Schrijven, Lezen, Leven.
0

PATER VAN VREE

Herinnering
In het najaar van 1963, ik ben dan 11 jaar oud, stappen mijn vader en ik op een koude zondagmiddag uit de trein in Tilburg. We zijn op weg naar de paters Oblaten van de heilige Franciscus van Sales. In het missiehuis Ave Maria kunnen jongens een opleiding tot priester volgen.

Destijds was het ideaal, dat elk katholiek gezin een priester zou voortbrengen. Alle hoop was daarbij op mij gevestigd. Enkele jaren daarvoor was een neef tot priester gewijd. Hij was in een open rijtuig als een held in ons dorp binnengehaald. Dat leek me nog wel wat. Maar ik gruwde bij de gedachte aan een internaat.
We worden door een jonge pater binnengelaten in een hoge, betegelde hal waar elke voetstap de stilte verstoort. Spaarzaam licht valt binnen door twee smalle, gebrandschilderde ramen aan weerszijden van een donkere, glimmende trap tegenover de ingang. De stilte voelt beklemmend. Uit een lange, stenen gang klinkt ver weg het sluiten van een deur. Voetstappen naderen en even later zien we een pater van middelbare leeftijd met een grote glimlach op ons afkomen.
‘Pater van Vree’. Hij neemt mijn hand in zijn beide handen en schudt langdurig. Ik herken in hem de pater die enkele maanden daarvoor als uit het niets bij ons aan huis was geweest. Hij was ook toen  zo overdreven vriendelijk. Hij wist dat ik bij de verkenners was en dat ik goed kon leren. Hoe wist die man dat, vroeg ik mij af. Ik vertrouwde hem niet.
We krijgen een kopje thee geserveerd in een ontvangstkamer. ‘Neem gerust twee koekjes’, zegt pater van Vree breed lachend. ‘Dank u wel’, antwoordt mijn vader beleefd. Op een lage tafel staat een grote varen, rond de pot liggen missieblaadjes uitgespreid. Pater van Vree vertelt hoe alle jongens in dit huis hun best doen om het elkaar naar de zin te maken. Na een weekendje thuis komen ze  graag weer terug. Ik kijk uit het raam. Ik wil helemaal niet weg van huis.

Dan leidt de pater ons rond. We gaan eerst naar de recreatiezaal, die deze zondagmiddag vol is met jongens die spelletjes doen. We staan stil bij een tafeltennistafel, waar een jongen in een zondags pak het opneemt tegen een jonge priester in een zwart habijt. Dan maakt pater van Vree met een miniem gebaar van zijn ogen duidelijk dat de jongen plaats moet maken voor mij. Ondanks dat ik meeste ballen met het harde batje naast  de tafel sla, zegt de priester dat hij kan zien, dat ik aanleg heb. De jongen beijvert zich om alle ballen die ik missla weer razendsnel op te rapen. Dat zou ik nooit doen, als ik op bevel mijn beurt had moeten afstaan.

We lopen de trap op. ‘Hier is de kamer van de recreatiepater’, zegt pater van Vree. Hij klopt bescheiden op de deur. ‘Ik denk wel dat hij er is’, zegt hij met een vette knipoog naar mij.
In de kamer zit een jonge pater achter een bureau. ‘Goeiemiddag, zèèg’, klinkt het met een zachte g.
‘Hoe vind je het hier?’, vraagt hij mij vriendelijk.
‘W-wel mooi’, stotter ik.
‘Hou je ook van sporten?’
De recreatiepater vertelt uitgebreid over de sporten en buitenspelen op het internaat. ‘Wij doen hier van alles, eens even kijken’, hij opent een bureaula en zoekt tussen de paperassen. ‘Aha, hier’. Hij overhandigt mij een foto met handtekening van Reinier Paping. ‘Weet je wie dat is?’ Wat een domme vraag, denk ik.
‘Je mag die foto houden’, zegt pater van Vree.
‘Is dat even mooi’, antwoordt mijn vader, ‘dank u wel’.
Na de bezichtiging van de slaapzaal met chambrettes en de studiezaal eindigt de rondleiding in de kapel. Het is er donker en ijskoud. Op het altaar brandt een vlammetje in een rood glaasje. Mijn vader schuift de voorste bank in en knielt. Ik volg hem en knijp mijn ogen dicht. Ik wil hier weg, naar huis en naar mijn moeder. ‘Daar moet ik nu niet aan denken’, spreek ik mezelf toe, ‘ik moet nu bidden’. Ik bid voor de mensen die erg ziek zijn. En dat er vanavond geen auto-ongelukken zullen gebeuren. ‘Onze vader die in de hemel zijt… ’
Ik wacht tot mijn vader opstaat. Die komt overeind als pater van Vree weer terugloopt.
Bij het afscheid legt de pater een hand op mijn schouder. Hij buigt zich naar me toe. ‘Kom gerust nog eens een keertje kijken’. ‘Dank u wel’,  zeg ik beleefd. Ik neem mezelf voor om nooit meer terug te komen. Mijn vader bedankt de pater omstandig, diverse keren zijn hoofd buigend.  

Als ik thuis de achterdeur openzwaai en de keuken binnenstap, flikkert het kleine lichtje van het petroleumstelletje dat de koffie warm houdt. Mijn moeder komt ons met een blij gezicht tegemoet. Ik wil haar om de hals vliegen, maar hou me in.
Met de Kerst komt er een kaart van pater van Vree, daarna ook met mijn verjaardag.
Hij heeft dit vijf jaar volgehouden. Ondertussen hadden mijn ouders besloten, dat ik in Utrecht naar het gymnasium zou gaan. Dan kon ik daarna altijd nog de overstap naar het seminarie maken.
Nog voordat ik het gymnasium had afgemaakt, had ik afscheid genomen van de kerk.

0

GEVOELENS VOOR HET VADERLAND

Herinnering, In het nieuws
 In San Francisco waren wij ooit aanwezig bij een baseballwedstrijd tussen de San Francisco Giants en de Philadelphia Phillies. Voordat de strijd op het veld losbarstte zette een volumineuze sopraan op de werpheuvel het Amerikaanse volkslied in. Het werd op slag doodstil op de volle tribunes. Iedere toeschouwer ging staan. Mensen zetten hun baseballpet af en draaiden zich, de rechterhand op het hart, naar de Amerikaanse vlag. Slechts op het moment dat de zangeres aan het einde even flink uithaalde, werd de stilte onder het publiek onderbroken door een ondersteunend ‘yeah’. Amerikanen zijn trots op hun land en zij laten dat blijken ook.
Zoveel vaderlandsliefde is er nooit door mij gestroomd. We hebben niet eens een vlag die wij voor het vaderland kunnen uitsteken. Ik moet bekennen, dat ik de laatste jaren nog wel eens een brok in mijn keel voel als ik het Wilhelmus hoor. Maar waar zich dat voordoet, is dat denk ik een brok die er al langer zit en niet één die uit patriotisme voortkomt.
Voel ik me wel eens trots op Nederland? Is er iets waardoor ik in het buitenland met de borst vooruit ga lopen? Ik zou niet goed weten wat.
Ik vind het aardig om te horen als men in het buitenland ons koningshuis so cute vindt en de tulpen so lovely. Ik beaam het als men onze voorliefde voor baggeren en droogmalen roemt en ben het natuurlijk volkomen eens met degenen, die vinden dat dat kleine Nederland altijd zo mooi voetbal speelt. En toen ik deze week las dat de firma ten Cate uit Nijverdal, voormalig fabrikant van onderbroeken, nu de chassis voor de nieuwe Alfa Romeo gaat leveren, begon er wel degelijk iets te gloeien in me. Als ik Berlusconi weer eens tegenkom, dan zal ik zeggen: ‘Lekker puh! Dat kan Dolce & Gabbana niet. Voor je zelfbeheersing kan je je beter een stevig chassis van ten Cate laten aanmeten. Hollands fabrikaat!’
Omgekeerd komen er genoeg affaires in mij op, waarover ik in het buitenland liever geen vragen zou willen horen. Leidenaren die een pedofiel op het schavot terecht willen stellen. Geert Wilders en het  Polenmeldpunt. Srebrenica. Mocht ik daar ooit komen, dan zou ik niet weten wat te zeggen. Juist vanwege het besef, dat als ik daar zelf gediend had, ik net zo vrolijk na afloop met Karremans de polonaise had gelopen.
Het minst wil ik herinnerd worden aan ons koloniale verleden, hoe Holland rijk werd van de slavenhandel in West-Afrika en hoe kapitein Westerling zijn executies uitvoerde in de kampongs van Zuid-Celebes.
De afgelopen tijd las ik het boek Na de bevrijding van Ad van Liempt. Dat gaat onder meer over de wijze waarop de Nederlandse politiek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog geprobeerd heeft om de  macht in Nederlands-Indië te herstellen. Een onthutsende geschiedenis.
Een belangrijke reden voor het herstellen van het gezag was dat de inkomsten uit de koloniën weer op gang moesten komen. Dat het leger van 135.000 soldaten een miljoen gulden per dag kostte, geld dat niet aan de wederopbouw besteed kon worden, is een van de ongerijmdheden in deze geschiedenis. Na de verkiezingen in 1948 trok de KVP alle posities in het Indië-beleid naar zich toe. Onder de verhullende noemer politionele actie werd er een oorlog gevoerd die op tal van momenten nog voorkomen had kunnen worden. Het voortdurend wankelende kabinet kreeg het voor elkaar dat de Veiligheidsraad van de VN eensgezind een resolutie tegen Nederland aannam. Nederland werd de risee van de internationale gemeenschap en moest zich met de staart tussen de benen uit de archipel terugtrekken.
Ik zal niet verder uitweiden. Lees het boek van van Liempt. Het leest als een spannend verhaal.
Waarschuwing: lezen vergroot het risico op het verlies van vertrouwen in de politiek en kan leiden tot schaamte voor het aanzien van Nederland in de wereld.
Overigens, waarom zouden Amerikanen geen last hebben van dit soort schaamtegevoelens?
0

MIDDEN-BRABANT

Dagelijks

De laatste tijd reis ik nogal eens met de auto tussen Utrecht en Tilburg heen en weer.
De A2 tussen Utrecht en Den Bosch vind ik dodelijk saai. De tijd verloopt traag tussen de schuivende achterzijden van auto’s. De mooiste uitzichten, zoals over het dorp Rumpt aan de Linge, zijn verborgen achter geluidsschermen. De radio houdt me op de been, net als de aalscholver op de lichtmast boven de snelweg en de buizerd op een paaltje in een weiland.

Vanaf Vught wordt het allemaal anders. Daar begint voor de doorsnee automobilist de nachtmerrie en voor mij het aangename slow rijden. Wat heet slow trouwens, 70 / 80 km per uur is op de A65 de limiet. Om de paar kilometer moet je afremmen voor de stoplichten. Als een aaneengeregen ketting zoeven de auto’s tussen de dubbele rijen eikenbomen en de dubbele rijen flitspalen, langs lage boerderijtjes met rieten daken, braakliggende akkers met plassen tussen de stoppels van mais, wegcafeetjes, dressuurveldjes, bosschages en boomkwekerijen.
Onvermijdelijk doemt er dan iets in mij op. Ik wil de gedachte verre van mij houden, maar dat lukt niet. De gedachte aan Guus Meeuwis. Ver van huis, in een plaats waar de mensen vroeg naar bed gaan, kreeg de zanger heimwee en schreef hij zijn hit over Brabant: ..dan denk ik aan Brabant, want daar brandt nog licht. (waarschijnlijk wordt hier bedoeld: in de megastallen). De Nederlandse liedliteratuur dankt aan Guus onvergetelijke strofen als:
De Peel en de Kempen en de Meijerij
Maar het mooiste van Brabant ben jij, dat ben jij.
http://www.youtube.com/watch?v=JylE2A5P5Qg

Wie hier enige spot proeft heeft gelijk. Ik ben jaloers, omdat wij in het midden van het land niet zo’n mooie meezinger kennen; jaloers op de gezelligheid in Brabant en natuurlijk vooral jaloers op een zanger die een massaal meedeinend Philips stadion aan zijn voeten krijgt met zo’n houterige performance.
Ik ken de afslagen van de A65 onderhand uit mijn hoofd: Helvoirt,  Cromvoirt / Nieuwkuijk, Haaren, Biezenmortel; dorpjes verscholen achter bomen, waar het leven goed is en de nachten lang. Of hoe zègde dè èègelek in et Braobaants?
In Nieuwcuyk was ik ooit aan het begin van de nacht in een café. Het licht brandde er nog. Het was de enige keer in mijn leven dat ik twee vechtersbazen uit elkaar haalde. Ze rolden, de vuisten beukend, met elkaar over de vloer. Ik greep de bovenliggende man in zijn kraag en zette hem in één beweging weer overeind. In de buurt van Nieuwcuyk was ik destijds in stottertherapie. Dat doet wonderen met een mens. Ik was daar op het toppunt van mijn fysieke kracht en zelfvertrouwen.

Bij Berkel Enschot, in deze tijd van het jaar Knollevretersgat geheten, neem ik de afslag. Over de rechte, met huizen omzoomde, Bosscheweg rijd ik de laatste kilometers naar Tilburg. Op deze weg moet de snelheid omlaag naar 50 km per uur. Aangezien mijn Heerom ooit tot ereburger van Berkel Enschot werd benoemd voel ik me schatplichtig aan dit dorp. Mijnheer met de pet, steekt u maar rustig over, ik wacht wel even.
Vlak na het bord Tilburg passeer ik het Wilhelminakanaal. In de ijzige winter van 1963 was mijn ome Do de chauffeur van mijn vader’s Volkswagen, die vol met familie op weg was naar mijn Heeroom. Vlak voor de brug over het kanaal raakte de koffiebruine kever in een slip. Het moet aan de voorzienigheid te danken zijn, dat de auto niet in het water gleed, maar met een harde klap tot stilstand kwam tegen de leuning van de ophaalbrug. Met verse verwondingen in zijn gezicht vertelde ome Do die avond het relaas onder het licht van de lampenkamp in het midden van onze huiskamer.
Ik arriveer in Tilburg, toch al niet neerlands mooiste plaats, via een lelijk bedrijventerrein. De Gamma en de Kwikfit brengen me weer met beide benen in de realiteit. Op de ring neem ik de eerste straat links, de Enschotsestraat, langs de parochiekerk Petrus Donders. Ik ben er bijna. Het mooiste van Brabant ben jij, dat ben jij.

0

OPGELET!

In het nieuws
Afgelopen zaterdag was in Trouw te lezen, dat veel bloggers geld verdienen met hun weblog. Zij plaatsen advertenties. Als er voldoende gegevens bekend zijn over de blogvolgers is het voor bedrijven lucratief om te adverteren. Sommige schrijvers hebben, aldus Trouw,  zoveel volgers en adverteerders dat zij van de inkomsten van hun blogs kunnen leven.

Het water liep mij in de mond toen ik dit las. Sindsdien laat dit onderwerp mij niet meer los.
Al snel na de publicatie in Trouw ontving ik vragen over mijn inkomsten via Taal en Teken, niet zozeer door oppoppende advertenties, maar vanwege vermeende sluikreclame, voor bijvoorbeeld stedentrips, hoedenwinkels, gezondheidscursussen en magnetronsloffen.
Ik maak voor het plaatsen van mijn stukken gebruik van Blogger, een ‘free weblog publishing tool from Google’. Let op het woord free. Bij mijn eerste rondgang door de mogelijkheden van deze tool stuitte ik al direct op de kop Inkomsten. Als je daarop klikt word je doorgeleid naar Google Adsense, ‘een gratis en eenvoudige manier voor gebruikers van Blogger om geld te verdienen aan het weergeven van gerichte advertenties op hun blog’. Alweer een gratis service, dacht ik, het kan niet op! Ik wil hier ruiterlijk bekennen, dat ik ook destijds visioenen kreeg van bedragen met vele nullen. Nu ik minder werk, zou dat goed uitkomen.

Niettemin, om verdere geruchten te voorkomen, wil ik hier een en andermaal verklaren, dat ik geen enkele cent verdien aan mijn weblog door welke vorm van reclame dan ook. Het tegendeel is naar mijn idee het geval. Ik heb zeer sterk de indruk, dat anderen proberen om via mijn blog inkomsten te genereren. Ik heb lang geaarzeld of ik hierover iets zou schrijven. Immers, in verband met de privacy van mijn volgers en van mijzelf is het niet mogelijk om de modus operandi te beschrijven. Nu de zaak via Trouw in de publiciteit is gekomen en er vragen zijn gerezen, voel ik me echter wel genoodzaakt een korte toelichting te geven.
Het begon ermee, dat ik mijn volgers via Google+ op de hoogte wilde houden van de plaatsing van een nieuwe bijdrage. Dat werd door Google gepresenteerd als dé manier om via de digitale weg mijn relaties te onderhouden. Ik werd al meteen bevangen door enige argwaan, want als zo’n gigant in gegevensverzameling je een bepaalde kant op wil duwen, dan is dat meestal niet voor niets.
Ik ben niet op de avances van Google+ ingegaan en stel mijn blogvolgers nu via een eenvoudige mail op de hoogte van een nieuwe bijdrage. Nu ik dit zo schrijf komt dit alternatief mij toch wel heel naïef voor. Alles wat via de digitale weg gaat wordt immers in de gaten gehouden. Ik moet er wel bij vermelden, dat het niet de Amerikanen zijn die op uw en mijn gegevens uit zijn. Dat lijkt me toch een geruststelling. In het Roemenië van Ceausescu was het ook de buurman die de rapporten schreef. Dat voelt toch een stuk vertrouwder.
Enige tijd geleden heb ik daarom mijn webcam al onder het tapijt gestopt en de bijbehorende microfoon in de pot met honing (de vuilnisbak vertrouw ik niet meer). Het aantal beschikbare wifinetwerken rond mijn huis is al meer dan voldoende.
Deze week heb ik begrepen dat er niet alleen data worden verzameld, maar ook metadata. En het meest bijzondere van alles is, als ik de firma Stennis en Glaswerk mag geloven, dat heel die dataverzameling volkomen legaal is! Dat was dus geen punt van discussie in de Tweede Kamer.

Wat moet nu de conclusie zijn van dit verhaal?
Als ik de kwestie van enige afstand bekijk, komt de vraag naar boven, of men al niet ruimschoots voldoende van mij weet.  Men weet welke websites ik bezoek, met wie ik contacten heb, en in wat voor scheerzeep, tuinharken en andere lustopwekkende middelen ik geïnteresseerd ben. Bovendien geef ik elke week op dit blog mijn ziel en zaligheid bloot. Men weet toch alles al van mij?
Als ik blogvolger zou zijn, zou ik echter wel uitkijken.

0

WEEKBLAD PANORAMA, 39stejaargang, no 29

Herinnering

Vind ik een schroefje op straat, dan raap ik het op en gooi ik het thuis in de bak met losse schroeven. En als een boterkuipje nagenoeg leeg is, dan schraap ik heel grondig en nauwkeurig de laatste resten van de wanden en de bodem, totdat er niets meer in zit. Dat komt omdat mijn ouders de oorlog meegemaakt hebben.
De Ntr zendt op vrijdagavonden Na de bevrijding uit, een documentaireserie over Nederland in de jaren na de tweede wereldoorlog. Daarin komt naar voren, dat de euforie van de bevrijding weer snel verdwenen is. Delen van het land ligggen in puin, de infrastructuur vertoont grote gebreken. Er moet hard gewerkt worden aan de wederopbouw, terwijl veel bouwmaterialen nog ontbreken. Op de akkers moeten eerst de mijnen geruimd worden.  Leren leven met schaarste is voor de meeste gezinnen de belangrijkste opgave. Aan van alles is gebrek.  Brandstoffen, zeep, voedingsmiddelen zijn op de bon. Na het Zweedse wittebrood, dat smaakte als cake, komt het grijze regeringsbrood. Verschillende initiatieven om de samenleving opnieuw in te richten op basis van harmonie en samenwerking stranden. Na enkele jaren komen de oude verzuiling en de bekende politieke tegenstellingen weer terug. Wat was de vrede mooi toen het nog oorlog was  is de typerende titel van een boek over deze periode.

Door een toeval ben ik in bezit van een origineel exemplaar van de Panorama van 18 juli 1952. Dat is de dag  waarop ik geboren ben. Ik heb deze week het exemplaar uit mijn archief gehaald (ik bewaar niet alleen schroefjes) om eens te kijken of ik iets van de tijdgeest van de jaren na de oorlog kon vinden. Panorama, nu een mannenweekblad vol misdaad, motoren en memmen, was indertijd een keurig gezinsweekblad, dat net als de Avro niet gebonden was aan een religieuze zuil.
Op de voorkant van de uitgave van 18 juli 1952 staat een tekening van Pension Zomerlust, waar de gasten vanachter de ramen vertwijfeld en teleurgesteld naar de stortregen kijken. Blijkbaar was het een slechte zomer, in ieder geval tot aan die dag.
Wat staat er zoal in deze Panorama?
      Een artikel over Amerikaanse gevangenissen waar gevangen grof geld verdienen aan de handel in goederen
      Dit was Olympia, over de geschiedenis van de Olympische Spelen
      Sprinkhanen bedreigen het Midden-Oosten
      Het ontwerp van een nieuwe brandweerauto in de Verenigde Staten
      De bezeten athleet “thuis”, over de lenigheidsoefeningen die Emile Zatopek thuis in de vestibule doet
      De United States verovert de blauwe wimpel, over een wedstrijd tussen passagiersschepen.

De artikelen worden gelardeerd met feuilletons, een strip (Sjors en Sjimmie), een fotoquiz, een pagina humor en een pagina breipatronen. Daarnaast zijn er reclames van Maggi’s tomatensoep (‘Probeer ze eens’), een ontharingsapparaat voor vrouwen (‘Eis, indien U zich zonder moeite vlug en veilig wilt ontharen: “Tak”) en Wrigley’s P.K. Chewing Gum (‘Uw volgende sigaret smaakt beter na de gezonde en verfrissende Wrigley’).
Het blad is informatief en verstrooiend en bevat veel fotomateriaal en teksten uit Amerikaanse bronnen. Het lijkt alsof met de Marshall-hulp ook de informatie en het amusement uit Amerika is meegekomen. Geen woord over politiek, maatschappelijke thema’s, wederopbouw of armoede. Dat past bij de aard van het blad. Tegelijkertijd lijkt het mij ook typerend voor de wederopbouwjaren: niet zeuren, maar spaarzaam leven en jezelf nuttig maken. Dat was de sfeer waarin ik ter wereld kwam. Daarom liep ik met een poetsdoek achter mijn moeder aan, als zij de meubels in de boenwas zette. En hielp ik mee als er van verrotte valappels een voorraad appelmoes geweckt moest worden (‘niet schieten met die ringen!’). Daarom gooi ik  nu het boterbakje, als ik het terdege uitgeschraapt heb, niet weg, maar gebruik het om etensresten in de koelkast te bewaren.
Toen ik geboren werd was de oorlog al weer ver weg. Maar hoe langer de Tweede Wereldoorlog geleden is, hoe dichter 1952 bij 1945 komt te liggen.

 

 

 
1

PLAT HOOFDDEKSEL

Dagelijks

De pet is weer terug. Dan bedoel ik niet de alomtegenwoordige Amerikaanse baseball-pet, de zuidelijke alpino of de stevige uniformpet van agenten, kapiteins of fanfaremuzikanten. Ik heb het over het platte hoofddeksel met klep, zoals dat in vroeger jaren door veel mannen werd gedragen.

Begin 20e eeuw droeg elke jongen zo’n pet. Dan kreeg je niet zo gauw luizen. Boeren en arbeiders droegen een pet. Aan de pet herkende men de sociale status. Wie naar binnen ging deed zijn pet af. In de zomer zag je dan een scherpe scheiding tussen een bruinverbrand gezicht en een spierwit voorhoofd.
Mijn ome Do droeg altijd een pet, zomer en winter, of ie nu aan het werk was in de smederij of op zondag naar de kerk liep. Hij was ongetrouwd en woonde met zijn eveneens vrijgezelle zus in het ouderlijk huis. Hij werkte als knecht in de smederij van zijn broer. Hij was een man van weinig woorden en weinig wensen. Kwam je op zondagmiddag op bezoek, dan zat hij voor het raam in stilte naar buiten te kijken tot de duisternis inviel. Alleen op familiefeesten, als hij de nodige borrels op had, liet hij nog wel eens van zich horen. Dan zong hij, een oude jenever in de ene hand, een sigaar in de andere, het lied van Wilde Johnny, qua karakter de tegenpool van mijn oom. Steevast raakte hij dan zijn tekst kwijt. Dan kwam er een lachje om zijn mond en zijn ogen draaiden naar het plafond. De spanning werd opgelost als een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Bij de boedelverdeling waarbij het onder andere ging om antiek meubilair, tafelservies en portretten van voorouders heb ik uiteindelijk de pet van ome Do in de wacht gesleept. Ik heb ‘em nog eens  opgezet om op mijn beurt op een familiefeest Wilde Johnny te zingen. Daarbij deed ik de geschiedenis enig geweld aan, omdat Ome Do zijn Wilde Johnny-act nooit met een pet op voordroeg. Op feesten was hij in driedelig grijs, het soort grijs, waarop sigarenas niet opviel.

De pet is dus weer helemaal terug. Ik zat er al langere tijd op te spinsen om er een te kopen. Afgelopen zomer nog ging ik in het Walhalla van de Pet, Groot-Brittannië, om precies te zijn in Inverness, aarzelend de deur van een smal winkeltje binnen. Daarachter strekte zich een pijpenlade uit met petten zover je kon kijken in alle denkbare soorten, kleuren, vormen en maten. Ik viel ten prooi aan keuzestress. Hoe meer petten ik opzette, hoe langer ik in de spiegel keek, hoe meer ik begon te twijfelen. Alsof het kiezen nog niet moeilijk genoeg was, haalde de verkoopster op aandringen van G  zelfs de etalage overhoop om er een exemplaar met een bijzonder dessin uit te halen. De gedienstigheid van de juffrouw was zodanig, dat ik nog even overwoog om de etalagepet met de lelijke kleuren maar te kopen. Gelukkig hield de prijs mij tegen. Na een half uur liepen we onverricht ter zake de winkel weer uit. De stemming was er niet beter op geworden.

Onlangs liepen G en ik te winkelen in Utrecht. Dat komt niet veel voor, de sfeer was uitgelaten. In die toestand trok ik in de Bakkerstraat  zonder er bij na te denken G opeens de hoedenspeciaalzaak van Jos van Dyck in. Sinds 1923 brengt men daar hoofddeksels aan de man. Ik sprak mezelf toe, dat ik niet weer zo moest twijfelen. Dat hielp. Na vijf minuten stond ik buiten met een lichtbruin exemplaar in visgraatdesign, Harris Tweed, hand woven in the Outer Hebrides. Dat is niet ver van Inverness. Ik zette de pet gelijk op. Ik zat nog wel te frummelen met mijn oren. Moesten die er nu onder of niet?
Het voordeel is dat ik nu iets onder de pet kan houden. Verder kan ik eindelijk doen, waar ik mijn hele leven naar uitgekeken heb: er met de pet naar gooien. Daarvoor moet ik nog wel in training, want dat heb ik niet van huis uit meegekregen.
Als ik dan zo met mijn pet op door de stad fiets, denk ik aan the Outer Hebrides, maar nog meer aan het lied van Wilde Johnny.

0

HET ZELF EN HETZELFDE

In het nieuws
Hoeveel woorden rijmen in het Nederlands op zelf? Denk daar, voor de aardigheid, even over na voor je verder leest.
Het zelfstandig naamwoord zelf betekent volgens van Dale: de eigen persoon, het eigen wezen, identiteit. Je zou denken dat dit alleen bij mensen voorkomt. Maar volgens de etholoog Jan van Hooff kunnen ook sommige apensoorten zichzelf herkennen in de spiegel. Die apen kunnen nu van zichzelf gaan houden. Dan tellen ze mee in deze wereld.

In onze op het individu gerichte westerse cultuur zijn het zelf en de identiteit belangrijke begrippen. Zelfstandigheid is een hoog goed. We willen dat onze kinderen zelf hun veters vastknopen en hun spullen opruimen. Dat ze een eigen identiteit ontwikkelen en dat ze na hun 18e op zichzelf gaan wonen. Na hun studie gaan ze als zzp’er aan het werk of in een zelfsturend team. Het streven is dat mensen zoveel mogelijk zelf hun problemen oplossen en, natuurlijk, dat ze een foto van zichzelf maken en een weblog over zichzelf schrijven. Het hoogtepunt van de dag is het moment voor jezelf: magnetronsloffen aan, telefoon uit en met een glaasje wijn op de bank.
We vinden het belangrijk dat ieder zichzelf kent en zichzelf ontplooit. En, vooruit, je mag jezelf ook wel eens een keer bezatten of bevlekken.  
Maar jezelf plagiëren is uit den boze, zo weten we sinds vorige week. Je mag niet twee keer hetzelfde schrijven. Je mag niet twee keer hetzelfde schrijven. Topeconoom Peter Nijkamp werd in de Volkskrant en de NRC aangeklaagd, omdat hij in zijn wetenschappelijke publicaties meer dan zestig keer zichzelf had aangehaald zonder bronvermelding. Omdat iedereen in de wetenschappelijke wereld sinds de affaire Diederik Stapel elkaar streng in de gaten houdt, werd het zelfplagiaat in de kranten breed uitgemeten. Zelf (!) spreekt de hoogleraar liever over ‘zelfcitatie’. Dat lijkt mij een mooi voorbeeld van positief herbenoemen, zoals de NS ooit de stoptrein heeft omgedoopt in de sprinter.

Door al die aandacht voor het zelfplagiaat zit ik wel een beetje in de piepzak. Want ik schrijf hier wel elke week een stukje en ik schrijf over verschillende onderwerpen. Maar ik heb nog wel eens dezelfde gedachten over de wereld om mij heen en over mijzelf. Dat bevalt me namelijk goed. Het lijkt mij vermoeiend om voortdurend van gedachten te veranderen.

Het zou dus zo maar kunnen, dat ik de zinnen die ik hier schrijf al eens eerder heb geschreven. En dat ik met mijn verslechterend geheugen niet meer weet, waar of wanneer dat is geweest, zodat ik niet de juiste bron kan vermelden. Waarmee ik dan betrapt kan worden op zelfplagiaat. Dat lijkt me erger dan een opmerking over alle andere dingen die je met jezelf kunt doen.
Liever dan mijzelf te citeren, geef ik daarom het woord aan Ivo de Wijs, de achternaam zegt het al. Hij schreef ooit het gedicht Een moment voor jezelf, een vers met vier coupletten. In elk couplet laat hij een ander woord rijmen op het woord jezelf. Het nooit geëvenaarde Nieuw prisma rijmwoordenboek van A.M.C. Ballot – Schim van der Loeff (de achternaam zegt het al) bevat vier woorden die rijmen op zelf: (be-)delf, elf, gewelf, schelf. Het zijn precies de woorden die de Wijs in zijn vier strofen heeft verwerkt. Hier volgt het eerste couplet. Zie verder: http://letraclub.com/ivo-de-wijs/een-moment-voor-jezelf.html

De meid passeert de landman op de akker
Haar glimlach roept gedachten wakker
Hij plant zijn hooivork in de grond
Kijkt even schichtig in het rond
En trekt zich terug achter een schelf
Een moment voor jezelf

 

Overigens, in het Flakkees dialect, dat gesproken wordt op Goeree Overflakkee, komt het woord kelf voor (fonetisch: kaellef). ‘Wat zie joe er kelf uut vandaeg’! Als je dat hoort, mag je in de spiegel bewonderend naar jezelf kijken.

1

WIE LIEGT DIE STADT SO WÜST

Muziek

We hebben de feestmaand december achter de  rug en het gewone leven is weer begonnen. ‘Het is niet anders’, zei een collega tegen mij. Ze voegde eraan toe: ‘dan gaan we toch lekker dromen over de volgende vakantie’. Blijkbaar is dit iets wat veel mensen in de maand januari doen. Reclameblokken en –pagina’s worden deze weken gevuld met zonovergoten, alle wensen vervullende vakanties in Zuid-Europa of andere zonnige oorden.
Graag nodig ik eenieder daarom uit om eens een bezoek te brengen aan Dresden.
Pardon, Dresden? Is dat niet die grauwe industriestad in voormalig Oost-Duitsland? Zijn daar ook palmenstranden?
Dresden, de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saksen, is een stad vol indrukwekkende geschiedenis.
In de 18e eeuw was de stad een centrum voor kunst en cultuur. Dresden werd het Florence aan de Elbe genoemd. De vele fraaie kerken en barokke paleizen herinneren nu nog aan die tijd. De componist Heinrich Schütz heeft er zijn leven lang gewerkt. Jan Dismas Zelenka componeerde hier zijn  missen.

Dresden is ook bekend door het bombardement. In de nacht van 13 op 14 februari 1945 legden geallieerde vliegtuigen een bommentapijt over de stad. Er ontstond een verwoestende vlammenzee. Geen steen stond meer op de andere. 75.000 Huizen en gebouwen werden verwoest. Ruim 25.000 mensen kwamen in die ene nacht om het leven.
Vorig jaar zagen wij in de schouwburg het toneelstuk Het stenen bruidsbed , naar de roman van Harry Mulisch. Van die voorstelling is mij vooral het ontzagwekkende decor bijgebleven. Het speelvlak was opgebouwd uit vlonders bovenop een angstaanjagende hoop doodskoppen en gebeenten.
In de twintigste eeuw was Rudolf Mauersberger (1880 – 1971) lange tijd organist in de Kreuzkirche en dirigent van het befaamde Kreuzchor Dresden. Mauersberger heeft met zijn koor veel platen opgenomen, onder andere de werken van Heinrich Schütz. Hij componeerde ook zelf, met name geestelijke werken.
Vlak na het bombardement van Dresden, waarbij van de Kreuzkirche niets meer overbleef, schreef hij het lied Wie liegt die Stadt so wüst. Hij gebruikte daarbij een bijbelse tekst uit de klaagliederen van Jeremia over een verwoeste stad.
Het vierstemmige lied werd voor de eerste maal uitgevoerd door het Kreuzchor in augustus 1945 tussen de ruines van de voormalige kerk. De tekst is een afwisseling van smartelijke klacht en intens verlangen. Verdriet, onbegrip, melancholie, boosheid en verlatenheid monden uit in de vraag warum, warum?  en worden afgesloten met Ach Herr, Siehe an mein Elend.
Ik heb dit lied onlangs ingestudeerd. Het gebeurt mij maar een hoogst enkele keer, dat een koorstuk mij zo aangrijpt dat ik een brok in mijn keel krijg en even niet meer verder kan zingen. Dat was bij dit lied het geval.
Wie liegt die Stadt so wüst is een van de stukken op het programma van het concert dat ik met mijn bejaardenkoor D’allure, genoemd naar de dalurenkaart, in het weekend van 8 en 9 februari ga uitvoeren.
 

Ingezonden mededeling
 
KAMERKOOR D’ALLURE o.l.v. FOKKO OLDENHUIS
 
MITTEN WIR IM LEBEN SIND
 
Muziek van Brahms, Mendelssohn, Distler, Mauersberger, Schütz
 
Utrecht, zaterdag 8 februari 2014, 20.15 uur, Lutherse kerk, Hamburgerstraat.
Amsterdam, zondag 9 februari 2014, 15.30 uur, Oosterkerk, Kleine Wittenburgerstraat.
 
Toegang: € 15,00 – 12,50.

 

 
0

JONGENS MET GROEISTUIPEN

Herinnering
Er is een tijd geweest, dat ik de eerste dag van het nieuwe jaar de vreselijkste dag van het jaar vond. ‘Dan heb je net een jaar gehad, moet je weer aan een nieuw beginnen’, ging er dan door mijn hoofd. Het was eind jaren zestig, ik was 16 / 17 jaar en  zat op het gymnasium. Ik kon daar behoorlijk meekomen, had genoeg contacten, was kerngezond en had in materieel opzicht niets te klagen. Toch was in die jaren het lijden nooit ver weg.

Ik deed altijd braaf mijn huiswerk en haalde dan zesjes. Mijn beste vriend Ton deed niet aan huiswerk. Vlak voor de les begon schreef hij zonodig de vertaling of de gemaakte sommen van mij over en met repetities haalde hij achten. Als ik de tien kilometer naar huis tegen de wind in fietste, dan waaide de wind altijd een stuk harder dan als ik ’s morgens de wind mee had. Mijn puistjes waren een stuk roder en opvallender dan die van anderen en al mijn leeftijdsgenoten hadden een flux de bouche, terwijl god mij met een spraakgebrek de wereld in gestuurd had.
Ik voerde tijdens de lessen een onderbankse correspondentie op minuscule briefjes met Trees en Hannie, maar was ik op een feestje, dan durfde ik niet op een meisje af te stappen en bleef ik de hele avond op dezelfde stoel zitten.  Na afloop bedankte ik dan met veel gestotter de moeder van het vriendje voor de ‘fijne avond’.
Kortom, ik had in die jaren het gevoel dat de hele wereld tegen mij was en dat anderen het altijd veel beter hadden dan ik.

We kregen aardrijkskundeles van een jonge leraar die moeilijk orde kon houden. Tijdens zo’n les, waarin de hele klas zat te keuvelen, het huiswerk voor de volgende les werd uitgewisseld en met de boterham in de hand spelletjes werden gedaan, viel de leraar tegen mij uit.
‘Nu is het genoeg met dat geklets, van Dijk, ga jij je maar bij de conrector melden’.
Blijkbaar was het zijn tactiek om de orde te herstellen door één leerling de les uit te sturen.
‘Hè, waarom ik?’, riep ik vanaf de achterste bank, ‘iedereen zit toch te kletsen!’.
Als ik boos werd, kon ik vaak opeens vloeiend spreken.
‘Van Dijk, pak je spullen en ga de klas uit’, sprak de jonge leraar elk woord beklemtonend.
Ik vond dit het toppunt van onrechtvaardigheid en een volgend bewijs dat de wereld tegen mij was.  Mijn boosheid groeide naar een hoogtepunt.
‘Ik ben toch niet de enige’, schreeuwde ik, ‘ouwe lul!’.
Na deze laatste woorden werd het doodstil in de klas. Iedereen voelde dat deze aanvaring buitengewoon uit de hand aan het lopen was. Het leek alsof mijn laatste woorden nog door de stille klas echoden. De leraar keek eerst verbouwereerd en siste toen met ingehouden woede dat ik mij direct uit de klas uit diende te verwijderen en dat hij mij voorlopig niet meer wilde zien.
Nog geheel vervuld van het onrecht dat mij was aangedaan klopte ik aan bij de conrector. Hij droeg mij op om in een leeg lokaal twee hoofdstukken aardrijkskunde in mijn kop te stampen. Toen later die middag de dialoog tussen de aardrijkskundeleraar en mij tot hem gekomen was, werd ik opnieuw bij hem geroepen. Ik verdedigde me door te zeggen, dat ik ‘flauwe kul’ geroepen had. Het mocht niet baten. Men nam de zaak zeer ernstig op. Ik werd voor drie dagen geschorst.

In dit nieuwe jaar staan de kranten bol van de artikelen over jongens die overlast bezorgen, auto’s in de fik steken en vuurwerk naar de politie gooien. In opiniërende artikelen vragen schrijvers zich af, wat er misgaat met de opvoeding van jongens.
Volwassen worden gaat niet vanzelf.
Overigens kan je ook op latere leeftijd last hebben van groeistuipen.

 

 
0

OUDJAARSDAG

Reizen
 Buiten jaagt de wind stevig langs de oevers van de Rijn. De veelkleurige vlaggen op de rondvaartboten aan de kades staan strak. De meeuwen scheren over het onrustige, grijze water. Nadat we langs de Romeinse thermen zijn gewandeld zie ik  in een étalageruit dat mijn haren alle kanten op staan (of zoals George Moustaki zong: Mes cheveux aux quatres vents).
Binnen loopt even later de thermometer in de sauna op tot bijna 100 graden. Mijn haren, nat van het zwemwater, drogen aanvankelijk in hoog tempo op om vervolgens nat te worden van het druppelende zweet, zoals kaas onder hitte snel vloeibaar wordt.
We zouden nooit in de moderne versie van de thermen zijn beland als de vakbonden in Duitsland niet zoveel invloed hadden gehad. Dat is althans mijn veronderstelling.
Blijkbaar hebben de bonden ooit gedaan gekregen, dat de ambtenaren in Duitsland op de laatste dag van het jaar een vrije dag hebben. Daarom zijn alle musea in Köln niet alleen op 1 januari, maar ook op 31 december gesloten. Terwijl de stad op oudjaarsdag uitpuilt van de toeristen. Velen van hen lopen nietsvermoedend de beroemde musea af en komen daar voor een dichte deur. Met dank aan de Deutsche Gewertschaftsbund.
Gelukkig zijn er dan nog de kerken. Daarvan staan de deuren altijd open.
In Köln staat een aantal fraaie romaanse kerken met onopgesmukte, verstilde interieurs en houten altaardrieluiken, waar de houtworm na eeuwen nog geen vat op heeft gekregen.
In de beroemde Dom is er een vroegtijdige driekoningenhoogmis. We zien allerlei groepen mensen verkleed als koningen de trappen van de kathedraal op lopen. In de handen dragen zij stokken met vergulde sterren en manen. Achter één groep klimt moeizaam een aangeklede dromedaris naar boven. Tastend zoeken de vier poten de treden omhoog. Op het zuidplein zien we nog een stel gelovigen die zich als priester verkleed hebben. De religieuze gewaden waaien op in de wind. De mannen houden hun hoofddeksels vast. Het is niet voor niets dat Köln een naam als carnavalsstad hoog te houden heeft, gaat er nog door mij heen.  Even later blijkt, dat het hier daadwerkelijk de kardinaal van Köln met zijn gevolg betreft. Achterin de kerk krijgt hij zijn mijter en staf aangereikt. Als hij in het middenpad naar voren schrijdt, langs alle verklede koningen en langs een drommedaris, die zich tussen de kerkbanken geperst heeft, kan het feest beginnen. Het koor zingt O lasset uns anbeten (3x).
 En gelukkig is er ook nog de opgewekte kerstmarkt. In houten kraampjes met een hoog koekoeksklokgehalte worden mutsen, sjaals en sieraden verkocht. Groter nog is het aantal gelegenheden waar men iets kan eten en drinken, van pannenkoeken en warme chocola tot worstebroodjes en glühwein. Er is een ijsbaantje met muziek uit vroeger dagen. De schaatsers maken een ronde om het lichtgroene, meer dan levensgrote standbeeld van een Pruisische vorst te paard. De kerstmarkt is een nostalgische verzameling van alles wat er juist niet in een stad te vinden is: dennebomen met sneeuw en alpenhutten.
Nadat G zich te buiten gegaan is aan een bonte muts van zuiver scheerwol, zie ik een bijzonder paar de markt oplopen. Een goedgevulde man van in de vijftig, met vermoeide ogen onder een grijze muts, ondersteunt een graatmagere, broze vrouw van in de tachtig, die met vochtige ogen bezorgd om zich heen kijkt. Zoals de ongeoefende schaatsers zich vasthoudend aan de railing heel voorzichtig over het ijs bewegen, zo schuifelen de man en vrouw langs de kraampjes.
Ik denk dat het een ambtenaar is, die eindelijk eens een dag vrij heeft om met zijn moeder over de kerstmarkt te lopen. Misschien is het wel de laatste keer voor haar.