Schrijven, Lezen, Leven.
1

STROPDAS

Herinnering

In een hoekje van onze klerenkast, een beetje weggestopt achter de overhemden, hangt een houder met stropdassen, wel veertien in getal. Het zijn de ondergeschoven kindjes in mijn kledinguitzet, of beter gezegd, het is de afdeling overbodige zaken. Op die enkele keer na dat er voor een kooruitvoering een stropdas is voorgeschreven, draag ik ze nooit.
De moderne stropdas ontstond eind negentiende eeuw in Engeland. Afgaande op foto’s uit het familiealbum begon de das aan zijn opmars in de generatie van mijn opa’s. Zij droegen ‘em op zon- en feestdagen. Aanvankelijk werd de das buiten om het hoge stijve boord gelegd, daarna verdween het bovenste gedeelte onder de kraag. Mijn vader, de volgende generatie, droeg altijd een stropdas. Zelfs als hij in de tuin aan het werk was gloorde het stropje boven de hoogste knoop van zijn overall.

Mijn eerste stropdas ontdek ik op een schoolfoto uit 1959. Mijn moeder moet het dasje hebben uitgekozen. Haar boodschap lijkt me duidelijk: als een echte man zich aan de wereld toont draagt hij een stropdas. Tussen huis en school moet de knoop wat zijn losgeraakt. Mijn netjes gekruiste armen duwen het dasje opzij tot een ontspannen dracht die goed bij de stralende blik past.
Een jaar later, bij mijn Eerste Heilige Communie, is het een strik die mijn witte overhemdje siert. Op foto’s uit de daaropvolgende jaren zie ik steeds weer de scheve strik, tot en met mijn Plechtige Communie als ik twaalf jaar ben. Daarna draag ik een dun stropdasje. Ten behoeve van de volgende Plechtige Gelegenheid, de dansles, zoeken mijn moeder en ik een vlot kostuum uit, onopvallend bruin met ‘een werkje’, inclusief een rood gemêleerde das, die ik ‘goed kan hebben’, aldus de verkoper. In januari 1970, tijdens het veertigjarig dienstjubileum van mijn vader, draag ik het ensemble voor het laatst, zij het onder protest. De stoet directeuren die zijn opwachting maakt om het jubileum luister bij te zetten is het argument dat de doorslag geeft.

Met de jaren zeventig komt er een einde aan wat ik zie als het onderscheidingsteken van het gezag. Twintig jaar later zal ik nog eenmaal ’s ochtends voor de spiegel de kraag van mijn overhemd omhoog zetten om een das aan te leggen. Het strikken ben ik nog niet verleerd. Ik ben in mijn werk steeds hogerop geschoven en zit soms aan tafel met invloedrijke personen uit de zorg, het verzekeringswezen en de overheid. Allemaal lieden die zichzelf de strop omleggen. Ik had me al aangepast door het dragen van een colbert, later werd het een kostuum. Maar ik hikte nog aan tegen de laatste horde: de stropdas.
Die dag zet ik mijn twijfels opzij. Tenminste dat wil ik. Met een quasi-nonchalante houding wandel ik op mijn werk het secretariaat binnen. Om direct daarna verstijfd te blijven staan van alle commotie die ik heb opgeroepen. Dat went wel, spreek ik mezelf toe.
Dat viel echter tegen. Bovendien knelde de bovenste knoop. Tegenwoordig schijnt twee knoopjes los het summum van echte mannelijkheid te zijn.

2

REGEREN

In het nieuws

Wij zijn deze week direct aan het oefenen geslagen. We moeten tenslotte een beetje bij de tijd blijven. ‘De minister van Binnenlandse Zaken?’
‘Even denken, het was iets met een dubbele naam.’ Er valt een stilte. ‘Nee, het zit ver weg, zeg het maar.’
‘Hanke Bruins Slot.’
‘Ach ja, die kijkt zo ernstig gereformeerd en heeft als militair in Uruzgan gevochten.’
Je moet ezelsbruggetjes bedenken. Dat is een vorm van hokjesdenken of etnisch profileren, maar het helpt de zaak te ordenen. Rob Jetten, die ken ik, hij is de enige die met een glimlach op het bordes stond. Hij is voor het klimaat, maar vraag me niet hoe zijn ministerie heet. Die voor de lagere scholen heet Wiersma, dat onthou ik, hij zat er zelf nog niet zo lang geleden op. Zijn haar en zijn baard lijken op die van mijn zoon die in het onderwijs werkt en die net zo oud is als Dennis.

Sinds maandag zijn de bewindslieden weer missionair. Zij kunnen weer ontslagen worden of opstappen. Er is zendingsdrang. Die spatte maandagavond van het scherm, toen de NOS de achtentwintig bewindslieden presenteerde. (Een zoomgesprekje met nr. 29, Kaag, kon er niet af). Er was nog dezelfde dag een peiling gehouden naar het vertrouwen in Rutte IV. Dat blijkt laag. Alleen bij de VVD heeft de meerderheid er vertrouwen in. Wie zijn zaakjes goed voor elkaar heeft kan optimisme uitstralen.
Ik ben een kritische afwachter, mijn verwachtingen zijn laaggespannen. Maar ik behoor niet tot de velen die vinden dat ‘die lui in Den Haag’ er niets van bakken. Er gaat veel mis, dat is evident. Maar je kunt dat niet alleen op het conto van politici schrijven. Zo worden er bijvoorbeeld tegengestelde eisen aan de politiek gesteld.
Toen het Persoonsgebonden Budget in de zorg werd ingevoerd was er vertrouwen in de burger. Nadat de pers met verhalen kwam over grootschalige fraude riep de maatschappij – riepen wij – om betere controle. Bulgarenfraude idem. Vervolgens schoot de slinger de andere kant op en ontstond de toeslagenaffaire.
We kunnen niet tegelijkertijd vragen om meer vertrouwen in de burger en om een stevige controle van de regels. De algoritmen, de maatschappelijke polarisatie, de sociale media maken het er allemaal niet gemakkelijker op. Wie weet hier een uitweg?

Het zou mooi zijn als vakbekwaamheid en visie weer centraal kwamen te staan. Welke minister durft het aan om zijn visie te geven zonder te kijken naar de peilingen? Wie laat zijn eigen deskundigheid prevaleren boven de mening van partij of coalitiepartners? Maandagavond hoorden we veel goede voornemens. Iedere minister staat te trappelen. Iets anders kan je natuurlijk niet zeggen op de eerste dag.
Conny Helder is de minister voor Langdurige Zorg en Sport (kan ik onthouden aan: een van de ouderen, beetje gezet, Actiz). Helder (what’s in a name) sprak over preventie en kwam als een van de weinigen met een concreet idee: de heupairbag voor ouderen.
‘Dat is wel wat voor mij’, zei ik tegen G. Ik dacht aan de smak op piste nummer twee in Ischgl. Waarop mijn lief antwoordde: ‘dat is mooi, het zal je eindelijk een wat ronder uiterlijk geven.’

0

OBERAMMERGAU

Herinnering

Foto van de spelen van 1922

Begin augustus 1922 schrijft mijn oudoom Rinus van Rooijen een brief aan smid Hugo Rutz in het Zuid-Duitse Oberammergau. Hij vraagt Rutz of deze twee kaartjes voor de Passiespelen kan regelen plus drie overnachtingen, vanaf 18 augustus. Rutz antwoordt beleefd, dat alle plaatsen en bedden voor de maand augustus ‘vergeben’ zijn, maar dat er in september nog wel wat geregeld kan worden. Rinus schrijft onmiddellijk terug dat september voor hem onmogelijk is en dat hij daarom vastbesloten is om op 18 augustus in Oberammergau te arriveren. Hij stopt tweehonderd mark voor twee plaatsen eerste rang en tien mark voor een postzegel voor het antwoord in zijn brief. Op 15 augustus volgt een briefkaart aan Hernn J.P. van Rooijen, Portretmäler, Woerden Holland.. ‘dass für 20. August 2 Plätze sowie Logis besorgt sind.’

De rol van Caiphas werd gespeeld door smid Hugo Rutz. Tekening door Rinus van Rooijen

Al meer dan vier eeuwen lang voeren de bewoners van Oberammergau om de tien jaar een muzikale voorstelling op over de laatste vijf dagen van Jezus. Een bezoek aan de Passiespelen is een lang gekoesterde wens van Rinus en zijn vrouw Christien. Hoewel hij als portretschilder maar nauwelijks zijn hoofd boven water kan houden heeft hij in 1922 om onbekende redenen wat meer te besteden. Hij wordt daarbij geholpen door de enorme geldontwaarding in Duitsland in die jaren. Het helpt ook dat hij in zeven opeenvolgende artikelen verslag doet van de reis in het katholieke dagblad Het Centrum. Het is een relaas vol van enthousiasme, opwinding en superlatieven.
Voordat de voorstelling begint wonen Rinus en Christien de hoogmis bij. ‘Wat trof mij dien morgen de machtige eenheid van ons heerlijke Roomsche geloof, toen ik de meer dan duizend vreemdelingen uit aller oorden der wereld hier samengestroomd hetzelfde kruis zag maken en dezelfden God zag aanbidden.’ Waarna de apotheose volgt in het passiespel tijdens het afscheid van Jezus van zijn moeder: ‘O, dit hartroerende afscheid heeft ons allen diep in de ziel gegrepen. Bij iedere toehoorder werkte dit droevige afscheid een smartelijke herinnering op aan zijn eigen leven en lijden. Dit was geen spel meer, maar werkelijkheid.’ Alle vijfduizend toeschouwers zijn aangedaan. ‘Wij schamen ons niet voor onze tranen, want rond om ons zien wij mannen en vrouwen, priesters en leeken hunne tranen wegwisschen.’
Het echtpaar laat zich in Oberammergau nog een dag lang rondrijden in een rijtuig met koetsier. Zij bezoeken kastelen, kloosters en kerken. Op de terugweg naar Nederland maken zij diverse toeristische tussenstops. In München bezoeken zij een museum voor moderne kunst. ‘Vooral op het gebied der portretkunst viel er veel te genieten.’ In Rüdesheim bewonderen zij het Niederwalddenkmal, een metershoog monument dat herinnert aan de stichting van het Duitse Rijk in 1871, direct na de Duitse overwinning op Frankrijk. De Eerste Wereldoorlog dreunt hier nog na. In de sokkel staat de tekst van Die Wacht am Rhein gegraveerd, een patriottisch lied, dat Zuid-Duitse nationalisten als hun volkslied beschouwen. Als Rinus het lied begint te zingen wordt hij gecorrigeerd door een bezoeker. ‘Weissen Sie nicht dass es nicht erlaubt ist das Nationallied zu singen. Die Franzosen haben das verboten.’

1

JAARWISSELING

Herinnering

Bijgaande foto is gemaakt op 1 januari 1965 luttele seconden na 00:00 uur. We zien een huiskamer vol familieleden die elkaar een Zalig Nieuwjaar wensen. De fotograaf heeft zich zó gehaast om het moment suprême vast te leggen dat er een bijna geheel geanonimiseerde foto is ontstaan, een beeld dat uitstekend past in de eisen die de huidige privacywet aan publicatie stelt. Destijds werd de foto gewoon afgedrukt en in het album geplakt.
Het lijkt wel alsof wij destijds al vast een voorschot namen op de anderhalve-meter-samenleving. Geen omhelzingen, geen gezoen, maar een gestrekte arm.
Ik ben de figuur op de voorgrond. Ik ben twaalf jaar en aan de hoge broekspijpen te zien ben ik in de groei. Het geheven knietje doet enig ongemak vermoeden. Daarnaast valt op dat ik mijn winterjas aan heb. De reden moet geweest zijn dat ik na het handen schudden direct naar buiten wilde om rotjes en gillende keukenmeiden af te steken. Een altijd weer spannende bezigheid omdat het aansteken van het lontje vaak niet wilde vlotten en ik bang was dat het vuurwerk in mijn hand zou ontploffen.

1960. Vooraan mijn moeder, daarachter Tante Jo, beiden met een wafelijzer

Dat het een bijzondere dag was merkten we meestal in de loop van de morgen als mijn moeder de grootste pan die er in huis was, zo een die het complete fornuis in beslag nam, naast de kachel plaatste. De pan was afgedekt met een natte theedoek. Ik kreeg eens op mijn kop omdat ik het gewaagd had om onder de theedoek te kijken of het beslag al voldoende gerezen was. Soms bakte mijn moeder oliebollen, soms wafels.
Het wafelijzer zag eruit alsof het van generatie op generatie was doorgegeven. Een van de smeden uit de familie had er ooit een andere ijzeren ring omheen gelegd. Je kon er een grote ronde wafel in bakken die gemakkelijk in vijf hartjes te breken was. In de ring zat een scharnier. Tilde je het wafelijzer aan één kant hoog op dan kon je het ijzer omklappen, zodat ook de andere zijde mooi bruin kon worden. Daarvoor gebruikte mijn moeder een kachelpook.
Het bakken begon aan het einde van de middag. De jassen waren tevoren uit de gang verwijderd om te voorkomen dat men de volgende dag in de kerk de vette geur zou ruiken. Ma hulde zich in een witte jasschort, die speciaal voor deze gelegenheid uit de kast was gehaald. Zij wist als geen ander de juiste hoeveelheid beslag in het ijzer te gieten en in te schatten wanneer de wafel krokant bruin was. Dan opende zij het ijzer met de kachelpoot en wipte met vuurvaste vingers de wafel eruit. Vervolgens was het onze taak om de wafel te breken, de hartjes met gesmolten boter te bestrijken en er een mengsel van suiker en kaneel over te strooien. Het water loopt me nu nog in de mond.

Nadat wij het vuurwerk verknald hadden en de nieuwjaarswensen met de buren hadden uitgewisseld (zij wensten ons veel heil en zegen), wachtte de volgende morgen de mentale kater. De feestmaand was voorbij. School en huiswerk keken alweer venijnig lachend om de hoek.

Ik wens je een gelukkig nieuwjaar.

 

5

SCHEMERING

Dagelijks

Aan het einde van een zondagmiddag – de schemering is ingevallen, het water van de Vleutense wetering is donker, de oevers grijs – open ik de donkerrode achterdeur van het huis van mijn tante Jo en ome Do. Het droge, schurende geluid van de scharnieren verbreekt de stilte. Ik stap de keuken in en sluit zachtjes de deur. Binnen is het al bijna donker. Dat deert mij niet, ik ken de weg op mijn duimpje. Ik open de deur naar de woonkamer en neem het opstapje. Ook hier is het duister. Alleen door de ruitjes van de schuifdeuren tegenover mij zie ik het flauwe licht dat door een achterraam naar binnen valt. Er hangt een geur van sigaren en zoete thee. Is er iemand thuis, vraag ik mij af. Ik aarzel een ogenblik. Alleen het tikken van de grote wandklok doorbreekt de stilte. Onzeker loop ik om de ronde tafel heen, naar de half openstaande schuifdeuren en de achterkamer, het weinige avondlicht tegemoet. Dan pas zie ik de silhouetten van twee figuren, links en rechts voor het raam, de hoofden omgedraaid om in het laatste licht te zien wie binnen is gekomen. Mijn jonge geest is verbijsterd. Twee mensen zitten in het bijna-donker stil en zwijgend voor het raam. Het leven lijkt hier tot stilstand gekomen. Wie gaat er nu als een dooie in het duister uit het raam zitten staren? Naar niks. Zonder iets tegen elkaar te zeggen.

Deze herinnering kwam in mij op bij het lezen van een artikel van Marjolijn van Heemstra in de Volkskrant van 20 november j.l. Zij stelt daarin de fixatie op economische groei ter discussie en keert zich ‘tegen het absurde idee dat elke seconde nuttig moet worden besteed, tegen de groeiverslaving die onze levens beheerst.’ Schemeren is in haar ogen een krachtig middel tegen deze fixatie: ‘Simpelweg zitten en zien hoe de duisternis opkomt, hoe grenzen vervagen, de dag verwatert. (…) Een zeer toegankelijke oefening in niet-doen en niet-zijn. (…) Het gaat zo langzaam dat er niets lijkt te gebeuren, terwijl intussen alles verandert. Wat in daglicht vastomlijnd is, verwatert in de schemering.’ Het daglicht beperkt je locatie, de duisternis maakt je wereld grenzeloos, zo schrijft zij.

Nu ik zelf de leeftijd heb van mijn oom en tante destijds, kan ik me vinden in het pleidooi voor schemeren, als voorbeeld voor een moment van rust. Al is de drijfveer om iets te doen bij mij meestal sterker, zeker als ik denk aan de klok die de jaren wegtikt. Deze week zette ik aan het einde van de middag mijn stoel voor het raam aan het westen en liet het vallen van de avond op mij inwerken. Bomen die grijs afsteken tegen het licht daarboven. De contrasten tussen licht en donker weerspiegeld in het wateroppervlak. Een laatste roep van een mees. De wind is gaan liggen, het lijkt of ook de natuur rust neemt. Zo word ik omsloten door het grijsdonker. Totdat binnen het licht aanfloept en de betovering over is.
Heb ik nu een uur gewonnen of een uur verloren?

2

GODFRIED BOMANS

Dagelijks

Tussen de beperkte grammofoonplaatverzameling bij ons thuis stond een promotieplaatje uit 1962. In een als humoristisch bedoelde sketch speelt Wim Sonneveld de interviewer en Godfried Bomans een beroemde componist. De cabaretier Sonneveld is ditmaal de aangever (‘hoebedoeluuu?’) voor de grappen van de schrijver Bomans. Sonnevelds uithaal aan het einde dat hij Bomans een brutale, gezwollen, zelfingenomen, brallerige kwal vindt lijkt niet alleen door de sketch ingegeven. Ik herinner mij dat ik als tienjarige geschokt was door de directe wijze waarop beide mannen elkaar de ongezouten waarheid vertellen.

Godfried Bomans schreef in de jaren dertig en veertig enkele nu nog steeds gelezen boeken, zoals Erik of het klein insectenboek (de 60e druk verscheen in 2013). Na de oorlog schreef hij columns voor De Volkskrant en Elsevier. Door zijn humor, scherpe observaties en originele gedachten werd hij een televisie-persoonlijkheid. In die tijd vond ik hem oubollig en conservatief.
Op 21 december a.s. is het vijftig jaar geleden dat Godfried Bomans overleed. Raken veel schrijvers na hun dood al gauw in de vergetelheid, voor Bomans is de belangstelling nog altijd groot, waarmee een van zijn uitspraken wordt bevestigd: ‘zolang er nog mensen over je spreken, ben je nog niet helemaal dood.’
Het Godfried Bomans Genootschap houdt met publicaties en lezingen zijn gedachtegoed op peil. Er zijn tientallen boeken over de man verschenen, een ongekende verzameling voor een schrijver die tijdens zijn leven nooit één literaire prijs ontvangen heeft. Die aandacht heeft hij zelf in de hand gewerkt. Niet alleen was hij een meester in verzinsels en rookgordijnen – je wist bij hem nooit wat waar of onwaar was. Hij was daarnaast een zeer complexe persoonlijkheid. Bij iedere deskundige van wie het beroep met psy- begint, loopt hiervan het water in de mond. Bomans wordt gekenschetst als overgevoelig, ijdel, clownesk, ongrijpbaar, lichtgeraakt. Een poseur, een onzeker kwetsbaar kind, altijd op zoek naar warmte. Hij genoot ervan als vrouwen verliefd op hem werden en keek ondertussen alweer uit naar de volgende vrouw die hem alle aandacht zou kunnen schenken.

Schrijven kon hij als de besten. Er zijn taalkundigen op zijn werk gepromoveerd. Erkende literaire grootheden als Mulisch en Brouwers spraken hun bewondering uit. Hoewel zij er veelal aan toevoegden dat zij vooral Bomans stijl bewonderen en niet zozeer de inhoud. Maarten ’t Hart daarentegen was niet onder de indruk.
Bomans komt uit een katholiek nest. Op dat punt zijn er geen mystificaties rond zijn persoon. Hij kon goed de spot drijven met de gedragsdragers in de kerk. Tegelijkertijd proef je zijn verlangen naar de aloude katholieke rituelen en gebruiken. Ik las de laatste jaren diverse boeken waarin hij verhaalt van zijn roomse jeugd. Over de kapelaan die het kind vraagt ‘Braaf op school?’ en zonder een antwoord af te wachten alvast invult: ‘kijk dat doet me genoegen’. En over de pastoor: ‘Als hij een parochiaan ontmoette legde hij zijn arm om diens schouder, alsof de man zojuist uit een moeras was opgehaald.’ Bomans noteert over het Rijke Roomsche Leven: ‘wij leefden in een zelfgenoegzaamheid, die wortelde in angst.’

2

SCHUUR

Herinnering

Een foto uit 1964, ik was toen twaalf jaar

Ik las Aan de dijk van Koos van Zomeren, een nostalgisch boek over zijn herinneringen aan Herwijnen aan de Waal en opeens zag ik de schuur van ons ouderlijk huis voor mij. Een flinke schuur, opgetrokken uit brede planken. In mijn jeugd kon je nog juist zien dat ze in een ver verleden donkerblauw waren geweest. Ooit was de schuur het verblijf geweest van enkele koeien en varkens van mijn opa Ekelschot.
Bij binnenkomst was er direct links een groot, stenen fornuis. Misschien hebben daar vaak stoofpeertjes boven het houtvuur staan pruttelen. In mijn jeugd was de oven buiten gebruik. Er stond een bak met roestige spijkers, er lagen een hamer en een kromme schroevendraaier. Rechts van de ingang stond het tuingereedschap: een spa, een hark, een hak, een bezem. Iets verder rechts, onder het raam met spinnenwebben, was een waterkraan boven een putje.

Liep je door dan kwam je bij een eenvoudige ladder, die naar de schuurzolder leidde. Daar mochten we nooit komen. Ik keek wel eens in het trapgat en dan zag ik waarom: kapotte planken, vermolmde resten, gaten in de vloer. Alleen onze poes spookte er rond. Ooit had zij, naast dat trapgat, op een achtergebleven pluk hooi haar jongen geworpen. Dat nageslacht was niet de bedoeling. Mijn moeder stopte de jonkies in een juten zak en hield die een tijdlang onder het water van de Molenvliet. Zelf was zij als kind in haar slaap ooit op een jong poesje gaan liggen, met fatale gevolgen. Ze was er dagenlang verdrietig om. Onze poes was geen huisdier, ze heeft nooit een poot over de drempel van het huis gezet. Buiten stond een schoteltje waar ze een beetje melk en een restje aardappel kon vinden. In ruil daarvoor moest zij de muizen op afstand houden.

Mijn broer,een zus en een neef, plusminus 1953

De vloer in het midden van de schuur bestond uit een hobbelige verzameling stenen. Er was wel een keurig gemetselde geul waar ooit de koeien hun flatsen hadden laten vallen. In mijn jeugd stond daar een Miele wasmachine, een van de eerste elektrische modellen, een witte, open kuip met drie raderen. Ernaast stond een houten wasrek met een wringer in het midden en aan beide zijden plaats voor een zinken teil.
In het midden van de schuur hing een schommel, dé grote attractie voor vriendjes die bij ons kwamen spelen. Mijn favoriete spel was om zo ver mogelijk van de hoog zwaaiende schommel af te springen, tot vlakbij het waterputje. Links, in de ruimte achter de schommel, stonden onze fietsen. Tegen de wand had mijn broer voetbalplaten van Esso geprikt.
Een deel van de schuur was door rieten matten afgescheiden van een achterliggend deel. In mijn geheugen verschijnen daar de ronde bogen van de tweedehands auto die onze buurman hier mocht parkeren. Er was een hoge zijingang. Maar misschien bedriegt mijn geheugen mij hier. Achter de rietmatten waren er in de duisternis uitstekende verstopplekken. Helemaal links achterin kwam je in een ruimte waar lage houten schotten aan het verblijf van varkens herinnerden. Het was een plek, ver van iedereen en alles, waar je ongezien door derden in elkaars broekje kon kijken.

1

EEN EETAFSPRAAK

Dagelijks

Hoe oud zouden zij zijn? Zestien, zeventien hooguit?
Een jongen en een meisje, tegenover elkaar aan een kleine tafel in een restaurant. Zij heeft een gezicht uit duizenden en lang blond haar. Ze draagt een lichtblauwe blouse. Hij heeft kort donker haar. In zijn gezicht zie je tegelijk het kind dat hij was en de man die hij wordt. Hij is gekleed in een wit overhemd. Ze zien er beiden keurig uit, goed opgevoed, bovengemiddeld opgeleid. Zij buigt zich naar hem toe, hij leunt wat achterover.
Ik zie de stapel pannenkoeken voor me, die de moeder van een vriendinnetje lang geleden op tafel zette. Het was de eerste keer dat ik bij haar at en ik kreeg er weinig door mijn keel. Ik vroeg vriendinnetjes mee naar de kermis. Naar het zwembad of de film. Nooit maakte ik op die leeftijd een afspraak in een restaurant. Ik kende dat niet, ik ging ook niet met mijn ouders uit eten.

Het meisje praat, zij ziet er zelfbewust uit. De jongen luistert, zijn gezicht is onbewogen, onpeilbaar. Zij schuift haar stoel nog dichterbij, hij houdt afstand. Is het zijn eerste keer en weet hij niet hoe zich in zo’n situatie te gedragen? Of heeft hij eigenlijk niet zo’n zin in dit etentje? Dat witte overhemd, daarover moet hij nagedacht hebben. Dat draagt hij niet dagelijks. Hij ziet er een beetje uit als een bedaagde veertiger, als zijn vader wellicht.
Ik wilde juist iets wat mijn vader niet droeg: een broek met uitlopende pijpen, oranje badstof sokken, een goudbruine velours trui.
Zij heeft nu haar vingertoppen losjes op zijn hand gelegd. Hij weert niet af, beantwoordt haar gebaar ook niet. Hij laat haar begaan.
Ik moest de meisjes leren kennen. Ik vond hen serieus en braaf. Ze wierpen elkaar onderling blikken toe, die ik niet kon volgen. In de gymnastiekzaal liepen zij achteraan. Ze maakten geen grappen en vonden het niet erg als zij verloren met toepen. Bovendien konden ze lang met elkaar kletsen zonder iets te doen.

De twee zijn alleen op elkaar gericht. Ze kijken niet in het rond, niet op hun telefoon. Het ziet er niet uit als een moeilijk gesprek, maar er wordt ook niet gelachen. Het oogt vooral serieus. Wat zal zij hierover aan haar vriendinnen vertellen? Ik zie hem zitten in de voetbalkantine met zijn teamgenoten na een wedstrijd: veel kabaal, sterke verhalen, korte zinnen, uitroepen, gelach, elkaar de loef afsteken.
Nu liggen van elk beide handen op tafel, ze raken elkaar voorzichtig, vingertoppen die zich om elkaar krullen.
Ik hield wel van dansen, dan deed je tenminste wat. Toen ik eens tijdens het dansen mijn handen op de heupen van het meisje legde, meende ik iets hards te voelen. Zouden meisjes korsetten dragen, vroeg ik mij af, zo’n roze kledingstuk dat ik thuis wel eens aan de lijn zag hangen.
De jongen rekent af. Als zij het restaurant uitlopen haakt zij haar arm in de zijne. Gearmd als een stel dat al jaren bij elkaar is lopen zij naar buiten.

0

VOORKIND

Herinnering

Petronella van Wijk, 1851 – 1932

Mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk is in 1870 negentien jaar oud als zij bevalt van een zoon, Cornelis. Hoewel zij in IJsselstein woont komt het kind in Linschoten ter wereld. De dokter uit Montfoort die geholpen heeft doet de aangifte op het gemeentehuis in Linschoten, waar hij vertelt dat Petronella ongehuwd is.
Blijkbaar komt de biologische vader niet in aanmerking als huwelijkskandidaat en gaat men op zoek naar een geschikte man. Dat vergt enige tijd en enige afstand. Uiteindelijk vindt men in Breukelen de 32-jarige boerenzoon Dirk Ekelschot bereid om met Petronella te trouwen. De huwelijksvoltrekking vindt wederom in Linschoten plaats. De griffier van de arrondissementsrechtbank Utrecht krabbelt in de kantlijn van de geboorteakte van Cornelis dat Dirk en Petronella het kind “als het hunne erkend en alzoo gewettigd hebben.” Cornelis krijgt op die dag de naam Ekelschot. Met deze oudste broer van mijn opa zouden de familiale contacten later zeer beperkt blijven.

Een voor het huwelijk geboren kind, het is van alle tijden. In het uitgebreide overzicht dat F. Pouw maakte van de familie Den Hartog, een andere voorouderlijke tak van mijn familie, kom ik er meer tegen. Zo bevalt de 21-jarige ongehuwde dienstmeid van de getrouwde Johannes den Hartog in 1831 van een zoon.
In de literatuur die ik op internet vind lees ik dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw een piek was in het aantal voor- en buitenechtelijke kinderen. De meest plausibele verklaring onder historici luidt dat de Verlichting en de Franse overheersing hieraan hebben bijgedragen. De Fransen hadden onder meer de prostitutie gelegaliseerd. Buitenechtelijke kinderen kwamen vooral voor in de steden en onder de lagere standen en meer bij protestanten dan bij katholieken. Vrijen voor het huwelijk was echter ook op het platteland heel gewoon. Officieel was het niet toegestaan, maar jongens mochten hun gang gaan, als maar niemand het zag. Er waren artsen die meenden dat het voor jongemannen ongezond zou zijn als zij hun lusten moesten beheersen.
Onder de toenemende invloed van kerkelijke instanties, het beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Victoriaanse tijdsgeest nam aan het einde van de eeuw het aantal buitenechtelijk geboren kinderen weer fors af.

Paulus de Lange, 1846 – 1915

Petronella van Wijk, die als jong kind haar beide ouders verloren had, verliest op 26-jarige leeftijd ook nog eens haar man Dirk Ekelschot. Ze verhuist met haar vier jonge peuters naar Maarssen, waar zij de buurvrouw wordt van boer Paulus de Lange. Als de buurman enkele jaren daarna weduwnaar wordt is het pact snel gesloten. Petronella trekt in bij Paulus, zonder te trouwen, wat voor die tijd nogal ongewoon is. Pas als hun eerste gezamenlijke kind op komst is geven ze elkaar in 1886 het jawoord. Vier maanden later wordt dochter Anna geboren. Ik heb haar nog gekend, het was een tante van mijn moeder.
Overigens was de moeder van Paulus de Lange een zus van Dirk Ekelschot. Petronella’s voormalige schoonzus werd dus nu haar schoonmoeder. Het ware kleine kringetjes waarin de mensen zich bewogen.

0

DIRIGEREN

Muziek

Het projectkoor bezig met de warming-up. Foto: Wil Schraven

De afgelopen twee maanden zong ik mee in een projectkoor onder leiding van een jonge dirigente. We oefenden een afwisselend programma met muziek uit de 19e , 20e en 21e eeuw. Er waren stukken bij, onder andere van Ravel en Hendrik Andriessen, waar we hard aan moesten werken. De groep bestaat echter uit ervaren koorzangers en de dirigente is een groot talent. Ze werkte in Nederland al met professionele koren. Juist in onze oefenperiode won zij in Zweden de prestigieuze Eric Ericson Award voor jonge koordirigenten. Daarom mag zij de komende drie jaren met elf prominente Europese radiokoren werken. Succes verzekerd voor ons project, zou je zeggen. Afgelopen zondag voerden we ons concert uit. Ik was teleurgesteld. Er zaten veel slordigheden in de uitvoering. Wat ging er mis?

Een groep zangers dirigeren is geen kleinigheid. Als je afgeslagen hebt beginnen ze meteen te kletsen. Er zijn tal van details die uitnodigen tot discussie. Je moet een goede balans vinden tussen de ambitieuze zangers en de gezelligheidszangers. Er zijn altijd eigenwijze lieden die het beter menen te weten dan de dirigent. Al is het over de juiste uitspraak van de -r- in het Engeland van de zeventiende eeuw.
Ik ben wel eens inval-dirigent geweest, hoewel ik de ervaring noch de scholing hiervoor heb. Samen beginnen en samen afsluiten, dat was het doel dat ik me gesteld had en dat was soms al lastig genoeg.

Een dirigent moet op de eerste plaats de nodige muzikale kwaliteiten hebben. Een partituur goed kunnen lezen. Duidelijk zijn in de maat en de inzetten. Goed kunnen horen waar iets fout loopt en dat op een prettige manier kunnen uitleggen. Communiceren is bovendien niet alleen een boodschap zenden maar ook boodschappen ontvangen: inschatten wat een koor wil en wat haalbaar is.
Een wisseling van dirigent houdt een risico in. Nieuwe dirigenten zijn ambitieus en willen dingen veranderen. Zo hoorde ik van een dirigent die bereid was een koor te leiden, onder de voorwaarde dat hij een paar mindere broeders eraf mocht sturen. De zondebokken bleken, zonder dat de kandidaat-dirigent dit wist, allen in het bestuur te zitten. Die zaten daar natuurlijk niet voor niets.

Onze dirigente beschikt over uitzonderlijke muzikale kwaliteiten. Intonatie, frasering, dictie, van alles viel haar op. Met fraaie beeldspraak legde zij uit hoe het beter kon. Wij bassen zongen teveel als een stampend paard dat de trap oploopt. Zij deed het even voor. Op één punt ging het volgens mij fout, een belangrijk punt. Het repertoire was te moeilijk, in ieder geval voor de korte repetitietijd die ervoor stond. Hoewel de dirigente ons voor de tweede maal in een project begeleidde had zij ons te hoog ingeschat. Of beter gezegd: zij was uitgegaan van haar eigen normen, haar eigen boodschap. Ze had te weinig opengestaan voor de boodschap van het koor. Natuurlijk, wij waren geen professionals, was haar reactie toen ik haar hierover sprak. Maar het Nederlands Kamerkoor was voor haar wel het richtsnoer. Zo keerde haar ervaring in de professionele wereld zich om tot een nadeel.
Maar het publiek heeft zondag genoten.