Schrijven, Lezen, Leven.
1

HET JAAR VAN DE GEHANDICAPTE – deel I

Herinnering

Na het Jaar van de Vrouw en het Jaar van het Kind was het in 1981 de beurt aan de Gehandicapte. Zo gaat dat. In het kader daarvan was iemand op het idee gekomen om voor leerkrachten een boek samen te stellen over handicaps bij kinderen. Kennis bevordert immers de acceptatie. Ook aan de vereniging van stotteraars werd een bijdrage gevraagd. Ik was in die jaren nogal actief voor die club en had niet lang daarvoor een boek over stotteren geschreven, een uitgave die het om een of andere reden nog tot een tweede druk geschopt heeft. Derhalve kwam de vraag bij mij of ik een hoofdstuk over stotteren bij kinderen wilde schrijven. Ik hoefde alleen maar een korte samenvatting te geven van mijn boek en zou daarvoor ook nog eens 500 gulden ontvangen. Een handicap leverde in die tijd nog wel eens wat op. Ik bevond mij bovendien in het gezelschap van onder meer Guus Kuijer en Mary Michon, wie zou dat niet willen.
Toen het boek klaar was volgde nog een bijzonderheid: ik ontving een uitnodiging voor de overhandiging van het eerste exemplaar aan prinses Juliana.
Ik was geen fan van het koningshuis. Niet, dat ik een jaar tevoren had deelgenomen aan de Slag om de Blauwbrug (‘Geen Woning, Geen Kroning’), maar mijn sympathie lag meer bij de krakers dan bij de oranjegezinden. Voor het schudden van de hand met de koningin van mijn jeugd wilde ik echter mijn principes wel even opzij zetten.

Alle genodigden dienden om veiligheidsredenen een half uur voor aanvang aanwezig te zijn.
Daar zaten we dan met zijn allen een half uur te niksen. Het viel mij op, dat er voorin de zaal nog enkele kinderen met een verstandelijke handicap aanwezig waren. Het bleek dat zij hadden meegewerkt aan een film.
Hoe meer de tijd verstreek, hoe meer de spanning steeg. Het was het wachten op Sinterklaas en de Tour de France in het kwadraat. Toen Juliana eindelijk binnenkwam, klein van stuk tussen alle veiligheidsfunctionarissen, de zaal geen blik waardig keurend, vond ik die entree er niet zo vorstelijk uitzien, in ieder geval heel anders dan het vriendelijke zwaaien op het bordes.
Nadat het boek was aangeboden en de film over de kinderen met het syndroom van Down was vertoond (de rammelende collectebussen aan het einde bleven achterwege) vond ik, dat het moment wel gekomen was, dat de geprezen auteurs aan Hare Majesteit zouden worden voorgesteld.
Juliana had zich echter na afloop van het programma eenvoudig weg omgedraaid naar de voorste rijen. Zij onderhield zich met zichtbaar plezier met de verstandelijke gehandicapten. Alles mooi en aardig, dacht ik, maar nu is het wel onze beurt. Ik was er vast maar bij gaan staan, wachtend op een teken van de organisatie om naar voren te komen.
Opeens waren er toen weer die veiligheidsmensen. Juliana pakte haar handtas en zo vertrok de koninklijke stoet weer naar buiten. Opnieuw keek zij de zaal niet in, zij had niet eens het aangeboden boek in haar hand. Zo gaat dat als jarenlang je dienaren de aangeboden cadeaus ‘achter de struiken flikkeren’, zoals Wim Sonneveld ooit zei.
‘Samen gewóón verder’ heet het boek, met als ondertitel: ‘Gehandicapt zijn is anders dan je denkt….’. Dat was voor mij in deze situatie een uiterst adequate aanbeveling.

0

DE TEKST BIJ DE MUZIEK

Muziek

In een lied van Acda en de Munnik is de hoofdpersoon niet alleen dolverliefd op een vrouw, maar ook doodsbang, dat zij hem weer zal verlaten. Om dit conflict op te lossen eindigt het lied met deze regels:
Als je bij mij weggaat
Mag ik dan met je mee.
Een schitterende vondst.
Maar is de gedachte wel zo nieuw, vroeg ik me deze week af toen wij ons weer eens onderdompelden in de Matthäus Passie van Bach. Zou de schrijver van Als je bij mij weggaat wellicht het koraal kennen dat direct na het sterven van Jezus wordt gezongen?
Wenn Ich einmal soll scheiden
So scheide nicht von mir.
We waren bij de uitvoering door Reinbert de Leeuw, Holland Baroque en het Nederlands Kamerkoor, een uitvoering waarvan de juichende kritieken al waren vooruitgesneld. Vooral de tenor Benedikt Kristjansson vonden we prachtig. De jonge IJslander ontdeed de rol van de evangelist van zijn saaie trekken en nam ons mee in een spannend verhaal. Op alle hoogten en in alle dynamieken klonk zijn stem heel natuurlijk en boeiend. Benedikt Kristjansson, onthou die naam.
Misschien kwam het wel door zijn innemende verteltrant, misschien ook door het expressieve zingen van solisten en koor – zij zongen alsof zij de zinnen voor het eerst van hun leven voordroegen. Maar misschien kwam het ook door wat ik het afgelopen jaar heb gelezen ten behoeve van het boek over mijn heeroom. Als jonge monnik werd mijn oom steeds maar weer getrokken naar het lijdensverhaal in het evangelie van Johannes. Als hij in een stil hoekje van de kerk de eerste zinnen gelezen had, hoefde hij niet verder te lezen. Hij ging in gedachten mee met Jezus en voelde diens angst en hij vroeg zich af, of hij in zo’n situatie de beker zou drinken, die de vader hem gegeven heeft.
Waar het ook door kwam, dit jaar drong de tekst van het passieverhaal veel meer dan anders tot mij door. Toen gebeurde er iets wonderlijks. Nadat Pilatus weer eens uit zijn Richthaus tevoorschijn was gekomen en verklaard had dat hij geen enkele schuld bij Jezus kon ontdekken, was ik plots weer het jonge kind, dat het ontzettend onrechtvaardig vond, dat Jezus terechtgesteld werd. Dat had helemaal niet hoeven te gebeuren! Jezus heeft alleen maar goede werken verricht en dan komt die slapjanus van een Pilatus die zijn handen in onschuld wast en zich overlevert aan de onderbuik van het volk, dat nog liever een moordenaar vrijlaat! Wie had dat in de week van het debat over Michael P. kunnen denken.
Mijn kinderlijke opwinding had natuurlijk geen enkel nut. Jezus antwoordde al lang niet meer. Hij gaf zich zonder verzet over omdat zijn vader dit zo gewild had en omdat daarmee de voorspelling van de profeet vervuld werd. De plot was allang beschreven.
Sein Blut komme über uns und uns’re Kinder zingen de joden en zo wortelt in dit verhaal ook nog eens het antisemitisme dat jarenlang binnen de katholieke kerk gewoon was. Het wachten is op de politiek correcte actiegroep die de Matthäus wil verbieden.
De kracht van de muziek overwint echter alles.
Hierbij nog een tip voor een schitterende Johannes onder leiding van Peter Dijkstra.

1

ZOEKEN NAAR VOOROUDERS

Herinnering

De boerderij in Maarssenbroek waar mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk woonde (links, met de witte schort)

In het tv-programma Verborgen Verleden gaan Bekende Nederlanders op zoek naar hun familiegeschiedenis. Ze vinden onbekende voorouders en verrassende verhalen. Er komt ook nog al eens een Bekende Vaderlander in de stamboom voor.
Omdat mijn vader wellicht al aanvoelde, dat wij geen Bekende Nederlanders zouden worden heeft hij meer dan zestig jaar geleden dit speurwerk voor ons verricht. Na de zaterdagse arbeid (er was toen nog een 44-urige werkweek) verruilde hij het archief van Douwe Egberts voor gemeentelijke en kerkelijke archieven in Utrecht en omstreken. Daar moet hij uren hebben zitten spitten in kaartenbakken en doopregisters. Het resultaat was een indrukwekkende stamboom waarvan sommige takken tot in de 16e eeuw doorlopen.
Onder mijn voorouders bevinden zich veehouders, landmannen en boeren uit de buurt van Utrecht, maar ook smeden, sluiswachters en wagenmakers. Vooral naamloze zelfstandigen, al wordt er een enkele schepen vermeld.
Een overgrootmoeder van mijn moeder heette Hillegonda Muis. Met haar komt zowaar een Bekende Vaderlander onze stamboom binnen. Mijn vader twijfelde er niet aan, dat Hillegonda een ver familielid was van ene Cornelis Muis of Musius. Deze was rector van een klooster in Delft en bevriend met Willem van Oranje. Cornelis is in 1572 in Leiden door de Geuzen opgehangen, zonder nakomelingen, mag je aannemen. Cornelis Musius heeft een vermelding in de Wikipedia.
‘Tenslotte zij nog vermeld dat alle gevonden voorouders katholiek waren’, schrijft mijn vader er in 1952 ter geruststelling bij. Hij had nog wel meer willen uitzoeken, maar het kostte zoveel tijd. Daarom hoopte hij dat een ander zijn werk zou willen voortzetten.

Boerderij de Tureluur aan de Thematerweg in Vleuten. Hier heeft mijn betovergrootvader Matthijs den Hertog gewoond.

Dat gebeurde. Af en toe kwam er wel eens een onbekende meneer aan de deur, die nog wat namen aan de boom kon toevoegen. Sinds ik op deze website met de genealogische veren van mijn vader kan pronken, heb ik een enkele keer contact met zo’n familieonderzoeker. Net als met vissers en vogelaars zijn het uiterst gedreven mannen die hun complete vrije tijd aan hun hobby besteden en er niet voor terugschrikken om nachtenlang door te zoeken. Ikzelf ben meer in het verhaal achter de mensen geïnteresseerd. Maar uit die enkele keer dat ik in bevolkingsregisters gedoken ben, kan ik me iets voorstellen van de drijfveren van stamboomvorsers. Wie na urenlang zoeken een ontbrekende connectie vindt is minstens zo gelukkig als de vogelaar die een onbekende vogel waarneemt of de visser die een flinke vis uit het water haalt.
Onlangs nog was er nog een ver familielid bij mij op bezoek, een wandelende encyclopedie die feilloos uit zijn hoofd kon reproduceren welke familie in welke periode op welke boerderij in Tull en ’t Waal, Montfoort of waar ook in de omgeving van Utrecht had gewoond en hoe de verschillende families met elkaar verbonden waren. Uit zijn verhalen werd duidelijk hoe de uitdrukking Van een bruiloft, komt een bruiloft is ontstaan. Mensen huwden vroeger binnen dezelfde stand, dezelfde regio en dezelfde geloofsgemeenschap. Een soort regionale inteelt. Zo leerde ik dat er tussen de familie van mijn vader en de familie van mijn moeder nog veel meer lijntjes lopen dan alleen die in 1943 vastgelegde verbinding, waaruit ik voortgekomen ben.

1

BUT NOW THE DAYS ARE SHORT

Dagelijks

Fietsend door de stad, komt mij een onbekende jongen van een jaar of veertien tegemoet. Onze blikken kruisen elkaar. In zijn gezicht vallen de trekken van het kind op dat hij geweest is, maar ook de aankondiging van de man die hij zal worden. Als ik hem voorbij ben, gaan mijn gedachten door. Ik stel me voor hoe de jongen er op middelbare leeftijd uit zal zien en aan het einde van zijn leven.
Het omgekeerde gebeurt ook. Dan zie ik een oudere vrouw van tegen de tachtig. Ze heeft een hard en rimpelig gezicht. Ik zie haar op haar dertigste met een kind achterop of op haar twintigste uitdagend lachend naar een jongeman.
Het zijn gedachten over veranderingen die zich in een leven voordoen, als een film die een leven in een hoog tempo afwerkt. Het lijkt wel of dit soort gedachten mij vaker overkomen. Het zegt ongetwijfeld iets over mij. En het kan bijna niet anders, dan dat het ook iets over mijn leeftijd zegt. Het is niet voor niets dat ik hier op deze plaats regelmatig herinneringen ophaal.
Die jongen van veertien heeft nog niet zoveel te overzien. Hij heeft vooral veel te willen, te dromen en te leren. Als je 66 bent, zoals ik, dan ligt dat – laat ik het voorzichtig formuleren – anders. Ik wil nog genoeg, maar ik weet ook dat ik geen circusartiest meer zal worden die in een strak pakje boven de piste hangt.

Sinds het boek van Douwe Draaisma weten we dat de tijd sneller gaat als je ouder wordt. Want wat is nog een jaar als je er al zeventig hebt versleten? Bovendien, als je veel nieuwe dingen beleeft – zoals dat voor kinderen geldt – dan duurt de tijd gevoelsmatig langer.
But now the days are short
I’m in the autumn of the year
zong Frank Sinatra.
De beleving van de tijd gedurende het leven kan je vergelijken met de beleving tijdens een vakantie van drie weken. In de eerste week heb je het idee, dat er nog zeeën van vakantietijd volgen. In de tweede geniet je gewoon van alles wat je meemaakt en ben je in de derde week beland dan komen er snel gedachten over het naderende einde van al dat moois.
Ik ben in de derde week van mijn leven beland. Maar ik wil niet steeds over mijn voorbije leven dromen. Heb ik na negentien dagen vakantie nog twee resterende dagen voor de boeg, dan denk ik: ik sta aan het begin van een prachtig weekend met tal van mogelijkheden. Wat voor leuks zullen we eens gaan doen? Ik heb het zelf in de hand. Als ik nieuwe dingen beleef gaat de tijd immers langzamer.
Tenminste, zo wil mijn verstand het zien. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat dit niet altijd lukt. Soms overheerst het gevoel en laat ik me meevoeren, bijvoorbeeld met de melancholie van Willem Wilmink:
Soms was de nacht zo wonderschoon
Dat hij de ochtend kon verdragen
Bij meisjes uit vervlogen dagen
Die wij niet meer weten te wonen.

2

FATSOENLIJK NIEUWS

In het nieuws

Het lijkt door alle ophef over de verkiezingen alweer lang geleden. Het lawaai van rondcirkelende helikopters en politiesirenes overstemde maandag in Utrecht de piepjes van de smartphone met het volgende nieuwsbericht. Een afrekening in het criminele milieu, was mijn eerste gedachte. Ongeloof. Dat er een terreuraanslag in mijn eigen stad had plaatsgevonden wilde ik vooralsnog niet aannemen.
Net toen ik op het punt stond om de deur uit te gaan, kwam het advies van de burgemeester om binnen te blijven. Er waren geruchten dat er gevaar dreigde op de Maliebaan, vlak bij ons huis. Het werd erg stil op straat.
Natuurlijk wilde ik meer weten, iedereen wilde meer weten. Ik volgde het liveblog op de site van de NOS en stemde af op Radio 1. Dat lijken me fatsoenlijke media. Of niet?
Tot laat in de middag overheersen de geruchten de feiten. En dus begint het Grote Speculeren. Allerlei deskundigen zijn ingehuurd om hun mening te geven over wat er aan de hand kan zijn. Over de handelwijzen van de hulpdiensten wordt druk gediscussieerd. Buurtbewoners en kennissen van de schutter doen hun verhaal, maar feitelijk is er nog weinig te melden.
Is het dan niet een taak van de journalist om dit te zeggen? ‘We zouden u graag meer vertellen, maar we hebben nog onvoldoende feiten. Dus we gaan over naar het overige nieuws’. Emoties zijn er al genoeg. Mag het in de media een onsje minder?

De politieke partijen stoppen hun campagnes. Verspreiding van politieke boodschappen op zo’n dag lijkt niet kies. Eén partij wil niet daaraan meedoen. Het lijkt me relevant, dat de media melden welke partij dit is. Dat doet Nieuwsuur ook, maar vervolgens laten zij beelden zien van een partijbijeenkomst van de zelfverklaarde Messias en laten ze horen welke duiding hij aan de aanslag geeft. Onder het mom van ‘onze kijkers hebben hier behoefte aan’ wordt de zorgvuldige campagnestop van de andere partijen doorbroken en kiezen ze de kant van de partij die niet het fatsoen op kan brengen om te zwijgen. Is dit naïviteit of onfatsoen van de journalist?
Zo lopen veel media al jarenlang achter Wilders aan. Hij schuwt de emotie niet en vertolkt de gevoelens van sommige mensen. Dus dat is ‘nieuws’. Op welke markt Wilders zich ook vertoont, de cameraploegen, microfoons en notitieblokken overtreffen het aantal aanhangers, ook al verkondigt hij al jarenlang dezelfde boodschap en is er allang geen sprake meer van nieuws . En dan beweren de populisten nog, dat er in Hilversum alleen maar linkse journalisten zitten die nepnieuws verkopen.

Dinsdag besluiten de politieke partijen tot een beheerste voortzetting van de campagne. De NOS laat daarom het geplande verkiezingsdebat doorgaan. Over van alles rond zo’n uitzending wordt uitgebreid onderhandeld. Waarom maakt de NOS, het is tenslotte hún programma, geen afspraken over het achterwege laten van politieke boodschappen over de aanslag, om te voorkomen dat er politieke slaatjes uit deze gebeurtenis worden geslagen?
Ik weet het: don’t blame the messenger. Het zijn Wilders en Baudet die de bedenkelijke meningen verkondingen, niet de journalisten. Ik ben ook niet voor een boycot of censuur. Maar kan het een onsje minder en een onsje fatsoenlijker? Zeker als het gaat om politici die niet thuis geven aan de onderhandelingstafel, maar alleen opbloeien als de camera’s gaan draaien.

1

DE EERSTE AUTO

Herinnering

Begin jaren zestig vond mijn vader dat hij niet kon achterblijven bij zijn collega’s van D.E., die zich door de toegenomen welvaart een auto konden veroorloven en daarmee naar het werk kwamen. Het werd een DAF Daffodil, beroemd geworden om zijn variomatic transmissie, bijgenaamd het pientere pookje. De auto die ook toen al met een verkleinwoord werd aangeduid was niet de auto waarvan ik als 11-jarige droomde, maar alles was beter dan de Solex waarop mijn vader, gestoken in een leren jas die tot op zijn enkels viel, naar kantoor reed.
Zoals mijn vader ons regelmatig maande om onze fiets schoon te maken, zo verdiende ook dit wonder op wielen de best mogelijke bescherming. De oude houten schuur werd afgebroken en daarvoor in de plaats verrees achter ons huis een moderne stenen garage, ‘bij elkaar gespaard met D.E.-koffiepunten’, grapte een vriend van zijn kaartclub.
Je kwam bij de garage via een grindpad dat tussen het huis en de bessenbomen liep en net breed genoeg was voor een auto. Vanaf de weg was er aan het begin van het pad een flinke bocht en aan het einde was er nog een kleine kromming. Vlak voor de garage was het pad versterkt met enkele grote rode tegels. Het liep daar licht schuin omhoog, zodat een dotje gas extra nodig was om de Daf binnen te rijden; onbelangrijke details, ware het niet, dat omkeren op deze route onmogelijk was, zodat de rit over het grindpad tenminste éénmaal in de achteruitmodus afgelegd diende te worden. Dat vereiste enige stuurkunst.
Op het einde van een middag was ik op mijn eentje achter het huis aan het voetballen. Ik telde het aantal malen, dat ik de bal hoog kon houden, als speler van DOS, Ajax, Feyenoord enz. Zo werkte ik hele competities af. Nauwkeurig hield ik mijn persoonlijke record bij. Terwijl ik geconcentreerd bezig was, hoorde ik het vertrouwde geluid van de overdekte bromfiets uiterst traag over het grindpad naderen. In zijn achteruit, wist ik.
Even later zag ik in mijn ooghoeken het beige wagentje langzaam voorbijschuiven, mijn vader in opperste concentratie stijf achterom kijkend om zijn aanwinst veilig tussen de garagedeuren te loodsen. Ik was zo fanatiek bezig met de bal, dat het even duurde voordat het geluid dat ik hoorde tot mij doordrong: een harde klap en brekend glas. Ik vloog naar de garage en zag dat de glimmende auto binnen tegen de achterwand tot stilstand was gekomen. Aan één zijde lag het achterlicht in diggelen. Glanzende rode, oranje en witte scherven lagen als een mozaïek op de grijze garagevloer. Mijn vader stond erbij en keek erna. Hij was het toppunt van hulpeloosheid.
Ik barstte in een onbedaarlijke huilbui uit. Onze nieuwe auto was kapot. Ik vroeg me af, of dat wel weer goed zou komen. Ik keek naar mijn vader. Die stond daar maar en zei niets. De schaamte om mijn vader won het al snel van het verdriet om de beschadigde auto. Ik huilde omdat ik hem onhandig vond. Omdat ik een stoere vader miste.

0

KATHOLIEKE ONTSPANNING

Dagelijks

De kapel in Steinfeld

Het boek dat ik schrijf over mijn heeroom bracht mij onlangs naar de Benediktinerinnen in Steinfeld. (In Duitsland hebben de benedictinessen nog een lettergreep extra). Begin zeventiger jaren woonde mijn oom bij de trappistinnen in het Duitse Dahlem. De lezingen die hij daar gaf maakten zoveel indruk, dat hij al snel uitnodigingen ontving uit tal van kloosters in Duitsland. Zo kwam hij tweemaal per jaar in Steinfeld. Er wonen daar nog steeds enkele zusters die mijn oom hebben gekend. Dat soort zusters heb je niet veel meer. Dus ik greep mijn kans.
Omdat mijn vermogen om oude, Duitstalige nonnen te verstaan niet erg sterk is ontwikkeld, had ik G gevraagd mij te vergezellen. Een vergissing is snel gemaakt, weten wij. Jaren geleden huurden wij een vakantiehuis in Slovenië. Toen de Duits sprekende verhuurder aanklopte, wilde G een verklaring geven voor mijn afwezigheid op dat moment: ‘Mein Mann is heute im WC’. Het ontbrak er nog maar aan, dat zij eraan toevoegde: ‘Bitte, kommen Sie morgen zurück’.

We worden hartelijk ontvangen. De abdis begeleidt ons naar een ontvangstkamer, waar een tafel wacht met koffie, bronwater, taarten, koekjes en andere Süssigkeiten. Het is niet in overeenstemming met de ascetische leefwijze volgens de regel van Benedictus. De twee zusters die zich daarna bij ons voegen laten het lekkers dan ook staan. De zusters zijn in vol ornaat, een zwarte sluier over het hoofd en daaronder een witte doek die alleen het gezicht vrijlaat. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie, al meer dan vijftig jaar geleden, bieden de kledingvoorschriften voor religieuzen meer vrijheid. Hier kiest men voor traditioneel.

Benedictinessen in Dinklage. Ook hier gaf mijn oom regelmatig retraites

Mijn lijst met vragen hoef ik niet af te werken. De zusters vertellen uit zichzelf, hun Duits is goed te volgen. De sfeer is zoals ik die vaker in kloosters heb meegemaakt: blij, vriendelijk en ontspannen. Een grapje hier, een overdrijving daar en vaak lachen. Het is het tegendeel van de ernst en devotie waarmee men de overige uren van de dag leeft.
Zo zegt een van de zusters lachend, dat zij onder de voordrachten van mijn oom altijd in slaap viel. Zij heeft echter genoeg meegemaakt om mijn oom met talrijke complimenten te beschrijven. Hij werd in Steinfeld op handen gedragen.
Ook in kloosters komen gevoelens van hartstocht en verliefdheid voor. Maar dat blijft onder de pet (de kap). Begin jaren veertig was mijn oom biechtvader voor de trappistinnen in Berkel-Enschot. Zijn biechtstoel werd de gehele dag belegerd door zusters die hem wilden spreken. ‘Als u niet oppast met die vrouwtjes’, zei zijn abt, ‘zullen ze u de hele dag in de biechtstoel houden en dat niet alleen, ze zullen u ’s nachts ook nog naar de biechtstoel roepen’.
Het is een thema, waarop ik zou willen doorvragen, maar dat kan niet in dit gesprek.

Loslaten en accepteren, dat waren thema’s waarover mijn oom vaak sprak. Het lijkt op een katholieke versie van wat wij tegenwoordig mindfulness noemen: door je emoties, je eisen, je oordelen te laten varen kom je tot innerlijke rust. Voor mijn oom betekende dit dat je in contact kwam met god.

0

DUURZAAM BEZIG

Dagelijks

Onze waterkoker heeft een deksel die bestaat uit twee delen. Het zou mij nooit opgevallen zijn als de twee stukken laatst niet van elkaar zouden zijn losgeraakt. Ik hoorde een onbekend geluid en zag een stuk zwart plastic vrolijk bubbelen in het kokende water. Hevige kalkaanslag bleek de oorzaak van de breuk.
Dus toen de thee gezet was ben ik met schuursponsjes, botte mesjes en vijlen die bruine aanslag te lijf gegaan. Dat kostte wel wat tijd en zweetdruppels. Het aan elkaar lijmen van de twee delen was daarna echter een fluitje van een cent.
‘Zo, je bent lekker duurzaam bezig’, zei G.
‘???’
‘Je zult de mensen de kost moeten geven, die in zo’n geval meteen een nieuwe waterkoker op internet bestellen. Jij beperkt tenminste je CO2-footprint’.
Ik dankte voor het compliment, al moest ik bekennen, dat tijdens het repareren mijn ecologische voetafdruk nog geen moment door mijn hoofd had gespeeld. Ik vind duurzaamheid een van de belangrijkste dingen in het leven, maar ik word wel eens iebel van de continue vertaling van elke handeling in de hoeveelheid CO2-uitstoot. Als ik mijn overhemd een dag langer aanhou, hoeft er minder snel een nieuwe geproduceerd te worden en als ik mijn plas wat langer ophou, dan gebruik ik minder water. Als ik eerder doodga, ben ik de aarde niet meer tot last. Maar daar wilde ik het niet over hebben.

Als er iets kapot gaat, probeer ik het eerst te repareren. Dat vind ik niet meer dan normaal. Helaas valt er niets meer te beginnen met kapotte telefoons of printers, maar hangt er een zool van mijn schoen los, dan zet ik beide delen 25 minuten in de bison kit en klem de helften met lijmtangen en wasknijpers bij elkaar. Ik maak gebruikte verfkwasten schoon. En zit er een gat in mijn broek, dan ga ik met naald en draad aan het werk (al kost het me tegenwoordig grote moeite om de draad door dat verdomde oog te krijgen).
Wat nog functioneert doen we niet weg. Zo koken wij sinds 1985 op een Etna fornuis, dat toen al na een lang leven in de Hoekse Waard als afdankertje uit de deur was gedaan. Ons topstuk op dit gebied is bijgaande pan. Deze werd begin zeventiger jaren door een vriendin van G uit een container gevist en is na wat omzwervingen in onze keuken beland. De deksel vertoont al jaren enige sporen van roestvorming, maar de maaltijdsoep of de spinazie uit deze pan smaakt nog altijd prima.
Uitzonderingen op mijn zuinigheid zijn er overigens ook, moet ik bekennen.
Zo heb ik laatst, terwijl onze kasten uitpuilen van de balpennen van firma’s die hun naam bekendheid willen geven, voor 58 euro’s een fijne vulpen gekocht. En terwijl er in Nederland ook aardige zangcursussen te volgen zijn, kies ik toch voor een nog leukere in Italië. Ik wil niet weten hoeveel extra CO2 ik daarmee uitstoot.
Maar goed, af en toe mag ik wel eens zondigen, vind ik.
Dat zal vast wel een katholieke gedachte zijn.

1

INSLAPEN

Reizen

Als we naar bed gaan, zet ik de deur naar het balkon wagenwijd open, voor even. Liggend in het donker voel ik de vrieslucht naar binnen trekken, een mengeling van geuren meevoerend: van houtvuur, koeienmest en vochtig gras. Flauw lantaarnlicht legt een streep op de muur van onze hotelkamer. De koude lucht brengt niets dan stilte mee. Er is weer een dag voorbij.
Deze middag wandelden we met zijn tweeën hoog in het Ellmautal in een wijds wit winterlandschap. Verspreid over de hellingen zagen we grote boerderijen, verbonden door diagonaal lopende wegen. Het land lag ingepakt onder een dikke laag sneeuw. Hoe winters ook, het voorjaar kondigde zich aan. De zon scheen overvloedig, de temperatuur reikte naar de 10 graden. Een klein stroompje gesmolten sneeuwwater zocht zijn weg langs ons pad omlaag, puttertjes vlogen kirrend achter elkaar aan, een hoop sneeuw was van de helling op de weg gegleden, een Madurodamse lawine. Het hoge geluid van een cirkelzaag verbrak de witte stilte. Bij een boerderij werd een koe schoongespoten door de boer.
Wegen Lawinengefahr gesperrt lazen we op een bord langs ons pad. Ik kon me in deze vredige ambiance geen levensbedreigend gevaar voorstellen. We weifelden. Toen zagen we een oud bankje, recht tegenover de zon, een mooie Einkehrmöglichkeit. We laafden ons aan de zon en de schittering van het landschap. Een geborgen wereld, traditioneel, conservatief.

Ik zak langzaam weg in een halfslaap. Tussen de beelden van het Ellmautal dringen zich skibewegingen. Draai naar links, draai naar rechts. De vreugde van een kind op een sleetje. De bewegingen in het onderbewuste gaan maar door, tegen mijn zin. Er zit een angst onder, dat ik de controle verlies. Links, rechts, links, rechts. Een besef, dat er nog iets moet gebeuren, maakt me weer wakker. De frisse lucht, de wijd openstaande deur. Ik wip uit bed om de deur vast te zetten op een kier.

Hotel Alte Post, Grossarl, Salzburgerland

‘Heeft u nog moeite om aan personeel te komen?’, vroeg iemand van onze groep aan Toni. We hadden drie uur lang achter de baas van ons hotel door de tiefschnee geploegd en zaten bij te komen in een veel te warme Bauernstüberl. Toni is een man van in de zeventig die het traditionele Gasthof Alte Post in Grossarl heeft uitgebouwd tot een warm familiehotel met Hallenbad en sauna. Het grote kruisbeeld in de hoek van de Speisesaal is gehandhaafd. Wir zeigen euch die Berge is de leus. Nu Toni zijn zaak heeft overgedaan aan zoon Toni jr. trekt hij 150 maal per jaar met een groep de bergen in.
‘Het wordt steeds lastiger om medewerkers te vinden’, zegt Toni, zijn rood aangelopen hoofd vlak boven zijn bord met Würstlsuppe. ‘Ze willen tegenwoordig allemaal studeren’, klinkt het wat misnoegd.
Als jullie in Oostenrijk de grenzen niet zo hermetisch zouden afsluiten, is het probleem opgelost, komt er bij mij op. Maar ik hou mijn mond.
Vroeg in de ochtend zal ik de balkondeur helemaal dichtdoen. Elke morgen om zes uur nodigt de klok van de kerk direct naast Alte Post het dorp uit om de vroegmis te bezoeken. Drie series van tien klokslagen. Alsof er naast je bed iemand met een schoolbel staat. Een geborgen wereld.

3

OPENBAAR VERDRIET

Dagelijks

In Den Bosch neem ik de intercity naar Utrecht. Terwijl ik mij installeer stapt er een man van een jaar of veertig de coupé binnen. Hij heeft donker haar en ziet er goed gekleed uit. Hij gaat aan de andere kant van het gangpad tegenover mij zitten.
De volle trein zet zich langzaam in beweging. Sommige reizigers staren op hun smartphone, andere zitten te kletsen. Een stel jongeren doet allebei. Terwijl de wagon ons heen en weer schudt op de brug over de Maas, strek ik mijn been om mijn smartphone uit mijn broekzak op te diepen.
Mijn blik glijdt even naar links en vangt het gezicht van de man met het donkere haar. Verschrikt kijk ik direct weg. Heb ik het goed gezien?
Ik wil de man niet aanstaren. Ik zou niet willen, dat hij ziet dat ik naar hem kijk. Maar ik kan het niet laten om na te gaan of het klopt wat ik zag.
Het is waar. De man huilt. Zonder geluid biggelen er tranen uit zijn roodomrande ogen over zijn wangen. Hij zit kaarsrecht en kijkt voor zich uit. Zijn gezicht is een en al verdriet, zijn armen liggen rustig langs zijn lijf. De man doet geen enkele poging zijn emotie te verbergen, hier in deze volle trein, die langs de boomgaarden van de Bommelerwaard raast. Bijna fier houdt hij zijn betraande hoofd zichtbaar overeind. Het lijkt of hij zich afgesloten heeft van zijn omgeving en teruggetrokken in zijn eigen wereld het verdriet de vrije teugels laat.
Liefdesverdriet, het overlijden van zijn moeder, ontslag? Mijn gedachten zijn al op zoek naar een reden, iets heftigs wat aanleiding geeft tot groot verdriet, iets wat dit openbare huilen van een man kan rechtvaardigen. Ik voel sympathie voor deze man. Hij heeft lef. Ik huil ook wel eens, maar niet zo gemakkelijk als er anderen bij zijn. In deze trein zou ik mijn handen voor mijn gezicht houden. Of de wc opzoeken.
Maar een man mag niet huilen
Ook al heeft hij verdriet
Een man mag niet huilen
Als een ander het ziet
Wat Jacques Herb in 1972 zong wordt tegenwoordig door de meeste mensen niet meer onderschreven. Desondanks huilen mannen beduidend minder dan vrouwen. Huilende mensen worden als minder competent gezien, maar ook als warmer en meer betrouwbaar, zo heeft Ad Vingerhoets, de huilexpert van de universiteit in Tilburg, ontdekt. Vrouwen vinden huilende mannen vaak aandoenlijk. Behalve als zij, bijvoorbeeld in een conflictsituatie, het idee hebben dat de man zijn tranen inzet om iets te bereiken.
Ook bij mij wekt deze huilende man empathie op. Moet ik iets doen, vraag ik me af. Kan ik hem mijn meeleven, mijn hulp aanbieden? Zo snel als de vraag is opgekomen, zo snel laat ik ‘em weer varen. De volle trein houdt me tegen. Ik zoek het nieuws op mijn smartphone.
Als ik uitstap ziet de man er uit alsof er niets is gebeurd. De tranen zijn verdampt. Het leed gaat weer keurig aangekleed over straat. Dat werd gezongen door Herman van Veen.