Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Dagelijks

3

BANKSTEL

Dagelijks

In mei schreef ik hier, dat wij een nieuw bankstel hebben gekocht. Daarom was er een bankstel over. Zelfs twee stellen, omdat twee oudere banken nog jarenlang op een jongenskamer dienst hebben gedaan. Gebruikte exemplaren, maar nog keurig om te zien en comfortabel om op te zitten.
Het was dus tijd om het meubilair voor een klein prijsje op Marktplaats aan te bieden. Vol verwachting klopte ons hart. Na twee weken stond het aantal reacties nog op nul. Toen we verder keken, zagen we dat er op deze vrijplaats meer dan 32.000 banken worden aangeboden. De consumptiedrang heeft blijkbaar tot een gigantisch tweedehands aanbod geleid. De omloopsnelheid van de bankstellen is al net zo groot als de spelers in de eredivisie.
Niet getreurd, de kringloopwinkel bleek bereid de banken op te halen. Een man met een eerbiedwaardige buik inspecteerde de boel en zag een los draadje.
‘Sorry, muneeh, deze kenne we nie meer verkope. We hebbe aal veuls te veul van aal daat spul.’
Dat viel tegen. Dat er een enorm overschot is aan banken drong nog niet echt tot ons door. We logden blijmoedig in bij gratisaftehalen.nl en gratisoptehalen.nl. Op of af, het maakte ons niet uit, als we die dingen maar kwijt raakten. Langzamerhand was er toch wat onzekerheid in dit project geslopen. Het ging allang niet meer over geld, het ging over iets wat waarde heeft. Dat gooi je toch niet weg. We produceren al zoveel afval.
Diverse mensen reageerden enthousiast op ons aanbod, maar lieten daarna niets meer van zich horen. Anderen maakten een afspraak, maar kwamen niet opdagen.

Je gunt het die banken niet. Wat hebben ze al niet meegemaakt. Baby’s die er moedermelk overheen spuugden. Kleine kinderen die in hun pyjama aandachtig luisterden naar het laatste verhaaltje voor het slapen gaan. Sinterklaascadeaus die haastig werden uitgepakt. De leuning die als steun diende om de piek op de kerstboom te zetten.
We haalden chips uit de naden nadat pubers languit op de bank voor de tv hadden gelegen. We vonden ’s morgens vroeg een zoonlief die zijn roes lag uit te slapen. En nog steeds zien die banken er goed uit. Er restte ons niets anders dan met pijn in het hart het nummer van het grofvuil te bellen.
Een week later stopte er een enorme wagen voor de deur, als een olifant met een lange snuit. Met speels gemak werden de banken aan de achterzijde in het gat van het monster gegooid. Er volgde een gekraak dat door merg en been ging. Alsof men wilde voorkomen dat we alsnog spijt zouden krijgen werden de banken ter plekke vermalen en vermorzeld. Zo kunnen ze als een compact pakketje worden aangeboden aan een afvalcentrale, het crematorium voor al uw restafval. Als die afvalcentrale tenminste niet aan vervanging toe is.
Elk product heeft zijn levenscyclus, leert ons de econoom. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

0

EEN EXTRA DAG IN DE WEEK

Dagelijks

Ooit ontving ik op mijn werk een eervolle vermelding in een prijsvraag. De vraag luidde: ‘op welke innovatieve wijze kan de efficiency in ons werk vergroot worden?’ Efficiënt werken heeft mij altijd geboeid, maar deze prijsvraag schoot mij in het verkeerde keelgat. Ik beschouwde deze als de zoveelste poging van de directeur om ‘slimmer te produceren’. ‘Slimmer’ was altijd zijn eufemisme voor ‘méér’. Uit oubolligheid diende ik het idee in om tussen de woensdag en de donderdag een achtste dag in te voeren, de wonderdag.
Hoe irreëel ook, onlangs is mij gebleken, dat dit idee toch werkelijkheid kan worden.

In minder tijd hetzelfde doen, het is een belangrijk motief in de ontwikkeling van de mensheid. Wie eenzelfde product in minder tijd kan produceren is spekkoper. In het huishouden volgt de ene automatisering de andere op, zodat we steeds meer tijd overhouden.
Mijn leven lang ben ik al geobsedeerd door tijdsbesparing. Als kind zag ik een Amerikaanse film over een huisvader die met een stopwatch klokte hoe het dichtknopen van zijn vest het snelste verliep: als hij bij het bovenste knoopje begon of bij het onderste. Zoiets onthoud je niet voor niets.
Zo kan ik me bij de supermarkt ergeren als vrouwen (het zijn altijd vrouwen) de boodschappen rustig over de band laten lopen en pas na het afrekenen op hun gemak gaan inpakken. Mijn boodschappen zitten al in de tas als ik ga betalen en ik ben de winkel uit als mijn voorgangster nog staat in te pakken. Waarschijnlijk leeft ze een stuk langer dan ik.

Tijd is objectief te meten, maar de objectieve tijd komt vaak niet overeen met het gevoel. Daar liggen de mogelijkheden voor de wonderdag.
Zo’n dertig jaar lang was de woensdag naast mijn vierdaagse werkweek mijn huishoudelijke dag en oppasdag. ’s Morgens deed ik de boodschappen en ruimde ik het huis op, ’s middags paste ik op de kinderen. Dankzij een grote vrieskist kon ik eenmaal per week het brood bij de bakker kopen. Als ik daar de deur binnenstapte lag de bestelling al voor mij klaar. Ook dat is efficiency. Toen ik er niet meer voor de kinderen hoefde te zijn kwam het sporten voor het oppassen in de plaats. Maar de woensdagmorgen bleef al die jaren gereserveerd voor de boodschappen.
Sinds G., mijn meisje, dit voorjaar ook gestopt is met werken is alles gaan schuiven. Om redenen waar ik je niet mee zal vermoeien doe ik sinds kort op dinsdagochtend boodschappen. En zie wat gebeurt: de volgende dag, woensdag, heb ik het idee dat het donderdag is. Totdat ik besef dat het nog maar woensdag is en ik blij kan constateren dat ik een dag extra heb. Het patroon is er in dertig jaar zo ingesleten, dat ik na vier maanden van dinsdagse boodschappen nog elke week het gevoel van die extra dag heb. Een aanrader dus.
Voor wie vindt dat een week al lang genoeg duurt liggen hier omgekeerd ook kansen om het aantal dagen te bekorten.

6

SCHRIJVEN LOONT NIET

Dagelijks

Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.

0

TE PAARD!

Dagelijks

Het insectenhotel

Zondagmorgen. Wij maken een wandeling tussen Doorn en Langbroek, op de overgang van bos en wei, waar eeuwen geleden drassige landen zijn ontgonnen en machtige mannen kastelen lieten bouwen.
Het donkere water van de Langbroekerwetering weerspiegelt de traag voorbijtrekkende wolken. In de groene weiden wuift het lange gras zachtjes mee met een vleugje wind. Vogels kwetteren in de bomen en onzichtbare kikkers kwaken tussen het kroos.
We passeren iets wat door G. een insectenhotel wordt genoemd. Ik heb er nooit van gehoord, maar ik begrijp dat de beestjes in deze giftige tijden er ook wel eens uit willen.
Op een smal graspaadje trap ik bijna op een slang. Ik sta als aan de grond genageld, me niet bewust dat dit gebroed ook vlakbij Utrecht de paden onveilig maakt. Het is een fors exemplaar, ongeveer een meter lang. Het dier heft zijn kop. Met één klein oog kijkt het me een moment spiedend aan alvorens weg te kronkelen onder de graszoden.
Dat moet een adder zijn geweest, vermoed ik. Die zijn giftig. Ik denk wel vaker gelijk aan het ergste. Thuisgekomen zal internet mij leren, dat we een ongevaarlijke ringslang hebben ontmoet.

Het leven van de mens moet deze ochtend nog op gang komen, met uitzondering van de middle aged men in lycra. De goed gevulde buik uitbollend boven de stang van de racefiets scheren de mannen over de smalle wegen. Nog lang is hun geroep (‘voetganger! bocht!’) in de stille morgen te horen.
De racende mannen worden in deze contreien in aantal alleen overtroffen door paardrijdende vrouwen. Bij de stallen en maneges draaien de jonge-meiden-met-paardenstaarten hun vierkantjes.
Volwassen vrouwen rijden hoog bovenop hun forse ruinen over de bospaden. De bovenlichamen bewegen ritmisch mee op de stappen van het paard. Het zweepje in hun hand steekt een eindje uit. Als wij ons uit ontzag aan de kant van het pad opstellen, zegt een van de vrouwen: ‘rustig maar, ze doen niets.’ Het blijkt dat zij dit tegen haar paard zegt. Ik neem mij voor om voortaan ook zoiets te zeggen mocht ik nog eens een slang op mijn pad vinden.
Vlak buiten de bebouwde kom ontmoeten we enkele oude dames te paard, in een houding die verraadt dat zij hier al jaren rond rijden. Dat je hen niet hoeft te vertellen dat hun viervoeters niet zomaar mogen mesten. De kleine paarden sjokken alsof zij altijd hetzelfde rondje maken en de vermaningen om rustig te lopen wel eens zat zijn. Er hangt een merkwaardige geur rond het stel. Wellicht hebben de dames hun zadel ingesmeerd met vet dat al lang over de datum heen is. Ik weet het niet. Misschien zijn het wel hun rijbroeken met zeemleren voering. De ouderdom komt met gebreken.
Intussen is de middag aangebroken. Over de provinciale weg trekken rijen auto’s, op beide fietspaden geëscorteerd door zoevende e-bikes. De pannenkoekentent heeft de vlaggen uitgehangen en de zon breekt langzaam door.

1

HET WOONPARADIJS

Dagelijks

Mijn schoonouders hadden weinig te makken. Maar de spaarcenten die er waren werden om de paar jaar gespendeerd aan nieuwe meubels of nieuwe vloerbedekking. Bij ons is het precies omgekeerd. Wij hebben genoeg gespaard en doen al jarenlang met dezelfde meubeltjes. Hoe dit verschil te verklaren is, laat ik aan anderen over. Maar nu de scheurtjes in het leer van onze bank en de krassen op de bijzettafeltjes wel erg gaan opvallen ontkomen we er niet meer aan.
Kortom, wij zijn op meubeljacht. Welkom in de wereld van de woonwinkels. Groot, groter, grootst. Het woonparadijs is de ultieme uitdrukking van de overvloed in onze westerse maatschappij, iedere droom kan waargemaakt worden, de keuzemogelijkheden zijn eindeloos.
Ook in deze wereld dringt de tweedeling zich op: ruim opgezette afdelingen met dure designmeubelen tegenover étages waar je volgens vaste looproutes tussen de dicht opeengestapelde massagoederen loopt. Op de laatste is geen personeelslid te vinden, op de eerste wacht een keurkorps aan goedgetrainde verkopers hongerig op de paar klanten die aarzelend de meubelzaal betreden.
Jezelf niet opdringen, maar beschikbaar zijn als het moet, lijkt het credo van deze verkoper. Glimlachen, vragen, informeren, maar alles op een ingehouden manier. Dus komt er een klant met een bovenmatige interesse dan moet je als verkoper volharden. Je omzetcijfers worden immers gemonitord. Heeft de klant één vraag gesteld, dan duik je even later onverwachts achter een pilaar op.
Geleidelijk de mondige klant over de streep trekken, zo gaat de klantgerichte en omzetgestuurde verkoper te werk. Hij peilt welk vlees hij in de kuip heeft. Hij gooit zijn kennis in de strijd, zijn opvattingen over wat modern of kwalitatief is en hij paait. Kopje koffie? Stukje appeltaart erbij?

Afgelopen woensdag brachten wij van 10 tot 3 in zo’n paradijs door en al die uren hadden wij een verkoper als persoonlijk begeleider tot onze beschikking. We kregen een lunch aangeboden, vervolgens de blackbird van Eames, een peperduur kunstzinnig object, en als klap op de vuurpijl een cheque van 400 euro te besteden tijdens ons volgende bezoek. De marges zijn ruim op dit soort afdelingen.
Als klant kan je een beetje hulp best gebruiken. De overvloed aan mogelijkheden leidt al snel tot keuzestress. Wat neem je als uitgangspunt? De bank, de gordijnen, het vloerkleed? Welke stijl spreekt aan, welke materialen, welke kleuren? We waren al langs tig websites gescrolld en we wilden niet even zoveel winkels afgaan. We wilden iets moois en iets betaalbaars. Soms wilden we het onmogelijke. Maar bovenal wilden we onzekerheidsreductie. Dat kan de verkoper wel bieden.
Toen we bijvoorbeeld na lang wikken en wegen – en in goed onderling overleg – de keuze hadden gemaakt voor een bepaalde kast, waren we er nog niet. Er volgden nog talloze opties voor het soort hout, de kleur, links- of rechtsdraaiende deurtjes, lade of klep, plaats van het kabelgat tot aan de kleur van de dop die het kabelgat afdekt; alles via een flitsend computerprogramma aan je voorgeschoteld door de geduldige verkoper, die inmiddels al lang weet dat hij beet heeft.
Verkoper en klant, wat zouden zij zijn zonder elkaar?

0

NESTJE BOUWEN

Dagelijks

Zoals mensen verschillen in intelligentie, zo zijn er ook in het dierenrijk slimme en minder slimme wezens. Onze Youri zaliger bijvoorbeeld was volgens mij een kat met enig inzicht. Ik verbeeldde mij dat hij evolutionair gezien op weg was naar een meer menselijke status. Hij gebruikte regelmatig zijn poot om het voer in zijn bek te stoppen.
Zo heb ik ook gelezen, dat kauwen intelligente vogels zijn. Op welke plaats in de ranglijst van de knapste vogel de Turkse tortel staat zou ik niet weten. Ik vrees sinds deze week dat de tortel ergens in de onderste regionen vertoeft. (Omdat de tortel-met-een-migratieachtergrond een te lange formulering is, zal ik hier simpelweg over tortel schrijven).
Deze week mochten wij er getuige van zijn, dat twee tortels een nest gingen bouwen in onze oude pruimenboom. Het vrouwtje – beter gezegd de tortel die wij ervan verdachten het vrouwtje te zijn – settelde zich urenlang in een opvallende positie, de kop omlaag en het achterste omhoog, zodat wij aanvankelijk dachten dat een snelle paring aanstaande was.
Het mannetje toonde echter geen enkele belangstelling voor de geheven derrière. Het vloog continu af en aan met grassprietjes en kleine takjes, die hij als een kussentjes onder de kop van het vrouwtje probeerde te duwen. Althans dat leek de bedoeling. De tortels hadden een kruising tussen twee dunne takken uitgekozen om te nestelen, een plek waar elke aangeleverde bouwsteen weer terstond omlaag viel. Sterker nog, de stokoude boom is zo dicht bij het moment van euthanaseren dat het drukke gedoe van het mannetje de val van vele dode pruimentakken veroorzaakte. Op de grond onder de boom ontstond zo een nest van dode takken, die voor zeker vier tortelparen voldoende zou zijn. En het mannetje maar omhoog vliegen met minuscule twijgjes van elders.
Ik zag het met verbazing aan. Overtuig dan zo’n stel tortels maar eens van de hopeloosheid van hun onderneming! Ze moeten door schade en schande wijs worden, zou je zeggen.
Na drie uur bikkelen bleek het moment van inzicht gekomen. De derrière ging weer omlaag en de vogels verlieten onverrichter zake de boom. Ook ik kon mijn bezigheden weer hervatten.
De volgende morgen had het vrouwtje weer dezelfde houding op dezelfde plek aangenomen en vloog het mannetje weer druk en liefdevol heen en weer. Op het gebied van de wederzijdse liefde kunnen wij nog wel iets van tortels leren.
Na uren van vruchteloos bouwen, braken zij tegen het middaguur opnieuw hun arbeid af, mij met vele vragen achterlatend. Was het gebrek aan slimheid? Of was ik hier getuige van een aan mensen onbekend voorspel in de liefde? Mogen tortelmannetjes pas het vrouwtje bespringen als zij eerst hebben laten zien, dat zij onverwoestbare werkers zijn? Of ontbreekt het mìj aan slimheid om dit gedrag te verklaren?
Op de website van de Vogelbescherming las ik daarna: ‘het broedsel mislukt regelmatig. Soms valt het gammele nest met eieren en/of kuikens uit de boom of waait weg.’ Dat maakt echter allemaal niet uit. Het beest hoeft namelijk niet zo nauw te kijken: ‘de Turkse tortel heeft een uitzonderlijk groot voortplantings- en verspreidingsvermogen.’ Ach, zoveel verschillen ze dus niet van de mens. Wij mannen hoeven ook niet op een zaadje meer of minder te letten.

1

BUT NOW THE DAYS ARE SHORT

Dagelijks

Fietsend door de stad, komt mij een onbekende jongen van een jaar of veertien tegemoet. Onze blikken kruisen elkaar. In zijn gezicht vallen de trekken van het kind op dat hij geweest is, maar ook de aankondiging van de man die hij zal worden. Als ik hem voorbij ben, gaan mijn gedachten door. Ik stel me voor hoe de jongen er op middelbare leeftijd uit zal zien en aan het einde van zijn leven.
Het omgekeerde gebeurt ook. Dan zie ik een oudere vrouw van tegen de tachtig. Ze heeft een hard en rimpelig gezicht. Ik zie haar op haar dertigste met een kind achterop of op haar twintigste uitdagend lachend naar een jongeman.
Het zijn gedachten over veranderingen die zich in een leven voordoen, als een film die een leven in een hoog tempo afwerkt. Het lijkt wel of dit soort gedachten mij vaker overkomen. Het zegt ongetwijfeld iets over mij. En het kan bijna niet anders, dan dat het ook iets over mijn leeftijd zegt. Het is niet voor niets dat ik hier op deze plaats regelmatig herinneringen ophaal.
Die jongen van veertien heeft nog niet zoveel te overzien. Hij heeft vooral veel te willen, te dromen en te leren. Als je 66 bent, zoals ik, dan ligt dat – laat ik het voorzichtig formuleren – anders. Ik wil nog genoeg, maar ik weet ook dat ik geen circusartiest meer zal worden die in een strak pakje boven de piste hangt.

Sinds het boek van Douwe Draaisma weten we dat de tijd sneller gaat als je ouder wordt. Want wat is nog een jaar als je er al zeventig hebt versleten? Bovendien, als je veel nieuwe dingen beleeft – zoals dat voor kinderen geldt – dan duurt de tijd gevoelsmatig langer.
But now the days are short
I’m in the autumn of the year
zong Frank Sinatra.
De beleving van de tijd gedurende het leven kan je vergelijken met de beleving tijdens een vakantie van drie weken. In de eerste week heb je het idee, dat er nog zeeën van vakantietijd volgen. In de tweede geniet je gewoon van alles wat je meemaakt en ben je in de derde week beland dan komen er snel gedachten over het naderende einde van al dat moois.
Ik ben in de derde week van mijn leven beland. Maar ik wil niet steeds over mijn voorbije leven dromen. Heb ik na negentien dagen vakantie nog twee resterende dagen voor de boeg, dan denk ik: ik sta aan het begin van een prachtig weekend met tal van mogelijkheden. Wat voor leuks zullen we eens gaan doen? Ik heb het zelf in de hand. Als ik nieuwe dingen beleef gaat de tijd immers langzamer.
Tenminste, zo wil mijn verstand het zien. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat dit niet altijd lukt. Soms overheerst het gevoel en laat ik me meevoeren, bijvoorbeeld met de melancholie van Willem Wilmink:
Soms was de nacht zo wonderschoon
Dat hij de ochtend kon verdragen
Bij meisjes uit vervlogen dagen
Die wij niet meer weten te wonen.

0

KATHOLIEKE ONTSPANNING

Dagelijks

De kapel in Steinfeld

Het boek dat ik schrijf over mijn heeroom bracht mij onlangs naar de Benediktinerinnen in Steinfeld. (In Duitsland hebben de benedictinessen nog een lettergreep extra). Begin zeventiger jaren woonde mijn oom bij de trappistinnen in het Duitse Dahlem. De lezingen die hij daar gaf maakten zoveel indruk, dat hij al snel uitnodigingen ontving uit tal van kloosters in Duitsland. Zo kwam hij tweemaal per jaar in Steinfeld. Er wonen daar nog steeds enkele zusters die mijn oom hebben gekend. Dat soort zusters heb je niet veel meer. Dus ik greep mijn kans.
Omdat mijn vermogen om oude, Duitstalige nonnen te verstaan niet erg sterk is ontwikkeld, had ik G gevraagd mij te vergezellen. Een vergissing is snel gemaakt, weten wij. Jaren geleden huurden wij een vakantiehuis in Slovenië. Toen de Duits sprekende verhuurder aanklopte, wilde G een verklaring geven voor mijn afwezigheid op dat moment: ‘Mein Mann is heute im WC’. Het ontbrak er nog maar aan, dat zij eraan toevoegde: ‘Bitte, kommen Sie morgen zurück’.

We worden hartelijk ontvangen. De abdis begeleidt ons naar een ontvangstkamer, waar een tafel wacht met koffie, bronwater, taarten, koekjes en andere Süssigkeiten. Het is niet in overeenstemming met de ascetische leefwijze volgens de regel van Benedictus. De twee zusters die zich daarna bij ons voegen laten het lekkers dan ook staan. De zusters zijn in vol ornaat, een zwarte sluier over het hoofd en daaronder een witte doek die alleen het gezicht vrijlaat. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie, al meer dan vijftig jaar geleden, bieden de kledingvoorschriften voor religieuzen meer vrijheid. Hier kiest men voor traditioneel.

Benedictinessen in Dinklage. Ook hier gaf mijn oom regelmatig retraites

Mijn lijst met vragen hoef ik niet af te werken. De zusters vertellen uit zichzelf, hun Duits is goed te volgen. De sfeer is zoals ik die vaker in kloosters heb meegemaakt: blij, vriendelijk en ontspannen. Een grapje hier, een overdrijving daar en vaak lachen. Het is het tegendeel van de ernst en devotie waarmee men de overige uren van de dag leeft.
Zo zegt een van de zusters lachend, dat zij onder de voordrachten van mijn oom altijd in slaap viel. Zij heeft echter genoeg meegemaakt om mijn oom met talrijke complimenten te beschrijven. Hij werd in Steinfeld op handen gedragen.
Ook in kloosters komen gevoelens van hartstocht en verliefdheid voor. Maar dat blijft onder de pet (de kap). Begin jaren veertig was mijn oom biechtvader voor de trappistinnen in Berkel-Enschot. Zijn biechtstoel werd de gehele dag belegerd door zusters die hem wilden spreken. ‘Als u niet oppast met die vrouwtjes’, zei zijn abt, ‘zullen ze u de hele dag in de biechtstoel houden en dat niet alleen, ze zullen u ’s nachts ook nog naar de biechtstoel roepen’.
Het is een thema, waarop ik zou willen doorvragen, maar dat kan niet in dit gesprek.

Loslaten en accepteren, dat waren thema’s waarover mijn oom vaak sprak. Het lijkt op een katholieke versie van wat wij tegenwoordig mindfulness noemen: door je emoties, je eisen, je oordelen te laten varen kom je tot innerlijke rust. Voor mijn oom betekende dit dat je in contact kwam met god.

0

DUURZAAM BEZIG

Dagelijks

Onze waterkoker heeft een deksel die bestaat uit twee delen. Het zou mij nooit opgevallen zijn als de twee stukken laatst niet van elkaar zouden zijn losgeraakt. Ik hoorde een onbekend geluid en zag een stuk zwart plastic vrolijk bubbelen in het kokende water. Hevige kalkaanslag bleek de oorzaak van de breuk.
Dus toen de thee gezet was ben ik met schuursponsjes, botte mesjes en vijlen die bruine aanslag te lijf gegaan. Dat kostte wel wat tijd en zweetdruppels. Het aan elkaar lijmen van de twee delen was daarna echter een fluitje van een cent.
‘Zo, je bent lekker duurzaam bezig’, zei G.
‘???’
‘Je zult de mensen de kost moeten geven, die in zo’n geval meteen een nieuwe waterkoker op internet bestellen. Jij beperkt tenminste je CO2-footprint’.
Ik dankte voor het compliment, al moest ik bekennen, dat tijdens het repareren mijn ecologische voetafdruk nog geen moment door mijn hoofd had gespeeld. Ik vind duurzaamheid een van de belangrijkste dingen in het leven, maar ik word wel eens iebel van de continue vertaling van elke handeling in de hoeveelheid CO2-uitstoot. Als ik mijn overhemd een dag langer aanhou, hoeft er minder snel een nieuwe geproduceerd te worden en als ik mijn plas wat langer ophou, dan gebruik ik minder water. Als ik eerder doodga, ben ik de aarde niet meer tot last. Maar daar wilde ik het niet over hebben.

Als er iets kapot gaat, probeer ik het eerst te repareren. Dat vind ik niet meer dan normaal. Helaas valt er niets meer te beginnen met kapotte telefoons of printers, maar hangt er een zool van mijn schoen los, dan zet ik beide delen 25 minuten in de bison kit en klem de helften met lijmtangen en wasknijpers bij elkaar. Ik maak gebruikte verfkwasten schoon. En zit er een gat in mijn broek, dan ga ik met naald en draad aan het werk (al kost het me tegenwoordig grote moeite om de draad door dat verdomde oog te krijgen).
Wat nog functioneert doen we niet weg. Zo koken wij sinds 1985 op een Etna fornuis, dat toen al na een lang leven in de Hoekse Waard als afdankertje uit de deur was gedaan. Ons topstuk op dit gebied is bijgaande pan. Deze werd begin zeventiger jaren door een vriendin van G uit een container gevist en is na wat omzwervingen in onze keuken beland. De deksel vertoont al jaren enige sporen van roestvorming, maar de maaltijdsoep of de spinazie uit deze pan smaakt nog altijd prima.
Uitzonderingen op mijn zuinigheid zijn er overigens ook, moet ik bekennen.
Zo heb ik laatst, terwijl onze kasten uitpuilen van de balpennen van firma’s die hun naam bekendheid willen geven, voor 58 euro’s een fijne vulpen gekocht. En terwijl er in Nederland ook aardige zangcursussen te volgen zijn, kies ik toch voor een nog leukere in Italië. Ik wil niet weten hoeveel extra CO2 ik daarmee uitstoot.
Maar goed, af en toe mag ik wel eens zondigen, vind ik.
Dat zal vast wel een katholieke gedachte zijn.

3

OPENBAAR VERDRIET

Dagelijks

In Den Bosch neem ik de intercity naar Utrecht. Terwijl ik mij installeer stapt er een man van een jaar of veertig de coupé binnen. Hij heeft donker haar en ziet er goed gekleed uit. Hij gaat aan de andere kant van het gangpad tegenover mij zitten.
De volle trein zet zich langzaam in beweging. Sommige reizigers staren op hun smartphone, andere zitten te kletsen. Een stel jongeren doet allebei. Terwijl de wagon ons heen en weer schudt op de brug over de Maas, strek ik mijn been om mijn smartphone uit mijn broekzak op te diepen.
Mijn blik glijdt even naar links en vangt het gezicht van de man met het donkere haar. Verschrikt kijk ik direct weg. Heb ik het goed gezien?
Ik wil de man niet aanstaren. Ik zou niet willen, dat hij ziet dat ik naar hem kijk. Maar ik kan het niet laten om na te gaan of het klopt wat ik zag.
Het is waar. De man huilt. Zonder geluid biggelen er tranen uit zijn roodomrande ogen over zijn wangen. Hij zit kaarsrecht en kijkt voor zich uit. Zijn gezicht is een en al verdriet, zijn armen liggen rustig langs zijn lijf. De man doet geen enkele poging zijn emotie te verbergen, hier in deze volle trein, die langs de boomgaarden van de Bommelerwaard raast. Bijna fier houdt hij zijn betraande hoofd zichtbaar overeind. Het lijkt of hij zich afgesloten heeft van zijn omgeving en teruggetrokken in zijn eigen wereld het verdriet de vrije teugels laat.
Liefdesverdriet, het overlijden van zijn moeder, ontslag? Mijn gedachten zijn al op zoek naar een reden, iets heftigs wat aanleiding geeft tot groot verdriet, iets wat dit openbare huilen van een man kan rechtvaardigen. Ik voel sympathie voor deze man. Hij heeft lef. Ik huil ook wel eens, maar niet zo gemakkelijk als er anderen bij zijn. In deze trein zou ik mijn handen voor mijn gezicht houden. Of de wc opzoeken.
Maar een man mag niet huilen
Ook al heeft hij verdriet
Een man mag niet huilen
Als een ander het ziet
Wat Jacques Herb in 1972 zong wordt tegenwoordig door de meeste mensen niet meer onderschreven. Desondanks huilen mannen beduidend minder dan vrouwen. Huilende mensen worden als minder competent gezien, maar ook als warmer en meer betrouwbaar, zo heeft Ad Vingerhoets, de huilexpert van de universiteit in Tilburg, ontdekt. Vrouwen vinden huilende mannen vaak aandoenlijk. Behalve als zij, bijvoorbeeld in een conflictsituatie, het idee hebben dat de man zijn tranen inzet om iets te bereiken.
Ook bij mij wekt deze huilende man empathie op. Moet ik iets doen, vraag ik me af. Kan ik hem mijn meeleven, mijn hulp aanbieden? Zo snel als de vraag is opgekomen, zo snel laat ik ‘em weer varen. De volle trein houdt me tegen. Ik zoek het nieuws op mijn smartphone.
Als ik uitstap ziet de man er uit alsof er niets is gebeurd. De tranen zijn verdampt. Het leed gaat weer keurig aangekleed over straat. Dat werd gezongen door Herman van Veen.