Schrijven, Lezen, Leven.
4

OUDE TALEN

Herinnering

Tacitus

‘Vandaar werden de soldaten teruggeleid naar het winterkamp, terwijl zij in hun hart blij waren, dat zij de tegenspoed op zee door de goed verlopen expeditie hadden gecompenseerd.’ Zo vertaalde ik in de vijfde klas van het gymnasium een Latijnse tekst. De leraar had mij een 6- gegund, maar uit de vele onderstrepingen met zijn rode potlood voelde ik dat het eigenlijk een onvoldoende had moeten zijn. ‘Oh, oh, wat ben ik ongelukkig’, schreef ik onder het cijfer.
Ik denk dat het een tekst van Tacitus is geweest. Die schreef altijd over krijgstochten en oorlogsontberingen. Drie lesuren per week pijnigden we onze hersens met zijn Annalen. In de les luisterden we hoe een van ons zwoegend en aarzelend een tekst vertaalde. Wegdromen was er niet bij want als de vertaler van dienst een fout maakte, kon je zomaar aangewezen worden om te corrigeren of om de beurt over te nemen. En altijd was er de angst voor een klagelijke uithaal van de docent als we een stommiteit begingen. Als we bijvoorbeeld altus vertaalden met oud.
Het kan ook een tekst van Livius geweest zijn, de schrijver van de Romeinse geschiedenis. Ook zijn boeken lazen wij drie uur per week. Voor de afwisseling lazen we dan, drie lessen per week, de door Vergilius beschreven omzwervingen van Aeneas.
Met die negen uren Latijnse vertalingen waren we er nog niet. We lazen daarnaast Griekse schrijvers, óók negen uur per week: Homeros, Herodotus en Sophocles, de schrijver van Griekse tragedies. Φεύ, φεύ! (Ach, wee!) zijn de Griekse woorden die ik mij, niet zonder reden, het best herinner.
Van de vijfendertig lesuren besteedden wij er dus achttien (18) aan Latijn en Grieks. Wie nu zo’n lesprogramma zou voorstellen loopt de kans dat er kamervragen worden gesteld over het onnodig schade berokkenen aan kinderzielen.

Odysseus

Het gymnasium is de opvolger van de Latijnse school uit de negentiende eeuw, zo schrijft NRC-journaliste Mirjam Remie, van wie onlangs een lovend boek over deze opleiding uitkwam. Zonen uit de hogere kringen werden er onderwezen in talen en cultuur. Zonder de klassieken kon de Europese cultuur niet begrepen worden. Zonder de klassieke filosofie kon men de wereld niet kennen.
Toen ik in 1964 aan het gymnasium begon was dat niet vanuit een jarenlange familietraditie, al waren een broer en een zus mij voorgegaan. De keuze kwam al helemaal niet voort uit mijn belangstelling voor de klassieke oudheid, integendeel. De enige reden was, dat het gymnasium aangeschreven stond als het hoogste wat je kon bereiken. Wie het gymnasium kon halen meldde zich niet voor de HBS. Voor mijn ouders telde nog dat een gymnasiumopleiding een minieme kans in leven hield dat ik alsnog voor een priesteropleiding zou kiezen.

Er waren leerlingen die aardigheid hadden in de talloze oorlogen die Tacitus beschreef of in de omzwervingen van Odysseus. Zij vormden de uitzondering. Voor mij was het verplichte kost. Het ging mij louter om goede cijfers en daarvoor was ik bereid om altijd braaf mijn huiswerk te maken. Maar wie denkend aan de hitparade en de voetbalcompetitie woordjes zit te stampen en verbuigingen probeert te ordenen, moet dat wel heel vaak herhalen.

2

MEDISCHE INFORMATIE

In het nieuws

De schroeven die mijn heupbotten bij elkaar hielden

Ruim tien jaar geleden werd ik geopereerd aan een heupbreuk. Daarbij werden de gebroken uiteinden weer vastgezet door middel van drie flinke schroeven. Die pinnen konden daar rustig blijven, zo vertelde de specialist. Maar als ik er last van kreeg, dan was hij graag bereid om ze er weer uit te halen.
Laat ik eens op internet kijken, bedacht ik, wat de voor- en de nadelen zijn. Dat had ik beter niet kunnen doen. Op fora waar ervaringen gedeeld worden las ik het ene na het andere akelige verhaal over de nadelen van het gebruik van schroeven, over tal van complicaties die kunnen optreden, over mensen die jaren later nog last hadden van de operatie.
Het is een bekend effect: wie ergens last van heeft laat dat eerder weten dan wie uiterst te tevreden is. Fora met ervaringen op medisch gebied zijn daarom verzamelplaatsen van alle mogelijke onheil. Het leek me beter om me te beperken tot door artsenorganisaties geredigeerde sites.

Maar ook van betrouwbare sites of artikelen kan je je afvragen of kennis over ziekten en gebreken bevorderlijk is. Van medische studenten in opleiding weten wij dat zij allerlei kwaaltjes gaan voelen nadat ze gehoord hebben wat er mis kan gaan met diverse organen. Ik moest daaraan denken, toen ik in de Volkskrant van 12 maart j.l. een artikel las over de vroegtijdige herkenning van hartklachten: Nooit klachten gehad en dan een hartinfarct. Een arts die de kans op problemen moet inschatten werkt met een lijstje risicofactoren. Wie ongezond eet en hartpatiënten in de familie heeft weet dat hij een grotere kans heeft op een hartinfarct. Maar wat blijkt? Er zijn, aldus het artikel, genoeg mensen die niet aan het risicoprofiel beantwoorden, maar wel hartklachten krijgen.
Heb ik iets aan deze kennis? Het roept een wat zorgelijk gevoel in mij wakker. Ik kan natuurlijk direct op zoek gaan naar het telefoonnummer van een privékliniek waar ik via een CT-scan kan laten achterhalen of mijn aders aan het dichtslibben zijn. Maar voor optimale zekerheid moet ik dan nog veel meer laten controleren. En dan nog weet ik niet alles, want er zijn verschillende kwaadaardige tumoren die zich pas aankondigen als het al te laat is. Ooit zong het Klein Orkest over iemand die zeer gezond leefde, maar toch niet oud werd omdat hij aangereden werd op een zebrapad. Het zit wel vaker eens tegen, gewoon blijven bewegen.

Juist één dag nadat ik voor de tweede keer door het coronavirus besmet was geraakt, las ik in diezelfde uitgave van de Volkskrant over het effect van een coronabesmetting op de hersenen. Corona doet de hersenen iets krimpen, zo stelden onderzoekers in Oxford vast. Ook blijken de voormalige coronalijders relatief wat minder goed in cognitieve taken. Dat komt dan bovenop het krimpen als gevolg van de veroudering.
Ik lees het, maar wat heb ik eraan? Het leed is al geschied. Ik heb nu hoogstens een kapstok waar ik eventuele denkfouten aan kan ophangen. ‘Ja sorry, dat wist ik even niet meer, mijn hersenen zijn bovennormaal gekrompen.’ Want dat laatste vergeet ik natuurlijk niet.

0

GELUKSVOGEL

Dagelijks

Sinds 24 februari kijk ik iedere ochtend na het opstaan eerst op Teletekst om te weten of er nog nieuws is uit Oekraïne. Daarna pas pak ik de krant. Ik lees de verhalen over de mannen die hun kostuum omwisselen voor een gevechtspak. Over de mensen in de schuilkelders en de angsten tijdens de inslagen van raketten. Ik zie de foto’s van de geblakerde gevels van flatgebouwen, van de mensen die hun leven wagen op straat om een naaste naar een ziekenhuis te brengen. Hoe zou ik reageren in zo’n situatie? Ik zou niet eens weten waar hier een schuilkelder in de buurt is. Het gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. En tussen al die gedachten over de oorlog dringt het besef door dat ik tot de generatie geluksvogel behoor.

Op de eerste plaats omdat ik nooit een oorlog heb meegemaakt en nooit heb hoeven vechten. De vrede en vrijheid die we kennen zijn als het water voor een vis: zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat. Maar er is veel meer dat mij tot een bevoorrecht mens maakt.
Ik groeide op in een veilige, groene, niet-vervuilde omgeving. Ik genoot degelijk onderwijs, wat mij hogerop bracht. Ik was jong in de jaren zestig, een decennium waarin de rode loper van vrijheid en autonomie voor mijn generatie werd uitgerold. Een golf van democratisering ging door het land. Mijn studie werd deels gefinancierd en ik mocht er lang over doen. De opkomst van de popmuziek was een ongekende ervaring. We konden ons eigen leven leiden, met voldoende middelen, ook op het gebied van genot en anticonceptie. Onder de dienstplicht uitkomen was een koud kunstje. Vervolgens leverde de studie een goed betaalde baan op. We kochten voor een habbekrats een huis en werden slapend rijk omdat het huis elk jaar meer waard werd. Ik had een baan met veel autonomie en voldoende ruimte voor creativiteit. Part-time, zodat ik ook nog verzorgende taken op me kon nemen en me kon uitleven in hobby’s. Lieve vrouw en kinderen, vrienden, goede gezondheid, vakanties naar het buitenland. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan zes van de zeven vinkjes van Joris Luyendijk aankruisen.

Voor zo’n geluksvogel als ik is het toch wel bijzonder dat ik zo vaak geprotesteerd heb tegen wat er in mijn ogen mis is in de maatschappij: de ongelijke kansen, discriminatie, de wapenwedloop, het gebrek aan democratie. Dat komt er blijkbaar van als je bent opgevoed met het streven dat altijd alles beter moet en dat we de hemel nog niet bereikt hebben. Maar heeft het wat uitgehaald? De kernwapens zijn de wereld niet uit, de ongelijkheid neemt toe, de milieuvervuiling kookt over.
De generaties voor mij hebben oorlogen gekend en economische crises. Wij konden profiteren van de vooruitgang en de welvaart. Voor de generaties na mij ziet het er voorlopig niet naar uit dat het beter wordt. Laten wij, van de geluksgeneratie, het huis waarin we zo heerlijk gewoond hebben, in een slechtere staat achter? Het is goed om hoop te houden. Maar ik heb er op zijn minst een ongemakkelijk gevoel bij.

1

CITYMARKETING

Dagelijks

Er is goed nieuws te midden van alle ellende: de EBU is weer bij elkaar! Voor wie het nog niet gelezen heeft: de Economic Board Utrecht is een samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en lokale overheden, opgericht om de regio Utrecht wereldwijd op de kaart te zetten, ditmaal met het thema gezondheid.
Utrecht heeft al de hoogste toren van het land. Nergens in Nederland is de brede welvaart zo hoog als hier. Het Utrecht Science Park is het grootste van de Benelux. De stad was een paar jaar geleden de beste fietsstad ter wereld en wij hebben de grootste fietsenstalling van de aarde en omstreken. En nu liggen er, aldus de EBU, voor de Utrechtse metropoolregio geweldige kansen om koploper te worden op het gebied van gezondheid en gezonde leefomgeving.
Dat u het maar even weet. Wat er nog ontbreekt is dat wij de grootste psychiatrische instelling hebben. En de grootste gevangenis.

‘De beste dames-tasschen vindt men bij magazijn De Concurrent’, klonk het in de vorige eeuw. ‘Onze collectie corsetten met elastieken binnenband kent haar weerga niet.’ Die aanprijzingen zijn nu overgeslagen naar elke zichzelf respecterende stad of gemeente. Citymarketing is een bedrijfstak van jewelste geworden. I Amsterdam.
In Utrecht kennen we Utrecht Marketing, ‘een partnerorganisatie, kennispartner en reputatiebouwer, die als verbinder partijen sectoroverstijgend samenbrengt.’
Het Merk Utrecht staat voor ‘een stad van makers met een drang tot vernieuwen en verbeteren. Kleine en grote ideeën worden hier werkelijkheid dankzij inspirerende verbindingen, verrassende kruisbestuiving en slimme samenwerking.’ Bent u er nog?
Het profiel dat Utrecht onderscheidend maakt is dat van ‘een verbindende creator.’ Waar gaat het dan om? ‘Hier wordt overal iets gemaakt, valt overal iets te ontdekken, vind je overal inspiratie.’ Ook in gezwollen taalgebruik wil Utrecht kennelijk de beste zijn.
In 1995 telde Utrecht 235.000 inwoners, nu zijn dat er 360.000. De stad wil de komende jaren doorstoten naar de 400.000. Daartoe moet elk stukje onbebouwde of verkeerd bebouwde grond worden opgevuld. Bijvoorbeeld de gebiedsontwikkeling Cartesius. ‘Een leefomgeving die bewoners en bezoekers in staat stelt om automatisch te doen wat goed is voor mens en natuur.’ Een plek om op te laden. ‘Cartesius is een gezond en duurzaam statement van wereldformaat’, aldus de baas van Ballast Nedam. Gesproken wordt van een wereldprimeur.

Nog een laatste voorbeeld. De EBU heeft het project Utrecht Talent Alliantie ontwikkeld. De metropoolregio wil het beste talent naar zich toehalen. Zorgen voor voldoende verpleegkundigen bijvoorbeeld.
Op dit punt wil ik dan toch een instemmend geluid laten horen. Die broeders en zusters zullen we met de toenemende vergrijzing hard nodig hebben. Jammer alleen dat Leiden, Apeldoorn en Breda net zoveel bakken geld uitgeven om die verpleegkundigen naar zich toe te halen.
Het Utrecht Marketing Team kan het niet alleen, zo lees ik op de site. Iedere bewoner wordt geacht zijn steentje bij te dragen. Iedereen moet hetzelfde geluid laten horen, dan wordt het een krachtig signaal. Ik heb deze week alvast geoefend. Dit was mijn eerste bijdrage.

0

KRUISHEER

Dagelijks

De Markt in Maaseik

Ik was onlangs in Maaseik, een oud stadje in Belgisch Limburg, met een fraai marktplein omgeven door horecazaken met middeleeuwse gevels. Veel terrassen waren gesloten. In het midden van het plein torende het standbeeld van de schilders Jan en Hubert van Eyk boven de vele geparkeerde auto’s uit.
Omdat ik te vroeg was voor mijn afspraak wandelde ik nog wat rond. In de hal van de Catharinakerk lag het gerepareerde beeld van een engel, die blijkens het bijschrift, op zekere dag vanuit zijn plaats hoog in het gewelf zomaar omlaag was gedonderd. Zonder januaristorm of beeldenstorm. Even verderop werd het Kapucijnenklooster gerestaureerd. Dat kost meer dan zes miljoen euro, vermeldde een bord. Aan dezelfde straat werd gebouwd aan een nieuw onderkomen voor de orde der kruisheren. De kosten stonden er niet bij, waarschijnlijk betaalt de orde dit uit eigen zak.
Ik liep naar de overzijde, naar het huidige kruisherenklooster. Hier moest ik zijn. Ik werk aan een boek over de familie Van Rooijen. Eén van hen was de kruisheer Henri van Rooijen. Hoewel hij nooit in Maaseik gewoond heeft bevindt zijn persoonlijk archief zich hier.

Henri als novice begin jaren twintig tussen twee zussen en een broer

Henri werd geboren in 1902 in Utrecht. Op de priesteropleiding blonk hij dermate uit, dat hij vanaf 1925 zijn studie mocht voortzetten aan het Angelicum, een van de belangrijkste pauselijke opleidingen in Rome. Hij keek er zijn ogen uit naar de vrije manier waarop de Italianen hun geloof belijden. In 1928 promoveerde hij magna cum laude tot doctor in de theologie. Terug in Nederland bouwde hij door het schrijven van boeken een naam op als kenner van de kerkgeschiedenis. Vanaf 1935 was hij studentenpastoor in Leiden. Daar onderhield hij in de oorlogsjaren contacten met studenten die actief waren in het verzet. Die ervaringen leidden bij hem tot de doorbraakgedachte in de studentenwereld: niet meer elke gezindte zijn eigen studentenvereniging, maar één gezelligheidscentrum voor alle studenten. Hij fietste ervoor naar de Maliebaan in Utrecht om toestemming te vragen aan kardinaal De Jong. Leiden was de enige universiteitsstad waar deze doorbraak daadwerkelijk gerealiseerd werd. Voor een aantal jaar tenminste. In de jaren zestig woonde Henri als assistent van de hoogste leider van de kruisheren, door hen Het Hoogwaardig Heer genoemd, alle zittingen van het Tweede Vaticaans Concilie bij. Hij overleed in 1987.

Het Vaticaans Dagboek

Henri van Rooijen heeft niet alleen onnoemelijk veel geschreven, hij heeft ook alles bewaard: dagboeken, studiemateriaal, correspondentie, artikelen, overpeinzingen, enz. Het kostte mij meer dan een uur om de inventarislijst, waarin alle archiefstukken zijn beschreven, door te nemen. Ik maakte een scherpe selectie. De vijf dagen, die ik daarna in Maaseik mocht komen, waren eigenlijk onvoldoende. Alleen al het dagboek dat Henri tijdens het Vaticaans Concilie heeft bijgehouden bevat vijfhonderdvierenveertig dicht beschreven vellen, nog groter van formaat dan A-4.
Hij komt uit de stukken naar voren als een belezen intellectueel, een erg aardige en hulpvaardige man, kalm en gelijkmatig van karakter. Je zou een boek alleen over hem kunnen schrijven. Maar dat zou, vrees ik, een beetje een saai boek worden. Over een door zijn familie aanbeden engel, opgeleid in het Angelicum, die standvastig aan zijn pilaar blijft hangen.

1

DANKBAARHEID

Dagelijks

Elke morgen mogen wij aan de ontbijttafel een vraag beantwoorden. Het papieren label van het Pickwick theebuiltje vraagt ons na te denken: ‘welke levensles wil je doorgeven aan anderen?’ ‘Wat wil je deze week bereiken?’ Het zou me niets verbazen als ik binnenkort de volgende vraag tegenkom: ‘waar ben je vandaag dankbaar voor?’
‘Dankbaarheid blijkt een beschermende werking te sorteren tegen psychische klachten en is een aanjager van veerkracht’, zo las ik onlangs in De Volkskrant (15-01). ‘Mensen die dagelijks een dankbaarheidsdagboek bijhouden waarderen hun leven hoger en ervaren een betere mentale gezondheid dan mensen die dit niet doen.’ Door deze oefening leer je om blij te zijn met wat je hebt.

Zo’n tien jaar geleden liepen G en ik in Schotland de West Highland Way, 165 kilometer van Glasgow naar Fort Williams. Ten noorden van Loch Lomond zaten we op een avond met een groep Canadezen in de Drovers Inn (Est. 1715). Gezeten achter grote pinten Scottish Ale werden we uitgenodigd elkaar de Highs of the day te vertellen. Zij deden dat elke dag. ‘You’ve done a great job’, zei een de mannen toen ik tevreden verteld had dat ik het lange traject had volgehouden. Hij stond op en hield zijn vuist omhoog zodat ik de mijne ertegenaan kon tikken. Daarna hieven we allemaal ons glas en proostten op zoveel moois.
De positieve psychologie is een richting binnen de psychologie die het belang van positieve ervaringen vooropstelt. Ze is ontstaan als tegenhanger tegen methoden die gericht zijn op de ontrafeling van problemen. Het regelmatig benoemen van positieve ervaringen dient om de weerbaarheid en het zelfvertrouwen van mensen te bevorderen. De dankbaarheidsmethode lijkt een nieuwe loot aan de boom van de positieve psychologie.
Tevreden zijn over je eigen werk valt niet onder de nieuwe methode. Dankbaarheid veronderstelt een gever. Relaties zijn onmisbaar voor een goede geestelijke gezondheid. ‘En dankbaarheid is een van de sleutels om die relaties goed te houden en te verdiepen’, aldus hoogleraar Ernst Bohlmeijer, die een app ontwikkeld heeft om de dankbaarheid te bevorderen.

De wereld is zo vergeven van negatieve zaken dat ieder initiatief om het leven lichter te maken mij welkom lijkt. Al bespeur ik bij mijzelf ook een lichte wrevel. De dankbaarheidsmethode roept herinneringen op aan een religieus verleden. Dank U voor deze nieuwe morgen… is het lied dat in mijn hoofd weerklinkt. De laatste jaren overvalt mij steeds vaker een groot gevoel van dankbaarheid als ik thuiskom van een lange reis. Geen ongelukken gebeurd, niks gestolen, niet ziek geworden. Maar ja, wie moet ik in dit geval dankbaar zijn?
Ik was al een eindje op weg met dit blog toen ik zaterdag 19-02 in De Volkskrant een nieuw artikel las. ‘Onze obsessie met positiviteit is schadelijk’, vindt de Amerikaanse psychotherapeut Whitney Goodman. Het idee, dat wie maar positief denkt alles kan bereiken (‘Je kunt het!’, ‘Je bent geweldig’) maakt sommigen diep ongelukkig, ondanks het dagelijks inventariseren van de Highs of the day. Goodmans advies is om te accepteren dat het leven niet altijd leuk is. Ook dat is waar.
Bedankt dat je dit stukje wilde lezen.

3

VADER

Herinnering

mijn vader en ik – 1953

Het was een regelmatig terugkerend ritueel. Als mijn vader aan het einde van de middag thuiskwam uit zijn werk verstopte ik me snel onder het houten bureau in de kamer. ‘Waar is Arnold’, vroeg hij dan verbaasd als hij de kamer in kwam. Vervolgens liep hij eerst alle andere verstopplekken langs. De spanning liep bij mij vaak zo hoog op dat ik moeite moest doen om geen kick te geven.
Op zondagmiddag mocht ik wel eens mee op de fiets, als hij op bezoek ging bij zijn ome Kees in Jutphaas. Dat voelde geweldig, daar voorop die fiets, ik alleen met mijn vader.
Later groeide de afstand. Zoals veel vaders in de jaren vijftig was hij alle dagen weg voor zijn werk. Dat was niet de enige reden voor de verwijdering. Mijn vader kreeg het moeilijk met zichzelf. Hij zat gevangen in zijn eigen gevoelens, opgesloten in zijn zelfkritiek. Als hij thuis was, was hij vaak in zichzelf gekeerd. Al kon hij goed verwoorden hoe wij, kinderen, ons dienden te gedragen.

Voor de aanvang van een kerstmaal zaten mijn vader en ik als enigen alvast aan de gedekte tafel, in afwachting van de anderen. Mijn vader legde een hand, de handpalm naar boven gekeerd, naast mij op tafel. Hij zei niets, maar glimlachte verlegen. Het was een onverwacht gebaar van toenadering. Ik voelde zijn genegenheid en tegelijk zijn machteloosheid.
Hij leerde me met veel geduld viool spelen. Ik gaf er na een tijd de brui aan. Hij gaf me een fototoestel en deed me voor hoe ik zelf de foto’s kon ontwikkelen. Tijdens mijn tienerjaren was hij altijd bereid om mij na afloop van schoolfeestjes met de auto in Utrecht op te halen, hoe laat het ook was. En toen ik eens geen zin had om mijn kapotte Tomos naar de fietsenmaker te brengen, attendeerde mijn moeder mij er na een paar dagen op, dat mijn vader de brommer had weggebracht. Ik was niet op een leeftijd om achter de strenge geslotenheid zijn goede bedoelingen op te merken.
De komende week is het 50 jaar geleden dat mijn vader overleed, aan een onduidelijke neurologische aandoening. Ik was negentien. Het is een halve eeuw geleden, maar sindsdien is hij wat dichterbij gekomen. Zo heb ik de voorliefde voor geschiedenis en voor klassieke muziek van hem overgenomen.

In 1993, toen ik zelf al weer een tijdje vader was, heb ik hem een brief geschreven. Ik liet hem weten dat ik een lieve vrouw en twee zoontjes had, een goede baan, en een prachtig huis. Dat hij zich geen zorgen om mij hoefde te maken. Ik schreef over zijn moeilijkheden en zijn lijden. Over hoe ik dit ervaren heb toen ik als enige van de kinderen nog thuis woonde. Op dat moment tijdens het schrijven stopte mijn pen, ik aarzelde lang. Toen schreef ik: ‘ik heb een echte vader gemist’, om er direct aan toe te voegen: ‘jij kon er niets aan doen.’
Dat laatste klopt niet helemaal. Maar sinds ik me verdiept heb in mijn familiegeschiedenis en in het gezin waarin hij is opgegroeid, begrijp ik beter wie hij was.

1

LUIZENBAAN

Herinnering

Begin jaren zeventig stap ik een uitzendbureau in Utrecht binnen. Of men nog een eenvoudig baantje voor een paar weken voor mij heeft, is mijn vraag. De medewerkster kijkt me peinzend aan. ‘Kan je typen?’ Na mijn bevestigend antwoord vervolgt zij: ‘je moet wel honderdveertig aanslagen per minuut halen.’ Haar toon verraadt dat zij niet verwacht dat het mij gaat lukken.
Ik was ooit begonnen op de oude Remington van mijn vader. Met twee vingers tikte ik alle winnaars van de atletieknummers op de Olympische Spelen over. Die stonden in een boek, dat wij bij elkaar hadden gespaard met pakjes Brio-boter. Vele jaren later, na het begin van mijn studie, had ik een goedkope Underwood gekocht. Ik typte nog altijd met twee wijsvingers, maar de verslagen en rapporten die de studie verlangde ramde ik er in een snel tempo uit.
Zo doe ik dat ook met een tekst in een hoekje van het uitzendbureau. Of ik precies de honderdveertig aanslagen gehaald heb, is niet duidelijk, maar de medewerkster vindt het voldoende. In ieder geval, zo denk ik achteraf, voor de werkgever die een typiste (m/v) zoekt, de faculteit Geografie van de Rijksuniversiteit Utrecht. Men heeft snel iemand nodig, er ligt een hoop achterstallig werk, dus ik kan de volgende dag beginnen.

Om half negen ’s morgens loop ik een nog stille kantoorkolos aan de rand van Utrecht binnen. Ik struin een paar lege gangen door. De enige medewerker die ik vind zegt, zonder op te kijken van zijn papieren, dat er nog niemand van het secretariaat is. Tegen half tien verschijnt de eerste secretaresse en word ik aan het werk gezet. Het kost mij moeite mij te concentreren in een ruimte waar drie medewerksters boven hun typemachine zitten te kletsen. Nog geen uur later vraagt men hoe ik de koffie wil. Ik ben nog weinig opgeschoten en ga het liefste verder, maar er is geen ontkomen aan. Ik moet een uur lang met de dames koffie leuten. In het volgende uur ontstaat er iets van rust, onder het getik van de toetsen en het verschuiven van de rol. De middagpauze duurt van half een tot twee uur. Als de dames na een ruime theepauze om half vijf hun spullen gaan opruimen, pas ik me maar aan en doe ik hetzelfde. Ik heb nog geen vijf uur gewerkt maar ik durf niet te zeggen dat ik dit eigenlijk schandalig vind.

Na twee dagen constateren de dames dat men eigenlijk onvoldoende werk voor mij heeft. Of ik ben te veel een stoorzender in hun gezellige biotoop. Maar, niet getreurd, er is nog wel een ander klusje. Zo verhuis ik naar een klein kamertje waar ik aan een ponsmachine de getallen uit een onderzoek moet intikken. Niet gehinderd door kwebbelende dames en gedwongen koffiepauzes kan ik hier mijn eigen werktijden aanhouden. Dat plaatst mij wel voor een moreel dilemma: volg ik mijn geweten en maak ik keurig de acht uur vol die ik uitbetaald krijg? Of sluit ik mij aan bij de cultuur van het secretariaat? De koffie- en theepauzes hou ik beperkt, maar voor het overige vind ik de gewoonten van de secretaresses te verleidelijk om niet te volgen.

3

DE IMPACT VAN DE OORLOG

Dagelijks

NSB’ers paraderen. Bron: Niod

Wie vaker hier komt herinnert zich wellicht dat ik vorig jaar juni schreef over mijn zoektocht naar de daders van de liquidatie van een Vleutense NSB’er. Deze Van der Grift wilde in 1944 zijn lidmaatschap van de NSB inleveren. Hij waarschuwde verzetslieden als er razzia’s op komst waren en hij bood zelf onderdak aan een onderduiker. Na uitgebreid onderzoek onder meer in de dossiers van het Nationaal Archief was mijn conclusie dat de kans groter is, dat Van der Grift door leden van de Landwacht, de NSB-opsporingsdienst, is omgebracht dan door verzetslieden. Er zijn geen gevallen bekend van een NSB’er die door ‘eigen mensen’ is omgebracht. (Overigens, ik noemde geen namen van daders.)

Mijn blogs in juni waren gebaseerd op een concept artikel dat ik – met medeweten van de redactie – schreef voor het tijdschrift van de Historische Vereniging Vleuten – de Meern. In januari 2021 had ik een eerste versie ingeleverd. Met het oog op de familieleden van voormalige NSB’ers wilden de redactie en het bestuur van de vereniging voorzichtig zijn.
Daarom kwam er vanuit de vereniging een gesprek met de kleinzoon van de groepsleider van de NSB. Dit familielid was na het lezen van het concept geschokt. Allerlei nare jeugdherinneringen waren weer naar boven gekomen: dat hij wegens pesterijen van school was gehaald, niet meer aan een sportclub kon deelnemen, e.d. Minstens zo confronterend was, dat het beeld dat hij van huis had meegekregen over zijn grootvader als ‘goede NSB’er’, aan gruzelementen lag.

Het tijdschrift van de Historische Vereniging

Ik was onder de indruk en bood hem een gesprek aan waarin hij zijn kant van het verhaal zou kunnen vertellen. Ondertussen had ik al meermalen contact gehad met publicist Ad van Liempt over de diverse voetangels en klemmen in de beschrijving van verhalen uit de oorlog.
In juni volgde eindelijk een gesprek tussen de kleinzoon, de voorzitter van de historische vereniging, de redactiecoördinator en mij. De uitkomst was dat ik initialen zou gebruiken en de zin zou toevoegen dat er geen aanwijzingen zijn dat Vleutense NSB’ers betrokken waren bij de liquidatie. Hiermee kon de kleinzoon instemmen. Daarmee leek de laatste hobbel geruimd. Van Liempt vond mijn verhaal plausibel.

In augustus schreef een van de redactieleden een uitgebreid bezwaar tegen het aangepaste artikel. Hij vroeg zich af of er wel geciteerd mocht worden uit de dossiers van het Nationaal Archief, sprak over mogelijke hele en halve onwaarheden en was bovendien van mening dat het tijdschrift niet bedoeld was om te beschrijven wat NSB’ers hebben misdaan. Met zijn reactie begon de zaak te kantelen. Bestuur en redactie verschilden van mening. Gelet op het redactionele statuut lag de beslissing bij de redactie. Die liet mij in december weten dat men het artikel niet zou plaatsen. Op de eerste plaats omdat het sommige lezers wellicht slapeloze nachten zou bezorgen. Daarnaast vond men de conclusies te controversieel. Men wil niet dat het blad discussie oproept.
Ondertussen hebben de oorlogsgebeurtenissen mijn blijvende interesse gewekt. Ik ga mijn onderzoek verbreden naar de lokale gebeurtenissen gedurende de vijf oorlogsjaren. Voor publicatie zal ik een ander platform zoeken.

3

BRIL

Dagelijks

Onlangs had ik ruzie met mijn leesbril. Hij zakte voortdurend over mijn neus omlaag, waardoor ik gedwongen was ‘em weer omhoog te duwen. Dat ging door totdat ik me geïrriteerd afvroeg waardoor dat afzakken veroorzaakt werd. Na een vluchtig onderzoek was mijn analyse: de poten staan te wijd uit. De oplossing was derhalve: de pootjes een beetje bijbuigen.
Een bril is een geweldige uitvinding (‘Ze zijn zo knap tegenwoordig’, hoor ik hier mijn moeder zeggen). Omdat ik ‘em alleen nodig heb om te lezen, gaat de bril regelmatig op en af en moet ik ‘em steeds bij de hand hebben. Bijvoorbeeld omdat de ontwerper van het pak tagliatelle ervoor gekozen heeft om de bereidingstijd zo miniem mogelijk weer te geven, terwijl er op het pak ruimte genoeg is voor koeieletters. De afstandsbediening van de tv. De tijdsaanduiding op mijn smartphone. De bordjes in musea. Op en af en op en af. Daar wordt zo’n bril niet beter van.

Ik gebruik een leesbril met een uiterst dun montuur. De kunststof pootjes draaien via een minuscuul stalen scharniertje. Dat scharniertje moest dus een beetje bij te buigen zijn. Kijk alsjeblieft uit, sprak ik mezelf toe. Nog niet eens een jaar geleden heb ik in dezelfde situatie het montuur gebroken. De opticien aan wie ik toen schuldbewust de breuk voorhield, verblikte of verbloosde niet. Alsof er iedere dag wel iemand voor zijn neus staat die op zijn bril is gaan zitten of ‘em van het balkon heeft laten vallen. Uiterst dun of niet, het montuur kon toen gewoon gelijmd worden, een specialistenwerkje dat me drie brilloze dagen en dertig euro kostte.
Met deze geschiedenis in gedachten probeerde ik ditmaal heel voorzichtig de pootjes bij te buigen, ondertussen uitproberend of mijn inspanningen al resultaat gaven. Het montuur bleef intact, constateerde ik tevreden.
Er zijn mensen die een leesbril aan een koordje om hun nek laten bungelen. Daar hou ik niet van. Een tijdlang heb ik de bril met één pootje bovenin mijn overhemd gestoken. Op die manier ben ik ooit in Rio de Janeiro een straat overgestoken, of beter gezegd overgehold, gelet op de stadsbus die in aantocht was. Aan de overkant kon ik nog net zien hoe mijn kostbaar bezit onder de machtige wielen van de bus vermorzeld werd.

Ik boog één pootje nog iets verder. Zodat mijn bril er weer een tijdje tegen kon. Op dat moment viel een van de glazen uit het montuur. Dat glas zat geklemd tussen de metalen bovenrand en een dun plastic koordje aan de onderzijde. Het terugzetten bleek een inspannend gefrut. Tot driemaal toe liet ik de bril met veel verwensingen liggen om evenzovele keren de uitdaging opnieuw op te pakken, mezelf dwingend tot geduld en rustig doorademen.
Precies op het moment dat het me eindelijk lukte het glas vast te zetten brak het pootje van de bril aan de andere zijde. De buren hebben wijselijk niet geïnformeerd naar de oorzaak van mijn uithaal. Tijd voor een nieuwe bril dus. Ondertussen loop ik met een scheve prothese die van plakband aan elkaar hangt. Maar dat past wel bij mijn leeftijd.