Schrijven, Lezen, Leven.
1

OPA

Dagelijks

Mijn kleindochters van 11 en 12 vinden het wel weer eens tijd, dat ik een blog aan hen wijd.
We liepen op een soort braderie, zo’n gelegenheid in september waarbij winkeliers een marktkraam voor hun zaak zetten om wat zij binnen verkopen buiten uit te venten. Zet er hier en daar nog een kraam met eten en drinken tussen en een springkussen voor kinderen. Laat een bandje optreden zodat niemand elkaar nog kan verstaan en er komt een massa mensen op de been die traag tussen de kraampjes door schuifelt, rondkijkend zonder te weten waarnaar men op zoek is om aan het einde bij een statafel een biertje te drinken. Ik vroeg me af, wat ik daar deed. De kleindochters liepen geïnteresseerd rond, snuivend aan geurtjes, kijkend naar kettinkjes en tasjes, verlangend naar een broodje bapao.

Ik realiseerde me dat hun interesses zich van mij vandaan bewegen. Ze kijken filmpjes die ik niet kan volgen. Ze willen een foto-shoot houden met de kat van onze buren en vermaken zich bij de klerenkast van oma. Daar passen zij het een na het andere kledingstuk. Sommige kleren trekken zij pas uit als zij, met tegenzin, weer naar huis toe gaan. Ze kunnen eindeloos met hun haren bezig zijn. Vlechten erin, vlechten eruit. Pogingen om met dertig elastiekjes, die de gehele nacht in het haar moeten blijven, enige krullen aan het kapsel te ontlokken. Ik kan niet zeggen dat ik met interesse deze bezigheden volg.

Een haar-creatie van de kleindochters. Namaak verboden.

Maar altijd moet ik erop bedacht zijn dat een van hen plots van achteren op mijn rug klimt. Blijkbaar ben ik nog fris en fruitig genoeg om als klimrek te dienen. Vervolgens is het de uitdaging om, zonder dat ik een hand uitsteek, bovenop mijn schouders te klimmen en juichend boven te komen. (Waarna ik het risico loop dat zij vervolgens aan mijn haren gaan frutten. (Ik heb kapper Cees laatst gevraagd om mij maar extra kort te knippen.)
Onlangs op een druk station, wachtend op de trein, gebruikten ze de staanders van de overkapping als klimrek. Ik was alert. Niet dat ik bang was dat ze uit de staander zouden vallen. Maar het perron, waar op luttele afstand rijdende treinen passeren, boezemt mij altijd angst in. Alsof zij mij gerust wilden stellen, vleiden ze zich beiden opeens tegen mij aan, een links, een rechts, hun koppies op mijn schouders, in een moment van warmte en intimiteit. Ik voelde een en al trots. Op een paar meter afstand stond een echtpaar van mijn leeftijd. De man en vrouw keken het tafereel geamuseerd aan. Ik kan me vergissen, maar ik meende ook iets van jaloezie in de blikken te zien. Wie zou er niet zulke leuke kleindochters willen hebben?
Opa zijn – je kiest er niet voor, het is een geschenk. Ik gun het iedere man.

1

BABYVERZORGING

Dagelijks

Met haar handen om haar hoogzwangere buik liep mijn oma in juni 1914 tegenover haar huis een boomgaard in. Gekleed in een jurk die tot op haar schoenen viel liep zij behoedzaam door het gras onder de hoge fruitbomen. Zo kwam zij bij het huis van vrouw Den Blanken. Zij vroeg de oude baker om zich gereed te houden. De bevalling zou weldra op gang komen. Vrouw Den Blanken had mijn oma al vijfmaal geholpen. Ze was eigenlijk gestopt, maar mijn oma had haar overgehaald om nog eenmaal te komen. Het zou toch de laatste keer zijn. Niet lang daarna werd mijn vader geboren.
Een baker was niet alleen hulp in de huishouding bij de bevalling, zij was de vraagbaak voor jonge ouders. Bakers waren ervaren vrouwen, er was geen opleiding voor. Ze wikkelden de pasgeboren baby strak in de doeken zodat die geen kans had om zich wakker te woelen. Inbakeren werd dat genoemd. Het was de tijd dat de kennis over babyverzorging als vanzelf van de oudere moeders op de jonge overging.

zomer 1952

Toen ik in 1952 geboren werd was de wijsheid van de oudere generatie nog altijd onomstreden. Eén ding was er wel veranderd. Overal in het land waren kruisverenigingen en de kraamverzorgsters hadden enige opleiding genoten. Mijn moeder was zelf in de jaren dertig en veertig kraamhulp geweest, al geloof ik niet dat zij daarvoor een scholing had gevolgd. De overlevering zorgde voor praktische oplossingen. Zo werd mijn wieg voor het raam in de zomerzon gezet, omdat ik een paar dagen na de geboorte er geel uitzag.

Weer een generatie verder, toen onze eigen kinderen geboren werden, halverwege de jaren tachtig, was de situatie veranderd. G. en ik dachten er niet aan om onze moeders om adviezen te vragen. Wij zochten het zelf wel uit. We hadden het boek Baby en Kind van Penelope Leach gekocht, het volledige en praktische handboek voor de verzorging van kinderen. En als G. iets wilde weten belde zij een vriendin. Daarnaast hadden we nog dokter Piet van het consultatiebureau achter de hand.

Bron: Prénatal

We zijn weer vijfendertig jaar verder. Nu behoren wij tot de oudere generatie. In mei werd onze derde kleindochter geboren. Boeken en telefoon zijn vervangen door apps en instructiefilmpjes die op YouTube te vinden zijn. Dat is op zich niet wereldschokkend. Wat ik wel bijzonder vind is dat binnen ongeveer vijftig jaar de verhouding tussen de generaties, tussen de ‘oude’ ouders en de jonge ouders, 180 graden is gedraaid. De ouderen zijn niet meer de wijze vraagbaak. Nu zijn wij het die voor het wekelijkse oppassen geïnstrueerd worden door onze kinderen. Zo hebben wij van hen het inbakeren geleerd. Ik ben daar blij mee, want de rituelen en gewoonten zijn na dertig jaar weer gewijzigd. In een app vullen wij de gegevens over het slapen en eten in. Honderd jaar geleden zou ik, met mijn eenenzeventig jaar, al dicht bij het einde van mijn leven zijn geweest. Dan had niemand het ook maar in zijn hoofd gehaald om een man van die leeftijd een pasgeborene te laten verzorgen.

2

KLOOF

In het nieuws

Het is al zo’n vijftig jaar geleden dat zanger Joop Visser in een lied de zelfingenomenheid van de journalisten aan de kaak stelde.
De brand, die zij verslaan, meneer
Als zij het land in gaan, meneer,
Steken ze zelf eerst aan, meneer,
Dat noemen ze een baan, meneer
De politiek redacteuren Jan Tromp en Coen van der Ven schreven onlangs het boek Wantrouwen in de wandelgangen – Hoe pers en politiek van elkaar vervreemd raakten. In de zaterdagbijlage van de Volkskrant van 09-09 mochten zij hun boek promoten.
Pers en politiek komen steeds geharnaster tegenover elkaar te staan, zo betogen zij. Een politicus een vraag stellen in de wandelgangen is er niet meer bij. Ministers en Tweedekamerleden worden afgeschermd door een patrouille van voorlichters. ‘Het patroon is dat de politiek de bewegingsvrijheid van de pers verder aan banden legt.’ De vrees is dat uiteindelijk de journalisten uit de wandelgangen geweerd worden.
Ik deel de bezorgdheid over deze ontwikkelingen. De gewezen minister van onderwijs Dennis Wiersma had naar verluidt zo’n twintig communicatieprofessionals in zijn staf om ervoor te zorgen dat de juiste boodschap en de mooiste beelden naar buiten kwamen.

Wie, zoals Tromp en Van der Ven, misstanden constateert en een pleidooi houdt voor een andere aanpak, zou echter op zijn minst moeten ingaan op de vraag hoe deze misstanden zijn ontstaan. Hoe komt het toch dat journalisten vooral uit zijn op ophef en vertier? Dat Powned ‘journalisten’ met een grote bek de straat op stuurt met als enige doel om emoties op te wekken? Dat Jinek een clown als Jaïr Ferwerda het politieke nieuws laat verluchtigen? Dat een van de populairste programma’s op televisie een talkshow is waarin voetbalanalisten een wedstrijdje doen wie de grofste grap kan maken? Daar moet toch iets zinnigs over te zeggen zijn. Tromp en Van der Ven komen in het artikel niet verder dan een verwijzing naar de politiek als de grote boosdoener. ‘Het is toch in de allereerste plaats de Haagse politiek die in de slag om het mooiste plaatje de vrije journalistiek aan banden probeert te leggen.’

Een kloof ontstaat niet vanuit één kant. Het is een zich herhalend proces van actie en reactie waarbij het begin niet meer is aan te wijzen. Kortom, zoals twee kijvende echtelieden hebben de politiek en de pers beide een aandeel in de ontstane situatie. De hand in eigen boezem steken, dat is echter altijd een zwak ontwikkelde kwaliteit van de journalistiek geweest. ‘Geen greintje zelfkritiek, meneer’, zong Joop Visser. ‘Zo arrogant als god, wie niet eerbiedig is die maken ze kapot.’
Het is al een veeg teken dat twee journalisten eenzijdig gaan oordelen over wat er mis is. Hoe zouden de journalisten het vinden als twee politici een boek over dit onderwerp schrijven zonder de journalistiek te raadplegen?
Het lijkt mij goed als er eens een onderzoek komt naar de rol van de journalistiek in de gepolariseerde verhoudingen tussen overheid en burger. Maar dan niet uitgevoerd door twee journalisten die hevig terug verlangen naar de jaren zeventig.

1

DE RAAF

Reizen

Vorige week, tijdens mijn eerste nacht in de Italiaanse Alpen, werd ik ’s morgens vroeg wakker door het harde gekrijs van een vogel. Kroa, kroa. De deur naar het balkon stond open. Ik wilde doorslapen, maar het irritante beest bleef schreeuwen. De volgende dag ontdekte ik op internet dat het geroep van een raaf moest zijn geweest. De grote zwarte vogel met zijn lange snavel, zo las ik verder, wordt gezien als boodschapper van onheil en verderf.
Vanaf die ochtend begon het in Noord-West Italië te regenen. Drie dagen lang trok er een stortvloed van buien over de bergen. Het water stortte langs de hellingen naar beneden, stroomde over de wegen, liet volle beken kolken. In de zangstudio waar ik met een groep onder meer het beroemde Agnus Dei van Samuel Barber instudeerde, werden zakken grond voor de deur gelegd om te voorkomen dat het water binnen zou dringen.
Het onheil breidde zich uit. In de nacht van maandag op dinsdag werd ik na een paar uur wakker met een bonkend hoofd en pijn in de keel. De koortsthermometer gaf 38 graden aan. De zelftest die ik bij het inpakken thuis na enige aarzeling toch nog maar aan mijn koffer had toegevoegd, kwam nu van pas. Onder het geluid van een drenzende regen verscheen er tot mijn ontzetting een dubbele streep bij de C en de T. Ik had geen andere keuze dan in quarantaine te gaan op mijn hotelkamer.

De raaf op de derde dag vanuit mijn quarantaine

Mijn wereld werd beperkt tot een ruimte van vier bij vijf en een groot wit tweepersoons bed. De groepsgenoten zorgden voor eten. Tijdens de eerste quarantainedag stond ik aan het einde van de middag starend voor het raam. Er dreunde onophoudelijk een regel uit een Credo door mijn hoofd. Sub Pontio Pilato, passus et sepultus est. De regen was even een miezer geworden. Opeens zat ie daar, op een kale tak die boven de hoogste boom in de omgeving uitstak. Onze ravenzwarte boodschapper. Ik herkende het geluid. Hoewel ver weg zag ik de scherp getekende snavel. Ik mocht die gast niet. Met tegenzin at ik een bordje zoute soep. Het leven nemen zoals het komt, ik was er nog niet aan toe.
Tijdens de tweede dag in isolatie verscheen de eenzame raaf weer aan het einde van de middag. Ik begon me te interesseren voor het beest en wilde meer over hem weten. Hij behoort, vreemd genoeg, tot de familie van de zangvogels. Ik testte mijn eigen stem om te horen of ik wellicht nog aan zingen toe zou komen deze week. Ik klonk nog slechter dan een schorre raaf.
Zo vulden mijn dagen zich met lezen, slapen, lezen, uit het raam kijken. Op de derde middag keek ik naar hem uit. De raaf stelde me niet teleur, hij verscheen krijsend. Kroa, kroa, was dat een roep om aandacht? Ik voelde me verbonden met die eenling. Ik begon hem te zien als vriend. De dag daarop was ik beter. De regens waren gestopt, er stond een vriendelijke nazomerzon.
De moraal: je kunt het onheil maar beter omarmen.

2

HITCHHIKE

Herinnering

Vakantieherinnering (15)

Ik was al twee jaar liftend op vakantie geweest en had zo uren wachtend langs de weg gestaan, maar dat weerhield mij er niet van om, samen met vriend C., in 1972 met de duim omhoog door Groot-Britannië te trekken. Het was niet eens zozeer om financiële redenen. Liften was omgeven met een cultuur van vrijheid – blijheid: op je gemak reizen, niets hoeft, je ziet wel waar je uitkomt, alles is goed. We hadden in Engeland geen duidelijk doel. Er was slechts het vage idee om zo ver mogelijk naar het noorden te trekken, naar verre, onbekende streken. De praktijk was dat we onze vakantie vooral langs en op de weg versleten. Het waren kleine dingen die onze dagen kleurden. Een ritje hoog in de cabine van een vrachtwagen. Of die keer dat we twee keurige oude dames niets vermoedend zagen rondrijden in een auto met een nummerbord dat begon met KUT.

Uitstalling voor de buren

Lopen deden we ook genoeg, want de camping die we aan het einde van de middag zochten lag meestal ver weg. Op een van die campings stonden we naast een ouder echtpaar dat ons vanachter het raampje van hun caravan continu in de gaten hield. Daarom gooiden we elk blikje, propje, appelschil en alles wat we tot afval konden bestemmen door de opening van de tent naar buiten. De dag daarop maakten we voor de tent een tentoonstelling van de boodschappen die we hadden gekocht.
In het Lake District kampeerden we enkele dagen bij een boerin, die iedere morgen om half zes de tenten afging om de camping fee te innen. Dus hingen we een zakje met munten buiten. Door hevige regenval hadden we daar al zoveel uren in de tent doorgebracht, dat ik op een zondagmorgen, alleen al om de benen even te kunnen strekken, de dienst in een bijgelegen houten kerkje bezocht. Na afloop kreeg ik van de dominee een warme handdruk. Die had ik van pastoor Beutener nooit gehad.

In Kilmarnock

Boven Glasgow werd de voortgang van de reis erg problematisch. Er waren weliswaar veel auto’s op weg naar het noorden, maar geen enkele minderde vaart. Kinderen zwaaiden. Uur na uur na uur. Dit was niet de voorziene vrijheid – blijheid. We keerden om en gingen weer naar het zuiden. Aan het begin van de avond werden we afgezet in een klein dorp, Hawick, ergens onder Edinburg. Het bleek een plaats zonder camping. Omdat we buiten het dorp geen geschikte wei vonden en de schemering al inviel, zetten we onze tent in een parkje neer. Tevreden aten we een snel maal van baked beans. We lazen nog wat voor het slapen gaan, toen we buiten geritsel hoorden, gevolgd door een vriendelijke en gedecideerde stem van een man die ‘Hello’ zei. En na een paar seconden nog eens: ‘Hello.’ We openden de rits en daar verscheen het hoofd van een politieman. Hij nam zijn zwart-wit geblokte pet af, alsof hij de kerk binnenkwam.
De volgende dag namen we de trein naar Londen.

——-

Eind komende week vertrek ik weer naar Italië om te zingen. Tot over drie weken.

2

PIC CARLIT

Herinnering

Vakantieherinnering (14)

Op de Pic Carlit

Vier dagen lang wandelen we op grote hoogte door een ruig en verlaten berglandschap. We komen nagenoeg niemand tegen en zijn ver verwijderd van mensen, winkels, lawaai, van voorzieningen en mogelijke hulp ook. Hier zijn we omringd door stilte en ongerepte natuur, bergweiden, sparren, waterstroompjes, rotsen. Het weer is kalm maar ook onvoorspelbaar. De bergen zijn prachtig maar onbekend. Wat zijn de risico’s, zo ver van de bewoonde wereld? Misschien dat ik nu, terugkijkend, me deze gevaren meer bewust ben dan toen G. en ik in 1984 met vier vrienden deze wandeltocht door de Pyreneeën maakten. Alles wat we nodig hadden zat in onze rugzakken: tenten, pannen, lichtgewicht eten, pillen om water te ontsmetten. We hadden ons verdiept in de gevaren van het onweer. Het idee om een aardappel op de tentstok te klieven als bliksemafleider was afgevallen. Een te zware oplossing.

In Font Romeu begonnen we aan de klim. Ondanks de beperking in bagage woog mijn rugzak nog ongeveer 20 kilo. Ik voelde me een soldaat op zijn eerste veldtocht. Niet denken aan hoe ver het is, hoe zwaar de rugzak, hoe steil het pad. Om je heen kijken, genieten van de omgeving. Niettemin was het een bevrijding toen ik na een paar uur mijn rugzak af kon gooien voor de eerste pauze. ‘s Middags legde ik mijn handen tussen de banden van de rugzak en mijn schouders om de pijnlijke plekken niet te hoeven voelen. Tegen de avond zetten we onze tenten op bij een klein meer. Om ons heen een verlaten landschap. Zes nietige stippen tussen ruige berghellingen. Voor ons had de dag lang geduurd. Het was minder dan een flits in de miljoenen jaren van deze natuur.

Onweer op komst

De Pic Carlit is 2921 meter hoog. Over deze berg lees ik nu op internet: ‘de tocht is lang en op sommige stukken zwaar. Vooral het laatste stuk naar de top is zeer steil.’ Daarmee is niets te veel gezegd. Het was klauteren met handen en voeten. Kijken waar je je voet kunt zetten, waar je handen houvast hebben. Niet omkijken, vooral niet omkijken. Vlak onder de top waren enkele zitplekken. We pakten de camping-gaz, een pannetje en water en maakten thee.
Er ging natuurlijk wat mis, dat geeft meer reden om er hier over te schrijven. In de afdaling, op een zeer steil stuk met losse steentjes ging ik onderuit. Ik had net wat foto’s gemaakt en lag een eindje achter de anderen. Ruggelings schoof ik een aantal meter omlaag, een lawine van steentjes meenemend. Desondanks hadden de anderen niets in de gaten hadden, dat viel me tegen.
Tijdens ons derde bivak, naast een rivier, kwam het onweer. Wij zaten opgevouwen met zijn zessen in onze tent en ik was juist bezig in de voortent een pan custard te maken. We telden het aantal seconden tussen de lichtflits en de donder. Toen het noodweer gevaarlijk dichtbij was kropen we in regenpakken de tent uit. We haalden de tentstokken omlaag, zochten een veilige plek (niet bij het water, niet bij een boom) en lieten gehurkt de bui over ons heenkomen.

0

CASA RUSTICA

Herinnering

Vakantieherinnering (13)

Toscane. Dat is het paradijs op aarde, zo hoorden we uit verhalen van collega’s en vrienden. En dus zochten G. en ik in 2005 een mooie vakantiewoning uit op internet. Vrij gelegen, dat was zo’n beetje het belangrijkste criterium bij de keuze. Zo kwamen we uit bij een huisje met de vertrouwen wekkende naam Casa Rustica. Een stuk buiten het dorp Castelmuzio stuurde ik onze VW Golf over een bochtige grindweg omlaag. Het pad zat vol niet te vermijden diepe kuilen. Terwijl we van links naar rechts geschud werden, kwam me opeens een zin te boven die ik ergens op de site had gelezen: niet geschikt voor laagverende auto’s.
‘Hebben wij een laagverende auto?’
‘Wat is dat?’, vroeg G. ‘Kijk uit!’
‘Geen idee’.
We hobbelden een olijfgaard binnen. Ik moest denken aan Jezus op de avond voor zijn kruisiging. Het grindpad werd vlakker en aan het einde zagen we een roze woning tussen het grijsgroen. Mij vielen direct de grote plaatijzeren deuren en luiken op. Dat stelde me gerust. De woning leek me inbrekerproof. Een ouder echtpaar legde ons in vlot Italiaans de werking van de geiser uit. Er was ook nog iets met de elettricità, maar dat ontging mij geheel.

Nadat het paar vertrokken was stonden we voldaan in de tuin. De stilte om ons heen was immens. Casa Rustica, dit was het beloofde paradijs. We keken uit over het heuvelland met cypressen, olijfgaarden, de torens van een stadje aan de horizon. Langs de rand van de tuin liep een bontgekleurde fazant voorbij. Er stonden enkele vijgenbomen. Ik herkende deze aan het blad. Ik kreeg de neiging om te kijken of zo’n schaamblad mij zou passen.
Die avond begon het te regenen. Omdat de kamer direct onder het dak lag, voelde het vertrouwd, alsof we in een tent zaten. De wind trok aan. Halverwege die eerste nacht werd ik wakker. Er klopte iemand tweemaal op de buitendeur. Ik zat onmiddellijk recht overeind. G. had het ook gehoord. Wat was er aan de hand, waarom kwam er iemand op dit uur naar deze verlaten plek? Er werd nogmaals geklopt. Mijn hart bonsde in mijn keel. Was die plaatstalen deur er niet voor niets? Hadden we niet ook de stalen luiken voor de ramen dicht moeten doen? Er woonde geen mens in de buurt. Daarna hoorden we alleen nog de regen en de wind. Het duurde lang voor mijn adem weer op rust kwam.

De volgende morgen zag het leven er stralend uit. Ik kon me niet voorstellen dat ik bang was geweest. De tweede nacht werden we niet gewekt. Pas toen het licht was, klonken er vlak naast ons huis geweerschoten. Twee doffe klappen vlak na elkaar. Voorzichtig keek ik door een gordijn, de luiken hadden we toch maar opengelaten. Terwijl er nieuwe schoten galmden, zag ik verschillende fazanten opgewonden wegschieten. De vorige dag hadden we her en der langwerpige rode en blauwe hulzen gezien en bordjes Divieto caccia. Zelfs voor ons Nederlanders was het duidelijk dat het hier verboden was om te jagen. ‘Welkom in Italië’, zei ik tegen G.

2

NATTE TENT

Herinnering

Vakantieherinnering (12)

1998. G. en ik staan met onze zoons van elf en dertien op een camping in Frankrijk. Het is de laatste dag van onze vakantie. Weemoedig over de dagen die opeens zo snel voorbij zijn gegaan pak ik onze pyramidetent in. De zoons hebben een eigen tentje en G en ik gaan een nacht in een klein reservetentje slapen. Zo kunnen we de volgende ochtend vroeg op stap en is de grote tent droog en schoon ingepakt. Tot volgend jaar. We soppen het fornuisje en de keukenspullen af en pakken alles in wat we niet meer nodig hebben. Konden we de laatste dag maar overslaan.
’s Avonds rijden we naar een pizzeria-zonder-naam, al meent een zoon dat de zaak Ouvert heet. De baas  doet zijn best om clownesk over te komen. Hij verontschuldigt zich al bij voorbaat mocht er iets mis lopen. Het is immers druk vanavond. Wij houden niet zo van lang wachten. Zeker niet aan het einde van een vakantie. Gelukkig komt er een accordeonist die, heel toepasselijk voor mij, weemoedige Franse liedjes zingt.

De pizzeria en de accordeonist op de achtergrond

Terug op de camping kruipen G. en ik op onze knieën het benauwde tentje in. Het is warm. Slapen lukt me niet. Na een paar uur hoor ik opeens het geluid van een grote plens waterdruppels op tentdoek. Ik spits mijn oren. Even later hoor ik het weer. Ik kruip naar buiten en zie nog net dat de tent van de zoons weer de volle laag krijgt. Het moet van een sproei-installatie komen. Het is nog een wonder dat de zoons doorslapen.
Ik hou niet van kletsnatte tenten. Gewapend met een zaklantaarn ga ik op onderzoek uit. De nacht is zwoel, het donker omringt mij van alle kanten. Schichtig loop ik over een mulle zandweg totdat ik bij een akker ben en de vage contouren van de sproeiers ontwaar. Ik had op een middag gezien dat de buizen ergens de grond ingaan. Die plek zoek ik. Het voelt belachelijk dat ik op dit uur in mijn onderbroekje op een akker loop, maar ik moet de onoplettendheid van die boer afstraffen.

Ik vind de plek en zie bij het licht van de lantaarn onderin het gat een wiel. Ik aarzel. Er zal toch niet iets vreselijks misgaan als ik eraan draai? Ik voel me een acteur in een film, ik ben de man die de criminelen een hak moet zetten.
Er komt geen enkele beweging in het wiel, hoe hard ik er ook aan draai. Maar opgeven mag niet. Ik kijk om me heen. Duistere krachten loeren in de bosschages rondom. Ik loop verder de zandweg op en zie een volgend gat en een volgend wiel. Dit krijg ik los. Ik verwacht nu elk moment dat de boer achter mij staat. Ik draai verder, het lijkt of de waterstraal vermindert. Nog verder en de rondzwaaiende regen stopt. Hoera. Nu moet ik in mijn onderbroekje snel terug voordat mijn werk ontdekt wordt. Die tent is morgenochtend wel weer droog, stel ik tevreden vast.
Na een paar uurtjes slapen word ik de volgende morgen wakker. Het regent.

3

KAMPEREN MET EEN GROEP

Herinnering

Vakantieherinnering (11)

De huisoudste (3e van rechts) houdt de uitgaven bij

In 1974 maak ik met enkele huisgenoten van de studentenflat plannen voor een vakantie in Italië. Andere bewoners willen met vrienden naar Frankrijk of Joegoslavië. Huisgenoot Bas, onze superorganisator, stelt dan voor om met de verschillende groepjes ergens in Italië af te spreken. Na een paar weken gezamenlijk optrekken, zo lacht hij enthousiast, splitsen we weer op in nieuwe groepen. Het plan wordt met instemming onthaald.
Een maand later treffen vier groepen elkaar op een camping aan de kust bij Napels. Zeven mannen en drie vrouwen, er zijn geen stellen bij, er zijn wel verlangens.
We bezoeken Pompeï, de Vesuvius, Capri. We gaan naar het strand, spelen spelletjes en improviseren maaltijden.

Ik ben voor het eerst in Italië. In Napels kijk ik mijn ogen uit naar de waslijnen boven de nauwe steegjes. Ieder gesprek tussen Italianen lijkt op een ruzie. Mensen achter kleine tafels verkopen vis, sigaretten, cassettes, horlogebandjes. Ik zie bedelende vrouwen en kinderen in kapotte kleren. Als zij horen dat we uit Olanda komen, roepen ze ‘Kroeif, kroeif’. Het WK voetbal is net achter de rug. In de arme wijken is de communistische partij zeer aanwezig. Net als de katholieke kerk trouwens. Thea, die met haar blonde haren nogal opvalt, wordt door een jongeman bij hem thuis uitgenodigd. Voor de veiligheid gaan een paar van ons mee. Het houten bouwsel, dat mij nog het meest aan een tuinhuis doet denken, hangt vol schilderijtjes met bloedende harten, doornen kronen en hemelse stralenkransen. Er hangt een verlicht Mariabeeld waarvoor kaarsen branden. We krijgen een wit, zoet drankje dat naar noten smaakt.
Ik ben tweeëntwintig en onzeker over mijn plaats in de wereld. Mijn stemming wordt beter, als Emmy op een avond in het donker van de slaaptent, stilletjes, om de anderen niet te storen, bij mij in de slaapzak kruipt. Ik ben verbaasd, maar beantwoord maar wat graag haar liefkozingen. De volgende morgen schijnt de zon met een heerlijke vrolijkheid. Wij doen of er niets gebeurd is.

Gepaste afstand op het St. Pietersplein

Dan is het moment van opsplitsing nabij, de wensen worden geïnventariseerd. Voor mij is het duidelijk: ik wil naar Rome. Als Emmy mijn voorbeeld volgt, kan ik wel juichen, maar ik hou me in. Waarop ook Theo zich voor Rome meldt. Dat had ik verwacht. Voor iedereen is immers duidelijk dat Theo achter Emmy aanzit. De overigen kiezen andere bestemmingen. Wij drieën lopen om de hete brij heen, pakken één tent in en stappen op de trein.
Voor een boek of een film zou dit een mooie basis zijn waarop het drama zich kan ontwikkelen. Wij struinen gedrieën door de stad, naar de Sint Pieter, het Colosseum, de Trevi fontein, om aan het einde van een vermoeiende dag de steile heuvel naar de camping te beklimmen en een goedkope Chianti te openen (op de fles ontdekken we in kleine letters: geïmporteerd door Albert Hein). Het drama blijft achterwege. Wij zijn geen Italianen. Een liefdesrelatie tussen Theo en Emmy is er nooit gekomen. Tussen Emmy en mij flakkeren een paar maanden na de vakantie de warme gevoelens weer op. Voor even.

 

1

IN DE SPORTSCHOOL

Dagelijks

Ik zie hem deze ochtend voor het eerst. Een breedgeschouderde jongeman van een jaar of vijfentwintig. Hij is niet groot, heeft kort donkerblond haar en een knap gezicht. Hij draagt een mouwloos hemd, waardoor zijn gebruinde armen goed uitkomen. Zijn sportbroek spant om zijn stevige benen. Kortom, een type dat je vaker in de sportschool tegenkomt.
Hij kijkt voortdurend in de spiegels die rondom hangen. Ook dat zie ik meer sporters doen. Laatst nog was er een middelbare scholier die, weggedoken onder een pet, graag naar zichzelf keek. Toen zijn telefoon ging hoorde ik hem zeggen, dat hij onderweg was naar school.

Ik kom hier eenmaal per week, elke dinsdagmorgen. ‘Maar niet omdat ik het zo leuk vind’, zei ik een keer tegen een leeftijdsgenoot. Hij keek me vol verbazing aan. ‘Ik doe het vooral omdat het nuttig is.’ Ik werk negen apparaten af voor verschillende spiergroepen. Op elk apparaat telkens drie setjes van vijftien bewegingen, met een halve minuut pauze ertussen. Daarbij word ik begeleid door simpele, zich herhalende deuntjes met een stevige bas. You got to pump it up. Het is een monotone, eenzame bezigheid die ik alleen volhou door aan meer aangename dingen te denken. Of door om mij heen te kijken.
De breedgeschouderde jongeman voelt zich op zijn gemak, alsof het lokaal zijn eigen huiskamer is. Gedecideerd stelt hij het gewicht op de apparaten in. Het zijn zware hoeveelheden. Hij loopt nu naar een spiegel toe en neemt rustig de tijd om zichzelf te bekijken. Spant zijn spieren alsof hij wil zien of er weer wat volume bijgekomen is.
Het is nog niet eens zo lang geleden, dat in de spiegel kijken not done was. Daar werd je maar verwaand van. Tijdens een sinterklaasviering in een studentenhuis kreeg ik ooit een klein spiegeltje cadeau. Dan kon ik vaker naar mezelf kijken. De suggestie van ijdelheid die eruit sprak vond ik onterecht. Ik keek hoogstens uit onzekerheid in de spiegel.

Er zijn meer mensen van mijn eigen leeftijd, daarnaast enkele jongeren. Jonge meiden ook, het lange haar in een paardenstaart gebonden. Ik verbaas me over de gewichten die zij aan de halter schroeven. Hun fragiele, smalle lijfjes lijken me niet daarop berekend. Wat is hun doel?
Ik wil niet de hele tijd naar de jongeman kijken, maar hij laat mij niet los. Na zijn volgende oefening staat hij opnieuw voor de spiegel. Zie ik dat goed? Hij spant nu zijn bovenarmen waardoor zijn biceps opzwellen. Daarna een volgend standje met opgepompte schouders, zoals bodybuilders dat doen. Breed van boven en smal in de heupen. Achter hem lopen anderen langs, maar hij doet alsof hij alleen op zijn kamer is. Onbeschaamd kijkt hij een tijd lang naar zijn uiterlijk, vol bewondering voor zijn lichaam, vol liefde voor zichzelf. Het is de selfiecultuur in het kwadraat. Misschien moet ik er gewoon maar eens naast gaan staan, met mijn flodderige t-shirt en mijn grijze kop.