vraag van G. ontcijferen: ‘Hoe ging het optreden’. Whatsappen is de snelweg in het communicatieve verkeer, dus ik wilde alvast een voorlopig antwoord geven op haar vraag. Dit is het bericht dat G. ontving: ‘Zit in het busje terug, we GGD volhajajopeld en’. Gevolgd door: ‘A Ntwootd laten er, geen bril opk’.

Aanvankelijk zag ik weinig in What’s app. Het leek mij meer iets voor jngrn. Ik zag hen met twee duimen razendsnel op hun schermpje tikken. Dat gepriegel met mijn dikke vingers op het kleine schermpje vond ik erg onpraktisch. Even bellen vond ik een stuk gemakkelijker. Bovendien probeer ik altijd foutloos Nederlands te schrijven.
Zoals ik indertijd na een periode van verzet toch maar op de smartphone ben overgeschakeld, bang dat ik anders de volgende innovatie niet meer zou kunnen volgen, zo heb ik mij aangepast in het gebruik van whatsapp. Net als 12,4 miljoen Nederlanders. Dat is met aftrek van kleuters en ouden-van-dagen zo ongeveer de gehele bevolking. Wereldwijd zijn er meer dan twee miljard gebruikers, dat is een kwart van alle mensen op de aarde. Er moeten landen zijn waar velen de fasen van het telefoneren en het mailen hebben overgeslagen. Zie ik beelden op televisie van arme mensen in krottenwijken, waar van alles ontbreekt, dan zie ik daar ook altijd mensen met een smartphone.
Ik liep eens op mijn eentje hoog in de Italiaanse Alpen, ver van de bewoonde wereld toen ik een appje ontving dat onze kat rustig in de zon lag. Wat zou de volgende ontwikkeling zijn? Het duizelt me af en toe. Wat zouden we zien als al die geluidsgolven zichtbaar waren? En nog raadselachtiger: waar verdwijnen al die geluidsgolven?

Ik zie nu de voordelen van whatsappen. Je kunt een aantal mensen tegelijk bereiken. Het is minder storend of dwingend dan telefoneren. Ik heb nog even geprobeerd om het tikken met twee duimen aan te leren. In een overmoedige bui dacht ik dat mij dat wel zou lukken. Ik heb het opgegeven. Sommige dingen moet je niet meer willen. Maar ik voel met niet onthand als Whatsapp eens uitvalt, zoals op 4 oktober j.l. Het is juist wel eens goed, dacht ik, als mensen eventjes niet meer alles kunnen wat zij willen. Maar dat komt omdat ik vlak na de oorlog geboren ben.
Vermakelijk is het af en toe, als ik kijk naar de woorden die de app suggereert.
Typ ik Vanavond eten wij dan volgen als opties: het – hebben – zijn.
Ik hou van de: middag – trein – gemeente.
Ik ga op vakantie: in Rusland – in Doorwerth.
Ik heb contact gehad met: Gerda Islam – Gerda – de.
Achtereenvolgende keuzen geven verrassende resultaten:
De politie heeft: nog meer > hulp > in de huishouding.
De kardinaal wil: graag > weer verder > met zangles.

2

HERFSTVAKANTIE

Dagelijks

Daar zitten we, naast elkaar in de smalle beige fauteuils. Het salontafeltje voor ons ligt vol boeken en spelletjes. Onder de televisie ligt een onafgemaakt spelletje Board Script, de look-alike van Scrabble. De open haard is leeg, asresten in de hoekjes herinneren aan het gebruik door vorige bewoners. Er hangt een vage geur van chloor. De radiatoren zijn behangen met badpakken en handdoeken. Een zachte najaarszon valt de kamer binnen, elk moment dwarrelt er wel een blad van een boom. Buiten klinkt het donkere geluid van een landbouwwerktuig.

Een quokka

Onze kleindochters van tien en negen vermaken zich elders op het park. Wij lezen een boek, in afwachting tot ze opgewonden weer binnen komen vallen om een boterham te eten. En een extra plak kaas. Oma is van de ‘kaas-delivery’, zo heet dat in hun taal. N. heeft gedroomd dat ze les kreeg van Albert Einstein. S. zoekt op de tablet een plaatje van een quokka. Een mooi woord voor scrabble, maar wat is dat, vraag ik. Alom verbazing. Wie weet er nu niet wat een quokka is? Het is het meest gelukkige dier ter wereld. De kleine kangoeroe lijkt rechtstreeks uit de studio van Disney afkomstig.
Toen we op vrijdagavond na uren in de file gestaan te hebben hongerig aankwamen op onze vakantiebestemming, liepen de kleindochters eerst naar hun slaapkamer om hun kleren in keurige stapeltjes in de kast te leggen. Daarna maakten zij de bedden op. Zonder dat wij het gevraagd hadden.
Hoe vaak ben ik al niet in een vakantiehuisje in Nederland geweest, vraag ik me af. Thuis moet er een logboek liggen waarin ik het aantal heb bijgehouden. Vastleggen is een vorm van niet-kunnen-loslaten. In de doos van Board Script vind ik tot mijn verbazing een stapel ingevulde scoreformulieren met datum en plaats erbij. Ik heb het spel door de jaren heen in uiteenlopende gezelschappen gespeeld en vaak in vakantiewoningen. Een leven samengevat in vakantieweekjes en scoreformulieren.

Dit is het eerste huisje waarbij je alles waar je behoefte aan hebt in de app kunt regelen. We hebben daar niet om gevraagd, maar het is voor ons eigen bestwil, zo begrijp ik. De openingstijden van de winkel, dat lijkt me nu echt iets voor de app. Helaas! De bediening van de magnetron en de vaatwasmachine. Tevergeefs! Wij zijn blij dat wij nog een van de weinige huisjes hebben waar we de deur met een sleutel kunt openen in plaats van met de app.
Ik haal de meisjes uit het zwembad. De een gaat achter op de fiets zitten, de ander op de stang. ‘Nu kan opa niet meer opstappen’, zegt N. Hoewel de meisjes al (bijna) tiener zijn, verhuur ik mijzelf nog regelmatig als pakezel of hobbelpaard. Ik heb een huppeltje bedacht, waarbij ik hand in hand met hen door het park ga. Dus nu slinger ik mijn been soepel tussen de meisjes door en over de stang. Ik voel me een jonge hond als ik zo met hen over het parkeerterrein slalom.
‘Wij hebben een atletische opa’, zegt N. ‘Wie heeft dat nou?’

1

DE KRANT

Dagelijks

Iedere ochtend lees ik tijdens het ontbijt ongeveer een half uur Trouw. Dat is meestal voldoende om het nieuwskatern door te nemen. Tijdens de koffie of de lunch lees ik nog de achtergronden in De Verdieping en maak ik een van de puzzels (G. en ik verdelen deze eerlijk). Waar is dat lezen van de krant eigenlijk goed voor, vroeg ik mij laatst af. Wat zou er gebeuren als ik geen dagblad meer zou lezen?
Behalve uit de krant haal ik het nieuws enkele keren per dag van Teletekst, wat ik een goede journalistieke samenvatting vind van wat er in de wereld gebeurt. Ik kijk nog wel eens op nos.nl voor meer nieuws en als ik sta te koken zet ik gewoontegetrouw Radio 1 aan. Het nieuws op tv zie ik nauwelijks.
Zonder krant blijf ik dus ook wel van het belangrijkste nieuws op de hoogte. Sterker nog, een deel van wat ik in de krant lees is mij al bekend. En stel dat ik meer wil weten, dan kan ik het nog altijd ergens opzoeken.

In de editie van Trouw van woensdag 15 september is het artikel over versoepeling van de coronamaatregelen eigenlijk oud nieuws. De discussie over het gebruik van de coronapas interesseert me daarentegen zeker. Het verslag van de Europese spelen voor sociaal kwetsbaren sla ik over. Maar het artikel over de middagkranten die gaan verdwijnen lees ik. De kop Politiek koorddansen over de toekomst van Catalonië maakt me nieuwsgierig. Dat geldt ook voor Poetin: troepen Turkije en VS moeten Syrie uit, een uitspraak die in aanmerking komt voor de gotspe van het jaar. Zo wik en weeg ik bij elke kop: het artikel lezen of doorbladeren. Ik weet niet of er een rechte lijn in zit. Ik lees waarom DSM van zijn kunststofdivisie af wil, maar wat doe ik met die kennis? Ik lees ook wel eens een sensationeel stukje waarbij een stem in mij zegt, dat ik dat moet overslaan. Aan de opiniepagina besteed ik ruim aandacht, zoals ik ook de column van Stevo Akkerman altijd lees. Die van Ephimenco regelmatig, hoewel ik me erger aan zijn standpunten. Nelleke Noordervliet, James Kennedy, Rob de Wijk, Bert Keizer, Hans de Bruijn zijn columnisten van wie ik de stukjes vaak lees, de taalcolumn achterop altijd.

Het gebeurt niet vaak dat iets wat ik gelezen heb me nog lang bezighoudt. Zou ik ’s avonds een test moeten invullen van wat ik die dag in de krant gelezen heb, dan is de vraag wat er is blijven hangen. En als mij iets bijgebleven is, dan is de vraag wat ik met die kennis doe? Dus waarom dan iedere dag uitgebreid de krant lezen? Is het gewoontegedrag? Is het een tijdverdrijf, zodat ik tijdens ontbijt en lunch niet verveeld voor mij uit hoef te staren? Wil ik op een verjaardag kunnen meepraten?
Het zijn vooral de achtergronden, de analyses en de meningen die me in de krant interesseren. En dan vooral de zaken die bij mijn belangstelling en bezigheden aansluiten. Erg enerverend is dat allemaal niet. Maar als de krant een keer niet bezorgd is, begint mijn dag niet goed.

0

EEN SPOOR VAN GEWELD

Dagelijks

Twee jaar geleden zat ik op een terras in een dorp in Umbrië. Aan de tafel naast ons zat een groep oude mannen achter leeggedronken koffiekopjes. Er stopte een Fiat Panda voor het terras, waaruit een corpulente man stapte. Direct ontstond er een twistgesprek met een van de ouderen. Uit de woorden die zij elkaar toeschreeuwden begreep ik dat de een populist was, de ander communist. De dag tevoren had de populist Salvini de verkiezingen in Umbrië gewonnen. De woordenwisseling liep zo op dat ik even bang was, dat de mannen elkaar de hersens zouden inslaan.
Ik moest aan dit voorval denken bij het lezen van M De zoon van de eeuw, een boek van Antonio Scurati over de opkomst van Mussolini en het fascisme in Italië in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het heet een roman omdat het in literaire stijl is geschreven, maar het is geen fictie. Dat soort boeken lees ik graag. Maar toen ik het door mij gereserveerde boek bij de bibliotheek kwam afhalen had ik het bijna daar gelaten. Achthonderdvijftig pagina’s telt het werk. Zo’n aantal zou verboden moeten worden. Eigenlijk ben ik niet zo’n lezer.

Teruggekeerde soldaten

De zoon van de eeuw hield mij echter wel bezig.
Italië had vanaf 1915 aan de zijde van de geallieerden tegen Oostenrijk en Duitsland gevochten. Het slecht uitgeruste Italiaanse leger had daarbij immense verliezen geleden. Gedesillusioneerd en berooid keerden de soldaten terug. Vanwege hun aandeel in de overwinning beloofde de Amerikaanse president Wilson dat delen van de Dalmatische kust (nu Kroatië)aan Italië zouden toevallen. Toen deze belofte niet gestand werd gedaan voelde de overwinning voor veel Italianen als een nederlaag.
Zo niet voor de socialisten, die tegen deelname aan de oorlog waren geweest. Na 1918 waren zij op het toppunt van hun macht. Ze wonnen alle verkiezingen. De invloed van de vakbonden was zo groot, dat vele eisen van de arbeiders ingewilligd konden worden. De socialisten zelf twijfelden of zij de Russische revolutie zouden navolgen of via de legale weg hun macht zouden uitbreiden.

Mussolini spreekt zijn aanhangers toe

Mussolini speelde handig in op de alom aanwezige angst voor een socialistische revolutie. Hij hield niet van het parlementaire werk, hij hield van directe actie. Overal ontstonden fascistische knokploegen, gevuld met gefrustreerde ex-soldaten. Die staken het ene na het andere gebouw van de socialisten in de fik. Lokale leiders van partij en bonden werden gewoonweg vermoord. De knokploegen trokken een spoor van geweld door het land. De staat was te zwak om de aanslagen te keren. Een enkele fascist werd opgepakt, vaker keek het gezag weg of stond men aan de kant van de geweldplegers. De dreiging van nog meer geweld, via de Mars op Rome, bracht Mussolini aan de macht.

Ik kon af en toe niet verder lezen vanwege dat zegevierende geweld en het onrecht dat de socialisten werd aangedaan. Ik zag de aanval van de Trumpaanhangers op het Capitool. Ik hoorde Salvini Mussolini citeren. De literaire non-fictie had zijn werk gedaan. De achthonderd pagina’s beslaan de periode tot 1925. Inmiddels is deel II van Scurati’s trilogie uit, aan deel III wordt gewerkt.

1

EEN GEVAL VAN OVERBEVOLKING

Dagelijks

Slakken kunnen een afstand van wel honderd meter afleggen, zo lees ik op internet. Er staat niet bij hoeveel tijd zij daarvoor nodig hebben. Wel kom ik te weten, dat slakken hermafrodieten zijn, schepsels met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Een enkele soort kan zichzelf bevruchten, een intrigerend gegeven. Bij de meeste slakken echter is er sprake van ‘gelijk oversteken’, waardoor er wederzijdse bevruchting plaatsvindt. Het lijkt me een prachtige basis voor een gelijkwaardige verhouding. Zou de overlevingskans van de slak in de evolutie zó gering zijn geweest, dat die dubbele geslachtsorganen nodig waren, vraag ik me af. Hoe dan ook, het heeft zijn vruchten afgeworpen.
Het begon ermee, dat de bladeren van de hortensia’s in onze tuin kapot gevreten waren. Daarna kwamen de asters aan de beurt, vervolgens andere planten. Het vreemde was dat we aanvankelijk geen enkele slak zagen. Het zijn sluipmoordenaars. Zij houden zich verscholen onder bladeren en struiken en komen in de avondschemering tevoorschijn. Of als er net een regenbui gevallen is. Dat was het moment dat wij opeens tientallen naaktslakken als holle bolle gijzen in de planten zagen hangen.

Dieren horen erbij, dus als een naaktslak met zijn uitgestoken voelsprietjes zijn slijmerige spoor over de tegels trekt laat ik hem / haar rustig lopen. Ik zou hem nog een andere kant opsturen als hij de weg over wil steken. Maar op dezelfde wijze heb ik de zorg voor de planten. Niet ingrijpen was daarom geen keuze, dus begon ik op een avond slakken te verzamelen. Het moet gezegd, dat het me aanvankelijk moeite kostte om die koudbloedige beestjes met mijn blote handen los te trekken van de planten. Ik dacht aan de generaties voor mij en hun omgang met de elementen en sprak mezelf toe.
Mieren en muggen maak ik dood, maar hoe groter het diertje hoe meer ik mij afvraag of ik daartoe wel gerechtigd ben. Dus bracht ik die eerste avond de grote verzameling slakken naar een stuk gras buiten onze tuin. Na de volgende regenbui zat de tuin ( ± 50 vierkante meter) weer vol en las ik het stuk, waarmee ik deze blog begon.

Dit exemplaar had zich vrijwillig binnen gemeld

Het internet staat vol met adviezen over het weren van slakken uit je tuin. Van het ingraven van potjes bier, tot het strooien van eierschalen, van koperen tape tot de onvermijdelijke gifkorrels. Lijsters peuteren slakken uit hun huisje voor een culinair maal, maar die vogels zien we te weinig. Hoe je in geval van overbevolking de weekdiertjes moet verwijderen (lees: dood maken), heb ik nergens gevonden.
Zwemmen kunnen de op land levende slakken niet, dus de vaart achter onze tuin was een aantrekkelijke optie, al voelde ik me niet goed toen ik zag hoe sommigen zich met hun slijm krampachtig vasthielden aan de schep waarop zij lagen. Of verbeeldde ik me dat maar? Eenmaal in het water zakten zij snel naar de bodem en verdwenen zij uit mijn zicht. Alleen de slakken met een huisje bleven nog even drijven, totdat hun onderkomen volgelopen was en de onvermijdelijke gang naar beneden volgde. Zo stierven de afgelopen twee weken meer dan vijfhonderd slakken de verdrinkingsdood.

0

DE LANDWACHT

Dagelijks

Oefening van de Landwacht – Foto collectie Niod

In de Tweede Wereldoorlog zijn door het verzet meer dan vijfhonderd aanslagen gepleegd op NSB’ers, collaborateurs, Nederlandse SS’ers en Duitsers. Dat schrijven Kooistra en Oosthoek in hun boek Recht op Wraak. De 91-jarige Kooistra, ook wel de Friese Wiesenthal genoemd, liet mij via de mail weten dat hij geen enkel geval kende van een NSB’er die niet door het verzet, maar door eigen mensen uit de weg is geruimd. Dat is echter precies de verdenking in het geval van de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Ten behoeve van de historische vereniging Vleuten – de Meern doe ik onderzoek naar deze aanslag. Vorige week beschreef ik hier mijn speurtocht naar de mogelijke betrokkenheid van de Rotterdamse NSB’er Y. Een zoektocht die vooralsnog als enige aanwijzing opleverde dat Y. lid was geweest van de beruchte Landwacht.

De Landwacht was door NSB-leider Mussert opgezet om bescherming te bieden aan NSB-leden. Vanaf najaar 1944 werd de organisatie ingezet voor het opsporen en arresteren van tegenstanders, onderduikers en illegalen. ‘De Duitsers konden het niet alleen’, schrijft historicus Ad van Liempt. Bij de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei hebben nooit meer dan zevenhonderd functionarissen gewerkt. De aanstelling van 20.000 Landwachters betekende daarom een forse uitbreiding van de opsporingsmogelijkheden. Op deze betaalde banen kwamen nogal wat werkloze rauwdouwers en gefrustreerde vechtersbazen af. In hun opsporingswerk gebruikten de Landwachters veel geweld, vaak onder invloed van alcohol. Zo werd de leider van het verzet in Zuid-West Utrecht na zijn arrestatie in de Meern mishandeld door een LW’er die eerst een fles jenever had leeggedronken. De verzetsman werd na overdracht aan de Sicherheitsdienst niet veel later gefusilleerd.

Een liquidatie – Foto collectie Niod

Op zondagmorgen 1 oktober 1944 ontvangt de groepsleider van de NSB in Vleuten een aantal Landwachters. Hij heeft werk voor hun. Op de achterkant van een oude envelop van een verzekeringsmaatschappij heeft hij de namen geschreven van zwarthandelaren, verzetsmensen, onderduikers en ‘communisten’. De eerste razzia van de Landwachters levert weinig op. Veel verdachten zijn niet thuis. Het lijkt erop, dat zij gewaarschuwd zijn. Volgens Kooistra heeft Van der Grift, die gekenmerkt wordt als ‘goede NSB’er’, hierin een rol gespeeld.
Op 9 oktober wordt Van der Grift geliquideerd. Deze aanslag is aanleiding voor de Landwacht om enkele Vleutense verzetsmensen op te pakken. Twee dagen later worden zij door de Duitsers terechtgesteld.

Kortom, de Landwacht en de NSB hadden meer baat bij de liquidatie van Van der Grift dan het Vleutens verzet:
– Van der Grift hinderde hen in het opsporen van onderduikers en verzetsmensen;
– Een liquidatie van een NSB’er zou hen vrij spel geven om verzetslieden op te pakken.
En wie weet was Van der Grift een gevaar geworden, omdat hij na een beëindiging van de oorlog belastende informatie over collaborateurs zou kunnen doorgeven. De vrouw van Van der Grift was ervan overtuigd dat de NSB betrokken was bij de moord op haar man.
Rest de vraag, wie de trekker heeft overgehaald. Wellicht heeft de Landwacht voor het uitvoeren van de aanslag een collega uit Rotterdam ingeschakeld. Of een van de Landwachters heeft als schuilnaam de naam van Y. heeft gebruikt. Bewijzen zijn er niet en waarschijnlijk zullen die er ook niet meer komen.