Schrijven, Lezen, Leven.
6

SCHRIJVEN LOONT NIET

Dagelijks

Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.

0

TE PAARD!

Dagelijks

Het insectenhotel

Zondagmorgen. Wij maken een wandeling tussen Doorn en Langbroek, op de overgang van bos en wei, waar eeuwen geleden drassige landen zijn ontgonnen en machtige mannen kastelen lieten bouwen.
Het donkere water van de Langbroekerwetering weerspiegelt de traag voorbijtrekkende wolken. In de groene weiden wuift het lange gras zachtjes mee met een vleugje wind. Vogels kwetteren in de bomen en onzichtbare kikkers kwaken tussen het kroos.
We passeren iets wat door G. een insectenhotel wordt genoemd. Ik heb er nooit van gehoord, maar ik begrijp dat de beestjes in deze giftige tijden er ook wel eens uit willen.
Op een smal graspaadje trap ik bijna op een slang. Ik sta als aan de grond genageld, me niet bewust dat dit gebroed ook vlakbij Utrecht de paden onveilig maakt. Het is een fors exemplaar, ongeveer een meter lang. Het dier heft zijn kop. Met één klein oog kijkt het me een moment spiedend aan alvorens weg te kronkelen onder de graszoden.
Dat moet een adder zijn geweest, vermoed ik. Die zijn giftig. Ik denk wel vaker gelijk aan het ergste. Thuisgekomen zal internet mij leren, dat we een ongevaarlijke ringslang hebben ontmoet.

Het leven van de mens moet deze ochtend nog op gang komen, met uitzondering van de middle aged men in lycra. De goed gevulde buik uitbollend boven de stang van de racefiets scheren de mannen over de smalle wegen. Nog lang is hun geroep (‘voetganger! bocht!’) in de stille morgen te horen.
De racende mannen worden in deze contreien in aantal alleen overtroffen door paardrijdende vrouwen. Bij de stallen en maneges draaien de jonge-meiden-met-paardenstaarten hun vierkantjes.
Volwassen vrouwen rijden hoog bovenop hun forse ruinen over de bospaden. De bovenlichamen bewegen ritmisch mee op de stappen van het paard. Het zweepje in hun hand steekt een eindje uit. Als wij ons uit ontzag aan de kant van het pad opstellen, zegt een van de vrouwen: ‘rustig maar, ze doen niets.’ Het blijkt dat zij dit tegen haar paard zegt. Ik neem mij voor om voortaan ook zoiets te zeggen mocht ik nog eens een slang op mijn pad vinden.
Vlak buiten de bebouwde kom ontmoeten we enkele oude dames te paard, in een houding die verraadt dat zij hier al jaren rond rijden. Dat je hen niet hoeft te vertellen dat hun viervoeters niet zomaar mogen mesten. De kleine paarden sjokken alsof zij altijd hetzelfde rondje maken en de vermaningen om rustig te lopen wel eens zat zijn. Er hangt een merkwaardige geur rond het stel. Wellicht hebben de dames hun zadel ingesmeerd met vet dat al lang over de datum heen is. Ik weet het niet. Misschien zijn het wel hun rijbroeken met zeemleren voering. De ouderdom komt met gebreken.
Intussen is de middag aangebroken. Over de provinciale weg trekken rijen auto’s, op beide fietspaden geëscorteerd door zoevende e-bikes. De pannenkoekentent heeft de vlaggen uitgehangen en de zon breekt langzaam door.

1

EEN OUDE PIANO

Herinnering

Ik was vijfentwintig en zat boordevol plannen toen ik tijdens een sportuurtje in volle vaart met mijn hoofd tegen een andere sporter aanliep. Om mijn door elkaar geschudde hersens wat rust te gunnen zat ik regelmatig achter de piano van een huisgenote. Met behulp van het eerste oefenboek van Folk Dean probeerde ik een boerenpolka in mijn vingers te krijgen. Het beviel zo goed, dat ik besloot pianoles te nemen.
Toen er daarna hoorde dat iemand een aftandse piano voor 100 gulden aanbood aarzelde ik geen moment. Een eigen piano, dat maakte me niet alleen onafhankelijk van mijn buurvrouw. Het bezit zou mij in staat stellen om onbekende kanten van mijzelf te ontwikkelen, mijn gevoelens te ontdekken en mijzelf uit te drukken. De piano moest mijn grote vriend worden.
Voor een zelfde bedrag huurde ik een busje en toog naar Alphen aan de Rijn. Daar stond ie te wachten op mij, mijn Woltersdorf, het glanzend zwarte instrument dat mij tot in of minstens tot vlakbij de hemel zou brengen. Het geluid riep associaties op met een afgeragde cafépiano maar dat mocht de pret niet drukken.

Ik oefende iedere dag en maakte vorderingen. Ik schreef mijn eerste eigen compositie. Embattled illusions noemde ik het werkje in e-klein, niet beseffend dat ik mezelf hiermee een vingerwijzing gaf voor de toekomst. Na een tijdje schakelde ik over van het klassieke naar het populaire repertoire, van partituur lezen naar improvisatie.
In die tijd verhuisde ik regelmatig. Mijn spullen pasten in één bakfiets, dus zo’n verhuizing zou een peulenschil zijn geweest, ware het niet dat die verdomde piano iedere keer mee moest. Daar had ik bij de aankoop even niet aan gedacht. Na elke verhuizing klonk het instrument weer valser.

De jonge vader speelt nog eenmaal

Toen na acht jaar onze eerste zoon geboren werd, stopte ik met les en met spelen (de baby slaapt, de baby huilt, de baby moet naar buiten). Als laatste had ik nog een lied van Maurice Dumas¹ uit 1908 ingestudeerd:
Dames, heren, wil eens naar mij horen, welk geluk mij heden is beschoren
Want mijn vrouw heeft mij zo even, een ferme knappe zoon gegeven.
Strikt bekeken was het mij dus gelukt om mijn expressievermogen te vergroten.
Daarna begon de Woltersdorf aan zijn pensioen. Hij had al te lang moeten doorwerken. Ik kon het echter nog niet over mijn hart verkrijgen om hem de deur uit te doen. Wie weet zou ik nog eens inspiratie krijgen. Dus toen wij in 1985 verhuisden naar ons huidige huis moest er een takelwagen aan te pas komen om de piano een plekje op mijn kamer op de tweede etage te geven. Dat was een heleboel geld voor een parkeerplek.
Ik speel al jaren niet meer, enkele toetsen hebben het begeven, dus nu wordt het hoog tijd om het instrument uit zijn lijden te verlossen. Maar hoe? Waar laat je zo’n oud kreng? Het past niet in een container voor restafval en ik heb geen bedrijf voor piano-destructie kunnen vinden. Na wat rondbellen blijkt dat ik mijn Woltersdorf bij een afvalscheidingsstation mag inleveren. Moet ie nog wel eerst van de 2e etage af.

¹Maurice Dumas was een Nederlandse humorist en zanger, bekend van  Joseph, laat je broekie zakken en O lieve Mathilde als jij eens wist wat ik wilde.

1

HET EERSTE WOLVENGEZIN

In het nieuws

Maandagavond laat. Het is tijd om naar bed te gaan, maar als uitstelmanoeuvre ga ik naar de nieuwspagina van Teletekst.
Er heeft zich een tweede wolvin op de Veluwe gevestigd. Dat blijkt uit keutels waar de Wageningen Universiteit een dna-analyse op heeft uitgevoerd.
Interessant. Er moet dus iemand zijn, die de godganse dag met een loup en een plastic zakje de Veluwe afstruint. Misschien is het wel een hele ploeg medewerkers. Mensen die op zoek zijn naar een speld in een hooiberg en dan na dagen zoeken enthousiast in de poep beginnen te roeren. Je moet er blijkbaar voor gestudeerd hebben. Wie zou hier opdracht toe gegeven hebben? En wie betaalt dit?
Daaruit blijkt dat wolvin GW960f al zes maanden op de Veluwe verblijft
GW960f, een intrigerend getal. Zijn er al 959 voorgangers geweest? Hoe hou je die uit elkaar? En wat doet die f aan het einde? Is dat de wetenschappelijke afkorting van faeces? Verzamelt men ook snot, oorsmeer of sperma?
en dat GW960f daarmee een officiële inwoner van ons land is.
Nou, daar zou ik nog wel even een discussie over willen aangaan. Wat is de definitie van een officiële inwoner? Als je in een half jaar tweemaal een identificeerbare bolus op de Veluwe hebt gedraaid? Weten ze dat in Libië ook? Is er al een veterinaire immigratiedienst opgericht? Ik ben benieuwd wat onze autochtone eekhoorn en Hollandse vos hiervan vinden.
Eerder vestigde zich al wolvin GW998f op de Veluwe. Bij haar is een mannetje gesignaleerd.
Nu begint dit bericht toch oncontroleerbare trekken te krijgen. Waarom heeft dat mannetje geen nummer? Is het wel altijd hetzelfde mannetje en zo nee, moeten we daar dan niet eens een debat over voeren?
Van Joris Luyendijk heb ik geleerd, dat je nooit op één nieuwsbron moet afgaan. Via een bericht in de NRC (die wel het nummer van het mannetje meldt) kom ik op de nieuwspagina’s van de Wageningen University, de bron van al deze opwinding. De opdracht voor dit onderzoek, zo lees ik hier, is gegeven door BIJ12 (?) Wolvenkeutels zijn gemakkelijk te herkennen. ‘Ze zijn veelal ruim 25 cm lang en 3 cm dik’. Kijk, de onderzoekers moeten dus ook met een centimeter op pad.
Vermoedelijk vormen de twee een paar. De komende maanden moet uitwijzen of zij hebben gepaard en het eerste wolvengezin van Nederland een feit is.
De definitie van een paar lijkt me inderdaad dat twee levende wezens een aanwijsbare neiging hebben tot paren. Maar moeten we blij zijn met parende wolven, is de vraag die zich bij mij opdringt.
Het onderzoeksteam meldt dat er in het afgelopen kwartaal een edelhert is gevonden, dat gedood bleek door GW960f. Kan men dan niet beter wat wolven in de Oostvaardersplassen uitzetten in plaats van boswachters met karabijnen? Ook de aanslagen op schapen worden door de universiteit bijgehouden.
Dat wordt wat voor de schapenboeren. Ik geloof dat ik maar in aandelen ABC Hekwerken ga investeren. Of in de wapenhandel voor het afschieten van edelherten en wolven.
Ik doof de lampen en ga naar bed. Wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit, wie zei dat ook al weer?

1

HET WOONPARADIJS

Dagelijks

Mijn schoonouders hadden weinig te makken. Maar de spaarcenten die er waren werden om de paar jaar gespendeerd aan nieuwe meubels of nieuwe vloerbedekking. Bij ons is het precies omgekeerd. Wij hebben genoeg gespaard en doen al jarenlang met dezelfde meubeltjes. Hoe dit verschil te verklaren is, laat ik aan anderen over. Maar nu de scheurtjes in het leer van onze bank en de krassen op de bijzettafeltjes wel erg gaan opvallen ontkomen we er niet meer aan.
Kortom, wij zijn op meubeljacht. Welkom in de wereld van de woonwinkels. Groot, groter, grootst. Het woonparadijs is de ultieme uitdrukking van de overvloed in onze westerse maatschappij, iedere droom kan waargemaakt worden, de keuzemogelijkheden zijn eindeloos.
Ook in deze wereld dringt de tweedeling zich op: ruim opgezette afdelingen met dure designmeubelen tegenover étages waar je volgens vaste looproutes tussen de dicht opeengestapelde massagoederen loopt. Op de laatste is geen personeelslid te vinden, op de eerste wacht een keurkorps aan goedgetrainde verkopers hongerig op de paar klanten die aarzelend de meubelzaal betreden.
Jezelf niet opdringen, maar beschikbaar zijn als het moet, lijkt het credo van deze verkoper. Glimlachen, vragen, informeren, maar alles op een ingehouden manier. Dus komt er een klant met een bovenmatige interesse dan moet je als verkoper volharden. Je omzetcijfers worden immers gemonitord. Heeft de klant één vraag gesteld, dan duik je even later onverwachts achter een pilaar op.
Geleidelijk de mondige klant over de streep trekken, zo gaat de klantgerichte en omzetgestuurde verkoper te werk. Hij peilt welk vlees hij in de kuip heeft. Hij gooit zijn kennis in de strijd, zijn opvattingen over wat modern of kwalitatief is en hij paait. Kopje koffie? Stukje appeltaart erbij?

Afgelopen woensdag brachten wij van 10 tot 3 in zo’n paradijs door en al die uren hadden wij een verkoper als persoonlijk begeleider tot onze beschikking. We kregen een lunch aangeboden, vervolgens de blackbird van Eames, een peperduur kunstzinnig object, en als klap op de vuurpijl een cheque van 400 euro te besteden tijdens ons volgende bezoek. De marges zijn ruim op dit soort afdelingen.
Als klant kan je een beetje hulp best gebruiken. De overvloed aan mogelijkheden leidt al snel tot keuzestress. Wat neem je als uitgangspunt? De bank, de gordijnen, het vloerkleed? Welke stijl spreekt aan, welke materialen, welke kleuren? We waren al langs tig websites gescrolld en we wilden niet even zoveel winkels afgaan. We wilden iets moois en iets betaalbaars. Soms wilden we het onmogelijke. Maar bovenal wilden we onzekerheidsreductie. Dat kan de verkoper wel bieden.
Toen we bijvoorbeeld na lang wikken en wegen – en in goed onderling overleg – de keuze hadden gemaakt voor een bepaalde kast, waren we er nog niet. Er volgden nog talloze opties voor het soort hout, de kleur, links- of rechtsdraaiende deurtjes, lade of klep, plaats van het kabelgat tot aan de kleur van de dop die het kabelgat afdekt; alles via een flitsend computerprogramma aan je voorgeschoteld door de geduldige verkoper, die inmiddels al lang weet dat hij beet heeft.
Verkoper en klant, wat zouden zij zijn zonder elkaar?

0

NESTJE BOUWEN

Dagelijks

Zoals mensen verschillen in intelligentie, zo zijn er ook in het dierenrijk slimme en minder slimme wezens. Onze Youri zaliger bijvoorbeeld was volgens mij een kat met enig inzicht. Ik verbeeldde mij dat hij evolutionair gezien op weg was naar een meer menselijke status. Hij gebruikte regelmatig zijn poot om het voer in zijn bek te stoppen.
Zo heb ik ook gelezen, dat kauwen intelligente vogels zijn. Op welke plaats in de ranglijst van de knapste vogel de Turkse tortel staat zou ik niet weten. Ik vrees sinds deze week dat de tortel ergens in de onderste regionen vertoeft. (Omdat de tortel-met-een-migratieachtergrond een te lange formulering is, zal ik hier simpelweg over tortel schrijven).
Deze week mochten wij er getuige van zijn, dat twee tortels een nest gingen bouwen in onze oude pruimenboom. Het vrouwtje – beter gezegd de tortel die wij ervan verdachten het vrouwtje te zijn – settelde zich urenlang in een opvallende positie, de kop omlaag en het achterste omhoog, zodat wij aanvankelijk dachten dat een snelle paring aanstaande was.
Het mannetje toonde echter geen enkele belangstelling voor de geheven derrière. Het vloog continu af en aan met grassprietjes en kleine takjes, die hij als een kussentjes onder de kop van het vrouwtje probeerde te duwen. Althans dat leek de bedoeling. De tortels hadden een kruising tussen twee dunne takken uitgekozen om te nestelen, een plek waar elke aangeleverde bouwsteen weer terstond omlaag viel. Sterker nog, de stokoude boom is zo dicht bij het moment van euthanaseren dat het drukke gedoe van het mannetje de val van vele dode pruimentakken veroorzaakte. Op de grond onder de boom ontstond zo een nest van dode takken, die voor zeker vier tortelparen voldoende zou zijn. En het mannetje maar omhoog vliegen met minuscule twijgjes van elders.
Ik zag het met verbazing aan. Overtuig dan zo’n stel tortels maar eens van de hopeloosheid van hun onderneming! Ze moeten door schade en schande wijs worden, zou je zeggen.
Na drie uur bikkelen bleek het moment van inzicht gekomen. De derrière ging weer omlaag en de vogels verlieten onverrichter zake de boom. Ook ik kon mijn bezigheden weer hervatten.
De volgende morgen had het vrouwtje weer dezelfde houding op dezelfde plek aangenomen en vloog het mannetje weer druk en liefdevol heen en weer. Op het gebied van de wederzijdse liefde kunnen wij nog wel iets van tortels leren.
Na uren van vruchteloos bouwen, braken zij tegen het middaguur opnieuw hun arbeid af, mij met vele vragen achterlatend. Was het gebrek aan slimheid? Of was ik hier getuige van een aan mensen onbekend voorspel in de liefde? Mogen tortelmannetjes pas het vrouwtje bespringen als zij eerst hebben laten zien, dat zij onverwoestbare werkers zijn? Of ontbreekt het mìj aan slimheid om dit gedrag te verklaren?
Op de website van de Vogelbescherming las ik daarna: ‘het broedsel mislukt regelmatig. Soms valt het gammele nest met eieren en/of kuikens uit de boom of waait weg.’ Dat maakt echter allemaal niet uit. Het beest hoeft namelijk niet zo nauw te kijken: ‘de Turkse tortel heeft een uitzonderlijk groot voortplantings- en verspreidingsvermogen.’ Ach, zoveel verschillen ze dus niet van de mens. Wij mannen hoeven ook niet op een zaadje meer of minder te letten.

0

LOGEREN

Herinnering

‘Zal ik je een stukje duwen’, vroeg mijn moeder, ‘het is zo’n end’.
‘Nee!’, riep ik ferm doortrappend. Ik wou een stoere jongen zijn. Mijn moeder zag het met voldoening aan. We fietsten in de buurt van het Woerdens Verlaat en waren op weg naar tante Alie en ome Piet in de Hoef. Vanuit Vleuten was dat een afstand van bijna 25 kilometer. Voor een 7-jarige op een kinderfietsje geen peulenschil.
Het zou de eerste vakantie van mijn leven worden, al noemden we het niet zo. Ik ging logeren en ik vond het allemaal prachtig. Dé grote attractie voor mij was de roeiboot, die voor het huis in de Amstel lag. Dat roeien wilde ik direct zelf doen. Het bleek moeilijker dan gedacht, regelmatig belandde de boot in het riet. Ik vond het raar om achteruit te varen. Als de scharnieren piepten hield neef Gijs de roeispanen even in het water. Vervaarlijk over de rand van de boot leunend trok ik de drijvende pompenbladeren uit het water, me verbazend over de enorme lengte van de stengel. Ik wilde zien of ze allemaal zo lang waren.
Ome Piet was smid en fietsenmaker. Achter het woonhuis was een werkplaats waar mijn oom zijn kost verdiende in het spaarzame licht dat door de vuile ruitjes viel. De logeerpartij bestond niet alleen uit pret, want er moesten ook klusjes gedaan worden, zo bleek. Ome Piet had een goedkope restpartij van verschillende spijkers gekocht. Die moesten wij op lengte sorteren. Daar had ik niet op gerekend en mokkend vroeg ik me af of ome Piet wel bevoegd was mij zo’n opdracht te geven.

Het huis van ome Piet en tante Alie

Het kwartje dat we ermee verdienden lieten we, anders dan ik thuis gewend was, direct weer rollen. Bij de bakker kochten we Bazooka kauwgom voor vijf cent. Daar zaten wielerplaatjes bij van Gino Bartali en Fausto Coppi. Er ging een wereld van roem en glorie voor mij open. Ik nam mij voor alle plaatjes te sparen en vroeg ome Piet of er nog meer gesorteerd kon worden. Zijn nukkige antwoord stelde me teleur.
Tante Alie deed ondertussen haar best om mijn logeerpartij tot een succes te maken. Op een van de avonden stond er een enorme stapel pannenkoeken op tafel. Ik wilde niet onderdoen voor mijn vier jaar oudere neef. Die avond kon ik in de bedstee mijn misselijkheid niet de baas. Half overeind gekomen kotste ik het bed onder. Mijn tante zorgde zonder iets te zeggen voor een schoon bed.
Ome Piet kon nog wel eens onverwachts boos reageren. Zo riep hij een keer onder het avondeten: ‘Gatverdamme, ik ruik een wind. Wie heeft die gelaten?’ Met boze ogen achter zijn sterke brillenglazen keek hij de kring rond. Ik durfde niet te zeggen, dat ik het geweest was. Bedplassen, kotsen, er was al te veel dat ik niet had kunnen ophouden. Toen voelde ik ook nog eens tranen opkomen. Mijn oom stond met veel misbaar op en schoof achter mij het raam een end omhoog. Ik vond het logeren opeens niet zo leuk meer. Die 25 kilometer fietsen leek me nu een enorme afstand.

1

LEVE HET BEJAARDENTEHUIS

In het nieuws

Begin deze eeuw wist de overheid het zeker: hulpbehoevende ouderen moeten zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Op de eerste plaats omdat de ouderen het zelf willen. Dat klinkt heel logisch, want wie laat zich voor zijn plezier uit zijn vertrouwde huisje verladen naar een instituut vol gebrekkige en mokkende medemensen? Een tweede argument was dat verzorgingshuizen hospitalisatie in de hand werken. Tenslotte – het werd als laatste genoemd, maar voor de overheid was dit het belangrijkste – waren de hoge kosten aanleiding om het thuis blijven te stimuleren.
Wie nieuw beleid en nieuwe projecten in Nederland wil promoten maakt van de oude situatie een karikatuur en schenkt geen aandacht aan mogelijke nieuwe problemen die kunnen ontstaan. Die andere problemen werden al snel zichtbaar.
De thuiszorg werd opeens een flink stuk duurder. Want de verzorgende die voorheen de hele hulpbehoevende clientèle bij elkaar had, was nu veel meer tijd kwijt aan het reizen. Datzelfde gold voor de verpleegkundige en de maaltijdbezorger. Omdat de bezuinigingsdoelstelling wel gehaald moest worden, ging er dus ook nog een bezuinigingsslag over de thuiszorg heen.
Voor de ouderen zelf namen de risico’s toe, want wie met versleten pantoffels over de eigen salontafel struikelt en niet meer overeind kan komen, mag tenminste een etmaal op de vloer doorbrengen. Maar niet getreurd, daar hadden de beleidsmakers slimme oplossingen voor: domotica en zorg-op-afstand via makkelijk bedienbare tablets.
Tenslotte was het gevolg – wie had het ooit kunnen bevroeden – dat alle hulpbehoevende ouderen, die niet mobiel genoeg meer waren om het huis uit te komen, in hun eentje thuis zaten te verpieteren.
En dus is er nu, na een actie van omroep Max en de ouderenbonden, de campagne Een tegen eenzaamheid: 29 miljoen voor projecten om ouderen te mobiliseren, ‘zoals wandelvoetbal, tablet-les, samen eten en opleidingen voor supermarktpersoneel om eenzaamheid bij klanten te herkennen’, aldus Trouw. Mevrouw, u heeft alleen maar éénpersoonsverpakkingen in uw rollatormandje, gaat het wel goed met u?
Minister de Jonge is nog steeds zo enthousiast over het thuisblijven, dat hij dit beleid naar China wil exporteren. Er moet toch ook wat die kant opgaan.

Toen mijn moeder op haar 88e niet meer zelfstandig kon blijven wonen en naar het verzorgingshuis verkaste, was dat niet haar eigen keuze. Maar toen ze er eenmaal zat, bloeide ze helemaal op (en andersom werd het huis er een stuk gezelliger door). Ze ging op haar gemak elke ochtend, elke middag en elke avond koffie of thee drinken. Kwam ik op bezoek, dan zat ze nogal eens te kaarten (en wilde daarbij niet gestoord worden). Een paar maal per week ging ze naar de activiteitenbegeleiding, wat overigens niet altijd een succes was. Het voorlezen uit de krant kon ze erg waarderen, maar dat knutselen en tekenen was maar fröbelwerk. ‘Laten we een potje klaverjassen’, zei ze dan, maar dat vond de activiteitenbegeleidster weer te min. ‘We mogen toch zeker zelf weten wat we doen’, zei mijn moeder dan verontwaardigd.

Ik pleit voor de terugkeer van het verzorgingshuis, vanuit sociaal oogpunt. Maar dan wel een verzorgingshuis nieuwe stijl: kleinschalig, met een nadruk op elkaar helpen, personeel op afroep en bestuurd door ouderen zelf of hun familieleden. Laten we echter, voor we iets nieuws beginnen, ons afvragen of deze woonvorm wellicht weer andere problemen oproept.

5

MIJN MOEDER

Herinnering

De meimaand is in de katholieke kerk gewijd aan Maria, de Moeder aller moeders. In veel landen is het deze maand ook Moederdag, de wereldse versie van de moederverering. Als 8-jarige schreef ik voor mijn moeder:
Ik ben blij omdat Uw jarig is
Ik heb goed voor Uw gebeden in de H. Mis
En het mooiste wat God heeft gegeven
Is Moeder! Dus ik verwen haar even

Mijn moeder in 1931

Na haar lagere school, waarin zij ieder jaar het hoogste cijfer behaalde voor Katechismus , ging mijn moeder (geboren in 1913) thuis op de boerderij aan het werk. Ze leerde melken en kreeg als beloning van haar vader een fiets. Maar het werk aan huis gaf haar niet voldoende bevrediging. Ze werd hulp in de huishouding en als het even kon trok ze eropuit, bijvoorbeeld naar de korfbalclub. Ze was er bij toen in Vleuten een afdeling van de Katholieke Jeugd Vereniging werd opgericht, een vereniging waarin jonge vrouwen op hun toekomstige taak werden voorbereid, naar het voorbeeld van Maria: vrouwen kunnen gelukkig worden als zij zich in dienst stellen van anderen. Ze werd leidster bij de KJV, wat betekende dat zij geen contacten met mannen mocht aanknopen. De retraitedagen waarin werd onderwezen in de leer van het geloof waren voor haar een hoogtepunt. Dàt werk zou ze het liefste willen doen.
Het is er nooit van gekomen. Rijkelijk laat, in 1943, trouwde zij met mijn vader en nam haar plaats in als moeder van het gezin, zoals zij dat bij de KJV geleerd had. Ze wijdde zich volledig aan haar man en vier kinderen, maar een leven tussen aanrecht en waslijn was haar te beperkt. Al snel trok ze wederom eropuit. Ze werd voorzitster van het Vrouwengilde, trad toe tot het Schoolbestuur en richtte een dameskoor op. Ze was nogal eens ’s avonds weg. Ik vond dit alles heel normaal, net zo normaal als dat zij elke dag mijn boterhammen klaarmaakte en mijn gymtas opruimde.

In 1968

Toen de kinderen het huis uit waren en mijn vader in 1972 overleden was, schakelde mijn moeder nog een paar versnellingen hoger. Ze was onder meer vrijwilligster in het bejaardenwerk, werd actief in de Parochiële Caritas en als eerste vrouw lid van het kerkbestuur. Ze was de Marga Klompé van Vleuten. Werken ten behoeve van de gemeenschap, dat was haar roeping. Ik was blij dat zij een actief leven leidde en vond dat alles heel normaal.
Mijn moeder werd een meer dan actieve deelnemer in de kerkelijke werkgroepen Nieuwe Levensstijl en Vrouw en Geloof. Hoewel van huis uit geen lezer las zij een boek over feministische theologie. Zo was ze toch weer een beetje terug bij het catechisatie-werk dat zij ooit geambieerd had.
Nu ben ik mij ervan bewust dat al dat werk voor de gemeenschap absoluut niet normaal was, zeker niet voor een vrouw van haar generatie. Zo sluit zich ook voor mij een cirkel en ben ik terug bij de bewondering die ik als 8-jarige had. Met enige voorspellende waarde eindigde ik mijn gedicht:
Ik hoop dat Uw nog lang zult leven
Tot Uw honderdse jaar
En als Uw oud ben niet meer zult beven.
Zij stierf in 2012, in haar 99e jaar.

0

HET JAAR VAN DE GEHANDICAPTE (1981) – deel II

Herinnering

overleg tijdens de opnamen van de film

Een jaar lang bruiste het van de activiteiten. Er was geld genoeg om het leed van de gehandicapte medemens onder de aandacht te brengen. Of wacht, dit formuleer ik niet goed. De bedoeling was namelijk om te laten zien dat mensen met een handicap gewone mensen zijn met gewone levens. Weg met de zieligheid, weg met de liefdadigheid. Zo kon de boodschap van het jaar wel samengevat worden.
In het gebruis kwam er een smak geld beschikbaar voor het maken van een voorlichtingsfilm over stotteren. Vanwege de gewenste luchtigheid vroeg men de medewerking van het stottercabaret waarmee Jules, Elisabeth en ik destijds door het land toerden.
Toen de film na de nodige hobbels tot stand gekomen was, kwam er een stroom publiciteit op gang. Zo stond er op een doordeweekse avond een ploeg van Brandpunt voor de deur van mijn studentenhuis, onder de luidruchtige aanvoering van Willibrord Frequin. Hij had net goed getafeld, dus toen de technici hun apparatuur uitpakten liep the golden boy zonder te kloppen de ene na de andere studentenkamer binnen. Wie prins Bernard en de paus heeft geïnterviewd, kan zich alles veroorloven. Zoiets noem je geen handicap.

Als ik er nu aan denk dat ik morgen voor de tv zou worden geinterviewd, zou ik het spaans benauwd krijgen, maar in die tijd was ik zodanig gewend aan voorlichting en publiciteit, dat de spanning beheersbaar was. Wat niet goed ging kon er altijd nog uitgeknipt worden.
Tijdens het interview kneep Willibrord af en toe met zijn kleine varkensoogjes als er een stotter in aankomst was. Hij voelde zich niet meer zo op zijn gemak. Zijn macho-gedrag smolt als sneeuw voor de zon. Een van mijn stokpaardjes was dat het stotteren ook voor de luisteraar een probleem kan zijn. Toen ik daarom aan W. vroeg of mijn stotteren bij hem spanning opriep, gooide hij zijn hoofd achterover en riep:
‘Stop maar even jongens, dit is niet de bedoeling.’
Nadat in een vloek (van W.) en een zucht (van mij) de opnamen voltooid waren, vroeg de productieleider nog even mijn medewerking. Het item was een idee van Ad Langebent, een andere vermaarde Brandpunt-reporter. Omdat Ad zoveel jaren in dienst was van de KRO vroeg men in die periode aan alle geïnterviewden om op camera iets tegen Ad te zeggen. Daarvan zou voor zijn jubileumfeest een compilatie gemaakt worden.
Ik dankte Ad hartelijk voor zijn interesse en voegde er spontaan aan toe dat ik hem een uitstekende presentator vond. ‘I-i-ik zou het z-zelf niet b-beter k-k-kunnen doen’, stotterde ik met opzet, want ook die vorm beheerste ik uitstekend. De cameraman richtte zich daarna op de lachende W., die snel wegdook. Dat hij moest lachen om de grap van een ander mocht niet in beeld gebracht worden.
Tijdens de uitzending van Brandpunt mocht ik in de studio aanwezig te zijn. Na afloop bevond ik mij opeens naast monseigneur Langebent aan de bar. Hij had zijn stropdas losgeknoopt en een glas bier in de hand. Ik dankte hem voor zijn initiatief. Het klonk veel te onderdanig, voelde ik direct. Frequin was nergens meer te bekennen.