Schrijven, Lezen, Leven.
0

DOKTER, IK VOEL WAT

Dagelijks

’’Goedemiddag dames en heren, vanmiddag gaat het college over hypochondrie.
Als je een hypochonder bent, dan denk je dat je een ziekte hebt terwijl dat niet zo is. Denk bijvoorbeeld aan de man die doodsbenauwd op een stoel blijft zitten, omdat hij ervan overtuigd is dat hij een hartaanval krijgt als ie opstaat. Of aan de vrouw die in elk lichaamsvlekje het begin van een tumor ziet. Een echte hypochonder houdt vast aan het idee van de ziekte, ook al hebben doktoren niets kunnen vinden.
Voor het vaststellen van de DSM-classificatie hypochondrie moet de patiënt lijden aan zijn (niet-bestaande) ziekte en de gevolgen hiervan. Het lijden moet gedurende meer dan zes maanden zijn leven ontwrichten en niet te verklaren zijn vanuit een angst- of paniekstoornis. Comorbiditeit met depressies komt regelmatig voor.

Cognitieve gedragstherapie was jarenlang de aangewezen behandelmethode, de laatste jaren verschijnen meer onderzoeken over de effectiviteit van SSRI’s, zoals fluoxetine en fluvoxamine. Hypochonders zijn doorlopend en op een dwangmatige manier met hun lichaam bezig. Het merkwaardige is dat zij vaak artsen bezoeken, maar even vaak de arts niet geloven.
Kijkt u vooral nog even naar de casuïstiek in de collegedictaten. Het zou zo maar kunnen dat ik hier op het examen nog een vraag over stel. Het zou ook een vrije opdracht over de profylaxe kunnen worden.
Zoals met veel psychiatrische stoornissen het geval is, zijn het vooral de ernst en het hardnekkige karakter die de symptomen tot een stoornis maken. Iedereen, en zeker jullie als studenten medicijnen, kent het verschijnsel, dat je hoort of leest over een ziekte en dat je dan opeens de symptomen gaat voelen. Ik hoop maar dat u na afloop van dit college niet bij uzelf een hypochondrische geaardheid constateert.
Ik mag hier geen patiënten meer demonstreren, dus ik zal een voorbeeld uit eigen ervaring geven.
Ik had een keer een hardnekkige pijn aan de linkerkant van mijn borst. Het leek bovendien alsof mijn hart in een hoger tempo sloeg. Hoe meer ik erop lette, hoe meer ik dit voelde. Ik raadpleegde mijn huisarts. Die concludeerde na onderzoek dat het naar alle waarschijnlijkheid om spierpijn ging. Hij vertelde er nog bij, dat patiënten die pijn in de borst voelen, dat in 90% van de gevallen aan de linkerkant voelen en maar zelden aan de rechterkant.
Mensen zijn rare wezens, dat blijkt maar weer.

Patiënten met een hypochondrische gevoeligheid kunnen maar beter niet op internet rondkijken. Dat is een broedplaats van de meest enge ziekten, negatieve ervaringen, verkeerd afgelopen operaties en vreselijke bijwerkingen van medicijnen. Genoeg redenen voor de hypochonder om naar de huisarts te snellen en te laten weten welke bewijzen er op internet staan. Voor dit soort mensen zou er een slotje op medische websites moeten komen. Als u hiervoor gevoelig bent mijd dan ook tv-programma’s over bacterieën in uw gootsteen of over de ESBL-bacterie in kippenvlees of over welke bacterie met een afkorting van vier letters dan ook.
Met apothekers moet je trouwens ook uitkijken. Bij mijn apotheker hangt een informatiescherm, waarop wachtende klanten aardige weetjes en nuttige tips kunnen lezen. Toen ik daar een paar maanden geleden was, las ik het advies om na een stoelgang altijd achterom te kijken. Aangezien ik het belangrijk vind om erger te voorkomen, bestudeer ik nu elke dag langdurig en met grote aandacht mijn ontlasting. Soms, als ik iets verdachts meen te zien,  haal ik er een vergrootglas bij. Je kunt immers niet nauwkeurig genoeg zijn. Veel hoop heb ik er overigens nog niet van gekregen.
Volgende week behandelen we de somatoforme stoornissen. Leest u alsjeblieft alvast de bijbehorende artikelen in het dictaat hierover.
Zijn er voor dit moment nog opmerkingen of vragen?
Desgewenst kunt u een anonieme reactie op mijn website plaatsen. Als u het liever persoonlijk houdt, mail me dan. U ontvangt altijd een antwoord. Dank voor uw aandacht en tot volgende week.’’

0

EEN KWESTIE VAN CENTEN

Herinnering
In de nazomer van 1970 reed ik op een zondagavond met mijn blauwe Tomos van het ouderlijk huis in Vleuten naar mijn studentenkamer in Utrecht. De avondlucht voelde aangenaam fris. Achter mij in het westen verdween het laatste licht. De lantaarnpalen waren ontstoken.
Halverwege werd ik aangehouden door twee agenten.
Of ik wel wist, dat mijn achterlicht het niet deed. En of ik besefte in welke gevaren ik mij begaf. ‘U bent daarmee in overtreding’.
Dat ‘u’ vond ik raar klinken. Beide mannen waren veel ouder dan ik. Ik raakte bovendien geïrriteerd, want ik vreesde een bekeuring. Met de belofte, dat ik het licht de volgende dag direct zou herstellen en dat ik bereid was om dit op het bureau te laten controleren, probeerde ik het onheil te voorkomen.
Zij keken mij vanonder hun pet vastberaden aan. Een van hen pakte zijn bonboekje.
‘Komt u het morgen maar even laten zien, dan kunt u gelijk uw bekeuring van vijf gulden afrekenen.’
Ik moest mij beheersen om niet uit te vallen.
Als 18-jarige vond ik het in hoge mate onrechtvaardig dat ik moest boeten voor iets waarvan ik geen weet had. Daarnaast was ik van mening, dat er voor de politie op zondagavond wel betere dingen te doen waren dan het bekeuren van arme studentjes. Ik stond hierbij in een familietraditie. Het dorpsblad in Vleuten had ooit een ingezonden brief van mijn broer gepubliceerd, waarin hij kritiek had geuit op het functioneren van de politie. Dat was aanleiding geweest voor een corrigerend gesprek in onze huiskamer. Ik veronderstelde dat mijn ouders een herhaling niet op prijs zouden stellen.
Toen de agent uitgeschreven was, pakte ik zonder iets te zeggen de bon aan.
Ik zon op wraak.
De volgende dag wisselde ik op het postkantoor vijf gulden om in vijfhonderd centen, keurig verpakt in twintig papieren rolletjes van vijfentwintig centen elk. Ik vouwde de rolletjes open en deed alle munten bij elkaar in een plastic zakje. Met dat gewichtige bedrag in mijn jaszak ging ik op weg naar het politiebureau.
Ik werd in een kleine ruimte ontvangen door een blonde agent. Hij zat in zijn blauwe uniformoverhemd achter een bureau. Zonder pet zag hij er uiterst vriendelijk uit. Ik overhandigde hem de bekeuring en het zakje met de vijfhonderd centen. Zijn gezicht betrok.
‘Dus u wilt uw boete in eh…..centen afrekenen?’. Ongeloof en verontwaardiging streden bij hem om voorrang. Na enkele tellen stond hij zonder iets te zeggen op en verdween door een deur achter hem.
Ik ging zitten op een van de stoelen langs de wand van het kleine kantoor. Aan de wand hingen opsporingsposters en een kaart van de gemeente. Mijn hart bonsde. Een wandklok tikte.
De deur achter het bureau zwaaide weer open. Er kwam een oudere agent binnen, gevolgd door de blonde  collega. ‘Ik heb gehoord dat u uw boete hiermee wilt afrekenen’. Hij hield het zakje tussen duim en wijsvinger omhoog, alsof er een nog warme drol in zat. ‘Dat kan in Nederland niet. Volgens de regels mag je je boete maar met een beperkt aantal centen, dubbeltjes enz. voldoen.’ Hij keek me strak aan. Hij had zware wenkbrauwen, waar aan beide kanten een paar langere haren uitsprongen. Hij zag eruit als een conrector die niet van plan was om met zich te laten sollen.
Ik had nog nooit van regels voor het betalen van een boete gehoord. Ik geloofde er niets van.
‘Volgens mij is een cent nog altijd een wettig betaalmiddel. Mag ik…’
Ik wilde vragen waar ik die regels zou kunnen vinden, maar de agent was me voor.
‘Dat klopt, maar’, zijn toon werd nu harder en venijniger, hij sprak elk woord langzaam uit alsof ik doof was, ‘ik heb u net uitgelegd, dat u niet op deze wijze uw boete kunt voldoen, zo zijn de regels’. Hij reikte mij de zak met centen aan.
Ik kreeg sterk de indruk dat ik er beter aan deed het Bevoegd Gezag niet verder te irriteren. Ik hield mijn vraag voor me, haalde mijn portemonnee uit mijn kontzak en overhandigde een briefje van vijf gulden. Buiten voor het raam liet ik mijn Tomos nog een tijdje luidruchtig stationair draaien.
Die avond zat ik op mijn kamertje de centen te verdelen in hoopjes van vijfentwintig. De papiertjes waarin de centen waren geleverd had ik bewaard. Het kostte me de nodige moeite om er weer strak verpakte rolletjes van te maken. Ik hoopte maar dat ik bij teruggave op het postkantoor niet dezelfde kassière zou ontmoeten.
 
 
 
0

LIEBE, FREUDE UND FREIHEIT

Reizen

Kan je medelijden hebben met een staat?
G en ik waren de afgelopen week in Wenen. Halverwege de derde dag gebruikten we de zelf meegebrachte lunch op een bankje in de Belvedere Garten, vlakbij het kasteel Oberes Belvedere.
Wenen staat vol met kastelen en paleizen uit de negentiende eeuw en daarvoor. Het ene gebouw nog mooier dan het andere. Het is de uitdrukking van de toenmalige macht en rijkdom van het Habsburgse rijk.
Hoe kan het, vroeg ik me af tijdens het broodje kaas, dat een land dat honderd jaar geleden tot de machtigste landen van Europa hoorde, nu een kleine EU-staat is met beperkte invloed? Oostenrijk heeft weliswaar in de vorige eeuw twee oorlogen verloren. Maar dat geldt voor Duitsland ook. Beide keren heeft Duitsland zich weer opgericht. Het is nu de machtigste natie binnen de Europese Unie. Hoe kon het Oostenrijkse keizerrijk als een plumpudding in elkaar zakken? Of, om een vergelijking te gebruiken geïnspireerd door een bekende inwoner van Wenen, Prof. Dr. S. Freud: hoe kon zo’n fier opgeheven lid verschrompelen tot een rimpelig ouwemanslulletje?
Wenen leeft van het verleden en van de toeristen die zich in de fiakers laten rondrijden. De Donau is al lang zo blauw niet meer. Udo Jürgens, de enige Oostenrijkse winnaar van het Eurovisie Songfestival (Merci, Cherie), is al jaren passé. De Wiener Schnitzel met zijn van braadvet doortrokken paneerlaag is de paria van de culinaire wereld, om over de prestaties van het Oostenrijks voetbalelftal maar te zwijgen. Krijgen Oostenrijkse politici internationale bekendheid (Kurt Waldeim, Jörg Haider), dan blijkt er een verkeerd geurtje omheen te hangen.

Wat is er misgegaan in de afgelopen eeuw?
De vraag stellen is gemakkelijker dan deze te beantwoorden, bedacht ik even later lopend tussen de standbeelden van componisten in het Stadtpark.
Blijkbaar was het Habsburgse rijk gevestigd op de macht van het wapen, de adel en de bureaucratie en te weinig op een goed draaiende economie. Alleen van Milka repen en Doppelmayr skiliften word je niet rijk.  Bovendien ging in het Wenen van 1900 de bovenlaag van het volk  teveel naar het bal, de theaters, het vertier. Tegelijkertijd was er sprake van melancholische trekken. Ik las in Wenen de verhalen van Arthur Schnitzler. Ze spelen rond die eeuwwisseling en in elk verhaal speelt zelfmoord een rol. (Sinds de toetreding van Oostenrijk tot de EU gaan de suicidecijfers naar beneden tot gemiddeld europees niveau).

Valt er verder nog iets positiefs over Oostenrijk te melden?
Jazeker. Op onze eerste dag in Wenen belandden wij op zondagmorgen onverwachts in een feestelijke hoogmis in de Augustinerkirche. We liepen in den beginne nog wat doelloos door de stad en zagen de aankondiging van de mis inclusief de uitvoering van de Messa di Gloria van Puccini. Een half uur te vroeg, maar nog juist op tijd vonden we een zitplaats. Even later vulden zich de gangpaden, de trappen van de zijaltaren en waar er ook maar iemand kon staan of leunen, met gelovigen en ongelovigen.
Om vijf over elf kwam er een processie de kerk binnengelopen, onder de tonen van Festmusik nr. 1van K. Pilss (niet te verwarren met het dweilorkest Kleintje Pils): voorop de acolieten met een groot kruis en een walmend wierookvat, daarachter een groep misdienaars (m/v),  dan volgde een stoet leken in middeleeuwse mantels en de optocht werd gesloten door de priesters, acht in getal, onder hen ook ouden van dagen voor wie de kniebuiging voor het hoofdaltaar niet meer haalbaar was. Na de rondtocht in de overvolle kerk konden de strijkers het Kyrie inzetten (http://youtu.be/HWXuTiQjOwU). In het Gratias agimus tibi gloreerde een tenor met de naam Ilker Arcayürek (voor hem gold waarschijnlijk: if you can’t beat them, join them).
De feestpreek werd gehouden door Pater Magister Matthias Schlögl OSA. Hij sprak over het contact met de medemens, durch Liebe, Freude und Freiheit. Hij werkte deze begrippen systematisch uit en vatte aan het einde van zijn preek de hoofdpunten nog eens duidelijk samen, zodat ik deze een week na het gebeuren nog moeiteloos uit het hoofd kan reproduceren. Na zijn laatste woord zette een oudere heer achter ons het applaus in.
Nu de daden nog.
Toen men na twee uur van feestelijkheden nog niet aan de offerande toegekomen was, slopen G en ik de Augustinerkirche uit, linea recta naar het dichtstbijzijnde koffiehuis. Daar bejegenden we elkaar met Liebe und Freude, onder het genot van een klein kopje koffie en een miniatuurtaartje. Even later verlieten we het huis, onder een hoofdknik van de stijve ober en  € 17,30 lichter.
Zou Oostenrijk er op deze manier weer bovenop komen?

 

 

 
2

GEVOELSLEEFTIJD

Dagelijks
Het gevoel gaat een steeds grotere rol spelen in deze samenleving. Tenminste dat gevoel heb ik.
Televisieprogramma’s draaien om emoties. Het KNMI geeft naast de werkelijke temperatuur ook de gevoelstemperatuur. Vorige week liet zelfs Klaas Knot weten, dat volgens zijn gevoelde recessie ten einde loopt. Terwijl ik altijd heb gedacht, dat de president van de Nederlandse Bank de laatste zou zijn, die zich door zijn gevoel zou laten leiden.
In deze ontwikkelingen past het gebruik van het begrip gevoelsleeftijd.

In 1992, ik was toen 40 jaar, bezochten G en ik met de kinderen de Efteling. Dat trof, want ook het pretpark bleek zijn 40-jarig bestaan te vieren. Al wie in 1952 geboren was mocht gratis naar binnen. Er werd je een decoratie met het getal 40 opgespeld. Ik kreeg niet alleen een gratis entree in de schoot geworpen, ik kon ook nog eens precies zien, wie mijn leeftijdsgenoten waren.
Ik was verbijsterd. Ze zagen er stuk voor stuk veel ouder uit dan ik.
Vorige week, tijdens de eerste repetitie van D’allure,  het ‘koor voor de ambitieuze oudere’ overkwam mij iets soortgelijks.

Deze ervaringen hebben te maken met de gevoelsleeftijd. Bijna alle mensen wanen zich jonger dan ze zijn. ‘Ik ben wel 64, maar ik voel me 46!’. We voelen onszelf niet alleen jonger, we denken ook, dat we er jonger uit zien, al kijken we tien keer per dag in de spiegel. (Ik kan nog ter verdediging aanvoeren, dat het begin van mijn kaalheid niet in de spiegel te zien is).
In het streven naar jeugdig elan loopt de reclame, zoals wel vaker, voorop. Jaren geleden was er al de slogan van Becel : een man is zo jong als hij zich voelt. In de reclame zijn de mensen sowieso een stuk jonger dan de groep waarvoor de uiting is bedoeld. Vrouwelijke modellen van 40 lopen met incontinentiemateriaal te stralen.

 

Het verschil tussen de kalenderleeftijd en de gevoelsleeftijd begint zo rond het 25e jaar. Hoe ouder iemand is, hoe groter het verschil.  Dat is gebleken uit onderzoek. Behalve in een emotiemaatschappij leven we immers ook in een cijfertjescultuur.
Hoe zou het toch komen, dat we ons jonger wanen? Waarom denken we dat we er nog jonger uitzien?
Wellicht hebben we uit onze jeugd een beeld van de ouderdom meegenomen, dat niet meer overeenkomt met de huidige werkelijkheid. Als ik een foto zie van mijn vader op zijn 51e vind ik hem er een stuk ouder uit zien dan de 61 jaren die ik zelf nu tel.
Daarnaast willen we niet met de ouderdom geassocieerd worden. Bekend is het fenomeen van mannen van boven de 50 die opeens kekke kleren gaan dragen of van vrouwen die strakke truitjes aandoen om nog een schijn van jeugdigheid op te houden. Toen ik laatst met een nieuw spijkerjackje op mijn werk verscheen was het commentaar niet van de lucht (‘ben je aan je tweede jeugd begonnen?’).
 Nu het begrip gevoelsleeftijd zijn intrede heeft gedaan, kunnen we nog wel meer aan het gevoel gerelateerde termen verwachten. Wat te denken van gevoelslengte, gevoelsgewicht, gevoelshuisnummers? Voor een gevoelig type als ik gaan er mooie tijden aanbreken.
Als ik binnenkort een keer aangehouden word wegens te hard rijden heb ik mijn argument al klaar. ‘Mijn gevoelssnelheid lag echt onder de 50’, zal ik zeggen tegen de blauwe pet die voor mijn raam verschijnt. Immers, zoiets zullen jonge jongens ook zeggen.
 
0

DON’T STOP

Herinnering
De popgroep Fleetwood Mac is weer bij elkaar. Onlangs was er een optreden in het Ziggo Dome in Arnhem. Ik hoorde een dag ervoor een overjarige fan in het Radio 1 Journaal die  ‘helemaal gek’ werd van het vooruitzicht van het concert.
Gisteravond zag ik op tv een documentaire over Rumours, het legendarische album uit 1977 waaraan Fleetwood Mac zijn roem te danken heeft. Tijdens de opnamen van de elpee lagen de twee stellen binnen de band in scheiding. Dat kan mooie muziek voortbrengen. Bill Clinton gebruikte in 1992 het nummer Don’t stop in de verkiezingscampagne, waarmee hij de populaire president George Bush sr. versloeg.
Rumours  was een van mijn favoriete elpees aan het eind van de zeventiger jaren. Ik danste vaak op Don’t stop door mijn studentenkamer aan de Oude Kamp. Verder zie ik beelden voor me van een groot feest in een duister Nijmeegs kraakcomplex, waar het nummer de hit van de nacht was.

Maar het meest blijft Don’t stop voor mij verbonden met een avond eind maart 1981 in Ons Centrum in Driebergen. Demosthenes, de nederlandse vereniging van stotteraars, vierde dat weekend het 25-jarig bestaan. De zaterdagavond was gereserveerd voor een feestelijk samenzijn. Enkele maanden  tevoren hadden Jules van der Staaij, Elisabeth Fetter en ik de koppen bij elkaar gestoken. Het leek ons een goed idee om de ernst van de Demosthenesleden, die immer op zoek zijn naar het einde van eigen en andermans ellende, te doorbreken met wat cabareteske humor en zelfkritiek.
De voorbereiding werd één uitbarsting van creativiteit. Binnen korte tijd schreven we een programma van meer dan een uur bij elkaar. Hoewel geen van ons drieën ervaring had met cabaret, schroomden we niet om al onze bedenksels op het toneel uit te voeren. We geloofden in wat we bedacht hadden.
De voorstelling sloeg in als een bom. De honderd aanwezigen bleven tot het einde geboeid.
Die avond ervaarde ik voor het eerst hoe het is om op te treden.

De aanvankelijke bedoeling om eenmalig een uitvoering te geven bleek niet houdbaar. Al snel werden we voor meer optredens gevraagd. Er kwam belangstelling van de pers, want stotteraars die cabaret maken is nieuws. Er werd een film gemaakt over stotteren, waarin ons cabaret, inmiddels Groen en Geel genaamd, de hoofdrol speelde. Er volgden radio- en tv-optredens. We gingen over de grens naar Belgie en voerden voor een duits gezelschap een vertaalde versie van ons programma uit.
‘Is dat nu niet eng om als stotteraar op het toneel te staan?’, was een vraag die we vaak kregen voorgelegd. De crux van het succes, was dat een optreden minder angst inboezemde dan het bestellen van een brood bij de bakker. Stotteren hoorde bij het optreden, stotteren mocht. En als het mag, dan ben je er niet bang voor en dan stotter je bijna niet. Het meeste gestotter op het toneel was, paradoxaal genoeg, nagemaakt. Dat was de reden voor de jury van het cabaretfestival Valt er nog wat te lachen, onder leiding van Hans van Willigenburg, om ons in de finale slechts een vierde plaats toe te kennen. Groen en Geel zou het elf jaar volhouden.
Terug naar maart 1981. We speelden onze emoties uit, we werden geïnspireerd door onze ervaringen. Zo zongen we onszelf moed toe op de melodie van Don’t Stop van Fleetwood Mac en op een tekst van Elisabeth:

Als je vindt, dat je niet perfect bent
Als je altijd naar anderen kijkt
Als je loenst, stottert of hinkt
Als je zielig bent en oh zo zeikt
Refrein:
Weg, weg, weg met die bezwaren
Weg, weg, weg met die flauwekul
Probeer nu eens moed te vergaren
Schijt aan alles, je bent geen nul.

Daarna nam Jules op de piano de gitaarsolo van Lindsey Buckingham over.
Don’t stop is een mooi adagium voor stotteraars. Je kunt het motto op twee manieren opvatten.

Met dank aan Fleetwood Mac.

1

FRIGIDE EXTREMITEITEN

Dagelijks
Afgelopen week is het koudevoetenseizoen weer begonnen.
Dan fiets ik vijftien minuten naar mijn werk en kom ik daar met koude tenen aan, alsof het winter is. Of ik zit ’s avonds in de kamer, de kachel staat aan, ik draag warme schoenen en dan voel ik de kou mijn voeten intrekken. Binnen de kortste keren zijn ze van mijn tenen tot mijn enkels doordrenkt van dat ijzige gevoel. Dan moet ik gaan lopen, springen, wrijven en knijpen om de voeten weer warm te krijgen. Als ik er dan in geslaagd ben om ze warm te houden totdat ik naar bed ga, worden het tussen de lakens binnen de kortste keren ijsklompjes.

Het is een kwaal die ik al jaren bij mij draag. Toen ik G pas had leren kennen, gebruikte ze voor deze toestand al eens de term frigide extremiteiten. Ook de handen en de neus vielen daaronder. Te zeggen, dat zij mij daarom heeft uitgekozen, zou overdreven zijn. Anderzijds bleek deze eigenschap gelukkig geen bezwaar te zijn voor het aangaan van een duurzame relatie, ook niet voor haar ouders.
G heeft zelf ook nog wel eens koude voeten. Dat schept een band, al meer dan dertig jaar. Op de een of andere manier weet zij wel altijd een paar pantoffels te vinden die haar voeten aangenaam warm houden. Zij houdt mij daarvan op gezette tijden op de hoogte. Mij is het nog niet gelukt om sloffen te kopen die mij door de winter heen helpen.
Stapt G daarentegen in bed, dan begint ook bij haar het gelazer. Ze gaat nog niet zo ver, dat ze haar pantoffels in bed aanhoudt, maar haar sokken gaan regelmatig mee.
‘Ik hou mijn sokken nog even aan’, zegt ze dan verontschuldigend.
Ik antwoord steevast: ‘dan hou ik mijn hoed nog even op’.
Deze wisseling van zinnen behoort inmiddels tot het vaste repertoire van gewoonten die we na jaren met elkaar opgebouwd hebben.

Tja, die koude voeten, waar komen ze vandaan?
Niemand heeft het mij aangeleerd, dus het moet wel aangeboren zijn. Een familiaire kwestie zogezegd. Ik zie nog mijn vader ‘s avonds na het eten in de rookstoel zitten, zijn voeten met pantoffels beurtelings bij de gaskachel warmend. Als hij er te dicht bij zat, verspreidde zich een geur van warme pantoffel door de kamer. Ging hij er met de solex op uit, dan trok hij een leren jas aan, een van het zwaarste kaliber, die tot op zijn enkels hing. En dan nog kreeg ie koude voeten. Dan weet je het wel.
Ooit heeft hij, in een weinig voorkomende bui van aanhankelijke zorg, mij als kind voor het slapen gaan tien minuten de voeten staan kneden en wrijven. Hij wist heel goed, dat je met koude voeten niet in slaap kunt vallen.

Bij het opruimen van ons ouderlijk huis kwamen er overal stoven vandaan: antieke houten gevallen met gaten, waaronder men vroeger een kolenpotje plaatste; en platte rechthoekige stoven met gebloemde vloerbedekking. Er stond ook nog een electrische stoof.
In hoge nood ga ik nog wel eens met mijn voeten in een teiltje met warm water zitten. En toen ik 50 werd kreeg ik een plastic rolapparaatje voor het warm wrijven van de blote voeten. Het martelwerktuig helpt in ieder geval voor een uurtje. Vanwege het lawaai dat het wrijven produceert heeft het mij binnenskamers de bijnaam de raggende man opgeleverd.
Eigenlijk heb ik er spijt van, dat ik indertijd die electrische stoof niet bewaard heb. Ik zal me niet aansluiten bij het groeiende koor van degenen die terugverlangen naar de jaren vijftig. Maar voor de stoof wil ik een uitzondering maken.
Ik pleit voor de herinvoering van de stoof.

0

BOZE 60-PLUSSER

In het nieuws

In de Volkskrant woedde de afgelopen week een hoogoplopende discussie over kortingen op pensioenen en de solidariteit tussen jong en oud. De lont in het kruitvat was het artikel Hoe zo oud en zielig?  van economieredacteur Yvonne Hofs (44 jaar, de leeftijd is in deze discussie niet onbelangrijk). Zij richt zich in dit artikel tot 60-plussers die boze brieven schrijven naar de krant. Enkele citaten uit de brieven:
U als jongere vindt dat u te weinig verdient, probeer dan niet geld bij ouderen weg te halen. Wij ouderen hebben voor onze welvaart hard gewerkt’
‘Mij is altijd beloofd, dat ik 70% van mijn laatste salaris zou krijgen. Ik voel mij heel erg bedrogen..’
‘Me dunkt dat mijn generatie aardig solidair is geweest met de jongeren. Nu het erop aan komt, dat de jongeren solidair zijn met ouderen, zoals ik, beginnen ze te sputteren’.
‘En wat de jongeren betreft: allemaal in luxe grootgebracht en zij verdienen meer geld dan wij ooit verdiend hebben’.
Hofs haalt in haar artikel systematisch de argumenten over het pakken van ouderen onderuit en concludeert dan:
‘Jongeren betalen tot hun 50e veel te veel pensioenpremie in verhouding tot de pensioenrechten die ze dan opbouwen. Dat overschot wordt doorgeschoven naar de 50-plussers, die juist te weinig premie betalen.’
‘Jongeren moeten zes tot vijftien jaar langer werken voor een lager pensioen, omdat de pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar ten gunste van de gepensioneerden hebben potverteerd’.

Het artikel leidde tot honderden ingezonden brieven. De meeste reacties zijn instemmend, al wordt her en der gewezen op individuele gevallen van ouderen die nauwelijks kunnen rondkomen. Henk Krol, de voorman van 50-plus, bij wie ik om de een of andere reden altijd de associatie krijg van stiekeme scheetjes, schrijft dat hij niet wil dat ouderen tegen jongeren uitgespeeld worden. Door te benadrukken dat ouderen er in alle koopkrachtplaatjes er het meest op achteruitgaan, doet hij echter zelf mee aan de strijd tussen de generaties. Hij kan niet anders, zijn partij is op deze tegenstelling gebaseerd.

Ik ontvang al jarenlang mijn pensioenoverzichten. Periodiek valt het blad van het PensioenFonds voor Zorg en Welzijn in mijn bus. Als werknemer word ik uitgenodigd voor voorlichtingsbijeenkomsten. Men wil mij o zo graag uitleggen hoe het zit met dekkingsgraden, rekenrentes, indexeringen en franchises. Er moet een speciale site bestaan waarop al mijn gegevens bij de hand staan en waarop ik, online en realtime, precies kan uitrekenen wat ik over een aantal jaar ga ontvangen. Ondanks al dit gelonk en gewenk, raak ik nog niet opgewonden van het thema pensioen. Zelfs aan de vooravond van mijn pensionering heb ik nog nooit op de site gekeken. Ik benijd dan ook niet de trouwe vakbondsleden die ten behoeve van het besturen van pensioenfondsen dikke stapels berekeningen moeten doornemen. Dat komt bij mij alleen in nachtmerries voor.

Ik sta niet aan de zijde van de boze 60-plussers en het is goed dat een aantal heilige huisjes omver wordt gehaald. In de discussies mis ik echter de vraag, waaròm de 60-plussers zo boos zijn. Ik denk dat het antwoord hierop niet alleen met de cijfers te maken heeft, maar minstens evenzeer met de beleving. Ouderen zijn opgegroeid in een tijd, dat elk dubbeltje omgedraaid moest worden. Ze hebben flink gespaard en zuinig geleefd en zien nu hoe de luxe de jongere generaties komt aanwaaien en hoe het geld dat verdiend wordt net zo gemakkelijk weer over de balk gesmeten wordt. Zij hebben het gevoel dat ze nu gestraft worden voor hun spaarzin, terwijl de economische crisis te wijten is aan overmatige consumptiedrang en het leven op de pof.
Ik vind het goed om solidariteit na te streven. Dat de sterkste schouders zoveel mogelijk de zwaarste lasten dragen. De sterke en zwakke schouders lopen echter door de verschillende generaties heen. Daarbij komt: solidariteit kent zijn grenzen. Het leven is niet altijd eerlijk.

Ik ga eerst maar eens een weekendje wandelen. Op zoek naar het Zwitserlevengevoel.

0

DE AFVALBERG

Dagelijks
Vanmiddag was ik op het afvalscheidingstation van de gemeente Utrecht. Het is prettig om een hoop troep kwijt te zijn, maar toch kom ik er altijd een beetje droevig vandaan. Wat een puinhoop maken wij er met zijn allen van!
Op een betonnen vlakte staat een groot aantal containers. Daartussen staan van afval uitpuilende auto’s, de portieren of laadkleppen open. Het zijn de mannen van Nederland, die de uitwerpselen van de consumptiemaatschappij wegwerken. (De vrouwen van Nederland zijn op dezelfde tijd bezig om nieuwe inkopen te doen). Ter verhoging van de sfeer schalt Gerard Joling over het terrein, Radio 100% NL, gevolgd door reclames van Ikea en de Mediamarkt: ‘kopen, kopen, kopen’. Daar begint het gedonder eigenlijk al.
Ik gooi eerst altijd de lege flessen weg, dat is nog het leukste onderdeel van dit afvalcircuit. Daar kan je met glazen en flessen smijten. Dat mag ik thuis namelijk niet. Dan volgen de oude kranten. Het papier wordt om de zoveel minuten door het apparaat naar achteren geschoven en samengeperst. Ik hoop dan altijd maar, dat er niet een klein jongetje op het idee gekomen is om zich voor de grap in een grote doos te verstoppen.
Er zijn containers voor hard plastic, containers voor zacht plastic en containers voor schoon puin (smerig puin kan je er niet kwijt). Bij het tuinafval is het meestal erg druk. Blijkbaar zijn we een volk van snoeiers, van de dominee van Takkenbos.
Een container vol met snoeihout kan ik nog met een gerust gemoed bekijken en dat schone puin desnoods ook nog wel. Maar als ik bij het metaal kom, dan wordt het me zwaar te moede: wat moet er in godsnaam gebeuren met al die oude fietsen, bedspiralen, kozijnen?  Er zijn kinderwagens bij waar nog allerlei plastic onderdelen aan zitten. Gaat iemand dat nog uit elkaar schroeven? Dat lijkt mij een treurige baan. Ik heb er wat ervaring mee, want ik heb zelf indertijd wel eens het nietje uit het gebruikte theezakje gehaald.
In het midden van dit afvallandschap staat de  grote container voor het restafval. Hierin worden de banken, matrassen, parasols en weet ik wat al niet in gedeponeerd. Mijn bijdrage hier bestaat uit een bureaustoel, 2 zware luchtbedden en 6 zachtgeworden en ingedeukte voetballen.
Wat gooien we toch een hoop weg! Waar blijft al dat afval? Nederland is al zo vol. Denk alleen maar eens aan de luiers. Nederland telt 540.000 kinderen in de leeftijd van van 0 t/m 2 jaar. Als ze allemaal  4 luiers per dag gebruiken, dan worden er dagelijks 2 miljoen vieze luiers weggegooid. Dan heb ik de incontinente ouderen niet eens meegeteld. Als ik daaraan denk begin ik weer heel erg naar die stinkende luieremmers te verlangen. En hebben al die mensen die zich ergeren aan een kat die in hun tuin poept, wel eens stilgestaan bij de afvalberg van kattenbakgrint? Heeft iemand al iets bedacht voor het hergebruik van condooms?
Tussen al die containers lopen mannetjes met bruine gezichten en fluorescerende pakken. Dat zijn de afvalbegeleiders. Zij letten op of je goed sorteert. Dan kan je vragen of gekleurde knikkers en bammen bij het glas horen, het schone puin of bij het restafval.
Bij de giftige stoffen weet ik het zeker: dit komt nooit meer goed. Al die flessen frituurvet, potten verf, en spuitbussen met insecticide, wat kan daar nog aan recycled worden? Mijn bijdrage hier is een zakje met rotjes die jaren vergeefs in de kelder hebben gelegen om te worden afgestoken. Ik hoop maar dat het kruit niet gaat reageren op het frituurvet.
Tenslotte lever ik een koffiemolen en een printer af bij een container voor koelkasten, computers, televisies, kortom, voor alles waar een stekker aan zit. Deze container kan je inlopen en in dat halve duister zie ik een recyclebedrijf voor me en een aantal ongeschoren mannen met een sigaret in hun mondhoek en een plastic bekertje halfvol lauwe koffie. Ze zijn door de gemeente uit de bijstand gerecycled en zitten klaar met een schroevedraaier in hun hand om, ja, om wat eigenlijk? Gaan ze onderdelen uit de apparaten halen? Alle schroefjes op maat bij elkaar leggen? Plastic en metaal scheiden? Wordt hier toch nog weer de helft weggeflikkerd? Met al die containers die elke dag weer uit het hele land komen, lijkt me dat onbegonnen werk. Aan de Costa Concordia moet ik dan even helemaal niet denken.
Ik hoop maar dat het UWV mij niet ooit nog eens wil reïntegreren in zo’n bedrijf.
0

THE CANADIANS ARE COMING (2)

Reizen
Dit stuk is een vervolg op de bijdrage van 6 september j.l.
Op de eerste dag van onze wandeling over de West Highland Way in Schotland ontbeten we in de paarskleurige Premier Inn in Mylgavnie. Langs het ontbijtbuffet van cereals, yoghurt en geroosterd witbrood liep een groep mensen die de aandacht trok. Drie mannen en drie vrouwen, die alle een wit t-shirt droegen met een foto van een vrouw en het getal 50 op de voorzijde. Aan hun taal kon ik niet goed vaststellen of het Engelsen waren of Amerikanen. ‘Het zijn denk ik Canadezen’, zei G.
Later die morgen haalden ze ons op een afdaling in. Ze waren van plan om de whisky-distilleerderij enige kilometers verderop te bezoeken. Daarna kwamen we de groep nog vaker tegen. Aan het einde van een wandeldag zag je ze meestal zitten, achter een tafel met grote pullen bier, de benen omhoog. Een vrolijk stel. Ze nodigden je uit om erbij te komen zitten en staken hun hand omhoog voor een high five: ‘We made it!’
Met de mededeling dat de Canadezen in aantocht waren, leek de jonge Belg zich wat te ontspannen. Hij deed geen pogingen meer om overeind te komen of om te drinken. Naast hem voelde ik me een bezorgde vader die op bezoek is in het ziekenhuis.
Na enige tijd hoorden we stemmen. Daar arriveerden, de hoofden rood en bezweet van de inspanning, de drie mannen uit het canadese gezelschap. De achterste van de drie kwam hinkelend omhoog.
Een van de anderen gaf direct instructies, doortastend, met overwicht, alsof hij ooit het diploma Mountain Rescue had gehaald en verlangend was om nu voor de eerste maal zijn kennis toe te passen. We stelden ons met zijn vieren rond de gevloerde man op. De leider van de hulptroepen telde tot drie en met één gezamenlijke krachtsinspanning stond de Belg zonder in een kramp te schieten weer op zijn benen. Hij dronk eerst het blikje met energydrink in één teug leeg, daarna nog een halve fles water. Vervolgens zei hij, dat hij wel weer zou kunnen lopen. ‘Are you sure?’, vroeg de aanvoerder met zijn gezicht vlak voor dat van de Belg. ‘There’s a ravine on that side, so you should not fall’.
Daarop vertrok de karavaan. De Schot met ontblote bovenlijf ging voorop, als vaandeldrager zonder vlag. Daarna kwam de Belg, aan beide armen stevig vastgehouden door een sterke Canadees. Omdat het pad te smal was voor drie personen moest de Canadees aan de dalzijde voortdurend door varens en over struiken heen springen. Daarachter volgde ik als mentor en als laatste, met de zware rugzak van de Belg, de strompelende Canadees. Hij had 6 joekels van blaren op zijn voeten. Dat had hem niet weerhouden van deze reddingsactie: ‘this is an allied action by Scotland, the Netherlands and Canada.’
Beneden op de camping gekomen was de Belg weer in staat om zelfstandig zijn tent op te zetten. De Canadezen bestelden nog een pul bier. ‘You’ve done a great job’, zei de leider tegen mij en hij hield zijn vuistje voor, zodat ik er met de mijne tegenaan kon tikken. Het bleek echter niet voldoende, want tijdens het avondeten zagen we een ambulance het terrein op rijden. De Belg had opnieuw krampaanvallen gekregen. Hij werd nu naar een ziekenhuis gebracht.
‘s Avonds zaten we met de Canadezen in de nabijgelegen Drovers Inn, een eeuwenoude, wijd en zijd vermaarde gelegenheid. We hadden eerder op deze reis Amerikanen ontmoet, die er een autorit van drie uur voor over hadden, omdat er in hun reisgids stond, dat je deze Inn niet mocht missen.
De muren in de donkere pub zijn zwartgeblakerd door de rook. Het houten plafond is er laag. Naast eenvoudige houten krukjes staan er met rood fluweel bedekte stoelen. De barman draagt een kilt en men heeft een groot assortiment aan whisky’s en ales.
We zaten rond een tafel vol met gevulde bierpullen en klonken op de mooie dag en we klonken (nog een keer alle pullen tegen elkaar) op de mooie highlands. Een fototoestel met uitvergrote foto’s van de reusachtige, bleekgele blaren van de hinkelende Canadees ging rond. Er werd een bijzondere whisky besteld, die na enig proeven als niet smakelijk ter zijde werd geschoven. We vertelden elkaar onze High en Low van deze dag.
Tenslotte toostten we nogmaals, ditmaal op de Belg.
We weten niet hoe het met hem afgelopen is.
 
 
0

THE CANADIANS ARE COMING

Reizen
Het gebeurde tijdens de wandeling van Rowardennan naar Inverarnan, een van de etappes van de West Highland Way, een langeafstandswandelpad in Schotland. We hadden zojuist Loch Lomond achter ons gelaten en waren via een korte klim aangekomen op een weidse pas. Vanaf de hellingen, bedekt met geelgroen gras en donkergroene doornstruiken kwamen kleine stroompjes omlaag, glinsterend in het uitbundige zonlicht. Het was vijf uur in de middag en we waren nog een kleine kilometer verwijderd van ons einddoel die dag, Beinglass Farm, een camping waar we zouden overnachten in een houten châlet.
Na een bocht in het smalle pad zagen we hem opeens liggen. Een zwaargebouwde jongeman in donkere kleren, liggend op zijn rug, dwars over het pad. Zijn antracietkleurige overhemd, dat strak rond zijn bleke, vlezige borstkas stond, was doordrenkt van het zweet. Zijn ogen onder het kortgeknipte zwarte haar stonden dodelijk vermoeid.

‘Are you oké?’, was  de eerste vraag van G.
Hij kon zijn belabberde toestand niet ontkennen: ‘No, I’ve got cramps’.
Dat moest te verhelpen zijn, dachten we, en we hielden zijn been gestrekt omhoog en bogen de tenen naar de romp. Even flink strekken en de jongeman zou weer verder kunnen lopen.
Die verwachting kwam niet uit. Het sjorren aan zijn benen veroorzaakte weer andere krampen in zijn borst, zijn buik en zijn armen. Hij schokte over zijn hele lijf en schreeuwde het uit.
‘Heb je wel genoeg gedronken’, vroegen we, ietwat belerend. We hadden intussen ontdekt dat de man uit Belgie kwam en nederlands sprak. Hij zei dat ie in de afgelopen paar uur twee liter water gedronken had. Een landkaart lag uitgevouwen achter zijn hoofd. ‘Het is niet ver meer, ik moet nog even rusten, dan ga ik het wel halen’. Het was niet duidelijk of hij zichzelf of ons moed wilde inspreken.  Zijn ogen rolden angstig heen en weer. Hij probeerde op zijn zij te rollen en overeind te komen, maar de minste beweging van zijn hoofd was al voldoende voor een volgende pijnlijke krampaanval. Een tweede poging vijf minuten later faalde op dezelfde manier.
Mijn kennis over wat hier aan de hand was en wat je moet doen in zo’n situatie is beperkt. Het was duidelijk dat we dat zware lijf niet met zijn tweeën overeind konden krijgen. We keken elkaar aan. We moesten hulp halen. G liep naar beneden naar Beinglass Farm, ik bleef bij de ongelukkige Belg.

Terwijl ik een sinaasappel pelde, vertelde de jongeman, dat hij juist naar Schotland was gekomen, omdat hij niet tegen de hitte kan. De avond tevoren had hij in zijn tent al hevige krampen gehad. Hij had deze wandeletappe sterk ingekort door een boot te nemen tot het einde van Loch Lomond. Hij was dus nog geen uur aan het lopen, wilde even rusten, maar eenmaal op zijn rug beland kon hij niet meer overeind komen.
Ik stopte wat sinaasappelpartjes tussen zijn lippen. Naast mij liep een grote zwarte tor over het pad.
‘Als torren op hun rug liggen, komen ze ook niet meer overeind’, zei ik. Het was niet duidelijk of hij deze vergelijking kon waarderen.
Af en toe kwamen er nog wandelaars langs. Men bekeek het tafereel van het dwars over het pad gestrekte lichaam en de gehurkte grijsaard daarnaast als was het een doodnormaal tableau wat je meermalen per dag tegenkomt. Ze stapten over het bezwete lijf, zoals ze eerder over de rotsblokken en boomstronken op de oevers van Loch Lomond waren gestapt.
Na enige tijd kwam er van de andere zijde een jongeman naar boven gehold. Hij droeg een zwarte trainingsbroek en fel oranje joggingschoenen. Zijn ontblote, bruinverbrande bovenlijf, een gespierde torso als van een jonge god, glom van het zweet. Hij droeg twee waterflessen van anderhalve liter en een klein blikje energy-drank. Hijgend en zonder veel woorden vuil te maken aan de toestand probeerde hij de Belg wat te laten drinken. Tevergeefs, want deze lag met zijn hoofd naar achteren en alleen al het opheffen van zijn hoofd veroorzaakte nieuwe krampaanvallen. Mijn blijdschap over het arriveren van de schotse hulp veranderde in teleurstelling.  ‘It don’t work that way’,  zei ik. Meteen bedacht ik dat ik had moeten zeggen: ‘it doesn’t work’. 
De Schot zag de ernst van de situatie in, stak een sigaret op en pakte zijn mobiel. Toen hij enkele tellen later uitgebeld was, sprak hij de verlossende woorden: ‘the Canadians are coming’.

Wordt vervolgd.