Schrijven, Lezen, Leven.
1

HERLEZEN

Dagelijks

Opgesloten in huis heb ik verschillende klassiekers uit de Nederlandse literatuur gelezen, zoals Lijmen van Willem Elsschot, De straat van Ina Boudier-Bakker en Dorp aan de rivier van Anton Coolen. Veel van deze boeken zijn gratis en voor niks te lezen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, een goudmijn voor wie geïnteresseerd is in literatuur uit de twintigste eeuw. Je vindt er boeken van bijvoorbeeld Vestdijk, Nescio, Bordewijk en Hugo Claus, maar ook recensies van die werken, tijdschriftartikelen en dergelijke.
Ik herlas Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen (eerste druk 1951). In mijn herinnering is dit het eerste grote-mensen-boek dat ik na mijn kinderjaren las. In ieder geval was dit het eerste boek waarvan ik erg onder de indruk was.

Het verhaal speelt zich af in de jaren twintig. De ik-figuur is een wat onzekere, katholieke jongeman die met zijn hoofd in de boeken zit en zich ver verheven voelt boven zijn leeftijdgenoten. Terwijl zij in spel en sport geïnteresseerd zijn, spaart hij voor de complete werken van Goethe. Op een zondagmiddag gaat hij naar een film in een parochiezaaltje. In het duister ontmoet hij Agnes, een bleek meisje op wie hij verliefd wordt. Tijdens zijn militaire dienst stoort hij zich hevig aan de officieren die bordelen bezoeken en zijn medesoldaten die in vulgaire taal opscheppen over hun prestaties in bed. ‘Ik wilde niets met de techniek der lage driften gemeen hebben.’ Hij wandelt tijdens zijn verlof hand in hand met Agnes en ziet zijn relatie als een verheven, geestelijk verbond.
Dan vallen hun toekomstdromen uiteen, Agnes krijgt tbc. Als duidelijk is dat zij het niet zal overleven, is hij bereid om samen met haar te sterven. ‘Toen zoende ik haar voor het eerst zoals een minnaar een vrouw moet zoenen, dronken en duizelend van verlangen.’

Marnix Gijsen

Ik begrijp nu waarom ik meer dan vijftig jaar geleden Klaaglied om Agnes zo’n prachtig boek vond. Ik kon mij als onzekere puber uitstekend identificeren met de hoofdpersoon. Weliswaar was ik bijzonder geïnteresseerd in sport en niet in Goethe, maar de keurige, katholieke zeden zaten mij in de haarvaten.
Ik verbaasde me nu over de stijl en het taalgebruik. Gijsen schrijft soms lange zinnen, van een hoog abstractieniveau, met verwijzingen naar Faust, Lohengrin, Orpheus en Euridice en naar dichtregels van Boutens. Blijkbaar vond ik als gymnasiast deze stijl heel gewoon. Ik denk dat de huidige middelbare scholier liever Elsschot op zijn lijst zet.
Het herlezen was tenslotte op één ander punt een confrontatie. Hoe ver ik ook in het boek vorderde, er kwam geen enkele herinnering aan dit verhaal meer boven. Ik wist dat het veel indruk op mij gemaakt had, maar de inhoud bleek compleet verdwenen. Als ik tegenwoordig een boek lees, moet ik het niet een week laten liggen. Zeker niet een boek met veel personages en verhaallijnen. Dan weet ik niet meer wie wie is. Dus als dat zo doorgaat heb ik over een tijdje nog meer één boek nodig. Dan kan ik na het laatste hoofdstuk weer aan het eerste beginnen.

1

ONGEBONDEN LEVEN

Dagelijks

Een klein bericht vorige week op Teletekst: ‘de Zwarte Cobra is terug in Nederland.’ De bijnaam verwijst naar drugsbaron Henk R. Hij zat sinds 2006 gevangen in de Verenigde Staten. Op Schiphol is hij direct in hechtenis genomen. Hij moet nog een poosje zitten voor enkele vergrijpen in Nederland en er loopt nog een onderzoek waarin hij verdacht wordt van een dubbele moord. Hij kreeg zijn bijnaam in de tijd dat hij nog een gewone inbreker was. Hij was zo lenig, dat hij door elk sleutelgat naar binnen kon. Slim moet hij ook zijn, want van een dief van postzegelverzamelingen werkte hij zich op tot een van de rijkste drugshandelaren van het land.
In het schooljaar 64/65 zat Henk direct achter mij aan het raam van een benedenlokaal van het Bonifatiuslyceum. Hij kwam van het katholieke internaat Don Bosco in Leusden. Ik vond het een aardige jongen. Hij was goed in sport en niet op zijn mondje gevallen. Bij het begin van het nieuwe schooljaar bleek dat hij van school af was. Katholieke scholen brengen priesters voort, onderwijzers, officieren van justitie, maar ook drugsbaronnen. Wie welke afslag neemt en wat daarbij meespeelt is een vraag die ik hier nu laat liggen. De terugkomst van de Zwarte Cobra heeft bij mij wel andere vragen opgeroepen.

Van een deel van mijn klasgenoten in dat lyceumjaar weet ik wat zij geworden zijn: dierenarts, klinisch psycholoog, ingenieur, tandarts, jurist; beroepen die je kunt verwachten van vwo-scholieren. Er zijn zijn ook klasgenoten met een andere levensloop: een kunstenaar die aan de drugs is verslaafd, een architect met een alcoholverslaving en de genoemde handelaar in drugs.
Wij waren de jongeren voor wie de volwassenwording samenviel met de vrijheidsgolf van de jaren zestig. De rem die we hadden meegekregen in de opvoeding ging eraf. Niets hoefde, alles kon. Wij werden als het ware door de tijdsgeest geholpen in het loskomen van onze ouders. En door de pil, de uitkering en de genotmiddelen. De ouders die zelf nooit die vrijheden hadden gekend werden bedankt. Ging dat niet al te gemakkelijk? Zijn er daarom generatiegenoten blijven steken in het ongebonden leven?

Ik heb er geen cijfers over, maar ik denk dat de meesten van mijn leeftijd ondanks de vrijgevochten jaren keurig op traditionele pootjes terecht zijn gekomen. Omdat zij voldoende zelfvertrouwen hadden meegekregen of omdat zij, zoals ik, de normen uit hun opvoeding stevig hadden geïnternaliseerd. Kenmerkend is wel dat de meesten die ik ken in de non-profit sector zijn beland. De jaren zestig waren geen kweekbak voor marketingmedewerkers of beurshandelaren.
Daarnaast zijn er van mijn generatie meer mensen doorgegaan met een ongebonden levensstijl. Via afwisselende bezigheden zoals een baantje in de biologische tuinbouw, een wereldreis maken, het boeddhisme bestuderen en een dichtbundel uitgeven. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar dat zegt minstens zoveel over mij. En waar verslaving om de hoek komt kijken is het gebruik van de woorden ongebonden leven discutabel. Wie zou beter af zijn: de kunstenaar die gevangen zit in zijn verslaving of de drugshandelaar die opgesloten zit tussen vier muren?

3

VITTEN

Dagelijks

Enkele jaren geleden was ik op reis met een koor. Ik had regelmatig contact met een heel vriendelijk stel. Zowel met hem als met haar kon ik het uitstekend vinden. Het ware lieve mensen bij wie ik me op mij gemak voelde. Op een ochtend zag ik hen samen in de hal van het hotel staan. Vanaf een afstandje hoorde ik een felle woordenwisseling. De meningen, correcties en verwijten vlogen over en weer. Hoe konden die mensen die zo aardig waren tegenover hun reisgenoten zo lelijk doen tegen elkaar?

Wat minder lang geleden deelde ik de wachtkamer van de huisarts met een ouder echtpaar.
‘Jij hebt je mondkapje verkeerd op’, zei de man tegen zijn vrouw. Zij reageerde laconiek.
‘Dat doe je altijd, omdat je gewoon niet goed oplet’, ging de man brommerig verder.
Ik moest denken aan wat een vriendin ooit tegen me zei: oudere stellen zitten vaak te vitten op elkaar. Ik was ervan geschrokken want ondertussen behoor ik ook tot die categorie en ik begreep waar het om ging.
Als de een spreekt over een vakantie in Italië in 2013, corrigeert de ander: dat was 2014. Vraagt de ander waar dat boek gebleven is, zegt de een: dat heb je gisteren ook al gevraagd. Er vallen woorden over de aankoop van een verkeerd merk koffie. Of de plek waar je de plakband opbergt.

Het gaat nergens over. Het betreft futiliteiten. Er is geen sprake van urgentie, er gebeuren geen ongelukken en de gewraakte opmerkingen dienen geen hoger doel. Dat de correcties tot een ander gedrag leiden is een illusie. Waarom dan gemuggenzift? En waarom zouden oudere paren zich vaker hieraan bezondigen?
Je kunt denken, dat wie ouder wordt meer behoefte heeft aan houvast. De vergeetachtigheid neemt toe. Je wilt de wereld behouden die je hebt. Stel toch, dat je niet meer weet wanneer je in Italië was! Of dat het plakband elke week weer op een andere plek ligt.
Een andere, tegenovergestelde verklaring is de volgende. Je bent al lang bij elkaar en je kent elkaar van haver tot gort. Gesprekken herhalen zich. Wie steeds dezelfde wandeling maakt of naar dezelfde muziek luistert, wil wel eens iets anders. Sleur kan tot irritatie leiden. ‘Dat doe je altijd!’
Ik geloof dat er nog iets meespeelt. Het is gemakkelijker boos te worden op degene die dichtbij je staat. Toen ik jong was viel een vader van een vriendje opeens vreselijk naar mij uit. Ik schrok en hij ook. Hij had mij voor zijn zoontje aangezien en bood meteen excuses aan. Heb je elkaar lief dan laat je eerder je irritaties blijken. Je bent er immers zeker van dat de ander je weer snel vergeeft. Als ik tegen mijn buurman begin te vitten, weet ik niet of ik daarmee de relatie bederf en of ik de volgende keer nog wel zijn heggenschaar mag lenen. Vitten op elkaar is een vorm van liefde.

1

GEDUPEERD DOOR CORONA

In het nieuws

‘Door de lockdown gaat een generatie jonge sporters verloren’ luidt een kop in Trouw van vrijdag j.l. Bestuurders van sportverenigingen kijken angstig naar het aantal leden dat afhaakt en naar hun slinkende spaarrekening. De judobond verloor tien procent van haar leden. Het afblazen van de competities heeft de volleybalbond 1,8 miljoen euro gekost. Bij badmintonvereniging Sjuttol in Tubbergen gaat de jaarlijkse actie om met rookworsten langs de deur te gaan niet door. Hoe moet de vereniging zich nu staande houden?
Zo gaat het artikel nog even verder tot en met de uitspraak over de verloren generatie sporters.

Als ik bestuurder zou zijn van een sportvereniging zou ik hetzelfde zeggen. Als ik onderwijzer zou zijn zou ik waarschuwen voor de vergroting van de achterstanden in het onderwijs. Ik heb te doen met de jongeren die in een cruciale fase van hun leven kansen missen. Met de kwetsbare ouderen die in hun appartementje verpieteren. Mijn sympathie gaat naar de verpleegkundigen die doorwerken op het randje van de overspannenheid. Naar jonge horecaondernemers die net in een fantastisch restaurant geïnvesteerd hebben en naar de winkeliers die met een onverkoopbare voorraad winterkleding blijven zitten. Ik kan zelfs nog meeleven met de organisatoren die nu geen overlastgevende boenke-boenke-evenementen kunnen voorbereiden. En natuurlijk vind ik dat de huisartsen gevaccineerd moeten worden en alle verpleeghuisbewoners en iedereen in het onderwijs en alle mensen die doodgaan omdat zij niet iedere week naar hun zangkoor kunnen.
Enfin, ik hoef hier niet verder de klaagzangen en tirades over te doen van de onafzienbare stoet belangenbehartigers, die dagelijks de krantenkolommen en de talkshows teisteren.

Op dit punt aangekomen moet er in deze blog een Maar.. volgen. Die komt dadelijk. Eerst wil ik nog kwijt, dat ik me ervan bewust ben dat ik makkelijk praten heb. Ik zit niet in een klein huis met krijsende kinderen die me van mijn werk afhouden. Ik heb mijn geld niet in onverkoopbare rookworsten gestopt en ik hoef niet meer elke zaterdag naar een voetbalwedstrijd van mijn zoon om hem hogerop te brengen. De coronacrisis raakt mij minder dan anderen.

Ik begrijp dat velen hard getroffen worden. Maar, kunnen we asjeblieft in de gaten houden waar het om gaat? Er raast een pandemie door de wereld die bestreden moet worden. Daarvoor moeten offers gebracht worden. Dat betekent dat we nu niet alles kunnen doen wat we willen. En ik weet het, er worden fouten gemaakt en de maatregelen zijn niet altijd even consequent. Het verloopt niet eerlijk, de een heeft er meer hinder van dan de ander. Het aantal vaccins is beperkt, niet iedereen kan tegelijk ingeënt worden. Hoe lastig het ook is, het gaat om het grote doel.
En als ik dat schrijf, dan kan ik eigenlijk nog wel grotere belangen bedenken. Op dezelfde pagina in Trouw staan twee artikelen waarin onderbouwd wordt dat de aarde naar de klote gaat. Terwijl wij zitten te ruzieën over corona. De democratieën die het voortouw moeten nemen in de aanpak van de milieuproblemen worden zwaar ondermijnd door een vertrouwenscrisis, mismanagement en fake news. De kloof tussen de welgestelden en de achterblijvers groeit, nationaal en internationaal.
Kunnen we daarom even stoppen met onze jeremiades? Dit was de mijne.

1

DECLAMATIE

Herinnering

Boni (3)

‘Nou, mijnheer van Dijk, nu is het wel genoeg geweest. Ik zou maar eens opletten als ik u was. Voor dat soort zaken heeft u later nog tijd genoeg.’ Juffrouw Boerlage, onze lerares Engels op het Bonifatius lyceum, sprak met afschuw over mijn onderonsjes met Marianne, die aan de andere kant van de rij zat. Zelf was de juffrouw ongetrouwd. Ik vroeg me af, of zij nooit tijd had gehad.
Zij was ouderwets en op het extreme af keurig. IJsjes likken op straat was onfatsoenlijk. En aan een goed huwelijk diende een gedegen verlovingstijd vooraf te gaan, zo doceerde zij. Hoe ouder zij werd hoe groter de kloof tussen haar en de leerlingen.

‘5 à 6. Valt zwaar tegen!’, schreef ze eens met rode pen boven mijn proefwerk, een tekst over een of andere dame van adel. ‘Mij ook’, schreef ik onder haar oordeel. ‘Steehouder vindt dat ik altijd pech heb.’
Mijn buurman Steehouder besteedde nog niet half zoveel tijd aan zijn huiswerk als ik. Vlak voor het begin van de les pende hij mijn huiswerk over. Hij haalde hogere cijfers dan ik.
‘Eindelijk gerechtigheid’, was mijn commentaar op de acht, die meneer Kloosterman mij voor een Latijnse vertaling had gegeven. Ik voelde me nogal eens miskend. Leraren konden enthousiast worden als een leerling originele gedachten ventileerde over verhalen uit de oudheid. Creatieve gedachten had ik wel, maar niet over Vergilius. Ik kon me maar moeilijk concentreren op wat mij niet interesseerde. Ik tekende pop-art letters, zoals ik die gezien had op de hoes van Rubber Soul. Of ik turfde de vreemde woorden die mijn leraar geschiedenis gebruikte: du moment, au bout portant, weltpolitisch, Anklang. Er was geen woord Engels bij.

Mijn klasgenoten noemden mij Nol of soms Momfer de Mol. Voor de leraren was ik geen gemakkelijke leerling. Zij zagen mij kletsen in de bank, maar als ik voor de klas een beurt kreeg kwam er door mijn gestotter weinig uit. Zij stelden zo’n beurt dan ook zo lang mogelijk uit. Pas als iedereen geweest was, wist ik dat voor mij het ogenblik daar was. Dan keek ik omlaag in mijn boek alsof ik zo het onheil kon afwenden. Mijn hart bonsde, het zweet brak uit.
Via de twee kloeke delen van Lodewick, Literatuur geschiedenis bloemlezing maakten wij kennis met de poëzie en proza uit de lage landen. Meneer van Leeuwen, alias Pietje Engelenhaar, vanwege zijn blonde golvende lokken, leidde ons er jaar in, jaar uit doorheen. ‘Als je boos bent, stotter je niet, hè’, zei hij mij eens op geniepige toon. Toen ik ten langen leste van hem een beurt in declamatie kreeg, had hij voor mij het gedicht De Dijk van Jan Engelman uitgezocht.
De golven mogen rijzen, dalen
Hij heeft ze steeds geveld.
De dijk zal nimmer, nimmer falen
Bij water en geweld.
Ik worstelde me door de tekst heen, terwijl de klas muisstil en gespannen met mij verlangde naar het einde aan de kwelling. In bovenstaand couplet bij de derde regel gekomen las ik zonder enige hapering:
‘Van Dijk zal nimmer, nimmer falen’, waarna de opgebouwde spanning zich ontlaadde in een luid gelach, ook van de leraar.

0

IUVENES DUM SUMUS

Herinnering

Boni (2)

‘De school stelt zich ten doel de vorming van de leerlingen en verstaat hieronder ook hun godsdienstige en culturele ontplooiing.’ Deze zin uit de programmaboekjes van het Utrechtse St. Bonifatiuslyceum in de jaren zestig laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De lessen waren niet alleen gericht op de sinus en cosinus en de slag bij Heiligerlee, maar minstens even zeer op de vorming van de leerlingen. Leidend daarbij waren het katholieke geloof en de westerse cultuur vanaf de Grieken en Romeinen.
Noblesse oblige: wie geschikt was voor het gymnasium hield zich bezig met het verhevene. Dat kwam niet alleen terug in de studie van de oude Grieken en Romeinen. Ook de andere vakken waren doordrenkt met cultuur. In de Franse vertalingen ging het bijvoorbeeld over de architectuur van de Franse kathedralen. Ik kende de Franse woorden voor middenschip en steunbeer uit mijn hoofd.
In de omgangsvormen lag de nadruk op fatsoen en beheersing. Als je vijftien was ging je op dansles bij de minstens zo keurige katholieke dansschool Zegers. Op schoolfeesten (alleen voor de hogere klassen) waren leraren aanwezig om op te letten dat er niet gezoend werd. En toen onze biologieleraar Nagel tijdens de uitleg over de anatomie bij de geslachtsorganen gekomen was, sloeg hij de pagina om. ‘Bij de jongens is het urinebuisje wat langer dan bij de meisjes, dat is alles.’

Het harmoniemodel domineerde. De inbreng van leerlingen werd gewaardeerd, zolang deze paste in de beoogde vorming. Een jaarlijks gekozen groep leerlingen, eufemistisch schoolbestuur genoemd, organiseerde een cursus over de geschiedenis van de klassieke muziek en avonden met Franse chansons. Er werden films gedraaid, die tot nadenken moesten stemmen.
De schoolkrant stond vol met onder pseudoniem geschreven verhalen van leerlingen die volop bezig waren het leven te ontdekken.
‘Jij praatte tegen mij, ik weet het nog, want ik heb je lippen zien bewegen’ .
Minstens twee pagina’s waren bestemd voor zelfgeschreven poëzie:
‘Ontwaken
Praten met de zon
Is
Niet meer denken’ (Cees van Ede).
Slechts in de advertenties kwam het aardse terug. Snackbar de Vaal: ‘hèt adres voor croquetten, saucijzen en broodjes.’

De playback-act. Uiterst rechts, nog net te zien, mijn hoofd met beatle-pruik

Je moest altijd het hoogste zien te bereiken. Daarom zat ik op het gymnasium. Maar ik ging niet naar de culturele avonden. Ik leverde geen bijdragen aan het schoolblad. Aan de muur van mijn slaapkamer hingen posters van de Beatles en de Stones. Op de eerste klassenavond in de brugklas playbackte ik met drie medeleerlingen Dave Berry: You’ve got this strange effect on me. In de pauze zat ik te toepen en op vrijdag holden we naar Staffhorst om het papieren exemplaar van de Top 40 te halen.
Ik was voorbestemd voor alpha en in de laatste twee jaar kregen we negen uur Latijn en negen uur Grieks per week. Er zijn gemakkelijkere manieren om volwassen te worden. Ik heb nooit uitgekeken naar een les,  uitgezonderd de gymnastiek, waarvoor ik altijd een negen op mijn rapport kreeg. Mijn middelbare schooltijd, dat was het uitzitten van de dagelijkse verplichting van 9.00 tot 14.40 uur, het voldoen aan de verwachtingen van anderen en het volhouden tot het diploma binnen was.

0

BROODJES

Herinnering

Boni (1)

Het Bonifatius aan de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht

Met mijn zware tas onder mijn arm schuifel ik door de donkere hal van het Bonifatius Lyceum. Stromen leerlingen botsen op elkaar en zorgen voor een opstopping. Opeens staat de leraar Grieks naast mij. ‘Zeg Arnold, zou jij voor mij misschien een broodje ei en een broodje kaas willen halen?’
Verdomme. Waarom moet hij mij hebben? In de les is het altijd: Van Dijk, hou je mond, Van Dijk doe eens mee, Van Dijk zit niet te kletsen. En dan nu met een vriendelijke stem: ‘Zeg Arnold, zou je misschien…’.
Van Z. was een jonge leraar, die zijn autoriteit in het vak combineerde met een populaire manier van omgaan. Dan zat hij op de voorste lege bank, zijn schoenen op een stoel en vertelde over de geboorte van zijn dochter. En op maandag besprak hij de voetbaluitslagen. Hij deed regelmatig een beroep op onze volwassenheid, een oproep die aan mij niet zo besteed was. Ik maakte braaf mijn huiswerk, maar om een saaie lesdag door te komen was ik gespitst op speelse grappen die ik met anderen kon delen. Om daarna weer quasi-geïnteresseerd naar het bord te kijken.
‘Ja, ’s goed.’
Ik pak het geld aan en duw gefrustreerd de zware voordeur open. Had ik moeten zeggen: vraag het maar aan een ander? Man doe het zelf, ik ben je loopjongen niet?
De keer dat Van Z. een regel uit Homeros vertaalde als: “toen de meisjes zich geolied hadden”, kreeg ik, onder zijn almaar bozer wordende blik, de slappe lach.
‘De volgende regels zal ik wel even vertalen’, zei hij een andere keer. “Dat gezegd hebbende kroop de goddelijke Odysseus onder de struiken vandaan, trok met zijn stevige hand een tak met bladeren uit het dichte struikgewas om daarmee zijn geslacht te bedekken.” Dat moest een lullig takje zijn geweest.

Op weg naar de snackbar dringt opeens tot mij door wat ik moet halen. Dat ‘broodje’, die br… daar kom ik met mijn gestotter onmogelijk uit. Br, br, br, br. Mijn moeder stuurde mij nog wel eens om drie pond kaas, maar dan vroeg ik altijd anderhalve kilo. Winkelbediendes zeiden al snel: ‘wat blieft u’ of ‘wat zegt u’. Dat maakte het alleen maar erger.
Er staat een jong meisje achter de toonbank. Haar blonde haren torenen hoog de lucht in, haar ogen zijn zwaar opgemaakt.
‘Een br…, br..’ Ik kijk omlaag en span al mijn spieren om het woord eruit te persen. Als het hoge woord eruit is en ik weer opkijk, zie ik nog net het meisje lachend weglopen. Een ogenblik later verschijnt er een vrouw, die mij snel aan de gevraagde broodjes helpt.
Met het wisselgeld in mijn ene hand, het zakje in mijn andere hand loop ik terug, vloekend op het meisje, Van Z. en de hele wereld. Ik blijf staan op de drempel van de lerarenkamer. Er hangt een wolk van rook boven de grote tafel, waaromheen de docenten hun boterhammetjes wegeten. Zonder Van Z. aan te kijken overhandig ik het zakje en het warm geworden wisselgeld. Ik loop direct naar het biologielokaal, waar Lineke en Elly de poster met hondenrassen bekijken.
‘Gaan we nog toepen?’, vraag ik.

1

KERSTBOOM

Dagelijks

Afgelopen maandag, twaalf uur in de middag. Op de tijd van het vertrouwde luchtalarm werden wij opgeschrikt door de piepjes van de telefoon die het breaking news van de lockdown verkondigden, als was het een boodschap van een engel uit de hemel. G. en ik lieten onmiddellijk alles uit onze handen vallen, als je dat tenminste kunt zeggen over twee gepensioneerden. We waren ons bewust van de ernst van de situatie en wisten wat ons te doen stond: als de gesmeerde bliksem naar het tuincentrum voor een kerstboom. We hebben dit jaar al zoveel moeten missen, daar kan het ontbreken van zo’n vers ruikende boom niet nog eens bijkomen.
Bij de ingang namen we dankbaar een ontsmet winkelwagentje in ontvangst en liepen vol verwachting met mondkapje en beslagen bril het tuinwalhalla binnen. Even nog dreigde de hechte samenwerking tussen ons tweeën een scheur op te lopen, omdat ik doelgericht naar de kerstbomen wilde doorstomen en G. onderweg nog allerlei leuke dingen zag. We vonden elkaar weer in de noodzaak van de aanschaf van vogelvoer.
De bomen in een pot waren al vergeven, dus waren wij aangewezen op een afgezaagd exemplaar van de Abies Nordmanniana. Omdat het houten kruis dat jarenlang onze bomen overeind heeft gehouden de verhuizing blijkbaar niet had overleefd, ging ik direct na thuiskomst aan de slag met duimstok en zaag. Niet veel later kon ik G. met trots een houten standaard laten zien. Met twee roestige spijkers van tien centimeter sloeg ik het kruis stevig onder de stam van de boom. Ik vermeld deze bijzonderheid, omdat het jaren geleden is, dat ik een kruis heb geslagen. En ook, omdat het zomaar kan zijn, dat die spijkers afkomstig zijn uit de smederij van mijn overgrootvader. Gooi nooit iets van waarde weg.

Niet dat we het ooit hebben afgesproken, maar na veertig jaar kennen G. en ik onze taken bij het optuigen van de boom. Eerst hang ìk de lichtjes erin, daarna ontfermt G. zich over de ballen. Vaste gewoonten maken het leven gemakkelijk. Toen ik vanaf een afstandje kritisch keek of de lichtjes mooi over de boom verdeeld waren, zei G.: ‘dat kruis, dat kan niet zo.’ Ik moest haar gelijk geven. Het houten onderstel sprong eruit als het hemdje onder een kindertrui of de onderbroek van een stratenmaker.
Diep uit een van de kasten in de garage kwam nog wat hel groen crèpepapier tevoorschijn, iets dat om onduidelijke redenen wèl was meeverhuisd. Nu volgde een handeling die, zoals later bleek, het meest heikele onderdeel in het proces was. Terwijl ik met een gehandschoende hand de boom omhoog hield, wikkelde G. het crèpepapier om de vier poten. Aan haar gezucht te horen liep dat niet vanzelf. Het papier werkte niet mee en het plakband liet los. Terwijl ik kermde dat ik de boom niet langer meer kon houden, stegen van onderuit de verwensingen naar de hemel. Dat werkte. Na enkele inspannende minuten eindigde onze kruistocht. O Magnum Mysterium.
We gaan de harde lockdown in en zullen eens te meer op elkaar zijn aangewezen. Gesterkt door de oplossing van dit probleem, kunnen we het isolement beter aan dan ooit.

2

FIETS IN BEWARING – DEEL 2

Dagelijks

Als je bij de NS een jaarabonnement koopt voor de fietsenstalling bij Utrecht CS kan het zomaar gebeuren dat de beheerder van de stalling je fiets na achtentwintig dagen verwijdert. Ben je er niet op tijd bij, dan zie je je fiets nooit meer terug. Vorige week beschreef ik hier hoe wij bij het aankaarten van deze vreemde maatregel voortdurend van het kastje (NS) naar de muur (beheerder) werden gestuurd. Na het indienen van een klacht bij de NS Klantenservice moest ik mijn been stevig tussen de deur houden om te zorgen dat ik niet werd afgepoeierd. Na drie gesprekken beloofde de medewerkster om mijn klacht aan haar leidinggevende voor te leggen.

Een week later volgt een besluit dat, na maanden gesoebat, wel een kleine doorbraak genoemd mag worden. NS Fiets erkent, dat men onvolledig is geweest. Men gaat nu de termijn van achtentwintig dagen opnemen in de Algemene Voorwaarden voor de stalling van een fiets. Zodat je tenminste van tevoren weet (of kan weten), dat je je fiets regelmatig moet gebruiken. Daarnaast biedt NS Klantenservice aan om “als tussenschakel te dienen tussen u en de beheerder van de stalling, tot de tijd dat de huidige voorwaarden zijn aangepast.” Ofwel: de instantie die mij maanden van het kastje naar de muur heeft gestuurd wil mij daar nu een handje bij gaan helpen. Voor eventjes dan. Men heeft blijkbaar al een voorschot genomen op een verweer tijdens een mogelijke externe klachtafhandeling. Ik heb geen gebruik gemaakt van dit genereuze aanbod.

G. had zich al een tijd verbaasd over de gedrevenheid waarmee ik achter dit gedoe aanging. Ik zelf vond het vanzelfsprekend. Ik kan er niet tegen als een organisatie een besluit, dat in mijn ogen onrechtvaardig is, ook nog eens onvoldoende onderbouwt. Juist het trage bureaucratische gedoe stimuleert mij om mijn tanden nog steviger in het dossier te zetten.
Na het besluit van de NS leek mij de tijd gekomen om mijn individuele actie van een breder draagvlak te voorzien. Ik legde mijn klacht neer bij zowel de Fietsersbond als bij reizigersvereniging Rover, er al bijna van overtuigd dat deze belangenbehartigers mij van harte zouden steunen.
Na de kleine doorbraak volgde de grote ontgoocheling. Beide consumentenorganisaties lieten weten dat zij achter de 28-dagen-maatregel staan. Ik lag groggy in de touwen. Het duurde even voordat ik enig begrip kon opbrengen voor het argument dat de stallingscapaciteit schaars en kostbaar is en dat het daarom onwenselijk is als iemand zijn fiets 365 dagen ongebruikt laat staan.
Ik schreef terug dat ik dat laatste kan begrijpen, maar dat er nog wel een groot verschil is tussen 28 en 365 dagen. Dat ik zo’n zeventig keer per jaar gebruik maak van de stalling, soms twee keer per week en soms vijf weken niet. Ik stelde voor om voor jaarabonnementhouders de termijn te verhogen van 28 naar 42 dagen.
Het mocht niet baten. Ik was de eerste die dit aankaartte. Ook voor de Fietsersbond en Rover geldt de macht van het getal. Mochten er meer klachten komen, dan gaat men het beleid heroverwegen. Dus, jaarabonnementhouders, laat u horen. Avanti populo, a la riscossa.

4

FIETS IN BEWARING

Dagelijks

G en ik hebben beiden een jaarabonnement op de NS-fietsenstalling aan het Jaarbeursplein in Utrecht. Daarvoor betalen we aan het begin van het jaar € 75. Toen wij in juni dit jaar na twee maanden lockdown onze fietsen weer wilden gebruiken, bleek dat we gezondigd hadden tegen een huisregel. Vanwege corona was men echter zo coulant om onze zonde kwijt te schelden. De betreffende huisregel luidt: fietsen die 28 dagen niet worden gebruikt worden afgevoerd naar een fietsendepot van de gemeente. Daar mag je je fiets ophalen tegen betaling van € 21,35. Heb je je rijwiel niet binnen enkele weken opgehaald, dan wordt hij eigendom van de gemeente Utrecht, die hem verpatst aan een opkoper.
Wij vielen bijna achterover van verbazing. Hoorden we dit goed?
Ik weet dat men in Utrecht streng is tegen fietsen die te lang op de openbare weg geparkeerd staan, zogenaamde weesfietsen. Halfvergane wrakken mogen worden afgevoerd, daar lijkt mij niets op tegen. Om chaos van geparkeerde fietsen rond het station tegen te gaan, mag een fiets daar niet langer dan 14 dagen ongebruikt staan. Daar kan ik ook nog inkomen. Maar in dit geval gaat het om een plek waarvoor ik betaald heb, een heel jaar lang. Dan moet het toch niet uitmaken of ik dagelijks de fiets ophaal of nooit?
Kortom, ik geef mijn fiets in bewaring zodat hij niet gestolen wordt en NS Fiets staat toe dat de beheerder mijn fiets afvoert en dat de gemeente het rijwiel verkoopt. Heling en diefstal, andere woorden kan ik er niet voor bedenken.

De beheerder van de fietsenstalling verwijst mij naar de Klantenservice van NS in de hal van Utrecht Centraal. Daar laat de dienstdoende medewerkster in alles zien dat zij een cursus klantgericht werken heeft gevolgd. Maar omdat zij niets voor mij kan doen, verwijst zij mij terug naar de beheerder. Die zegt op zijn beurt dat ik beter met de NS kan bellen.
Om goed beslagen ten ijs te komen, zoek ik allereerst uit of ik bij het afsluiten van het abonnement wellicht informatie gemist heb. De kleine regeltjes, zeg maar. Nergens is ook maar iets te vinden over de 28-dagen regel. Wel mooie praatjes over het onbezorgde parkeergemak. Wie de stalling beheert staat niet vermeld. De gemeente Utrecht geeft als beheerder Lumiguide. Dit is een ‘end-to-end fietsstallingsbeheerssysteem, dat gebaseerd is op optische detectie van fietsen.’ En blijkbaar zeer geschikt om fietsen te laten verdwijnen.
Na de nodige keuzemenus en wachttijd kom ik telefonisch in contact met de NS Klantenservice. Het langdurige geëmmer met de medewerkster, daarna met de Afdeling Technische Zaken en vervolgens met de Afdeling Fiets zal ik je besparen. Het resultaat is een terugverwijzing naar de beheerder.

Voor het indienen van een klacht tegen de NS moet ik bij….. de Klantenservice zijn. De brief die ik stuur blijkt, als ik na vier weken bel, niet in het bezit van de dienst. Ik stuur ad € 8,80 een aangetekende brief. Daarna volgen twee telefonische twistgesprekken die uiteindelijk resulteren in het advies om bij de beheerder het verzoek in te dienen om voor mijn fiets een uitzondering te maken op de 28-dagenregel. Als ik dit geen goede oplossing vind, zegt de medewerkster toe dat zij mijn verhaal aan haar leidinggevende zal voorleggen.
Wordt vervolgd.