Schrijven, Lezen, Leven.
0

NO FUTURE

Herinnering
Vorige week was het tv-programma  Andere Tijden gewijd aan de tachtiger jaren.
De tachtiger jaren, dacht ik, wat was dat ook al weer voor tijdperk?
Op een snikhete middag in juni 1984 zit ik met een groot aantal mensen en een vracht aan rugzakken en tenten opgepropt  in een busje. Een warme wind waait door de openstaande raampjes, zweetdruppels staan op de gezichten. We zijn van het station Bergen op Zoom op weg naar de vliegbasis Woensdrecht. Gedurende twee dagen en nachten zal de basis door actievoerders worden omsingeld als uiting van protest tegen de plaatsing van kruisraketten. Na aankomst wordt iedere demonstrant ingedeeld in een van de ploegen, die in wisseldiensten een quasi-belegering zullen uitvoeren.
Mijn ploeg heeft een plek ergens onder de naaldbomen, niet ver van het actiekamp. Er zitten onder meer twee opgewekte meisjes uit Utrecht bij, een geheel in het zwart gekleed duo krakers uit Nijmegen en een stille jongen, die als vrijwilliger in een werklozencentrum in Wageningen werkt.
Daar zitten we dan aan het einde van de middag, op het bosgras en de boomstronken, als vreemden tot elkaar veroordeeld. We zitten naast het metershoge hek van de vliegbasis. Aan de bovenzijde is het hek afgewerkt met prikkeldraad. Aan de andere zijde, op de grond, liggen rollen prikkeldraad.
Het eerste uur verloopt uiterst traag. De stemming lijkt bedrukt. Er komt langzaam een gesprek op gang over het nut van de actie.  Verschillende groepsleden vinden zo’n zit-actie onvoldoende. ‘Zoals meestal met dit soort acties’. Er moet veel meer gebeuren, vinden zij. De meisjes uit Utrecht halen na een tijdje een bundel met actieliederen uit hun rugzak. Aan de andere kant van het hek loopt een marechaussee met een grommende hond langs.
Tussen de diensten door eten we in het basiskamp. Er is ook een muziekpodium. Actievoeren zonder muziek is ondenkbaar. Terwijl een keukenvrijwilliger mijn bord vol schept met een linzengerecht, zie ik een groep actievoerders met ontbloot bovenlijf heen en weer springen op een beukend lied van een punkband. No future zijn de woorden die ik opvang. Elders is een vergadering van vertegenwoordigers van autonome groepen. Er wordt bekend gemaakt dat er inlichtingen verzameld moeten worden over de bewegingen van de mobiele eenheid. Het verbaast mij dat vredesactivisten in militaire termen gaan denken.
Als het donker is geworden, heeft onze ploeg zijn plaats aan het hek weer ingenomen. Een campinglichtje verspreidt koud licht. Geregeld vliegen helicopters laag over. Ze maken een oorverdovend lawaai en beschijnen de omgeving met een felle lichtbundel. Het doet angstaanjagend aan. Het is nog niet het begin van een oorlog, maar ik zie hier bevestigd dat ik mij ooit op S5 heb laten afkeuren.
Als er hier iets gedood moet worden dan is het de tijd.
Er ontstaat in de groep een gesprek over werken. Ik vertel dat ik in de GGZ werk. Ik voel in de schemer de kritische blikken. Iemand zegt, dat actievoeren zijn werk is. Een ander zegt dat ie never nooit voor een baas zal werken. Dat het sowieso een kutmaatschappij is. Het autonome meisje uit Nijmegen voegt er aan toe, dat ze nooit kinderen op deze klotewereld zal zetten. Ze kijkt even om naar haar vriendje. Ik durf niet meer te zeggen, dat mijn vriendin en ik juist besloten hebben dat we kinderen willen.
De meisjes uit Utrecht laten een zak chips rondgaan. De stille werkloze uit Wageningen heeft al aardig wat sterke drank naar binnen gewerkt. Hij deelt de drank niet. Hij kijkt nu minder vaak weg. Er lijkt iets in hem te borrelen, zijn ogen staan wijd open. Ik ben bang dat hij in een doldrieste eenmansactie over het hek zal klimmen of dat hij zich, bij gebrek aan toekomst, voor het front van de groep in de rollen prikkeldraad zal werpen.
Na twee dagen eindigt de actie. De woordvoerders van de autonome groepen laten weten, dat met deze omsingeling een krachtig signaal is afgegeven. Er was uitgebreid gediscussieerd over plannen om de basis op te gaan, maar daarover was geen overeenstemming bereikt. Hier en daar klinkt boegeroep. Als alternatief is besloten om met een ludieke actie te eindigen. Iedere actievoerder wordt opgeroepen om als daad van afkeuring tegen het hek te pissen. Even later zie ik vooral vrouwen naast het hek hurken. Hier en daar watert een  man tegen het prikkeldraad. Dat staat tot hun geluk niet onder stroom.

 

0

OPBORRELENDE GEDACHTEN

Dagelijks
Heb je wel eens de behoefte om de zaken op een rijtje te zetten? Wil je in alle rust een oplossing voor een probleem bedenken? Of wil je je creativiteit eens de vrije teugels geven?
Neem dan eens een bad.
(Heb je geen bad, vraag er dan een voor je verjaardag).
Niets is zo behaaglijk en ontspannend als een bad. Nergens kan ik zo rustig en helder denken. Geen andere bezigheid – als ik dit liggen en niets doen een bezigheid kan noemen – leidt tot meer creativiteit.
Natuurlijk, ook een bed is heerlijk, maar mijn gedachten worden tussen de lakens al snel overmeesterd door de slaap.
Ik kan ook gewoon in de kamer op de bank gaan liggen, niets doen en kijken welke schitterende inzichten er in mij opkomen. Een kamer nodigt echter uit tot een activiteit: de was vouwen of iets overbodigs opzoeken op internet. In de badkamer, ondergedompeld in het water, is er geen enkele afleiding. Je loopt niet zomaar weg. Er is niets dan stilte, warmte en ontspanning.
Zo maar genieten van het dolce fare niente heb ik mijzelf moeten aanleren.
Toen ik jong was hadden we thuis wel een bad, als opvolger van de teil in de keuken, maar dat bad werd puur functioneel gebruikt. Mijn ouders hadden op zolder een badkamer laten timmeren. De wandjes waren van hardboard en het plafond van zachtboard. Boardmaterialen waren destijds erg in. Zelfs de namaaktegeltjes om het bad heen waren van hardboard. We wasten ons éénmaal per week van top tot teen met zeep. Mensen die destijds zeiden dat je in een bad in je eigen vuil ligt, hadden groot gelijk. Als het water was weggelopen, bleven er rondom randen van vuil en zeep achter.
Toen wij zelf in 1985 ons eerste huis kochten, lieten we op de eerste etage een sobere badkamer inrichten met witte tegels. Naast de douche kwam er een bad. We hadden er de ruimte voor. Zoon A is nog bijna in bad geboren. Om tijdens de weeën de ontspanning te bevorderen ging G af en toe in het warme water zitten. Onderwaterbevallingen waren toen populair. Ik maakte me al zorgen, dat ik voor niets die ijzeren klossen voor het bed bij de Kruisvereniging gehaald had.
Twintig jaar daarna lieten we een nieuwe badkamer aanleggen. Er was in de loop der jaren zoveel water tussen de tegels en de houten vloer gesijpeld, dat het 19e eeuwse stucplafond in de keuken naar beneden was gekomen. Met behulp van een handige 3-D tool op een site voor badkamerbeleving ontwierpen we zelf ons nieuwe waterparadijs. Op instigatie van A kochten we een bad met een binnenmaat van 1 m 90, zo ongeveer zijn eigen lengte. Daar kan je heerlijk languit in liggen. Er werden nog geen discussies gevoerd over verspilling van water en plassen onder de douche.
Ik ben nu echter de enige die hier van geniet. G houdt niet van dat weke gedoe. Na vijf minuten is ze wel uitgekeken en gaat ze met een boek op de bank liggen.
Om de creativiteit in bad te bevorderen hoef je niets te doen, sterker nog: moet je niets doen. Je laat jezelf in de warmte onderdompelen, tuurt eens naar de bewegingen van het schuim of naar de strepen in de tegels. Als vanzelf komen de dingen die belangrijk zijn in je hoofd naar boven en als vanzelf kom je tot inzichten en gedachten, méér en betere dan als je er speciaal voor gaat zitten. Je laat  de gedachten komen, je laat ze opborrelen, zoals er luchtbelletjes onder water omhoog kunnen komen.
De wereld zou er heel wat mooier uitzien als iedereen de kans krijgt om elke week op zijn gemak een bad te nemen. Het gemak zou eigenlijk de naam voor een bad moeten zijn.

Het lijkt me wel prettig als iemand (in bad) nog eens waterbestendige boekjes en potloden kan uitvinden. Zodat je niet al die mooie ideëen hoeft te onthouden. Want dat is weer een ander probleem, waar ik nog eens een oplossing voor moet vinden.

0

INFOBESITAS EN ROEPTOETERS

Dagelijks
Ieder jaar als ik terugkeer van vakantie lijkt het wel weer erger: de hoeveelheid informatie die in één keer op mij afkomt. Stapels kranten, massa’s mails, brieven, aankondigingen, boeken die verschenen zijn, achtergrondartikelen op interessante websites, festivals die gehouden worden, buurtactiviteiten, weblogs. En dan ‘zit’  ik nog niet eens op Twitter of Facebook. Bij al die informatie krijg ik het gevoel dat ik tekort schiet. Moet ik eigenlijk niet meer weten van alles wat er speelt? Wat mis ik als ik de ontwikkelingen niet een beetje bijhoud?
Sommigen spreken van infobesitas. Dat is de ziekelijke neiging tot het volgen van informatie om maar niets te hoeven missen. Alsof je een grote bibliotheek binnenloopt en je voorneemt om alle boeken te gaan lezen. Zodat je tenminste mee kan praten op verjaardagen. Volgens de Volkskrant krijgen we twintig maal zoveel informatie te verwerken als twintig jaar geleden. (Vraag niet hoe men dit vastgesteld heeft).
In het digitale tijdperk wordt van alles met elkaar gedeeld. Er is geen onderwerp te bedenken, waar niet een website over bestaat, waar je mee kunt denken. De overheid zet sites op om mee te praten over de toekomst van Nederland. Teveel mensen hebben teveel oplossingen, zei de Amerikaanse politiek filosoof Michael Sandel in een uitzending van Human. We kwekken teveel door elkaar heen.
Nadat ik het eerste deel van dit blog geschreven had, las ik vandaag in de Volkskrant een interview met de Amerikaanse oud-bevelhebber en strateeg William Fallon. Hij zegt daarin: ‘er is tegenwoordig zoveel informatie (…) dat het verwarring veroorzaakt en de regering dwingt snel te handelen. Het kan leiden tot slechte beslissingen of besluiteloosheid’.
Naast de infobesitas zou je minstens evenzeer kunnen spreken van een ziekelijke neiging om jezelf te willen laten horen: door je mening te delen op fora, oneliners te plaatsen op Twitter, of weblogs bij te houden. We zijn met zijn allen een stel roeptoeters geworden. Als alles wat geschreven wordt hoorbaar zou zijn, zou er een babylonische kakofonie van de aarde opstijgen. Sites als LinkeIn stimuleren dit gedrag door de Influencers van de week bij te houden en de meest gelezen blogs te turven.  Ik kwam laatst op 50plusser.nl, een site waarop vijftigplussers van alles met elkaar kunnen delen: nieuws, foto’s, recepten, reisjes, kunstwerken, cursussen, blogs. Op dit platform houden welgeteld 2631 vijftigplussers een weblog bij. Je kunt het niet meer ziekelijk noemen. Het is normaal geworden.
In samenhang met het probleem van de informatie-overload zie ik een ander knelpunt. Hoe al deze meningen en ervaringen te beoordelen? Op welk referentiekader baseer ik mijn ‘goed’ of ‘slecht’, welke normen en waarden zijn mijn leidraad? In de huidige westerse cultuur zijn waarden als efficiency, individualisme en competitie leidend. Waar kan ik terecht voor een kritischer geluid?
Niet bij de oude religieuze instituties, waarmee ik ben opgegroeid en in het verzet waartegen ik me heb ontwikkeld. De grote politieke stromingen van weleer hebben aan kracht ingeboet. De verzuilde media zijn opgelost in een amorfe brij van productiemaatschappijen die dingen om de gunst van de lezer en de kijker. Media die ooit links genoemd werden zijn dat al lang niet meer. Ze zijn omgekomen in teveel dogmatiek of veranderd in dichtbij-huis-berichtgeving over te zware schooltassen van brugklassers. Beschouwende praatprogramma’s zijn veranderd in entertainment (ook hier wijk ik met mijn blog meestal niet van de hoofdstroom af, moet ik bekennen).
De patriarchale maatschappij met de vaste denkkaders is er niet meer. De vrijheid van denken die we wilden is realiteit, maar het paradoxale is dat er veel onzekerheid voor in de plaats is gekomen. Of zoals iemand zei (het zal wel een socioloog geweest zijn): we waren nog nooit zo vrij, maar ook nog nooit zo machteloos. Zo loert het gevaar van het verlangen naar een sterke man of één sterke ideologie om de hoek.  Ik denk dat we het meer in kleine verbanden moeten zoeken.

 

0

O GRADITA MIA FERITA (O AANGENAME WOND)

Muziek
Claudio Monteverdi is een Italiaanse componist, die leefde van 1587 – 1643. Hij werd onder meer bekend door zijn madrigalen. In deze wereldlijke liederen, geeft hij uitdrukking aan individuele emoties, zoals verliefdheid en verdriet. Voor die tijd had nog niemand dat zo gedaan.
In juli ben ik voor een zangweek in Tsjechië. De leiding heeft bedacht, dat ik een duet ga zingen met een sopraan, begeleid door enkele instrumentalisten. De keuze is gevallen op Septimusvan John Blow en Chiomo d’oro van Monteverdi. Dit laatste lied is weliswaar geschreven voor twee sopranen, maar ook voor een bariton zou de lagere partij haalbaar zijn.
Chiomo d’oro gaat over een geliefde, die er zó mooi uitziet, dat het zelfs pijn doet.
Een van de begeleiders in de zangweek is een Italiaan, die niet alleen een uitstekend clavecimbelspeler is, maar ook een kenner bij uitstek van het werk van Monteverdi. Hij is dus de aangewezen man om ons te coachen.
Terwijl ons ensemble aan het studeren is, komt hij voorzichtig de oefenruimte binnen. Hij wil eerst graag een toelichting geven op het werk van Monteverdi. Voor een goede uitvoering moet je het stuk immers doorleefd hebben.
In de teksten en de muziek van de madrigalen, zo begint hij, is een diepere laag aanwezig. De liederen werden in de 17e eeuw vaak gezongen in een kleine kring van ontwikkelde mensen. Er werden bedekte termen gebruikt om de fysieke aantrekkelijkheid en de erotiek te omschrijven.
De Italiaan begint nu langzamer te spreken. Hij zoekt naar de juiste woorden.
In Chiomo d’oro wordt niet alleen de schoonheid van een man bezongen, maar ook – zijn ogen draaien nu weg –  …eh, hoe moet je dat zeggen… hoe heerlijk het is om seks te hebben met deze man. Dit wordt via metaforen duidelijk gemaakt. Waar gezongen wordt over het gebonden of losse haar van de man wordt the penis bedoeld. De roos die zijn lichaam bedekt is het vrouwelijk schaamdeel en de pijn, de aangename wond waarmee het lied eindigt, verwijst naar het orgasme.
De Monteverdi-kenner lacht er verlegen bij. Met nadruk vraagt hij om deze uitleg niet te zien als zijn persoonlijke interpretatie. Al is hij Italiaan, hij heeft geen dirty mind. Alle musicologen zijn het over deze interpretatie eens.
Ik ben verrast. Dat ik over de aantrekkelijkheid van een man sta te zingen, daar valt mee te leven. Maar wat te denken van de uitleg van de Italiaan? Zijn toelichting heeft toch ergens iets weg van Thijs van den Brink die voor de EO vertelt hoe we Hele Grote Bloemkolen van André van Duin moeten opvatten.
Ik kijk de kring eens rond. De Poolse claveciniste, een zeer getalenteerde jonge vrouw, tuurt ingespannen naar haar partituur, alsof haar bril niet sterk genoeg is. De corpulente Tsjechische cellist zit te hijgen, waarschijnlijk omdat hij tien minuten daarvoor een trap is opgeklommen. Eén van de twee blokfluitistes blaast opzichtig door de kop van haar instrument, met de kennelijke bedoeling om het vocht te verwijderen. Hetgeen in deze context toch als een erotisch moment kan worden opgevat. Maar misschien is zij in gedachten wel bij Blow.
De sopraan naast mij is een keurige, net gepensioneerde vrouw. Hoe ik ook zoek, ik  kan bij haar geen bijzondere gaven ontdekken in de expressie van erotisch getinte liederen. Ik krijg het vage gevoel, dat ik bij de uitvoering niet teveel op haar moet leunen.
Nadat de Italiaan nogmaals en met handgebaren gesmeekt heeft om hem deze duiding niet persoonlijk aan te rekenen, verlaat hij de oefenruimte. Het is even stil.
‘Shall we start again’?, vraag ik aarzelend.
‘Bar 37, second beat’?
Vervolgens mis ik mijn eigen inzet.
Later die week, bij de uitvoering voor eigen publiek, beperken we ons tot het lied van John Blow. Chiomo d’oro laten we vallen. Officieel omdat we het nog te weinig geoefend hebben. Je zou ook kunnen zeggen: omdat we het te weinig doorleefd hebben.
0

PUNTJE, PUNTJE, PUNTJE

Dagelijks
Afgelopen zondag bezochten we de tentoonstelling Seurat, meester van het pointillisme. De Franse schilder Georges Seurat (1859 – 1891)  bouwde zijn schilderijen op uit ontelbare stipjes. Hij werkte veel aan de Noord-Franse kust om ‘zich te bezatten aan het licht’. Daarnaast legde hij taferelen in Parijs vast, zoals een circusact en dansers in een nachtclub.
Seurat heeft diverse keren mijn pad gekruist.
Om mijn studentenkamer aan de Oude Kamp in Utrecht te verfraaien kocht ik in 1976 een grote poster van Un dimanche après-midi à l’Île de la Grande Jatte en prikte die op de wand van grijze glaswolcement platen.
In ‘97 bezochten we de tentoonstelling Seurat and the bathers in the National Gallery in London. In onze kelder hangt als decoratie nog altijd een plastic tasje met een detail van Une baignade, Asnières, een soortgelijk tafereel als hierboven. Wat we in London verder aan werken gezien hebben, weet ik niet meer. Daarom was het geen enkel bezwaar om opnieuw een Seurat-expositie te bezoeken. Vergeten heeft ook zijn voordelen.
Eigenlijk is het bezoeken van zo’n tentoonstelling gekkenwerk. Het aantal schilderijen dat ik gemiddeld genomen op een normale dag bekijk ligt in de buurt van de 0,01. Opeens ga ik dan in een paar uur tijd 60 schilderijen bekijken. Is dat niet te veel en te snel? Kunstpresentator Pierre Janssen kon wel een half uur geboeid naar één schilderij kijken. Maar ja, we staan langdurig in de rij om binnen te komen en leggen er € 17,50 p.p. voor neer. Dan ga je niet vier schilderijen uit en te na bestuderen en vervolgens weer naar huis. Dat langdurig kijken kan je thuis op Internet ook nog doen.
Ik moet bekennen, dat ik me niet altijd even gemakkelijk voel in een museum. Als ik mijn jas en tas heb afgeleverd en aarzelend de eerste zaal in loop, vraag ik me af hoe ik het bezoek ga aanpakken.
Kijk ik gewoon naar wat er te zien is op de schilderijen of let ik op wat een werk bij mij oproept? Probeer ik te achterhalen wat de schilder wil uitdrukken of wat het zegt over de tijd waarin het ontstaan is? Of kijk ik naar de wijze van schilderen, de compositie, de lichtval, de techniek? Ik wissel nogal eens van invalshoek.
Hoe dan ook vraag ik me af, wat de keuze van het onderwerp en de wijze van schilderen zeggen over de maker. Wat voor man ben je als je een schilderij uit duizenden puntjes opbouwt?
Verder kijk ik in een museum –  ik kan er niets aan doen, ik ben zo opgeleid – ook naar de andere bezoekers (overeenkomstig de definitie: a psychologist is someone who, when a good-looking girl enters the room, watches everybody else).
Er zijn bezoekers, die minutieus teksten doorlezen en nauwelijks een blik werpen op het betreffende kunstwerk. Je hebt de Japanners die zich op de foto laten zetten naast een overbekende van Gogh.
Er zijn de ingewijden die hard pratend in de rustige zaal hun kennis aan anderen laten blijken en je hebt de stille kijkers, mensen die heel lang en zonder beweging tussen het schuifelende publiek hun blik op een schilderij gericht houden.
Seurat zelf had weinig aandacht voor de mens. Hij schilderde het liefst boten en rotspartijen aan de kust. Zonder mensen. Op werken waar hij deze wel schildert, zoals boven, lijken het levenloze poppen, stijve figuren, in zichzelf verzonken, zonder beweging en zonder contact met anderen. Opvallend zijn de dames met de kunstmatig vergrote derrières, een contrapunt met de boezem aan de voorzijde. Het lijkt een tijd van knellende structuren. Zou Seurat zich met zijn puntjestechniek ook een keurslijf opgelegd hebben?
Vragen opwerpen, het hoort bij de kunst. Pierre Janssen kon er ook wat van. Dan hield de camera zijn blik een tijdlang gevangen. Daarna zette de muziek in.

 

1

VOORUITGANG IN VLEUTEN

Herinnering
In mijn kinderjaren woonde ik aan de Hamweg in Vleuten. Tot begin zestiger jaren was dat een onverhard weggetje dat vanuit de kern van het dorp tussen weilanden en boomgaarden naar het westen liep. Ons huis was het laatste huis. Het weggetje werd daar aan één zijde begrensd door scheefstaande knotwilgen en een ondiep slootje. Enkele honderden meters na ons huis liep de weg dood op het houten hek van een weiland.
Elke werkdag kwam de melkboer langs, Dirk Fokker. Zijn wagentje werd getrokken door een wit-bruine pony. Voor de melkboer was ons huis een keerpunt op de route. Zijn pony greep het moment van rust regelmatig aan om zijn darmen te legen. Zodat wij wegfietsend van ons erf altijd bedacht moesten zijn op het vermijden van een grote hoop. Dat was voor ons de normaalste zaak van de wereld. Paardendrollen hoorden bij het leven, zoals de brandnetels onder de knotwilgen en de kwakende kikkers in het slootje.
In het begin van de zestiger jaren bereikte de vooruitgang onze woonomgeving. Lawaaierige werktuigen haalden de hagen en fruitbomen omver en draglines verplaatsten grote hoeveelheden grond als voorbereiding op de bouw van een nieuwe wijk. De Hamweg werd bestraat en omgedoopt in den Hamstraat. Ook Dirk Fokker ging met zijn tijd mee. Hij verruilde zijn ponywagen voor een electrisch gedreven Spijkstaal wagentje. Het voertuig kon voor ons huis gemakkelijk draaien. Het liet zelfs geen remsporen na.
Het was rond die tijd, dat mijn moeder aan Dirk vroeg of hij in de zomertijd misschien een goede hulp kon gebruiken. Ik ging naar de eerste klas van de middelbare school en had minstens anderhalve maand vakantie. Na drie dagen ga je dan eens om je heen kijken of er nog wat te doen is.
Zo gebeurde het dat ik mij op een maandagmorgen om 7.00 uur meldde bij de melkzaak van Fokker in de Schoolstraat. Enkele minuten later zoefden we zachtjes, de deur van de Spijkstaal open, door de Stationsstraat op weg naar de eerste klanten. Dirk zat breeduit achter het stuur op het met skai beklede bankje. Ik leunde met één bil op de kleine plek die nog over was. Ik durfde niet te vragen of hij wat kon opschuiven.
Bij de eerste klant gekomen, aan de Julianastraat, stapte ik direct de wagen uit en holde het tegelpad op. ‘Doe maar rustig aan’, riep Dirk. Een hulp kon hij wel gebruiken, maar alles op zijn tijd.
Nadat we de wijk Achter het Spoor bediend hadden, stak Dirk om half tien in de ochtend een sigaar op. Ook dat behoorde bij de vooruitgang.
Ik kreeg het zuivelvak snel onder de knie. Ik leerde bij welke klant je aan de voordeur moest zijn en bij wie je achterom liep. Voor wie ik losse melk in een melkkoker moest tappen, waar ik flessenmelk diende te bezorgen en waar taptemelk. Bij welke huisvrouw contant werd afgerekend en bij wie er op rekening werd geleverd.
De vooruitgang in het melkwezen bestond uit de introductie van een plastic zak melk. Die moest het sjouwen met statiegeldflessen overbodig maken. Bij de zak werd een blauwe, hard plastic schenkkan geleverd. Je plaatste de zak in de schenkkan, knipte een hoekje uit de melkzak… en schenken maar!
 
 
Oneindig vaak heb ik Dirk het verhaal horen vertellen over zijn collega in Maarssen die – om de kracht van de plastic zak te bewijzen – een zak naar een klant had geworpen. Met fatale afloop. De vooruitgang verloopt niet altijd gladjes.
Toen ik een paar weken tot tevredenheid van mijn baas had meegewerkt werd ik bevorderd. Ik kreeg  een zwarte leren geldtas, zodat ik zelf kon afrekenen. Daar kwam geen bon of papiertje aan te pas. Teruglopend van de wagen telden we de bedragen in ons hoofd op. De klant, met de portemonnee al geopend in de hand, accepteerde zonder vragen de optelling.
De volgende fase was, dat Dirk het afrekenen veelal aan mij overliet. Hij had in de gaten gekregen dat ik heel snel kon hoofdrekenen. Dirk hield daardoor meer tijd over om te kletsen met zijn klanten. Dat vond ik wel een nadeel, want ik wilde altijd snel verder. Na de middagpauze volgde nog de Schoolstraat. Daar leek nooit een einde aan te komen. 
Mijn loon werd in de loop der tijd verhoogd van 10 gulden naar 12,50 contant op een dag. De vooruitgang was niet te stoppen. 
1

DE PRUNUS DOMESTICA

Dagelijks

‘Tot ziens in de pruimentijd!’

Deze afscheidsgroet heeft volgens het Genootschap Onze Taal twee betekenissen: ‘tot over een poosje’ of, als je niet weet wanneer je de ander weer zult zien, ‘tot ooit’. De herkomst van de uitdrukking is niet bekend. Mogelijk is de zegswijze bedacht door P.C. Hooft, die in de zomer zijn vrienden op het Muiderslot ontving. Je hoort de uitdrukking niet veel meer. Het areaal pruimen in Nederland vertoont al jaren een dalende tendens.
Wij kunnen de groet nog in de letterlijke betekenis gebruiken. Achter in onze tuin staat een prunus domestica. De pruimenboom brengt elk jaar een groot aantal ronde, paarskleurige pruimpjes van een onbekend merk voort.
Ik hou van die pruimenboom.
Het is een hele oude, eerbiedwaardige boom. Misschien is ie wel net zo oud als ons huis (1897) of zelfs ouder. Ons huis is namelijk gebouwd op een plaats die in de negentiende eeuw de groentetuin van Utrecht werd genoemd. Er staan nog meer oude fruitbomen in de buurt. Hoe oud de boom is valt niet te achterhalen. Het Meertens-instituut houdt geen databank van vruchtbomen bij. Maar zo’n oud sieraad haal je niet neer.
De boom staat op de grens met de tuin van de achterburen, een studentenhuis van het Utrechts StudentenCorps. Hij vormt een natuurlijke scheiding en schermt een groot deel van het jaar met zijn lover het zicht op onze tuin en ons huis af (helaas houdt hij het geluid niet tegen).
Daarnaast fungeert de pruimenboom als hèt landingspunt voor langsvliegende vogels. Vooral in de winter zitten er niet alleen mezen en vinken, maar ook sijsjes, spechten, boomkruipers en –klevers, koperwieken en zwartkoppen in de boom. Ze rusten even uit of ze vinden voedsel tussen de rimpels van de oude bast.
De enorme lading vruchten die de boom elk jaar weer oplevert nemen wij op de koop toe.
Natuurlijk, we eten er ook van. Het pruimpje heeft de authentieke, volle smaak van een huisgekweekte, langzaam gerijpte vrucht. Pruimen zijn, zoals mijn vader zou zeggen, goed voor een zeker doel. Daarmee bedoelde hij dat het zijn stoelgang bevorderde. Maar als ergens het gezegde ‘overdaad schaadt’ opgaat, dan geldt dat wel de pruimenconsumptie. Eet je teveel dan moet je die gang vaak maken.
In vroeger jaren klom ik onverdroten de boom in om de rijkdom te oogsten. We spreidden de pruimen op oude kranten in de kelder. We maakten er jam van, saus en pruimentaart.
Mijn moeder gold daarbij als groot voorbeeld. Ik ken niemand die vrijwillig zoveel jam van allerhande vruchten heeft geproduceerd en kostenloos gedistribueerd als mijn moeder. Pruimen had zij echter niet in haar tuin. Had ze die gehad, dan was ze wellicht tot dezelfde conclusie gekomen als wij. Na enkele dagen smullen van de zelf bereide pruimenproducten gaat de geur je opeens lelijk tegenstaan. Dan smaakt alles ontzettend weeïg. Alleen al de aanblik van zo’n paars mormel brengt de maag dan in opstand.
De vrucht is niet altijd te pruimen. Het woord zegt het al. ‘O, pruimen!’ leidt tot opruimen.
Nu rapen we elke dag een emmer vol van wat er op de grond gevallen is. We eten met mate van wat niet bedorven of aangevreten is en geven nog wel eens wat weg. Maar de rest wordt doorgedraaid. Met die Russische boycot is het fruit op de markt immers niets meer waard. Misschien moeten we ons maar gaan toeleggen op het stoken van slivovitsj. Dat zal wel niet onder de boycot vallen.
Tegelijkertijd voeren we onze strijd op tegen de grootste liefhebber van de pruim. Het schepsel dat je niet hoort en nauwelijks ziet. Het beest dat wij elk jaar in de pruimentijd weer in grote aantallen mogen begroeten: de fruitvlieg.
Zo gaat dat jaar in, jaar uit. Daarmee wordt waar wat men in Engeland zegt:
Time flies like an eagle
Fruit flies like a prune.
0

HET WASSENDE WATER

Dagelijks

Watermanagement. Wij Nederlanders staan er wijd en zijd om bekend. Is er ergens ter wereld een dijkdoorbraak of overstroming, dan wordt Nederlandse expertise ingevlogen. Wij zijn groot geworden in de strijd tegen het water. Een deel van ons land ligt onder het zeeniveau, tot verbazing van niet-Nederlanders. Alle prognoses over de stijgende zeespiegel, die ervoor zal zorgen dat Amersfoort over enige tijd aan zee ligt, verontrusten ons niet. Buitenlanders kijken in Nederland hun ogen uit naar al die parallelle slootjes en vaarten tussen de weilanden. Watergemalen zijn een attractie geworden.
Watermanagement is zo’n onwrikbaar onderdeel van ons imago, dat, toen er eind negentiger jaren een zinvolle tijdsbesteding werd gezocht voor onze a.s. koning, de keuze als vanzelf op waterbeheer en sanitatie viel.
De laatste jaren staan we in Nederland weer voor nieuwe uitdagingen. Door de klimaatverandering hebben we ‘s zomers in toenemende mate te maken met wolkbreuken en stortbuien. De Deltacommissie is weer nieuw leven ingeblazen. Zij concludeerde onlangs dat er in Nederland teveel asfalt en stenen liggen waardoor bij heftige buien het water niet meer weg kan. Dat zorgt voor ondergelopen straten en natte kelders. De commissie waarschuwt dat de wateroverlast in de toekomst alleen nog maar zal toenemen.
De dreiging van een nieuwe zondvloed is onze straf voor de opwarming van de aarde.
Het is niet alleen maar goed wat er van boven komt.

Op maandag 28 juli ontlaadde zich boven Utrecht en omgeving een wolk met een enorme plens water. Een deel van het winkelcentrum Hoog-Catharijne werd wegens lekkage gesloten. Er kwam zoveel omlaag dat het niet meer met een emmertje hier en een bakje daar was op te lossen. De Oude Gracht trad bijna buiten haar oevers. Dat enkele kroonjuwelen van de stad gevaar liepen, daar konden we nog mee leven. Erger voor ons was, dat het grondwater in onze woonomgeving dusdanig gestegen was, dat het water geleidelijk maar aanhoudend onze kelder binnen kwam siepelen. Het liep door kieren en naden, aanvankelijk in kleine hoeveelheden die nog bij te dweilen waren. Maar juist toen de ergste stortvloed voorbij was en de redding nabij leek, kwam het water, onduidelijk vanuit welke kant, in golven naar binnen stromen.
Sinds we dit huis bewonen, vanaf 1985, is de kelder twee keer eerder ondergelopen. Eenmaal was de brandweer in de straat om kelders leeg te pompen. Bij de aanblik van de 6 centimeter die in onze kelder stond was het schampere antwoord: ‘Dat blijft er ongeveer over als wij ons werk gedaan hebben’.
Dus restte ons, toen en vorige week, niets anders dan dweilen, dweilen, en dweilen. Honderden emmers vol, tot onze beenspieren overbelast raakten bij het bukken, onze ruggen pijn gingen doen bij het sjouwen van de emmers, en het vel van onze handen kapot ging door het wringen (vervloekt zij de firma die de gele huishoudhandschoentjes alleen maar in damesmaten op de markt brengt).
Ik zag ondertussen beelden voor me van meubels die ronddreven in huizen en aardappels die wegrotten op ondergelopen akkers. De gedachte dat het het ongeluk je altijd nog erger kan treffen, werkt verzachtend.
Nu is alles weer opgedroogd. De spullen staan op stenen of houten verhogingen. Gestimuleerd door de Deltacommissie hebben we een rampenplan uitgewerkt (werktitel: Après nous le déluge). Nieuwe materialen zijn aangeschaft, verantwoordelijkheden beschreven en roosters voor piketdiensten opgesteld.
Watermanagement. Het is onze lust en ons leven.
En nu moet ik naar de wc.

Met dank aan streekschrijver Herman de Man, die deze titel voor een van zijn boeken bedacht.

3

RETIRE, RETIRE

Muziek
King Arthur is een semi-opera van de Britse componist Henry Purcell (1659-1695).
Het is een warrig verhaal over oorlogen, het liefdesleven van herders en een cold genius die door Cupido tot leven gewekt wordt. De moraal is: lang leve Britannia, het mooiste land op deze aarde.
In het Tsjechische Bechyne studeer ik samen met vijftien andere zangers en een klein orkest de opera in. Na een week voeren we het stuk twee dagen achter elkaar op in de koningszaal van het 15e eeuwse kasteel aldaar. De koorzangers nemen ook de solopartijen voor hun rekening.
De deelnemers zijn doorgewinterde musici uit alle delen van de wereld. Ze zingen al jaren op hoog niveau of spelen in de betere amateurorkesten. Sommigen hebben musicologie gestudeerd of het conservatorium afgerond. Het gaat tijdens het instuderen dan ook om de details. Om de dynamiek binnen een woord of een lettergreep of om de uitspraak van de -r- in het 17e eeuwse Engels. De docenten hebben tevoren dé Purcell-deskundige in Nederland geraadpleegd over de muziek en de teksten. Dat kan niet verhinderen, dat diverse deelnemers hun eigen mening over de interpretatie naar voren brengen.
Ik ben een geoefend amateur-zanger, maar reken mijzelf niet tot deze categorie van ingewijden en bijna-professionals. Niettemin heb ik uit vrije wil en met mijn volle verstand voor dit project gekozen. De leiding had mij een rol toebedeeld in twee korte trio’s. In een vlaag van ongepaste ambitie had ik toen gevraagd of ik ook een solo-aria voor mijn rekening mocht nemen. Hetgeen boven mijn verwachting direct gehonoreerd was. Gedurende deze achtdaagse komt echter aanhoudend de vraag in mij boven of ik, om in muzikale termen te blijven, niet te hoog heb ingezet.
Ik zing de aria Ye blustering brethren of the skies. De god Aeolus kalmeert in dit lied de tierende winden (retire, retire), zodat Britannia, de koningin van de eilanden, uit de zee kan oprijzen. De aria begint met een groot aantal zestiende nootjes in de violen, een druk en onrustig allegro, dat geleidelijk, als de winden bezworen zijn, overgaat in een andante: serene and calm, and void of fear, the queen of islands must appear. Luister maar hoe bas Petteri Salomaa dit zingt:
http://youtu.be/6fhs6C_UJy4?t=1h1m56s(aria loopt door tot 1:05:15).
Na de eerste repetitie zegt de conductor dat hij mijn klank mooi vindt, maar  dat ik het tempo eruit haal door regelmatig net na de tel in te zetten. Gaandeweg de week krijg ik steeds meer complimenten, maar het stuk moet wel steeds opnieuw geoefend worden. Mijn collega zangers loven mij in die mate, dat het voelt alsof ik zonder dat de eindstreep niet zal halen.
Een aparte uitdaging is mijn eerste inzet. Je kan nog zo mooi zingen, maar als je een tel eerder of later inzet, gaat de aria de mist in. Het orkest gaat door, het is geen piano die een paar tellen kan inhouden. De aria begint in de tweede tel van de 12e maat. Het orkest komt in die maat op een c-groot akkoord uit en dat zou mijn houvast moeten zijn. Door al dat gefiedel haal ik die c er echter niet uit, dus ik ben er toe veroordeeld om vanaf het begin 12 maten straf mee te tellen.
Bij de uitvoering sta ik aan het begin achter in de zaal, als een polsstokspringer voor zijn aanloop. Ik moet door het middenpad opkomen. Op de afgesproken tel ben ik vooraan en begin ik met het temmen van de winden. Het voelt alsof ik het orkest aan het kalmeren ben.
 
Dan zie ik op de eerste rij een jonge vrouw met een wereldwijd decolleté. Dat helpt niet als je de boel tot bedaren moet brengen. Ik richt mijn ogen op de duistere achterzijde van de zaal.
Als iemand zegt dat je niet aan een roze olifant moet denken, komt dat beest je vanzelf voor ogen. Zo komt ook in dit geval het beeld van de boezem onherroepelijk terug.
Ik concentreer me op het tellen. Ondertussen ben ik, begeleid door de  blokfluiten, aangekomen in het andante: serene and calm. Ik begin er van te genieten. De laatste maat houd ik wat langer aan. Daarna zet onze voorklapper het applaus in.
0

DE KUNST VAN HET WACHTEN

Dagelijks

Voor je begint met het verder lezen van dit blog, wil ik je vragen om vijf minuten te wachten. Blijf achter je pc of tablet.

Bedankt voor het wachten! Hoe beviel het?
Ooit stonden wij vier uur lang te wachten in regen en kou op de flanken van de Galibier om de renners van de Tour de France langs te zien komen. Wij wisten dat het zo lang zou duren en we hadden er zelf voor gekozen. Het was wachten op een bijzondere gebeurtenis, dus de wachttijd was nog dragelijk.
Ergens blijven tot iemand of iets komt past niet meer bij deze tijd. Wachten voor een kassa, voor het stoplicht, voor de wc (of op de wc), in de telefonische wachtrij, ik heb er een bloedhekel aan en velen met mij. Wachten is tijd verdoen, die je ergens anders voor kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om te barbecuen, naar sport te kijken, te feesten en te genieten. Nu. Als je wacht tot je gepensioneerd bent, kan je het misschien wel niet meer doen.
Helaas moeten we ons af en toe aanpassen. Op vakantie bijvoorbeeld.
Zo moesten wij ooit in het dorp Vrysses op Kreta een taxi nemen naar Vamos, een gehucht dat alleen op deze wijze te bereiken was.
Op het centrale kruispunt in Vrysses was er een benzinepomp / annex loodgieter / annex constructiebedrijf. Hier runde men ook de enige taxi van het dorp. Die auto was echter naar Chania  en het was onbekend wanneer ie weer terug zou zijn. Geen nood. De monteur, een man met een snor  waarvan de punten omhoog gekruld waren, verkocht ook koffie en broodjes. Het was midden op de dag, we namen het er heerlijk van en lieten ons vermaken door het dorpse leven. Er klonk weemoedige muziek die me deed denken aan Stroei Voei uit Ja Zuster, Nee Zuster (‘Hij zingt over zijn vaderland’. ‘Hoe weet u dat?’. ’Dat voel ik’.).
Na een paar uur echter hadden we het dorpsleven  wel gezien. Er stopte een auto bij het bedrijf, maar dat bleek een handelaar in walnoten te zijn. De vrouw van de monteur stopte ons wat toe. Een uurtje later schonk ze nog een glaasje raki. Ze zei er iets bij wat we niet verstonden. Het klonk als: ‘geniet van het leven!’, maar het had even goed  ‘wel graag afrekenen!’ kunnen zijn. Het was onze eerste dag in Griekenland, dus met de taal wilde het ook nog niet zo vlotten.
We belden eens naar onze eindbestemming, maar daar werd niet opgenomen. We informeerden in een bar, maar het meisje daar kon ons ook niet helpen. De schaduwen in de straat werden langer en langer.
Opeens reed er een taxi voorbij. De vrouw van de monteur gilde over straat. De auto keerde om en verloste ons uit ons lijden.

Mensen, die het goed met ons voor hebben, menen dat wachten ook kansen biedt. Je kunt je  ontspannen en helemaal tot jezelf komen. Je kunt stilstaan bij de vraag of je met het goede bezig bent. Wachtlijsten in de zorg kunnen helend werken. Soms gaan klachten vanzelf weer over. Huisartsen hebben dit tot methodiek verheven. Watchful waiting wordt dat genoemd.
Filosofen zeggen dat wachten bijdraagt aan rust en creativiteit.
Daarom ben ik sinds kort in training om mijn wachtpotentie te vergroten. Ik sta op wachtgeld, dat helpt. Inmiddels kan ik al intens genieten van een rood stoplicht. Ik overweeg mij aan te melden bij de brandweer. Wachtlopen lijkt me ook wel wat. Ik hou van wandelen, dus dan kan ik twee bezigheden in dezelfde tijd combineren! Of is dat weer het oude efficiencydenken?

Mocht je benieuwd zijn naar mijn volgende blog, dan moet je nog even wachten. Vanaf zondag ben ik in Tsjechië voor een zangtiendaagse. De eerstkomende bijdrage is op zijn vroegst over veertien dagen te ver-wachten.