Schrijven, Lezen, Leven.
7

DEPRI

Dagelijks

bladerenStel je hebt een hernia of je bent geopereerd aan een gebroken heup. Dan heb je op een verjaardag wat te vertellen. Dan ben je verzekerd van aandacht en medeleven.
Maar als je een depressie hebt gehad, dan hou je liever je mond.
Een depressie, of een andere psychische stoornis, wordt gezien als een vorm van persoonlijk falen. En praten over je eigen fouten doe je niet.
Of, om het nog pregnanter te formuleren: als je je heup gebroken hebt doordat je een fout gemaakt hebt bij het skiën, dan kan je dat rustig vertellen. Maar in het geval van een depressie hangt het falen zo samen met gevoelens, gedachten en gedrag dat je op een feestje niet op de openbare divan gaat liggen. Dat is kenmerkend voor psychische problemen.
Afgelopen maandag is in Amsterdam het Depressie-Gala gehouden. Deze feestelijke bijeenkomst was mede georganiseerd door de psychiaters Esther van Fenema en Bram Bakker. Zij vinden dat je net zo gemakkelijk over een depressie moet kunnen vertellen als over een hernia. Een optocht van bekende Nederlanders uit de wereld van het amusement kwam vertellen over de eigen depressie. Die BN’ers waren blijkbaar niet moeilijk te vinden.
Ik heb zelf een groot deel van mijn loopbaan in de preventieve geestelijke gezondheidszorg gewerkt. Ik weet waar het over gaat en ik ben blij met de aandacht voor depressie. Zo was het jaren geleden een enorme doorbraak toen prins Claus verklaarde onder depressies te lijden. Ik juich daarom het doel van dit Gala van harte toe. De bijeenkomst was een succes, het genereerde veel media-aandacht. Dat heb je nodig voor een mentaliteitsverandering.
En toch. Er is iets dat mij stoort aan dit Depressie Gala. Maar wat is dat?

Het gaat mij er niet om, dat het begrip depressie aan inflatie onderhevig is. Woorden als depressief en depri zijn onderdeel geworden van het dagelijks taalgebruik, wat tot vervaging van het begrip leidt. Maar daar kunnen de organisatoren niets aan doen.
Hen valt evenmin te verwijten dat er nog veel onduidelijkheden zijn rond het ontstaan van depressies. Er is geen onderwerp in de psychiatrie waar de laatste jaren zoveel mensen op zijn gepromoveerd, maar de resultaten van al die onderzoeken zijn niet eenduidig. Zo kwam een promovenda vorig jaar tot de conclusie dat een gelukkige jeugd vaker de voorbode is van een depressie op latere leeftijd.
Een depressie ontstaat nooit alléén door een stofje in de hersenen. Ook de omstandigheden spelen een rol (bijvoorbeeld het verlies van een dierbare) en een persoonlijke factor (je gedrag en je gedachten en gevoelens). Daarin onderscheidt een psychisch probleem zich juist van een fysieke aandoening zoals een hernia. Dat deze nuance in de publiciteit rond het Gala verdwijnt zij de organisatoren vergeven.

Waar het mij om gaat, is dat voor het doorbreken van een taboe en het anders denken over depressies een langetermijnstrategie nodig is.
Wij hadden in Nederland tot voor een paar jaar een prachtige structuur voor de preventieve aanpak van psychische problemen. Vanuit elke GGZ-instelling waren preventiewerkers actief in het geven van voorlichting en effectieve cursussen. Voor een schijntje. In andere landen was men jaloers hierop.
De afgelopen jaren hebben de ziektekostenverzekeraars onder aanvoering van minister Schippers deze structuur compleet om zeep geholpen. De medewerkers zijn ontslagen, een grote schat aan expertise is verloren gegaan. Dat zal met preventieprogramma’s in de somatische zorg niet gauw gebeuren. Ook op het ministerie is de houding tegenover een hernia anders dan tegenover een depressie.
In plaats van het dagelijkse preventieve werk is er nu een eenmalig Amerikaans liefdadigheidsgala van enkele narcistische mediapsychiaters. En terwijl wij jarenlang bij het ministerie van VWS hebben lopen sappelen voor anonieme e-health voor jongeren met sombere gevoelens en we hierin steeds stuitten op een kruideniersachtige bezuinigingsdrift, komt Edith Schippers in het zicht van de camera’s opeens verklaren dat zij de preventie zo’n warm hart toedraagt en tovert zij 10 miljoen euro uit een hoge hoed voor nog eens een volgend onderzoek.
Daar word ìk nu een beetje depressief van.

2

EEN TOONTJE HOGER

Muziek

In vroeger eeuwen was de tenor de belangrijkste zangstem. Het woord tenor is afgeleid van het latijnse tenere wat (vast)houden betekent. De tenoren ‘houden de melodie vast’, waar de andere partijen omheen kunnen variëren. De andere stemmen mogen botsen met elkaar als het maar goed samenklinkt met de tenor.
Ook in de 19e eeuwse opera’s is de tenor belangrijk. De meeste en de mooiste aria’s zijn weggelegd voor tenoren. Als bariton (hoge bas) heb ik daar het nakijken.
Je zou dus denken, dat er genoeg mannen staan te dringen om die mooie tenorpartijen in te vullen. Niets is minder waar. Er is een groot tekort aan tenoren. Nederland telt duizenden koren en bijna ieder koor is op zoek naar tenoren.
Een populaire verklaring voor het toenemend gebrek aan tenoren wordt gevonden in de toegenomen lengte van mannen. Langere mannen hebben langere stembanden en daarmee lagere stemmen, zo wordt gezegd. Maar klopt dat wel?
In Duitsland heeft men dit onderzocht. Daar bestaan Musikmedizinische Institute. Men liet er vierduizend proefpersonen door de bodyscan gaan. Er werd geen verband gevonden tussen de lengte van de stembanden en de hoogte van de stem.
Wel ontdekte men, dat de spreekstem van mannen hetzelfde is als honderd jaar geleden, maar dat de stem van vrouwen een stuk lager is dan toen. Een lagere spreekstem drukt meer macht en competentie uit. Zo schijnen alle vrouwelijke nieuwslezers op tv een lage spreekstem te hebben. Bij de verlaging van de vrouwenstem denkt men daarom aan een relatie met veranderingen in rolpatronen.
Als het dan niet aan de lengte van de stembanden ligt, hoe komt het dan dat de tenor een soort uitstervend ras is?
Sommigen denken dat het fenomeen te maken heeft met een verschraling in de zangcultuur. Op basisscholen wordt weinig of geen tijd meer besteed aan zangles en de muziekscholen zijn wegbezuinigd of te duur geworden. Welke jongere meldt zich in het tijdperk van de Voice of Holland nog aan bij een zangvereniging?
Dit klinkt mij plausibel in de oren, maar waarom is er dan geen tekort aan bassen?
De Volkskrant kopte zes jaar geleden: Als zingen macho was, was er geen tenorentekort. Men verwijst in het artikel naar landen als Italië en Spanje waar een vette tenoraria nog altijd de grootste bewondering oogst. Mannen zouden in deze landen hoger dúrven zingen.
Is het probleem opgelost als wij mannen meer lef tonen?
Ik denk het niet. In de stemhoogtes is er naar mijn idee sprake van een normaalverdeling. De meeste mannen bevinden zich met een baritonstem in het midden van de normaalverdeling. Aan de uiterste linkerzijde is er een klein hapje (lage) bassen, aan de andere zijde een gering aantal (hoge) tenoren.
Als dan de zangcultuur achteruit gaat, dan staan er nog minder tenoren op. Dat geldt ook voor lage bassen.

Tja, wat moet je als je tenoren tekort komt?
In een aantal koren hebben de teneuzes of tenorettes hun intrede gedaan: lage alten die een tenorpartij aankunnen. Misschien zijn het wel de ‘vrouwen-met-de-broek-aan’ die hiermee hun macht uitdrukken. Hoe dan ook, ik vind het een noodoplossing. Lage vrouwenstemmen klinken ook daadwerkelijk laag. Hun stem is minder helder en stralend dan een hoge mannenstem.
Zouden baritons dan getraind kunnen worden om tenorpartijen te zingen?
Mijn zangjuf stimuleerde mij ooit om het steeds hogerop te zoeken. Dan zocht ze stukken op met een hoge fis of g. Het waren vaak macho-aria’s die zij voor mij uitkoos. Er zal wel een gedachte achter gezeten hebben. Tot aan de hoge f kan ik een redelijke klank produceren. Daarboven komen er bijgeluiden mee die aan heel andere sensaties doen denken. Iets wat ik trouwens bij uithalen van professionele sopranen ook wel ervaar.
Naast de hoogte van de stem verschillen de stemgroepen in timbre of klankkleur. Deze klankverschillen hoor je als een bas en een tenor hetzelfde lied in dezelfde toonsoort zingen. Zoals je ook verschillen hoort tussen bijvoorbeeld een saxofoon en een trompet. Technisch gezien kan ik een lage tenorpartij meezingen, maar mijn baritonklank sluit niet optimaal aan bij de klank van de tenoren.
Ik geloof dus niet dat je je als bariton tot tenor kunt ontwikkelen. Hoe aanlokkelijk dit ook zou zijn. Je wordt immers overal met open armen ontvangen.

1

 IK OVERSTROOM

In het nieuws

waterWoensdagavond was ik opeens ziek. Ik voelde me zo gammel, dat ik alleen nog maar wilde liggen op de bank. Zelfs lezen was me te inspannend, dus uit arren moede zette ik de televisie aan en keek naar 100 jaar droge voeten, een programma over de bedreigingen van het water. De aanleiding hiervoor was de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1916. Toen braken in een stormachtige januarinacht de dijken van de Zuiderzee. Het eiland Marken en de polder Waterland (nomen est omen) werden overstroomd. 34 mensen kwamen om het leven, de materiële schade was groot. De ramp was aanleiding voor de aanleg van de Afsluitdijk, zoals de ramp van 1953 dat zou worden voor de Deltawerken.
De NOS had het Woudagemaal, het oudste nog werkende stoomgemaal in Nederland, als locatie voor het programma gekozen. Voor de gelegenheid had men de enorme machinehal met blauwe en oranje spots fraai uitgelicht.
Een professor uit Delft was ingehuurd voor de uitleg over de dijkbeveiliging.
Dat was een hele knappe, voor Delft een hele knappe, zong Jaap Fisher 50 jaar geleden al.
De man had zijn teksten goed voorbereid en hij deed zichtbaar zijn best om tussen zijn antwoorden door te ontspannen. Niettemin stond hij er stijfjes bij, alsof de NOS hem aan de grond had vastgeplakt. Hij wist ook niet goed waar hij zijn handen moest laten. Wellicht dat de regisseur daarom voortdurend schakelde naar de schitterend verlichte turbopompen en vliegwielen.
De NOS had nog een enquete gehouden, waaruit bleek, dat een groot deel van de Nederlanders op het gebied van de waterveiligheid een groot vertrouwen in de overheid heeft. Toch maakt men zich, vanwege de klimaatverandering en de zeespiegelstijging, zorgen over de toekomst. Een meerderheid zei onvoldoende geïnformeerd te zijn over wat te doen bij wateroverlast.
De overheid wil dat de burgers zich meer bewust zijn van de risico’s, zodat zij zelf voorbereidingen kunnen treffen. De kijker werd verwezen naar www.overstroomik.nl. Daar kan je bijvoorbeeld voor elke plaats opzoeken hoe hoog het water bij een dijkdoorbraak komt.
Ik kreeg nu sterk de indruk dat het eigenlijke doel van de uitzending hiermee boven water kwam.
De risico’s zijn weliswaar erg klein, zei de professor, maar mochten de dijken doorbreken dan is de schade aanzienlijk. Hij liet nu zijn schouders er een beetje bij hangen. Alsof hij zich persoonlijk verantwoordelijk voelde. Ik begon me opeens te ergeren aan die feestelijke verlichting.
Daarna zagen wij opnamen van het Willem van Noortplein in Utrecht. Passanten konden door een ingenieuze bril bekijken hoe het plein er na een dijkdoorbraak uit zou zien. Het water staat er dan één meter hoog. Daar schrok ik toch wel van. Het betekent namelijk dat ook ons huis een meter in het water zal staan.
Na de uitzending raadpleegde ik voor de zekerheid overstroomik.nl. Daar verscheen na het invullen van de postcode een mededeling die niet mis te verstaan is: Ja, je overstroomt maximaal 1.0 meter. Je hebt een kans van groter dan 10% dat jij dit in je leven meemaakt. Dat kan ook morgen zijn.
Blijkbaar was de site al op de hoogte van mijn leeftijd.
Van de professor had ik gehoord, dat de meeste dijken in Nederland al voorbereid zijn op een zeespiegelstijging van 1 meter en dat de kans op een dijkdoorbraak op 1% in de 100 jaar wordt geschat, maar de website lezend begreep ik dat de gevaren veel groter zijn. En dat terwijl Nederland de meest veilige Delta ter wereld wordt genoemd!
Ik bedacht dat we gelukkig nog een aardige voorraad kidneybonen, pastasauzen en hagelslag in de kelder hebben staan. Het kattenvoer zou ook nog wel eens van pas kunnen komen. Die voorraad moeten we dan wel naar de zolder te verplaatsen. Het lijkt me immers niet zo prettig als we de blikjes uit de kelder moeten opduiken.
Electriciteit, gas, internet, alles valt uit bij een watersnood. Ik besefte dat het hoog tijd is om een overlevingspakket aan te leggen: transistorradio, zaklamp, kaarsen, dekens. Het kan morgen al gebeuren.
Maar op dat moment was ik te ziek om actie te ondernemen. Ik overstroomde en wilde alleen nog maar liggen. Maar dan in bed, zonder tv. Après nous le déluge.

0

EEN NIEUW JAAR

Dagelijks

Het is zondag 3 januari en het is mijn tijd om een rondje te joggen.
Op straat liggen her en der verdorde kerstbomen. De feestdagen zijn voorbij, de kerstboom is de deur uit en de mensen gaan over tot de orde van de dag. Of ze dromen alvast over de volgende vakantie. Verder zie ik overal niet-opgeruimde overblijfselen van vuurwerk: lege dozen met zwartverbrande gaten en massa’s verregende rode papierresten.
De jaarwisseling is rustiger verlopen dan vorig jaar. In Utrecht gingen slechts 37 auto’s in de fik. Dat geeft minder gewonden dan dat ontploffende vuurwerk, dus dat scheelt.
Ik ren weg van de koelkast die nog vol staat met restjes eten van de feestdagen; weg van de broodtrommel waar nog wat rimpelige, hardgeworden oliebollen liggen te wachten op een consument.
Mijn gedrag is geheel in overeenstemming met de actuele sterreclames die proberen te verleiden tot afvallen en sporten, inspelend op de goede voornemens, die mensen maken aan het begin van het jaar.
Ik ben niet zo van de voornemens. Als ik iets wil veranderen hoef ik toch niet tot 1 januari te wachten? Elisabeth Kübler-Ross, de eerste seculiere specialist in sterven, zei het al: leef elke dag alsof het je laatste dag is.
Ik hol naar Park Bloeyendael, een kleine oase van rust, ingeklemd tussen twee snelwegen en twee vierbaans provinciale wegen. Hier kronkelen kleine paadjes tussen elsen en rietland. Eenden en futen drijven bewegingsloos op het water, merels schieten onder de doornhaag.
In mijn hoofd hoor ik het opgewekte openingsdeel uit Bach’s cantate BWV 190 voor Nieuwjaarsdag: Singet dem Herrn ein neues Lied. Eerst loven wij god en daarna vragen wij zijn bescherming tegen Pestilenz en Krieg in het komend jaar. Allelujah! Zo opgewekt mag het begin van het jaar wel zijn.
Op de maten van de muziek ren ik het nieuwe jaar in, niet wetend wat het jaar gaat brengen. Maar een paar zekerheden zijn er in ieder geval.
Ik blijf zingen (‘ein neues Lied’) en schrijven en op 1 mei a.s. eindigt mijn arbeidscontract. Dan heb ik nog twee jaar te gaan tot mijn pensioen. Tenzij er nog tijdelijke baantjes of klusjes opduiken eindigt dan mijn arbeidzaam leven. Joggend door Bloeyendael komt me dit eigenlijk als een belachelijke gedachte voor. Pensioen? Dat is toch iets voor ouderen?
‘Ben je bang voor het zwarte gat?’, heeft men mij al meermalen gevraagd.
Tot nog toe kon ik me geen voorstelling maken van het zwarte gat. Twee jaar geleden heb ik al twee dagen ingeleverd. Die tijd heb ik zonder moeite weer gevuld.
Maar stel dat ik, geheel vrij van verplichtingen, ’s morgens op sta en nog niet weet wat ik die dag ga doen. Dan lees ik eerst uitgebreid de krant, gooi een wasje in de wasmachine, maak een puzzeltje, doe een boodschap, ruim wat troep op en voor ik het weet is het avond en vraag ik me af, wat ik eigenlijk gedaan heb die dag. Dat lijkt me niet erg bevorderlijk voor de stemming en het zelfvertrouwen. Zou dat het zwarte gat zijn?
Minder werken, dat heb ik al gemerkt, is in eerste instantie aantrekkelijk. Niet meer zo hard lopen, dat is wel prettig. Wat ik nu doe kan je eigenlijk al geen hardlopen meer noemen. Maar wie denkt dat je met meer vrije tijd in een aanhoudende gelukzalige stemming terecht komt, een soort voorportaal van de hemel, vergist zich. Of je je gelukkig voelt, is maar voor een klein deel afhankelijk van de omstandigheden, las ik laatst nog.
Je moet er zelf iets voor doen.
Komt hier toch een soort voornemen voor het nieuwe jaar om de hoek?
Bezweet uithijgend rek ik op het bomenpad langs de Karel Doormanlaan mijn spieren op. Met mijn hoofd omlaag wordt mij een kwalijke geur gewaar en besef ik dat ik ook in dit nieuwe jaar weer eens in de hondenpoep getrapt ben.
Ik wens je een gelukkig nieuwjaar.

0

SNOEIHARD

Dagelijks

hulstDe tuin is er klaar voor.
Fijn dat de winter nog even op mij gewacht heeft. Dat ik nog de tijd kreeg om op te ruimen.
Ik ben eigenlijk niet zo’n tuinman. Ik ken de namen van de planten niet, laat staan dat ik weet hoe ze behandeld moeten worden. Maar snoeien en opruimen kan ik als de beste.
Zonder aanziens des struiks of plants, groot of klein, inheems of exotisch, kortwiek ik takken dat het een lieve lust is, trek ik dood blad en zieltogende plantjes los en draai woekeraars de nek om.
Zoals sommige mannen een opkikker krijgen van hout hakken, zo krijg ik een kick van snoeien.
Ons huisroodborstje, dat verdraaid niet bang is, kwam vorige week nieuwsgierig kijken of er voor hem nog wat te happen viel. Midden in de tuin vierden een groep dansende muggen bij voorbaat hun overwintering.
Bij de tuintrap zat een merel schuw om zich heen te kijken. Hij bleef maar zielig op zijn plekje zitten, dat zag er niet goed uit. Pas toen ik vlakbij kwam, hipte hij gehandicapt of oud, weg om zich onder de trap te verstoppen. Ik overwoog nog even om hem in een doos in de kamer te zetten, onder een warme lamp, temidden van vetbollen, mueslireepjes en een kommetje water. Er zijn mensen die daar een liefhebberij van maken. Maar zoals gezegd ben ik meer van het opruimen en het snoeien.

Een paar dagen later heb ik de hulstboom maar eens goed onder handen genomen. Deze hield de laatste jaren steeds meer zon tegen.
Ik trok er een sombere decembermorgen voor uit en beloonde mijzelf eerst met een nieuwe snoeischaar en snoeizaag. Ik hou van goed gereedschap.
Mijn nieuwe, kromme zaag gleed als een mes door de boter. Ik begon ervan te zingen.
Terwijl ik de ene na de andere polsdikke tak afzaagde, vroeg ik me even af, wie ik wel ben, dat ik zomaar zo’n weerloze boom van zijn ledematen mag beroven. Het is toch een harde ingreep in de natuur. Dit soort vragen komt in mij op sinds ik Trouw lees.
Ik stond bovenin de boom te wiebelen, met één voet in een smalle kruin, de snoeizaag stevig in mijn hand. Ik vond dat ik wat moest zeggen. Fluisterend sprak ik tegen de boom, dat het voor zijn bestwil is. Dat mijn haren en nagels ook regelmatig geknipt worden. Dat hij (zij?) op deze manier gezond blijft en volgend jaar weer veel besjes zal voortbrengen, waar de merels zo verzot op zijn. Dat hij zo zieke merels er weer bovenop kan helpen.
Vervolgens zaagde ik nog wat hoge, jonge takken weg. Het zal wel niet in het handboek van de snoeigoeroe staan, maar meer zon in de tuin geeft andere planten weer een beter leven. De een zijn dood is de ander zijn brood, dat is de natuur.
Beneden me was de tuin nu één schitterend bed van verse hulsttakken geworden. Met wat kerstballen en lichtjes erin zou het een megakerststukje zijn.
Weer met beide benen op de grond was ik nog tijden bezig om alle takken te strippen en op zo’n breedte af te zagen, dat zij in een Toyota Yaris Hybride konden worden afgevoerd. Er zijn lijkwagens van mindere kwaliteit.
In het hoekje van de tuin, waar het roodborstje huist, viel mijn oog opeens op een zwart hoopje op de grond. De merel, die een paar dagen daarvoor onder de trap was gehipt, lag er levenloos op zijn zij, het oogje gesloten.
Tja, ook vogels gaan dood, al zijn we er veelal niet getuige van. Ik hoopte nog wel, dat hij niet door onze kat of een van zijn collega’s naar de andere wereld was geholpen. Maar dat soort gedachten is zinloos. Ik deed wat ik op dat moment nog kon doen: ik pakte de spa, groef een klein gat in de grond en schoof de merel daar voorzichtig in. Het was of ik daarna iets heel plechtigs deed, toen ik de overblijfselen met aarde bedekte. Een leven was voorgoed voorbij.
Nu al het snoei- een tuinafval is afgevoerd, kijk ik iedere dag weer met tevreden gevoel de tuin in. Wat kan zo’n tuin er prachtig uitzien als ie opgeruimd is. Een waar genot!
Laat de winter nu maar komen.

0

KONIJNEN EN ZOGGEDIJSELS

Herinnering

paardenbloemHet was in ons gezin vroeger een vanzelfsprekendheid. De kinderen hielpen mee met allerlei werkzaamheden: de vaat drogen, schoenen poetsen, op zaterdag het erf rijven, in de herfst stoofpeertjes schillen. Elke zondagmiddag telden we de centen, stuivers en dubbeltjes, die mijn vader die ochtend in de kerk in het zakje met de lange stok had opgehaald. En in de winter liep ik door weer en wind en in het donker naar ons voormalig kippenhok om de kolenkit bij te vullen.
Daarnaast was het mijn taak om een paar konijnen te verzorgen. Ik was niet zelf op dat idee gekomen. Wellicht dachten mijn ouders dat het stimuleren van verzorgende kwaliteiten bij mij geen kwaad kon. Er kunnen ook andere redenen hebben gespeeld.
De twee langoren zaten in één hok, maar van elkaar gescheiden door een tussenschot. Waarom ze niet bij elkaar mochten komen, heb ik me toen nooit afgevraagd. Ik wist niet of het mannetjes of vrouwtjes waren. Voor mij waren het gewoon konijnen.
Elke week moest het hok schoongemaakt worden. Daar had ik een grondige hekel aan.
De stank van de konijnenmest was nog tot daar aan toe. Ik rook in het dorp wel vaker luchtjes van dieren en mest. Vervelender was, dat ik na het verwijderen van het gaas voortdurend moest opletten, of niet een van de konijnen van de gelegenheid gebruik zou maken om te ontsnappen. Zie dan zo’n beest nog maar eens te pakken te krijgen.
Ik was bang voor de onverwachte bewegingen van de beesten. Waarschijnlijk waren de konijnen op hun beurt bang voor die grote schop die opeens hun eetkamer annex wc binnenkwam. Zo hielden we elkaar gevangen in een gezamenlijk verbond. Er is er nooit een ontsnapt.

konijnen

Ik kweet mij nauwkeurig en liefdevol van mijn taak. Het was weinig werk. Voer was er rond ons huis in voldoende mate aanwezig. Het gras groeide zelfs onder het hok. Ik hoefde niet met een zeis op pad om in de bermen langs de openbare weg een dagvoorraad bij elkaar te halen, zoals ik semiprofessionele konijnenfokkers met alpinopet regelmatig zag doen. Die hadden dan ook flatgebouwen met konijnen te voeden.
Ik gaf mijn langoren het liefste zoggedijsels[1]. Daar waren ze dol op. Ik mocht er graag naar kijken hoe ze aanvielen op hun verse groenvoer. Al zat er maar één zoggedijsel tussen een berg gras, dan nog haalden ze dat blad er onmiddellijk uit en aten dat als eerste op. Dat zou ik nooit doen, dacht ik dan. Ik bewaarde het lekkerste eten altijd tot het laatst.
Een week voor de Kerst kwam de olieboer uit ons dorp een van de konijnen halen. In zijn vrije tijd had de olieboer namelijk een bloeiende praktijk als dierenviller. Zijn kwaliteiten op dit gebied waren wijd en zijd bekend.
En zo geschiedde het dat er met de Kerst bij ons een konijnenbout in de braadpan lag.
Ik at niet mee.
Niet omdat ik ontdaan was dat die gulzige knager, die mij met zijn grote ogen vaak zo verwachtingsvol aangekeken had, opeens was veranderd in een braadstuk. Ik heb geen traan gelaten om het konijn, terwijl ik toch om het minste of geringste kon huilen.
Bij onze buren ging er eens een kip in de pan, die het hele jaar voor hun raam achteruitlopend de kale grond had afgezocht. Bij hen at de buurvrouw niet mee. Ze was er getuige van geweest dat de kip een kleine kikker had verorberd. De vorm van het beestje was nog enige tijd zichtbaar geweest in de hals van de kip.
Ik vond het opdienen van konijn of kip de normaalste zaak van de wereld. Maar ik at niet mee, omdat ik konijn niet lustte. Ik vond de geur van konijn zoveel vreemder dan de zaterdagse geur van draadjesvlees, gebakken in de bleu band.

________________________________________
[1] Dialect voor paardenbloem. Het Meertens Instituut houdt onder meer een databank bij van volksnamen voor planten. Het woord zoggedijsel (zoggedeisel) staat vermeld voor de plaatsen Benschop en Oud-Maarsseveen, beide met het jaartal 1945. Vleuten, het dorp van mijn jeugd, ligt zo’n beetje in het midden tussen deze West-Utrechtse dorpen. Misschien is het woord zoggedijsel wel het enige dialectwoord, dat ik uit mijn jeugd heb meegenomen.

0

EEN SERIEUZE KWESTIE

Dagelijks

Ik heb eens een vijftiger horen zeggen: “als ik 75 ben, dan heb ik lang genoeg geleefd. Dan is het mooi geweest”.
Wie niet wil afwachten tot de dood hem overkomt, moet zelf actie ondernemen.
Het aantal verzoeken om euthanasie vanwege ‘een voltooid leven’ is erg klein, maar het neemt wel toe. Het gaat bijvoorbeeld om ouderen die blind zijn of in een rolstoel zitten en die afhankelijk zijn van de hulp van anderen. Of het gaat om mensen die door lichamelijke beperkingen nauwelijks meer het huis uit komen en zich erg eenzaam voelen.
Wil je in zo’n geval hulp, dan wend je je in Nederland tot een arts.
Veel artsen hebben moeite met euthanasie vanwege een voltooid leven. Het gaat immers niet om een patiënt, die ondragelijk lijdt en niet lang meer te leven heeft. Strikt genomen valt de vraag om euthanasie vanwege een voltooid leven niet binnen de regels van de wet. Het is niet alleen of zelfs maar in beperkte mate een medische vraag. Moet een arts dan beoordelen of dat leven nog de moeite waard is?
Columnist en geriater Bert Keizer spreekt in Trouw zijn twijfel hierover uit. Tegelijkertijd vraagt hij zich af: ‘aan wie moet zo iemand het dan vragen?’.
Een terechte vraag, al zou hieronder de gedachte kunnen liggen, dat er dan een andere hulpverlener klaar moet staan.
Een oplossing voor dit probleem werd in 1991 voorgesteld door de jurist Drion: een pil, waarmee mensen van 75 jaar en ouder in staat worden gesteld om op humane wijze en op een zelfgekozen tijdstip een einde te maken aan hun leven. Zo’n middel versterkt de autonomie van ieder mens en verkleint de afhankelijkheid van artsen.
De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE) wil gedurende drie jaar een proef met de verstrekking van een levenseindepil. Doel van de pilot is om te bepalen onder welke voorwaarden deze pil verstrekt zou kunnen worden.
Tegenstanders zeggen, dat het beter is om angst, somberheid of eenzaamheid aan te pakken en dat het verlangen naar de levenseindepil voortkomt uit angst voor aftakeling en pijn. Lijden hoort bij het leven en je moet niet proberen om via euthanasie daaraan te ontkomen. Bert Keizer vindt dit argument ‘bloedlink’. ‘Ik ken op de eerste plaats niemand die erin slaagt om te leven zonder te lijden en zou niet durven zeggen, dat daar aan het eind nog een bepaalde portie bij moet om de zaak netjes af te ronden’.
Ik vraag me af wat de rol van de familie gaat worden als er zo’n pil is. Hoe zou het voor nabestaanden zijn als moeder tijdens een eenzame kerst in haar eentje besloten heeft om er tussenuit te piepen? Zouden ze zeggen: ‘ze was oud en wijs genoeg’?
Omgekeerd zou je je ook kunnen voorstellen dat familieleden, voor wie de verzorging van moeder thuis te zwaar wordt, een proefballonnetje oplaten over die pil. Of erfgenamen die het geld hard nodig hebben. Of een ziekenhuis, dat door zijn budget voor behandelingen heen is.
Econoom de Kam stelde laatst vast, dat de pil van Drion de zorg betaalbaar kan houden: ‘Het klinkt cru, maar wanneer ouderen in de toekomst vaker voor een zelfgekozen einde opteren, blijft de zorg voor wie zo’n pil afwijzen beter betaalbaar’.
Kunnen we dan nu vast even noteren wie zich wil opofferen?
Zou er een levenseindepil zijn, dan nog zou ik niet de neiging hebben om er al vast een te reserveren. Ik weet absoluut niet hoe ik in het leven sta als ik 75 ben (als ik dan nog leef, ik klop het maar even af).
Toen mijn moeder 98 was, zei ze vaak: ‘ik hoop dat je ook zo oud mag worden’, om er na een paar tellen aan toe te voegen: ‘in goede gezondheid’. De definitie van wat goede gezondheid is, had zij in de laatste tien jaar van haar leven dramatisch aangepast. Terwijl haar geheugen haar ernstig in de steek liet, haar oren en ogen sterk achteruit waren gegaan en zij in een instelling een zittend bestaan leidde in afwachting van de volgende maaltijd, wilde ze nog wel 100 jaar worden.
Ik weet niet of zo’n aanpassing mij zou lukken.

0

BARMHARTIGHEID

In het nieuws

Ik moet het eerlijk bekennen. De tijd heugt mij niet dat ik voor het laatst een daad van barmhartigheid heb verricht. Dat iemand mij complimenteerde met mijn barmhartigheid. Of dat ik ’s avonds in bed lag en met een groot gevoel van tevredenheid kon vaststellen, dat ik me die dag weer eens van mijn meest barmhartige kant had laten zien.
Hoe vaker ik het woord schrijf, hoe meer ik overigens ga twijfelen over wat barmhartigheid nu werkelijk inhoudt.
Barmhartig wordt in Van Dale omschreven als: medelijden hebbend, genadig. Het gaat over compassie, liefdadigheid en de behoefte om hulp te verlenen aan de mens in geestelijke of lichamelijke nood. Kortom, goed doen in sociale zin.
Als ik dit zo lees heb ik gelukkig nog wel wat barmhartigheid in huis.
Deze week heb ik onze poes, die heel blasé zijn verfijnde en peperdure vleesgerecht had laten staan, een soort leverpastei dat wij vijftig jaar geleden op ons brood aten, geen schop voor zijn kont gegeven, maar vergevingsgezind opnieuw een bordje met een andere delicatesse voorgezet.
De directeur die mij wilde ontslaan en mij tegen alle regels in wilde afschepen met een fooi is voor mij nu een hardwerkende man, die vecht voor het voortbestaan van zijn instelling.
Ik kan dus best barmhartig zijn. Nu ik de betekenis goed ken, zie ik dat er eigenlijk elke dag wel momenten van barmhartigheid zijn. Ik heb het veel meer in mij dan ik zelf ooit beseft heb. Sterker nog, je zou kunnen zeggen, dat mijn leven in het teken staat van barmhartigheid. Van jongs af aan heb ik gegeven aan de missie en andere goede doelen. Ik heb een tijdlang medelijden gehad met arbeiders. Vervolgens heb ik mijn hele loopbaan in de geestelijke gezondheidszorg gewerkt.
Bovendien weet ik goed wat genade is.
Als ik vroeger op het schoolplein een ruzie op fysieke wijze had beslecht en als overwinnaar boven op een ander kind zat, met mijn handen stevig zijn polsen tegen de grond duwend, liet ik hem daarna straffeloos gaan, maar niet dan nadat hij mijn lesje woord voor woord had herhaald: Genade – Chocolade; Citroen – Ik zal het nooit meer doen.
Ik bevind mij hierbij in een goede familietraditie. Een neef van mijn vader, dr. Henri van Rooijen O.S.C., is er in de vorige eeuw in geslaagd om een boek van 148 pagina’s vol te schrijven over De Genade, nu een standaardwerk over dit onderwerp in het Nederlandse taalgebied.
Ik zal daarom niet versagen, nu de paus deze week een Buitengewoon Heilig Jaar heeft geopend, dat in het teken zal staan van de Barmhartigheid.
Een Heilig Jaar of Jubeljaar in de katholieke kerk heeft als doel om extra aandacht te vragen voor een thema. Vaak is het voor de kerk ook een manier om geld te verdienen. Ooit werd er eenmaal per vijftig jaar zo’n Heilig Jaar gevierd. In de vorige eeuw was dat al een keer in de vijfentwintig jaar. Paus Franciscus gooit er nu nog een schepje bovenop. Hij heeft het tempo van deze tijd goed aangevoeld. We worden uitgenodigd om door de Heilige Deur de St. Pieter te betreden. Daarmee kunnen we voor onszelf of voor anderen een aflaat verdienen, een kwijtschelding van de straf voor de zonden. Om het ons makkelijk te maken mogen we godzijdank ook de Augustinuskerk in Utrecht binnenlopen.
Het Jubeljaar lijkt mij een goede reden om een persoonlijk actieplan Barmhartigheid op te stellen.
Ik denk er bijvoorbeeld aan om niet meer kwaad te spreken over dirigenten die verkeerde keuzen maken. Ik zal geen stompen meer uitdelen aan fietsende middelbare scholieren, die mij in rotten van vier de berm inrijden. Ik ben ook niet van plan de brandslang te richten op onze achterburen als zij weer eens voor de vijfde keer in één week een disco-met-openstaande-deuren houden.
Omgekeerd hoop ik dat anderen zich liefdevol over mij zullen ontfermen, mocht ik eens van het rechte pad zijn afgeraakt.
Ik roep bij deze iedereen op om het offensief van Barmhartigheid te volgen. Anders verdwijnt met het toenemend individualisme niet alleen het woord barmhartigheid, maar ook de deugd zelf.

1

DIE DAG

Herinnering

Brian Hyland, zegt die naam nog iets?
One, two, three, four, tell the people what she wore?
Brian Hyland was een Amerikaans tieneridool. Hij scoorde in 1960 zijn eerste en enige nummer 1 hit met Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polka Dot Bikini.
Ik was acht jaar en zong het refreintje mee, zonder te beseffen wat de tekst betekende. Ik wist nog wel, dat een bikini een tweedelig badpak was. Maar op die leeftijd had ik geen bijzondere belangstelling voor meisjes of hun badkleding. Al hing er iets geheimzinnigs om heen, sinds mijn moeder boos was uitgevallen toen mijn zus ’s zomers in de teil twee kaatseballen onder haar badpakje had gedaan.
Enkele jaren later probeerde ik samen met een vriendje via een openstaand raam van een bouwkeet een foto van een pin-up van de muur te halen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. We werden in onze pogingen gestoord door een gepensioneerde metselaar die elke avond op zijn Mobyletje door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen (‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’).
Het duurde nog tot mijn 13e voor de vonk van het vrouwelijk lichaam daadwerkelijk oversloeg. Die dag herinner ik me precies. Ik keek op school schuin achterom en zag M in de rij naast mij voorovergebogen over haar tafel geleund. Op dat moment vielen mij onder haar blauwwitte wintertrui de welvingen op. Het was of er een bliksemschicht door mij heen ging. Ik was me er niet eerder bewust van geweest, niet bij M, ook niet bij andere meisjes. Of beter gezegd: ik had wel rondingen gezien, maar er nooit wat bij gevoeld. Ditmaal voelde ik van alles door elkaar: verwondering, bewondering, sprakeloosheid, verlegenheid en opwinding. Ik was aangenaam onthutst. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.
Vanaf dat moment wilde ik bij haar in de buurt zijn. Ik wilde dat ze naar mij keek, ik verlangde naar haar aandacht.
Van huis uit heb ik niet meegekregen hoe je dat moet aanpakken. Ik had geleerd om mijn hoofd te gebruiken. Gevoelens diende je te onderdrukken. Mijn voorzichtige avances werden door M op gelijke wijze beantwoord. In de kerstvakantie speelden we boerenbridge. Er waren nog twee klasgenoten bij. Ik deed mijn uiterste best om te winnen.
Geleidelijk kwam het besef dat we iets met elkaar hadden, al spraken we dit niet uit. We gingen samen naar zwembad den Hommel. Ik was op mijn 13e klein van stuk, ik had de baard nog niet in de keel. Als een speels jongetje duwde ik haar onverwacht in het water om daarna als een stoere knaap haar uit het water op de kant te trekken. Dat bood mij enige inkijk in haar badpak.
We gingen samen naar de kermis. Brian Hyland was al lang weer vergeten. That Day van the Golden Earrings schalde rond de cakewalk. Het bleek haar favoriete nummer. ‘O, Arnold’, riep ze in extase uit en ze kneep hard in mijn hand.
We liepen hand in hand over de kermis. Ik hield haar hand ongemakkelijk en gespannen vast. Maar ik durfde niet los te laten. We passeerden een klasgenoot van mijn lagere school. Ik wist niet goed waar te kijken. Het liefst was ik op dat moment met hem door de cake-walk gaan rauzen.
Er volgde een zomervakantie waarin M en ik elkaar niet zagen. Zo onmerkbaar als het was aangeraakt, zo onmerkbaar kwam er weer een einde aan de relatie.
Op de lagere school had ik ook vriendinnetjes gehad. Zelfs in de periode dat jongens alleen met jongens spelen had ik een vriendinnetje op mijn verjaardag uitgenodigd. Dat was de juffrouw van mijn klas opgevallen. Ik had met I gearmd gelopen. We speelden dat we een stelletje waren. Er was geen gevoel bij. We hadden het afgekeken van anderen.
Ditmaal waren de hormonen aan het werk geweest. De warme gevoelens kwamen diep van binnenuit. Ik kon ze niet onderdrukken.
De hormonen zouden daarna nog vaker opspelen. Maar nooit meer was er die vreemde mengeling van gevoelens als op die dag dat ik schuin achterom naar M had gekeken.

0

STRIJD VOOR RECHTVAARDIGHEID

Herinnering

De beschikking van de Raad van Beroep d.d. 16 september 1974 eindigt met:
“RECHT DOENDE IN NAAM DER KONINGIN!
Verklaart het door opposant gedane verzet niet-ontvankelijk”.
De opposant was ik en mijn verzet gold de beslissing van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid om de ziektewetuitkering te beëindigen.
Ik werkte vanaf september 1973 als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Versteegen. Ik had mijn studie psychologie onderbroken omdat ik iets met mijn handen wilde doen en omdat ik vanuit politieke idealen wilde weten hoe het leven van een arbeider eruit zag.
Op dinsdag 5 maart 1974 moest ik twee vrachtwagens lossen. Ik reikte de platen multiplex hoog boven mijn hoofd aan aan Kees, die ze op de halfopen zolder boven de werkplaats opstapelde. Na een half jaar timmeren waren mijn studentenspiertjes behoorlijk getraind, maar tegen zoveel tilwerk bleek mijn rug niet bestand. Ik kon de volgende ochtend geen kant meer op en meldde mij ziek.
Na een week kwam ik bij de controlearts. Die ging er kennelijk van uit, dat elke klacht gesimuleerd was, tenzij je het tegendeel kon bewijzen. Dat lukte mij niet en dus werd ik weer aan het werk gestuurd. Omdat zelfs het optillen van een kop thee pijnlijk was, bleef ik nog een weekje thuis. Daarna meldde ik mij weer op het werk. Toen men mij moeizaam het hout tussen de schaafbank door zag schuiven, was het advies: ‘Ga jij maar weer naar huis, jochie’.
Dat ik geen ziekengeld ontving, vond ik niet het ergste. Maar ik was woest op de keuringsarts vanwege zijn gebrekkig onderzoek. Strijdbaar als ik in die dagen was wendde ik mij tot de juridische afdeling van het NVV, mijn vakbond.
De ontvangst was koel. Men was nog niet geheel ingesteld op studentikoze types die uit vrije wil bouwvakker waren geworden. De adviseur keek me afstandelijk aan en stelde dezelfde wantrouwige vragen als de controlearts. Alsof hij me een gunst verleende zei hij tenslotte afgemeten dat hij aan het Sociaal Fonds een voor beroep vatbare beslissing zou aanvragen.
Half mei diende ik ‘persoonlijk’ te verschijnen om precies 15.00 uur namiddag bij P.H. van Setten, orthopedisch chirurg’. Mijn klachten waren op dat moment nagenoeg verdwenen. De specialist stond daarom voor de moeilijke taak om te beoordelen of ik twee maanden eerder arbeidsgeschikt was geweest.
Het zat mij niet mee met de instanties die ik op mijn tocht naar rechtvaardigheid tegenkwam. Ik schreef later, dat ‘de deskundige P.H. van Setten de klager meermalen onderbrak en niet uit liet spreken’. Ik was derhalve ‘niet in de gelegenheid geweest om mijn bezwaren mondeling toe te lichten’, zoals de beschikking vermeldde.
In het medisch rapport wordt gesproken over spierhypertonieën, periostalgieën, geringe scoliose en lordose zonder degeneraties en matige pedes plano valgi. Daarnaast staat vermeld, dat ‘getroffene op slechte klompschoentjes liep’.
Op 21 mei nam de Raad zonder slag of stoot de conclusie van de orthopeed over dat ik op 18 maart in staat was geweest om mijn werk te verrichten. Mijn gemachtigde bij de vakbond stelde mij op de hoogte. Desgevraagd liet een assistent weten ‘geen enkele mogelijkheid te zien om in verzet te gaan’. Maar als ik dat echt zo graag wilde, stond het mij natuurlijk vrij om zelf beroep aan te tekenen.
Tot dan toe had ik mijn gang langs de instanties nog kunnen zien als een aardig spel. De botte weigeringen om naar mij te luisteren en de gemakzuchtige oordelen brachten op dat moment in mij een donquichot-achtige verbetenheid naar boven. De rechtvaardigheid moest zegevieren. De bond had ik niet meer nodig. Ik tekende zelf beroep aan en vroeg om ‘de zaak ter zitting te behandelen’.
Mijn voorbereiding was uiterst degelijk. Op alle onderdelen had ik een steekhoudend verhaal. Ik had de huisarts aan mijn zijde. Kortom, ze zouden van goeden huize moeten komen om mijn argumenten van tafel te vegen.
Strijdvaardig parkeerde ik mijn fiets voor het gebouw van de Raad. Ik werd binnengelaten in een zaaltje. Achter een hoge balie zaten drie heren in toga. Eenzaam tussen de vele lege stoelen hield ik mijn betoog. Ik kreeg ditmaal ruim de tijd om mijn bezwaren toe te lichten. De blikken van de raadsheren varieerden van lichtelijk geamuseerd tot bewonderend.
Direct na afloop hoorde ik dat mijn verzet niet-ontvankelijk was, louter en alleen omdat ik niet binnen de gestelde veertien dagen beroep had aangetekend.
De vakbond had mij pas na vier weken op de hoogte gebracht.
Nu begreep ik waarom de bond geen enkele mogelijkheid meer zag.
Het is nog een wonder, dat ik mijn hele werkende leven lid ben gebleven van de vakbond.