Schrijven, Lezen, Leven.
2

BREL

Muziek

Daar is hij weer eens. Veertig jaar na zijn dood is er een nieuwe documentaire, opgebouwd uit de bekende zwart-wit beelden: een man in een zwart pak, vol passie zingend in de kleine cirkel van een spotlicht, druk bewegend met zijn armen. Zijn getuite lippen ontbloten de tanden en het tandvlees en zijn gezicht druipt van het zweet. Het is de uitdrukking van een storm, van een strijd, van totale overgave aan het lied. Terwijl Brel jarenlang avond aan avond optrad, soms meermalen per dag, gaf hij zijn publiek bij elk optreden het gevoel alsof hij er nog één keer volledig voor wilde gaan.
Jacques Brel was een Franstalige Belg, die halverwege de vorige eeuw zijn burgermansbestaan in de steek liet en een enkeltje Parijs nam om zijn zelfgeschreven liedjes te laten horen. Het duurde even voor hij doorbrak met wat zijn handelsmerk zou worden: het overbrengen van emoties in alle soorten en maten. Gesteund door François Rauber als muzikaal arrangeur en drie andere uitstekende muzikanten bereikte hij rond 1960 de top van de muziekwereld.
Brel was een eigenzinnig man. Hij deed alleen wat hij zelf wilde en was wars van compromissen. Behalve aan zijn liederen bond hij zich nergens aan, niet aan vrouwen, niet aan plaatsen, niet aan geld of carrière. Op zijn 37e, op de toppen van zijn roem besloot hij om nooit meer op te treden. Zoals hij ooit zijn vrouw en jonge kinderen verliet, zo vertrok hij uit Parijs. Pas aan het einde van zijn korte leven nam hij nog eenmaal een plaat op. Het zijn dramatische liederen, gezongen met een stem aangetast door de vier pakjes sigaretten per dag.

Ik ben al jaren Brel-fan. De muziek is prachtig en zijn teksten gaan over de ware dingen in het leven: liefde, vriendschap, haat en nijd, aftakeling en afscheid.
Maar boven alles is het de muziek die mij direct terugbrengt naar mijn jeugd, naar de tijd, dat ik muzikaal ontwaakte uit de kinderversjes en Marialiedjes. We hadden één singletje thuis, met Madeleine op de ene kant en Bruxelles op de andere kant. Al verstond ik er geen jota van, ik voelde dat deze liederen over zaken gaan die er toe doen. Het was de eerste muziek waar ik ondersteboven van was. Bovendien, wie Franse muziek mooi vond, telde in die tijd mee. Brel opende voor mij, nog voor het tijdperk van de beatmuziek, de wereld van het populaire lied.
Ik leerde nog veel meer van hem kennen. ‘Oh mon amour, mon douce, mon tendre, mon merveilleux amour’. Zonder te oefenen ken ik stukken tekst uit mijn hoofd. Zijn uitspraak van het Nederlands (zonder liefde, oewarme liefde, oeweent de zee, de ghrijze zee) zit net als zijn timing vastgebeiteld in mijn hoofd.
Uit de tijd, dat ik een beetje piano speelde, heb ik de akkoorden van het lied Amsterdam overgehouden en een enkele keer als niemand luistert begeleid ik mijzelf nog wel eens stuntelig: ‘Dans le port d’Amsterdam, y-a des marins, qui boivent’.
Dus als er om de zoveel tijd weer een documentaire over Brel op tv komt, dan kijk ik. Al heb ik alle beelden al meermalen gezien, hij pakt me telkens weer. Hij brengt me telkens weer terug.

3

NETJES INGEPAKT

Dagelijks

Deze kat komt in dit stuk niet voor

Onze tuin lijkt in trek bij de dieren. Na het bijenvolk van vorig najaar en de postduif van deze zomer hadden we onlangs het onverwachte genoegen van een volgende lieftallige gast.
Dit verhaal begint met K., de poes van onze achterburen en, voor alle duidelijkheid, daarmee bedoel ik niet de onverwachte gast, integendeel. Teruggekomen van onze vakantie constateerden we deze zomer dat deze kat ons toch al niet fraaie gazonnetje had uitgekozen tot openbare plek om haar darmen te legen. Nadat wij tenminste zes, inmiddels in de zon opgedroogde, hoopjes hadden verwijderd dacht K.: ‘Ha, er is weer ruimte’ en legde heimelijk in het holst van de nacht haar volgende drol.
Zou het beest een achteraf stukje grond onder een boom hebben uitgekozen en haar behoefte keurig hebben begraven, dan zouden we er minder moeite hebben gehad. Maar nee, dit mormel wilde blijkbaar een statement maken door de restanten van haar peperdure delicatessenvoer midden in de tuin achter te laten. Want zo’n kreng is het wel. Het beste is nog niet goed genoeg voor K. en ondertussen wel asociaal en schaamteloos de buurt onderschijten. Huisdieren lijken vaak op hun baasjes.
Tja, dan moet je iets.
Eerst strooide ik maar eens driftig met de peperbus, zo’n operatie mocht wat kosten. Maar na het eerste regenbuitje was dit effect verdwenen. Daarna spande ik een net over het grasveldje.
Die maatregel werkte goed uit. Mevrouw durfde niet het risico aan om met haar tere pootjes in het net verward te raken. Tenminste aanvankelijk, want na een maand had K. haar angst overwonnen en lag er een grote, bruine hoop op het net.
Ik begon mijn hersenen te pijnigen over andere oplossingen. Van nachtenlang waken met een emmer water bij de hand tot high-tech solutions met drones. Uiteindelijk spande ik op 10 centimeter hoogte een touw rond het gazon en hing het net erover heen. Het was nu niet meer mogelijk om over het net te lopen. Opnieuw hoefden we een maand lang geen stront te ruimen.
Totdat onze onaangekondigde gast langskwam.
Op een morgen vonden we een egel, die zich compleet in het net had vastgedraaid. Zijn stekels, zijn kop, zijn poten, alles was keurig ingepakt als voor een lange reis. Het bood ons de gelegenheid zo’n beestje eens goed van dichtbij te bekijken. Hij had lieve kraaloogjes en een grappig donker snuitje. Gewillig liet hij toe dat wij heel voorzichtig het net rond zijn stekelige lijfje losknipten. Met nog een paar restanten tussen zijn stekels schuifelde hij de struiken weer in.
Als een visser herstelde ik mijn net en spande het weer over de touwen.
Vorige week zat er opnieuw een egel verward in de mazen, ditmaal een kleiner exemplaar. Egels zijn bijziend, las ik. Dat weerhoudt een volwassen mannetje er niet van om één tot drie kilometer per nacht af te leggen. Wie weet wat er ’s nachts allemaal door de tuin banjert.
Ik moest denken aan Marian Thieme. En aan de leeuwenwelp in Westbroek. Die dag heb ik onmiddellijk de gehele touw- en netconstructie opgeruimd en het grasveld weer vrijgegeven.
De emmer water staat nog steeds klaar.

1

LIESBREUK

Dagelijks

Eind april voelde ik onder het koken opeens een onbekende pijn in mijn onderbuik. Er bleek links in mijn lies een uitstulping te zijn ontstaan, die ik nog het beste kan omschrijven als een derde bal schuin boven de andere twee. Google leverde al snel de diagnose liesbreuk. Dat is een gaatje in de buikwand waardoor het buikvlies zich in de lies naar buiten stulpt. Niet iets om je zorgen over te maken, maar voor de zekerheid maakte ik toch maar een afspraak met de huisarts.
Ik werd ontvangen door een vervanger, een jonge vrouw, die geassisteerd werd door een nog jongere vrouw, een huisarts-in-opleiding. Zo stond ik daar met mijn broek omlaag, terwijl de beide jongedames uitgebreid mijn kruis inspecteerden en becommentarieerden. De diagnose van dr. Google werd bevestigd en ik werd gerustgesteld, dat ik hiermee heel oud zou kunnen worden. Waar het ‘hiermee’ naar verwees werd niet gepreciseerd, ik ging er maar vanuit dat men de derde bal bedoelde.
Ik keek het eens enkele maanden aan. Vaak voelde ik niets, maar elke week waren er wel een paar dagen met een zeurende pijn die vooral in zittende positie onaangename vormen aannam. Ik vroeg me af of de beide jongedames wel eens zo’n bal gevoeld hadden en begon steeds meer te twijfelen of ik op deze manier heel oud wilde worden.
Na vier maanden vroeg ik een verwijzing naar een specialist. Dat trof, het Diakonessenhuis beschikt over het ‘grootste liesbreukcentrum van Nederland’. De ‘schat aan kennis en ervaring’ klonk me wel vertrouwenwekkend in de oren. Ik maakte digitaal een afspraak met dr. Burgmans. Anders dan de naam doet vermoeden bleek ook deze arts van het vrouwelijke geslacht te zijn. Ik begon eraan te wennen om mijn broek voor vrouwen te laten zakken.

Twee uur voor de operatie, nadat ik mij als patiënt in bed had geïnstalleerd

Dr. Burgmans stelde mij geroutineerd een kijkoperatie voor. Opnieuw werd ik taalkundig op het verkeerde been gezet, want een kijkoperatie betekent niet alleen dat de chirurg door de ingebrachte camera eens lekker kan rondkijken in de buikholte. Er worden ook twee instrumenten in de holte gebracht, waarmee, hoe simpel kan het zijn, een matje over het gaatje wordt gelegd. Het is een matje van 10-15 centimeter, geen halve maatregelen dus, als ik mijn band plak leg ik er een kleinere plakker overheen. De animatiefilm op de site van het ziekenhuis bracht me in een goede stemming. Ik bleef alleen nog zitten met de vraag, hoe men een matje van dergelijke afmetingen door zo’n klein gaatje peurt.
De risico’s van de operatie, die onder volledige narcose plaatsvindt, zijn gering, maar niet geheel afwezig, zo had dr. Burgmans mij verzekerd. Ik herinnerde mij het verhaal van een vriend, die een paar jaar geleden een zelfde operatie had ondergaan. Er was bij hem een bloeduitstorting ontstaan, waardoor hij twee weken met blauwe ballen had rondgelopen. Ik zei tegen hem, dat het maar goed is, dat wij op deze leeftijd niet meer de blitz hoeven te maken, maar ‘evengoed is zoiets toch wel ongelukkig’, zou mijn moeder in zo’n geval gezegd hebben.
Afgelopen dinsdag ben ik geholpen. Herman van Veen zong ooit: ‘ik weet wat ze onder helpen verstaan, ze hebben het met de kat gedaan, die ligt nu lui en vadsig voor de haard’. Zo is het maar net. Ik doe een paar weekjes kalm aan, maar daarna moet ik weet helemaal het mannetje zijn.

1

CRISIS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (18)

Op mijn kamer aan de Oude Kamp

Toen eind jaren zestig velen de katholieke kerk verlieten, liep ik mee. Zonder naar links of naar rechts te kijken stak ik vrijwel direct over naar de socialistische kerk. Hoewel er grote verschillen zijn in de leer, zie ik ook veel overeenkomsten: het geloof in een heilstaat, de opoffering die daarvoor nodig is, het uitdragen van het geloof, de strenge regels en de hiërarchische organisatie, het opkomen voor de minder bedeelden, de verering van leiders, de stralende zekerheden die geen twijfels toelaten.
Maar waar het verlaten van de katholieke kerk mij geen enkele moeite had gekost – het geloof was er van bovenaf ingestampt zonder dat ik er zelf verantwoordelijkheid voor hoefde te nemen – leidt mijn breuk met het actiewezen in 1976 tot een existentiële crisis. Ik stop niet alleen met de acties onder de bouwvakkers, maar ook met de al even marxistische studierichting arbeids- en organisatiepsychologie. Het voelt nog steeds als een plicht om iets doen aan het onrecht in de wereld, maar ik weet niet wat en in welk verband. Twee jaar na mijn kandidaatsexamen ben ik opnieuw op een dood spoor beland.
Zoals er in mijn kamer aan de Oude Kamp in Utrecht door de hoge bomen nauwelijks zonlicht binnenkomt, zo donker is het in mijn geest. Ik laaf mij aan treurige muziek van popmuzikanten die lijden aan sehnsucht of weltschmerz. I said hey sister Moonshine, won’t you send me a little sun (Supertramp). Er komen weinig mensen meer langs. Met mijn verhaal kan ik bij niemand terecht. De oude kameraden willen er niets van weten, de weinige vrienden kunnen het zich niet voorstellen.

Tussen mijn groep van het zomerkamp. De tweede begeleider (geheel rechts) is August Willemsen, later bekend geworden als schrijver van het boek Braziliaanse brieven

Via mijn contacten uit de stottertherapie komt er een kans om als begeleider mee te doen in een zomerkamp, waar jonge stotteraars een week lang therapie volgen. Ik grijp die met beide handen aan en beleef een geweldige week als ik merk, dat ik veel voor deze jongens beteken. Ik lees een boek over stotteren, dan nog een, en nog een. In een niet te stoppen honger lees ik zo’n beetje alles wat er over te lezen valt. Ik maak er een scriptie van die in korte tijd in heel Nederland gretig aftrek vindt en mij nog studiepunten oplevert ook. Erkenning en waardering, het is precies wat ik nodig heb.
Bij een cursus gedragstherapie op het instituut voor klinische psychologie is nog een plaatsje open. Iemand zegt: therapietjes doen, dat is toch mensen aanpassen aan de maatschappij, dat biedt toch geen structurele oplossing. Ik ben het met hem eens, toch schrijf ik me in.
Dan ontmoet ik op dit instituut mensen van een projectgroep die iets nieuws begonnen zijn in Nieuwegein. Zij willen niet alleen psychische problemen verhelpen, maar ook verder kijken, naar maatschappelijke achtergronden, zoals woningnood, werkeloosheid, en de socialisatie van mannen en vrouwen. Het persoonlijke is politiek, is het uitgangspunt. Ik voel een enorme opluchting. Dit is wat ik wil. Hier kan ik mijn maatschappelijke opvattingen met mijn persoonlijke ervaringen combineren. De overstap is snel geregeld.

Voor de liefhebber: vóór ik deze serie over Studeren in de jaren ’70 begon, heb ik hier al een keer over de projectgroep Nieuwegein geschreven. Ook een eerdere blog over een mannenpraatgroep is uit deze tijd.

3

RENEGATEN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (17)

Wat onwennig schuiven enkele mannen het zaaltje van het wijkcentrum binnen, waar wij, vier studentikoze types die de maatschappij willen veranderen, in gespannen afwachting zijn. De buideltjes zware Van Nelle komen op tafel. Een dikke man belandt in een hoestaanval.
‘Dat komt van al die tocht op de bouw’, sneert Eelke, onze aanvoerder.
Al maandenlang proberen we de actiebereidheid onder bouwvakkers te bevorderen. Eindelijk is het ons gelukt om enkelen van hen voor een vergadering te interesseren.

In 1976 staat mijn leven volledig in de actiestand. Op de universiteit doe ik actieonderzoek ten behoeve van de arbeidersbeweging. Als vertegenwoordiger van mijn onderzoeksproject draai ik overuren in discussies over vernieuwingen in het onderwijs en de democratisering van de universiteit. Daarnaast loop ik opruiende krantjes te colporteren op bouwprojecten. Ik ben nauwelijks thuis. Tijd voor vrienden heb ik niet meer.
‘Het gaat om de opbouw van een tegencultuur’, zeiden mijn collega-actievoerders. ‘Daarin hebben we elkaar nodig’. In de uitloop van een actievergadering stond de tafel vol met lege beugelflessen Grolsch, de asbakken puilden uit. Een actievoerster die een dag afwezig was geweest vanwege de  bruiloft van een nichtje werd op het matje geroepen. Dat vond ik overdreven, maar ik hield mijn mond. In mijn hoofd zat het verhaal van een elektricien. Hij zat al maanden in de ziektewet toen wij die week bij hem op bezoek waren.
‘Elke ochtend als ik wakker word verrek ik van de pijn’, zei de man. Hij keek mij doordringend aan: ‘Dat kan jij je niet voorstellen, hoe dat is’.
Ik stond met mijn mond vol tanden. Alle boeken die ik gelezen had over vervreemding in het kapitalisme, het bewustzijn van de arbeider en de wegen naar verandering lieten mij op dat moment in de steek. De man had gelijk. Ik zou elk moment met het krantje kunnen stoppen, voor hem was er geen keus. Ik was bevoorrecht en voelde me schuldig. Moest ik wel doorgaan met dit soort acties, vroeg ik me af.

‘Het waren vakbondslui! Renegaten! Klootzakken!’, briest Eelke als wij na afloop van de vergadering naar een naburig café fietsen.
Op onze actievergadering waren enkele bouwvakkers verschenen, die we nog niet eerder ontmoet hadden. Zij hadden ervoor gepleit om de acties voor verbetering van werkomstandigheden via de vakbond te voeren. Door de wol geverfd als zij waren hadden zij gemakkelijk de andere bouwvakkers weten te overtuigen. Het initiatief was ons uit handen geslagen.
‘De volgende keer moeten we een vergadering geheim houden’, zegt Tom als hij met vier glazen bier tegelijk aan komt lopen. Hij weet er altijd de moed in te houden. Maar ditmaal slaat zijn optimisme niet meer op mij over. Ik voel me klote. Ik ben compleet vastgelopen tussen mijn opvattingen en mijn gevoelens. Als Tammy Wynette’s jankende Stand by your man door het café klinkt, krijg ik een brok in mijn keel. Ik wil weg, neem een haastige laatste slok en zet het glas met de schuimranden nog aan de binnenkant op tafel. Als ik buiten mijn fiets van het slot haal springen de tranen in mijn ogen. Nog voor ik bij mijn kamer ben weet ik het zeker. Ik stop met dit gedoe. Ik word er diep ongelukkig van.

0

EEN ZILVEREN BRUILOFT

Herinnering
  1. Ik was bijna negen jaar oud, toen ik voor het eerst in een café in Vleuten kwam.
    Het was niet zo dat er weinig cafés in Vleuten waren. Wie vijftig jaar geleden buiten de deur wat wilde drinken kon in ons kleine dorp kiezen uit wel vijf cafés. Aan de buitenmuur gaf een emaillen bordje aan wat men mocht schenken: Verlof A, Verlof B of Volledige Vergunning.
    Wij kwamen nooit in een café, oh nee. Cafés waren plaatsen, waar mensen zich bedronken, geld verspilden en vals speelden. Zelfs om een ijsje te kopen hoefde ik het café niet in. Bij Van Berkel, café Het Oude Raadhuis, drukte ik op een bel naast een raam, rechts van de ingang. Al lang voor McDonalds zijn McDrive uitvond, wachtte ik, buiten op de fiets gezeten, mijn bestelling af.
    Toen kwam het moment, dat mijn ome Ries en tante Annie hun zilveren bruiloft vierden. Na de plechtige mis in de St. Willibrorduskerk trok de lange stoet gasten naar Van Berkel. Daar begon, met koffie en taart, het grote consumeren. Terwijl de ooms de hele middag bier dronken en sigaren rookten en de tantes hun advocaatjes en besjes verorberden, speelde de grote schare neefjes en nichtjes verstoppertje.
    De grote attractie voor ons was, dat we onbeperkt ijs mochten eten. Dat was voor mij nauwelijks te bevatten. De vrieskist stond op het toneelpodium achter een gordijn. Ik at die middag welgeteld twee ijsjes. Voor overdaad van welke soort dan ook was ik niet in de wieg gelegd. Ik keek dan ook met verbazing naar alle bier- en jeneverglazen op de tafels.
    Aan het einde van de middag schoof een groot gezelschap aan voor het diner. De wit gedekte tafels waren in U-vorm opgesteld. Serveersters liepen heen en weer met schalen huzarensalade. Naast ons bord lag een bundel met feestliederen.
    Schuin tegenover mij zat een oudtante die voortdurend onrustig om zich heen keek. Hoe langer het diner duurde, hoe schichtiger ze werd. Ik dacht dat het wellicht met de alcohol te maken had. Maar mijn moeder zei me later, dat die tante niet helemaal was zoals een ander. Van dat soort zaken wist ik toen nog niet veel. Ik was voortdurend bang, dat de vrouw plotsklaps zou opstaan en in één keer het witte tafelpapier met glazen en borden met zich mee zou sleuren.

We zongen vele liederen, er werd doorlopend bijgeschonken en er werden leuke stukjes opgevoerd.
Een oom zong het lied van Wilde Johnny. Dat deed ie altijd op familiefeesten. Zoals gewoonlijk raakte hij halverwege zijn tekst kwijt. Op dat moment kwam er een lachje om zijn mond en draaiden zijn ogen naar het plafond, alsof hij hulp van boven verwachtte. De spanning werd opgelost doordat een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Twee vaders van vriendjes werden met het borrelglas in de hand opeens ondeugende grappenmakers. Vrouwen kregen een rood hoofd en de slappe lach. Ik keek af en toe naar mijn vader en moeder. Die lachten mee, dus het mocht. Laat in de avond trok de polonaise tussen de tafels door. Ik liep nog wat onwennig mee.
Tegen half vier in de ochtend liepen we naar huis. Het was in juni, er was nog geen zomertijd, dus het werd al licht. We liepen midden op straat. Dat deden we anders nooit. Om vier uur lag ik op bed. Dat was een flinke verbetering van mijn record laat-naar-bed-gaan.

5

BELCANTO

Muziek

‘Ik ben even zingen in Italië’, was een paar weken geleden de mededeling aan mijn vaste bloglezers. Kan dat niet dichter bij huis, zou je zeggen. Wie meer dan 1000 kilometer rijdt of vliegt, doet dat niet om een lekker galmende douche te hebben.
Italië is bij uitstek het land van het lied, van de zingende gondelier in Venetië, de metselaar die op de steiger Rossini zingt, de keeper van het nationale elftal die het volkslied meebrult. Het is het land van Pavarotti en Maria Callas, het land waar zelfs een Requiem (van Verdi) de kenmerken heeft van een opera.
Waar klinkt het Miserere van Allegri mooier dan in de Sixtijnse kapel? Waar anders dan in de opera van Verona of de Scala van Milaan, springt men klappend en joelend op na een aria van Puccini? Belcanto en Bravo zijn niet voor niets Italiaanse woorden.

Ik volgde, voor de 3e maal in vier jaar, een zangweek in de Italiaanse Alpen, samen met nog 7 andere Nederlanders, de meeste in leeftijd al boven de 60. Ieder zong een solo-aria, een duet en met elkaar zongen we enkele koorstukken. Het thema dit jaar was Barocco Napoletano, muziek van componisten als Pergolesi, Scarlatti en Porpora .
Napels is Italië in het kwadraat, zo leerde ik. De muziek is een en al verliefdheid, smart en wanhoop. Het is theatraal, groots en meeslepend. Zoals er in de jazz een blue note is, zo is er in de Italiaanse muziek ook een verlaagde noot. Die noemt men de Napoletana.
Voor mij was een aria van Pergolesi uitgekozen, de componist die naast zijn wereldberoemde Stabat Mater in zijn korte leven (hij werd slechts 26 jaar) ook een aantal opera’s schreef. ‘Mijn’ aria bezingt het onmetelijke verdriet van een vrouw die haar vader nooit meer zal zien, omdat hij ter dood veroordeeld is.
Eigenlijk ben ik niet van de opera. Ik ben er niet mee opgegroeid en dan mis je iets. De dunne verhaaltjes over verliefdheden, intriges, moordpartijen en verkleedpartijen doen me nog het meest denken aan het Theater van de Lach. En als iemand in een recitatief op een bombastische en onnatuurlijke toon zingt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan denk ik: dat had je toch beter kunnen zeggen.

Aan het einde van de week mochten wij tweemaal onze kunsten vertonen, in twee verschillende parochiekerken. Dat er ook operamuziek klonk in het huis van God, onder de blikken van de stervende Christus aan het kruis en een wenende madonna, was voor de pastoor geen enkel bezwaar. Don Davide is in die regio onze grootste fan. Het toeval wilde, dat ons tweede optreden samenviel met een avondlijke Mariaprocessie. Nadat het beeld van Maria, gevolgd door een schare biddende en zingende mensen, door de straten van Mozzio was gedragen, leidde Don Davide de stoet rechtstreeks naar de San Giacomo voor ons optreden.
Sento un acerbo duolo, ik voel een scherpe pijn, luidde de eerste zin van mijn aria en daarna zwol het verdriet in hevigheid aan. Ik heb me er vol in gestort. Na afloop, op een koorbankje aan de zijkant van het altaar, moest ik er zelf nog even van bijkomen.

0

STEF

Dagelijks

Op een zomeravond, als de achterdeur wijd open staat om wat koele avondlucht binnen te laten, horen wij opeens het geluid van krassende poten op het parket.
Dan zien wij een duif op zijn gemak de voorkamer binnenstappen. Hij draait met zijn kop om ons met een kraaloogje te monsteren. Hij kijkt of hij de lang verwachte gast is, die eindelijk is aangekomen.
Ik hou van vogels, maar niet van duiven. Er zijn er teveel in de stad, ze schijten de boel onder, ze bedelen brutaal als je wat zit te eten en ze maken je aan het schrikken als ze klapwiekend uit het gebladerte opvliegen.
Omdat wij weinig kennis hebben van de motieven en gedragingen van de duivensoort, willen we het beest zo snel mogelijk het huis uit hebben. Hij zou in paniek een vaas bloemen om kunnen gooien of de canapé onder kunnen schijten. Zie dan de schade nog maar eens op iemand te verhalen. We openen daarom de deuren naar de veranda en op zijn gemak – het beest lijkt veel rustiger dan wij – wandelt ie weer naar buiten.
De volgende morgen zit ie op het hek van de veranda met dezelfde blik: ‘Ik ben toch jullie vriend?’
Pas dan zie ik de gekleurde ringen om zijn poten. Het is een postduif die waarschijnlijk de weg is kwijtgeraakt; een jong beest, die te lang achter de vrouwtjes is aangevlogen of een oude duif die gekweld wordt door geheugenstoornissen.
Ik zie dat er cijfers staan op een ring. Voorzichtig kom ik naderbij om het getal te fotograferen. Ik google op ‘postduif gevonden’ en lees op de site van de postduivenvereniging, dat de beste methode is om het beestje in huis te halen en lekker te verwennen, totdat zijn baasje hem komt halen. Het baasje is echter alleen te detecteren als je naast het registratienummer ook over een jaartal beschikt. Dat zie ik nergens.
Een contactpersoon van de vereniging geeft via de mail advies.
‘Geef hem elke dag een handje rijstkorrels en wat water. Dan kan de duif aansterken en op eigen houtje weer naar huis vliegen’.
Na vier dagen is de duif, die wij inmiddels Stef hebben gedoopt, zodanig kind aan huis geworden, dat ik vrees, dat ie voor altijd ons pleegkind zal blijven. Zodra ik me in de tuin vertoon, komt Stef gezellig buurten. Omdat zijn ring is gedraaid is, lukt het me nu om het jaartal te lezen. Door het vindsysteem van de website kom ik op een telefoonnummer in de regio Eindhoven.
Mijnheer Zaadman (!) blijkt een meneer van 80 jaar te zijn die onlangs zijn auto de deur uit heeft gedaan.
‘Ik zou niet weten, meneer, hoe ik ‘em zou moeten halen’.
Als hij mijn aarzelingen hoort, vervolgt hij boos:
‘Wat is dat nou voor moeite om zo’n beest nog een paar dagen wat oud brood te geven!’
Ik stem toe en het lijkt wel of ik buiten blij vleugelgeklepper hoor.
Nog een week lang eet Stef met ons mee. Dan haal ik de voerbakjes binnen.
Na twee dagen zonder eten komt hij nog steeds op bezoek. Als ik die avond in de tuin zit, drentelt hij langdurig om mijn stoel heen en springt op tafel naast mij. Hij gaat nog net niet op schoot zitten.
Daarna hebben we hem niet meer gezien. Stef heeft op zijn eigen manier afscheid genomen.

1

HITTE

Dagelijks

Nu het weer voorbij is, mogen we concluderen, dat we er aardig doorheen zijn gekomen.
Zolang we rustig binnen bleven, de ramen en deuren gesloten en de gordijnen dicht; en zolang we onze bewegingen tot een minimum beperkten, was het uit te houden.
Al snel bij de eerste hittegolf kwam ons crisisteam bij elkaar en stelden we een PHP op (Persoonlijk Hitte Plan).
Een belangrijke maatregel was: in de nacht alle ramen open, overdag alles dicht. Zo slaagden we erin de temperatuur, die we constant monitorden, binnenshuis tot 25 graden te beperken. Dat ging goed, totdat er dagen kwamen dat de thermometer om 23.30 uur nog op 28 graden stond en bij het opstaan om 7.30 uur op 24 graden. De weerlieden spraken over tropische nachten. Dat begrip kreeg opeens hele andere associaties dan palmenstranden, salsamuziek en hete liefdes.
Ik plaatste flesjes met bevroren water voor de ventilator, wat voor een airco-effect zou moeten zorgen, maar in ons geval alleen leidde tot een grote plas water op de slaapkamervloer.
De koelkast, waarvan we de deur regelmatig open lieten staan, was goed gevuld met water en in de kelder hadden we noodbedden geplaatst. Het strijken binnenshuis werd tot nader order niet toegestaan. Ovengerechten waren ten strengste verboden en we stofzuigden alleen het hoognodige, ook omdat de inspanningen begrensd dienden te blijven. Liep ik naar de tweede etage, dan nam ik een pauze op de eerste, een flesje water onder handbereik.
Daar zat ik me dan hoofdschuddend af te vragen hoeveel hittegolven we de komende jaren nog zullen moeten trotseren en me in gedachten te irriteren aan de mensen die de opwarming van de aarde ontkennen. Mocht ik zo’n idioot tegenkomen, dan vrees ik dat ik hem op zijn bek sla.

Onze rhododendron

Aanvankelijk zorgden we in de zwoele avonduren nog voor de planten in de tuin. Maar omdat volgens onze hitte-app het sjouwen met gieters de inspanningsgrens overschreed en de autoriteiten verzochten om geen onnodig water te gebruiken, was er geen andere keuze dan de verdorring maar te accepteren. De varens lagen er na een paar dagen bij alsof er een bom op gevallen was, de rhododendron was een zielig hoopje dor hout. Van een struik van Rhodos had ik overigens meer uithoudingsvermogen verwacht. Waarschijnlijk is hij al teveel geïntegreerd.
Zelf zorgden we er natuurlijk voor, dat we voldoende vocht binnen kregen. Volgens aanwijzingen van het NHP (Nationaal Hitte Plan), controleerden we onze vochthuishouding elke keer aan de kleur van de urine. Dat leverde de nodige discussies op.
Het scheelde, dat we ooit nuttige ervaringen hadden opgedaan in Las Vegas. De 40 graden waar wij daar mee geconfronteerd werden, bracht mij toen op het idee om mijn katoenen hoedje in het vriesvak van onze camper te leggen. Daarna had ik voor tenminste een half uurtje weer een koel hoofd.
Ik moet zeggen: na een aantal dagen begon het te wennen. Zelfs het slapen tijdens de tropische nachten ging me steeds beter af. De belangrijkste leerervaring, zo constateerden we in de evaluatie, is, dat je je moet aanpassen aan de hittegolf. If you can’t beat them, join them. Ik kijk al weer uit naar de volgende.

1

IN DE GEEST VAN LENIN (SLOT)

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.