Boni (1)

Het Bonifatius aan de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht

Met mijn zware tas onder mijn arm schuifel ik door de donkere hal van het Bonifatius Lyceum. Stromen leerlingen botsen op elkaar en zorgen voor een opstopping. Opeens staat de leraar Grieks naast mij. ‘Zeg Arnold, zou jij voor mij misschien een broodje ei en een broodje kaas willen halen?’
Verdomme. Waarom moet hij mij hebben? In de les is het altijd: Van Dijk, hou je mond, Van Dijk doe eens mee, Van Dijk zit niet te kletsen. En dan nu met een vriendelijke stem: ‘Zeg Arnold, zou je misschien…’.
Van Z. was een jonge leraar, die zijn autoriteit in het vak combineerde met een populaire manier van omgaan. Dan zat hij op de voorste lege bank, zijn schoenen op een stoel en vertelde over de geboorte van zijn dochter. En op maandag besprak hij de voetbaluitslagen. Hij deed regelmatig een beroep op onze volwassenheid, een oproep die aan mij niet zo besteed was. Ik maakte braaf mijn huiswerk, maar om een saaie lesdag door te komen was ik gespitst op speelse grappen die ik met anderen kon delen. Om daarna weer quasi-geïnteresseerd naar het bord te kijken.
‘Ja, ’s goed.’
Ik pak het geld aan en duw gefrustreerd de zware voordeur open. Had ik moeten zeggen: vraag het maar aan een ander? Man doe het zelf, ik ben je loopjongen niet?
De keer dat Van Z. een regel uit Homeros vertaalde als: “toen de meisjes zich geolied hadden”, kreeg ik, onder zijn almaar bozer wordende blik, de slappe lach.
‘De volgende regels zal ik wel even vertalen’, zei hij een andere keer. “Dat gezegd hebbende kroop de goddelijke Odysseus onder de struiken vandaan, trok met zijn stevige hand een tak met bladeren uit het dichte struikgewas om daarmee zijn geslacht te bedekken.” Dat moest een lullig takje zijn geweest.

Op weg naar de snackbar dringt opeens tot mij door wat ik moet halen. Dat ‘broodje’, die br… daar kom ik met mijn gestotter onmogelijk uit. Br, br, br, br. Mijn moeder stuurde mij nog wel eens om drie pond kaas, maar dan vroeg ik altijd anderhalve kilo. Winkelbediendes zeiden al snel: ‘wat blieft u’ of ‘wat zegt u’. Dat maakte het alleen maar erger.
Er staat een jong meisje achter de toonbank. Haar blonde haren torenen hoog de lucht in, haar ogen zijn zwaar opgemaakt.
‘Een br…, br..’ Ik kijk omlaag en span al mijn spieren om het woord eruit te persen. Als het hoge woord eruit is en ik weer opkijk, zie ik nog net het meisje lachend weglopen. Een ogenblik later verschijnt er een vrouw, die mij snel aan de gevraagde broodjes helpt.
Met het wisselgeld in mijn ene hand, het zakje in mijn andere hand loop ik terug, vloekend op het meisje, Van Z. en de hele wereld. Ik blijf staan op de drempel van de lerarenkamer. Er hangt een wolk van rook boven de grote tafel, waaromheen de docenten hun boterhammetjes wegeten. Zonder Van Z. aan te kijken overhandig ik het zakje en het warm geworden wisselgeld. Ik loop direct naar het biologielokaal, waar Lineke en Elly de poster met hondenrassen bekijken.
‘Gaan we nog toepen?’, vraag ik.