Schrijven, Lezen, Leven.
0

WAAKZAAMHEID

Herinnering

Vakantieherinnering (8)

 

Onderschrift in mijn foto-album: ‘slabbetje voor: …. eten’

In 1968 was ik voor het eerst met een vriend op vakantie. Met de tent op de bagagedrager waren wij rond het IJsselmeer gefietst. Een jaar later beschikken F. en ik beiden over een brommer, dus verleggen we onze horizon. Wij scheuren een dag lang naar het zuiden en bereiken Florenville, een stadje in het zuidoosten van België. Daar vinden we in een uithoek van de camping een rustig plekje langs de rivier de Semois. Er staat daar nog één andere tent. Al snel blijkt dat deze toebehoort aan vier Nederlandse meisjes van onze leeftijd. F. en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Die avond wisselen we een paar woorden met onze buurmeisjes. Dat blijft ook de volgende dagen zo. Wij houden enige afstand, zij doen hetzelfde. Volgens F. valt het meisje met het donkere krulhaar op mij. Ik geloof het niet, maar ondertussen probeer ik signalen op te vangen. Tevergeefs. Zo leuk is ze nu ook weer niet, bedenk ik.
’s Avonds in onze tent vertellen we elkaar over de meisjes op school, over stiekem zoenen op feestjes en of je wel eens een vrouw naakt hebt gezien. F. zegt dat hij condooms meegenomen heeft. Ik schrik ervan, maar wil het niet laten blijken. Ik weet nog net wat condooms zijn, maar daar houdt het wel mee op.

Na een paar dagen merken wij enige reuring op de camping. Het blijkt dat de avond tevoren een alleenstaande vrouw is lastig gevallen door een onbekende man. Er wordt een beroep gedaan op ieders waakzaamheid. Onze buurmeisjes vertellen dat zij de vorige avond iemand rond de tent hebben horen sluipen. Dat moet de onbekende man geweest zijn.
Die avond liggen we nog lang klaarwakker in onze slaapzak. We spelen het vijfletterspelletje dat later bekend geworden is onder de naam Lingo. Dan knippen we de zaklantaarns uit. Het is een andere nacht dan de vorige. Ik ben gespitst op geluiden. Behalve het zachte gekabbel van het water van de Semois hoor ik niets. Wij hebben in de voortent twee dikke stokken klaargelegd die we als knuppel kunnen gebruiken, mocht het nodig zijn. In het donker voel ik mijn hartslag redelijk snel tikken. Ik ben een beetje bang, maar tegelijk fantaseer ik over een heldenrol. ‘Aanrander gepakt door twee Nederlandse jongens.’ Hoe zou zo’n kop in het Frans luiden?
Dan zegt F. plots dat hij buiten iemand hoort lopen. Hij snelt als eerste zijn slaapzak uit. Met de knuppels in de hand stormen we naar buiten. Daar komen we meteen tot stilstand. We zien niets, we horen niets. ‘Hij is in de bosjes verdwenen’, zegt F. die zijn brommer start om met de koplamp de omgeving te verlichten. De zwart-groene takken hangen onbeweeglijk omlaag. In de tent van onze buurmeisjes gaat een lichtje aan. Ze zullen wel blij zijn, dat wij zo oplettend zijn. Na enkele minuten kruipen we onze tent weer in.
De volgende morgen breken de meisjes op. Over een mogelijke insluiper wordt niet meer gesproken. Wij vertrekken later naar Neckargemünd, in de buurt van Heidelberg.

1

LANGS HET WATER

Reizen

Durgerdam

‘Volgende week ben ik er niet’, zei ik tegen de verkoopster in de bakkerswinkel, waar ik elke maandagmorgen mijn bestelling haal.
‘Gaat u een weekje met vakantie?’
‘We gaan een rondje rond het IJsselmeer fietsen.’
‘Zo! Op de racefiets of met de e-bike?’
Ik moest lachen. ‘We gaan op onze stadsfiets.’
‘Echt? Nou, knap hoor.’
Ik vond het geen reden om me op de borst te slaan.
Aanvankelijk wilde ik met een weekendtas onder de snelbinder op pad en zien hoever we zouden komen. ‘En wat gebeurt er met die weekendtas van jou als er een lekkere zomerse bui valt?’, vroeg G. Ik moest het toegeven: we zouden eigenlijk andere fietsen moeten hebben en goeie spullen. Maar we wilden aan het einde van de week weg.
Dus werd het een luxe arrangement, waarbij we zonder zorgen en zonder bagage konden fietsen en er aan het einde van de dag een heerlijk maal klaarstond en een goed bed. Eigenlijk bestaat er niets mooiers. Elke dag weer naar een nieuwe onbekende plek, met de zekerheid van een luxe dak boven je hoofd.

Volendam

De tocht voert vanuit Huizen door het centrum van Amsterdam en over de dijk langs het IJsselmeer naar Enkhuizen. Daar wacht het bootje naar Stavoren (‘waar wij ons diner verloren’, zong Louis Davids). Met een extra bochtje over Hindelopen naar Lemmer, door de Weerribben en langs Giethoorn, Kampen en Nunspeet terug naar het uitgangspunt. In zes dagen zo’n 375 kilometer.
We trekken door een weidse wereld, van wolken, water en weiden. Verre horizonten en hoge luchten. Smalle paden door frisgroene weilanden, langs met riet bezoomde vaarten waar het water wordt opgestuwd door de wind. We passeren de ene na de andere jachthaven, een woud van masten en touwen boven witte kunststof.
In Friesland en in de kop van Overijssel is het een parade van motorjachten. De gepensioneerde man, schipperspet op het hoofd, zit soeverein achter het hardhouten stuurwiel in zijn skaileren stoel met armleuningen. Zijn bruinverbrande vrouw leest een tijdschrift op het achterdek en wacht op een glimpje van de zon.

Giethoorn

Langs de vaarten trekt een lang lint van fietsers, van velerlei pluimage. Vier dames van in de zeventig op de racefiets, je hoeft er niet van op te kijken. Van bovenaf moet het eruit zien als een optocht van nijvere mieren. Opeenhopingen ontstaan bij bruggen die open staan om de plezierjachten door te laten. Of bij de ruimschoots voorhanden horeca met zijn innovatieve ondernemers. Aanbieding in Elburg: ‘To go – concept: puntzak friet’.
Recreatieparken zijn er ook voldoende. Er worden nog steeds nieuwe bijgebouwd (de oude zijn voor de Polen). Alle parken hebben -staete, -resort of -beach in hun naam. En ondertussen werkt de boer van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor ons dagelijks glaasje melk. Hij maait het land en spuit de gier eronder. Zoek maar een toevlucht in de berm, als hij in zijn reusachtige New Holland komt aangeraasd.
Wij gaan nog eens verzitten op ons zadel en wapperen onze tintelende handen. Het volgende warme winterdekbed en het slechte leeslampje kunnen de pret niet drukken.

0

BURGEMEESTER VAN HET TEAM

Herinnering

Eenmaal in mijn leven heb ik deelgenomen aan een voetbalkamp. Dat was in de zomer van 1967. Ik fietste met mijn elftal naar Baarn, waar midden in het bos een kindervakantiekolonie lag. Die was ooit ontstaan om bleekneusjes uit Amsterdam in de zomer te laten aansterken.
Nu stonden er tussen de bomen zes grote witte tenten voor evenzoveel elftallen. We aten aan lange tafels in een houten kantine. Na afloop leverde je je bord en beker in bij een balie waar twee huisvrouwen in jasschorten het vaatwerk verveeld aannamen. Onszelf wassen deden we buiten bij rijen zinken wasbakken, waar alleen koud water stroomde. Daar was het oppassen geblazen, vooral voor de voetballers van Haarlem en hun grootstedelijke baldadigheden. Ik vond het maar niks dat zij hun handen onder de lopende kraan hielden, zodat het water alle kanten opspoot.

Ik sta op de achterste rij, tweede van rechts

Maar ook in onze eigen tent moest ik opletten. Als de elftalleider er niet was pakten een paar uitgegroeide jongens een van ons stevig vast. Het tegenstribbelende slachtoffer werd vervolgens van zijn broek en onderbroek ontdaan, zodat iedereen kon zien hoe het piemeltje erbij hing. Burgemeester maken, noemden ze dat. Wie niet betrokken was keek nieuwsgierig mee.
Elke dag fietsten we naar het voetbalveld naast paleis Soestdijk om ons te meten met een ander team. Het was het jaar van A whiter shade of pale van Procol Harum. Voor ons was dat een witte scheet op een paal.
Aan het einde van iedere middag was er kampoverleg, waarnaar vanuit elk elftal één speler werd afgevaardigd. Onze elftalleider had mij aangewezen voor die rol. Ik was zeker niet de beste speler of de jongen met de grootste mond. Bovendien was ik behept met een spraakgebrek. Maar als een van de weinige jongens die ‘doorleerde’ – ik zat op het gymnasium – was ik blijkbaar geknipt voor deze functie. In het overleg werden de kampregels besproken – en vooral de handhaving daarvan. Het stond onder leiding van een liefdadige man die wist wat goed voor ons was.
Deze vertegenwoordiging gaf mij binnen het team zoveel ontzag, dat niemand het aangedurfd heeft om mij burgemeester te maken. Ik was het eigenlijk al door mijn deelname aan het kampoverleg. Op de laatste dag ontving ik een erespeld van de KNVB voor mijn bijdrage. Ik hield mijzelf voor dat ik tot erelid was benoemd.

Vaak gebeurd, maar niet tijdens ons toernooi

Voor het begin van het voetbaltoernooi was ons uitgelegd, dat het voetbalveldje ook gebruikt werd als landingsterrein voor de helikopter van Prins Bernhard. Mocht Bernhard een keer onverwachts op deze wijze naar huis komen, dan diende de wedstrijd onderbroken te worden. Wij knikten allen begrijpelijk. Voor een lid van het koningshuis maakte je vanzelfsprekend ruimte. Sterker nog, de waarschuwing dat Bernhard misschien wel eens kon landen veranderde in een steeds sterker wordend verlangen. Tijdens een wedstrijd keek ik voortdurend omhoog naar een stip in de lucht. Ik spitste mijn oren naar een ronkend geluid. Winst of verlies deed er eigenlijk niet meer toe. Als we thuis maar konden vertellen dat de wedstrijd door Bernhards landing was stilgelegd. Maar Bernhard was, en bleef, de hort op.

1

EEN GEVAL VAN OVERBEVOLKING

Dagelijks

Slakken kunnen een afstand van wel honderd meter afleggen, zo lees ik op internet. Er staat niet bij hoeveel tijd zij daarvoor nodig hebben. Wel kom ik te weten, dat slakken hermafrodieten zijn, schepsels met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Een enkele soort kan zichzelf bevruchten, een intrigerend gegeven. Bij de meeste slakken echter is er sprake van ‘gelijk oversteken’, waardoor er wederzijdse bevruchting plaatsvindt. Het lijkt me een prachtige basis voor een gelijkwaardige verhouding. Zou de overlevingskans van de slak in de evolutie zó gering zijn geweest, dat die dubbele geslachtsorganen nodig waren, vraag ik me af. Hoe dan ook, het heeft zijn vruchten afgeworpen.
Het begon ermee, dat de bladeren van de hortensia’s in onze tuin kapot gevreten waren. Daarna kwamen de asters aan de beurt, vervolgens andere planten. Het vreemde was dat we aanvankelijk geen enkele slak zagen. Het zijn sluipmoordenaars. Zij houden zich verscholen onder bladeren en struiken en komen in de avondschemering tevoorschijn. Of als er net een regenbui gevallen is. Dat was het moment dat wij opeens tientallen naaktslakken als holle bolle gijzen in de planten zagen hangen.

Dieren horen erbij, dus als een naaktslak met zijn uitgestoken voelsprietjes zijn slijmerige spoor over de tegels trekt laat ik hem / haar rustig lopen. Ik zou hem nog een andere kant opsturen als hij de weg over wil steken. Maar op dezelfde wijze heb ik de zorg voor de planten. Niet ingrijpen was daarom geen keuze, dus begon ik op een avond slakken te verzamelen. Het moet gezegd, dat het me aanvankelijk moeite kostte om die koudbloedige beestjes met mijn blote handen los te trekken van de planten. Ik dacht aan de generaties voor mij en hun omgang met de elementen en sprak mezelf toe.
Mieren en muggen maak ik dood, maar hoe groter het diertje hoe meer ik mij afvraag of ik daartoe wel gerechtigd ben. Dus bracht ik die eerste avond de grote verzameling slakken naar een stuk gras buiten onze tuin. Na de volgende regenbui zat de tuin ( ± 50 vierkante meter) weer vol en las ik het stuk, waarmee ik deze blog begon.

Dit exemplaar had zich vrijwillig binnen gemeld

Het internet staat vol met adviezen over het weren van slakken uit je tuin. Van het ingraven van potjes bier, tot het strooien van eierschalen, van koperen tape tot de onvermijdelijke gifkorrels. Lijsters peuteren slakken uit hun huisje voor een culinair maal, maar die vogels zien we te weinig. Hoe je in geval van overbevolking de weekdiertjes moet verwijderen (lees: dood maken), heb ik nergens gevonden.
Zwemmen kunnen de op land levende slakken niet, dus de vaart achter onze tuin was een aantrekkelijke optie, al voelde ik me niet goed toen ik zag hoe sommigen zich met hun slijm krampachtig vasthielden aan de schep waarop zij lagen. Of verbeeldde ik me dat maar? Eenmaal in het water zakten zij snel naar de bodem en verdwenen zij uit mijn zicht. Alleen de slakken met een huisje bleven nog even drijven, totdat hun onderkomen volgelopen was en de onvermijdelijke gang naar beneden volgde. Zo stierven de afgelopen twee weken meer dan vijfhonderd slakken de verdrinkingsdood.

1

ONRUSTIG GEMEKKER

Herinnering

Vakantieherinnering (7)

De schapenmarkt in Brecon

Pas lang na de vakantie werd duidelijk wat de oorzaak was van het malheur. Toen ik nog eens de gebruiksaanwijzing van onze pyramidetent doorlas ontdekte ik dat we al acht jaar lang het grondzeil op een verkeerde manier hadden vastgezet.
Wij zijn in 1997 op vakantie in Wales. Dit is schapenland. Tijdens onze wandelingen staren de beesten ons waakzaam aan. Er is er altijd wel een die zijn darmen leegt, een rozenkrans van glimmende keuteltjes achterlatend. Of we horen hun geblaat achter de heggen. In Brecon is een schapenmarkt. In de lucht zien we schapenwolken.

Op de camping wemelt het van de kinderen. Onze zoons van tien en twaalf leren de eerste beginselen van cricket. Voortdurend klinkt het ‘Stay!’. Ze zingen een of ander verbasterd Engels lied, wat klinkt als: ‘I saw with my eyes in my underwear’, waarop zij zelf het vervolg bedenken: ‘And I just saw my balls weren’t there.’ We eten een curry in een plaatselijke pub, waar volkse mannen na het plassen nog bezig zijn hun gulp dicht te knopen als ze terugkomen in de gelagkamer. En waar zij met een boer de zaak weer verlaten.
Tijdens regenachtige dagen leren we de kinderen klaverjassen. Op hun beurt leren zij het weer aan campingvriendjes, waarna er een klaverjasgolf door de tenten trekt.

Halverwege de vakantie verplaatsen we ons naar het noorden.
Wij kamperen daar aan de voet van de Snowdon, met 1085 meter het hoogste punt van Wales. Die moeten we natuurlijk bedwingen. De eerste uitdaging is echter het opzetten van de tent. Het waait zo hard, dat we zelfs met zijn vieren nauwelijks in staat zijn om het klapperende doek in bedwang te houden, terwijl we ondertussen alle spullen moeten beschermen tegen de slagregens. Het had een voorteken moeten zijn.
We horen dat de camping bij Brecon de dag na ons vertrek ’s morgens vroeg is overlopen door een kudde schapen. De beesten liepen tot in het toiletgebouw, overal hun keutels achterlatend. We hebben geluk gehad, denken we op dat moment.
De Snowdon bewaren we tot het einde van de week, we trainen eerst onze spieren op wat lagere hellingen. Tijdens een uitje naar het strand helpen wij, gekleed in regenpakken, de kinderen in hun zwembroek en we lopen verdwaasd over de boulevard van Rhyll, waar veel te dikke, bleke Engelsen langs amusementshallen en kermisattracties sjouwen, gevolgd door snoepende kinderen in voetbalshirts en adidasbroeken.
Op maandagochtend 4 augustus neemt het gemekker van de schapen rondom de camping onrustbarende vormen aan. Er steekt een nieuwe storm op. Harde windvlagen gieren door de opbollende tent. De wind golft onder het grondzeil door. Dan opeens waait één zijde van de tent de lucht in. Het kooktoestelletje valt om, kleren worden weggeblazen. Alle tien de scheerlijntjes aan die zijde zijn gebroken. In de bulderende storm knopen we de lijntjes weer provisorisch vast. Het grondzeil aan de windzijde verzwaren we met kratten. In het crisisberaad dat volgt is de conclusie duidelijk. We pakken alles in voor een paar dagen London. De Snowdon bleek een berg te ver.

 

 

1

ZERO TOLERANCE

Herinnering

Vakantieherinnering (6)

Een hoge piep kondigt de sluiting van de deuren aan. De metro komt snel op gang. Twee rijen reizigers tegenover elkaar, de tas op schoot, handen op de tas. Gelijktijdig schudden we heen en weer bij een wissel. Ik tuur schuin omhoog naar de routekaart, zodat ik niet hoef te kijken naar de grote, donkere man, die tegenover mij zit. Hij ziet er in zijn vuile broek en versleten jasje onverzorgd uit. De donkergrijze haren staan alle kanten op. Zijn starre blik is op de vloer gericht. Hij praat in zichzelf, het zijn steeds dezelfde twee woorden, waarmee hij het suizende lawaai van de metro doorbreekt. Onze jongste zoon kan zijn ogen niet van de man afhouden. Als wij uitgestapt zijn, zijn we het niet over eens wat de donkere man riep: ‘three stops’ of ‘free stuff’.

New York was de eerste verblijfplaats op onze reis door de Verenigde Staten, voor onze zoons van veertien en zestien het land dat wij hen al enige jaren daarvoor hadden beloofd. We sliepen in een niet te duur hotel in het hartje van Manhattan, om de hoek bij Times Square. Bij aankomst had een piccolo direct onze rugzakken op een bagagetrolley met koperen stangen geplaatst. Het zag er vreemd uit, de doe-het-zelfbagage op een blinkende wagen in een luxe ambiance van art deco.
Vanuit hotel Edison struinden we drie dagen door de stad, onze hoofden voortdurend in de nek om ons te vergapen aan de hoogbouw. Alles is er hoger en groter dan elders (ook de psychiatrische inrichtingen en de gevangenissen, zo luidde de pointe van een mop uit mijn jeugd). Het Liberty Statue, symbool van de vrijheid, Times Square, symbool van de marketing, de alomtegenwoordige beurskoersen, symbool van de speculatie, McDonalds, symbool van fastfood en wegwerpmaatschappij.
Toen we nog maar net de drempel van een koffiezaak over waren, riep een jongeman vanachter het buffet: ‘Yes, please, can I help you, I love to help you, sure I do, I am quick!’ Ik bestelde ‘two small coffee’, waarna hij direct naar achteren riep: ‘two tall coffee!’. Ik corrigeerde dat ik toch echt ‘small coffees’ had besteld, waarop hij uitlegde dat er drie maten waren: Tall, Grand, Giant.
We bezochten de musical Chicago, aan het einde waarvan de twee hoofdrolspeelsters voor een glittergordijn met sterren the American way of living uitdroegen: you can live the life you like, isn’t it grand, isn’t it great, oh it’s heaven nowadays.

De metro brengt ons naar het station WTC, het World Trade Centre. Om bovengronds te komen passeren we eerst een luxueus winkelcentrum, hoge glazen puien, veel licht, veel marmer. Mode, horloges, parfum en whisky. Buiten steken de verticale lijnen van de Twin Towers de oneindigheid in. Op een marmeren plein ligt een grote fontein met een goudkleurig kunstwerk. Een van onze zoons voelt met zijn handen in het water. Hij wordt direct vermaand door een beveiliger. Het is hier Zero Tolerance. Alles is onder controle. Het is dinsdag 10 juli 2001.

0

DE LANDWACHT

Dagelijks

Oefening van de Landwacht – Foto collectie Niod

In de Tweede Wereldoorlog zijn door het verzet meer dan vijfhonderd aanslagen gepleegd op NSB’ers, collaborateurs, Nederlandse SS’ers en Duitsers. Dat schrijven Kooistra en Oosthoek in hun boek Recht op Wraak. De 91-jarige Kooistra, ook wel de Friese Wiesenthal genoemd, liet mij via de mail weten dat hij geen enkel geval kende van een NSB’er die niet door het verzet, maar door eigen mensen uit de weg is geruimd. Dat is echter precies de verdenking in het geval van de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Ten behoeve van de historische vereniging Vleuten – de Meern doe ik onderzoek naar deze aanslag. Vorige week beschreef ik hier mijn speurtocht naar de mogelijke betrokkenheid van de Rotterdamse NSB’er Y. Een zoektocht die vooralsnog als enige aanwijzing opleverde dat Y. lid was geweest van de beruchte Landwacht.

De Landwacht was door NSB-leider Mussert opgezet om bescherming te bieden aan NSB-leden. Vanaf najaar 1944 werd de organisatie ingezet voor het opsporen en arresteren van tegenstanders, onderduikers en illegalen. ‘De Duitsers konden het niet alleen’, schrijft historicus Ad van Liempt. Bij de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei hebben nooit meer dan zevenhonderd functionarissen gewerkt. De aanstelling van 20.000 Landwachters betekende daarom een forse uitbreiding van de opsporingsmogelijkheden. Op deze betaalde banen kwamen nogal wat werkloze rauwdouwers en gefrustreerde vechtersbazen af. In hun opsporingswerk gebruikten de Landwachters veel geweld, vaak onder invloed van alcohol. Zo werd de leider van het verzet in Zuid-West Utrecht na zijn arrestatie in de Meern mishandeld door een LW’er die eerst een fles jenever had leeggedronken. De verzetsman werd na overdracht aan de Sicherheitsdienst niet veel later gefusilleerd.

Een liquidatie – Foto collectie Niod

Op zondagmorgen 1 oktober 1944 ontvangt de groepsleider van de NSB in Vleuten een aantal Landwachters. Hij heeft werk voor hun. Op de achterkant van een oude envelop van een verzekeringsmaatschappij heeft hij de namen geschreven van zwarthandelaren, verzetsmensen, onderduikers en ‘communisten’. De eerste razzia van de Landwachters levert weinig op. Veel verdachten zijn niet thuis. Het lijkt erop, dat zij gewaarschuwd zijn. Volgens Kooistra heeft Van der Grift, die gekenmerkt wordt als ‘goede NSB’er’, hierin een rol gespeeld.
Op 9 oktober wordt Van der Grift geliquideerd. Deze aanslag is aanleiding voor de Landwacht om enkele Vleutense verzetsmensen op te pakken. Twee dagen later worden zij door de Duitsers terechtgesteld.

Kortom, de Landwacht en de NSB hadden meer baat bij de liquidatie van Van der Grift dan het Vleutens verzet:
– Van der Grift hinderde hen in het opsporen van onderduikers en verzetsmensen;
– Een liquidatie van een NSB’er zou hen vrij spel geven om verzetslieden op te pakken.
En wie weet was Van der Grift een gevaar geworden, omdat hij na een beëindiging van de oorlog belastende informatie over collaborateurs zou kunnen doorgeven. De vrouw van Van der Grift was ervan overtuigd dat de NSB betrokken was bij de moord op haar man.
Rest de vraag, wie de trekker heeft overgehaald. Wellicht heeft de Landwacht voor het uitvoeren van de aanslag een collega uit Rotterdam ingeschakeld. Of een van de Landwachters heeft als schuilnaam de naam van Y. heeft gebruikt. Bewijzen zijn er niet en waarschijnlijk zullen die er ook niet meer komen.

1

ONDERZOEK VAN EEN DOOFPOT

Dagelijks

Liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem

Vorig jaar schreef ik voor het blad van de Historische Vereniging Vleuten – de Meern een artikel over de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Het dorp was destijds geschokt. Van der Grift stond bekend als ‘een goede NSB’er’. Hij had verzetslieden gewaarschuwd als er een razzia op komst was. Onderzoekers betitelden de aanslag later als ‘dubieus’ en zelfs ‘onterecht’.
Zoals in veel dorpen zijn in Vleuten de oorlogsgebeurtenissen in de kast gestopt. Er werd niet over gesproken. Meer dan vijfenzeventig jaar na de bevrijding zijn alle hoofdrolspelers overleden. Dat wil niet zeggen dat de wonden geheeld zijn, zo bleek mij na de publicatie. Mijn artikel bracht niet alleen  emoties naar boven. Er kwamen nieuwe, bijzondere feiten boven tafel.

Het was mij tijdens het onderzoek voor het artikel niet gelukt om familieleden van Van der Grift te vinden. Ik had niet goed gezocht. De eerste lezer die reageerde was zijn dochter, nu een vrouw van in de tachtig. Zij was verrast door details die ze niet kende. Voor mij onthutsend was haar mededeling dat haar moeder ervan overtuigd was, dat de NSB achter de liquidatie zat. Mijn aanbod om haar versie van het gebeuren in een volgend artikel te beschrijven sloeg zij af. De publicatie had haar al te veel slapeloze nachten bezorgd.
Ik zou daarmee de zaak hebben laten rusten, ware het niet, dat er nog meer reacties binnenkwamen. De zoon van een verzetsman uit Harmelen vertelde dat hij wist wie de trekker had overgehaald. Hij noemde een naam en gaf een signalement. Het zou gaan om een man van buiten de regio die in hotel Het Wapen van Harmelen had gelogeerd. Ik zal deze man hier verder aanduiden met ‘Y’.

De NSB marcheert over de Maliebaan in Utrecht

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Zonder idee van de voetangels en klemmen begon ik te zoeken. Het hotel kon mij helaas niet meer aan de gegevens van de gasten van najaar 1944 helpen. Mijn geluk was dat de betreffende achternaam, volgens de databank van het Meertens Instituut, eind jaren veertig zeer weinig in Nederland voorkwam en dan nog alleen in de regio Rotterdam. Een tweede meevaller was dat een vriendin een collega had gehad met deze achternaam. De collega bleek bereid om binnen haar Rotterdamse familie navraag te doen naar het genoemde signalement. Dat leverde geen match op. Ondertussen had ik via internet achterhaald dat er in Rotterdam een winkelier Y. had gewoond, die lid was geweest van de NSB.
Ik plaatste een oproep in De Oud-Rotterdammer, een tijdschrift dat leeft van de herinneringen aan vroeger. Het leverde een reactie op van een negentigjarige die als jonge vrouw bij Y. in de winkel had gewerkt. In een telefoongesprek haalde zij allerlei herinneringen op. Ze beloofde mij foto’s van haar baas toe te sturen. Daarnaast ontving ik een aardige reactie van een dochter van winkelier Y. Toen duidelijk werd dat ik een gebeurtenis uit 1944 onderzocht haakte zij direct af. Daarna bleek ook de voormalige winkelbediende geen foto’s meer te hebben en zich niets meer te kunnen herinneren.

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging

Vervolgens las ik het complete dossier van Y. in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, een onderdeel van het Nationaal Archief waarin alle documenten van rechtszaken tegen NSB’ers bewaard worden. Hierin vond ik geen aanwijzingen voor aanwezigheid van Y. in Harmelen of Vleuten. Op één mogelijk verband na. Y. was in het najaar van 1944 lid geweest van de Landwacht, de beruchte opsporingsdienst van de NSB.
Wordt vervolgd.

0

SPANNING EN SENSATIE

Herinnering

Opbouw van de kermis in Tilburg

Door de hoge schoolramen zie ik het frisse groen aan de bomen. Witte bloesemblaadjes dwarrelen rond. Het is bijna zover, straks kunnen we gaan kijken. Ik kan bijna niet wachten. Meester Haarhuis vertelt ons het verhaal van Jozef in Egypte. Ik hoor het maar half. Als de schoolbel geklonken heeft hol ik met enkele vriendjes direct naar het weiland langs de Dorpsstraat. Daar wordt de zaak opgebouwd. In het gras staan brede sporen van autobanden. Stalen spanten worden in de lucht gehesen, met houten blokjes worden attracties waterpas gezet. Sterke mannen zwaaien krachtig met hun hamers. We zien een nieuwe attractie. ‘Daar ga ik zeker in’, zegt een vriendje.
‘Ik ook’, zeg ik stoer, maar ik weet niet of ik het durf. Ik ga het mijn broer vragen.

De volgende middag ben ik erbij, als na een toespraak van de voorzitter van het Oranjecomité de kermis van start gaat. De schommelschuitjes laat ik links liggen. We hebben thuis zelf een schommel in de schuur. Maar de zweefmolen is fantastisch. Begeleid door draaiorgelmuziek suis ik hoog door de lucht, met een extra zwaai van de jongen achter mij.
De nieuwe attractie bewaar ik tot het avond is.
Mijn favoriet is de cakewalk. Wij spreken het uit als keekwalluk. Eerst zijn er de op en neer bewegende platforms, waar ik nog wat talm in afwachting van het spannendste element: de loopbaan naar boven. Als je te veel naar achteren staat val je omlaag. Hier duwen stoere jongens bange meisjes naar boven. Ik heb geen hulp nodig. Nadat een lopende band mij weer beneden op een stapel gymnastiekmatten heeft afgeleverd resteert het jammerlijke gevoel dat het te snel afgelopen is.

’s Avonds is daar het moment. Het is al bijna donker, de kleine kinderen zijn naar huis. De draaimolen staat ingepakt stil in het duister. Grote jongens en meisjes lopen innig gearmd en stoere mannen verzamelen zich rond de schiettent waar zij met een toegeknepen oog hun geluk beproeven. Elders klinken de slagen op de Kop van Jut.

Ik loop met mijn broer naar de steilewandrace. Met kloppend hart klim ik naar boven. Van bovenaf kijken we over een houten ton met een diameter van zo’n acht meter. Over de onbeschermde rand zien we hoe beneden een motor kleine rondjes draait om op gang te komen. Een stoere man zonder valhelm stuurt zijn machine omhoog. Het gevaarte ligt horizontaal tegen de houten wanden. De motor maakt een donderend geraas, er hangt een geur van benzine. De houten platen voor onze borst trillen, ongemerkt wijk ik een stukje naar achteren als de motor vlak langs ons scheurt. Daarna verschijnen er twee motoren in de baan, de berijders rijden met losse handen. Als klapstuk wordt het publiek gevraagd, wie er achterop durft.
Als ik uit de steilewandrace kom, voel ik dat het koud geworden is. Het weiland is vochtig. Ik hol in één lange sprint naar huis, opgewonden door de spanning. Maar ook teleurgesteld, dat het weer afgelopen is.

2

EEN DIGITALE TOEVOEGING

Dagelijks

Als ik aan het begin van de morgen de PC opstart, verschijnt plots een mededeling: ‘Browsing protection by F-Secure is toegevoegd aan Microsoft Edge.’ F-Secure is ons beveiligingsprogramma. We gebruiken het al jaren. Begin dit jaar hebben we, op advies van onze ict-man, de beveiliging op onze computers nog eens uitgebreid, uiteraard tegen meerkosten, zodat we, verschanst in onze bunker met driedubbele muren, elke mogelijke vijandelijke aanval kunnen afslaan. Wij zijn van het type die zekerheid voor alles wil.
Maar, zo vraag ik mij af, waarom ontvangen we nu deze mededeling? F-Secure beveiligt – als het goed is – al heel lang onze gang op het web, welke browser we ook gebruiken. Het betreft geen update. Dus waarom moet er iets toegevoegd worden? Van wie is trouwens deze mededeling afkomstig? Er staat geen afzender bij. Zo ontvang ik op mijn telefoon ook periodiek een mededeling dat er updates geïnstalleerd zullen worden. Ik mag nog kiezen of ik dit meteen wil laten ingaan of op een later ogenblik. Ik ben tevreden met de updates, maar waarom ontbreekt er een afzender aan deze aankondiging? Ik weet dat ik niet op linkjes moet klinken die ‘mijn bank’ mij doorstuurt. Dat ik een digitale brief van ‘de overheid’ met de vraag om mijn Digid te vernieuwen moet weggooien en dat ik niet moet ingaan op het appbericht ‘Hey, pap kan je me duizend euro overmaken?’ Maar waarom dan van die anonieme berichten over toevoegingen en updates?

Als het goed is gebeurt er niets aan mijn computer zonder dat ik daar zelf toestemming voor geef. Ik moet derhalve met de toevoeging van F-Secure aan Microsoft Edge instemmen. Ik heb op dat moment echter geen zin om me in dit soort keuzes te verdiepen. Dus ik veins alsof ik niet thuis ben. De mededeling gaat echter niet van mijn scherm af. Ik word gedwongen iets te doen. Als ik op ‘Doorgaan’ klik verschijnt het volgende bericht: ‘Een ander programma op uw computer heeft een extensie toegevoegd waardoor Microsoft Edge mogelijk anders werkt.’ Wat betekent dit nu, vraag ik me af. De irritatie begint op te lopen.

Nu kan Microsoft Edge mij eerlijk gezegd gestolen worden. Ik kies er zelf nooit voor. (Dat doen anderen voor mij).  Maar waar ik niet goed tegen kan is de onduidelijkheid van de mededeling. ‘Een ander programma (welk?) heeft iets (?) toegevoegd waardoor Edge mogelijk (?) anders (?) werkt. Het hoort erbij, spreek ik mezelf toe, wind je niet op. Dit is de digitale wereld zonder welke we niet meer kunnen werken.
Dan valt mijn oog op een vraagteken. Kijk eens aan, ik kan uitleg vragen. Die luidt als volgt: ‘De extensie kan het volgende doen: communiceren met samenwerkende systeem-eigen toepassingen.’ Met dat antwoord moet ik het doen. Daaronder volgt onverbiddellijk de harde keuze: ‘Extensie inschakelen’ (blauwe kleur) of ‘Extensie uitschakelen’ (grijsgekleurd). Voor de liefhebber is er nog een link met uitgebreidere uitleg. Hier beland ik op een Engelstalige pagina vol met systeemeigen termen. Dit is het laatste dat ik wil. Het zal wel goed zijn, verzucht ik, en kies voor ‘Extensie inschakelen’.