Schrijven, Lezen, Leven.
0

DUURZAAM BEZIG

Dagelijks

Onze waterkoker heeft een deksel die bestaat uit twee delen. Het zou mij nooit opgevallen zijn als de twee stukken laatst niet van elkaar zouden zijn losgeraakt. Ik hoorde een onbekend geluid en zag een stuk zwart plastic vrolijk bubbelen in het kokende water. Hevige kalkaanslag bleek de oorzaak van de breuk.
Dus toen de thee gezet was ben ik met schuursponsjes, botte mesjes en vijlen die bruine aanslag te lijf gegaan. Dat kostte wel wat tijd en zweetdruppels. Het aan elkaar lijmen van de twee delen was daarna echter een fluitje van een cent.
‘Zo, je bent lekker duurzaam bezig’, zei G.
‘???’
‘Je zult de mensen de kost moeten geven, die in zo’n geval meteen een nieuwe waterkoker op internet bestellen. Jij beperkt tenminste je CO2-footprint’.
Ik dankte voor het compliment, al moest ik bekennen, dat tijdens het repareren mijn ecologische voetafdruk nog geen moment door mijn hoofd had gespeeld. Ik vind duurzaamheid een van de belangrijkste dingen in het leven, maar ik word wel eens iebel van de continue vertaling van elke handeling in de hoeveelheid CO2-uitstoot. Als ik mijn overhemd een dag langer aanhou, hoeft er minder snel een nieuwe geproduceerd te worden en als ik mijn plas wat langer ophou, dan gebruik ik minder water. Als ik eerder doodga, ben ik de aarde niet meer tot last. Maar daar wilde ik het niet over hebben.

Als er iets kapot gaat, probeer ik het eerst te repareren. Dat vind ik niet meer dan normaal. Helaas valt er niets meer te beginnen met kapotte telefoons of printers, maar hangt er een zool van mijn schoen los, dan zet ik beide delen 25 minuten in de bison kit en klem de helften met lijmtangen en wasknijpers bij elkaar. Ik maak gebruikte verfkwasten schoon. En zit er een gat in mijn broek, dan ga ik met naald en draad aan het werk (al kost het me tegenwoordig grote moeite om de draad door dat verdomde oog te krijgen).
Wat nog functioneert doen we niet weg. Zo koken wij sinds 1985 op een Etna fornuis, dat toen al na een lang leven in de Hoekse Waard als afdankertje uit de deur was gedaan. Ons topstuk op dit gebied is bijgaande pan. Deze werd begin zeventiger jaren door een vriendin van G uit een container gevist en is na wat omzwervingen in onze keuken beland. De deksel vertoont al jaren enige sporen van roestvorming, maar de maaltijdsoep of de spinazie uit deze pan smaakt nog altijd prima.
Uitzonderingen op mijn zuinigheid zijn er overigens ook, moet ik bekennen.
Zo heb ik laatst, terwijl onze kasten uitpuilen van de balpennen van firma’s die hun naam bekendheid willen geven, voor 58 euro’s een fijne vulpen gekocht. En terwijl er in Nederland ook aardige zangcursussen te volgen zijn, kies ik toch voor een nog leukere in Italië. Ik wil niet weten hoeveel extra CO2 ik daarmee uitstoot.
Maar goed, af en toe mag ik wel eens zondigen, vind ik.
Dat zal vast wel een katholieke gedachte zijn.

1

INSLAPEN

Reizen

Als we naar bed gaan, zet ik de deur naar het balkon wagenwijd open, voor even. Liggend in het donker voel ik de vrieslucht naar binnen trekken, een mengeling van geuren meevoerend: van houtvuur, koeienmest en vochtig gras. Flauw lantaarnlicht legt een streep op de muur van onze hotelkamer. De koude lucht brengt niets dan stilte mee. Er is weer een dag voorbij.
Deze middag wandelden we met zijn tweeën hoog in het Ellmautal in een wijds wit winterlandschap. Verspreid over de hellingen zagen we grote boerderijen, verbonden door diagonaal lopende wegen. Het land lag ingepakt onder een dikke laag sneeuw. Hoe winters ook, het voorjaar kondigde zich aan. De zon scheen overvloedig, de temperatuur reikte naar de 10 graden. Een klein stroompje gesmolten sneeuwwater zocht zijn weg langs ons pad omlaag, puttertjes vlogen kirrend achter elkaar aan, een hoop sneeuw was van de helling op de weg gegleden, een Madurodamse lawine. Het hoge geluid van een cirkelzaag verbrak de witte stilte. Bij een boerderij werd een koe schoongespoten door de boer.
Wegen Lawinengefahr gesperrt lazen we op een bord langs ons pad. Ik kon me in deze vredige ambiance geen levensbedreigend gevaar voorstellen. We weifelden. Toen zagen we een oud bankje, recht tegenover de zon, een mooie Einkehrmöglichkeit. We laafden ons aan de zon en de schittering van het landschap. Een geborgen wereld, traditioneel, conservatief.

Ik zak langzaam weg in een halfslaap. Tussen de beelden van het Ellmautal dringen zich skibewegingen. Draai naar links, draai naar rechts. De vreugde van een kind op een sleetje. De bewegingen in het onderbewuste gaan maar door, tegen mijn zin. Er zit een angst onder, dat ik de controle verlies. Links, rechts, links, rechts. Een besef, dat er nog iets moet gebeuren, maakt me weer wakker. De frisse lucht, de wijd openstaande deur. Ik wip uit bed om de deur vast te zetten op een kier.

Hotel Alte Post, Grossarl, Salzburgerland

‘Heeft u nog moeite om aan personeel te komen?’, vroeg iemand van onze groep aan Toni. We hadden drie uur lang achter de baas van ons hotel door de tiefschnee geploegd en zaten bij te komen in een veel te warme Bauernstüberl. Toni is een man van in de zeventig die het traditionele Gasthof Alte Post in Grossarl heeft uitgebouwd tot een warm familiehotel met Hallenbad en sauna. Het grote kruisbeeld in de hoek van de Speisesaal is gehandhaafd. Wir zeigen euch die Berge is de leus. Nu Toni zijn zaak heeft overgedaan aan zoon Toni jr. trekt hij 150 maal per jaar met een groep de bergen in.
‘Het wordt steeds lastiger om medewerkers te vinden’, zegt Toni, zijn rood aangelopen hoofd vlak boven zijn bord met Würstlsuppe. ‘Ze willen tegenwoordig allemaal studeren’, klinkt het wat misnoegd.
Als jullie in Oostenrijk de grenzen niet zo hermetisch zouden afsluiten, is het probleem opgelost, komt er bij mij op. Maar ik hou mijn mond.
Vroeg in de ochtend zal ik de balkondeur helemaal dichtdoen. Elke morgen om zes uur nodigt de klok van de kerk direct naast Alte Post het dorp uit om de vroegmis te bezoeken. Drie series van tien klokslagen. Alsof er naast je bed iemand met een schoolbel staat. Een geborgen wereld.

3

OPENBAAR VERDRIET

Dagelijks

In Den Bosch neem ik de intercity naar Utrecht. Terwijl ik mij installeer stapt er een man van een jaar of veertig de coupé binnen. Hij heeft donker haar en ziet er goed gekleed uit. Hij gaat aan de andere kant van het gangpad tegenover mij zitten.
De volle trein zet zich langzaam in beweging. Sommige reizigers staren op hun smartphone, andere zitten te kletsen. Een stel jongeren doet allebei. Terwijl de wagon ons heen en weer schudt op de brug over de Maas, strek ik mijn been om mijn smartphone uit mijn broekzak op te diepen.
Mijn blik glijdt even naar links en vangt het gezicht van de man met het donkere haar. Verschrikt kijk ik direct weg. Heb ik het goed gezien?
Ik wil de man niet aanstaren. Ik zou niet willen, dat hij ziet dat ik naar hem kijk. Maar ik kan het niet laten om na te gaan of het klopt wat ik zag.
Het is waar. De man huilt. Zonder geluid biggelen er tranen uit zijn roodomrande ogen over zijn wangen. Hij zit kaarsrecht en kijkt voor zich uit. Zijn gezicht is een en al verdriet, zijn armen liggen rustig langs zijn lijf. De man doet geen enkele poging zijn emotie te verbergen, hier in deze volle trein, die langs de boomgaarden van de Bommelerwaard raast. Bijna fier houdt hij zijn betraande hoofd zichtbaar overeind. Het lijkt of hij zich afgesloten heeft van zijn omgeving en teruggetrokken in zijn eigen wereld het verdriet de vrije teugels laat.
Liefdesverdriet, het overlijden van zijn moeder, ontslag? Mijn gedachten zijn al op zoek naar een reden, iets heftigs wat aanleiding geeft tot groot verdriet, iets wat dit openbare huilen van een man kan rechtvaardigen. Ik voel sympathie voor deze man. Hij heeft lef. Ik huil ook wel eens, maar niet zo gemakkelijk als er anderen bij zijn. In deze trein zou ik mijn handen voor mijn gezicht houden. Of de wc opzoeken.
Maar een man mag niet huilen
Ook al heeft hij verdriet
Een man mag niet huilen
Als een ander het ziet
Wat Jacques Herb in 1972 zong wordt tegenwoordig door de meeste mensen niet meer onderschreven. Desondanks huilen mannen beduidend minder dan vrouwen. Huilende mensen worden als minder competent gezien, maar ook als warmer en meer betrouwbaar, zo heeft Ad Vingerhoets, de huilexpert van de universiteit in Tilburg, ontdekt. Vrouwen vinden huilende mannen vaak aandoenlijk. Behalve als zij, bijvoorbeeld in een conflictsituatie, het idee hebben dat de man zijn tranen inzet om iets te bereiken.
Ook bij mij wekt deze huilende man empathie op. Moet ik iets doen, vraag ik me af. Kan ik hem mijn meeleven, mijn hulp aanbieden? Zo snel als de vraag is opgekomen, zo snel laat ik ‘em weer varen. De volle trein houdt me tegen. Ik zoek het nieuws op mijn smartphone.
Als ik uitstap ziet de man er uit alsof er niets is gebeurd. De tranen zijn verdampt. Het leed gaat weer keurig aangekleed over straat. Dat werd gezongen door Herman van Veen.

1

PLAKBOEK

Herinnering

Het waren maar twee noten die ik onlangs hoorde (e – fis) en maar twee lettergrepen (Nor – man), een flard muziek uit de tv waar ik op dat moment niet naar keek. Meer was er niet nodig om mij terug te brengen naar de tijd, dat ik samen met mijn zus zingend door het huis liep. Norman, oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe-oe-oeoe, Norman, tot en met de lange uithalen aan het einde van het refrein: Norman, my love! Het was in 1962 een hit van de Amerikaanse Sue Thompson, een Nederlandse versie werd gezongen door Willeke Alberti.
Het lied bracht me terug naar een plakboek waarin ik ooit mijn jeugdige interesses heb vastgelegd. Toen ik al lang en breed het huis uit was heeft mijn moeder met een vooruitziende blik het plakboek van de ondergang gered, zodat ik nu kan nakijken of ik een plaatje van Sue Thompson in het boek heb geplakt.

Op de eerste pagina van het plakboek beschrijf ik in korte aantekeningen de gebeurtenissen van de maand december 1960. Het boek blijkt een cadeau van Sinterklaas, die voor mij ook nog een autobusbaan, een agenda en een zakdoek had meegebracht. Op 8 december noteer ik: Maria Onbevlekte Ontvangenis, op de 11e: snoep op gegeten. Zo kabbelt het een tijdje door. Achter de data 23 tot 31 december staat in het groot gekrast: NIKS GEBEURD.
Op de volgende pagina’s verleg ik mijn aandacht naar een verzameling sigarenbandjes: Elisabeth Bas, Hofnar, Ritmeester, Schimmelpenninck. Dan volgen de opstellingen van Ajax, Feyenoord en PSV en een aantal liedteksten zoals:
Wij trekken vrolijk naar het bos
Naar ’t bos in zomertooi
Daar bloeit zo menig bloementros
Aan ’t smalle pad begroeid met mos
(….)
We laten graag de stad alleen
Die straten dof en grijs
Daar waait nooit zuivre lucht door heen
Daar zie je niets dan dorre steen
Het verhaal dat ik met Pasen wil beginnen (‘Jezus is verezen’) maak ik niet af en gaat direct over in titels van Arendsoog en Pim Pandoer.

De voorkeuren en hobby’s van een 8-jarige kunnen snel wisselen. Blijkbaar heb ik bij een volgende gelegenheid Wasco kleurkrijtjes cadeau gekregen. Die vette stiften gebruik ik om de sigarenbandjes, voetbalopstellingen en liedteksten flink door te krassen, mij niet bewust van de waarde die ik er ooit nog eens aan zal toekennen. Andere pagina’s gebruik ik opnieuw door vele malen mijn eerste handtekening te oefenen.
Dan, eindelijk, op pagina 29, zijn we bij de populaire muziek beland. Een foto van de Blue Diamonds, die hun legerschoenen poetsen. ‘Ze zijn op ’t ogenblik in dienst. Ze worden Sergeant en ze gaan naar Nieuw Giuniea om daar de soldaten te vermaken’. De volgende pagina is voor Caterina Valente en Gondoli, Gondola. Het is de tijd van de tienersterren: Eddy Hodges, Willeke Alberti, Conny Froboess, (wie kent niet haar grootste hit?), Cliff Richard.
Een paar maanden geleden schreef ik hier, dat Jacques Brel mij de ogen had geopend voor de populaire muziek. Daarvan moet ik terugkomen, nu ik mijn plakboek weer zie. Zo zie je maar weer, herinneringen van zestig jaar terug zijn onbetrouwbaar.
Ik vind geen foto van Sue Thompson, geen tekst van Norman. Heb ik dat lied eigenlijk wel met mijn zus gezongen?

2

OME RINUS

Herinnering

Ik heb er een achternicht bij. Zij heet Veronique en ze is 74 jaar. Pas sinds kort weet ik van haar bestaan.
Het begon allemaal toen ik bijgaande foto van Hotel Rustoord aan de Mariahoek in Utrecht in ons familie-archief vond. De foto is gemaakt rond 1910 en roept een sfeer op van een goed leven met een modern Frans biljart, zware eikenhouten meubelen en sigarenrook. De man rechts naast het bord is Rinus van Rooijen, een oom van mijn vader en eigenaar van de zaak. Tussen alle boeren en smeden die mijn stamboom bevolken springt deze horeca-oudoom er bijzonder uit. Ik wil meer van hem weten en ga op zoek in gemeentelijke archieven.

Ome Rinus was getrouwd met tante Christien. In het eerste decennium van de 20e eeuw woonden zij met 3 dochters en 2 zoons aan de Buys Ballotstraat nr. 14 in Utrecht. Aanvankelijk stond er een melkhandel aan de Mariahoek op naam van ome Rinus. Daarna pakte hij uit met het hotel.
Rond 1912 moet het hotel failliet zijn gegaan. De familie verhuisde naar Den Haag. Uit deze periode is slechts bekend, dat er veel gemusiceerd werd in huize van Rooijen. Tante Christien speelde het liefst Brahms op de piano en de familie zong zijn liederen. Oom Rinus schilderde het portret van Brahms en hing het boven de piano.
Daarna verhuisde de familie naar Woerden, waar Rinus een bestaan als portretschilder probeerde op te bouwen. De drie oudste kinderen waren er ondertussen achter gekomen, dat hun vader altijd veel plannen had, maar weinig geld. Zij kozen voor een geborgen leven in het klooster. De jongste dochter zou later dezelfde keuze maken. Als uitzondering hierop belandde zoon Piet in het onderwijs. Hij zou zijn verdere leven zijn ouders financieel op sleeptouw nemen.

Tante Christien en Ome Rinus op jeugdige leeftijd

Halverwege de jaren twintig woonde men in Arnhem. Hier runde ome Rinus een pension, tegelijkertijd probeerde hij het maar eens als journalist. Hij schreef af en toe voor het katholieke dagblad Het Centrum. Mijn familie vergeleek hem met mr. Micawber. Dit karakter uit Dickens roman David Copperfield is in het Engelse woordenboek beland voor een persoon ‘who is poor but lives in optimistic expectation of better fortune’. Het verhaal gaat dat ome Rinus wel eens bij mijn opa, zijn zwager, om geld kwam bedelen, wat hem door de laatste op niet mis te verstane wijze werd geweigerd.
Weer een decennium later belandden ome Rinus en tante Christien in huize Nazareth in Best, een rusthuis gedreven door de congregatie waar twee van zijn dochters waren ingetreden. Het lijkt er dus op dat ome Rinus een ietwat turbulent leven heeft geleid. Bekend is, dat hij een uitstekend zanger was, stotterde en van schrijven hield. Daarom wil ik nog wel meer van hem weten.
Ik ga op zoek naar zijn nakomelingen, de kinderen van Piet, die later Peter is gaan heten. Mijn enige aanknopingspunt is de woonplaats Emmen. Een vriendelijke ambtenaar van deze gemeente blijkt bereid om de namen van de 6 kinderen van Peter uit het archief op te duiken. Via een lange zoektocht op internet vind ik tenslotte achternicht Veronique. Eind vorig jaar hebben we kennis met elkaar gemaakt. Over enige tijd gaan we samen verder op zoek in Montfoort, waar ome Rinus en mijn oma ooit het levenslicht zagen.

1

AFSCHEID

Muziek

Jaren geleden las ik over een amateurzanger die meer dan 25 jaar in hetzelfde koor gezongen had. Bij een stemtest was haar stem niet meer goed genoeg bevonden. Zij mocht niet meer meedoen. Voor deze vrouw zakte de wereld in elkaar. Ze belandde in een depressie, waarvoor zij behandeld moest worden. Ook in mijn eigen omgeving heb ik pijnlijke voorbeelden meegemaakt van zangers, die tegen hun zin een koor moesten verlaten.

Decibelle in 2013

Onlangs heb ik afscheid genomen van het kamerkoor Decibelle. Ik mocht blijven, graag zelfs, maar ik heb zelf besloten om te stoppen. Een zelfgekozen einde is ongetwijfeld gemakkelijker dan een gedwongen heengaan. Ik hoefde niet in therapie, maar – ik moet het toegeven – het afscheid viel me niet mee.
Ik heb dertien jaar bij Decibelle gezongen. Bij dit koor heb ik ontdekt, dat zingen mijn lust en mijn leven is. En wat is er nu mooier dan samen zingen met anderen? Het bezorgt mij energie, geluk en kippevel (deze drie, maar de meeste van deze is…). In mijn eerste jaar zongen we het Requiem van Michaël Haydn. We werden begeleid door een abominabel amateurorkest, maar desondanks werd ik door de samenzang opgetild naar de hemel.
Daarna gingen de ontwikkelingen snel. Ik studeerde thuis goed op de partituren, volgde zangles en zomerzangweken. Geleidelijk werd ik een steunpilaar voor anderen. Ik mocht wel eens solo zingen en de laatste jaren heb ik bij afwezigheid van de dirigent de kerstconcerten van Decibelle gedirigeerd.

Na een wandelweekend op de Waddeneilanden

Een zangkoor is eigenlijk een klein dorp, een gemeenschap van mensen met deels overeenkomende en deels verschillende motivaties, voorkeuren, meningen en eigenschappen. Er ontstaan in het dorp dikke vriendschappen, soms verliefdheden. Het wel en wee wordt in de pauze met elkaar gedeeld. Voor levensgebeurtenissen, zoals ziekten of ander persoonlijk leed is er de kaart die getekend kan worden. Er is de oplopende spanning in de weken voorafgaande aan het concert en de blijdschap en trots na afloop. Er is altijd sprake van botsende ambities, discussies over het repertoire, taken die blijven liggen en bestuursleden die zich daarover druk maken.
Al die emoties en strevingen kunnen de sfeer hinderen. Er kan ook iets moois uit voortkomen. Dat laatste was bij Decibelle het geval. De woensdagse repetities, de borrel na afloop, de wandelweekends, de etentjes, dat alles voelde voor mij als een warm bad. En wat heb ik een lol gehad in al die jaren. Er waren weinig gelegenheden, waar ik zo vaak en zo hard heb gelachen.

En toch ben ik gestopt.
Het muzikale jasje begon mij steeds meer te knellen. De dirigent koos stukken uit die het niveau van het koor te boven gingen met eindeloos oefenen tot gevolg. Opeens gingen repetitieavonden voor mij zeer traag voorbij. Ik vond dat de kwaliteit van de concerten omlaag ging. Steeds sterker kreeg ik het gevoel, dat ik beter kon stoppen.
Maar ja, die aardige mensen.
Als de liefde voor de muziek er niet meer is, dan is de liefde voor de mensen moeilijker vol te houden. Daarom heb ik vorig najaar na lang twijfelen de knoop doorgehakt. Onlangs ben ik op een prettige wijze uitgezwaaid.
Maar wees niet bezorgd. Ik heb nog een ander koor. En een kwartet.

4

YOURI

Dagelijks

Eén uur voor zijn overlijden

Onze kat is dood. Vorige vrijdag week heeft de dierenarts met een spuitje een einde aan zijn leven gemaakt. Met een lege mand liepen we daarna weer naar huis. In stilte en met een brok in de keel. Na twintig jaar zien we nooit meer zijn afwachtende koppie achter de voordeur. Nooit meer zijn gezelligheid als hij onder het eten erbij kwam zitten. Nooit meer zijn miauwtje als welkom bij het opstaan. Nooit meer samen op de bank.

Op woensdag had de dierenarts gezegd, dat Youri wéér een kilo was afgevallen. Hij was zo breekbaar dat ie bijna omviel als je een aai gaf. Hij viel soms als hij op de bank wilde springen. Zijn neus zat constant verstopt waardoor hij moeizaam ademde. Youri was er de laatste jaren al vaak voor behandeld. Hij kon zich niet meer overal wassen, zodat er bovenop zijn rug een hanenkam was ontstaan, een stijve klit van haren. Hij leek angstiger. Sinds de afgelopen zomer ging hij niet meer naar buiten en moesten we een kattenbak in de keuken zetten. Maar soms zag hij een wasmand met schoon goed aan voor zijn bak. Andere details over zijn stoelgang (bakgang) zal ik hier achterwege laten. De dierenarts adviseerde die woensdag om Youri snel een spuitje te geven.

Staatsieportret in beter tijden

Ik was verrast. Youri at en dronk iedere dag goed. Na het eten strekte hij zich behaaglijk uit op zijn kussentje voor de kachel. Na verloop van tijd wandelde hij van de achterkamer naar de voorkamer en viel daar neer voor de kachel. Zat hij tien minuten uit het raam te kijken, dan had hij een actieve bui. Hij zag er tevreden uit en vertoonde geen tekenen van pijn. Moet je dan abrupt een einde aan zo’n leventje maken?
We hadden ooit eerder een kat, Mikkie. Die kreeg op zijn vijftiende al een langzame tred, zodat Krakkemikkie mij een betere naam leek. Toen we hem op een dag kwijt waren vonden we Mikkie in een kast op de tweede verdieping, opgerold en levenloos.
Zo’n einde leek me ook voor Youri mooi. Maar de dierenarts zei, dat Youri wel pijn zou hebben. Katten laten hun pijn niet blijken, omdat dat hen zwak maakt tegenover mogelijke vijanden. Hoe de dierenarts dit weet, heb ik niet gevraagd. Ik heb me bij het onvermijdelijke neergelegd.

In de wachtkamer vrijdag keek Youri wat onrustig om zich heen, hij draaide zich nog eens om. We streelden zijn magere koppie. De dierenarts veegde op de onderzoekstafel eerst nog een grote snottebel uit zijn neusje. Ze sprak over de keuze tussen crematie en destructie. Het voelde onwerkelijk. Daarna kreeg Youri een narcosespuitje. Na een minuut legde hij zijn koppie neer, gevolgd door zijn lijf. Het ene oog bleef geheel open, het andere voor de helft. We aaiden hem tussen zijn oren en zeiden lieve woordjes. Toen kwam de tweede spuit. Youri lag er zo weerloos bij, zo onschuldig. Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat we iets wreeds aan het doen waren.
We zullen maar zeggen, dat het een genadespuit was.
Onze kinderen zijn al lang het huis uit, maar pas nu blijven we echt met zijn tweeën over.

1

VOOR HET LAATST

Dagelijks

Foto: Jaap Bijsterbosch

In de trein naar Groningen op zondag 30 december wenste de conducteur ons allen een goed uiteinde. Daar bleef het bij. Hij zei niet, dat hij ons in het nieuwe jaar graag terug wilde zien. Dus het was even afwachten. Wij waren Wijster net voorbij.
Even later arriveerden we in het Groninger Museum. Er stonden grote rijen voor de kassa’s, alsof het de laatste kans was om het museum te bezoeken. Een kilometer verderop, in de wijk Paddepoel, stichtten jongemannen brandjes, waarna de toegesnelde hulpdiensten met vuurwerkbommen werden bekogeld. Voor die jongeren is dat het einde.

De volgende dag maakten wij een stadswandeling. Het was de dag dat Groningen zich voorbereidde op het uiteinde. Veel Grunningers gingen er nog even op uit, voor wat laatste inkopen. Een vrouw droeg voorzichtig een gebaksdoos voor zich uit, twee jongemannen sjouwden elk met twee kratjes bier. Ik moest denken aan Vindicat.
We zagen de pindakaaswinkel en de mannenwinkel. ‘Waar heb je zin in?’, vroeg ik G.
Op de Grote Markt stond, net als in het museum, een lange rij, hier voor de Hollandsche Gebakkraam. Drie oudere heren in witte schorten stonden continu gebogen over het vet, drie mollige dames, pakten aan de lopende band grote papieren tassen vol met oliebollen. Onderwijl speelde de Martinito’n boven de hoofden elk kwartier Venite Adoremus. Op tal van plaatsen werd de oliebol vereerd, maar nergens door zovelen als bij die Hollandse bakkers.
We bestelden een kop koffie bij de Drie Gezusters. We hadden blijkbaar de juiste keuze gemaakt, want het meisje, dat onze bestelling opnam, antwoordde: ‘Helemaal goed’. Sterke mannen met tatoeages rolden zwarte kisten met blinkend metalen strippen de zaak binnen. Het bleek de installatie van een dj, die daar later die dag het uiteinde zou inleiden. Buiten sjouwden andere mannen vaten bier de kelder in.

Nadat we ons laatste avondmaal hadden genoten, liepen we tussen geknal van links en rechts naar de Vismarkt, waar een vuurwerkvrije zone was ingericht om het uiteinde te vieren.
Gele hesjes controleerden ons op projectielen en brandhout. We mochten door.
Voor de Korenbeurs stond een reusachtig podium. Veel was er niet te zien, slechts een kleine figuur die achter een draaitafel stond. De man was de veroorzaker van een enorm kabaal, dat begeleid door draaiende schijnwerpers en rookkolommen over de Vismarkt werd uitgestort. Dit moest wel de verkondiging van het definitieve einde zijn. ‘Groningen, dansen!’, riep de man, maar Groningen had niet zo’n zin. De bassen dreunden dusdanig in mijn buik, dat ik vreesde dat mijn dit jaar aangelegde liesmatje zou lostrillen.
De spanning liep op, het kon nu niet lang meer duren. Ik keek regelmatig op mijn horloge. Als kind holde ik vlak voor twaalven nogal eens naar de wc, ‘voor de laatste keer’. 29 Seconden voor het einde werd er op de vismarkt een grote klok op een scherm geprojecteerd en konden we aftellen. Onder luid gejuich bereikten we het einde en vielen elkaar in de armen. Achter de huizen van het plein zochten de vuurpijlen hun weg sissend omhoog.
Nu zijn we zijn alweer op weg naar het volgende einde.

2

PSYCHOLOOG MET AANHALINGSTEKENS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (22)

 

Cartoon op de uitnodiging voor mijn afstudeerfeest

In de zomer van 1978 is na zeven jaar studeren en meer dan voldoende studiepunten de tijd gekomen. Ik verstuur mijn eerst sollicitatiebrief. Ik ding mee naar een baan als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. De universiteit, dat is bekend terrein voor me. Na bij diverse universiteiten een zeperd te hebben opgelopen verleg ik mijn aandacht naar praktijkinstellingen: Jongeren Advies Centra en het preventiewerk in de geestelijke gezondheidszorg.
Het Gewestelijk Arbeidsbureau schrijft mij in onder nummer 0617:

PSYCHOLOOG, hoofdrichting klinische psychologie; nevenrichting arbeidspsychologie. Bezit 1e graads onderwijsbevoegdheid. Scriptie: “Preventie van psychosociale problematiek in de eerstelijns gezondheidszorg.
26 jaar, wonende te Utrecht. Geen militaire verplichtingen. Heeft nog geen werkkring gehad.
Gewenste functie (max. 1 uur reizen van Utrecht): het – in teamverband – verrichten van gedeeltelijk hulpverlenende-, gedeeltelijk begeleidende-, gedeeltelijk organisatorische / beleidsmatige werkzaamheden.

Het aantal banen is beperkt, het aantal kandidaten groot. De economische neergang van de jaren tachtig is al ingezet. Maar net zo belangrijk als de economie is mijn eigen instelling. De opleiding heeft me veel geleerd, de studentenjaren hebben mij een stuk volwassener gemaakt, maar de al veel langer knagende zorg over mijn beroepsidentiteit, over wat ik de arbeidsmarkt te bieden heb met al mijn alternatieve studieonderdelen is levendiger dan ooit.
Er rest mij nog één individueel tentamen, van de cursus gedragstherapie bij prof. dr. W. Everaerd. De toets zou evengoed als een vriendschappelijk bakkie koffie met Walter beschreven kunnen worden. Everaerd benut het gesprek om te laten weten wat hij vindt van de pretenties van de projectgroep Nieuwegein om alles anders te doen. ‘Jullie opleiding is waardeloos, iets voor een buurtwerker of maatschappelijk werker. Jullie belijden met woorden dat je structureel bezig bent, je praktijk is echter heel traditioneel’. Het gesprek biedt voldoende stof voor mijn favoriete bezigheid in deze dagen: praten. Praten over relaties, over banen, over mijzelf, over het leven. Ik schrijf een artikel over mijn studietijd voor De Gebalde Frustratie, een blad van opponerende psychologiestudenten.

In de plechtige senaatszaal van het Academiegebouw vindt de rituele afsluiting van mijn studie plaats, tezamen met die van Marcelle en Gerard, twee medestudenten van de projectgroep Nieuwegein. Geheel in de stijl van de egalitaire projectgroep worden wij niet toegesproken door een wetenschappelijk medewerker maar door enkele studenten van de projectgroep. Mijn nooit aflatend engagement wordt genoemd, evenals mijn ijzeren werklust en mijn eigenzinnigheid. De toespraak eindigt met de woorden: ‘ik heb wel vertrouwen in jou als psycholoog’. Het laatste woord wordt met opgeheven handen van aanhalingstekens voorzien. Beter had de spreker mijn gevoel niet kunnen uitdrukken.

‘Werk krijgen’, zo schreef ik aan het einde van het artikel over mijn studietijd, ‘gaat zo langzamerhand een minder belangrijke plaats voor mij innemen. Dat wil zeggen dat ik er niet meer alles voor over heb om werk te krijgen en dat vrienden, expressie, praatgroepen e.d. ook belangrijk zijn’.
Enkele maanden later zou ik worden aangenomen als preventiewerker bij Buro Voorlichting en Vorming (Preventie) van het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen.

0

VREDE OP AARDE

Herinnering

Sinterklaas was nog maar nauwelijks vertrokken of ik keek als 7-jarige al weer uit naar Kerstmis. Op de adventskrans brandden nog maar twee kaarsjes, dus ik moest nog een tijd wachten. ‘Geduld is een schone zaak’, leerde mijn moeder mij.
Na twee weken was het zover. Mijn vader haalde, voorzichtig achteruitlopend over de losstaande vlieringtrap, de grote doos van de kerststal naar beneden. Het uitpakken van de beelden was voor mij een van de hoogtepunten. Ze zaten gewikkeld in vergeeld krantenpapier, dat nog ouder was dan ikzelf. De kameel was een enorm beest en de zwarte koning vond ik een beetje eng. De kribbe werd in de stal gezet, maar het baby’tje Jezus mocht er pas op de eerste kerstdag ingelegd worden. Boven het rieten dak van de kerststal hing mijn moeder wat kersttakken.
‘Waarom hebben wij geen boom?’, vroeg ik.
‘Dat doen alleen de protestanten’, antwoordde mijn moeder.
Toen ik vroeg naar het verschil tussen katholieken en protestanten, legde zij uit, dat de protestanten niet in Maria geloven. Het leek mij een gering onderscheid. Hadden de protestanten dáárom een eigen school en een eigen bakker? Waren het daarom minder goede mensen?
In de week voor de kerst werden wij op pad gestuurd om langs katholieke deuren kinderkerstboeken te verkopen. ‘Nee, dank je wel, we doen al overal aan mee’, kregen we soms te horen. Ik had een hekel aan dat leuren, maar het was voor het goede doel.

De geboorte van Jezus was in de katholieke kerk het grootste feest van het jaar. Vrede op aarde, zo werd gepreekt. Tijdens de nachtmis leek het wel of de kerk warmer en mooier was dan anders. Er brandden zoveel kaarsen en iedereen in de afgeladen kerk zong mee met de kerstliedjes. Na afloop wensten we elkaar een Zalig Kerstfeest. Thuis aten we daarna nog bolletjes en krentenbrood. De schuifdeuren waren open, de kachels snorden. Ik wilde na afloop de kaarsjes op de tafel uitblazen. Maar ik mocht er geen ruzie over maken. Dat was tijdens de kerst een nog veel grotere zonde dan anders.

Op eerste kerstdag 1959 gingen we op bezoek bij opa van Dijk.
Mijn opa was dat jaar 88 geworden. Hij bracht zijn dagen door in een hoge, leren leunstoel voor het raam, dat uitkeek op de wetering. De ouderdom had hem in zijn greep. Hij hoorde weinig, zag weinig en kon niet meer zelfstandig lopen. Hij verliet alleen zijn stoel om aan de arm van mijn tante Jo naar de wc te schuifelen. Ik was het achttiende kleinkind en ik kan me niet herinneren, dat hij ooit een woord tegen mij gesproken heeft. Op één keer na. In een strenge winter was ik voor zijn raam op mijn kop op het ijs van de wetering gaan staan. Dat kon hij wel waarderen.
Voor die kerstmiddag bij opa hadden wij een muzikaal programma ingestudeerd. Mijn broer, zussen en ik speelden alle vier blokfluit. Het programma was uitgetypt op de oude Remington die mijn vader van zijn werk had overgenomen. Omdat de letter l kapot was gebruikten we daarvoor een 1.
In een sfeer van zaligheid liepen we na afloop weer naar huis. Ik geloof niet dat het mij als 7-jarige gelukt is twee volle dagen lang de vrede op aarde te bewaren, zeker niet op het moment dat de speelkaarten op tafel kwamen.