Schrijven, Lezen, Leven.
2

PSYCHOLOOG MET AANHALINGSTEKENS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (22)

 

Cartoon op de uitnodiging voor mijn afstudeerfeest

In de zomer van 1978 is na zeven jaar studeren en meer dan voldoende studiepunten de tijd gekomen. Ik verstuur mijn eerst sollicitatiebrief. Ik ding mee naar een baan als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. De universiteit, dat is bekend terrein voor me. Na bij diverse universiteiten een zeperd te hebben opgelopen verleg ik mijn aandacht naar praktijkinstellingen: Jongeren Advies Centra en het preventiewerk in de geestelijke gezondheidszorg.
Het Gewestelijk Arbeidsbureau schrijft mij in onder nummer 0617:

PSYCHOLOOG, hoofdrichting klinische psychologie; nevenrichting arbeidspsychologie. Bezit 1e graads onderwijsbevoegdheid. Scriptie: “Preventie van psychosociale problematiek in de eerstelijns gezondheidszorg.
26 jaar, wonende te Utrecht. Geen militaire verplichtingen. Heeft nog geen werkkring gehad.
Gewenste functie (max. 1 uur reizen van Utrecht): het – in teamverband – verrichten van gedeeltelijk hulpverlenende-, gedeeltelijk begeleidende-, gedeeltelijk organisatorische / beleidsmatige werkzaamheden.

Het aantal banen is beperkt, het aantal kandidaten groot. De economische neergang van de jaren tachtig is al ingezet. Maar net zo belangrijk als de economie is mijn eigen instelling. De opleiding heeft me veel geleerd, de studentenjaren hebben mij een stuk volwassener gemaakt, maar de al veel langer knagende zorg over mijn beroepsidentiteit, over wat ik de arbeidsmarkt te bieden heb met al mijn alternatieve studieonderdelen is levendiger dan ooit.
Er rest mij nog één individueel tentamen, van de cursus gedragstherapie bij prof. dr. W. Everaerd. De toets zou evengoed als een vriendschappelijk bakkie koffie met Walter beschreven kunnen worden. Everaerd benut het gesprek om te laten weten wat hij vindt van de pretenties van de projectgroep Nieuwegein om alles anders te doen. ‘Jullie opleiding is waardeloos, iets voor een buurtwerker of maatschappelijk werker. Jullie belijden met woorden dat je structureel bezig bent, je praktijk is echter heel traditioneel’. Het gesprek biedt voldoende stof voor mijn favoriete bezigheid in deze dagen: praten. Praten over relaties, over banen, over mijzelf, over het leven. Ik schrijf een artikel over mijn studietijd voor De Gebalde Frustratie, een blad van opponerende psychologiestudenten.

In de plechtige senaatszaal van het Academiegebouw vindt de rituele afsluiting van mijn studie plaats, tezamen met die van Marcelle en Gerard, twee medestudenten van de projectgroep Nieuwegein. Geheel in de stijl van de egalitaire projectgroep worden wij niet toegesproken door een wetenschappelijk medewerker maar door enkele studenten van de projectgroep. Mijn nooit aflatend engagement wordt genoemd, evenals mijn ijzeren werklust en mijn eigenzinnigheid. De toespraak eindigt met de woorden: ‘ik heb wel vertrouwen in jou als psycholoog’. Het laatste woord wordt met opgeheven handen van aanhalingstekens voorzien. Beter had de spreker mijn gevoel niet kunnen uitdrukken.

‘Werk krijgen’, zo schreef ik aan het einde van het artikel over mijn studietijd, ‘gaat zo langzamerhand een minder belangrijke plaats voor mij innemen. Dat wil zeggen dat ik er niet meer alles voor over heb om werk te krijgen en dat vrienden, expressie, praatgroepen e.d. ook belangrijk zijn’.
Enkele maanden later zou ik worden aangenomen als preventiewerker bij Buro Voorlichting en Vorming (Preventie) van het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen.

0

VREDE OP AARDE

Herinnering

Sinterklaas was nog maar nauwelijks vertrokken of ik keek als 7-jarige al weer uit naar Kerstmis. Op de adventskrans brandden nog maar twee kaarsjes, dus ik moest nog een tijd wachten. ‘Geduld is een schone zaak’, leerde mijn moeder mij.
Na twee weken was het zover. Mijn vader haalde, voorzichtig achteruitlopend over de losstaande vlieringtrap, de grote doos van de kerststal naar beneden. Het uitpakken van de beelden was voor mij een van de hoogtepunten. Ze zaten gewikkeld in vergeeld krantenpapier, dat nog ouder was dan ikzelf. De kameel was een enorm beest en de zwarte koning vond ik een beetje eng. De kribbe werd in de stal gezet, maar het baby’tje Jezus mocht er pas op de eerste kerstdag ingelegd worden. Boven het rieten dak van de kerststal hing mijn moeder wat kersttakken.
‘Waarom hebben wij geen boom?’, vroeg ik.
‘Dat doen alleen de protestanten’, antwoordde mijn moeder.
Toen ik vroeg naar het verschil tussen katholieken en protestanten, legde zij uit, dat de protestanten niet in Maria geloven. Het leek mij een gering onderscheid. Hadden de protestanten dáárom een eigen school en een eigen bakker? Waren het daarom minder goede mensen?
In de week voor de kerst werden wij op pad gestuurd om langs katholieke deuren kinderkerstboeken te verkopen. ‘Nee, dank je wel, we doen al overal aan mee’, kregen we soms te horen. Ik had een hekel aan dat leuren, maar het was voor het goede doel.

De geboorte van Jezus was in de katholieke kerk het grootste feest van het jaar. Vrede op aarde, zo werd gepreekt. Tijdens de nachtmis leek het wel of de kerk warmer en mooier was dan anders. Er brandden zoveel kaarsen en iedereen in de afgeladen kerk zong mee met de kerstliedjes. Na afloop wensten we elkaar een Zalig Kerstfeest. Thuis aten we daarna nog bolletjes en krentenbrood. De schuifdeuren waren open, de kachels snorden. Ik wilde na afloop de kaarsjes op de tafel uitblazen. Maar ik mocht er geen ruzie over maken. Dat was tijdens de kerst een nog veel grotere zonde dan anders.

Op eerste kerstdag 1959 gingen we op bezoek bij opa van Dijk.
Mijn opa was dat jaar 88 geworden. Hij bracht zijn dagen door in een hoge, leren leunstoel voor het raam, dat uitkeek op de wetering. De ouderdom had hem in zijn greep. Hij hoorde weinig, zag weinig en kon niet meer zelfstandig lopen. Hij verliet alleen zijn stoel om aan de arm van mijn tante Jo naar de wc te schuifelen. Ik was het achttiende kleinkind en ik kan me niet herinneren, dat hij ooit een woord tegen mij gesproken heeft. Op één keer na. In een strenge winter was ik voor zijn raam op mijn kop op het ijs van de wetering gaan staan. Dat kon hij wel waarderen.
Voor die kerstmiddag bij opa hadden wij een muzikaal programma ingestudeerd. Mijn broer, zussen en ik speelden alle vier blokfluit. Het programma was uitgetypt op de oude Remington die mijn vader van zijn werk had overgenomen. Omdat de letter l kapot was gebruikten we daarvoor een 1.
In een sfeer van zaligheid liepen we na afloop weer naar huis. Ik geloof niet dat het mij als 7-jarige gelukt is twee volle dagen lang de vrede op aarde te bewaren, zeker niet op het moment dat de speelkaarten op tafel kwamen.

1

EEN LEVEN VAN ZORGEN

Herinnering

Mijn tante Jo

In ons familiearchief vond ik een oude ansichtkaart.
‘Allemaal een Zalig Nieuwjaar. Als Mevrouw niet uitgaat, kom ik zondag thuis’. Zo schrijft mijn tante Jo op donderdag 29 december 1927 aan haar ouders, broers en zus. Zij is 25 jaar en als hulp in dienst bij een vermogend echtpaar dat in Baarn de statige Villa Veltheim bewoont. Jo zorgt graag voor de kinderen, maar ze mist de vertrouwde huiselijkheid van thuis.
Met Pasen 1928 is zij weer terug in Vleuten, waar zij haar moeder gaat helpen met het huishouden. Ze wordt actief bij de toneelvereniging Euphemia, bij het korfbalclubje van de R.K. Meisjesbond en als leidster bij de Katholieke (Vrouwen) Jeugd Vereniging. Ze kan hierin haar creativiteit kwijt. Maar voor een leidster van de K.J.V. zijn er beperkingen in de omgang met mannen. Als haar moeder halverwege de jaren dertig een jaar lang het bed moet houden en vervolgens blind wordt, is het lot van Jo bepaald: ze zal een groot deel van haar leven als ongetrouwde dochter haar ouders blijven verzorgen.

‘Die mij wilden hebben, wou ik niet en die ik wou hebben, wilden mij niet’, heeft ze later eens gezegd. Erg gemakkelijk in de omgang was ze niet. Het leven in een klooster leek haar op enig moment aantrekkelijker dan de zorg voor haar ouders en twee jongste broers.
Zij was als een moeder voor de jongste, mijn vader Kees. Toen Kees een conflict had met een leraar (waarschijnlijk omdat hij iets beter wist dan zijn leraar), ging Jo naar de mulo voor een gesprek. En toen Kees later zijn pogingen opgaf om trappist te worden, reisde Jo naar Tilburg om hem af te halen. Het was daarom met pijn in haar hart dat Jo mijn vader eind jaren dertig moest afstaan aan Anna, de vrouw die later mijn moeder zou worden.
Daarvoor in de plaats kwamen de neefjes en nichtjes. Elk jaar stapte er wel weer een nieuw kind over de drempel van de achterdeur en altijd kwam het blikje met zwarte ballen uit de keukenkast.
Na het overlijden van haar ouders bleef Jo in het ouderlijk huis wonen met haar eveneens ongetrouwd gebleven broer Do. Het huis stond vol negentiende eeuwse meubelen; ‘ouwe reut’, zoals zij het zelf onverschillig noemde. Ze werd nogal eens geplaagd door hoofdpijnen, maar alleen op zondagen.

Jo met haar vader op weg naar de kerk, eind vijftiger jaren

In de tijd dat wij thuis nog geen televisie hadden kwam ik er als tiener meermalen per week. Samen met mijn oom en tante volgde ik Engelse series als Coronation Street en Dad’s Army. Halverwege haalde tante Jo voor mij een klein bakje pinda’s uit de keuken. Mijn tante was altijd even aardig voor mij, maar echt warm werd de relatie nooit. Zij kon vaak haar cynisme over van alles en nog wat niet verbergen en kon schamper en wantrouwend over anderen spreken. Haar eigen werk was van weinig waarde en onze studieprestaties hemelde zij op.
Tante Jo was een wandelende familie-encyclopedie. Eerst schreef zij een bloknoot vol met herinneringen aan mijn vader, daarna nog een met familie-anekdoten. Als onofficiële familie-archivaris heb ik daar nog altijd veel plezier van.
In de zeventiger jaren zocht ik haar op, toen ze met een hersenschudding in het ziekenhuis lag. Blij verlost te zijn van alle dagelijkse zorgplichten bekende ze: ‘Ik lig hier zo goed, je zou er haast expres voor op je hasses vallen’.

1

EEN HEFTIG LEVEN

Muziek

Carlo Gesualdo (1566 – 1613) is een Italiaanse prins uit de buurt van Napels. Op aanraden van zijn ouders is hij getrouwd met zijn nichtje Maria. Hij heeft niet zo veel oog voor Maria. Behalve op het moment dat hij haar in bed aantreft met een hertog. Dan haalt hij er een paar sterke jongens bij en worden Maria en haar minnaar op gruwelijke en bloederige wijze afgeslacht. Hij wordt niet opgepakt. Het is in die tijd niet ongebruikelijk om zelf je vrouw te straffen in geval van overspel. Niettemin vlucht Carlo naar een ander landgoed van de familie. Daar wentelt hij zichzelf in rouw en verdriet. Hij laat als boete een kapel bouwen. Hij martelt dieren en laat zich regelmatig geselen door zijn personeel. Een stuk bos wordt gekapt omdat Carlo het geruis van de bladeren niet kan velen.

Waarschijnlijk zouden deze verhalen niet tot onze tijd zijn doorgedrongen, als Gesualdo niet nog een andere eigenschap had gehad. Hij componeert prachtige vier- tot zevenstemmige madrigalen, wereldlijke liederen. De teksten schrijft hij zelf en in zijn liederen weerklinkt zijn ruige levenswijze. Verdriet, pijn en dood zijn veel voorkomende thema’s. Daarin onderscheidt hij zich overigens niet van andere componisten uit zijn tijd. Hier en daar klinkt door, dat de kwellingen en de zuchten Gesualdo ook enig plezier bezorgen en dat is dan wel weer andere koek.
Nog vreemder, of moet ik zeggen nog mooier, wordt het als je de muziek hoort: hemelse klanken waar je stil van wordt. Gesualdo is ook in zijn muziek een buitenbeentje. Het lijkt af en toe alsof je een moderne compositie hoort: schurende noten, abrupte overgangen, onverwachte harmonieën, ongebruikelijke intervallen. Luister bijvoorbeeld (hieronder) naar Io parto e non piu dissi (kort samengevat: ik ga weg en zal voor altijd wegkwijnen in pijnlijk geklaag). Of naar Laboravi in gemitu meo (elke nacht wordt mijn bed nat van de tranen). Deze tweede madrigaal heb ik onlangs met kamerkoor Decibelle gezongen.

foto: Sofie Knijff

Het leven van Gesualdo is dankbaar voer voor theatermakers. Er zijn inmiddels al drie opera’s aan de man gewijd. Op dit moment trekt de voorstelling Gesualdo van het Nederlands Kamerkoor en Theatercollectief De Warme Winkel door het land. Deze week ondergingen wij dit evenement in de Utrechtse Schouwburg. De hemelse klanken van het koor werden afgewisseld met de meest gruwelijke scènes: acteurs die elkaar daadwerkelijk pijn deden, geselingen, akelig schreeuwende baby’s, scharen in monden, vingers die in een muizenval klapten. Het publiek lachte regelmatig. Het leek mij een manier om de werkelijkheid niet te laten doordringen.
Uitbarstingen op het toneel worden nog wel eens gevolgd door een aanvaarding van het lot of op zijn minst een stilte. Dit stuk eindigde daarentegen met een gewelddadige moordpartij inclusief kettingzagen en betonboren en bloed dat alle kanten op spoot.
Enige tijd geleden schreef ik hier, dat een toneelstuk je bij moet blijven. Ik vrees dat als ik de muziek van Gesualdo hoor de weerzinwekkende beelden direct weer op mijn netvlies terugkeren.

2

HUILEN EN RUILEN

Herinnering

Sint stond verbaasd en overdonderd
Zijn uitroepen liepen in het honderd
Het was gewoon om dubbel te rollen
Het deed het bloed in je aderen stollen:
Mamma vroeg alwéér hyacintenbollen.

Vertwijfeld en geïrriteerd begon ik als tiener ooit op deze wijze een sinterklaasrijm voor mijn moeder. In surprises maken waren we bij ons thuis niet zo sterk. Maar er werd geen cadeau ingepakt zonder rijm, al was de inspiratie soms beperkt (Ha een Tjoklat! Dat is nog eens wat).

Volgens het Nationaal Sint Nicolaas Comité werden in de 19e eeuw alleen cadeaus aan kinderen gegeven, zonder rijm, ze konden veelal toch niet lezen. Pas in de 20e eeuw werd het gebruikelijk dat ook volwassenen presentjes ontvingen. Toen kwam de gewoonte in zwang om er een gedicht bij te schrijven, zoals dat al veel langer gebeurde bij huwelijken en andere feesten. De toon van dit soort gedichten was moraliserend.
Het normatieve gedicht is ook in mijn jeugd sterk aanwezig. Vooral mijn moeder is een meester hierin:
Want werken zal je sterken
Met dat niksen verdien je geen riksen
Niet vervelen of krakelen
Werk ijverig door, zo moet het hoor
Denk bij al je wensen aan de arme mensen
En wees paraat voor een goede daad
Voorwaar een aardige samenvatting van de normen en waarden, waarmee ik ben opgevoed.
Sint spoort mij bovendien aan om meer groente te eten, niet zo ondeugend te zijn op school, geen zus van de trap te duwen, niet zoveel tv te kijken en het leven serieus te nemen (je hele hoofd zit vol met sport, tot je er neurotisch van wordt). Er is ook een vurige wens van een Sint om het stotteren te genezen door mij een suikerhart te laten eten.
Veel gedichten komen voort uit ergernissen. Mijn zussen die de haarspeldjes bij elkaar wegpikten. Mijn broer die geen pudding op zijn soepbord bliefde.
Er zijn talrijke gedichten van Sinten die iets gekocht hebben waar zij niet zeker over zijn en die zich daarom indekken tegen mogelijke kritiek, met de bekende combinatie van ruilen en huilen. Of de inspiratieloze Sinten:
Beste Jos, je bent echt niet de klos
Sint neemt je niet in de boot, met dit pak zo groot.
Wij delen  nuttige cadeaus uit, zoals handschoenen, dusters, haarborstels, jampothouders en sokken. Bij voorkeur wordt in het gedicht regel voor regel een tipje van de sluier opgelicht en dient de ontvanger te raden wat er in het pak zit.

Hoe ouder wij kinderen worden, hoe meer creativiteit en humor er in de rijmen verschijnt. Zo wordt mijn moeder gekapitteld over het onderscheid tussen kennen en kunnen en liggen en leggen; lees ik dat mijn zus in haar rijles niet altijd de lantaarnpalen weet te vermijden en is er een gedicht over pannenkoeken en onderbroeken, dat zijn twee verschillende zaken.
In onze gymnasiumtijd worden klassieke schrijvers zoals Ovidius en Cicero erbij geroepen.
Mijn weerzin tegen het dragen van een helm op de brommer ontlokt een Sint de volgende homerische regels:
Zo vrees ik dat als het hèm belieft
Zeus jouw goede hoofd in tweeën klieft
Zo zien we dan, het hoeft ons niet te vermeien
Een half hoofd op een brommer rijden
Terwijl als het vuurrood bloed reeds is gestold
De andere helft de berm in rolt.

1

PASSIVITY IS THE DRAGON

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (21)

Meer dan vier jaren heeft zij samengewoond met haar vriend. Nu is het voorbij. Sinds enkele maanden woont zij op zichzelf.
Het waren vier mooie jaren. Ze waren bijna altijd samen, zij deden alles samen: vrienden bezoeken, naar de film, naar feesten toe. Niet dat het samen optrekken haar bewuste keuze was geweest. Het was vanzelf zo ontstaan, het was prettig. Zij kende het van haar ouders en veel van hun vrienden leefden zo.
Maar het afgelopen jaar was de relatie gaan knellen. Haar vriend sprak wel eens af met een andere vrouw. Voor haar speelde er iets anders. De relatie was een sleur geworden. Alsof ze in een trein zat die vanzelf steeds maar doorging. Ze hoefde er niet bij na te denken en juist dàt was haar tegen gaan staan. Ze had zich niet afgevraagd wat zij zelf eigenlijk wilde. De relatie had haar afhankelijk en passief gemaakt.
Laatst zag zij een poster met een afbeelding van een vrouw met een zwaard en de tekst: Passivity is the dragon that each woman must slay in her quest for independence. Dat is precies zoals zij het voelt. Die poster hangt nu op haar kamer.

Ze was getroffen door De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Niet doen wat er van je verwacht wordt of wat je behoort te doen volgens de conventies. Maar stilstaan bij wat je zelf wil. Je eigen keuzes maken. Daarover praat ze in haar fem-soc-groep, een groep waarin de ongelijkheid tussen man en vrouw wordt besproken. Ze doet mee aan demonstraties tegen geweld tegen vrouwen en aan de vrouwenstaking.
Het feminisme klinkt door in haar studie op het Instituut voor Ontwikkelingspsychologie. Ze doet mee in de werkgroep preventie en loopt stage in de wijkwinkel Wittevrouwen waar men buurtbewoners helpt met de regie over het eigen leven.

Bevrijd van de relatiedwang kiest ze nu haar eigen afspraken. Zij is met een vriendin in Oxford geweest. Ze biljart regelmatig met vriendinnen in het mannenbolwerk Palais des Sport aan de Croeselaan en vanavond gaat ze naar een feest van Rien. Het feest is een eindje weg, in Vleuten, maar gelukkig mag ze meerijden met Pieter. Ze heeft een lange jurk uitgekozen, daarin kan ze heerlijk dansen.
Als zij na een tijdje dansen even uitrust en een sigaret opsteekt raakt ze in gesprek met een jongen met donkere ogen en donkerblond haar. Hij zit bij de projectgroep Nieuwegein. Dat lijkt op wat zij in de wijkwinkel doet. Het is een aantrekkelijke, zachtaardige jongen, maar veel meer komt ze helaas niet van hem te weten, want Pieter wil weer terug naar Utrecht. Dat is jammer, ze zou die jongen wel eens vaker willen spreken.
Op weg naar de auto blijft ze even staan. Als ze iets wil met die jongen, dan moet ze niet afwachten. Dan moet ze nú iets doen. Met haar jas al aan loopt ze terug de kamer in.
‘Zullen we telefoonnummers uitwisselen?’
Twee dagen later ligt er een briefje van een huisgenote bij haar op tafel: ‘Je “Ronald” heeft gebeld’.
Het zou nog meer dan anderhalf jaar duren voor onze relatie een vaste vorm gekregen had.

2

TAKE IT EASY

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (20)

Het is 1978. Ik heb er zeven studiejaren opzitten en al meer dan genoeg studiepunten binnen om af te studeren, maar ik kan nog geen afscheid nemen van mijn projectgroep Nieuwegein. Ik wil nog even niet denken aan een baan, ik zou niet weten wat voor een. Wel gaat in het zicht van de haven het tempo terug naar normaal. Alle tijd die overblijft is voor cafébezoek, afspraken met vrienden en feesten. Elk weekend is er wel een feest, waar ik me in het zweet dans op School van Supertramp, onder het muzikale gedreun gesprekken voer over relaties en nieuwe vriendinnetjes leer kennen.

Ik word regelmatig verliefd, maar blijkbaar heb ik een ongelukkige hand van kiezen. Of van gekozen worden. Er zijn vrouwen met een vaste relatie, die mij er wel stilletjes bij willen. Vrouwen die nog aan het afkicken zijn van een vorige relatie. Vrouwen die na het ontwaken veel minder om te zoenen zijn dan de nacht ervoor en vrouwen die een claim op mij willen leggen. Ik geniet van alle contacten maar verliefdheid en onbereikbaarheid lijken onverbrekelijk verbonden met elkaar.
Well I’m running down the road, tryin’ to loosen my load, I got seven woman on my mind. Four that wanna own me, two that wanna stone me, one says she’s a friend of mine.
Take it easy van the Eagles wordt op die feesten veel gedraaid.
Als mijn hoofd weer eens vol zit, bel ik een vriend of vriendin om mijn hart te luchten. Alles wordt besproken. In de mannenpraatgroep heb ik geleerd me onzeker op te stellen. Dat kost me geen moeite, de onzekerheden trekken dagelijks door mijn hoofd. Ik heb een opschrijfboekje bij me om in het openbaar vervoer, in cafés of waar ook mijn gedachten en mijn vraagtekens te kunnen vangen. In de studie psychologie heb ik mezelf leren kennen. Ik kan goed luisteren, ben gevoelig van aard en bang voor risico’s, schrijf ik op.
‘Waarom zou je je aan één persoon moeten binden?’, vraagt een vriend. Het is de tijd van het stellen van waarom-vragen. ‘Zou je niet net zo goed met verschillende vriendinnen en vrienden een goede relatie kunnen hebben?’ Als ik op een feestje ben met vaste stellen die dromen over hun eerste kind, stap ik vroeg op. Ik vervloek hun ideaal als burgerlijk, maar ga ondertussen door met mijn eigen zoektocht. Come on baby, don’t say maybe, I gotta know if your sweet love is gonna save me.

Op een feest van twee projectgroepleden die in Vleuten wonen, val ik na het dansen neer op een matras, dat daar bij gebrek aan stoelen is neergelegd. Ik raak in gesprek met een jonge vrouw met lang donkerblond haar. Haar jurk met tierelantijntjes en spiegeltjes valt tot op haar enkels. Al snel eindigt het gesprek, omdat zij met iemand mee kan rijden naar Utrecht. Haastig wisselen we telefoonnummers uit.
Als ik na een paar dagen bel, is ze niet thuis.
‘Je Ronald heeft gebeld’, staat er op een briefje dat een huisgenote voor haar heeft neergelegd.
Nu, veertig jaar later, zit G. achter mij met haar tablet op de bank.
Lighten up while you still can, don’t even try to understand, just find a place to take your stand and take it easy.

0

HET PERSOONLIJKE IS POLITIEK

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (19)

Projectgroep Nieuwegein in 1976; ik zit onder de lamp

De groene deur van het statige, oude pand aan de Korte Nieuwstraat in Utrecht gaat met een lichte duw open. Ik sta in de hal van het Instituut voor Klinische Psychologie. Hier worden psychologen opgeleid om mensen van hun psychische problemen af te helpen. Hier ga ik mijn studie vervolgen. Dat is even wennen.
Het is een traditionele studierichting, maar daarbinnen kies ik voor het alternatief. Bij de projectgroep Nieuwegein gaan we immers alles anders doen. Geen simpele therapietjes, wij willen psychische problemen niet individualiseren. Ook in het onderwijs en het onderzoek zoeken we de innovatie. De groep van 20 studenten wordt begeleid door twee wetenschappelijk medewerkers, maar voor ons is er geen onderscheid: iedereen is werker, ieder kan van elkaar leren. De groep bruist van energie.
We beginnen een centrum voor laagdrempelige eerstelijns hulp in Nieuwegein en regelen alles zelf: de overeenkomst met de gemeente Nieuwegein, de subsidie, de meubels. Een van ons heeft op eigen naam een bankrekening voor het project geopend, waarop een medewerker van de interne controledienst een alarmerende brief stuurt naar het College van Bestuur. Wij spreken er schande van, de universiteit moet ons faciliteren, niet controleren.
Een belangrijk deel van onze tijd gaat op aan plenaire vergaderingen, subgroepjes, werkgroepjes. We moeten het met elkaar eens zijn, dat kost tijd. De correcties op de zelf gestencilde notulen bedragen meer dan een pagina, net als de mededelingen en de rondvraag. Voor discussies over de langetermijndoelstellingen blijft er geen tijd over. Op vrijdagmiddag zakken we door bij Jan de Winter aan de Oude Gracht.

Ik voel me op mijn plek in de projectgroep. Al snel zijn al mijn dagen gevuld. Voor de eerste maal in mijn studietijd voel ik me in een groep echt op mijn gemak. Onzekerheden en irritaties zijn bespreekbaar, sterker nog: moeten besproken worden, want ook ten aanzien van onze eigen emoties geldt, dat we niet willen individualiseren.
De informele leider is R., zonder zijn instemming gebeurt er niets. R. heeft een kwakkelrelatie met M., een vrouw uit de projectgroep. Op een projectweekend vraagt R. aandacht voor hun relatie, het persoonlijke is tenslotte politiek. Hij constateert (‘het is geen verwijt, hoor’), dat, terwijl iedereen weet dat M. en hij het moeilijk hebben, niemand ook maar één teken van solidariteit heeft getoond. Waarna een ingewikkeld gesprek volgt, enkele vrouwen hun tranen niet kunnen bedwingen en diverse mannen hun getheoretiseer niet kunnen inhouden. Ik hou mijn mond, terwijl ik me zit te verbijten dat ik geen zinvolle bijdrage kan leveren. Hoe langer het duurt, hoe meer ik me begin op te winden. Toen ik me eerder eens had geërgerd aan een niet nagekomen afspraak, had ik met een onverwachte heftigheid geroepen: ‘Ik baal hiervan!’. Dat kreeg ik later bij Jan de Winter te horen. Dus nu wacht ik af, totdat iemand na twee uur zegt: ‘Ik ga een biertje halen’ en de vergadering als een fietsband leegloopt, zonder conclusie, zonder vervolg.

Het is een leerzame periode. Beleid maken, de vraag achter de vraag stellen, organiseren, gesprekstechnieken toepassen, vergaderingen voorzitten: ik leer allerlei vaardigheden waar ik later dankbaar gebruik van zal maken. En ik leer ook nog iets over hoe je mensen kunt helpen.

1

MENINGENTHEATER

Dagelijks

Een schouwburg is, aldus de Dikke van Dale, ‘een gebouw ingericht voor het geven van toneelvoorstellingen’. Je gaat er naar toe om te kijken. Een schouwburg is geen luisterburg. Maar daar begint het zo langzamerhand wel op te lijken.

Zo’n 5 à 6 keer per seizoen gaan wij naar een toneelvoorstelling. Toneel is verbeelding die je dichter bij de werkelijkheid brengt. Als het goed gespeeld wordt, zitten de beelden de volgende dag nog in je hoofd. Daarom kijken we vol belangstelling uit naar wat er speelt in de Utrechtse schouwburg.
Maar elk jaar vinden we de keuze van de voorstellingen moeilijker. Het aanbod van toneel neemt namelijk zienderogen af. Het cabaretaanbod groeit en daarnaast zien we een wildgroei aan praatavonden in de schouwburg ontstaan: literair café, filosofisch theater, talkshows, theatercolleges.
Het lijkt erop, dat alle Nederlanders die bekend geworden zijn door hun vlotte babbels in de dagelijkse talkshows op tv, hun bekendheid komen cashen in het theater: historicus Maarten van Rossem, taaldeskundige Wim Daniëls, psychiater Bram Bakker, presentator Jelle Brandt Corstius; allen trekken langs de theaters om hun meningen met kwinkslagen te verspreiden. De tsunami van meningen en meninkjes van Twitter, columns, pod casts en talkshows heeft nu ook de theaters bereikt. Voor de schouwburgdirecteuren een mooie kans om hun danig geslonken budget op de vrije markt weer aan te vullen.
Ook het toneel zelf wordt door de meningenhausse aangetast. Er ontstaat meningentheater, een combinatie van toneel, cabaret en opinie. De Verleiders trokken met hun voorstellingen over het bankwezen, de democratie en de zorg volle zalen. Men speelt nog net niet de kapitalist met sigaar en hoge hoed, maar het lijkt waarachtig wel of het vormingstheater uit de zeventiger jaren is teruggekeerd. Ik was er ooit wel een fan van, moet ik toegeven.

Opera2day speelt Vissersliefde met liederen van Schubert

Ik heb niets tegen het verkondigen van meningen, laat dat duidelijk zijn. Maar waarom moet dat ten koste gaan van het toneel?
Nu mag het toneel ook wel de hand in eigen boezem steken (en nee, niet in die van een ander). De laatste jaren hebben we nogal wat hoogdravende voorstellingen langs zien komen. Van acteurs die van het uitspreken van het woord ‘Goedemorgen’ al een diepgaande emotionele uiting maken tot uren durende marathonvoorstellingen met voortdurend gooi- en smijtwerk en goedkope ontblotingen. De emoties zijn aan inflatie onderhevig. Heftig is niet meer genoeg.

Laatst had de Schouwburg ons verleid tot een voorstelling uit de serie A bite at the opera. Het was een programma met liederen van Schubert in combinatie met een hapje eten. De balans bleek in werkelijkheid iets anders te liggen: het bleek een diner met een liedje. Het was smakelijk en gezellig, maar bij een aanbod van de Schouwburg verwacht ik iets anders.
Marketeers zullen zeggen, dat het product toneel aan het einde van zijn levenscyclus is. De toekomst is aan nieuwe vormen van beleving, aan de Netflixen van deze wereld met series die we vanaf de bank kunnen bekijken.
In een vrije markt klopt dit.
Daarom is het des te meer nodig om ook in de wereld van de kunsten de marktwerking weer terug te dringen. En sorry, ja, dit was ook een mening.

0

KATHOLIEKE ONVOLWASSENHEID

In het nieuws

Het grootseminarie in Haaren, Brabant

In 1959 hield de heer Martin, president van de priesteropleiding in Brabant, een toespraak over opvoeding. Hij streefde naar een open verhouding ‘tussen paedagoog en pupil’. Dat was niet vanzelfsprekend, want, zo zei Martin in alle openheid, ‘er is een tijd geweest, dat op seminaries en colleges alles mocht, als je ’t maar stiekem deed’.
Katholieke mannen en hun driften, je kunt er dezer dagen niet omheen. Ook in mijn onderzoek naar het leven van mijn heeroom kom ik nog wel eens wat tegen.

Wie monnik werd in een trappistenklooster legde een gelofte van kuisheid af. Toen mijn oom abt geworden was, merkte hij ‘dat er vooral op het gebied van de affectiviteit veel onvolwassen en ongezonde dingen waren zoals ondergrondse vriendschappen’.
De katholieke hoogleraar Buytendijk sprak vlak na de oorlog van ‘psycho-infantilisme’, een verregaande vorm van onvolwassenheid, die bij veel katholieke mannen voorkwam. Die onvolwassenheid kon zich uiten in een teveel aan verinnerlijkte regels en geboden, hetgeen een oorzaak was van angsten en neurosen; of in ongeremd gedrag. Buytendijk bracht de schrikbarende onvolwassenheid in verband met de negatieve houding van de kerk tegenover seksualiteit en de controle van de geestelijkheid. Masturbatie was verboden, homofilie een doodzonde. Maar in het geheim was blijkbaar van alles mogelijk.
Welke maatregelen de president van de priesteropleiding genomen heeft is mij niet bekend. Mijn oom vroeg het advies van een psychiater. Daarnaast liet hij een medewerker van een psychiatrische instelling een lezing geven in zijn klooster over problemen op het gebied van seksualiteit. Zoveel openheid waren de paters in 1950 niet gewend.

W. Duynstee, redemptorist

Een andere Nijmeegse hoogleraar, Duynstee, jurist en pater, constateerde in dezelfde jaren dat de criminaliteit onder katholieke mannen hoger lag dan bij de protestanten. Ook hij verwees naar het onvolwassen gedrag van de mannen. Voor een bisschoppelijke commissie verklaarde Duynstee dat masturbatie, hoewel objectief een zondige handeling, toegelaten zou kunnen worden met het oog op de geestelijke gezondheid. Het zou de angst kunnen doorbreken die de neurose veroorzaakte. Hij volgde daarin Neerlands eerste vrouwelijke psychiater, Anna Terruwe, die tegen een katholieke patiënt had gezegd, dat masturbatie geen doodzonde was.
Vanzelfsprekend kwamen deze geluiden de leiding van de kerk in Rome ter ore. De Heilige Officie stuurde in 1954 de jezuïet Tromp als inquisiteur naar de Nederlandse Kerkprovincie om te onderzoeken, wat er toch met die slappe Nederlandse priesters aan de hand was. De boodschap was duidelijk: de naleving van het zesde gebod moest via de biechtstoel verlopen en niet via de psychiater en al helemaal niet via psychiaters die de verdringingsleer van Terruwe hanteerden. Terruwe werd in de ban gedaan, Duynstee werd overgeplaatst naar Rome en mocht geen contact meer met Terruwe onderhouden.
Wat in het geheim gebeurde, bestond niet, dat was de verdringingsleer van het Vaticaan.

‘Er is bijna geen monnik, die geen seksuele moeilijkheden heeft in zijn leven’, zei de Zundertse trappist Arnold Bomans in 1970. ‘Het blijft een strijd tot het einde van je leven’.
Men gebruikte de gesel om de driften uit het lichaam te slaan. Lukte dat niet, dan was er voor de zondaars altijd nog de morele wasbeurt van de R.K. kerk: de biechtstoel. Drie weesgegroetjes bidden en je was weer overal van af.
Dom Amandus Prick (zo heette hij echt), de abt van het trappistenklooster in Tegelen, zei in de negentiger jaren: ‘Zelfbevrediging is onkuisheid. Als dienaar van de kerk moet ik dat zeggen. Maar wees gerust, ik vind het onjuist dat de kerk dat zegt. (….) God houdt van zondaars’.