Schrijven, Lezen, Leven.
2

ANGST VOOR GEVAREN

Dagelijks

Hoe ouder ik word, hoe meer gevaren ik zie, hoe minder risico ik neem. Alsof ik een wandelende FOBO-commissie ben (Fouten, Ongelukken, Bijna Ongelukken) die constant aanbevelingen doet voor veilige gedragingen.
Ik doe van alles om risico’s te verkleinen. Voordat ik de deur uitga controleer ik of ik mijn portemonnee, sleutels, en mijn telefoon bij mij heb. Als ik op een tweebaansweg ook maar een stipje van een tegenligger zie, haal ik niet in. Ik ga niet als eerste schaatser onder een bruggetje door. Ik eet geen zwartverbrande korsten en rook geen sigaretten. Ik probeer elke dag een half uur te bewegen. Zo hoop ik nog even verder te leven en een slopend ziekbed te voorkomen. En zo lijkt het alsof ik mijn leven in eigen hand heb.

Maar niets is minder waar.
Als jong kind liep ik na het uitgaan van de school vol enthousiasme bijna onder een auto. Later maakte ik in de bergen hachelijke situaties mee. In 1978 daalde ik in de Franse Alpen de Col d’Allos af. Het was stralend weer, de weg was schoon en zeer bochtig. Op mijn zwaar beladen racefiets ging ik al snel meer dan zestig kilometer per uur. De omgeving was adembenemend mooi. Hier moet ik van genieten, dacht ik. Ik richtte me op en keek een ogenblik naar de bergen. In een flits zag ik in een bocht een donkergrijze rotswand opdoemen. Nog juist op tijd kon ik mijn stuur bijdraaien. Een fietshelm droeg ik in die jaren niet.
Wat leerde ik van deze situaties? Het is een cliché: toen ik jong was zag ik de gevaren niet. Of ik was zo eigenwijs om te denken, dat het ongeluk mij niet zou treffen. Daarin werd ik ook nog eens bevestigd. Ik verloor mijn portemonnee, omdat er een flink gat in mijn kontzak zat. Nadat ik ‘em via een eerlijke vinder teruggekregen had bleef ik onbezorgd de broek dragen. Zodat ik de portemonnee niet veel later voor de tweede keer kwijt was. En opnieuw kreeg ik ‘em met inhoud terug.

Zou ik nu in zo’n situatie belanden, dan zou ik flink in mijn remmen knijpen of onmiddellijk een andere broek aantrekken. Hoe dichter ik bij het einde kom, hoe bezorgder ik word. Dat is een aardige paradox. Want als je jong bent, heb je een heel leven te verliezen. Als je oud bent gaat het om een gering aantal jaren. Wie vijfduizend euro bij zich heeft moet voorzichtiger over straat dan wie vijftig eurocent op zak heeft. En toch loop ik met mijn vijftig eurocent alsof ik die elk moment kan verliezen. De crux is natuurlijk dat de kans dat ik op latere leeftijd die vijftig eurocent verlies veel groter is dan dat het verliezen van vijfduizend euro op jonge leeftijd.
Honderd jaar geleden was sterven op je 68e doodnormaal. Toen ik geboren werd was de levensverwachting voor de man zeventig jaar, nu is dat tachtig. Ik ben heel tevreden, dat ik zo’n bofkont ben, maar stiekem hoop ik op meer.

1

DIGITALE SAMENZANG

Muziek

Zoom sessie Vocal Group Timelez

Het is nog niet zo heel lang geleden dat er alom geklaagd werd over jongeren die de hele dag achter een scherm doorbrengen. Nu zit een groot deel van Nederland dagelijks uren naar een laptop of tablet te staren. Werken, lessen volgen, overleggen, de schouwburg bezoeken, sporten, winkelen, samen eten, familiebezoek, voor bijna alles is er een digitale vorm. Het is eigenlijk een wonder hoe al die bytes bijna ongestoord door Nederland schieten.
Het was dan ook begrijpelijk dat de meer dan één miljoen koorzangers in Nederland zochten naar digitale alternatieven voor hun koorrepetities. Zoom blijkt niet erg geschikt. De vertraging op de lijn zorgt voor verwarring. Veel koren laten zich echter niet tegenhouden en houden repetities per stemgroep waarbij de zangers kunnen meezingen met een begeleidende dirigent. Zij horen dan alleen hun eigen stem. Andere zijn zo inventief om individueel ingezongen opnamen tot één samenzingend koor te combineren, wat niet alleen een goed maatgevoel van de zangers vraagt, maar vooral veel technisch vernuft.

Jamulus dashboard

Het wachten was op een programma dat digitaal samenzingen zonder vertraging mogelijk zou maken. Dat is het programma Jamulus. Dit stelt wat hogere eisen dan Zoom. Zo moet je een kabelverbinding hebben met Internet, geen wifi. Daarnaast kan je het beste gebruik maken van een koptelefoon inclusief microfoon die je direct met de computer verbindt.
Mij stond het eigen maken van zo’n programma geweldig tegen, maar ik ben in de gelukkige omstandigheid, dat G. zich voor haar koor in Jamulus heeft verdiept en zo voor mij het bedje heeft gespreid. Op die manier kon ik mij zonder watervrees aanmelden voor een digitale koorworkshop van de Stichting Huismuziek en zat ik op zaterdagmiddag om drie uur klaar met Jamulus op de desktop en daarnaast Zoom op de laptop. Voor wie niet gezegend is met twee apparaten: je kunt de programma’s ook combineren op één scherm. Ik zat daar weliswaar trots en quasi-professioneel achter twee schermen te schakelen, maar had tegelijkertijd het idee dat mijn grens qua digitale vernieuwing zo ongeveer bereikt is.

Deze zangeres komt niet in dit verhaal voor

Het eerste half uur was nodig voor een goede soundcheck. Dat loste enkele nare bromgeluiden op, maar verhinderde niet dat ik van sommige zangers het idee had dat zij ergens buiten voor de voordeur stonden te prevelen. Desondanks voelde het geweldig en wonderlijk om zo samen te zingen.Wat ik niet verwacht had: ook hier overheersten de grijze koppen.
Bijzonder is dat je via Zoom jezelf ziet zingen. Dat kan heel educatief zijn (hoofd in rust, mond ontspannen houden). Je kunt overigens gerust in je blote kont de repetitie bijwonen, voor wie dit altijd al gewild heeft. Dan moet je wel de camera goed instellen. Bij sommigen zag ik vooral het prachtige plafond, bij anderen kon ik via het raam naar de buren gluren.
Het Jamulus-scherm bestaat uit een mengpaneel met schuifknoppen, waardoor het geluid van iedere zanger harder of zachter gemaakt kan worden. Zo heb je bij een digitaal koor het grote voordeel dat je die brommende bas of die schelle sopraan buiten de deur kan zetten. In deze workshop solliciteerden enkele alten daarnaar. Hoe goed de techniek ook werkt, het gezamenlijke resultaat blijft afhankelijk van de individuele kwaliteiten.

Kijk op www.huismuziek.nl voor het Jamulus-aanbod voor zangers.

1

VERKIEZINGSFEEST

In het nieuws

De kandidatenlijst kwam deze week binnen. Een vel van een meter breed. Ik heb een loep nodig om de namen te kunnen lezen. De peilingen, stemwijzers en debatten stromen via elke verbinding met de buitenwereld overvloedig onze huiskamer binnen. We weten nu dat Sigrid dure jurken draagt, dat Lilianne de dochter van de melkboer is en dat Wopke van schaatsen houdt. En dat iedereen samen sterker vooruit wil voor een betere toekomst. Kortom, het feest van de democratie is begonnen. Er wordt flink gedanst, maar ik heb nog weinig zin om mee te doen. Er heeft nog niemand bij mij aangebeld om een roos aan te bieden. Of een theezakje.

Al die aandacht in de media voor de verschillende keuzes, dat is toch waar het in een democratie om gaat? Dat is toch iets om blij van te worden?
Jazeker, maar nu? De democratie kraakt en piept. De persoon van de politicus is belangrijker dan zijn standpunt. De wetgeving en de uitvoering zijn complex geworden. Het vertrouwen in de overheid daalt zienderogen.
Wat mijn stemming nog meer verpest is dat de man die verantwoordelijk is voor wat er de laatste tien jaar is misgegaan in Nederland nu in de peilingen op eenzame hoogte staat. De natuur laten verpieteren, de multinationals die belasting willen ontwijken faciliteren en de eigen belastingbetaler hard aanpakken, het onderwijs en de zorg door de efficiency-mangel halen, vluchtelingen de deur wijzen, van de wmo en de jeugdzorg een chaos maken. Moet ik nog verder gaan? Hij is zelf afgetreden vanwege falend beleid. In een goed functionerende democratie moet dat consequenties hebben. Dat het niet gebeurt is een veeg teken.

En dan te bedenken dat de grootste concurrent van de VVD geen democratische partij is maar een populist die ongeremd mag discrimineren. Het is de wil van het volk, zegt hij. Hij bedoelt daarmee dat het hem stemmen oplevert. Een bulldog die automatisch begint te blaffen als je er een Marokkaans muntje in stopt, steeds feller en steeds harder, eindigend in een scheldkannonade. Een politicus die het dragen van verantwoordelijkheid makkelijk uit de weg kan gaan omdat hij weet dat hij vanuit de oppositie genoeg invloed heeft. Eén blik op het vluchtelingenbeleid zegt wat dat betreft voldoende.
Ik heb mijn leven lang links gestemd. Die partijen liggen nu amechtig hijgend in de hoek van de ring. Ik kan kiezen tussen partijen die vanwege hun principes weggelopen zijn van de vorige onderhandelingstafel en partijen die hun verantwoordelijkheid genomen hebben door compromissen te sluiten, maar daarbij op ongenadige wijze zijn ingepakt door de politici met de gemakkelijke boodschap. Of denk ik te veel in de oude termen links en rechts en hebben de mensen gelijk die zeggen dat we met zijn allen naar links gaan? Dat Nederland een diep-socialistisch land is? Ik ben er niet gerust op. Woensdag zal ik met mijn biljet (en mijn bril ) op pad gaan. Dan is het feest. Ik hoor de muziek van de uitslagenavond al klinken. Er speelt een dixielandorkestje en er kan gedanst worden.

1

VAN MERWIJK

In het nieuws

Een aantal jaar geleden was ik bij een voorstelling van cabaretier Jeroen van Merwijk. Als hij geen liedje zong, zat hij te tekenen op het toneel. Hij sprak die keer over taal en het aanleren van taal en wilde de naam noemen van een beroemde Amerikaanse taalgeleerde. Wat niet iedereen weet is dat hij stotterde in zijn jeugd en dat dat nooit helemaal gesleten was. Het tekenen op het podium maakte hem rustig. En als hij een blokkade niet kon vermijden gebruikte hij een truc.
‘Die Amerikaanse taalgeleerde, hoe heet die ook al weer?’, vroeg hij aan het publiek.
‘Noam Chomsky’, zei ik vanaf mijn plaats halverwege de zaal. Ik zei het halfzacht en niet voor iedereen hoorbaar. Maar Jeroen had het gehoord.
‘Ja, ja’, veerde hij op, ‘die was het, zeg het nog eens’, en hij keek hoopvol de donkere zaal in. Toen ik de naam hardop voor iedereen moest herhalen, voelde ook ik dat ik zou blokkeren en hield ik maar mijn mond. Ook Jeroen herhaalde de naam niet. Na afloop ben ik naar hem toegestapt om het verhaal te vertellen. Hij glimlachte flauwtjes.

Jeroen van Merwijk, deze week overleden, was een cabaretier die fantastische grappen kon maken, een meester in mooie woordspelingen en wrange observaties. Hij is nooit naar het grote publiek doorgebroken. Hij speelde in de kleine zalen en die boekten hem na een aantal jaren ook niet meer. Hij was een compromisloze cabaretier die vond dat hij dingen moest zeggen, die de mensen liever niet wilden horen. Daardoor is lang onopgemerkt gebleven dat hij ijzersterke liedjes schreef. Teksten waarmee anderen wel succes behaalden, zoals Karin Bloemen (Apartheid es ien skone saeck). Naast tekstschrijver was Van Merwijk ook schilder.
De afgelopen zomer deed Van Merwijk zijn beklag in de Volkskrant. Hij had een jaar lang op zijn Facebookpagina een tekst op rijm geschreven over actuele gebeurtenissen. ‘Ik denk niet dat er in Nederland iemand rondloopt die dat kan. Maar er is niet veel waardering voor. Het ligt er puur aan dat ik niet zichtbaar ben op radio en tv, dan besta je niet.’ Hij voelde zich door ‘die verdomde marktwerking’ voorbijgelopen door ‘mensen die niet goed genoeg zijn om je schoenveters vast te maken.’
De aanleiding voor het interview was dat hij een onbehandelbare vorm van darmkanker had en dat hij niet lang meer zou leven. Hij zei ervan overtuigd te zijn, dat hij kanker had gekregen van de frustratie. Het stuk in de Volkskrant maakte een stroom van publiciteit los. Een interview in Trouw, een documentaire op televisie. Er kwam een cd waarop dertig cabaretiers zijn liedjes vertolkten en last but not least ontving hij de Edison Oeuvreprijs Kleinkunst, een onderscheiding die sinds 2014 niet meer was uitgereikt. Ineens stonden er drie uitgevers in de rij om een boek van hem uit te geven. Dat werd Kanker voor Beginners.
Oh ironie, de pijnlijke humor waarin Van Merwijk zo’n meester was. Als hij het nog had gekund zou hij een prachtig cynisch lied geschreven hebben over een cabaretier die bij zijn leven vanwege gebrek aan uitstraling te weinig erkenning vindt en die pas geprezen wordt als de kanker hem klein gekregen heeft.

0

ZUSTER BODDEKE

Dagelijks

Een enkele keer ontwaarde ik wel eens een opgetrokken wenkbrauw of hoorde ik een verbaasde vraag (‘Echt waar?’). Maar gelukkig is het beeld van een man achter een strijkplank niet zo schokkend meer. Al meer dan veertig jaar strijk ik zelf mijn wasgoed.
Het gaat niet in de hoeveelheden die mijn moeder verwerkte. Ik beperk me tot broeken en overhemden. Rondlopen in een kreukelig shirt vind ik geen gezicht. Als leidinggevende heb ik tweemaal een collega op een ongestreken voorkomen moeten aanspreken, een man en een vrouw. Met de eerste voelde ik enig medeleven, bij de tweede was het slechts irritatie. Zo word je regelmatig met je gender vooroordelen geconfronteerd.

Ik mag wel zeggen dat het strijken mij vlot afgaat. Wie vraagt wat mijn geheim is, krijgt als antwoord: ‘ik strijk met zuster Boddeke.’ Met zo’n antwoord is het geheim nog niet ontrafeld. Dat komt door dat lastige voorzetsel met. Je kunt dan denken dat ik de strijk samen met zr. Boddeke doe, om de beurt een mouw bijvoorbeeld. Ik zou dat heel graag doen, om niet te zeggen dat het een van de nog niet vervulde wensen van mijn leven is. Maar dat is niet de strekking van mijn antwoord. Ik bedoel dat mijn strijkplank zuster Boddeke heet. Hoezo, hoor ik je denken, wie geeft er zijn strijkplank een naam? Dat voedt de verdenking dat ik ook voor de stofzuiger en de ragebol koosnaampjes heb bedacht. Het eerlijke verhaal is dat ik ooit in een kraakpand heb gewoond, waar huisgenote Lucia B. na haar vertrek een strijkplank had achtergelaten, die aan de achterzijde gebrandmerkt is met de naam Zr. V. Boddeke. Die plank heb ik mij daarna toegeëigend. Zo ging dat destijds in commune-achtige settings.

Ik stel me voor dat Lucia een ongetrouwde tante heeft gehad en dat Lucia na tantes overlijden uit de onverdeelde boedel de strijkplank kreeg toebedeeld. Het is niet aannemelijk dat de tante een Augustines of Claris is geweest. Het zou immers een grove schending van de gelofte van armoede zijn als een non in het bezit van een strijkplank was geweest. Daarom denk ik dat zr. Boddeke een degelijke wijkzuster was (eigen solex, eigen strijkplank) of een verpleegkundige die naast een ziekenhuis in een zusterhuis woonde. Zo’n voorziening waar het krioelde van de zusters, die natuurlijk niet allemaal hun eigen plank hadden. En dat zuster Boddeke na de zoveelste maal dat een collega háár plank had ingepikt een pen heeft gepakt en haar naam op de achterzijde heeft geschreven. Wat haar door het ongelakte hout nog niet gemakkelijk is afgegaan. Wat een gedreven zuster!
Hoe dan ook, het is een beste plank, ook na de zeventig jaar die ik haar (het is een zij) geef. Mijn streven is dat ik nooit meer een andere strijkplank hoef te kopen en dat ik met zr. Boddeke het einde van mijn leven ga halen. Zodat het overhemd dat men mij zal aantrekken als ik in de kist lig op deze plank is gestreken. Ware ik een Egyptenaar, ik zou de zuster meenemen in mijn graf. Nu zit ik mijn hersens te pijnigen wie ik in mijn testament als erfgenaam zal opnemen.

0

WEEKBOEK

Dagelijks

Op zondagmiddag om vijf uur bind ik voor de laatste keer mijn noren onder. Op de vaart achter ons huis kan ik zonder klunen twee kilometer toeren. Aan de zijkant langs het riet is het ijs na vier dagen schaatsplezier nog opvallend goed. Ergens staat een groep veertigers hossend op het ijs, de plastic bekertjes met glühwein in de hand. Alsof het einde van het coronatijdperk gevierd wordt. Onder het wolkendek wordt het licht langzaam grijsblauw. Opeens zie ik G in onze achtertuin. ‘Het is al zes uur’, hoor ik. Ik heb moeite met afscheid nemen. Het is zo’n mooi geluid, de ijzers over het donkere harde ijs. Links, rechts in een fijne cadans. Horizontaal skiën. Zelfs de kou is aangenaam.
Maandagmorgen fiets ik met drie volle boodschappentassen door een druilerige regen naar huis. In onze straat moet ik lopend verder, glijdend over glibberige korsten van platgereden vuile sneeuw. Mijn fiets glijdt weg, maar ik blijf overeind. Links en rechts schuift de laatste sneeuw van een dak met een doffe klap omlaag. Sneeuwbouwsels van kinderen staan er verloren bij.
Regendruppels vallen op het donkere natte ijs. De lichte lijnen van de scheuren vormen een prachtig patroon. Daarboven vliegen eenden, aalscholvers, meeuwen en een paar zilverreigers af en aan op zoek naar eten. Waar zouden de door ons geadopteerde meerkoeten zijn?
Dinsdagmorgen bij het openen van de gordijnen: ‘Hé, daar zijn Keet en Koet!’ Toen het ijs ontstond waren zij verdwenen, met onbekende bestemming. Voor een ongeluk werd gevreesd. Nu zitten ze trouw op het doffe ijs te wachten als twee verslaafden op hun shot. Ze hebben een aantal eenden meegenomen. In de tuin doen de mussen en de mezen zich tegoed aan pinda’s en vetbollen. Andere soorten pikken de restjes op. Een ploeg van twaalf spreeuwen doet goed werk op het gazon.

Aswoendag
. Ik had het goed voorvoeld, het feest is voorbij. Het is tijd om te minderen en niet alleen voor veertig dagen. Minderen in consumeren, in zeuren en eisen, in feesten, in reizen en milieu belasten. Waarin eigenlijk niet? De sneeuw is nu nagenoeg weg. De eerste voorjaarsbloemen zijn tevoorschijn gekomen en de temperatuur bereikt de dubbele cijfers. Het voelt warm aan, maar alles is relatief. Als de temperatuur boven de twintig graden is geweest, dan is elf graden koud.
Op woensdagavond lag er nog een gesloten ijsdek, op donderdagmorgen is alles verdwenen. De vaart is teruggegeven aan de watervogels. De vertrouwde zuidwester blaast de rimpels over het water. Geknakte rietstengels herinneren aan spelende kinderen. Ik zie nog juist dat de kat van de buren een vergeefse sprong waagt naar een aalscholver die zit te mijmeren op de vlonder. Later struinen drie waterhoentjes door de tuin. Zouden hun uitwerpselen goed zijn voor het gras?
Op vrijdag is het tijd om te vissen. Mijn vangst: 4 pakjes Wiki, 2 blikjes energy-drink, 2 half afgekloven appels, 1 aansteker, 1 pakje tempo zakdoekjes, 3 plastic zakken.
Zaterdag: in Utrecht varen er kano’s door de Oude Gracht. Mensen zetten hun stoelen buiten en laten hun jassen binnen. Ik signaleer de eerste korte broek en er is al een waarschuwing voor hooikoorts afgegeven.

0

WINTERKOU

Herinnering

Op zaterdag 9 januari 1982 reizen G en ik met de trein naar Winterswijk, een plaats die op die dag zijn naam eer aandoet. Het land zucht onder een dikke laag sneeuw en de almaar toenemende vorst.
G is pas afgestudeerd en half januari gaat zij beginnen aan haar eerste baan, als sociaal cultureel werker in een buurthuis. Dat betekent dat de plichten van een werkend leven voor eeuwig in het verschiet liggen. Of tenminste voor zo’n veertig jaar. Daarom hebben we nog snel een vakantiewoning geboekt.
Die ligt bij een boerderij buiten Winterswijk. Als wij op onze huurfietsen aankomen, rijdt de boer juist met zijn tractor het land op om bruine gier over de maagdelijk witte sneeuw te spuiten.
De woning is afgescheiden van de stal. De smalle kamer annex keuken staat volgestouwd met tweedehands meubeltjes. Een steile trap, de luxe uitvoering van een leer, leidt naar een kamer die juist groot genoeg is voor een tweepersoons ledikant. Niet veel ruimte dus, maar wie twee jaar bij elkaar is vindt dat geen enkel bezwaar. In die fase zit je bij voorkeur boven op elkaars lip.
Problematischer is dat de voordeur nogal ruim in de sponningen hangt, zodat de wind de kou de kamer in blaast. ‘Het moet nog even warm worden’, had de boerin gezegd, toen ze de oliegestookte kachel aan de praat had weten te krijgen. ‘Ze zeggen dat het min twintig wordt vannacht’, voegde ze er aan toe, alsof zoiets daar elke week het geval was.

We geven het kacheltje een kans en gaan naar buiten voor een wandeling. Het land is leeg en kaal. De stilte wordt alleen verstoord door het kraken van de sneeuw onder onze wandelschoenen. Kraaien hippen tussen de maisstoppels die nog boven de sneeuwlaag uitkomen en pluimpjes rook waaien uit de schoorstenen naar de grijze lucht.
Terug in ons huisje merken we dat je alleen vlak naast de kachel enige warmte voelt. Wij schuiven onze stoelen aan. G. is bezig met het haken van een sprei, ik heb een breiwerkje. We zijn zo vooruitziend geweest om een kruikfles Berenburg mee te nemen.
Dan houdt aan het begin van de zaterdagavond de oliekachel ermee op. De boer constateert dat de grote olietank buiten, goed voor meer dan een jaar warmte, nu toevallig net zo leeg is als zijn giertank deze middag. ‘Ik ga ‘ns kiek’n of ik iemand vind’n kan’, zegt hij. We halen dekens van boven. Een uur later suist ons kacheltje warempel als nooit tevoren. Dat is het fijne van ontberingen. Dat je na afloop zegt dat je zo’n geluk hebt gehad.
Aan het einde van de avond wacht de volgende uitdaging. De slaapkamer ligt boven de koeienstal. Daarom vriest het er niet, maar daar is alles mee gezegd. ‘Het was of ik met mijn kont in een bijt viel toen ik in bed stapte’, zei mijn ome Ries ooit. Wij hebben de fles Berenburg tot kruik gepromoveerd en kruipen met ijskoude neuzen dicht tegen elkaar aan. Over het aantal dekens waaronder we lagen, lopen de meningen nog altijd uiteen. Iets tussen de vier en de zeven. Wij droegen een zware last, daar in Winterswijk, zoveel is zeker.

1

HERLEZEN

Dagelijks

Opgesloten in huis heb ik verschillende klassiekers uit de Nederlandse literatuur gelezen, zoals Lijmen van Willem Elsschot, De straat van Ina Boudier-Bakker en Dorp aan de rivier van Anton Coolen. Veel van deze boeken zijn gratis en voor niks te lezen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, een goudmijn voor wie geïnteresseerd is in literatuur uit de twintigste eeuw. Je vindt er boeken van bijvoorbeeld Vestdijk, Nescio, Bordewijk en Hugo Claus, maar ook recensies van die werken, tijdschriftartikelen en dergelijke.
Ik herlas Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen (eerste druk 1951). In mijn herinnering is dit het eerste grote-mensen-boek dat ik na mijn kinderjaren las. In ieder geval was dit het eerste boek waarvan ik erg onder de indruk was.

Het verhaal speelt zich af in de jaren twintig. De ik-figuur is een wat onzekere, katholieke jongeman die met zijn hoofd in de boeken zit en zich ver verheven voelt boven zijn leeftijdgenoten. Terwijl zij in spel en sport geïnteresseerd zijn, spaart hij voor de complete werken van Goethe. Op een zondagmiddag gaat hij naar een film in een parochiezaaltje. In het duister ontmoet hij Agnes, een bleek meisje op wie hij verliefd wordt. Tijdens zijn militaire dienst stoort hij zich hevig aan de officieren die bordelen bezoeken en zijn medesoldaten die in vulgaire taal opscheppen over hun prestaties in bed. ‘Ik wilde niets met de techniek der lage driften gemeen hebben.’ Hij wandelt tijdens zijn verlof hand in hand met Agnes en ziet zijn relatie als een verheven, geestelijk verbond.
Dan vallen hun toekomstdromen uiteen, Agnes krijgt tbc. Als duidelijk is dat zij het niet zal overleven, is hij bereid om samen met haar te sterven. ‘Toen zoende ik haar voor het eerst zoals een minnaar een vrouw moet zoenen, dronken en duizelend van verlangen.’

Marnix Gijsen

Ik begrijp nu waarom ik meer dan vijftig jaar geleden Klaaglied om Agnes zo’n prachtig boek vond. Ik kon mij als onzekere puber uitstekend identificeren met de hoofdpersoon. Weliswaar was ik bijzonder geïnteresseerd in sport en niet in Goethe, maar de keurige, katholieke zeden zaten mij in de haarvaten.
Ik verbaasde me nu over de stijl en het taalgebruik. Gijsen schrijft soms lange zinnen, van een hoog abstractieniveau, met verwijzingen naar Faust, Lohengrin, Orpheus en Euridice en naar dichtregels van Boutens. Blijkbaar vond ik als gymnasiast deze stijl heel gewoon. Ik denk dat de huidige middelbare scholier liever Elsschot op zijn lijst zet.
Het herlezen was tenslotte op één ander punt een confrontatie. Hoe ver ik ook in het boek vorderde, er kwam geen enkele herinnering aan dit verhaal meer boven. Ik wist dat het veel indruk op mij gemaakt had, maar de inhoud bleek compleet verdwenen. Als ik tegenwoordig een boek lees, moet ik het niet een week laten liggen. Zeker niet een boek met veel personages en verhaallijnen. Dan weet ik niet meer wie wie is. Dus als dat zo doorgaat heb ik over een tijdje nog meer één boek nodig. Dan kan ik na het laatste hoofdstuk weer aan het eerste beginnen.

1

ONGEBONDEN LEVEN

Dagelijks

Een klein bericht vorige week op Teletekst: ‘de Zwarte Cobra is terug in Nederland.’ De bijnaam verwijst naar drugsbaron Henk R. Hij zat sinds 2006 gevangen in de Verenigde Staten. Op Schiphol is hij direct in hechtenis genomen. Hij moet nog een poosje zitten voor enkele vergrijpen in Nederland en er loopt nog een onderzoek waarin hij verdacht wordt van een dubbele moord. Hij kreeg zijn bijnaam in de tijd dat hij nog een gewone inbreker was. Hij was zo lenig, dat hij door elk sleutelgat naar binnen kon. Slim moet hij ook zijn, want van een dief van postzegelverzamelingen werkte hij zich op tot een van de rijkste drugshandelaren van het land.
In het schooljaar 64/65 zat Henk direct achter mij aan het raam van een benedenlokaal van het Bonifatiuslyceum. Hij kwam van het katholieke internaat Don Bosco in Leusden. Ik vond het een aardige jongen. Hij was goed in sport en niet op zijn mondje gevallen. Bij het begin van het nieuwe schooljaar bleek dat hij van school af was. Katholieke scholen brengen priesters voort, onderwijzers, officieren van justitie, maar ook drugsbaronnen. Wie welke afslag neemt en wat daarbij meespeelt is een vraag die ik hier nu laat liggen. De terugkomst van de Zwarte Cobra heeft bij mij wel andere vragen opgeroepen.

Van een deel van mijn klasgenoten in dat lyceumjaar weet ik wat zij geworden zijn: dierenarts, klinisch psycholoog, ingenieur, tandarts, jurist; beroepen die je kunt verwachten van vwo-scholieren. Er zijn zijn ook klasgenoten met een andere levensloop: een kunstenaar die aan de drugs is verslaafd, een architect met een alcoholverslaving en de genoemde handelaar in drugs.
Wij waren de jongeren voor wie de volwassenwording samenviel met de vrijheidsgolf van de jaren zestig. De rem die we hadden meegekregen in de opvoeding ging eraf. Niets hoefde, alles kon. Wij werden als het ware door de tijdsgeest geholpen in het loskomen van onze ouders. En door de pil, de uitkering en de genotmiddelen. De ouders die zelf nooit die vrijheden hadden gekend werden bedankt. Ging dat niet al te gemakkelijk? Zijn er daarom generatiegenoten blijven steken in het ongebonden leven?

Ik heb er geen cijfers over, maar ik denk dat de meesten van mijn leeftijd ondanks de vrijgevochten jaren keurig op traditionele pootjes terecht zijn gekomen. Omdat zij voldoende zelfvertrouwen hadden meegekregen of omdat zij, zoals ik, de normen uit hun opvoeding stevig hadden geïnternaliseerd. Kenmerkend is wel dat de meesten die ik ken in de non-profit sector zijn beland. De jaren zestig waren geen kweekbak voor marketingmedewerkers of beurshandelaren.
Daarnaast zijn er van mijn generatie meer mensen doorgegaan met een ongebonden levensstijl. Via afwisselende bezigheden zoals een baantje in de biologische tuinbouw, een wereldreis maken, het boeddhisme bestuderen en een dichtbundel uitgeven. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar dat zegt minstens zoveel over mij. En waar verslaving om de hoek komt kijken is het gebruik van de woorden ongebonden leven discutabel. Wie zou beter af zijn: de kunstenaar die gevangen zit in zijn verslaving of de drugshandelaar die opgesloten zit tussen vier muren?

3

VITTEN

Dagelijks

Enkele jaren geleden was ik op reis met een koor. Ik had regelmatig contact met een heel vriendelijk stel. Zowel met hem als met haar kon ik het uitstekend vinden. Het ware lieve mensen bij wie ik me op mij gemak voelde. Op een ochtend zag ik hen samen in de hal van het hotel staan. Vanaf een afstandje hoorde ik een felle woordenwisseling. De meningen, correcties en verwijten vlogen over en weer. Hoe konden die mensen die zo aardig waren tegenover hun reisgenoten zo lelijk doen tegen elkaar?

Wat minder lang geleden deelde ik de wachtkamer van de huisarts met een ouder echtpaar.
‘Jij hebt je mondkapje verkeerd op’, zei de man tegen zijn vrouw. Zij reageerde laconiek.
‘Dat doe je altijd, omdat je gewoon niet goed oplet’, ging de man brommerig verder.
Ik moest denken aan wat een vriendin ooit tegen me zei: oudere stellen zitten vaak te vitten op elkaar. Ik was ervan geschrokken want ondertussen behoor ik ook tot die categorie en ik begreep waar het om ging.
Als de een spreekt over een vakantie in Italië in 2013, corrigeert de ander: dat was 2014. Vraagt de ander waar dat boek gebleven is, zegt de een: dat heb je gisteren ook al gevraagd. Er vallen woorden over de aankoop van een verkeerd merk koffie. Of de plek waar je de plakband opbergt.

Het gaat nergens over. Het betreft futiliteiten. Er is geen sprake van urgentie, er gebeuren geen ongelukken en de gewraakte opmerkingen dienen geen hoger doel. Dat de correcties tot een ander gedrag leiden is een illusie. Waarom dan gemuggenzift? En waarom zouden oudere paren zich vaker hieraan bezondigen?
Je kunt denken, dat wie ouder wordt meer behoefte heeft aan houvast. De vergeetachtigheid neemt toe. Je wilt de wereld behouden die je hebt. Stel toch, dat je niet meer weet wanneer je in Italië was! Of dat het plakband elke week weer op een andere plek ligt.
Een andere, tegenovergestelde verklaring is de volgende. Je bent al lang bij elkaar en je kent elkaar van haver tot gort. Gesprekken herhalen zich. Wie steeds dezelfde wandeling maakt of naar dezelfde muziek luistert, wil wel eens iets anders. Sleur kan tot irritatie leiden. ‘Dat doe je altijd!’
Ik geloof dat er nog iets meespeelt. Het is gemakkelijker boos te worden op degene die dichtbij je staat. Toen ik jong was viel een vader van een vriendje opeens vreselijk naar mij uit. Ik schrok en hij ook. Hij had mij voor zijn zoontje aangezien en bood meteen excuses aan. Heb je elkaar lief dan laat je eerder je irritaties blijken. Je bent er immers zeker van dat de ander je weer snel vergeeft. Als ik tegen mijn buurman begin te vitten, weet ik niet of ik daarmee de relatie bederf en of ik de volgende keer nog wel zijn heggenschaar mag lenen. Vitten op elkaar is een vorm van liefde.