Schrijven, Lezen, Leven.
0

THE CANADIANS ARE COMING (2)

Reizen
Dit stuk is een vervolg op de bijdrage van 6 september j.l.
Op de eerste dag van onze wandeling over de West Highland Way in Schotland ontbeten we in de paarskleurige Premier Inn in Mylgavnie. Langs het ontbijtbuffet van cereals, yoghurt en geroosterd witbrood liep een groep mensen die de aandacht trok. Drie mannen en drie vrouwen, die alle een wit t-shirt droegen met een foto van een vrouw en het getal 50 op de voorzijde. Aan hun taal kon ik niet goed vaststellen of het Engelsen waren of Amerikanen. ‘Het zijn denk ik Canadezen’, zei G.
Later die morgen haalden ze ons op een afdaling in. Ze waren van plan om de whisky-distilleerderij enige kilometers verderop te bezoeken. Daarna kwamen we de groep nog vaker tegen. Aan het einde van een wandeldag zag je ze meestal zitten, achter een tafel met grote pullen bier, de benen omhoog. Een vrolijk stel. Ze nodigden je uit om erbij te komen zitten en staken hun hand omhoog voor een high five: ‘We made it!’
Met de mededeling dat de Canadezen in aantocht waren, leek de jonge Belg zich wat te ontspannen. Hij deed geen pogingen meer om overeind te komen of om te drinken. Naast hem voelde ik me een bezorgde vader die op bezoek is in het ziekenhuis.
Na enige tijd hoorden we stemmen. Daar arriveerden, de hoofden rood en bezweet van de inspanning, de drie mannen uit het canadese gezelschap. De achterste van de drie kwam hinkelend omhoog.
Een van de anderen gaf direct instructies, doortastend, met overwicht, alsof hij ooit het diploma Mountain Rescue had gehaald en verlangend was om nu voor de eerste maal zijn kennis toe te passen. We stelden ons met zijn vieren rond de gevloerde man op. De leider van de hulptroepen telde tot drie en met één gezamenlijke krachtsinspanning stond de Belg zonder in een kramp te schieten weer op zijn benen. Hij dronk eerst het blikje met energydrink in één teug leeg, daarna nog een halve fles water. Vervolgens zei hij, dat hij wel weer zou kunnen lopen. ‘Are you sure?’, vroeg de aanvoerder met zijn gezicht vlak voor dat van de Belg. ‘There’s a ravine on that side, so you should not fall’.
Daarop vertrok de karavaan. De Schot met ontblote bovenlijf ging voorop, als vaandeldrager zonder vlag. Daarna kwam de Belg, aan beide armen stevig vastgehouden door een sterke Canadees. Omdat het pad te smal was voor drie personen moest de Canadees aan de dalzijde voortdurend door varens en over struiken heen springen. Daarachter volgde ik als mentor en als laatste, met de zware rugzak van de Belg, de strompelende Canadees. Hij had 6 joekels van blaren op zijn voeten. Dat had hem niet weerhouden van deze reddingsactie: ‘this is an allied action by Scotland, the Netherlands and Canada.’
Beneden op de camping gekomen was de Belg weer in staat om zelfstandig zijn tent op te zetten. De Canadezen bestelden nog een pul bier. ‘You’ve done a great job’, zei de leider tegen mij en hij hield zijn vuistje voor, zodat ik er met de mijne tegenaan kon tikken. Het bleek echter niet voldoende, want tijdens het avondeten zagen we een ambulance het terrein op rijden. De Belg had opnieuw krampaanvallen gekregen. Hij werd nu naar een ziekenhuis gebracht.
‘s Avonds zaten we met de Canadezen in de nabijgelegen Drovers Inn, een eeuwenoude, wijd en zijd vermaarde gelegenheid. We hadden eerder op deze reis Amerikanen ontmoet, die er een autorit van drie uur voor over hadden, omdat er in hun reisgids stond, dat je deze Inn niet mocht missen.
De muren in de donkere pub zijn zwartgeblakerd door de rook. Het houten plafond is er laag. Naast eenvoudige houten krukjes staan er met rood fluweel bedekte stoelen. De barman draagt een kilt en men heeft een groot assortiment aan whisky’s en ales.
We zaten rond een tafel vol met gevulde bierpullen en klonken op de mooie dag en we klonken (nog een keer alle pullen tegen elkaar) op de mooie highlands. Een fototoestel met uitvergrote foto’s van de reusachtige, bleekgele blaren van de hinkelende Canadees ging rond. Er werd een bijzondere whisky besteld, die na enig proeven als niet smakelijk ter zijde werd geschoven. We vertelden elkaar onze High en Low van deze dag.
Tenslotte toostten we nogmaals, ditmaal op de Belg.
We weten niet hoe het met hem afgelopen is.
 
 
0

THE CANADIANS ARE COMING

Reizen
Het gebeurde tijdens de wandeling van Rowardennan naar Inverarnan, een van de etappes van de West Highland Way, een langeafstandswandelpad in Schotland. We hadden zojuist Loch Lomond achter ons gelaten en waren via een korte klim aangekomen op een weidse pas. Vanaf de hellingen, bedekt met geelgroen gras en donkergroene doornstruiken kwamen kleine stroompjes omlaag, glinsterend in het uitbundige zonlicht. Het was vijf uur in de middag en we waren nog een kleine kilometer verwijderd van ons einddoel die dag, Beinglass Farm, een camping waar we zouden overnachten in een houten châlet.
Na een bocht in het smalle pad zagen we hem opeens liggen. Een zwaargebouwde jongeman in donkere kleren, liggend op zijn rug, dwars over het pad. Zijn antracietkleurige overhemd, dat strak rond zijn bleke, vlezige borstkas stond, was doordrenkt van het zweet. Zijn ogen onder het kortgeknipte zwarte haar stonden dodelijk vermoeid.

‘Are you oké?’, was  de eerste vraag van G.
Hij kon zijn belabberde toestand niet ontkennen: ‘No, I’ve got cramps’.
Dat moest te verhelpen zijn, dachten we, en we hielden zijn been gestrekt omhoog en bogen de tenen naar de romp. Even flink strekken en de jongeman zou weer verder kunnen lopen.
Die verwachting kwam niet uit. Het sjorren aan zijn benen veroorzaakte weer andere krampen in zijn borst, zijn buik en zijn armen. Hij schokte over zijn hele lijf en schreeuwde het uit.
‘Heb je wel genoeg gedronken’, vroegen we, ietwat belerend. We hadden intussen ontdekt dat de man uit Belgie kwam en nederlands sprak. Hij zei dat ie in de afgelopen paar uur twee liter water gedronken had. Een landkaart lag uitgevouwen achter zijn hoofd. ‘Het is niet ver meer, ik moet nog even rusten, dan ga ik het wel halen’. Het was niet duidelijk of hij zichzelf of ons moed wilde inspreken.  Zijn ogen rolden angstig heen en weer. Hij probeerde op zijn zij te rollen en overeind te komen, maar de minste beweging van zijn hoofd was al voldoende voor een volgende pijnlijke krampaanval. Een tweede poging vijf minuten later faalde op dezelfde manier.
Mijn kennis over wat hier aan de hand was en wat je moet doen in zo’n situatie is beperkt. Het was duidelijk dat we dat zware lijf niet met zijn tweeën overeind konden krijgen. We keken elkaar aan. We moesten hulp halen. G liep naar beneden naar Beinglass Farm, ik bleef bij de ongelukkige Belg.

Terwijl ik een sinaasappel pelde, vertelde de jongeman, dat hij juist naar Schotland was gekomen, omdat hij niet tegen de hitte kan. De avond tevoren had hij in zijn tent al hevige krampen gehad. Hij had deze wandeletappe sterk ingekort door een boot te nemen tot het einde van Loch Lomond. Hij was dus nog geen uur aan het lopen, wilde even rusten, maar eenmaal op zijn rug beland kon hij niet meer overeind komen.
Ik stopte wat sinaasappelpartjes tussen zijn lippen. Naast mij liep een grote zwarte tor over het pad.
‘Als torren op hun rug liggen, komen ze ook niet meer overeind’, zei ik. Het was niet duidelijk of hij deze vergelijking kon waarderen.
Af en toe kwamen er nog wandelaars langs. Men bekeek het tafereel van het dwars over het pad gestrekte lichaam en de gehurkte grijsaard daarnaast als was het een doodnormaal tableau wat je meermalen per dag tegenkomt. Ze stapten over het bezwete lijf, zoals ze eerder over de rotsblokken en boomstronken op de oevers van Loch Lomond waren gestapt.
Na enige tijd kwam er van de andere zijde een jongeman naar boven gehold. Hij droeg een zwarte trainingsbroek en fel oranje joggingschoenen. Zijn ontblote, bruinverbrande bovenlijf, een gespierde torso als van een jonge god, glom van het zweet. Hij droeg twee waterflessen van anderhalve liter en een klein blikje energy-drank. Hijgend en zonder veel woorden vuil te maken aan de toestand probeerde hij de Belg wat te laten drinken. Tevergeefs, want deze lag met zijn hoofd naar achteren en alleen al het opheffen van zijn hoofd veroorzaakte nieuwe krampaanvallen. Mijn blijdschap over het arriveren van de schotse hulp veranderde in teleurstelling.  ‘It don’t work that way’,  zei ik. Meteen bedacht ik dat ik had moeten zeggen: ‘it doesn’t work’. 
De Schot zag de ernst van de situatie in, stak een sigaret op en pakte zijn mobiel. Toen hij enkele tellen later uitgebeld was, sprak hij de verlossende woorden: ‘the Canadians are coming’.

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
0

OUDERDOM EN GEBREKEN

Dagelijks
Enige tijd geleden zag mijn buurman dat ik over het dak van ons huis liep om bladeren te verwijderen. ‘Goh’, zei hij bewonderend, ‘je loopt nog als een jonge vent over de pannen’. Nu is al jaren een van de belangrijkste doelen in mijn leven om een jonge vent te worden. Dus verguld met dit compliment liep ik lenig verder. Weer veilig terug op aarde vroeg ik me, stampend op de bladeren in de gft-bak, af of de woorden van de buurman eigenlijk wel zo complimenteus waren. Was de impliciete gedachte achter zijn woorden niet, dat iemand van 60 jaar niet meer geacht wordt om soepel over een dak te lopen? Hebben we hier te maken met een vooroordeel over ouderen?
Ik heb nog nooit iemand horen zeggen, dat ie graag oud zou willen zijn. Natuurlijk, iedereen wil de geneugten van de 67-jarige, die de wereld bereist, zich ongeremd stort in het beoefenen van muziek en geruisloos met een flinke vaart op de electrische fiets door het land cruist. Niemand wil de gebreken en verliezen die met de ouderdom geassocieerd worden.
Vorige week hoorde ik nog een eind-vijftiger spreken over zijn vader (84 jaar) in het verzorgingshuis: ‘dat ga ik dus nooit doen, dan zorg ik wel, dat ik er met een spuitje tussenuit kan’.
Ik zou zoiets nooit zeggen. Ik begrijp wel, dat, als je nog volop in het leven staat, een gedwongen verblijf in een verzorgingshuis als kwaliteitsarm ervaren wordt. Maar hoe zou je hierover denken als je 84 bent? Bovendien, komt  de vrees voor een leven met gebreken niet voort uit het gezondheidsideaal, uit de norm, dat alles goed moet zijn en dat gebreken uit het leven verbannen moeten worden?
Ik word al jaren niet meer als lid van de Elfstedentochtvereniging aangenomen. Mijn geheugen gaat sinds mijn 11e al achteruit en mijn knieën werken niet meer zo goed. Ik hoef niet meer aan een professionele zangcarrière te denken en mijn haren worden nooit meer bruin.
Als ik met dit soort zaken kan leven,  zou ik dan ook niet andere vormen van achteruitgang kunnen accepteren? Of denk ik hier te gemakkelijk over? Je geheugen verliezen is iets anders als het niet meer kunnen meedoen aan een Elfstedentocht.
Ik zie in een gebrekkige laatste levensfase twee gevaren:
       Geen betekenis meer hebben. Dat het er eigenlijk niet meer toe doet of je ‘s morgens wakker wordt, omdat er geen mens meer is voor wie dit ontwaken betekenis heeft. In deze geïndividualiseerde maatschappij lijkt me dat een risico.
       Afhankelijkheid. Dat anderen je moeten helpen met wat je zelf niet meer kan. Dat je in je budgetbejaardentehuis nog maar moet afwachten of er iemand langs komt om je op de pot te zetten. En dat je dan je laatste grijze haren uit je hoofd trekt uit spijt dat je niet ooit op Geert Wilders hebt gestemd. Want dan zou je nog een wettelijk recht op een schone luier hebben gehad.
(Derde gevaar: dat je ‘s morgens wakker wordt in het verpleeghuis, dat Geert Wilders in het bed naast je ligt en dat zijn haren al zeker twee maanden lang niet zijn gewassen).
De ouderdom komt met gebreken, hoor ik mijn moeder zeggen. Zij kon zich goed aanpassen aan veranderende omstandigheden en achteruitgang accepteren. Voor mij zal het een uitdaging zijn. Of kan ik me nu al voorbereiden op een betekenisvolle derde en vierde levensfase? Mocht je adviezen hebben dan hoor ik deze graag.
Tot zover deze avondoverdenking.
0

LULLY IN BECHYNE

Muziek, Reizen
De jachtkamer van het kasteel dient als kleedkamer.
De muren hangen vol met parafernalia van de jacht: geweren, hertenkoppen, afbeeldingen, maar vooral geweien, kleine en grote, van verschillende soorten herten. Banken en tapijten tonen taferelen van meedogenloze honden die achter schichtige rendieren aanjagen. Er staat een salontafel met 8 stoelen. Poten, rug- en armleuningen zijn gemaakt van geweien. Door het enige raam valt zacht avondlicht de kamer in.
Enkele meisjes van de groep poolse dansers rijgen bij elkaar de barokjurken aan de achterzijde dicht. Anderen worden in het laatste licht bij het raam gepoederd. Weer anderen trekken turkse pofbroeken aan en draaien doeken om hun hoofd tot tulbanden.

Tussen de stoelen met geweien hijsen de zangers zich in hun barokke kleding, aards van kleur. We gebruiken de geweien om onze kleren aan te hangen. Een jonge tsjechische sopraan wikkelt om haar hoofd een sluier, die slechts de ogen vrijlaat. Naast mij stapt een oudere sopraan in een hoepelrok. Ik draag een wit shirt met pofmouwen, na lang zoeken gekocht via een duitse website. Over een zwarte broek trek ik een paar donkerblauwe voetbalkousen tot aan de knieën op, waardoor er de schijn van een pofbroek ontstaat. Om mijn middel wordt een okergele band met veiligheidsspelden vastgezet.
We zijn met een groep zangers, musici en dansers bij elkaar in het zuid-boheemse Bechyne, een barok dorpje met gekleurde huizen aan een marktplein, een oud klooster en een 16e eeuws kasteel. In de kloosterkerk gaven we een uitvoering van stukken die Händel en Rameau voor de Vrede van Utrecht componeerden. Deze avond staan delen uit de Bourgeois Gentilhomme van Lully op het programma, onder andere de Turkse Scene. De rol van de Moefti is verdeeld over vijf bassen.

Mijn eenmaal weerkerende tekst luidt:
Ti non star furba? Non star furfanta? Non star furfanta?
Donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta.
Het koor zingt tussen de eerste vragen door, tegen de maat in:
no, no, no.
Tijdens de repetities heb ik gehoord, dat ik op een Fanta-verkoper lijk en dat ik de klinkers veel langer moet aanhouden. ‘Open your throat’! Om een mooie -a- te krijgen dien ik mijn konen omhoog te trekken. Daarnaast moet ik dreigend en dominant zingen en met een doek zwaaien die de arme meneer Giourdina als tulband (turbanta) om zijn hoofd zal krijgen.
Voor mij zit de uitdaging vooral in het beginnen op de goede tel en op de goede toon. Als het koor het all’ ak-bar heeft afgerond, moet ik direct naar voren stappen en mijn solo beginnen. Anders gaat de vaart eruit en dat kan niet met dit soort muziek. ‘Keep it going’, de dirigent maakt er met zijn arm een karatebeweging bij.
In de jachtkamer oefenen enkele dansers hun pasjes en gebaren. Zangers pakken hun spiekbriefjes en lezen hun teksten nog eens door. Er was eigenlijk te weinig tijd om de teksten en gebaren in te studeren. We drentelen in nerveuze afwachting tussen de geweien en geweren. Een enkeling concentreert zich met de ogen gesloten. Een ander voert een vluchtig gesprekje.
Dan komt het sein. De zaal is vol, het orkest is aan het stemmen. We stellen ons op in een rij. Als het orkest de eerste maten inzet van Le marche pour la cérémonie des Turcs lopen wij op de maat de zaal met 17e eeuwse muurschilderingen binnen. Van achteruit stappen we door het middenpad naar voren, de gekruiste armen ferm vooruit gestoken, de hoofden bars omhoog. De voorstelling kan beginnen.

0

TUSSENPERSOON

Herinnering
 
We schrijven de eerste helft van de jaren negentig. De economie groeit enorm. In de Tweede Kamer stelt Wim Kok voor om de wave in te zetten. De beurskoersen vestigen het ene record na het andere. Financiele dienstverleners bieden lease spaarplannen en winstverdriedubbelaars. Banken maken overuren in het verlenen van tweede hypotheken. Van het geleende geld koop je aandelen waarmee je tenminste 12% winst maakt. De overheid betaalt een deel van de rentekosten. Wie daar niet aan mee doet is een dief van zijn portemonnee.
Het was in die omstandigheden dat wij bezoek kregen van een financieel dienstverlener. Hij kwam ons de voordelen van een koopsompolis uitleggen. Het was een keurige man van in de veertig. Een opzichtige gele stropdas sprong uit zijn strakke pak naar voren (‘wie niet waagt, die niet wint’). Daarnaast had hij een wolk deodorant om zich heenhangen, die zijn weerga niet kende. Soms, wanneer ik bij de hoek van de bank sta, waar de man twintig jaren geleden zat, verbeeld ik mij, dat ik nog steeds zijn geur ruik.
De tussenpersoon had allerlei berekeningen meegenomen, die hij opgewekt en in rap tempo met ons doornam. Ik kon niet alles volgen, maar dat maakte niets uit. Het verhaal was eigenlijk heel simpel. De aanschaf van een koopsompolis of lijfrente kende alleen maar voordelen. Je spaarde een mooi bedrag voor later. Over je gespaarde geld hoefde je geen belasting te betalen. Sterker nog, de fiscus betaalde de helft mee. En het eindbedrag zag er woest aantrekkelijk uit.
Wij houden niet zo van gladde verkooppraatjes, maar toen onze verkoper in persoon verdwenen was en de deodorantgeur zich in hoog tempo door het gehele huis verspreidde, keken G en ik elkaar eens aan en trokken onze conclusies. Sparen is goed, dat wisten we. De fiscus betaalt mee, dus dat was meegenomen. De oude dag was nog ver weg, maar wie weet zouden onze kinderen over zoveel jaar wel wat extra’s kunnen gebruiken. We hakten de knoop door en kochten de polis.
En zo geschiedde.
De jaren verstreken, het financieel adviesbureau werd overgenomen, de tussenpersonen wisselden in hoog tempo. Elk jaar maakten we onze bijdrage over. Na zo’n 8 jaar maakte de overheid een einde aan het belastingvoordeel. Jammer natuurlijk, maar wie A zegt, moet ook B zeggen.
Dit voorjaar ontving ik een brief dat de datum nabij was, waarop het bedrag wegens expiratie beschikbaar zou komen.
Nu word ik vaak blij als er een bijzondere datum in aantocht is. Aan zo’n datum is altijd wel iets moois te ontdekken. Het is net als met de tegeltjeswijsheid Bezoek brengt altijd vreugde aan, is het niet bij het komen, dan wel bij het gaan.Ik worstelde mij door twaalf pagina’s uitleg heen en begreep dat de koopsompolis zijn laatste adem had uitgeblazen. Er waren voor mij tal van mogelijkheden om met het gespaarde bedrag weer andere, nog mooiere financiele producten te kopen.
Het leek mij tijd om de telefoon te pakken.
Waarschijnlijk zal er destijds bij de aanschaf van de koopsompolis in de kleine lettertjes wel iets gestaan hebben over de condities waaronder het geld zou worden uitgekeerd. En wellicht, je weet het maar nooit, zal onze geparfumeerde stropdas in een bijzin nog wel iets onverstaanbaars daarover hebben gemompeld. Hoe dan ook, tijdens het telefoongesprek kwam de ware gedaante van de koopsompolis tevoorschijn. Pas na mijn pensioen wordt het gespaarde geld in termijnen uitgekeerd, waarover ik dan alle denkbare sociale lasten betaal. Zo’n 40% van mijn spaargeld gaat dan weer in rook op.
Ik kon het mijn nieuwe tussenpersoon niet kwalijk nemen. Hij vroeg nog of ik verder advies van hem wilde. Heel even had ik de neiging om alles maar uit mijn handen te laten vallen en te zeggen: ‘zoekt u het zelf maar uit’!  Maar ver weg hoorde ik de stem van mijn moeder: ‘je moet je verstand gebruiken’ en dus bedankte ik beleefd voor zijn verdere ondersteuning. Een week later viel er wegens bemiddelingskosten een rekening van 225 euro op mijn mat. Zo gaat dat met tussenpersonen. Daar kopen ze gele stropdassen van.
Ik sprak mezelf toe: verman je! Neem je verlies en ga lekker genieten van het bedrag dat nu op je lijfrentespaarrekening staat.
Dat was een maand geleden. Nog steeds staat er 0.00 euro op mijn nieuw geopende rekening. Het bedrag is nog niet aangekomen. Verzekeringsmaatschappij ASR (ik hoef hier geen namen te verdoezelen) heeft het bedrag naar een verkeerde rekening bij ASR Bank overgemaakt.
Gelukkig heb ik nog een tussenpersoon.
——
Eind deze week ga ik met vakantie. In augustus volg ik nog een zangweek in Tsjechië.
In de loop van die maand pak ik mijn weblog weer op.
Eenieder een hele goede zomer toegewenst!
 
 
 
 
0

EEN SMERIG PRAATJE

Dagelijks
Heb je dat ook wel eens? Ben je aan het joggen, net 10 minuten van huis, komt er een heftige aandrang opzetten. Dan moet ik poepen. Mijn adem is nog rustig, mijn hoofd niet bezweet, mijn benen voelen nog puik aan. Maar onder in mijn romp neemt de spanning geleidelijk, maar onmiskenbaar toe. Ik had geen stroopwafel bij de koffie moeten nemen, bedenk ik te laat.
Het fenomeen is wel verklaarbaar. Door de dreunende passen zakt alles in de darmen naar het laagste punt. Het hoopt zich op en wil er uit.
Voor nierstenen geldt iets soortgelijks. Een oom van mij  lag ooit met die kwaal in een duits ziekenhuis. Onder zijn bed stond een kratje bier en er lag een springtouw op zijn nachtkastje. Veel drinken en vier maal per dag springen was destijds de voorgeschreven behandeling. De steentjes moesten eruit gesprongen worden. Die methode zou nu bij het College voor Zorgverzekeringen niet meer op clementie kunnen rekenen.

Mijn eerste keus in zo’n situatie is om gewoon te blijven doorlopen. Ik wil afmaken waar ik aan begonnen ben. Ik probeer de druk te negeren door afleiding te zoeken. Ik ga honden tellen. Of vrouwen. Ik ga in mijn hoofd de kwintafstand omlaag oefenen. Of ik ga met mijn aandacht naar mijn voeten en probeer die tijdens het lopen heel mindfull af te wikkelen.
Ankie van Grunsven kan er ook over meepraten. Niet dat ik bekend ben met de stoelgang van Ankie. Ik doel op haar paarden. Die konden tijdens de kür op muziek alles laten lopen. Tegen de maat van de muziek in gulpte het er uit. Mesten noemt Ankie dat. Vooral Bonfire was er een ster in, maar ja, wat wil je met zo’n naam. En Ankie bleef ondertussen maar met haar gezicht in een onschuldige plooi van onder die hoge hoed stralend voor zich uitkijken. Zij heeft die medailles niet voor niets gewonnen.

Voor mij is doorlopen wel een riskante strategie. Als je al te straf je kringspieren moet aantrekken, dan krijg je hevige krampen. Heb ik ook wel eens gehad. Had ik na te lange tijd eindelijk een WC bereikt, voelde ik gierende pijnen in mijn onderbuik. Ik zal nooit een Bonfire worden.
Marathonlopers hebben soms ook last van aandrang. Je zou zeggen: eet niet teveel en bezoek tevoren het toilet. Maar ja, dat loopt natuurlijk wel eens mis. Ooit zag ik op televisie zo’n hardloper. Hij liep achteraan in een groepje. Hij bewoog een beetje merkwaardig en keek nerveus om zich heen. Opeens, onder het oog van de camera, nood breekt wet, deed hij op heel natuurlijke wijze zijn rechterhand in zijn broek, ving daarmee de drol op en wierp die met een krachtig gebaar in de berm. Voor het tot je doordrong wat er gebeurde, was de actie al weer voorbij. Zijn medelopers gingen er wat harder door hollen. Zo’n hand blijft natuurlijk stinken. Je moet er niet aan denken,  dat je als marathonloper aan de racekak bent.

De controlefreaks onder de hardlopers kiezen uit voorzorg een route die langs sportkantines loopt. Anderen zoeken tijdens het joggen hun toevlucht in de bosjes. Als je niet heel erg aan je schema gehecht bent, is dat eigenlijk de beste keuze. Er is altijd wel wat weegbree, hoefblad of dovenetel in de buurt om de aars mee af te vegen.ou het eigenlijk niet het beste zijn, als je niet in de bosjes hoefde te kruipen? Als het doen van je behoefte in het openbaar heel gewoon zou zijn? Na het milieubewuste plan van het plassen onder de douche kan er nog wel een taboe geslecht worden. De ideale maatschappij: je loopt in het Panbos, tezamen met vele andere joggers. Links zie je er een gehurkt tussen de bomen, rechts haalt een ander net haar sportbroekje omhoog. Iedereen moet elke dag, dus waarom zou dat privé moeten blijven? Dan zou dit stukje een andere titel kunnen krijgen.

3

BROEDER ALARM

Dagelijks

Door omstandigheden die ik zelf niet helemaal in de hand heb, kom ik laatste tijd nogal eens door de Utrechtse wijk Hoograven. Ik passeer dan steeds de Broeder Alarmstraat. Utrecht kent veel straatnamen waarvan ik de herkomst niet ken en er zijn er meer die mij wat vreemd voorkomen. Maar de Broeder Alarmstraat vind ik toch wel heel intrigerend. Wie was die broeder Alarm? Een broeder van de ambulancedienst? En waarom is er een straat naar hem vernoemd?
De Broeder Alarmstraat is een straat van zo’n 200 meter die vanaf de W.A. Vultostraat in het oosten  op korte afstand van elkaar drie straten kruist die dwars door Hoograven lopen: de Julianaweg, de Hoogravenseweg en de Vaartsche Rijn. De Broeder Alarmstraat is daarom een straat met veel hoeken. Op elke straathoek bevindt zich een winkelpand. De meeste hiervan hebben een woonbestemming gekregen. In het oostelijk deel bevindt zich nu De Zwangere Zaak, centrum voor zwangerschapstraining, in het westen is er café Hoograven. Men verkoopt er Amstelbier en je kunt er darts spelen.
De meeste huizen zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw gebouwd. Vele zouden wat onderhoud goed kunnen gebruiken. Opvallend is dat er weinig huisnummers zijn. Alle hoekpanden hebben een nummer aan de andere straat om de hoek. Ik zie wel een nr. 2 en daartegenover een nr. 98. In de straat staan veel vuilcontainers. De Broeder Alarmstraat lijkt het afvalputje van Hoograven.
Aan de westkant, waar rechts een groot, nieuw appartementencomplex staat  en zich links een woonwagenkampje bevindt, loopt de straat dood op een grasveldje. Daarachter loopt de  Vaartsche Rijn. Aan de oude bruggenhoofden in het water is te zien, dat er hier ooit een verbinding lag met de Jutfaseweg.

Broeder Alarm (1874-1934) was, zo lees ik op internet, een protestante broeder. Vanuit het gebouw van de Stadszending aan de Hoogravenseweg deed hij zijn evangelisatiewerk. Hij ging op bezoek bij zieken en armen en gaf onderricht aan de kinderen. In Hoograven, destijds onderdeel van de gemeente Jutphaas, stonden steenfabrieken. Het volk dat er werkte en woonde was ruw van aard. Er waren regelmatig opstootjes tussen rivaliserende groepen jongeren. Broeder Alarm probeerde tussen beide te komen. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Hij liet op een gegeven moment de ramen van de Stadszending dichttimmeren, omdat ze al te vaak werden ingegooid. De broeder ging echter onverdroten door met zijn werk. Hij had een missie te volbrengen. Hij heeft met name veel gedaan tegen het drankmisbruik. Met die kennis staat het huidige café op de hoek van de Broeder Alarmstraat er ongepast bij.

 

 
Afbeelding van Broeder Alarm van het Comité der Vereniging Stadszending tijdens de marktprediking op het Vredenburg in Utrecht, 1913. “Schikt u om uwen God te ontmoeten”. Bron: Het Utrechts Archief.

De gemeente Utrecht en de gemeente Jutphaas hebben begin 20e eeuw jarenlang gebakkeleid over de aanleg van een brug tussen Hoograven en de Jutfaseweg. Er was gedoe over wie er hoeveel moest betalen. Plaatselijke bedrijven hebben toen het startkapitaal van 11.000 gulden bij elkaar gebracht. Daarmee werd in 1932 een ophaalbrug (met de ph van Jutphaas) aangelegd, de Julianabrug genaamd. In de volksmond werd de brug al gauw de Smalle Brug genoemd. Door het geldgebrek was er een veel te smalle brug gebouwd. Met desastreuze gevolgen, zoals zal blijken.
De brug heeft tot 1957 als doorgang gefungeerd. Daarna werd, 100 meter noordelijker, de veel bredere Oranjebrug in gebruik genomen. De brede bruggenhoofden die nu als bakstenen kolossen in het water staan herinneren aan wat eens de smalle brug was. Misschien is men het ook niet eens over de vraag wie het opruimen moet betalen. Aan de kant van de Jutfaseweg staan nu fietsenrekken en enkele bankjes. Enige jaren geleden is er een herdenkingsbord geplaatst.
Broeder Alarm kwam in 1934 op de Smalle Brug om het leven. Hij werd aangereden door een motor toen hij de brug overliep. Was de Broeder wellicht doof? Of had de motorrijder gedronken? Dan zou het drankmisbruik, waartegen de broeder zijn hele leven zo nijver had gestreden, hem noodlottig zijn geworden.

0

DE GESCHIEDENIS VAN EEN WONING

Dagelijks
Ons huis, aan de Buys Ballotstraat in Utrecht, bestaat dit jaar 116 jaar.
Het is een hoog herenhuis, gebouwd in de zogenaamde neorenaissance stijl. De gevel heeft boven de tweede etage een uitspringende rand, een kroonlijst, met daaronder gemetseld sierwerk. De voordeur bevindt zich in een portiek met een soort griekse zuilen aan weerszijden en een geornamenteerde boog. Daarboven is een balkonnetje met siersmeedwerk. Mocht de burgemeester, de koning of misschien zelfs Henk Westbroek ooit nog eens door onze straat komen, dan kunnen wij hem vanaf ons balkonnetje toejuichen. Omdat het boven de gemeentelijke stoep hangt, betalen we de gemeente jaarlijks precariorechten. Voor dat geld wil  je tenslotte wel eens iemand kunnen toejuichen. Of toegejuicht worden. Daarvoor moeten we nog een goede smoes bedenken.

We gaan een keer ons huis verkopen, dus dan is het goed om te weten, dat het huis aan de binnenzijde nog allerlei originele details kent, zoals glas-in-loodramen, engelenkopjes in de sierlijk gestucte plafonds, zwartmarmeren schoorstenen, paneeldeuren en deurposten met 13 groeven (een uitdaging bij het schilderen). Openslaande balkondeuren geven op de eerste etage aan de achterzijde toegang tot een breed balkon. De schilder noemt deze deuren een stolpstel. Ik kende dat woord niet. Van Dale ook niet. Maar op Marktplaats kan je wel stolpstellen kopen.
Het huis heeft drie woonverdiepingen, met een zolder daarboven en een kelder daaronder. Toen mijn tante Jo lang geleden hoorde, dat wij een huis in de Buys Ballotstraat hadden gekocht, zei ze vol ontzag: ‘oh…een huis met een souterrain’. Als wij een oratio pro domo houden dan noemen wij deze kelder dus een souterrain.
De woning heeft binnen veel ruimte. Zo zijn de kamers beneden 3,60 meter hoog. Ik heb daar leren behangen. Als je zingt in het trappenhuis, kan je het volume van een operazanger benaderen. Eigenlijk zijn alleen de beide wc’s erg klein. Je kunt er je kont niet keren. Terwijl dat nu juist het enige is dat je daar wilt doen.

Het is een huis, dat uitnodigt om de geschiedenis te onderzoeken. Onze buurthistoricus Jos van Beurden heeft achterhaald, dat er in de begintijd in deze buurt leraren woonden, hogere militairen, oud-Indiëgangers, advocaten en hoger personeel van de spoorwegen.
Wie zou er in ons huis gewoond hebben en wat waren het voor mensen? Waren zij vroom? Is er wel eens een van de trap gedonderd? Hadden ze een dienstmeid of een commensaal? Werd er gezongen bij de afwas? Hoeveel kinderen zijn er geboren? Hoeveel bewoners zijn er overleden?

We weten er helaas weinig van.
Voordat wij het huis kochten was het een studentenhuis. Er woonden 9 studenten. Verdeeld over de étages waren er 4 keukentjes en één benauwde douche. Voor hen had er een wat vreemde man gewoond. Hij had een wat vreemde serre aan de achterkant nagelaten, waar het regenwater op de regels bleef staan. Die serre heb ik weer afgebroken.
Wij hebben het huis zoveel mogelijk intact gelaten, inclusief de schuifdeuren en de kasten die voor- en achterkamers scheiden. Vanwege de aanhoudende lekkages op zolder hebben we er wel een nieuw dak op laten leggen. De nieuwe dakpannen zijn zo glad dat ik niet meer als een haas over het dak kan lopen om de bladeren uit de dakgoot te verwijderen.
Van blaadjes in de goot zullen de bewoners in de eerste decennia geen last gehad hebben. Toen de kleine platanen voor hun huis eenmaal uitgegroeid waren tot fikse bomen, werden ze omgezaagd. Dat gebeurde in de hongerwinter. De aanplant van net na de oorlog komt nu weer ver boven de 11 meter hoge kroonlijst uit.

Wij wonen nu 28 jaar in dit huis. Ik herinner me dat ik, toen wij ons huis net betrokken hadden, wel eens met een gevoel van trots door het huis liep, omdat het ‘ons huis’ en ‘ons eigendom’ is.
Maar eigenlijk kan je beter zeggen dat wij een tijd op dit huis mogen passen. Daarna geven we het weer door aan een ander die het gaat beheren. Het huis is niet echt van iemand. Het huis is van zichzelf.
0

TWEEDE KANS

Herinnering

Ze zitten er weer. In een bocht langs de Vecht. Aan het Hoge Kampse pad. Langs vaarten in de polder. Mannen, van jong tot oud, in camouflagekleding of in het legergroen, achter of onder een grote paraplu, met hun rug naar de weg gekeerd. Sommigen hebben een tent meegenomen. Ze zitten daar urenlang in het veld, de koelbox met het bier naast de tuinstoel. Ze zitten daar maar en lijken tevreden. Ze staren naar hun dobber.
Er zijn 2 miljoen sportvissers in Nederland, waaronder bijna 300.000 vrouwen, zo is te lezen op sportvisserijnederland.nl. Zelf heb ik helemaal niets met de hengelsport. Ik hou van buiten zijn en van de natuur. Ook waterkanten kunnen mij nog wel bekoren. Maar dat stilzitten en voor je uitstaren, dat afwachten tot er iets gebeurt, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd.
Ik heb het ooit eens geprobeerd. Als kind had ik zo’n meterslange bamboehengel voor mijn verjaardag cadeau gekregen. Een gegeven paard kijk je niet in de bek, dus zo stond ik enkele dagen later langs de Vleutense wetering ingespannen te spieden of het roodwitte dobbertje al naar beneden getrokken werd. Ik had een flink bolletje natgemaakt witbrood aan het haakje gedraaid. Ongeduldig haalde ik regelmatig mijn lijn op om te constateren dat het aas er afgevallen was of door een slimme vis er afgesnoept.
Ik ving geen enkele vis, zodat ik na een half uur besloot, dat dat stilstaan en staren niets voor mij was. Ik moest bewegen, hollen, voetballen, in bomen klimmen. Mijn Ome Ries had me ooit de bijnaam Albert de Eekhoorn gegeven. Dat was niet omdat ik zo van beukennoten hield.
Sommige ouders willen dat hun kinderen bereiken wat hen zelf nooit is gelukt. Maar dat was niet de reden dat wij een hengel voor onze kinderen kochten. We stonden op een camping in Frankrijk, langs een traag stromende rivier. Er zaten veel kinderen te vissen langs de waterkant, er werd nog wel eens een visje van 6 centimeter naar boven gehaald, dus de uitdaging lag er.
Familiegeschiedenissen herhalen zich vaak. Je ziet het bij alcoholisten en bij burgemeesters. Blijkbaar geldt het ook voor de hengelsport. Na een uurtje vruchteloos vissen gaven onze kinderen er de brui aan.

Een paar jaar later kwam er een tweede kans. En tweede kansen moet je niet laten liggen. We waren opnieuw aan het kamperen, ditmaal in Zweden, aan een meer. De camping beschikte over een fiskecamp. Men had vis gekweekt in een klein, afgezet deel van het meer. Je hoefde er bij wijze van spreken maar een lijntje in te gooien of je haalde er een forel uit. Regelmatig zagen we vaders met kinderen trots met een flinke vis over de camping paraderen. ’s Avonds kwam de geur van gebakken forel je van alle kanten tegemoet. Kortom, dat vissen moesten we toch ook maar eens proberen.
We huurden een werphengel in de campingwinkel bij een aardige zweed, die naar alcohol rook. Dat we naast de huur van de hengel ook nog 9 gulden zouden moeten betalen voor elke gevangen kilo forel, was even een tegenvaller, maar dat namen we maar voor lief. Het was immers een mooie avond, de zon scheen nog volop. Het was echt zo’n avond dat je voelt dat alles gaat lukken.
In het fiskecamp aangekomen beseften we dat we geen gebruiksaanwijzing van de werphengel hadden. Niemand van ons had ervaring met zo’n apparaat. ‘Laat mij eens even’, zei echtgenoot G onverschrokken. Als je je kinderen wat wil leren, moet je immers niet te aarzelend doen. Ze rommelde wat met het rolmechaniek, haalde haar arm omhoog en naar achteren en wierp met een forse zwaai de lijn in het water.
Een fractie van een seconde later keken we elkaar verbouwereerd aan. G had enkel nog het handvat in haar hand. De complete hengel was drie meter bij ons vandaan in het meer terechtgekomen. De werphengel had zijn naam eer aangedaan.
Het oranje licht van de zon werd speels weerkaatst door de licht kabbelende golfjes van het Frykenmeer. De dennenbomen aan de oever stonden te stralen in hun groene pracht en de zachte wind woei aangenaam warm, toen wij de werphengel uiterst langzaam onder het wateroppervlak zagen verdwijnen.
Het vissen kon nu echt een aanvang nemen. De vraag was nog wel, wat gevangen werphengel per kilo zou doen bij onze benevelde vriend.

0

ANTI-AUTORITAIRE OPVOEDING

In het nieuws
Deze week zag ik een documentaire van Suzanne Raes over haar jeugd in de jaren zeventig in Nijmegen. In de nieuwbouwwijk Weezenhof woonden hoogopgeleide ouders, die hun kinderen op een nieuwe manier wilden opvoeden. Wat het kind wilde stond centraal. Gelijkwaardigheid en samenwerken waren belangrijke principes. Op de basisschool werden dezelfde uitgangspunten gehanteerd. De meester was een vriend, cijfers waren niet  belangrijk. Het ging om de ontwikkeling van het kind tot mondige burger. Een actiegroep van kinderen nam deel aan de medezeggenschapsraad. De groep kreeg voor elkaar dat er een vies matras in de gang van de school mocht blijven liggen. De kinderen liepen met hun ouders mee in demonstraties tegen kernenergie. Ze waren ook tegen geweld. Als ze  door een rotjochie uit een andere wijk gestompt werden, dan deden ze niets terug.
Kortom, de wereld in Weezenhof stond bol van de idealen.

In diezelfde tijd schreef ik met twee medestudenten in het kader van het voorkandidaatsvak sosjologie een paper over de anti-autoritaire opvoeding als alternatief.
‘De anti-autoritaire opvoeding wordt gekenmerkt door opvoeding tot zelfstandigheid en solidariteit’
‘De ouders moeten hun eigen autoritaire opvoeding relativeren door zich er bewust van te worden.’
‘Het principe van de anti-autoritaire opvoeding  is niet dat er geen dwang wordt opgelegd, maar dat de kinderen de vormen van dwang als zodanig herkennen’.
‘Anti-autoritaire opvoeding is niet los te zien van de strijd tegen de bestaande machtsverhoudingen. De bedoeling is juist kinderen op te voeden, die zonder neurotische misvormingen de maatschappij radikaal veranderen door aktief en kollektief verzet’.
Zo gaat het pagina’s achter elkaar door.
Wat me nu opvalt, is niet eens zozeer, dat wij, gespeend van enige praktijkervaring, allerlei beweringen doen, maar vooral hoe bol het paper staat van de idealen en de ideologie. Terwijl we het werkstuk toch schreven in het kader van een wetenschappelijke opleiding. Elke pastoor was in die tijd blijkbaar ook wetenschapper. Ik heb geen cijfer voor mijn paper hebben ontvangen, wel een aantekening, dat ik het vak sosjologie had voltooid. Ik had mezelf ontwikkeld.

In de documentaire stelt Suzanne Raes zich de vraag, of de kinderen uit Weezenhof gelukkig zijn geworden. Word je er gelukkig van als je ageert tegen het bestaande? Dat heb ik me niet alleen over mezelf soms afgevraagd, maar ook over anderen, bijvoorbeeld de depressief geklede gothics met wie ik samen ooit de vliegbasis in Woensdrecht belegerde.
De documentairemaakster twijfelt er over. Veel kinderen zijn in ‘softe’ beroepen terecht gekomen: het onderwijs, de journalistiek, advieswerk. Ze demonstreren geen van allen meer, zelfs niet als er gratis bussen naar Den Haag klaar staan.

Hun eigen kinderen groeien nu op in een veel competitiever omgeving dan zijzelf. Cijfers zijn belangrijk, net als topscores en talentenjachten. De ouders zitten klem tussen de eigen idealen uit hun jeugd en de huidige prestatiegerichte cultuur. Ze zijn opgegroeid in ‘een toverketel met goede bedoelingen’ maar zijn nu hun houvast kwijt. Ze hebben nog steeds hun opvattingen, maar ze hebben niet geleerd daar flexibel mee om te gaan. Hun idealen zitten hen nu in de weg.
Dit komt toch verdacht veel in de buurt van de neurotische misvormingen die juist vermeden moesten worden.
Op hun basisschool was er eind zeventiger jaren een enorme polemiek ontstaan over de film Grease. Sommige kinderen vonden de film geweldig, andere kinderen demonstreerden op het schoolplein met spandoeken tegen dit product van een verderfelijke amerikaanse consumptiecultuur. Suzanne Raes stond aan de kant van de laatsten, maar heimelijk vond ze John Travolta een ‘geweldig stuk’.
Iets doen, alleen omdat het zo hoort, en je gevoel miskennen, dat kan toch niet goed gaan, denk ik nu. Maar hoe vaak heb ik me zelf niet door idealen en normen laten leiden?  
Het is gemakkelijk om dit nu te constateren. In de zeventiger jaren telden gevoelens niet. Het ging immers om grootse idealen.