Schrijven, Lezen, Leven.
1

DE WERELD VERKENNEN IN KLUNDERT

Herinnering

Arie van Dijk op jonge leeftijd

Begin 1895 gaat mijn opa, Arie van Dijk, drieëntwintig jaar oud, op avontuur. Hij heeft op dat moment meer dan tien jaar bij zijn vader in de smederij gewerkt, in het Utrechtse Jutphaas. Bovendien heeft hij al vier jaar verkering. Hij zoekt een smederij met woonhuis om over te nemen, dan kan hij gaan trouwen. Maar in de omgeving van Utrecht is er blijkbaar niets passends te vinden. Wellicht om zijn voelhorens elders uit te steken gaat hij in het Westbrabantse Klundert aan het werk bij de firma Van der Made, producent van planken en andere houtwaren. Arie legt er ijzeren banden om houten wielen, beslaat paarden en repareert zaag- en schaafmachines. Hij is in de kost bij de familie Van Elewout. Onlangs kwam ik in het bezit van de herinneringen die mijn opa in 1947 heeft geschreven over zijn verblijf in Klundert.

Nederland was aan het einde van de negentiende eeuw een staatkundige eenheid, maar in cultureel opzicht een lappendeken. Voor de meeste inwoners speelde het leven zich in de eigen streek af. Er waren grote verschillen in gewoonten en gebruiken tussen de diverse delen van het land. Arie wordt een gastarbeider in Brabant. Hij kijkt zijn ogen uit. Het meest kenmerkende verschil is voor hem, dat de mensen zo gastvrij zijn. Ze zijn gemoedelijker dan hij gewend is. Ook in geloofszaken zijn de Brabanders een stuk gemakkelijker.
Een ander verschil is de drankcultuur. In Jutphaas ging Arie niet naar het café. In Brabant is dat de gewoonste zaak van de wereld. Hij past zich snel aan. In de vrije uren wordt er menig kruikje bier geheven, aangevuld met jenever. Zodat Arie nog wel eens boven zijn theewater bij zijn kosthuis arriveert. ‘Maar Aaike toch’, verzucht moeder Van Elewout.
De Brabantse meisjes laten zich ook zien. Maar, naar eigen zeggen, is Arie voorzichtig. Hij vertelt dat hij verkering heeft en hij loopt met opzet niet langs de meiden in de keuken van het café om geklets te voorkomen. ‘Er is nooit iets gezegd of gedaan wat een ander niet mocht zien of horen’, schrijft hij later.

Arie van Dijk (rechts) in later jaren in Vleuten

De van oorsprong Italiaanse pastoor strikt hem voor het mannenkoor en de fanfare. Als de pastoor beslist dat de jaarlijkse uitvoering gehouden zal worden in het café van tante Naane, zijn de muzikanten daar niet blij mee. Zij spelen liever bij tante Piet. Arie zegt radicaal dat hij niet meer meedoet. Al snel moet hij op het matje komen bij de pastoor. Hij blijft bij zijn mening, wat voor de pastoor een reden is om Arie stante pede van koor en fanfare te verwijderen. Vader Van Elewout daagt Arie uit om een tegendaad te stellen. En dus neemt Arie tijdens de zondagse mis, zonder te verblikken of te verblozen, plaats in de bank van de kerkmeesters, allen voorname boeren.
Opnieuw moet Arie zich melden bij meneer pastoor. Die zegt: ‘ik ben een heethoofd en jij een Hollandse stijfkop. Deze uitvoering blijft zoals het is vastgesteld. De volgende is bij tante Piet en nu zullen we het maar afdrinken.’ Waarna de pastoor voor beiden een flinke borrel inschenkt.

2

LUIERPROBLEMEN

Herinnering

Wij zaten met enkele opa’s en oma’s bij elkaar. Zodoende kwamen we al snel te spreken over luiers. Niet voor onszelf, maar voor de kleinkinderen. Onze vrienden hadden net hun eerste kleinkind gekregen. Dat bracht naast een hoop vreugde ook een gesprek met zich mee over de wenselijkheid van wasbare luiers. Kunststof luiers zijn flinke milieuvervuilers. Je wilt niet weten hoeveel er per dag wereldwijd worden weggegooid. En je wenst zo’n pasgeborene graag een schone wereld toe.

onze oudste zoon in 1985

Zo kwam ik direct terug in de luiertijd van onze eigen kinderen. Idealistisch als we waren gebruikten wij katoenen luiers. Die lagen keurig in driehoeksvorm opgevouwen in de commode boven het aankleedkussen. De grootste uitdaging was voor mij om de grote veiligheidsspelden door dubbele lagen stof heen te krijgen zonder een venijnige prik uit te delen aan het spartelende of weerspannige lijfje.
Onzeker als wij waren vroegen we ons aanvankelijk af of onze baby wel voldoende dronk. ‘Zijn de luiers goed nat?’, informeerde de verpleegkundige van het consultatiebureau. ‘Tja, nat, nat… hoe meet je dat?’, was onze wedervraag. We hadden niet lang daarvoor een wetenschappelijke studie afgerond. Het antwoord was even verbluffend als helder. ‘Als je de luier tegen het raam gooit, dan moet er een natte plek achterblijven.’ We hebben in die tijd veel ramen moeten zemen.

Na het probleem van de te droge luier volgde al gauw de perikelen van de te natte luiers. Baby’s mooie billetjes gingen kapot door al dat vocht. We strooiden talkpoeder en smeerden met zinkzalf. Toen dat onvoldoende hielp legden we kleine (kunststof!) luierdoekjes als een inlegkruisje boven op het katoen. Die blauwe doekjes waren vervolgens meermalen de oorzaak van een verstopping in de wasmachine.
Omdat ook de doekjes onvoldoende soelaas boden beproefden we een geheel verantwoorde, natuurlijke methode: gestold eiwit. Met mijn linkerhand om de enkeltjes hield ik de billen van het spartelende kind omhoog, zodat ik met mijn rechter de aangetaste billen met eiwit kon insmeren. Daarvoor gebruikten we het kwastje waarmee de ovenschalen werden ingevet. Daarna pakte ik snel, voordat het witte goedje eraf gedropen was, de föhn om een mooi laklaagje aan te brengen. Een nadeel was dat het hardingsproces een behoorlijke tijd in beslag nam, zodat ik de immer meer kronkelende baby steviger omhoog moest houden. Ik overwoog de no-nonsense wijkverpleegkundige te vragen of een verfbrander een optie zou zijn.

foto: website Billenboetiek

Nadat we diverse keren ’s nachts het beddengoed van het wiegje hadden moeten verschonen, besloten we voor de nacht op pampers over te gaan. Dat was het begin van het einde. De volgende stap was dat we kunststof luiers gebruikten, als we ergens op bezoek gingen. We vonden het wat bezwaarlijk, dat de gastvrouw, als zij de deur openzwaaide, ons met een volle luieremmer voor de deur zou zien staan. Zo vervielen wij van kwaad tot erger. Dat was in 1985. In 2020 staat er een mooi mini consult van de Billen Boetiek op YouTube waarin een stoere man met baard vertelt waarom wasbare luiers zoveel beter zijn. De Billen Boetiek in Utrecht is te vinden in de Water-toren.

0

ZEELAND RECREATIELAND

Reizen

Foto’s gemaakt door G.

‘Zeeland is een land waarvan je met heel je hart gaat houden. De wereld is hier zo wonderlijk en mooi en de menschen hebben hier zo fel geleefd. In taaien strijd met de zee hebben zij op haar de wadden veroverd en zij hebben de grond, die nog was als woeste bajerd, tot vruchtbaarheid gedwongen.’
Zo begint het artikel dat de journalist Johan van Dijk, mijn oom, in 1926 schreef voor het dagblad De Maasbode. Hij was er op uitnodiging van de VVV Noord- en Zuid-Beveland. ‘Zo’n trip is aanbevelenswaard.’
Bijna honderd jaar later fietsen en wandelen wij door dat vruchtbare land van Walcheren. Langs omgewoelde akkers waar aan de randen nog genoeg aardappels liggen om Henk en Ingrid de winter door te helpen. Langs velden waar de suikerbieten geoogst worden en de weeïge lucht je tegemoet komt. De wegen zijn hier veranderd in modderbanen. Waarschuwingsbordjes met Slik! moeten je voor een glijpartij behoeden. Op andere plaatsen trekken felrode of felblauwe tractoren, teruggekeerd van het Malieveld, diepe voren in de vette klei. De ronde bovenkant van de glimmende kluiten weerspiegelt het lichte blauw van de hemel.
‘Overal liggen de dorpjes verspreid: vriendelijke huisjes met roode daken rond een oude kerk met een sterken toren; een toren zooals alleen een krachtig volk, met gemeenschapszin, met dezelfde idealen dien kan bouwen.’

Het is een leeg land. Tussen de velden is de einder ver weg, waar je ook kijkt. ‘De Zeeuwen kunnen altijd tot den horizont….. en naar boven kijken.’ Fietsen door zo’n landschap geeft een gevoel van vrijheid. We komen in de polders niemand tegen, zoals in de ster-reclames voor auto’s de wegen altijd verlaten zijn.
‘We zijn gezegend’, zegt G., en dat wil wat zeggen voor iemand, voor wie de religie in de opvoeding beperkt bleef tot een haastig voor de maaltijd uitgesproken ‘Heerzeegdeespijsaam’.
Ondertussen jaagt de wind ongenadig over het vlakke land. Dat wil zeggen, ongenadig voor wie er tegenin gaat. De enkele boerderijen en de weinige boompjes bieden geen verweer tegen het geloei. Gelukkig hebben wij beiden in onze schoolgaande jaren door de dagelijkse fietstochten stevige beenspieren ontwikkeld. Optornend tegen de wind moet ik denken aan de wapenspreuk van deze provincie. Wie kent hem niet? Zwermen spreeuwen laten zich meevoeren op de wind, omhoog en omlaag, draaiend naar links en rechts, nog even opwippend voor zij landen in het gras.
‘Het weer heeft aan de koppen van de menschen gevreten; omdat ze zoo dicht op de aarde zitten moeten, ze met al hun zinnen een echt-menselijke strijd vechten.’

En waar je hier ook fietst of loopt, uiteindelijk kom je altijd bij het water uit.
‘De dijken zijn sterk en de mensen blijven vechten. Maar het is gebeurd, dat er groote stukken land door het water verzwolgen werden; dorpen met alles wat er leefde, werden een prooi van de losgebroken elementen’, schreef mijn oom in 1926.
Nu het water getemd is, dobberen de plezierjachten in de havens. Kitesurfers schieten over de golven onder langs de dijk bij Westkapelle. Zeeland recreatieland zong Jaap Fischer al bijna zestig jaar geleden.

3

ZONDAG

Dagelijks

De Willibrorduskerk in Vleuten

Op doordeweekse dagen moet ik er wel eens over nadenken: is het vandaag dinsdag of woensdag? Op zondag gebeurt dat niet. Bij de zondagen hoort een aparte beleving, een ander gevoel.
In mijn kinderjaren begon de dag met een mis in de katholieke kerk. Pas daarna mochten we ontbijten. Zondag was rustdag en iedereen was thuis. We droegen nette, zondagse kleren. Er werden geen klusjes gedaan, zoals schoenen poetsen of peren plukken. Dat gebeurde op zaterdag. Mijn vader wilde ook niet dat mijn moeder op zondag kookte. Daarom aten we op de dag des heren tussen de middag alleen soep en pudding, gerechten die moeder de dag ervoor had klaargemaakt. Daarna volgde een middag van spelletjes of familiebezoek.
Als puber wist ik niet wat ik erger vond: de verplichtingen van zes dagen schoolbezoek of de verveling van de lege zondagen. Voor wie behoefte heeft aan regelmaat kan de zondag eenzaam zijn. Er zijn mensen die alleen op zondag hoofdpijn hebben.
Tijdens mijn studiejaren stond de zondag in het teken van uitslapen na een nacht van cafébezoek of feestgedruis. Elf uur opstaan was vroeg, één uur niet ongewoon. Op de middag die volgde gebeurde er weinig. Het droeg niet bij aan een prettige stemming.
De overgang naar de fase met kleine kinderen was groot. Om de beurt moest een van ons om zeven uur opstaan. En dat op een rustdag.
Nog weer later was de zondag het enige moment dat onze kinderen rustig huiswerk maakten. Jarenlang gebruikte ik die momenten om stukken voor mijn werk te lezen of te schrijven.
Je zou een leven kunnen beschrijven aan de hand van de invulling van de zondag.

Nu lees ik op zondagmorgen de krantenbijlagen die ik op zaterdag nog niet gezien heb. Voor de afwisseling zijn de puzzels favoriet. Soms weet ik niet wat te doen. Ik hoor wel eens enthousiaste verhalen over tv-programma’s op de zondagmorgen, maar de tv boeit mij weinig en zeker in de ochtend voelt kijken onwennig. Ook dat is historisch-cultureel bepaald.
Komt er geen bezoek, dan zegt een van ons aan het begin van de zondagmiddag: laten we er nog even uitlopen. Hoe lang zou de zondagmiddagwandeling al bestaan in de Europese cultuur? Zondagavond zeven uur zal voor altijd verbonden blijven met sublieme voorzetten en gemene overtredingen.

De christelijke cultuur heeft zijn uitwerking op mij niet gemist. Ik draai weliswaar gerust een was op zondag. Word ik gevraagd om te helpen bij een verhuizing, dan is de zondag geen belemmering. Maar het overheersende gevoel blijft: op zondag hoeft er niets. De voorgeschreven rust is veranderd in een toegestane rust. Al zijn de winkels open, ik ga er ’s zondags niet naar toe. De schuurmachine van de buurman klinkt op zondag irritanter dan op maandag. Zondagmorgen een boek lezen voelt heel gewoon, op maandagmorgen doe ik dat niet, al heb ik er nu de tijd voor.
Van mij mag de zondag rustdag blijven. Of ik er over tien jaar nog zo over denk is de vraag.

0

BROMMER

Herinnering

Op 18 juli 1968 zou ik zestien jaar worden en daar paste in mijn ogen maar één cadeau bij: een brommer. In de jaren vijftig was de bromfiets hèt vervoermiddel van de arbeider. Die was begin jaren zestig in de auto gestapt, waardoor er een gigantisch aanbod aan tweedehands brommers was ontstaan. Mede door de welvaart konden jongeren zich massaal een bromfiets veroorloven. Op de binnenplaats van het Bonifatius Lyceum in Utrecht was er dan ook nauwelijks ruimte meer over voor al die brommers. Niet alleen de scholieren van buiten de stad hadden er een, ook degenen die dichtbij woonden. Het ging niet om de functionaliteit, maar om de uitstraling. Arbeiderszonen kwamen op een buikschuiver, een Kreidler of een Sparta. Mijn beste vriend Ton reed op een oude, opgevoerde Honda. Voor de overigen was de Puch of de Tomos hèt statussymbool. Zo eentje wilde ik dus hebben.

Aan tweedehands deden wij thuis niet en een nieuwe brommer kostte f 800, wat nogal ongewoon is voor een verjaardagscadeautje. Maar mijn ouders waren niet gewend om mijn wensen te dwarsbomen. Als ik de helft van de aankoop zou betalen, namen zij de andere helft voor hun rekening. In dat plan kon ik me vinden. Enkele maanden daarvoor had ik van de Raiffeisenbank f 75 ontvangen, ‘een vergissing van de bank in mijn voordeel’. Daarnaast kon ik in de vakantie geld verdienen in de postkamer van Douwe Egberts.
Bij een brommer hoorde wel een leren jas, vonden mijn ouders. Ik zag tot mijn schrik al de loodzware jas voor me, die mijn vader op de Solex gedragen had en waarvan de onderkant tot op zijn enkels reikte. Gelukkig bleek een kort exemplaar ook bespreekbaar. Daarnaast vonden zij een helm een voorwaarde. Die was in die tijd nog niet verplicht. Zo’n groot geval op mijn smalle hoofd, ik vond het geen gezicht. Maar omdat  de helm op school steeds meer gemeengoed werd, protesteerde ik niet. Het ging me er niet om dat ik stoer wilde zijn. Ik hoefde geen indruk te maken. Ik wilde gewoon meetellen.

Op een camping in Neckargemünd – de enige foto waar mijn Tomos op staat.

Zo reed ik op de eerste dag van de lessen in 5gymα op mijn glimmende blauwe Tomos naar school, zette keurig de motor uit voor ik lopend de binnenplaats opging en parkeerde mijn aanwinst met een luchtigheid alsof ik dat al jaren deed. In werkelijkheid had ik het aardig benauwd, omdat iedereen naar mij keek. Dat dacht ik tenminste.
Ton liet tussen de regels door merken dat de brommer nog niet af was als ie niet opgevoerd was. De Tomos haalde met gemak vijftig km per uur, dat was al tien meer dan wettelijk was toegestaan. Voor mij was dat genoeg, maar desondanks liet ik mij overhalen. Hij had een vriendje, die alles van brommers wist. Dus stond mijn Tomos op een middag op het smalle tegelpad achter een arbeiderswoning, tussen de kropsla en de waslijnen. Terwijl het vriendje de motor demonteerde had ik al spijt. Ik vreesde dat de zaak niet meer in de goede volgorde in elkaar gezet zou worden. Die angst bleek ongegrond. Opgelucht reed ik aan het einde van de middag naar huis. Ik merkte direct dat de snelheid hetzelfde was gebleven. De motor maakte wel veel meer lawaai.

0

TINTINNABULI

Muziek

In 2015 zong ik voor de eerste maal koormuziek van de Estse componist Arvo Pärt (geboren 1935). Met projectkoor D’Allure besloten we een optreden met Da Pacem. Dirigent Fokko Oldenhuis had de zangers van de vier stemgroepen door elkaar opgesteld en verspreid over het hele podium, als in een coronaproof-opstelling avant la lettre. Zijn bedoeling was dat iedere zanger zich onderdeel van het geheel zou voelen. Zodat de individuele stemmen ondergeschikt werden aan de samenklank. Het was een uitdaging, die niet bij iedere zanger goed uitviel. Degenen die de steun van hun eigen partij misten vielen door de mand en mochten bij het volgende project niet meer meedoen. Ook in de amateurkoormuziek is men soms bikkelhard.

Arvo Pärt begon zijn compositie-carrière met experimentele muziek. Een hoop kabaal, vrijgevochten 12-toons muziek, niet om aan te horen. Hij verdiende nog wat brood met het componeren van filmmuziek. In het begin van de jaren zeventig kwam hij in een spirituele en professionele crisis. Hij begon zich te verdiepen in gregoriaanse muziek en de muziek van de renaissance. Dat was de omslag. Daarna componeerde hij eenvoudige, verstilde muziek, met lange muzikale lijnen. Hij noemde dat zijn tintinnabuli stijl, naar het Latijnse woord voor klokjes of bellen. Sommigen noemen het minimal music. Pärt maakt gebruik van een beperkt aantal noten, die in steeds verschuivende harmonieën terugkeren. Liefhebbers horen hierin het geluid van de eeuwige Estse bossen, waarin Pärt zich heeft teruggetrokken. Anderen zijn diep onder de indruk van het spirituele gehalte van zijn muziek. De stiltes vindt Pärt net zo belangrijk als de noten. Er staan weinig aanwijzingen in zijn composities uitgezonderd de plekken waar hij een Grote Stilte wil. Zijn muziek is de laatste jaren heel populair geworden. In de klassieke top 400 van radio 4 staan tien composities van Pärt, tegen, bijvoorbeeld, vier van Vivaldi en vijf van Brahms. Spiegel im spiegel belandde na Bachs Matthaeus en Mozarts Requiem op de derde plaats. Ter gelegenheid van de vijfentachtigste verjaardag van de componist maakte Hans Smits onlangs de podcast Het pad van Pärt, te vinden op de site van radio 4.

Arvo Pärt is erg geliefd bij koordirigenten en koorzangers. De noten zijn gemakkelijk. Maar als het adagium, dat muziek méér is dan de goede noten zingen, ergens opgaat, dan wel voor deze muziek. Het lijkt gemakkelijk als je twaalf maten achter elkaar een g moet zingen, maar juist met alle verschuivende harmonieën om je heen, is het een hele kluif om vast te houden aan de zuivere g. Je moet in die lange lijnen je adem goed zien te verdelen en niet tegelijk met anderen ademhalen. Je moet veelal zacht, maar wel duidelijk inzetten.
Ik heb nog wel eens ambitieuze dirigenten, die niet goed inschatten wat het koor aan kan, de mist in zien gaan. Dan krijg je aarzelende, bibberende inzetten, het ontbreken van spanningsbogen en onzuivere intonatie. Zakkende sopranen en wegvallende bassen, wat doet meer pijn aan je oren?
Sinds 2015 heb ik een aantal stukken van Pärt gezongen bij verschillende koren. Het is mooie muziek, waar je stil van wordt. Waar je als luisteraar je ogen bij sluit. Muziek als tegenwicht tegen de jachtigheid van deze tijd. Prachtig. Als het met mate wordt opgediend.

0

CORONA REVISITED

Dagelijks

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar bij mij komt het coronavirus mijn neus uit. Ik bedoel dan alle berichtgeving hierover. De halve krant is ermee gevuld. Ook de pagina’s over economie, sport en kunst zijn geïnfecteerd. En dan het eindeloze palaveren en speculeren in de talkshows. Ik begrijp, dat dit het gesprek van de dag is. En het klopt dat er aanleiding is voor gespeculeer, want de onzekerheid is groot. Maar ik hoef het even niet meer.
Als ik dan toch één steentje mag bijdragen, dan is het dit. Ik heb bijna mijn hele werkende levende in de preventieve gezondheidszorg gewerkt. De hoge idealen die er waren konden we niet waarmaken. Maar te midden van de huidige onzekerheid staat voor mij één ding vast: de regering loopt achter de feiten aan. Waren er in augustus de juiste preventieve maatregelen genomen, dan had een nieuwe golf, inclusief alle economische narigheid, voorkomen kunnen worden. Maar zachte heelmeester Rutte durft geen impopulaire maatregelen te nemen.

Als je in dezelfde mood bent als ik, dan heb je deze pagina al weggeklikt. Op het gevaar af, dat je dit nu alsnog gaat doen, wil ik nog enkele persoonlijke ervaringen toevoegen. Want wie vaker hier komt, weet dat ook G en ik onlangs door het coronabeest geveld waren.
‘Jij corona?, dat had ik nooit gedacht’, was een reactie die ik meermalen kreeg. Zo’n uitspraak komt voort uit een beeld van mij als risicomijder, als iemand die altijd tweemaal controleert of de huisdeur op slot zit. Daar zit een kern van waarheid in. Dat betekent dat het virus niemand spaart. Het is het ongeluk in dat kleine hoekje. De pech, dat je op het verkeerde ogenblik op de verkeerde plaats bent.
‘Waar heb je het opgelopen?’, was een veel gestelde vraag. Het was ook de eerste vraag die ik mezelf stelde. Wij mensen hebben een sterke behoefte om onzekerheid te reduceren. Maar sec genomen is het een waardeloze vraag. Alsof ik anderen zou kunnen behoeden voor besmetting door hen aan te raden niet meer op een voorbije dag de trein naar Utrecht te nemen. Of niet naar de presentatie van mijn volgende boek te komen.
‘Je bent de eerste, die ik ken, die corona heeft. Het komt nu wel erg dichtbij’, was een andere reactie. Dank u, het is mij een eer om die eerste te zijn. Al was ik dat liever in een andere tak van sport geweest. Het ‘dichtbij komen’ speelt ons wel parten. De buren blijven nu op grote afstand staan. De plannen om te oefenen met mijn zangkwartet zijn afgeblazen. Stond ik in de schoenen van de ander dan zou ik, risicomijdend, waarschijnlijk hetzelfde doen. Maar het voelt alsof ik melaats geworden ben. Voor de zekerheid heb ik mijn zangles maar afgebeld. Eigenlijk ben ik net zo’n bangeschijterd als Rutte. Dat is waar corona toe leidt.
De enige die zich aan de malaise weet te onttrekken is de heer Donald T. Hij slaagt erin al na drie dagen uit de corona-as te herrijzen. Zelfs sterker dan hij ooit was.

0

BREIEN

Herinnering

Hier ben ik bezig met een shawl waarin ik als oefening verschillende steken verwerkte, zoals de patentsteek en de gerstekorrel

Nadat ik halverwege de jaren zeventig een jaar als leerling-timmerman had gewerkt, was ik in staat om zelfstandig kleine meubels te maken. Het vervulde me met trots, ik kreeg er meer zelfvertrouwen door. Ik had iets technisch geleerd, dat ik niet van huis uit had meegekregen. Iets stoer-mannelijks bovendien.
Het was de aanzwellende, tweede feministische golf, die maakte dat ik ook mijn vrouwelijke kwaliteiten wilde ontwikkelen.  Hoe ik op breien uitkwam weet ik niet meer. Misschien wel, omdat het ook een technische vaardigheid is. Of omdat breien gemakkelijker te leren is dan zorgzaamheid of invoelend vermogen. Hoe dan ook, ik verlangde opeens heftig naar een breiwerkje in mijn handen. Wat doe je dan als 23-jarige? Dan stap je naar je moeder.
Toen ik voorzichtig mijn wens bij haar op tafel legde, verblikte of verbloosde zij niet. We hadden weliswaar een neef, die na een aantal jaren achter de naaimachine uit de kast gekomen was. Maar mijn moeder zal zich gerealiseerd hebben dat zo’n ontwikkeling bij mij niet erg voor de hand lag. Het was in een tijd, dat ik wel eens twee vriendinnen tegelijkertijd had en het was inmiddels tot haar doorgedrongen, dat ik niet alleen de tafel met hen deelde. Dat baarde haar zoveel zorgen, dat de wens om te leren breien een verwaarloosbare afwijking was van wat zij in haar jeugd had meegekregen.
Goedgemutst en dankbaar dat zij iets voor mij kon doen, begon zij met de eerste les: insteken, omslaan, doorhalen en af laten glijden. Het werkje vroeg iets meer fijne coördinatie dan het inslaan van een spijker, maar na een week had ik de basistechniek redelijk onder controle. Ik had het tempo al een beetje opgevoerd en ik kon zelfs af en toe nonchalant een blik op de tv werpen.

In deze trui had ik zoveel wol verwerkt, dat ie na verloop van tijd een jurkje geworden was

Op dat moment schemerde er weer een mannelijk verlangen door mijn vrouwelijke idealen. Ik viel in een valkuil van ambities. Mijn moeder breide in die tijd alleen wollen sokken. Daarvoor gebruikte zij vier breipennen. Vooral het breien van de hak was een technisch hoogstandje. (Zij gebruikte overigens zulke degelijke wol en zij maakte er zo’n stevig ontwerp van dat wij nu, vijfenveertig jaar later, nog enkele paren als bedsokken gebruiken.)
Sokken breien, dat wilde ik dus ook direct leren. Alsof ik van het derde pianoboek van Folk Dean wilde overstappen op een pianoconcert van Mozart. Mijn moeder was zo verstandig mijn ambitie te negeren. Ze wilde me wel wat andere steken leren.
Ik ging van proeflapjes naar dassen. Vervolgens gaf ik mijn ziel en zaligheid aan een eerste trui. Daarna volgden truien met patronen en in verschillende kleuren. Het geluid van de tikkende pennen vervulde mij met een grote tevredenheid. Ik kon niet alleen een bank timmeren, maar ook een trui breien.

Zo plotseling als de hobby opgekomen was, zo geruisloos verdween ie weer uit mijn leven. Ik was begonnen met mijn eerste baan bij het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen, waar ik de enige man in het team was. Dus ik kreeg sterk de behoefte om iets te doen aan die disbalans. Daar paste het meenemen van een breiwerkje niet in.
Enige tijd later werd ik de coördinator van het team.

6

VERHOGING

Dagelijks

Opeens is daar het onheil, zonder aankondiging, als een dief in de nacht, de nacht van zondag op maandag 21 september. Hitte, rillingen, een bonkend hoofd. De koortsthermometer bevestigt mijn gevoel: 39,1. Ik verhuis direct naar een andere slaapkamer, waar ik onrustig lig te draaien zonder in slaap te komen. Normaal is een griep vervelend. Nu voelt het alarmerend. Heeft het mij nu ook te pakken, het virus dat de hele wereld al een half jaar in zijn greep houdt? Ik voel een kriebeltje in mijn keel, maar dat kan ik geen keelpijn noemen. Ik voel me niet benauwd, maar mijn hartslag bonkt in een hoog tempo door mijn lijf.
Waar zou ik besmet zijn geraakt? Ben ik te onvoorzichtig geweest? Behalve tijdens de presentatie van mijn boek heb ik in de voorgaande dagen nauwelijks mensen ontmoet. Moet ik iedereen gaan waarschuwen? Ik moet eerst zekerheid hebben.

Maandagochtend spreken G en ik direct af om elkaar zoveel mogelijk te mijden. Eigen slaapkamer, eigen wc, eigen ontbijttafel, eigen computer. G voelt zich nog goed en hoewel het volgens de regels niet mag, doet ze boodschappen. Ondertussen maak ik deurknoppen, trapleuningen, grepen van keukenkastjes enz. schoon met een ontsmettingsmiddel. Later merk ik dat er nog veel meer voorwerpen zijn waar ik door de dag heen met mijn vingers aankom. Theepot, kaasdoos, broodzak. De pagina’s van de krant. De afstandsbediening van de tv. Ik doe dunne handschoentjes aan, maar dat helpt natuurlijk maar even. Het is ondoenlijk. Ik begrijp nu een beetje wat mensen met smetvrees doormaken. En dat je er gek van kan worden.
De aanhoudende hoge koorts eist zijn tol. Ik kan niet veel anders meer dan op bed liggen. De trap oplopen is een berg beklimmen. Wachtend aan het ene uiteinde van onze lange tafel op het moment dat verzorgende G mij een bord met eten voorzet, voel ik me een afhankelijke bejaarde in een verpleeghuis. Stel dat ik ergens in de tachtig ben en me dagelijks zo zou voelen, hoe zou ik dan tegen het leven aankijken? Ik zwaai naar G aan het andere uiteinde.

Woensdag ga ik door de lopende band van de teststraat. Zou het niet beter zijn als ik het virus maar gehad heb? Op vrijdag volgt het telefoontje: men noemt de uitslag positief.
Een dag later geeft de thermometer ook bij G verhoging aan. Dat kan maar één ding betekenen: dat onze vermijdingsdansen onvoldoende zijn geweest. Het virus heeft de regie overgenomen. Onze wereld bestaat uit zorgen.
De eerste dagen van mijn tweede ziekteweek blijft de temperatuur onveranderd rond de 38 graden. Ik betrap mezelf erop dat ik me alleen maar focus op iets wat ik niet in handen heb. Nieuwsuur trakteert me op een reportage over de schade die Covid aan de hersenen toebrengt. Dat had ik niet willen zien. Hoe kon ik denken dat het maar beter zou zijn om het virus gehad te hebben?
Ook de uitslag voor G is positief. Het enige voordeel is, dat we niet meer bang hoeven te zijn dat we elkaar aansteken. De zon hebben we al dagen niet gezien.
Na elf dagen verhoging kan op vrijdag 2 oktober de trompet geblazen worden: mijn eerste koortsvrije dag. Vandaag heb ik mijn herintrede in de maatschappij gemaakt.

2

WEEMOED

Herinnering

Deze week hoorde ik het lied weer. Het was jaren geleden dat het voorbij gekomen was. Ik werd er door overvallen en was gelijk van de wereld. Er ontstond een wee gevoel in mijn buik, een heftig verlangen gemengd met de pijnlijke gewaarwording van het onbereikbare. Heimwee naar iets dat al lang voorbij is en nooit meer terugkomt. De muziek nam me mee naar 1970, naar mijn achttiende jaar en het eerste jaar van mijn studie.

America van Simon and Garfunkel is een rustige ballad over een jong stel dat door de Verenigde Staten trekt om het land te ontdekken. Een romantisch lied over vrijheidsdrang en ongebondenheid. De Greyhound bus nemen en dan maar zien waar je uitkomt. Met weinig geld, samen met je lief. Op zoek naar, ja, op zoek naar wat?
Let us be lovers, we’ll marry our fortunes together
I’ve got some real estate here in my bag
So we bought a pack of cigarettes and Mrs. Wagner’s pies
And we walked off to look for America
Zij dromen weg in de Greyhound bus die over eindeloze highways rijdt, terwijl de maan opkomt boven een open veld. Zij ontdekken dat het leven niet alleen maar mooi is.

Cathy I’m lost, I said, though I knew she was sleeping
I’m empty and aching and I don’t know why
Counting the cars on the New Jersey Turnpike
They’ve all come to look for America
Het lied begint en eindigt met zachte gitaarklanken, met neuriënde samenklanken van de tenorstem van Garfunkel en de bariton van Simon, in een afwisseling van mineur en majeurakkoorden. Zijn het verlangen en de nostalgie in die akkoorden verwerkt of leg ik die er in?

Ik had, als eerstejaars student, voor weinig geld een verzamelelpee gekocht. Met een uitgavenpatroon van vijf gulden per dag kon ik mij niet meer veroorloven. Rock Machine – I love you was de titel. De flowerpower periode duurde in 1970 nog voort – in ieder geval in de marketing. Op de hoes stonden talrijke kleine fotootjes van vrijende paartjes afgebeeld, alles Amerikaans-keurig en niet aanstootgevend, al was er hier en daar vaag een door mij gekoesterde blote tiet te zien. De nummers op de lp vielen me enorm tegen en het zou een miskoop geweest zijn, ware het niet dat America van Simon and Garfunkel erop stond.
Er is geen ander lied dat zo goed mijn gevoelens en ervaringen van die tijd belichaamt. Ik was op kamers gaan wonen. Voor het eerst stond ik geheel op eigen benen, met al zijn aantrekkelijkheden en onzekerheden. Er ging een wereld voor mij open, er was een wereld te ontdekken. Ik deed mijn brommer van de hand en spaarde voor een bandrecorder. Ik liep een avond achter een meisje aan, dat vriendelijk naar mij had gelachen. Dat eerste jaar was een avontuur, waar ik nu met nostalgie aan terugdenk. In werkelijkheid was het natuurlijk veel minder mooi dan het nu lijkt.