Schrijven, Lezen, Leven.
0

THE VOICE OF SAND AND GLUE

In het nieuws, Muziek

Ik leerde zijn muziek kennen via een Franse omweg. Franse muziek was destijds bij ons thuis dominant. Jacques Brel, Gilbert Bécaud, Françoise Hardy. Mijn oudere broer had een bandrecorder, waarop La fille du Nord van Hughes Aufray voorbijkwam. Hoewel ik de tekst niet goed kon volgen werd ik meteen gegrepen door het heimwee en het verlangen, wat uit de getokkelde gitaar tevoorschijn kwam. Toen ik later het origineel van Bob Dylan hoorde vond ik dat lelijk, vanwege het knauwende Amerikaans en ‘the voice of sand and glue’, zoals David Bowie de stem van Dylan ooit betitelde. Toch vind ik het nog steeds een van de mooiste Dylannummers, al zal hij niet vanwege deze tekst de Nobelprijs ontvangen hebben.
In de jaren die volgden was Dylan voor mij een popmuzikant die af en toe in de top 40 stond. Mijn godsdienstleraar op de middelbare school vond Blowing in the Wind zo’n prachtig lied. Dat vond ik niet passend, leraren moesten van de popmuziek afblijven. Dat  Blowing in the Wind later terug kwam in beatmissen kon ik evenmin waarderen. Het leek een Amerikaanse remake van Ik zou wel eens willen weten van Jules de Corte.

Enige jaren geleden heb ik in een opwelling een cassette met Dylan’s muziek uit de 60-er jaren gekocht. Ik veer op als ik een nummer hoor als It’s all over now, baby blue of All I really want to do. Het is de nostalgie naar de jaren van verandering, de jaren dat ik leerde op eigen benen te staan, zonder af te gaan op de bandrecorder van mijn broer.
Toch luister ik weinig naar de Dylan-cd’s. Hoe komt dat?

Ik ben op de eerste plaats muzikaal ingesteld. Bij Dylan hoor je vooral lappen tekst. Een waterval van woorden, litanieën waarin de ene associatie de andere lijkt op te roepen. Zie bijvoorbeeld Mr. Tambourine man .
Is het poëzie, is het de Nobelprijs waard? Ik zou het niet weten, ik ben een leek in de poëzie en nog meer in de Dylanologie.
Omdat ik niet aangesproken word door de tekst, rest de muziek. Die vind ik vaak weinig opwindend tot regelrecht saai. Na twee 2 coupletten lijkt het mij muzikaal gezien de tijd om af te ronden, da capo al fine, op naar het volgende stuk. Dylan gaat dan echter nog acht lange coupletten door in hetzelfde eenvoudige akkoordenschema. Hij braakt en spuugt zijn teksten uit alsof hij er graag van af wil, maar er steeds weer nieuwe woorden opwellen. It’s a hard rain that’s  gonna  fall. Ik begrijp wel waarom Patti Smith zaterdag bij de uitreiking van de Nobelprijs de tekst kwijt was.

Wat mij nu nog het meest bevalt zijn de stukken waarop Dylan zichzelf op akoestische gitaar begeleidt, de mondharmonica op de houder vlak voor zijn lippen, klaar om een hartverscheurend intro te blazen of om de rauw gezongen regels nog eens met de harmonica te herhalen, onder extra harde klappen op zijn  gitaar. Dat is eigenlijk toch veel mooier dan de violen die Hughes Aufray achter zijn cover plakte.

5

MIJN EERSTE KLANT

Herinnering

De oude man heeft zijn jas open geknoopt. Zijn pet ligt voor hem op het tweedehands salontafeltje. Hij zit op de rand van de fauteuil, alsof hij elk moment weer wil opstappen. Door het hoge raam valt  zonlicht op een fris uitziende plant.
De man vertelt, dat hij in de Molenkruier gelezen heeft over de opening van ons centrum. Dat iedereen binnen kan komen lopen voor een gesprekje.
Hij wil graag iets vertellen.

Ik behoor tot een groep studenten, die vanuit de Vakgroep Klinische Psychologie een centrum in Nieuwegein hebben opgezet, De Aanloop. We bieden laagdrempelige psychologische hulp in de wijk. Het is het midden van de jaren zeventig, alles moet anders. Dus we willen een verband leggen tussen de problemen van het individu en zijn omgeving: het sociale netwerk, de woonomstandigheden, de man-vrouwverhoudingen. Bewoners kunnen binnen lopen voor een praatje, een kopje koffie of om een tijdschrift in te zien.

‘Ik wil iets vertellen over lang geleden’, begint mijn eerste klant, ‘toen ik nog een jongeman was’.
Vanuit mijn fauteuil knik ik hem bemoedigend toe. Ik probeer een ontspannen houding te vinden. Ik heb het erg warm.
Op een dorpsfeest had hij een aardige vrouw ontmoet. Ze waren met zijn tweeën gaan wandelen, weg uit het feestgedruis, het dorp uit, over stille landwegen. Ze hadden uren gesproken met elkaar en waren gaan liggen in een grasberm. Toen de duisternis was ingevallen, hadden zij  – op dit punt aarzelt de man enkele ogenblikken  – de liefde bedreven.
Ik knik hem nogmaals toe, uiterlijk kalm, maar in mijn hoofd ben ik koortsachtig op zoek naar waar dit verhaal naar toe gaat en hoe ik moet reageren.
We hebben ons goed voorbereid op de hulpverlening. We hebben niet alleen stapels literatuur bediscussieerd over de relatie tussen psychische problemen en maatschappelijke omstandigheden. We hebben ook geoefend met het bespreken van angsten, relatieproblemen, en sombere gevoelens.
De man kijkt mij kalm, maar indringend aan.
‘Dat was de mooiste nacht, die ik ooit heb meegemaakt’, zegt hij op bijna fluisterende toon.

Twee medewerkers van de Aanloop

Hij voegt eraan toe, dat hij nooit getrouwd geweest is en dat het dus bij die ene nacht gebleven is. Maar dat hij nog altijd, ook nu, warm wordt bij de herinnering aan het samenzijn met die vrouw.
Wat moet ik hiermee, flitst er door mijn hoofd. Ik ben op zoek naar een probleem dat ik kan analyseren, maar dat heb ik nog niet ontdekt. Ik voel medelijden opkomen en moet de gedachte onderdrukken dat ik zelf al zoveel meer ervaring heb met mooie nachten.
Zoekend naar woorden geef ik een samenvatting van wat de man verteld heeft. Dat is een van de gesprekstechnieken, die we geleerd hebben. Die kan je inzetten om te toetsen of je het goed begrepen hebt. Samenvatten is ook een uitnodiging aan de cliënt om verder te vertellen.Dat doet deze man dan ook. Zonder een spoor van berouw, spijt of een ander negatief gevoel, vertelt hij nog eens over die aardige vrouw en het samenzijn op de landweg.

Wat brengt hem er toe om hier nu zijn verhaal te vertellen, vraag ik mij af?
Terwijl ik nog zit te broeden op een goede formulering van deze vraag, geeft de man zelf al het antwoord. Het is een gebeurtenis van jaren geleden en hij is nu op leeftijd. Hij heeft er heel zijn leven lang over willen vertellen, maar het nooit aangedurfd. Niet één keer. Tegen niemand. Daarom is hij blij dat hij het nu een keer heeft kunnen vertellen.
Hij bedankt mij voor mijn aandacht, pakt zijn pet, geeft mij een hand en loopt de deur uit.
‘En hoe ging het?’, vragen mijn collega’s als ik beduusd en met zweetplekken onder mijn oksels de spreekkamer uitkom.

0

DE VERMALEDIJDE MANAGER

In het nieuws

Het zijn onzekere tijden. Naast de allochtonen, de politici en de elite is er nog een categorie mensen naar wie de beschuldigende vinger uitgaat: de manager en zeker de manager in de publieke sector, zoals het onderwijs, de zorg en de politie.
managerEr zijn er veel te veel van en wat hun werk opbrengt is omgekeerd evenredig aan wat zij kosten. Ze leggen de knoet over de werkvloer door de normen steeds hoger op te schroeven, terwijl ze de ballen verstand hebben van het werk. Ze spreken alleen maar over marktaandeel en break-even point. Ze zijn er niet vies van om met cijfers te sjoemelen als zij daarmee hun status kunnen verhogen.
De manager, kortom, staat voor alles wat het gewone werkvolk verfoeilijk vindt. Als je manager bent, kan je dat tegenwoordig maar beter niet op een verjaardag vertellen. Misschien kunnen we beter de omschrijving ‘werknemer met een leidinggevende achtergrond’ invoeren. Ik durf hier nog net te schrijven, dat ik een deel van mijn werkend leven manager ben geweest in de zorg. Om die reden voel ik mij geroepen om bovenstaand beeld te nuanceren, een beetje althans.

1.    In de 2e helft van de 20e eeuw was de teamleider een vakman die alles van het werk wist en een natuurlijk gezag had bij de teamleden. Professionals kenden een behoorlijke mate van vrijheid.
Mooi geregeld zou je zeggen, met de ogen van nu, maar op dat moment was er ook veel kritiek. Een agent bracht minder dan 40% van zijn tijd op straat door. Een therapeut voerde slechts vier gesprekken op een dag. Het was bovendien volstrekt onduidelijk of het bestede geld wel opbracht waarvoor het bedoeld was: meer veiligheid, beter presterende leerlingen, meer behandelde patiënten. De maatschappij eiste meer waar voor de bestede belastingcenten.
Dus ging de financier meekijken. De efficiency kon en ging omhoog. Dat vroeg om een ander soort leidinggeven. Vakbekwame teamleiders haakten af. Ze werden vervangen door nieuwbakken managers geschoold in financieel management en marketing: een onverwacht gevolg van een door de maatschappij gewenste ontwikkeling.

2.    manager-2Zoals wel vaker in hoogoplopende discussie worden alle managers op één hoop gegooid. Bestuurders die speculeren met geld en megalomane gebouwen laten neerzetten hebben de sfeer verpest voor afdelingsleiders die voor hun organisatie en medewerkers het vuur uit de sloffen lopen. Tussen deze twee uitersten bevinden zich nog vele varianten.

3.    Dat er teveel en te dure managers zijn, geldt in ieder geval al lang niet meer voor de zorginstellingen die ik ken. Waar in de vakliteratuur één leider op een team van 10-15 werknemers als ideaal wordt gezien had ik tien jaar geleden al meer dan 50 medewerkers in mijn afdeling. Ik liet heel veel aan de medewerkers over, niet zozeer uit principe, als wel omdat het niet anders kon. En binnen mijn instelling werd een leidinggevende lager ingeschaald dan een vakbekwame therapeut.

Het nieuwe geloof is nu: zelfsturende teams. Nieuw is dat overigens niet, want in de dertiger en zeventiger jaren is met deze organisatievorm ook geëxperimenteerd. Ik geloof er niet zo in, omdat er binnen een roerloos team altijd informele leiders opstaan, die de verantwoordelijkheid nemen zonder formele aansprakelijkheid.
Ik zie de oplossing in minder regels en controle vanuit financiers en een combinatie van leidinggeven en inhoudelijk vakmanschap. En wees aub een beetje aardig op dat feestje voor die werknemer met een leidinggevende achtergrond. Want eigenlijk ben je, zoals een psychiater mij  ooit noemde: een stroman. Deze psychiater is nu zelf de hoogste baas van een van de grootste GGZ-instellingen in Brabant.

0

MET DE AUTO OP STAP

Herinnering

Op een mooie lentemorgen rijd ik met mijn ome Ries in zijn VW-bus door Haarzuilens. Hij slaat een doodlopend gedeelte van de Ockhuizerweg in, een smal weggetje met aan weerszijden sloten. Wij zijn op weg naar een boerderij, naar een van zijn klanten. Ome Ries is smid.

Wanneer ik in de smederij kom, roept hij altijd: ‘Ha, volle neef!’. Als kind sta ik geboeid te kijken hoe hij een vuurrood stuk ijzer uit het vuur haalt om dat met zijn hamer te bewerken. Dan hou ik mijn vingers in mijn oren. Als hij aan het lassen is kijkt hij door een grote zwarte kap met mica ruitjes. Ik kan maar beter niet naar al die vonken kijken, heeft ie gezegd. Dat is niet goed voor mijn ogen.
Ik ben er ook wel eens bij als er buiten een paard beslagen wordt. Dat geeft zo’n weeë, branderige geur. Soms moet mijn ome Do eraan te pas komen om het tegenstribbelende paard in bedwang te houden.
Het leukste van alles is als ik met ome Ries mee mag rijden. De motor van de VW-bus ronkt als ie optrekt. Het stuur ligt horizontaal op de stuurstang die recht uit de laag gelegen bodem komt. De versnellingshendel is een lange ijzeren pook. Beweeg je de richtingaanwijzer dan komt er buiten uit de carrosserie een oranje verlicht balkje tevoorschijn, alsof iemand een te klein armpje uitsteekt.
Ik rij mee met ome Ries naar boeren in de omgeving. Of naar een groothandel in Utrecht. Ome Ries zit altijd op zijn gemak achter het stuur, pratend over van alles en nog wat.
Op een kruispunt in Utrecht moet hij een keer plotseling boven op zijn rem gaan staan, omdat er een auto van rechts komt. De rem werkt uitstekend. Ik vlieg van de zitting af, bijna met mijn hoofd tegen de kleine voorruit.
‘Zo’, zegt ie nonchalant terwijl hij de auto weer start,  ‘die had voorrang’.
Op een ander tochtje zegt hij leunend met zijn armen op het stuur: ‘Auto rijden is geen kunst’. Hij kijkt me glimlachend van opzij aan: ‘dit kan jij net zo goed’.
Zijn kinderen rijden ook, al zijn ze nog jong. Zoon Brord was nog geen vijftien toen hij na een verjaardag enkele gasten naar Utrecht bracht. Hij reed in de koffiebruine Kever, die mijn vader van Douwe Egberts had overgenomen. Ik mocht ook mee. De eerste winterse buien waren net gevallen. Op de rotonde voor de Leidseveer tunnel gleden we naar rechts in plaats van naar links.

Halverwege de Ockhuizerweg komt ons een auto tegemoet. Er is weinig ruimte om te passeren. Ome Ries mindert vaart en rijdt met de rechterwielen door de grassige berm. Bij het passeren wijkt hij nog verder uit naar rechts. De auto helt over en staat nu nagenoeg stil. Als de tegenligger voorbij is en ome Ries weer door wil rijden, slippen de wielen in het gras. De motor slaat af en de auto zakt nog verder de berm in. Het busje hangt nu gevaarlijk schuin boven de sloot. Door het raampje rechts zie ik het heldere water vlakbij mij. Wat mij nog meer benauwt is dat ome Ries langzaam maar onontkoombaar mijn kant op komt glijden en mij met al zijn gewicht strak tegen de deur aan klemt.
‘Ik denk dat we maar beter niet aan jouw kant kunnen uitstappen’, zegt ie met een lachje om zijn mond. Hij trekt zich omhoog naar zijn eigen portier en stapt uit. Ik volg hem. Op het geluid van de buitelende kieviten na is het stil in de polder. Het is een prachtige lentemorgen, het gras is oogstrelend groen.
Ome Ries zit in zijn blauwe overall op zijn knieën op de weg en kijkt met gebogen hoofd onder de auto. Dan gaat ie op weg om hulp te halen. Er komen een tractor, zes boerenarmen en een paar planken aan te pas om de auto weer op de weg te krijgen. Daarna stappen we in en rijden verder alsof er niets gebeurd is.

0

OUDE POPMUZIEK

Muziek

Leonard Cohen

Vroeger gingen popsterren op jonge leeftijd dood, vaak als ze 27 jaar waren, meestal als gevolg van een overdosis drank, drugs of pillen. Of ze verdronken onder niet-opgehelderde omstandigheden in een zwembad. Hun overlijden paste goed in de popcultuur, waarin ze groot waren geworden: die was anders, rebels, tegendraads.
De laatste jaren maken we het overlijden mee van popmuzikanten die hun 70e of 80e hebben gehaald: David Bowie, Lou Reed en, vorige week, Leonard Cohen. Het heengaan van de popsterren was groot nieuws in alle gevestigde media. De dood van Bowie was het openingsnieuws op de voorpagina van de Volkskrant en Trouw. De Volkskrant wijdde er nog eens een apart  katern aan. Ook de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Bob Dylan kan worden gezien als een teken dat de popmuziek geen randverschijnsel van jongeren meer is, maar een geïntegreerd onderdeel van de hedendaagse Westerse cultuur.
Bowie, Reed en Cohen werden ooit gerekend tot de Underground, muziek die zich afzette tegen de gevestigde orde. In de loop der tijd zijn ze bovengronds gekomen en geaccepteerd, zo blijkt juist op het moment dat zij zelf weer onder de grond zijn gegaan.

Mensen die overlijden worden gewoonlijk opgehemeld. Alsof zij zonder deze loftuitingen niet op eigen kracht de hemel zouden kunnen bereiken. Maar los van dit fenomeen, kan je je afvragen of zoveel aandacht aan het overlijden van gewezen popsterren terecht is. Ingezonden briefschrijvers in Trouw vonden het maar overdreven. Dat roept de vraag op, hoe we de popmuziek uit de vorige eeuw moeten beoordelen. Is die werkelijk zo goed, zoals wij dat veertig jaar geleden ervaren hebben, toen we achter de lp’s aanjoegen om deze op bandjes op te nemen?

De laatste tijd ben ik regelmatig als ongediplomeerd en onbezoldigd huisschilder aan het werk. Dat is alleen een aangenaam tijdverdrijf als ik er ook muziek bij kan horen. Je kunt ook zeggen, dat ik graag muziek luister en er een bezigheid bij zoek, die daarmee goed te combineren is. Tijdens het schuren wil ik ook wel eens iets anders horen dan 17e eeuwse Italiaanse barok.
Het toeval wil dat ik onlangs in mijn kamer op de onderste plank in de kast een plastic tas zag staan. Deze bleek geheel gevuld met cassettebandjes uit de 70-er jaren, mijn jaren van volwassen worden.
Op welke nummers danste ik mijn studentenkamer door? Waarvan lag ik toentertijd te zwijmelen op mijn zelfgetimmerde bankje? En ga ik er nu nog steeds van dansen en zwijmelen, zo vroeg ik me af. Ik nam de bandjes mee naar mijn verfwerkplek. Nu sta ik daar te plamuren met de muziek  van bijvoorbeeld Supertramp, Joe Jackson en Pink Floyd. Zo kan ik nagaan wat er na al die jaren van de muziek overeind blijft.

Mensen vinden muziek geweldig, als deze gekoppeld is aan een sterke emotie zoals verliefdheid of verdriet. En muziek wordt gewaardeerd als het past bij hoe je in het leven staat.
Op de cassettebandjes hoor ik veel adolescenten op zoek naar liefde en identiteit. Ik vind het leuk om terug te horen omdat de muziek mij terugbrengt in de tijd. Maar verder zie ik weinig redenen om bij het overlijden van Bonnie Raitt of Elvis Costello eens flink uit te pakken.
Maar er zijn uitzonderingen. Voor sommige artiesten kunnen de journalisten alvast necrologieën opstellen. Zoals bijvoorbeeld voor Brian Wilson (the Beach Boys), Bruce Springsteen en Randy Newman. Van de laatste hoorde ik deze week de lp Good Old Boys, liedjes over de bekrompen, conservatieve, blanke Amerikaan, die over zijn gewaardeerde Mr. President zingt:
May be you’re cheatin’
May be you’re lyin’
May be you have lost your mind
May be you’re only thinking ‘bout yourself.
Dit schreef Newman in 1974.

0

SOUND THE TRUMPET

In het nieuws

trumpNiets is meer wat het lijkt.
Het gezond verstand en de democratie staan onder druk. Dat geldt niet alleen voor landen als Polen, Hongarije, Turkije en de Filipijnen. Ook in het westen rukt het populisme op. De boze witte mannen zorgden in Engeland voor de overwinning van het Brexit-kamp. Nu hebben ze in Amerika volksmenner Trump op het schild gehesen, de man die als een trompetterende olifant door de porseleinkast dendert.
Hoe heeft dit allemaal kunnen gebeuren?
Dankzij de vergetenen, zoals ze genoemd worden. De ‘niet-gehoorden’. Een heruitgave van De Kleine Man van Louis Davids. Zo’n doodgewone man met een confectiepakkie an. Zo’n man die niks verdragen kan blijft altijd onder Jan.
Een ander woord dat vaak terugkomt in de gesprekken is: de onderbuik. De elite, de politici, de beleidsmakers, de traditionele media: iedereen heeft de onderbuik van de blanke, boze man onderschat. Die is dikker en meer geharnast dan je zou denken. Argumenten, feiten, aperte leugens, immorele opmerkingen, alles ketst af op de gevoelens van onbehagen, van wantrouwen tegen het establishment, van hunkering naar zekerheid in onzekere tijden.
En dus?

De onderbuik is realiteit, je kunt er niet om heen. De partij van het gezonde verstand (waartoe ik mijzelf ook reken) zou meer aandacht moeten hebben voor de gevoelens die onder delen van bevolking leven. Je gaat met elkaar praten, je probeert begrip voor elkaar op te brengen, je wisselt ideeën en gevoelens uit en zo kom je nader tot elkaar.
Dit is echter een gezond-verstand-strategie die niet zo past bij de man die niks verdragen kan. De onderbuik kan geen compromissen sluiten. Dat vind ik nog een van de meest zorgwekkende ontwikkelingen.
roetveegpietDe kloof tussen gezond verstand en onderbuik is zo groot geworden dat op zich kleine discussiepunten niet meer op te lossen zijn.
In de discussie over Zwarte Piet vond ik de roetveeg-Piet een aanvaardbare oplossing. Het ‘volk’ eist echter zonder meer de handhaving van Zwarte Piet.
In de kwestie van het Oekraïne-referendum vind ik de pogingen van de regering om enerzijds recht te doen aan de bezwaren van de nee-stemmers en anderzijds ook rekening te houden met de  grote groep ja-stemmers zo gek nog niet. Populisten doen echter geen water bij de wijn: nee is nee, het ‘volk’ (al is het maar de helft) heeft gesproken. Verwende kinderen houden alleen op met schreeuwen als ze hun zin krijgen.
De compromisgedachte van Rutte was voor de populisten direct aanleiding om via de (a-)sociale media het volk op te roepen om alle partijen te boycotten die overwogen om dit compromis te steunen. En met de verkiezingen in aantocht hield menig politicus zich stil. De ‘niet-gehoorden’ hebben meer invloed dan zij denken.

Om de kloof te verkleinen zal op de eerste plaats de welvaart beter verdeeld moeten worden. De groei van het bruto nationaal product is immers de laatste jaren niet bij de werknemers terecht gekomen. Daarnaast moeten populisten de kans krijgen om verantwoordelijkheid te nemen. Dat betekent in Nederland, gelukkig, dat zij moeten leren om samen te werken en compromissen te sluiten. Ook Trump zal rekening moeten houden met verschillende meningen.
Ik vrees dat  we onrustige tijden tegemoet gaan. Wat valt er verder nog te zeggen? Lang geleden werkte ik in de bouw. Daar werd menige discussie beëindigd met een one-liner, die Trump niet zou misstaan: ach, een olifant heeft toch de langste…

1

SNEEUWWITTE BOEZEM

Muziek

Alessandro Scarlatti

De muziekbundel heeft een donkerbruine kaft. Italian songs of the 18th century, for voice and piano is de titel, in 1954 uitgegeven door International Music Co. in New York.
Er staan liederen in van onder meer Bononcini, Marcello en Caldara, met titels als Begli Occhi en Hai core, o crudele. Liederen over verliefdheid, verlangen, teleurstelling en amoureuze wanhoop. Wat de keuze van hun onderwerp betreft verschillen de 18e eeuwse liedschrijvers niet van onze tijdgenoten.
Mijn zangleraar had voor mij uit deze bundel Nevi Intatte gekozen van Alessandro Scarlatti (1660 – 1725). Alessandro is de vader van Domenico en componist van ontelbare opera’s en oratoria. De tekst van Nevi Intatte (Onaangeroerde Sneeuw) is van een onbekende schrijver.

Nevi intatte, vie di latte, del bel seno del mio ben
Come date, dispietate, a quest’anima il velen

In de partituur is een Engelse vertaling opgenomen:
Untouched whiteness, bearers of milk, of my loved one’s beautiful breast
How can you give, pitilessly, poison to this soul

De zanger bezingt hier twee pagina’s lang de mooie borsten  van zijn geliefde.
Dat vind ik een invoelbare en doodnormale waarneming, maar kom daar in de huidige tijd maar eens om. Terwijl onze cultuur vergeven is van de decolletés en pornografie overal te vinden is, is het tegelijkertijd onbestaanbaar dat een lied over de vrouwelijke boezem verspreid en gezongen zou worden.
Rond 1800 was dat blijkbaar wel mogelijk. Schoonheid en voedende functie worden in één adem genoemd. En borsten worden vergeleken met maagdelijke sneeuw. Dat zouden we in deze tijd van zonaanbidding en solariums anders doen.

In de barok ligt er een accent op menselijke, individuele emoties, op dynamiek en tegenstellingen. In de barokliteratuur worden ‘grote woorden’ gebruikt die nu als overdreven of bombastisch overkomen. Dat zien we ook in dit lied.
Het begint met bewondering en schoonheid, maar halverwege kondigt het woord dispietate al aan dat er iets niet goed zit. Het lied eindigt letterlijk op een venijnige manier met het woord gif, de tegenhanger van de melk uit de eerste zin.
Wat is er gebeurd, vraag je je bij eerste lezing af. Waartoe heeft de sneeuwwitte boezem geleid? De ik-figuur loopt een blauwtje bij zijn geliefde, zoveel is duidelijk. Hij is pijnlijk geraakt. Maar betekent het gif een definitief einde of is er sprake van een fikse ruzie? Moet je als zanger hier een boze of een verdrietige man uithangen? Of een die op emotionele wijze om aandacht vraagt?
Scarlatti gaat in het tweede deel van majeur over op mineur. Hij voegt er dissonante noten in om de pijn te verklanken. De uitgever heeft daar doloroso en pianissimo boven geschreven. Dat is ook een interpretatie.
Tijdens mijn zangles deze week vindt mijn Amerikaans / Nederlandse zangleraar dat ik de klanken teveel push. Het lied moet very delicate gezongen worden. De sneeuw moet intact blijven, ik moet op kousenvoeten lopen.

Ik had hier graag een opname uit mijn zangles willen laten horen. Ik wilde mijn ijverige pogingen om er een gevoelige uitvoering van te maken delen. Het lukt mij echter niet het bestand te laden. Het voordeel daarvan is dat ik nu niet met mijn sneeuwwitte billen bloot hoef. Ter compensatie daarom hier de enige beschikbare opname van Nevi Intatte op You Tube. Een jongeman met een mooie stem, die het lied vlot afwerkt. En niet zo delicaat.

3

OME KEES

Herinnering

Op zondagmiddag nam mijn vader mij nog wel eens mee naar Ome Kees in Jutphaas. Ome Kees, destijds al in de 80, was een broer van mijn opa. Hij had de smederij van zijn vader aan de Nedereindseweg voortgezet, was ongetrouwd gebleven en woonde nog in het ouderlijk huis, tezamen met een huishoudster, die Tante Trui werd genoemd. Wij als kinderen vonden dat een lachwekkende naam. We kenden toch ook geen ome Broek. Maar grappen maken over de naam was niet toegestaan, ook al was Tante Trui een goedlachse vrouw. Ze lachte om het minste of geringste, een hikkende lach, die lang kon voortduren.

Ome Kees zelf stond bekend om zijn grappen. Hij was daarnaast een uitstekend zanger en een gedreven schaatser. Op zijn 73e schaatste hij over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag drie maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis in Utrecht.
Ondanks zijn grapjes leidde Ome Kees een streng en gelovig leven.
Nergens in de familie duurde het avondgebed langer dan in Jutphaas. Men was  geabonneerd op zo’n beetje elk denkbaar missie- en congregatieblad dat in Nederland werd uitgegeven. En het hele huis stond vol met heiligenbeelden, forse Duitse modellen van gekleurd steen en ouderwetse witte exemplaren, sommige onder een glazen stolp. Maria en Jozef waren beide tweemaal vertegenwoordigd en er was een zwaar beeld van Jezus met een lammetje. Voor de heiligen konden kaarsen worden opgestoken. Op een slaapkamer hing een foto van een slaafje dat door de familie was vrijgekocht.

Als ik met mijn vader binnenkwam, overviel mij de stilte in het huis, ondanks de gulle lach van Tante Trui. Misschien ook was ik geïmponeerd door de tijd, die hier stil was blijven staan, de negentiende-eeuwse meubels, de heiligenbeelden.
Vooral één herinnering is mij bijgebleven. Die van het eitje.
Achter het huis in de tuin, naast de poepdoos met het hartje in de deur, hield Ome Kees nog wat kippen. Als het eerste kopje thee was gedronken en de nieuwtjes waren uitgewisseld, zei ome Kees tegen mij: “Zullen we eens kijken of de kippen nog een eitje hebben gelegd?”
Diep bukkend en door zijn knieën buigend ging ome Kees dan het kippenhok binnen, terwijl ik rechtop nieuwsgierig achter hem aan liep. Kippen vlogen fladderend aan de kant.
‘En ja hoor, kijk daar eens’, zei Ome Kees, terwijl hij me een eitje aanwees.
Triomfantelijk bracht ik het eitje als een schat naar de keuken, waar Tante Trui het voor mij bakte. De kippen stelden mij nooit teleur, er lag altijd een eitje in het hok. Toen ik ouder was hoorde ik, dat Ome Kees iedere keer na onze aankomst snel en ongezien een eitje uit de keuken in het hok legde.

Nadat Tante Trui in 1962 was overleden, werd aan Ome Kees voorgesteld om te verhuizen naar een verzorgingshuis. Dat vond hij echt niet nodig.  Hij deed nog dagelijks gymnastische oefeningen.
In 1964 bracht hij de laatste maanden van zijn leven in Vleuten door bij mijn Tante Jo en Ome Do, die net als hij ongetrouwd in hun ouderlijk huis waren blijven wonen. Ik kwam daar vaak om televisie te kijken. In die periode wilde ik niets missen van de Olympische Spelen in Tokio. Ome Kees noemde me daarom prins Akihito.
Op zijn sterfbed kreeg hij het sacrament der zieken toebedeeld. De kapelaan die hem niet kende informeerde naar zijn leven: ‘Bent u getrouwd geweest?’, waarop Ome Kees antwoordde: ‘Tot op heden nog niet’.
Na zijn overlijden was het de taak van de familie om het huis in Jutphaas op te ruimen. Het was een ware beeldenstorm. Alle heiligenbeelden verdwenen in stukken onder het smidsbed in het afvalgat. Voor dergelijke vooroorlogse beelden betaal je nu meer dan 100 euro.

2

HET LAND VAN CUIJK

Reizen

De ochtend is winmaasdstil en vochtig. Een brede grintweg slingert zich parallel aan de dijk langs de Maas. Het bedauwde gras onder een oude appelboom ligt bezaaid met kleine appeltjes. Ganzen trekken kwakend over de landerijen. In de bleke ochtendzon ligt het Kruisherenklooster in Sint Agatha er schitterend bij. Ik proef mijn onbezorgde jeugd.

Waar de Maas vanuit het Zuiden tegen de heuvels onder Nijmegen botst en naar het Westen buigt ligt in de oksel van de rivier het land van Cuijk. Vanuit Grave wandelen wij drie dagen over het Maas- en Peelliniepad. De streek is bekend om het unieke Maasheggenlandschap. Op de zanderige oevers van de rivier liggen kleine weilanden omzoomd door eeuwenoude meidoorns en sleedoorns. Statige eiken staan te dromen langs het water. Zeldzame planten groeien langs kleine beken. Het tijdloze landschap is een paradijs voor vogels en dassen.
Laverend tussen de koeienvlaaien lopen we langs de rivier. Schepen met hopen grint en zand, die als piramides boven de laadruimte uitsteken, schuiven bijna geruisloos voorbij. De Maas is een schitterende vaarweg, maar tijdenlang was de rivier ook een barrière voor reizigers en  strijdtoneel tijdens oorlogen. Nog altijd vormt het water de scheidslijn tussen het Noorden en Zuiden van ons land.

Na Boxmeer wandelen we het achterland in.  Langs akkers, waar glimmend zwarte kraaien tussen de bleke maisstoppels hippen en de sporen van brede tractorbanden diep in de grijsbruine aarde staan. Langs stallen met hoge voedersilo’s. Hier zien we de andere kant van het land van Cuijk: nergens ter wereld is de veehouderij zo intensief als in Oost-Brabant. varkensNergens leven er zoveel miljoenen kippen en varkens op zo’n kleine oppervlakte. Nergens wordt zoveel gescheten.
De boeren weten niet meer waar ze de mest moeten laten. De grond is er vol van.
Er zijn veehouders, die zich de kritiek hebben aangetrokken. We passeren een bord waarop in kleur de voordelen van biomassa uit kippenstront worden aangeprezen. Andere boeren zijn overgegaan op het kweken van bomen. Het aantal vegetariërs neemt immers ook toe.
Het spanningsveld tussen economie en milieu is voelbaar in een bistro in Cuijk. Aan een tafeltje naast het onze fulmineert een boer met harde stem tegen de milieubeweging. ‘Ze komen alleen maar met problemen en nooit met oplossingen’. Tegenover hem zitten twee vrouwen, maar hij richt zich uitsluitend op de man die naast hem zit. ‘Nu hebben ze langs de Maas grond gekocht en gaan ze daar stiltegebied van maken. Ongelooflijk! Dat is beste landbouwgrond’.

We lopen richting Overloon. Over door eiken omzoomde weggetjes, waar smalle banen zon door de veelkleurige bladeren breken en de glimmende shirts van wielrenners even verlichten. Vanuit Sambeek klinkt klokgebeier over de velden. Misschien schuifelen er enkele Zusters van Liefde naar de kerk.
Koeien houden op met grazen als wij langslopen. G zingt een liedje over een koe uit Apeldoorn. Die was haar staart verloren, zomaar midden in de week. Waarschijnlijk is ie er onverdoofd afgehaald en verwerkt in de ossenstaartsoep van de Unox in Oss.
De boeren klagen over de milieumaatregelen. Zij kunnen niet meer concurreren tegen het buitenland. Daar wordt bovendien nog driftiger met antibiotica gestrooid. In de Provinciale Staten hebben de Brabantse agrariërs de steun van CDA, VVD en SP.
Bij een volgende wei steken twee bruinzwarte paarden hun kop over het hek. Zij willen een aai over hun kop, pardon hun hoofd. Wat een mens- en milieuvriendelijke dieren zijn dat toch.

1

KOUDE OORLOG – deel 2

In het nieuws

koude-oorlog-2Het was in de kern een gevoel van onrechtvaardigheid wat ons destijds dreef. Onrechtvaardigheid over de vele vormen van ongelijkheid en onderdrukking in de wereld: arbeiders, die uitgebuit werden; hun kinderen die minder kansen kregen om door te leren; vrouwen die in een ondergeschikte rol gehouden werden; arme landen, die arm bleven.
Velen van mijn generatie werden vijftig jaar geleden actief in het bestrijden van dit onrecht, bijvoorbeeld in het onderwijs, in buurten, of in de vrouwenbeweging. Sommigen van ons sloten zich aan  bij de Communistische Partij van Nederland. Overal waar mensen streefden naar maatschappelijke verandering was destijds de CPN te vinden. De partij had duidelijke stellingnamen, een grote organisatorische kracht, en een onbaatzuchtige inzet in het verbeteren van de omstandigheden van groepen in de verdrukking.
Zelf ben ik een kort poosje lid geweest van de CPN. Ik meldde me aan nadat ik Het meisje met het rode haar over de communistische verzetsheld Hannie Schaft had gelezen. Ik voelde me echter niet thuis in deze partij.
Ik had het kunnen weten. Want in verschillende acties had ik menig CPN’er leren kennen. Het waren veelal (ex-)studenten. Zij kenden hun marxistische catechismus. Ik vond hen strijdbaar en goed gebekt, maar ook dogmatisch en betweterig. De kameraden wisten het altijd beter, alsof zij de Waarheid in pacht hadden. Twijfels kenden zij niet. Zij hadden de mond vol van ‘de arbeidende klasse’. Sommigen gingen plat praten.

De studenten die aangetrokken werden door de strijdbaarheid van de CPN kregen te maken met argwaan en vooroordelen tegen het communisme. De CPN was toch de vooruitgeschoven post van het Kremlin? De partij die Stalin nog vereerde toen men er in Moskou al op uitgekeken was? Waar ieder die een andere mening had werd uitgemaakt voor handlanger van het kapitaal of agent van de CIA? De nieuwe leden kregen bovendien te maken met de Binnenlandse Veiligheidsdienst, onze eigen Stasi.
boek-josVorige week verscheen van de hand van Jos van Dijk, mijn oudere broer, het boek Ondanks hun dappere rol in het verzet over het isolement van Nederlandse communisten in de Koude Oorlog.
Door een actieve rol in het verzet kreeg de CPN bij de eerste naoorlogse verkiezingen meer dan 10% van de stemmen. Ondanks de vernieuwingsdrang bij velen werden de vooroorlogse politieke verhoudingen weer snel hersteld. Mede als gevolg van de Koude Oorlog belandden de communisten  snel in een maatschappelijk isolement, met als dieptepunt de bestorming van de partijgebouwen na de Hongaarse opstand in 1956.
De CPN werd geweerd uit commissies van de Tweede Kamer. Als enige politieke partij kreeg de CPN geen zendtijd op de radio. Communistische wethouders werden ontslagen. Communisten werden zelfs uit speeltuinverenigingen en visclubs geweerd. Het isolement vertaalde zich binnen de partij in spanningen, achterdocht, royementen en scheuringen (‘Renegaten!’).

De CPN was in mijn ogen een partij met twee gezichten. Men streefde op basis van het marxisme-leninisme de dictatuur van het proletariaat na en onderhield daartoe nauwe banden met de Sovjet-Unie. Anderzijds was de CPN een ‘gewone’ politieke partij die meedeed in de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraden.
Wie een boek schrijft over deze periode van zwart-wit denken, kan moeilijk aan oordelen ontkomen. Jos van Dijk benoemt het aandeel dat de CPN zelf heeft gehad in het sociale isolement. De nadruk ligt echter op de tegenwerking die de CPN als parlementaire partij heeft moeten verduren. Wat mij vooral bijblijft van het boek is de onderliggende emotie die ik proef. Dat begon al toen ik de titel las. Het is de emotie over het onrecht, dat die ‘hardwerkende en vredelievende communisten’ is aangedaan, niet alleen in de vijftiger jaren, maar tot lang daarna .
Het is hetzelfde gevoel van onrechtvaardigheid, dat ooit de reden was voor velen om actief te worden in de linkse beweging.

Boek: Ondanks hun dappere rol in het verzet – Jos van Dijk – Uitgeverij Aspekt, 2016.
Website: http://nederlandsecommunisten.nl/#site-header