Schrijven, Lezen, Leven.
0

IN DE GEEST VAN LENIN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (15)

De plannen van de partij – zijn de plannen van het volk

Met een groep Nederlanders ben ik in een bus onderweg naar het Rode Plein in Moskou. ‘Het leninisme is ons vaandel’. ‘De besluiten van het 25e congres worden uitgevoerd’. Het wordt ons vanaf spandoeken duidelijk gemaakt. We rijden te midden van vrachtwagens en bussen uit de vijftiger jaren. Bij een verkeerslicht staat een bus stil, de chauffeur staat gebogen over de geopende motorkap, een emmer water naast zich.
Wij hadden lang moeten wachten op onze bus en toen die er eenmaal was moest er nog een andere chauffeur komen. Op het Rode Plein volgt een nieuwe wachtperiode, ditmaal voor het mausoleum van Lenin. Enkele bouwvakkers stappen van een steiger bij de muur van het Kremlin. Pas op het laatste moment, zie ik dat het vrouwen zijn. Een vrouw in een overall vol met steengruis doet haar handschoenen uit en strijkt een piek haar achter haar oren.
Het is 1976 en ik ben met een groep op reis in de Sovjet-Unie. Na alle negatieve verhalen in Nederland over de vijand achter het IJzeren Gordijn wil ik eens met eigen ogen bekijken hoe men hier het ‘reële socialisme’ vormgeeft. Het is een reis met sociale excursies.

Zo gaan we op bezoek in een kindervakantiekolonie, een erehaag van kinderen in uniform wacht ons op. Onder begeleiding van een tandeloze accordeonist voeren zij liedjes op, gymnastische oefeningen en ballet, alles zeer gedisciplineerd. Na het Ka-ka-lin, ka-ka-la van de Oktoberjeugd is het onze beurt. Wij zingen enkele Nederlandse kinderliedjes. Vooral Mijn tante uit Marokko waarbij de kinderen de bewegingen mee kunnen doen is een groot succes. Pas na twee toegiften mogen we het podium verlaten, waarna een leidster, ‘sprekend in de geest van Lenin, de kindervriend’ ons hartelijk bedankt.
Onze groep bestaat uit enkele links georiënteerde jongeren, naast deelnemers die niet in de politiek geïnteresseerd lijken. Ik kijk de eerste dagen de kat uit de boom en probeer me aardig voor te doen. Ik heb mede ingetekend op de reis om mensen te leren kennen, schrijf ik in mijn vakantiedagboekje; waarna ik mezelf direct corrigeer: ‘Mensen? Meisjes zal je bedoelen, held op sokken, stille bewonderaar, dagdromer’.

Onder luide aanmoedigingen dans ik met een dame op mijn rug

Er staat een feestavond op het programma met de jeugdafdeling van de communistische partij in een textielfabriek. ‘Dus kleed maar je beste kleren aan’, zegt Irina, onze Nederlands sprekende begeleidster. In de kantine worden we aan tafeltjes gezet tezamen met medewerksters uit de fabriek. Het zijn jonge vrouwen met geverfde haren, rode lipstick en vooruit staande borsten. Het hoofd van de afdeling verwelkomt ons met de leuzen van het 25e congres: vrede en solidariteit. Zij eindigt met de aanbeveling om eerst met elkaar kennis te maken. Achterin de kantine zet een jongen Dynamite van Mud op. Helaas spreken de dames aan onze tafel enkel Russisch, zodat we niet veel verder komen dan de uitwisseling van onze namen en woonplaatsen. De Riesling gaat open en er zijn sneetjes met ham en stukjes meloen. Vervolgens ook ijs, morozjenowo zeg ik Swetlana na.
Gelukkig hebben wij nog onze tante uit Marokko, de stoelendans en de zevensprong. De Russische dames zingen een lied, aan het einde waarvan zij ons allemaal bestormen, waarna we ons uit een kluwen van lijven moeten bevrijden. Er wordt nieuwe Riesling gebracht. En wodka. Ondertussen heb ik alleen maar aandacht voor één vrouw uit onze groep, Karin.

(wordt volgende week vervolgd)

0

BIDDEN OP DE TOP

Reizen

Midden in een Noord-Griekse vlakte staan reusachtige, pilaarvormige rotsen. Holen in deze rotsen werden vroeg in de Middeleeuwen gebruikt door kluizenaars. Om zich te beschermen tegen rovers en krijgsheren, klom ene Anasthasiou in de veertiende eeuw met een aantal kornuiten omhoog langs de loodrechte rotswanden. Bovenop de rots bouwde hij een klooster. Het werd een doorslaand succes. Het voorbeeld kreeg grif navolging, zodat er in de 17e eeuw vlak bij elkaar 24 kloosters op de top van een rots gevestigd waren. Dichtbij de hemel en niet gestoord door Servische of Turkse heersers, konden de kloosterlingen hun leven in alle rust aan God wijden. Bijkomend voordeel was, dat ook de belastingambtenaar zich niet aan halsbrekende toeren waagde.
Tegenwoordig zijn er nog 6 kloosters over. Er zijn stenen trappen en loopbruggen aangelegd, zodat de paters niet meer met een net omhoog gehesen hoeven te worden, zoals tot in het begin van de twintigste eeuw gebeurde. De trappen worden vooral gebruikt door toeristen. Op onze rondreis door Noord-Griekenland wilden wij dit werelderfgoed, Meteora, niet missen.

In de 11e eeuw is de verwijdering tussen de westers katholieke kerk van Rome en de oosters katholieke kerk van Constantinopel uitgelopen op een schisma. Officieel had de ruzie iets te maken met de vraag of de Heilige Geest via Jezus spreekt of via God; een onbenullige zaak, waar ik me als niet-gelovige alleen maar over kan verbazen. Hoewel de overeenkomsten in het geloof groot zijn, zien de oosterse kerken er anders uit dan de westerse. Ze zijn veel kleiner en er staat een wand vol iconen voor het altaar.
Als wij hijgend en zwetend opgeklommen zijn naar het klooster van de heilige Nikolaos Anapafsas, komt de geur van wierook ons tegemoet. Uit luidsprekers klinkt eentonig en langdradig gezang van mannen, die nog wel een zanglesje kunnen gebruiken.
De wanden van de kleine kerk zijn beschilderd met bijbelse taferelen en afbeeldingen van heiligen; platte schilderingen met uitdrukkingsloze gezichten, de hersenen op het kale hoofd zijn soms geaccentueerd om de wijsheid te benadrukken. Het zijn veel mannen met baarden, maar hier en daar zijn er geslachtloze wezens die een volwassen uitziend kind op de arm dragen. Er is veel goud wat er blinkt.
Vanuit de koepelplafonds hangt van alles omlaag: koperen en zilveren kandelaars, wierookvaten, lampen, eivormige ballen met kwasten (zoals je die in sommige kermisattracties moet zien te grijpen).
Eén van de kloosters, Roussanou, wordt nu bewoond door nonnen.
‘Daar moeten we eigenlijk ook naar toe’, zegt G en ik vind dat ze gelijk heeft.
Bij de kaartjesverkoop zit een oude non met een streng gezicht. Waarschijnlijk kan ze niet meer anders kijken. Het winkeltje met parafernalia wordt beheerd door een jonge non, ook haar gezicht neigt naar strengheid. Zij zijn gekleed in een lang zwart gewaad. Hun hoofd is, op de mond, neus en ogen na, gewikkeld in een zwart doek. Eerder op straat had ik de nonnen voor moslima’s aangezien.
Er wonen weinig kloosterlingen meer in Meteora. Sommige paters zijn gevlucht naar kloosters op het schiereiland Athos. Niet voor de Turken, maar voor de toeristen.

1

AAN HET PRESPAMEER

Reizen

Op 17 juni ondertekenden de Griekse premier Tsipras en zijn Macedonische collega Zaev een akkoord over een nieuwe naam voor wat nu F.Y.R.O.M. heet: the Former Yugoslavian Republic Of Macedonia. Het land moet voortaan Noord-Macedonië gaan heten. De zon scheen uitbundig toen de handtekeningen werden gezet. Plaats van handeling was het Griekse vissersplaatsje Psarades, gelegen aan het Prespameer, het water dat het drielandenpunt vormt tussen Griekenland, Macedonië en Albanië.
Nog geen tien dagen later lopen G en ik door Psarades. Op wandelvakantie in Noord-Griekenland staat vandaag een tocht naar Kaap Roti aan het Prespameer op het menu. De bergachtige streek met zijn meren heeft alles in zich om toeristen te lokken. Psarades is het paradepaardje van de regio, een ‘authentiek vissersdorpje’ met tal van gezellige visrestaurantjes aan de boulevard.
We zien de reclameborden op de terrassen uitnodigend klaarstaan. Maar vandaag is het stil in Psarades, wat heet: wij zijn de enigen die over de boulevard lopen. De terrassen zijn compleet verlaten. De restauranthouders wachten lijdzaam in de deuropening de eerste klant af. Kinderen zitten met een smartphone verveeld onderuit, een vrouw schilt reuzeaardappelen voor de friet, een straathond loopt met gebogen kop langs de gevels.

Psarades 25 juni j.l.

Ik moet hier aan toevoegen, dat het weer niet meewerkt. Het is hier 14 graden, bijna de helft van wat de temperatuur in het Noordwesten van Europa is. Naast de economie lijkt ook het weer zich ten gunste van het welvarende deel van Europa te keren.
Een nog niet zo lang geleden gebouwd hotel, dat zich majestueus boven het Prespameer verheft, staat leeg. Op de stenen treden naar de ingang groeit onkruid. Bloemen hebben zich in de scheuren van het asfalt genesteld. Een lege koelvitrine staat werkloos op het terras. De schijnwerpers die het gebouw in zijn glorietijd hebben verlicht staan er nog, maar de lampen zijn eruit gesloopt. Blijkbaar konden de leningen niet meer worden afbetaald.
Griekenland was deze week nog een tweede maal in het nieuws. De laatste financiële steunoperatie loopt af, het land kan weer op eigen benen staan, zo wordt geschreven. De revalidatie is echter nog niet afgerond. Boeren rijden rond in vijftiger jaren tractoren, alsof ze nog van de Marshallhulp zijn. We zien opvallend veel brommertjes, terwijl de Griek als het maar even kan in een auto rijdt.

Leegstaand hotel Psarades

‘De Griekse middenklasse is weggevallen’, zegt een hoteleigenaar. Er komen wel weer wat meer buitenlandse toeristen, maar de Grieken zelf hebben te weinig geld om uit te geven. Een andere gesprekspartner zegt, dat de pensioenen en belastingen niet het probleem zijn, maar de werkeloosheid. Wie geen werk heeft, heeft geen geld.
We lopen een leeg restaurantje binnen voor de lunch. De eigenaar veert op en loopt naar de stapel menukaarten om er twee af te pakken. Zijn vrouw verdwijnt naar de keuken om de frituur aan te zetten. Willen we een verse vis uit het meer? En de befaamde reuzebonen, hier in de omgeving gekweekt?
Buiten trekt een windvlaag over het Prespameer. Aalscholvers en pelikanen zijn op zoek naar eten.
Griekenland wankelt moeizaam overeind voor de eerste zelfstandige stappen. Het zal nog jaren duren voor het weer normaal kan lopen. Aan de marathon hoeft het land nog niet te denken.

0

EEN S-BOCHT

Herinnering

De smalle Themaat

Het is een zonnige zondagmiddag, G en ik fietsen over de Thematerweg in Vleuten. Het is een smal polderweggetje iets ten noorden van het dorp. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot. Verspreid liggen links en rechts oude boerderijen. Je waant je in het verleden.
Het eerste deel is niet veel breder dan een fietspad. Er staan knotwilgen in de berm. Het tweede deel is breder ten behoeve van het verkeer naar Haarzuilens. De Thematerweg is een kaarsrechte weg, op één bocht na. In het brede deel is er een S-bocht. Het is een kromming met historie, de Noodlotsbocht van de familie van Dijk.
De weg loopt al eeuwenlang door de polders Themaat en Wielreveld. Reeds in 1226 wordt de verbinding in de boeken genoemd. Hij loopt van de voormalige ridderhofstad den Engh, even ten westen van Utrecht, naar het kasteel de Haar. De S-bocht is ooit ontstaan omdat men bij de ontginning van de polder uitging van weidepercelen met een standaardlengte van 1300 meter.

Zo rond 1920 hebben mijn tante Jo (18 jaar) en haar broer Johan (16 jaar) de eerste prijs gewonnen in de versierde optocht op Koninginnedag, eind augustus. Mijn vindingrijke opa had van twee fietsen en een rol gaas een kleine auto gemaakt, een vervoermiddel dat  destijds sterk in opkomst was. De feestauto was versierd met klimop en bloemen. In hun overwinningsroes maakten broer en zus met het jongste broertje Kees (6 jaar), mijn vader, nog een rondje over Themaat. Zij merkten niet dat er onderweg enkele moeren waren losgegaan. In de bocht van de weg raakten zij de macht over het stuur kwijt en belandden met bloemen en al in de sloot. Jo’s eerste zorg was de kleine Kees, maar die was al eerder dan zij weer op de kant gekropen. Johan was blij, dat hij geen been gebroken had. Dat was hem als kind al tweemaal overkomen.
Ook mijn opa was meer dan opgelucht. Hij had in zijn jeugd een broertje verloren, die tijdens het spelen ongemerkt in een sloot was beland.
Behalve de natte pakken en het uit elkaar gevallen feestvoertuig leek er niets aan de hand. Totdat enkele dagen later Keesje problemen had met zijn ogen. Hij kon in de krant de letters niet van elkaar onderscheiden. Hij mocht van de dokter enkele weken niet naar school.

Jaren later, in 1959, had mijn neef Dirk (20 jaar) de beschikking over een motor. Dat was een machtig mooi gevaarte met een vermogen en een snelheid, waarbij vergeleken een bromfiets een slak was. Het was augustus, het weer was goed. Hij nodigde mijn broer Jos (12 jaar) uit voor een rondje over Themaat. Met wapperende haren reden zij over de Parkweg. Na het bruggetje aan het einde van de Joostenlaan kon Dirk op de Thematerweg weer gas geven. Bij het afremmen voor de S-bocht slipte de motor onderuit. De beide neven belandden met motor en al in de sloot. Jos werd met een gebroken bovenbeen naar het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht vervoerd, waar hij drie maanden lang met zijn been omhoog moest liggen.

‘Een bocht met historie’, zeg ik tegen G. Als ik door de flauwe bocht fiets, kan ik er nauwelijks een S-bocht in zien. Het is eigenlijk maar een lullig bochtje.

3

WAAR IS HET DRAMA?

Dagelijks

Herengracht 274 Amsterdam

Dit voorjaar zat ik weer op school. In een kale bovenkamer van een statig pand aan de Herengracht in Amsterdam zaten de cursisten aan drie zijden van de carré van tafeltjes. Aan de overgebleven zijde zat de docent achter een grote mok thee en twee koekjes, die gedurende de les onaangeroerd bleven.
(Nodigt deze opening uit tot verder lezen?)
Nauwelijks had ik aan het begin van dit jaar besloten om een boek te gaan schrijven over mijn heeroom, toen ik in Trouw een artikel las over een cursus ‘Verhalende non-fictie’. Dat is zoiets als schrijven over wat waar gebeurd is in de vorm van een boeiend verhaal. Dat zou ik in mijn boek ook wel willen. Waar ik normaal nog wel eens loop te dubben over een keuze, meldde ik me na het lezen van het artikel onverwijld bij de Schrijversvakschool aan.
‘Heb jij nog iets te leren dan?’, vroeg een vriend.
(Gebruik regelmatig citaten om de tekst te verlevendigen).
We zaten met zeven leergierige schrijvers-in-spe aan het carré: een gepensioneerde vrouw die de biografie van haar oma wil schrijven; een gewezen gevangenisdirecteur die zijn ervaringen met gedetineerden hoopt vast te leggen; een jonge ondernemer die wil vertellen hoe hij na een burn-out op verhaal kwam bij een Indianenstam; een ontslagen universiteitsmedewerker die al het onrecht dat hem is aangedaan te boek wil stellen; een jonge vrouw die bezig is de ellende met een narcistische vader van zich af te schrijven; en de speechwriter van de bekende A.A., veelgeprezen burgemeester te R.
De docent was Viktor Frölke, filosoof, journalist en schrijver, bekend geworden door het boek Dagboek van een postbode, een waar gebeurd verhaal, wat leidde tot zijn ontslag bij PostNL.
(De personages zijn nu bekend, maar het verhaal wil nog niet echt op gang komen. Is die laatste toevoeging wel relevant?).
Viktor gaf ons opdrachten om ter plekke in tien minuten anekdotes te schrijven, tirades, onze eigen necrologie, een spannend rechtbankverslag en een artikel over de val van Halbe Zijlstra. Thuis mochten we het als huiswerk nog eens overdoen. Bij de bespreking daarna hoorden we dat de helft van wat wij geschreven hadden er wel uit kon, zeker alle uitleg en overtuigingen. Show, don’t tell.
(Waar zit in dit blog het drama en het conflict? Ging er een cursist vreselijk af? Was de docent in slaap gevallen? Zat er onderhuidse irritatie?).
Al snel merkte ik dat mijn bijdragen op positieve reacties van mijn medecursisten konden rekenen. Zo ging ik met steeds meer plezier op maandagavond naar de Herengracht.
(Kill your darlings: woordspelingen en grapjes waar je aan gehecht bent staan soms een goed lopend verhaal in de weg).
Over het onderwerp voor mijn boek waren er wel wat vragen. Valt er wel een spannend boek te schrijven over het saaie leven in het klooster, waar elke dag hetzelfde is als de vorige, jaar in, jaar uit?
‘Als ik geen spannende details had ontdekt, was ik er al mee gestopt’, was mijn antwoord.
(Dit is de eerste stap in de marketing).

0

CREATIEVE BROEINESTEN

Dagelijks

De stad is ingehaald door zijn eigen succes. Jarenlang is het vreemdelingenverkeer gestimuleerd. Op de golven van de Internetrevolutie mag iedere burger nu hotelletje spelen Weggeefprijzen voor vliegreizen en cruises doen de rest. Dus raakt de stad overspoeld door rolkoffers en bierfietsen. Het centrum is één grote horeca-gelegenheid, de geur van weed hangt op elke hoek en op terrassen spreekt de student-bediende je in het Engels aan.
Weg van de toeristen (wij zien onszelf niet als zodanig) nemen wij samen met mijn nicht A de pont naar de overkant van het IJ, een jarenlang verweesd deel van de stad. Daar komt nu verandering in.
Opeenvolgende sociaal-democratische wethouders hebben in de vorige eeuw gezorgd voor keurige huisjes voor werkende mensen in Amsterdam-Noord, niet ver van hun werk in de scheepsindustrie. De huizen zijn nu gerenoveerd, de industrie is compleet verdwenen.

Film bij Pllek

Het terrein van de voormalige NDSM, ooit de grootste scheepswerf ter wereld, is nu een culturele hotspot. De grote loods is ingenomen door kunstenaars en andere creatievelingen. Daarnaast wordt deze rauwe industriële locatie gebruikt voor filmopnamen, tentoonstellingen, dancefeesten e.d. In een oude hal aan het water is Pllek gevestigd, met een aanbod van live muziek, films, kunstexposities, mini-festivals ‘en nog veel meer’. Al rondlopend vraag ik mij af, of er in onze maatschappij een ideale verhouding is tussen het aantal mensen dat kunst maakt en het aantal dat kunst consumeert: tussen schilders en kopers, zangers en publiek, schrijvers en lezers. Naderen we een kritisch punt in deze verhouding? Dan worden de kunstenaars de heckrunderen en konickpaarden van Neerlands Plas.
Er zijn ook straten met garages, werkplaatsen, dansscholen, boksscholen en Thaise massagesalons. Er staan loodsen die mij uitermate geschikt lijken voor gestolen waar en ontvoeringen.
Dan komen wij bij de Ceuvel. Deze voormalige werf waar de grond ernstig vervuild is, is nu een kerkhof voor zestien afgedankte woonboten. De Ceuvel afficheert zichzelf als een van de meest duurzame en vernieuwende stedelijke experimenten in Europa. De oude boten liggen als auto’s zonder wielen op het droge. Ze zijn opgelapt tot werkplekken waar kunstenaars en ondernemers werken aan duurzame innovaties. Onderzoekers uit Wageningen doen experimenten met bodemreinigende planten.
Een labyrinth van houten vlonders leidt tussen de woonboten door. Vlakbij het water vinden we Boef, de oude ark van mijn nicht, een lapjesdeken van schrootjes bovenop een betonnen bak. De boot was stokoud en voldeed niet meer aan de eisen van de gemeente. En ja, wat moet je dan? Er is geen afvalbak of ophaaldienst voor afgeschreven woonboten. De Ceuvel bood een unieke kans. Nu is de ark gerecycled en begonnen aan zijn tweede leven. Voor tien jaar overigens. Dan zal de Ceuvel plaats moeten maken voor een woonproject met een minder prozaïsche naam, Urban Space Living of iets dergelijks, stel ik me voor; fraaie huizen, die ondanks de astronomische prijzen toch allemaal verkocht zullen worden.
Van kunst alleen kan een gemeente niet leven.

0

EEN SPELING VAN HET LOT

Herinnering

Foto: De Utrechtse Internet Courant

Per 1 juni sluit banketbakkerij Hagdorn aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht de deuren. Er is geen opvolger gevonden, die zich elke week zes lange dagen tussen de zoetwaar in het zweet wil werken. Daarmee zal een van Utrechts bekendste middenstandsparels verdwijnen. Ik zou op deze plek geen aandacht aan de sluiting hebben besteed, als ik niet in de derde klas van het gymnasium (schooljaar 67/68) gek was geweest op de dochter van de banketbakker.
H was een lief, intelligent en verder doodgewoon meisje. Zij toonde regelmatig haar warme belangstelling voor mij. Klasgenoten noemden mij in die tijd Nol. Had ik eens een zeven voor een Herodotusvertaling gehaald, dan riep H hartstochtelijk uit: ‘O, Nol!’. Na een verloren tafeltenniswedstrijd, was het een liefdevol ‘O, Nol!’ Het spreekt, dat ik voortdurend mijn best deed om mijn verzameling ‘O, Nol’s’ uit te breiden.
Tijdens een klasseavond liepen de jongens om een binnenkring van meisjes heen. Als de muziek stopte, had je je partner gevonden. Ik kwam precies bij H uit, zodat ik haar om de nek kon vallen. Ik was er nog niet uit, welke waarde ik aan deze uitkomst moest hechten. Deze gebeurtenis viel echter in het niet bij wat zich enkele maanden daarna zou voordoen.
Voor mijn verjaardag had ik een aantal vrienden en klasgenoten uitgenodigd, waaronder natuurlijk H. Het had mijn ouders wijs geleken, dat ik het feest in onze garage zou vieren. Een dag lang was ik bezig met het opruimen van bonenstaken, fruitkisten, kippengaas en spinnenwebben. De kale muren versierde ik met banen gekleurd crèpepapier en foto’s van popsterren uit de Muziek Expres.
Ruim op tijd ging ik aan het begin van de avond op weg naar het station om H en haar vriendin af te halen. Maar niet nadat ik mij tevoren rijkelijk had besprenkeld met eau de cologne van 47/11. Mijn moeder zag het gebeuren, deed haar mond open, maar besloot die wijselijk weer te sluiten zonder er een woord aan vuil te maken.
Het liefst had ik H bij ontvangst willen zoenen. Maar omdat ik niet wist, of ik de vriendin dan ook moest zoenen, gaf ik hen allebei een hand. Hierop barstte de vriendin in een onbedaarlijke lachbui uit. Ik kon wel door de grond zakken. Ik had me niet aan de etiquette gehouden. Of misschien was het wel die eau de cologne.
Daarop vertelde H met een rood hoofd, dat zij met haar vriendin een spel speelde. Zij telde voorwerpen (10 rode auto’s en 10 blauwe voordeuren). De 10e man die zij vervolgens een hand zou geven zou de man zijn met wie zij zou gaan trouwen. Die eer viel mij te beurt.
Ik was in verwarring. Was dit nu een teken van de voorzienigheid? Of een betekenisvolle speling van het lot? Misschien was het H wel geweest, die als eerste haar hand had uitgestoken. Ik zag Amor met zijn cupidootjes wegvliegen boven het stationsgebouw.
Een paar maanden later ging H naar 4gymB en ik naar 4 gymA en was de liefde weer vervlogen. Van haar taartjes heb ik nooit mogen eten.

0

HAUST PANEERMEEL

Herinnering

Er staan vier huizen plus een eettentje rond een spoorwegovergang, meer is het niet: Assel, een gehucht ten westen van Apeldoorn. Ik fiets er rond en speur naar een vakantiehuis in het bos.
In het voorjaar van 1960 ging ik voor het eerst van mijn leven met mijn ouders, broer en zussen en weekje op vakantie. Eigenlijk is vakantie niet het goede woord. Mijn vader was depressief geraakt en om daarvan bij te komen stelde zijn directeur diens vakantiewoning op de Veluwe een weekje ter beschikking. Het was een houten huisje, midden in het bos, niet ver van de spoorlijn naar Apeldoorn. Het heette de Turfflesch.
Ik was zeven jaar, voetbalde met mijn broer en speelde op mijn eentje zelfbedachte spelletjes op het grasveld naast het huis. Af en toe fietsten mijn vader en ik naar een kloosterboerderij om melk te halen. Ik mocht er kijken naar de varkens in de schuur.

Mijn broer wil bij mij een doelpunt maken

Of de vakantie mijn vader geholpen heeft, zou ik niet weten. Daar werd niet over gesproken. Ik wist alleen dat deze week iets met zijn ziekte te maken had en dat we de directeur van Douwe Egberts eeuwig dankbaar moesten zijn voor diens edelmoedige gebaar.
Dat mijn moeder na dit weekje minder gezond naar huis ging was mij echter meer dan duidelijk. Het was bovendien nog mijn schuld ook.
Het was midden in de week. Iemand begon na het avondeten opeens over Haust paneermeel. Ik moest daar vreselijk om lachen en holde naar mijn moeder die in het keukentje de afwas deed. In de gang botste ik hard tegen haar op. Zij had veel pijn. Alle familieleden hadden aandacht voor haar, niemand keek naar mij om. De hoofdpijn van mijn moeder zou weken aanhouden. De huisarts schreef rust voor. Jaren later, bij het opruimen van het ouderlijk huis, zou ik in de map Apotheek nog recepten voor kalmeringsmiddelen tegenkomen, die dr. Fizaan in 1960 voor mijn moeder had uitgeschreven. Het was een ongelukje, maar ik voelde mij diep schuldig. Onze eerste vakantie, de vakantie voor het heil van mijn vader, had ik voor mijn moeder grondig verpest.

Bij de spoorwegovergang werkt Structon aan de verbetering van het spoor. Het terras van Halte Assel, het eettentje naast de spoorwegovergang, zit vol. Niets hiervan komt mij na achtenvijftig jaar bekend voor. Wel zie ik even verderop een boerderij van de Paters Salesianen van Don Bosco. Nergens zie ik een eenzaam houten huisje in het bos.
Als ik een paar dagen later een rondje over Kootwijk fiets en op een paar kilometer van Assel de spoorlijn passeer, zie ik opeens een glimp van een huis in het bos. Ik keer mijn fiets en zie, verstopt achter de struiken, een houten woning liggen. Ik zie de horizontale planken op de gevel en de kenmerkende knik in het dak. Dit moet de Turfflesch zijn. Het huisje was in mijn herinnering sparrengroen, nu is het zwart. Hier ligt een glimp uit mijn jeugd, een plek voor altijd verbonden met mijn eerste vakantie en nog meer met Haust paneermeel.

1

DE SPEELPARADIJS-ZESDAAGSE

Dagelijks

Het fris-groene gebladerte aan de bomen is nog niet geheel uitgekomen. Een merel zingt, een houtduif klapwiekt. Hoog in de lucht klinkt voortdurend het zachte gebrom van vliegtuigen. Nu het opeens rustig is geworden, vallen mijn ogen dicht. De meisjes zijn op stap om zich te laten schminken. Daarna hebben zij een Meet & Greet met Bollo, de Disney-achtige mascotte.
Nieuw Milligen heet het hier, het is niet veel meer dan een rotonde ten westen van Apeldoorn. G en ik verblijven een weekje met onze kleindochters van 7 en 5 in een bungalowpark.
In de ParkShop laden jonge vaders plastic zakken vol croissants en lekkere broodjes. Corpulente moeders met natte haren komen uit het subtropisch zwemparadijs, gevolgd door een schare kinderen. Opa’s leggen bij de kinderboerderij aan peuters het verschil uit tussen een schaap en een geit.
In een enorme hal is een overdekt speelparadijs. Het terras zit vol ouders en grootouders, terwijl de ontelbare kinderen door het kleurige klim- en springtuig krioelen. Zijn ze eenmaal verdwenen, dan zie je hen niet snel meer terug. Zij springen, glijden, hossen en vallen. Af een toe komt er een huilend uit een opening tevoorschijn.
Het zwembad is de watervariant van het speelparadijs. Onze kleindochters gaan elke dag en het einde komt voor hen altijd te vroeg. Komen ze thuis om te eten, dan willen ze eerst nog een potje voetballen.
Er is een Fun en Entertainment Programma. Er worden hutten gebouwd en knutselwerken gemaakt. Voor het voeren van de dieren is zoveel belangstelling dat je je een paar dagen van tevoren moet opgeven. Na afloop krijg je een getuigschrift: You did it!
Onze meisjes zijn net lang genoeg om mee te doen met het tokkelen. Met een valhelm op scheren ze over een kabelbaan van de ene boomtop naar de andere. Ze draaien er hun hand niet voor om. Het is een voorbereiding op een leven met bungee jumpen, sky-diven, en wat al niet meer.
Het vakantiepark mag dan een en al vermaak zijn, in de nabijheid klinkt de lokroep van nog veel meer vertier. Speel- en doe-paradijzen, klimbossen, magische kastelen met zoektochten. Zelfs het museum Paleis het Loo blijft niet achter met een kinderatelier, prinsessendagen en een speurtocht door de koninklijke tuinen.
Gaan we een keertje buiten de deur eten, dan zijn de meisjes direct naar de speelzolder verdwenen en krijg ik hen voor het uitkiezen van een gerecht slechts met de grootste moeite uit de kinderkapsalon. Na het eten mogen ze een surprise uit een schatkist kiezen.
Wij brengen een dagje door in pretpark de Julianatoren, waar alom een geur van pannenkoeken en zoetigheden hangt. Waar je hier ook kijkt, het draait, tolt, springt, tuft en zweeft. De kinderen zijn voor even weer terug in de baarmoeder. Ik wacht regelmatig op een bankje tot ik een van de kinderen langs zie vliegen. Dan kan ik enthousiast zwaaien.
‘Opa, opa’, hoor ik voortdurend om mij heen, maar het gegil blijkt zelden voor mij bedoeld.
Aan het einde van de dag staan de meisjes nog enthousiast te springen op de trampolines. Ik voel de slaap in mij opkomen.

0

ONTLUIKEND VERZET

Herinnering

Ce n’est qu’un debut, continuons le combat. Etudiants solidairs des travailleurs. De strijdkreten uit Parijs in mei 1968 kon ik vertalen, maar daarmee hield mijn begrip van wat er gaande was wel op.
Ik was 15 en zat in 4 gymnasium alpha. Mijn tafeltennisclub, de top 40 en het potje toepen in de schoolpauze waren de welkome afwisselingen in een braaf scholierenbestaan. De 35 lesuren per week bestonden voor meer dan de helft uit klassieke talen: 9 uur Grieks en 9 uur Latijn. Waar al die vertalingen goed voor waren, vroeg ik mij niet af. Ik noteerde in mijn agenda de spreuk van de dag: ‘en de meisjes, toen zij zich geolied hadden’ (leraar Grieks) en ‘hij deed een hoop op het graf’ (een klasgenoot worstelde met het Latijnse ‘mole sepulcrum imponit’).
Ik had zowaar al eens meegelopen in een demonstratie. Met een korte tocht vroegen we aandacht voor de hongersnood in Biafra. De school gaf er alle medewerking aan door een lesuur vrij te roosteren. De tocht werd in stilte gelopen, zodat de demonstratie het karakter kreeg van een katholieke stille omgang voor een noodlijdend missiegebied.
Verder sprak rebellie tegen leraren mij in die tijd erg aan. Het was een belegen slag mensen van voor de oorlog die van verbieden de hoogste kunst hadden gemaakt. Zij hinderden mij nogal in mijn ondergrondse correspondentie met Trees, die twee banken achter mij zat. Sommige klasgenoten noemden mij Momfer de Mol.
Maar oproepen in de schoolkrant om de vertegenwoordigers in het schoolparlement van munitie te voorzien, waren aan mij niet besteed. Ik onderscheidde mij daarin niet van andere leerlingen, want op de enquête waarin namen werden gevraagd van interessante sprekers kwamen Phil Bloom, Jan Cremer, Mao tse Tung en Rita Corita uit de bus. Uiteindelijk kon Herman van Veen gecontracteerd worden.

Bonifatius Lyceum, Kromme Nieuwe Gracht, Utrecht

Mijn grootste uiting van radicalisme was nog wel, dat ik op een vraag van de leraar geschiedenis, wie tegen de Navo was, als een van de weinigen in de klas mijn vinger had opgestoken. Mijn vader was vóór en mijn oudere broer tegen, dus die keus was snel gemaakt. Gelukkig hoefde ik mijn standpunt niet te onderbouwen.
Niet lang daarvoor had mijn vader mij in een onverwacht kwade uitval bevolen om een afspraak met de kapper te maken. Dat ik shag ging roken kon overigens wel op zijn instemming rekenen. Als het maar Drum was, het merk van zijn broodheer Douwe Egberts.
Mijn moeder voelde de tijdsgeest iets beter aan. Zij had op haar eigen initiatief een paar oranje badstof sokken voor mij meegebracht. Daarna volgde het manchester ribpak. Ook de modewereld had de solidariteit met de arbeiders ontdekt.
Geleidelijk druppelden na mei 1968 de veranderingen mijn leefwereld binnen.
Klasgenoot Clemens had het lef om bij elke leraar een discussie uit te lokken over het boekje Nooit met de rug naar de klas van onderwijsvernieuwer Helge Bonset, waarop onze leraar Latijn, Kloosterman, in een vermoeide klaagzang uitriep: ‘Ach, jongens hou nou toch eens op met die onzin’.
Na school gingen we een keer op bezoek bij een kraakpand om de hoek, waar somber ogende jongeren in zwarte kleren door vuile gangen liepen. Of we gingen naar café de Trechter aan de Oude Gracht, waar hash verkocht werd. ‘Het ruikt naar schoensmeer’, zei iemand. Ik nam een trek, maar merkte geen effect. Ik bond mijn schooltas weer onder de snelbinders en fietste vlug naar huis. De volgende dag wachtte een Vergiliusvertaling.