Schrijven, Lezen, Leven.
0

TON

Herinnering

Het gymnasiumgebouw aan de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht

Deze week was er een reünie van het Bonifatius Lyceum. Ik liep wat verdwaald door het gebouw tussen grote aantallen onbekenden. Tussen ogen die zochten naar een teken van herkenning onder de rimpels en het grijs. Ik miste Ton.
In januari 1966, halverwege mijn tweede jaar van het gymnasium, vertrok mijn buurman naar de hbs. Het was ook het moment dat een nieuwe jongen in onze klas werd geplaatst, Ton. Omdat er naast mij een plekje vrijgekomen was werd hij als vanzelf mijn nieuwe buurman. We hadden elkaar niet uitgekozen, maar we zouden niet meer uit elkaar gaan. Tot het einde van de middelbare school, viereneenhalf jaar lang, deelden we wat er op onze weg kwam.
Ton was een jongen met een bleek gezicht en donkerblond, lang krullend haar. Hij was niet knap, maar hij had iets stoers, iets ongepolijsts waarmee hij voortdurend de aandacht van de meisjes wist te vangen. Wij verschilden op veel punten veel elkaar. Hij kwam uit een arbeidersmilieu, ik uit de middenklasse. Hij was de oudste thuis, ik de jongste. Ik maakte iedere dag mijn huiswerk, hij deed dat zelden. Zijn intelligentie en zijn bravoure maakten dat hij desondanks veelal hogere cijfers haalde dan ik.

Ton op mijn kamer, Achter St. Pieter, in 1980

Wat heeft ons gebonden, vraag ik mij nu af. We toepten iedere dag met elkaar. Daarin waren wij het meest fanatiek van de hele klas. We holden op vrijdagmiddag in de pauze naar een platenzaak om de nieuwe Top 40 te halen. We maakten lol. Het gymnasium met alle aandacht voor de klassieke oudheid, voor het cultureel verhevene van de Franse barok en de Engelse poëzie, het boeide ons bar weinig. We waren aan het overleven. De school was een oefening in plichten en uithoudingsvermogen. Na het eindexamen wachtte de vrijheid, dan zouden we worden losgelaten en konden we onze eigen gang gaan, zo voelde het.
Ton ging rechten studeren, ik psychologie. Niet alleen in deze keuze liepen onze wegen vanaf toen uit elkaar. We aten weliswaar elke dinsdag frietjes op de mensa en elke vrijdag nasi bij Veritas. We voetbalden nog wel eens als jonge honden op straat. Maar hoe meer de tijd verstreek, hoe minder we elkaar zagen. Hij grossierde in vriendinnen, ik was ernaar op zoek. Zijn kamer was een puinhoop, ik hield van opgeruimd. Hij liet zich leiden door wat hij tegenkwam, ik legde mijzelf hoge eisen op. Aan het einde van onze studietijd was onze vriendschap gekrompen tot een toevallige ontmoeting in de stad. Of Ton belde mij omdat hij wilde weten wat de titel van een of andere elpee was. Ik vroeg dan hoe het met hem was, ik wilde herinneringen delen. Als ik voorstelde om weer eens een afspraak te maken hield hij de boot af. ‘Ik ben erg op mijzelf.’

In 2004 las ik tijdens het ontbijt zijn overlijdensadvertentie in De Volkskrant. Even later, op de fiets naar mijn werk, kreeg ik tranen in mijn ogen, van verdriet maar misschien nog wel meer van nijd. Ton was er niet meer. Godverdomme, zei ik hardop in mijzelf, fietsend tussen de Bilt en Zeist. En nog eens, godverdomme. Ik kon nu nooit meer verhalen ophalen over hoe het was geweest. Over alles wat we met elkaar hadden gedeeld.
Ik toepte over, hij ging weg. Had ik de beste kaarten gekregen?

0

FAMOUS BLUE RAINCOAT

Herinnering

Op de radio klinkt een lied, ik herken het direct, maar de titel en de zanger komen niet in me op. Het moet heel lang geleden zijn, dat ik deze muziek gehoord heb. Het is een trage Engelstalige ballad gezongen door een man die zichzelf op een gitaar begeleidt. Hij heeft een monotone, melancholieke stem en hij zingt het lied op een bijna verveelde manier, alsof het hem niets kan schelen hoe het klinkt. Dat kon Leonard Cohen wel eens zijn, bedenk ik. Het voelt als het toppunt van somberheid. Bij de afkondiging spits ik mijn oren naar het kleine radiootje in onze keuken. Famous blue raincoat heet het lied, van, inderdaad, Leonard Cohen.


Flarden van regels komen terug: and Jane came by with a lock of your hair. Ik heb geen idee waar de tekst over gaat. Ik luisterde vroeger nauwelijks naar de tekst. Het was de melodie die mij meenam. Ik lees nu op internet dat het een nummer is van de elpee Songs of love and hate. Dan komt er meer in mijn herinnering terug. Het is 1971, ik zit in het tweede jaar van mijn studie. In die tijd heb ik regelmatig contact met medestudent H. Hij is weg van Leonard Cohen, omdat die zo ‘heerlijk depressief’ klinkt. Hij zegt het met een lach, maar hij meent het. Luisterend naar Cohen kan hij wegzakken in somberheid, want het leven is nu eenmaal vreselijk zwaar.
Ik sta versteld van H.’s zwelgen in negatieve gevoelens. Ik moet in die jaren iets van sombere gevoelens opgemerkt hebben, was het niet bij mijzelf, dan toch zeker bij mijn vader. Maar het aandacht geven aan en zeker het opzoeken van die donkerte was me volkomen vreemd. Zo was ik niet opgevoed. We waren ons nauwelijks bewust van gevoelens, positief of negatief. Er werd nooit over gesproken.

Beeld: www.issuu.com

De eerste jaren van mijn studie psychologie hielpen er ook niet bij. Ik leerde hoe je muizen moest leren om een hekje te openen, hoe de beelden die je ziet omgekeerd naar de hersenen worden gestuurd en wat de voorwaarden zijn voor deugdelijk wetenschappelijk onderzoek. Met mensen en met gevoelens had dat niets te maken. Totdat een assistent in een studiegroep opeens zei, dat hij het gesprek zó spannend vond, dat hij met het zweet in zijn handen zat. Hoe durfde hij daarover zo eerlijk te zijn? Voor het eerst realiseerde ik me dat het tonen van je gevoelens een teken van kracht kan zijn.
Daarna deed de sensitivity training zijn entree: hoe sta je in de groep en hoe komt de ander op jou over? Het was opnieuw vriend H. die voor de volgende confrontatie zorgde. Hij had een spel over emoties gekocht. Het doel was om boosheid, opgewektheid of verlangen uit te beelden met, al naar het kaartje dat je kreeg, je gezicht, je handen, je hele houding. Ik wrong mij in diverse bochten om ‘hoop’ met mijn lijf uit te drukken. Dat was eens maar nooit weer.
Ondertussen draaft Jane de hele week al met the lock of your hair door mijn hoofd. Hoe dat in mijn hersenen verloopt heb ik nooit geleerd.

1

PAARTIJD

Dagelijks

De bomen staan op ontbotten, de wind waait om het huis, de regen slaat neer op de tuintegels en het stel meerkoeten achter ons huis heeft het voorjaar in de bol. Door het jaar heen zwemmen ze wat heen en weer, de kop meebewegend in de richting die ze gaan, zodat ze zich niet vergissen. Ze duiken onder water om voer te zoeken en zijn vooral bezig om andere watervogels uit hun leefgebied te jagen. Dan zwemmen ze met hun kop half onder water, zodat de vijand hen niet ziet. Ze voeren het tempo op en fladderen opeens met veel kabaal over de vaart. Vliegen kan je het niet noemen. Het is snelwandelen over het water.
Maar nu laten de meerkoeten hun gewoonten even varen. Het is tijd om te paren. Anders dan bij veel andere vogels is er in meerkoetenland geen waarneembaar onderscheid tussen het mannetje en het vrouwtje, zodat wij continu zitten te gissen wie wie is. Beide soorten hebben een gelijk aandeel in het uitbroeden van de eieren, beide zijn even actief in het voeren van de jonkies. Maar in deze paartijd tonen ze dan eindelijk hun ware aard, tenminste zo zie ik het. G. is er nog niet helemaal zeker van.

Dit jaar gaat het vrouwtje voortdurend op een plek in het riet achter ons huis zitten. Een nauw omsloten plaats die enige beschutting geeft. Maar wel met een ondergrond van stoppelige stengels. Dat lijkt me geen ideale plek, maar ik ben dan ook geen meerkoet. Het beestje gaat daar zitten als een oude vrouw die uitrust op een bankje in een park. Ze heeft de tijd, ze doet verder niets. Ze wacht. Dat kan een tijd duren. De twee meerkoeten zijn vaak langere tijd niet bij elkaar in de buurt. Ze lijken elk een beetje een eigen leven te hebben, dat ziet er wel geëmancipeerd uit.
Het vrouwtje wacht en wacht en dan komt op zijn dooie gemak het mannetje aanzwemmen. Als een oude heer die zijn vaste ochtendwandelingetje in het park maakt. Hij kijkt eens naar links, hij kijkt eens naar rechts, alles kalm en bedaard. Als hij in de buurt van het vrouwtje komt, tenminste de meerkoet die ik ervan verdenk het vrouwtje te zijn, verandert hij nog niet van gedrag. Je zou verwachten dat hij beleefd zijn hoed afzet en ‘mòògge’ gaat zeggen tegen de vrouw op de bank. Of dat hij zonder omkijken aan haar voorbij loopt. Maar dan, op het laatste moment, vlak voor hij haar voorbij is, lijkt hij van gedachten te veranderen. Ik heb dit al een paar maal zien gebeuren. De mannetjesmeerkoet koerst op het vrouwtje af. Kruipt er wat onhandig bovenop, alsof hij last heeft van stramme spieren. Hij zit een fractie bovenop haar, een of twee tellen, dan stapt hij weer het water in, de klus is geklaard. Het vrouwtje volgt. Ze zijn weer in de modus van het schijnbaar doelloos heen en weer zwemmen. Geen glimp van opwinding, geen teken van genot. Het zakelijke neuken, ik kan het niet anders betitelen.

0

BOVENOOGLID

Dagelijks

Ik zit aan de ontbijttafel en schenk een kop thee in. Ik ben wakker, zoveel is zeker, maar tegelijkertijd ben ik nog niet met al mijn zintuigen paraat. Het ontwaken is nog niet geheel voltooid. Ik zie dat G. naar me kijkt en dat haar iets opvalt. Scheerschuim op mijn oren, een scheerwondje op mijn kin, mijn overhemd niet goed dichtgeknoopt, zoiets.
‘Heb je vast geslapen?’
‘??’
‘Je ene ooglid valt over je oog.’
Ik voel nu zelf ook een kleine ongerechtigheid boven mijn linkeroog. Ik haat het als ik zelf niet in de gaten heb dat iets niet goed is. Als iemand opmerkt dat ik er moe uitzie of kringen onder mijn ogen heb. In een klap ben ik helemaal wakker.
‘Ach, wat. Dat verdwijnt wel weer.’
Dat mijn beide kleindochters ook aan tafel zitten maakt het er niet beter op. Ze kijken fris uit hun ogen, vol energie, zijn een toonbeeld van jeugdige schoonheid. Daar zit ik met mijn oude lelijkheid tegenover.
‘Misschien kan je het een beetje wegwrijven’, probeert G. te helpen.
Om niet te eigenwijs te lijken volg ik haar advies, met weinig overtuiging.

Na het ontbijt loop ik toch eens naar de spiegel. Ik zie een hond met treurige ogen. Het is niet meer dat frisse gezicht waar iets van uit gaat. Al was ik me lange tijd niet van de aantrekkingskracht bewust. Ik hoorde de complimenten pas toen het voorbij was. Ik duw het vel nog eens omhoog, tevergeefs. Dingen vergeten, kale plekken op mijn hoofd, complexe detectives niet meer kunnen volgen, spieren die verslappen, van alles hangt omlaag. Het is niet te vermijden. Het hoort bij de leeftijd, dus waarover zou ik me druk maken? Ik hoef geen vrouw meer te veroveren, geen sollicitatie te doen, geen indruk te maken. Het belang van het oordeel van anderen wordt geringer naarmate de leeftijd vordert. Dus waarom mij elke dag scheren? En dat oudemannenvest is weliswaar versleten, maar wat maakt dat uit? Of is dit gespeelde bravoure? Ik probeer wel in conditie te blijven.

Later die dag, als de kwaal nog niet geheel is weggetrokken, raadpleeg ik dokter Google. Het is niet het ooglid dat voor mijn oog hangt, maar het bovenooglid. Het is voor het eerst dat ik dit woord lees. ‘U kunt 1 of 2 hangende bovenoogleden hebben’, aldus thuisarts.nl. Dat scheelt dan weer, het aantal is te overzien. Misschien is twee voor de symmetrie eigenlijk wel zo aardig. De klacht is veelal, dat je minder goed kan zien. Er hangt een vervelende flap voor je pupil. ‘Het kan ook zijn dat u geen klachten heeft, maar dat u een hangend oog niet mooi vindt.’ De website noemt niet de mogelijkheid dat de partner er klachten over heeft. Is er een medische noodzaak dan wordt een operatie vergoed. Voor een cosmetische correctie moet je zelf je portemonnee trekken.
Ik kan er nu nog luchtig over doen, mijn bovenooglid heeft zich weer teruggetrokken. Het is een delicate balans. Laat ik het even afkloppen.

0

AORAKI

Reizen

De regen komt met bakken uit de hemel. Op de vijf meter van de auto naar de motelkamer worden we al nat. Vochtige donkere afdrukken van onze schoenzolen blijven achter op de witte tegels van de entree tussen de haastig neergeplofte koffers, rugzakken en boodschappentasjes.
In de standaard kamer domineert het grote bed. Rijen kussens nodigen uit om te komen liggen. Het donkerbruine behang met sierlijke blauwe bloemen achter het hoofdeinde is van een ongekende lelijkheid. Vanuit het bed kijk je op een mega televisiescherm. De wand tegenover de ingang is één groot raam. Achter de donkergrijze regensluiers zijn vaag enkele contouren van bergen te zien. Dichterbij kijken we uit over een rotsige tuin die me nog het meest doet denken aan de tuin van een crematorium. Ik ben moe.

We zijn de hele dag onderweg geweest om ons van de oostkust van Nieuw-Zeeland te verplaatsen naar de omgeving van Mount Cook, door de Maori Aoraki genoemd, de hoogste berg (3700 m) van Nieuw-Zeeland. We reden zuidwaarts, met de zon in de rug. Hoe verder we kwamen, hoe ruiger het landschap. Verdorde berghellingen, verlaten vlaktes, hier heerste de natuur. De zon lichtte het water van Lake Pukaki fel turquoise uit. Alsof het meer zich wilde afzetten tegen het grijs en bruin van de omringende bergen. Het landschap als een ansichtkaart, met om de paar kilometer uitwijkplaatsen voor het maken van foto’s. Toen de regenwolken verschenen was het afgelopen met het gelonk van het meer.

In de kamer is een keukenblokje. Er mag echter geen geurig eten worden klaargemaakt, zoals vis. In dat geval volgt, aldus het management dat het ieder graag naar de zin wil maken, een boete in verband met extra schoonmaakkosten.
G. loopt mopperend heen en weer.
‘Er is hier geen enkel haakje om je jas op te hangen.’
‘Kijk eens in de kast’, opper ik. In een hoek staat een smal kastje.
‘Twee planken en twee laden, dat is alles.’
Ook in de badkamer is geen haakje te vinden, zelfs niet voor het ophangen van de mega handdoeken. Er is wel een spa. Dat is voor al die mensen die na een vermoeiende helikoptervlucht over de gletsjer aan wat ontspanning toe zijn. ‘Please do not hesitate to contact us if you have any concerns’, schrijft het management.
Ondertussen ben ik al een paar keer gestoken. Om de jeuk van het rode bultje tegen te gaan maak ik er met mijn nagel een kruisje op. Zo deden we dat in mijn jeugd. De komende dagen zal blijken dat dit met steken van de sandflies niet de goede strategie is.

Ik maak een gerecht met kerrie, de geur verspreidt zich door de kamer. Later die avond dompelen we onze vermoeide ledematen toch maar onder in het warme, bruisende water van de spa. We hebben onze zorgen om het milieu en het spaarzaam gebruik van energie ook voor een paar weken op vakantie gestuurd.
Als we de volgende morgen de gordijnen openen worden we verrast door het mooiste uitzicht dat we ooit vanuit een hotelkamer hadden, zie hiernaast.

2

DOUBTFUL SOUND

Reizen

Om zes uur in de ochtend word ik wakker. Ik hoor het gebrom van de motor. We varen dus weer. Ik draai op mijn rug en kijk naar de onderkant van het bovenbed. Links van mij ligt G., ook onderin een stapelbed. In de smalle tussenruimte staat een trapje. Tegen het plafond is een patrijspoort. Toen ik gisteren erdoor keek zag ik vlak onder het raam het water en het schuimspoor van het schip.
Ik twijfel of ik mij nog een keer zal omdraaien. De buitenwereld trekt, dus kleed ik me aan. Als ik naar boven loop zie ik het donker nog achter de ramen. Zodra ik de buitendeur open stroomt de koude lucht mij tegemoet.
Op het voordek ontwaar ik in het duister nog enkele vroege vogels, de mutsen of de hoodies strak om het hoofd getrokken. In het westen komt de straling van de maan maar net boven de bergranden uit. In het oosten zie ik een streep oranje boven de toppen, daarboven kleurt het paars, daar weer boven hangen zwarte wolken. De boot breekt in een rustig tempo het gladde oppervlak van het water. De masten vangen het eerste daglicht op. Het geluid van een meeuw is het enige dat boven het zachte brommen van de motor uitkomt. De lucht boven ons wordt lichtgrijs. Geleidelijk krijgen de hellingen aan weerszijden wat kleur, van donkergrijs naar donkergroen. Terwijl de schemering zich oplost in het licht bereiken we de Tasmanzee. Het schip steekt zijn boeg ver omhoog tegen de golven, duikt daarna weer diep naar beneden. In de verte ontwaar ik een deinende albatros. De zeewinden voorkomen niet dat er een geur van verse koffie en warme croissants over het schip trekt. Een cruise gaat niet zonder luxe.

Na een rondje over zee keert het schip terug in de rustige wateren van de fjord, de Doubtful Sound. De boot vaart een van de zijarmen binnen. Het is nu volkomen licht, de zware wolken zijn verdwenen, een bleke zon schijnt op de toppen van de hellingen. We zijn in het Fiordlands National Park aan het uiteinde van Nieuw-Zeeland, voor ons Europeanen het uiteinde van de wereld. Wij, mensen, zijn altijd benieuwd naar wat er komt na de volgende bocht, aan de overkant van het water, achter de volgende top. Bovendien willen we de natuur in zijn meest oorspronkelijke vorm ervaren. Daar willen wij zijn, het is de paradox van het toerisme.
Aan het einde van de arm blijft het schip liggen, de motor gaat uit. De kapitein vraagt alle mensen aan boord om tien minuten stilte te houden. De rust die ontstaat is immens. We kijken naar het donkere, bijna spiegelgladde water, naar de groene hellingen, naar de kleine witte wolken daarboven, naar de zon die terrein wint. 95% van dit gebied is ongerepte natuur, niet door mensenhanden aangeraakt. Ik vind de stilte indrukwekkend. We maken met zijn allen een diepe buiging voor de natuur, voor wat al duizenden jaren bestaat. Ons leven is een fractie daarvan. Maar in die fractie laten we wel onze sporen na, veel meer dan goed is voor deze aarde. Kan zo’n boottocht eigenlijk wel?

1

BRUCE EN ESMEE

Reizen

Aan het einde van de middag komen wij aan bij Bed and Breakfast Lauder School. We worden ontvangen door een ouder echtpaar dat buiten in de schaduw onze komst heeft afgewacht. De eenentwintig graden die de thermometer aangeeft mag dan aangenaam klinken, in Nieuw-Zeeland schijnt de zon ongenadig, je bent verbrand voor je het weet.
De man en vrouw stellen zich voor als Bruce en Esmee. Zij vragen geïnteresseerd naar onze fietstocht en onze vakantie. De B & B, gevestigd in het voormalige dorpsschooltje van Lauder, staat geheel tot onze beschikking, er zijn vandaag geen andere gasten. Omdat zij er zelf niet wonen, leggen Bruce en Esmee uit waar we alle benodigdheden voor het ontbijt kunnen vinden: de toast, de thee, de melk, de cereals.
Onze fietstocht ging door de weidse valleien van Central Otago. De afgelegen boerderijen en de koeien in de groene dalen waren omgeven door ruige berghellingen, geel van het dorre gras, zanderig bruin of stenig grijs. De tijd had er stilgestaan, in honderd jaar leek er weinig veranderd.

De Edwin Fox, gebouwd in 1853.

In de tweede helft van de negentiende eeuw waagden talloze Engelsen en Schotten de sprong in het onbekende. Na een verblijf van meer dan drie maanden op een krap stromatras in het donkere ruim van een houten zeilschip, kwamen zij onder meer naar deze dalen om met weinig middelen een bestaan als boer op te bouwen. Zij lieten schapen en koeien overkomen, later ook hazen en konijnen. Er moest immers – net als thuis – wel wat te jagen zijn. De pioniers regelden alles zelf. De overheid speelde nauwelijks een rol. Waar er problemen waren hielpen de boeren elkaar. Ook in Central Otago was er sprake van een sterke onderlinge solidariteit.

Om de afgelegen regio te ontsluiten werd er, mede ten behoeve van de goudwinning, een spoorweg aangelegd. Vanaf toen tufte er iedere dag een locomotief met wagons door de dalen, omhoog langs rotsformaties, door tunnels, over smalle houten bruggen, gestut door een groot aantal verticale en diagonale palen, boven snel stromende rivieren. De trein stopte op vele plaatsen. Soms gaf alleen een plaatsnaambord aan waar men kon opstappen. Op andere plekken waren er houten abri’s, laadperrons of opslagloodsen. Met de toenemende welvaart nam het aantal reizigers af. In 1994 moest de trein het definitief afleggen tegen de auto, het verreweg meest gebruikte vervoermiddel in Nieuw-Zeeland, ook lokaal. Van het spoortraject is daarna voor sportievelingen en toeristen een fietspad gemaakt, dat wil zeggen: een steenslagweg, vooral geschikt voor mountainbikers. Wij fietsen twee dagen deze route.

Terwijl ik het ontbijt klaarmaak komen Bruce en Esmee binnen. Zij houden van een praatje. Ze zijn behulpzaam, sociaal en actief in hun eigen gemeente. Woonden zij in Nederland, dan waren het actieve PvdA’ers geweest, zo lijkt mij. Totdat het gesprek op de overheid komt en mijn beeld in duigen valt. Dan spreken zij over bureaucrats en bullshit bunker (de overheid).
In Nieuw-Zeeland lopen de boeren nu te hoop tegen het 3Waters-program. Hiermee probeert de landelijke overheid haar zeggenschap over het waterbeheer te verhogen. De boeren willen echter hun zaakjes zelf regelen. Zo hebben zij het altijd gedaan.
Na het ontbijt stappen we weer op onze zware mountainbikes. We worden hartelijk uitgezwaaid.

3

NIEUW-ZEELAND

Reizen

In 1642 was Abel Tasman de commandant van Batavia. Hij kreeg van de Verenigde Oost-Indische Compagnie de opdracht om nader te onderzoeken wat er aan handel mogelijk was met het reeds ontdekte Australië, dat toen nog Nieuw – Holland heette. Wij, Hollanders, waren immers de baas op de wereldzeeën. Het was een periode die later nog menige premier inspiratie zou geven (‘de VOC-mentaliteit!’, ‘koersen zonder bakens’).
Tasman ging met twee kleine schepen op weg. Na weken varen kwam er land in zicht, geen Nieuw – Holland, maar een nog onontdekt eiland. Ondanks het kabaal dat zijn mannen maakten dook er niemand uit de bosjes op. ‘Ongeschikt voor de handel’, noteerde Tasman en hij gooide de trossen weer los. Later zou zijn naam aan dit eiland verbonden worden.
Na een tweede periode van dolen door het oneindige waterlandschap dook er opnieuw een onbekend land op. Op dit eiland verschenen al snel mensen aan de kust. ‘De ontmoeting verliep erg stroef’, zo lees ik op Wikipedia en nadat bij vier Hollanders de nek was omgedraaid, besloot Tasman dat het niet de omstandigheden waren om de eilandbevolking wat mooie staaltjes textiel te laten zien. Omdat de wereld ‘in kaart moest worden gebracht’, gaf men wel een naam aan de eilanden: Nieuw-Zeeland.
Het zou nog meer dan honderd jaar duren vooraleer het de Brit Cook lukte om een handeltje op te zetten. Pas in de 19e eeuw gingen de Britten en Ieren wonen op wat toen en nu nog altijd Nieuw – Zeeland heet, twee grote eilanden, in de vorm van Italië. De Maori’s die zich enkele eeuwen voor Tasman op de eilanden gevestigd hadden, noemen hun land Aotearoa, ‘land van de lange witte wolk’. Het is het meest geïsoleerde land van de wereld, voor ons het andere uiteinde van de aarde, een plek waar je sommige mensen wel eens heen zou wensen.

0

WACHTEN IN DE WINKEL

Herinnering

De winkelbel klinkt schril als ik voorzichtig de deur open. Een sterke geur van leer dringt in mijn neusgaten. Bij het sluiten van de deur klinkt de bel opnieuw. Dat is eigenlijk overbodig want de schoenmaker staat achter de kleine toonbank. Hij draagt een lichtbruine stofjas. Zijn dunne haar is strak naar achteren gekamd. Voor de toonbank staat een vrouw in een donkerblauwe jas.
‘Ga jij eens even naar Bertus van de Berg’, had mijn moeder gezegd. ‘Papa heeft nieuwe veters nodig voor zijn zondagse schoenen.’ Ik liep te voetballen tussen het huis en de schuur. Ik was DOS en ik was net bezig om Feyenoord te verslaan en ik had geen zin om veters te halen. Jongens van acht hebben nooit zin om een boodschap te doen. Na enig getreuzel fietste ik naar de Stationsstraat. De zaak zat tussen de manufacturenwinkel van Sterk en boerderij Dakveld. Toen ik mijn fiets neerzette zag ik een paar grote zeugen op het stuk kaalgevreten grond voor de boerderij.
De mevrouw en de schoenmaker zijn druk met elkaar in gesprek. Dat wil zeggen, de vrouw is aan het woord, Van de Berg knikt af en toe of antwoordt: ‘ja, ja’ of ‘zo, zo’. Het gaat niet over schoenen. Ik word al snel ongeduldig. Ik voel in mijn broekzak of de veter er nog inzit, die mijn moeder mij heeft meegegeven.
Het is een kleine schoenenwinkel. De wanden staan tot aan het plafond vol met schoenendozen: Van Haren, Swift, Hevea, van Gils, Robinson, Huf. Naast de toonbank is een vak voor veters en schoensmeer, Tana en Erdal.

Foto: Ingrid Geerdink

Achter het winkelwoonhuis is de werkplaats. Meestal zit de schoenmaker daar, aan een tafeltje met tangen, hamers en vijlen, met de lijmpot en de lijmtangen en met de gietijzeren mal waar hij een schoen overheen kan trekken om te verzolen. Aan de wand hangen hakken en zolen, gespen en teenstukken. Op de grond staan de gerepareerde schoenen, waar de bon uitsteekt. ‘Van welke Van Dijk ben jij er een’, vroeg hij mij eens. Er wonen veel Van Dijken in het dorp.
Het gesprek in de winkel gaat nog door. Hebben zij wel in de gaten dat ik ook in de winkel sta? Ik doe een paar stappen opzij. De blik van de schoenmaker blijft op de vrouw gericht. Hij maakt nog geen aanstalten om het gesprek af te ronden en mij te helpen. Ik begin een hekel te krijgen aan die vrouw met haar hoofddoek. Als er voor het eerst een stilte valt, krijg ik hoop. Buiten beginnen de klokken van de Willibrorduskerk te luiden.
‘Is er iemand overleden?’, vraagt Van de Berg.
‘Ach, ja, heb je dat niet gehoord?’ Ze noemt een naam en vertelt hoe de man aan zijn einde gekomen is en dat het allemaal zo erg is voor zijn vrouw. Ik zucht. Dit gaat nog lang duren.
‘En hij was nog zo jong’, zegt zij klagerig, ‘zóó jong.’
Na een ogenblik vraagt de schoenmaker aarzelend: ‘Hoe… oud was ie?’ Ik ben nu ook geïnteresseerd.
‘Hij was nog maar drieënvijftig!’
Nu weet ik zeker dat dat mens niet goed bij haar hoofd is. Drieënvijftig, dat is hartstikke oud.

Eerder verschenen in het blad van de Historische Vereniging in Vleuten.

0

EEN MOOIE WEDSTRIJDTAFEL

Herinnering

Geconcentreerd en gespannen wacht ik de service van de tegenstander af. Ik sta een eindje achter de tafel, want ik verwacht een opslag met veel topspin. Met een flinke kapbeweging weet ik de service te retourneren. De bal stuitert iets te hoog op, zodat mijn tegenspeler met een flinke slag in de aanval gaat. Zweetdruppels vliegen in het rond. Bij elke smash van mijn tegenstander hoor ik de harde klap van zijn voet op de grond. Dan raakt de bal aan mijn kant de rand van de tafel en ben ik volstrekt kansloos. Altijd hetzelfde, denk ik misnoegd. Dat gebeurt mij weer.

Gymnastiek bij Juvenalis en voetbal bij PVCV, dat zijn in mijn jeugd de sportclubs in Vleuten. Halverwege de jaren zestig komen daar andere sporten bij. Er worden tennisbanen aangelegd, een zwembad gebouwd. In 1964 wordt tafeltennisclub Fletio opgericht. Al snel meld ik mij aan.
Bij ons thuis ging wel eens het kleed van de tafel in de kamer. Dan spanden we een eenvoudig netje en sloegen het balletje met harde, houten batjes zolang mogelijk naar elkaar over.
Tafeltennissen bij Fletio is andere koek. We spelen op grote wedstrijdtafels en volgens de officiële regels. Eenmaal per week trainen we in de gymzaal. Op zaterdag spelen we competitie. Al snel beland ik in het eerste jeugdteam.
Tafeltennis wordt voor mij een uiterst serieuze aangelegenheid. Ik koop een professioneel batje, zo een met sponsrubber aan beide zijden. Daarmee kan je de bal mooie effecten meegeven. Het batje bewaar ik zorgvuldig in een beschermhoes. Er gaat een handdoek mee om de greep van het batje droog te houden. Ik heb een boekje gekocht waarin de verschillende technieken staan beschreven. Winnen is het enige dat telt. Maakt de scheidsrechter een telfout, dan schiet ik uit mijn slof. Speelt een tegenstander alleen maar verdedigend en sla ik de bal in het net, dan vind ik dat eigenlijk niet eerlijk. En wee degene die deze sport ping-pong noemt.

Aan Sinterklaas vraag ik een heuse wedstrijdtafel, groen met witte randen. Dergelijke dure cadeaus worden bij ons thuis eigenlijk niet gegeven, maar voor mij wil Sinterklaas wel een uitzondering maken. Ik vind dat volkomen terecht. Het zal mij in staat stellen om dagelijks te oefenen, zodat ik iedereen kan verslaan. Dan ligt er een mooie toekomst voor mij open.
Uiterst voorzichtig draag ik samen met mijn vader de eerste helft van de glanzende tafel omhoog. Al snel zitten we vast in het donkere trapgat. We dalen weer af over de loper met koperen roeden, draaien de tafel en beginnen opnieuw. Maar hoe we het ook proberen, het trapgat blijkt te klein voor de wedstrijdtafel. Ook de ramen boven zijn niet berekend op het transport van tafeltennistafels.
Ik kan het niet geloven, zoiets overkomt mij weer. Mijn vader wil mijn teleurstelling wegnemen. Hij schenkt de tafel aan de jonge vereniging Fletio en bestelt een kleiner exemplaar.

Eerder verschenen in het blad van de Historische Vereniging in Vleuten.