Hier ben ik bezig met een shawl waarin ik als oefening verschillende steken verwerkte, zoals de patentsteek en de gerstekorrel

Nadat ik halverwege de jaren zeventig een jaar als leerling-timmerman had gewerkt, was ik in staat om zelfstandig kleine meubels te maken. Het vervulde me met trots, ik kreeg er meer zelfvertrouwen door. Ik had iets technisch geleerd, dat ik niet van huis uit had meegekregen. Iets stoer-mannelijks bovendien.
Het was de aanzwellende, tweede feministische golf, die maakte dat ik ook mijn vrouwelijke kwaliteiten wilde ontwikkelen.  Hoe ik op breien uitkwam weet ik niet meer. Misschien wel, omdat het ook een technische vaardigheid is. Of omdat breien gemakkelijker te leren is dan zorgzaamheid of invoelend vermogen. Hoe dan ook, ik verlangde opeens heftig naar een breiwerkje in mijn handen. Wat doe je dan als 23-jarige? Dan stap je naar je moeder.
Toen ik voorzichtig mijn wens bij haar op tafel legde, verblikte of verbloosde zij niet. We hadden weliswaar een neef, die na een aantal jaren achter de naaimachine uit de kast gekomen was. Maar mijn moeder zal zich gerealiseerd hebben dat zo’n ontwikkeling bij mij niet erg voor de hand lag. Het was in een tijd, dat ik wel eens twee vriendinnen tegelijkertijd had en het was inmiddels tot haar doorgedrongen, dat ik niet alleen de tafel met hen deelde. Dat baarde haar zoveel zorgen, dat de wens om te leren breien een verwaarloosbare afwijking was van wat zij in haar jeugd had meegekregen.
Goedgemutst en dankbaar dat zij iets voor mij kon doen, begon zij met de eerste les: insteken, omslaan, doorhalen en af laten glijden. Het werkje vroeg iets meer fijne coördinatie dan het inslaan van een spijker, maar na een week had ik de basistechniek redelijk onder controle. Ik had het tempo al een beetje opgevoerd en ik kon zelfs af en toe nonchalant een blik op de tv werpen.

In deze trui had ik zoveel wol verwerkt, dat ie na verloop van tijd een jurkje geworden was

Op dat moment schemerde er weer een mannelijk verlangen door mijn vrouwelijke idealen. Ik viel in een valkuil van ambities. Mijn moeder breide in die tijd alleen wollen sokken. Daarvoor gebruikte zij vier breipennen. Vooral het breien van de hak was een technisch hoogstandje. (Zij gebruikte overigens zulke degelijke wol en zij maakte er zo’n stevig ontwerp van dat wij nu, vijfenveertig jaar later, nog enkele paren als bedsokken gebruiken.)
Sokken breien, dat wilde ik dus ook direct leren. Alsof ik van het derde pianoboek van Folk Dean wilde overstappen op een pianoconcert van Mozart. Mijn moeder was zo verstandig mijn ambitie te negeren. Ze wilde me wel wat andere steken leren.
Ik ging van proeflapjes naar dassen. Vervolgens gaf ik mijn ziel en zaligheid aan een eerste trui. Daarna volgden truien met patronen en in verschillende kleuren. Het geluid van de tikkende pennen vervulde mij met een grote tevredenheid. Ik kon niet alleen een bank timmeren, maar ook een trui breien.

Zo plotseling als de hobby opgekomen was, zo geruisloos verdween ie weer uit mijn leven. Ik was begonnen met mijn eerste baan bij het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen, waar ik de enige man in het team was. Dus ik kreeg sterk de behoefte om iets te doen aan die disbalans. Daar paste het meenemen van een breiwerkje niet in.
Enige tijd later werd ik de coördinator van het team.