Schrijven, Lezen, Leven.
1

DE REÜNIE

Dagelijks

Herinneringen verdwijnen naarmate de tijd voortschrijdt. Uitgezonderd de emotionele belevenissen zitten onze ervaringen na tientallen jaren zo diep opgesloten in het geheugen dat deze nauwelijks nog op te halen zijn. Zitten ze er eigenlijk nog wel?
Dit voorjaar ontving ik een mail van het KRO-NCRV-programma De Reünie. In dit tv-programma ontmoeten oud-klasgenoten elkaar sinds lange tijd weer. Men vroeg mijn medewerking aan een uitzending over klas 1D van het Bonifatiuslyceum in Utrecht in 1964. Mijn eerste klas van de middelbare school.

1964, het is meer dan vijftig jaar geleden. Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van de lengte van deze tijdsspanne. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Het is zo lang geleden, dat mij uit deze klas slechts één herinnering voor ogen staat. Die heb ik eerder hier beschreven. Ik heb ook nog maar één vaag fotootje, waarop je kunt zien hoe ik tijdens een klasseavond met drie klasgenoten een beatbandje imiteer (zie hieronder, mijn hoofd uiterst rechts).
Toen ik probeerde namen terug te halen van klasgenoten, kwamen er slechts drie bij mij boven. Uit de lijst die ik daarna van de Reünie ontvang herkende ik nog een paar namen, maar bij de meeste leerlingen had ik geen enkel beeld, geen enkele herinnering. 1D was een brugklas. Na het eerste jaar vertrok het grootste deel naar de HBS, die in een ander gebouw gehuisvest was. De meeste klasgenoten heb ik na dat jaar nooit meer gezien of gesproken.
Mijn interesse was echter wel gewekt, ik ging namen googelen en stuitte op twee verrassingen.
Ik zat in de klas bij ene Henk R. Vaag komt bij deze naam het beeld van een donkere jongen op. Het blijkt dat Henk nu een van Neerlands meest beruchte criminelen is. Mijn zonen kennen hem als de Zwarte Cobra uit de misdaadprogramma’s van Peter R. de Vries.
Verder zag ik tot mijn verbazing de naam van Rob Plijnaar op de lijst. Ik ken Rob uit de negentiger jaren, hij was de buurman van vrienden. We kwamen elkaar twintig jaar geleden nog wel eens tegen, maar geen van beiden hebben wij toen beseft, dat we ooit in dezelfde klas gezeten hebben. Dertig jaar is al genoeg om herinneringen te vervagen.
In mijn eigen archief vond ik een incomplete verzameling van het leerlingenblad Stemmen. Van klas 1D heb ik nog een Godsdienstschrift en een Herbarium. Wie wat bewaart, die heeft wat. De bladeren zijn inmiddels goed opgedroogd.
Eigenlijk was er nog een derde verrassing. Hoe vaker ik de leerlingenlijst bekeek, hoe meer herinneringen er naar boven kwamen. Opeens zag ik bij de naam Anton een lange jongen met blond haar. En uit het niets kwam de herinnering dat Geke en ik op dezelfde dag geboren zijn. Op 18 januari 1965 werden we allebei 12½ jaar. We vierden dat in de pauze met een zakje drop bij de drogist in de Nobelstraat.
Omdat er te weinig leerlingen opgespoord zijn heeft de Reünie nog de medewerking gevraagd van enkele meisjes uit een parallelle brugklas. Toen dook opeens de naam van Charlotte op, het meisje van mijn eerste zoen, waarover ik eerder schreef.

Zo blijken diep weggezakte herinneringen voor een deel weer naar boven te halen. Door te zoeken in spullen van toen, door ermee bezig te zijn. Dat maakt het ophalen leuk en verrassend. Alsof je weer even terug bent in de tijd en een verloren gegaan stukje van jezelf ontdekt.
Voor de opname van het programma was een dag in juli uitgekozen die midden in mijn vakantie viel. Omdat de programmamakers mij er graag bij wilde hebben, bood men aan om mij een dag uit IJsland te laten overvliegen. Dat had ik er niet voor over. Mijn bijdrage is daarom beperkt gebleven tot de voorbereidingen.
Voor wie geïnteresseerd is: op donderdag 9 november a.s., 20.30 uur, wordt het programma uitgezonden, NPO 1. Over wat het leven de 12-jarigen gebracht heeft en wat er is uitgekomen van hun dromen.

1

ROZE EN BLAUW

In het nieuws

In Nederland leven op dit moment 1,5 miljoen honden, 2,8 miljoen katten en 8,5 miljoen vrouwen. Het houden van vrouwen is dan ook populairder dan ooit. Dat is niet verwonderlijk: de gemiddelde vrouw heeft een prettig karakter. Zij is sociaal, lief en kan uitstekend zorgen. Toch blijken er in de praktijk nog een hoop vragen te zijn rond het houden van vrouwen:
Is iedereen geschikt voor het houden van vrouwen?
Heeft een vrouw leervermogen en is zij te trainen?

De bovenstaande regels zijn niet van mij, maar van Myrthe van der Meer. Met één verschil. Ik heb overal vrouw ingevuld waar zij het woord man gebruikt.
Van der Meer schreef het boek Het houden van mannen – veldgids voor de praktijk. Voor de Volkskrant mocht zij een voorpublicatie schrijven. Het is een vorm van satire die mij even deed glimlachen, maar die al halverwege het artikel begon te vervelen. Wat mij verbaasd heeft is dat het boek geen weerwoord heeft opgeroepen. Want stel dat een man een boek geschreven had over de aanschaf van een vrouw, wat zou er dan gebeurd zijn?

De Britse journalist Peter Lloyd schreef Stand by your manhood, a survival guide for the modern man. Daarin betoogt hij dat mannen in de huidige maatschappij steeds meer achtergesteld worden. In een interview in Trouw zegt hij:
‘Mannen zijn minder goed opgeleid dan vrouwen. Ze zijn vaker dakloos en werkloos. Vaker slachtoffer van geweld. Plegen vaker zelfmoord’.
Lloyd trekt ten strijde tegen feministen, die zijn inziens niet strijden voor gelijke rechten, maar voor een bevoorrechte positie voor vrouwen: ‘Bijvoorbeeld toen er eens werd opgeroepen om evenveel vrouwen als mannen in het leger te krijgen. Welnee, riepen de feministen, vrouwen horen niet te vechten en te sterven aan het front. Maar wacht even: mannen soms wel? Intussen willen de feministen dat er meer vrouwen komen in de directies van grote bedrijven. Maar heeft u ooit gehoord dat er óók quota moeten komen zodat er evenveel vrouwen als mannen werken bij de vuilophaaldiensten?’

Ik hou niet zo van polarisatie, dus laat ik de zaak positief benaderen: het is goed dat er over emancipatie geschreven wordt, steeds opnieuw. De ontwikkelingen gaan door.
Tijdens de feministische golf van de jaren zeventig werd ik mij bewust van de achterstelling van vrouwen en van de reductie van vrouwen tot lustobject. De man was de oorzaak van dit onrecht en ik voelde mij er diep schuldig om. Ik liep daarom met een button met een mannenteken, waarop de schuin omhoog staande pijl was vervangen door een slap omlaag hangend exemplaartje. Ik leerde breien en zette mij aan het strijken. Toen wij later kinderen kregen verdeelden we keurig de huishoudelijke en verzorgende taken. Dat stemt mij tevreden. Het pijltje mag weer omhoog.
Sinds de zeventiger jaren is er het een en ander veranderd. Ik weet echter niet of het op dit moment de goede kant op gaat.
In de speeltuintjes waar ik met mijn kleinkinderen kom zie ik evenveel vaders als moeders. Maar er blijven verschillen. De vaders in de speeltuintjes zijn vooral met hun smartphone bezig. De moeders kletsen met elkaar of ze letten op hun kinderen.
Kijk ik naar het speelgoed dat voor kinderen te koop is, dan krijg ik het benauwd. Nergens is het verschil tussen de seksen groter. Alles voor meisjes is roze en popperig.
Ook in het onderwijs nemen de verschillen toe. Meisjes doen het beter dan jongens. Meer dan de helft van de studenten aan de universiteit is vrouw. Het kan niet anders dan dat dit gevolgen gaat hebben.

0

CHRISTOPHORUS BUYS BALLOT

In het nieuws

Sta je met je rug naar de wind, dan is er een lage drukgebied aan je linkerhand en een hoge drukgebied aan je rechterhand. Tenminste op het noordelijk halfrond. Dat wordt de wet van Buys Ballot genoemd. Dus komt de wind uit het westen dan ligt het lagedrukgebied ergens in het noorden en de hoge druk ergens in het zuiden. Voor de doorsnee burger is dit nutteloze kennis, want je kunt er niets mee.
Voor mij is het echter wel handig om te weten. Ik woon namelijk in de Buys Ballotstraat. Als ik vragen krijg over de naam van de straat, dan kan ik uitleggen dat Buys Ballot de oprichter van het KNMI was en de naamgever van de wet over de windrichting. Dat helpt bij het onthouden. Zoals mijn vader vroeger over onze Den Hamstraat nog wel eens vertwijfeld door de telefoon riep: ‘Geen spek, of worst, maar ham!’.

De Sonnenborgh

10 Oktober j.l. was het 200 jaar geleden dat Christophorus Buys Ballot geboren werd. Hij begon als 18-jarige aan de universiteit van Utrecht met de studie klassieke talen, maar al snel stapte de bolleboos over naar de exacte wetenschappen. Na zijn promotie werd hij op jonge leeftijd hoogleraar in de scheikunde, natuurkunde en wiskunde, dat kon in die tijd nog. De bestudering van de sterren vond hij net zo interessant als het meten van de hoeveelheid regen die op verschillende hoogten langs de Domtoren viel.
Met steun van eerste minister Thorbecke kon hij het 16e eeuwse bastion Sonnenborgh aan de buitengracht in Utrecht ombouwen tot observatorium voor weer- en sterrenkundige waarnemingen. Dat was het begin van het KNMI. Buys Ballot begon aan iets wat sommigen ook nu nog als een onmogelijke opdracht zien: het voorspellen van het weer. Hij was de grondlegger van de weerkaart en het weerbericht in Nederland. Hij plaatste apparatuur in havens waarmee de komst van stormweer kon worden voorspeld. Maar nog belangrijker was dat hij over de grenzen heen keek. Hij zorgde ervoor, dat men in heel Europa de wind en de temperatuur op dezelfde manier is gaan meten. Dat leverde een schat aan gegevens op, waaruit hij zijn beroemde wet kon destilleren.
Christophorus overleed in 1890 tijdens een griepgolf. Dat onheil had hij niet aan zien komen.
Zeven jaar later, nu 120 jaar geleden, wordt er aan de overzijde van de nieuwe Oosterspoorbaan in Utrecht op een drassig stuk weiland dat eigendom was van de katholieke kerk een straat aangelegd. De gemeente vernoemt de straat naar haar wereldberoemde meteoroloog.

Het KNMI verhuisde naar de Bilt en de Sonnenborgh in Utrecht is nu al weer een tijdje Museum de Sterrenwacht. Om de 200e geboortedag van Buys Ballot te vieren waren dinsdag alle inwoners van de Buys Ballotstraat in Utrecht, de Buys Ballotweg in de Bilt en de Buys Ballotlaan in Soesterberg uitgenodigd voor een avond met lezingen en demonstraties in het museum. Bewoners van dezelfde straten in onder meer Leiden, Apeldoorn, Venlo waren niet uitgenodigd, dus dat gaf het feestje enige exclusiviteit.
Je kunt in het museum van alles leren over het weer en de sterren en ik laat me de werking van een reusachtige telescoop uit 1835 uitleggen, maar net als vroeger tijdens de natuurkundeles kost het me moeite om mijn aandacht erbij te houden. Ik ben vooral geïnteresseerd in meneer Buys Ballot. Maar veel verder dan dat hij een zeer gelovig wetenschapper was, 8 kinderen had en zijn stappen telde tijdens het lopen kom ik niet. Door een stevige westenwind fiets ik weer naar huis. Links de lage druk, rechts de hoge, oefen ik nog even voor mezelf.

1

FEESTEN EN STUDEREN

Dagelijks

Deze corpsballen komen in dit stuk niet voor

In onze buurt is er vijf keer per jaar een buurtlezing. Dan houdt een buurtbewoner een spreekbeurt over zijn werk, hobby of interesse. Vorige week werd de lezing gehouden door de studenten van een huis van het Utrechtse Studenten Corps. Het zijn onze achterburen.
Onze contacten met hen zijn beperkt. De corpsballen gooien regelmatig een briefje door de bus met de aankondiging van een borrel of feest. Wij roepen af en toe over de schutting of de muziek wat zachter mag. Ooit riep het zoontje van onze huisgenoten: ‘Korfballen! Jullie stinken naar wijn!’.
Door de jaren heen zijn er diverse acties van buurtgenoten geweest om de geluidsoverlast te beperken. De verontschuldiging was steeds dat men helaas teveel had gedronken. Of het nu door de laatste buurtactie komt of door een betere opvoeding, de corpsstudenten van nu houden wat meer rekening met de buurt.

Samen met zo’n 25 buurtgenoten schuif ik voor de lezing aan in de achterkamer, waar wij vanuit onze huiskamer op kijken; de achterkamer, die enkele jaren geleden tot discotheek (zonder vergunning) is omgebouwd. Het publiek is grotendeels van mijn leeftijd, mensen die naar mijn inschatting hun studie op andere wijze hebben ingevuld dan de corpsballen.
De jongens ontvangen ons hartelijk. Ze doen geen enkele moeite om zich beter voor te doen dan ze zijn. Het is een rommel in huis, ze lopen met een biertje in de hand, het witte overhemd hangt slordig uit hun broek, er zijn hoge koelkasten, alle tot de nok gevuld met alleen maar flesjes bier. De eerste dia van de powerpointpresentatie is een foto van de huidige groep bewoners, naakt, met een fles voor hun leuter, zoals de jongeheren hun piemel noemen. Schaamtegevoel kennen ze niet, ze zijn met een groep.

de vrijwillige strandwacht bij paal 17 op Texel

Een van de jongens vertelt over het huis en de activiteiten: een schier oneindige rij van festiviteiten zoals huisdiners, reünies en borrels. Er is een jaarlijkse dag voor de ouders, een dag voor oud-bewoners, een weekend in het buitenland, bezoeken aan het gezin van de nieuwe bewoners (‘nestcontrole’) enz. Om het door het Groningse Vindicat beschadigde imago van de corpsbal wat op te vijzelen vertelt men verder over goede-doelen-acties, sponsorlopen en vrijwilligerswerk als strandwacht op Texel. Het leven van de corpsstudent bestaat uit regels, rituelen, structuur en hiërarchie.

In de pauze lopen wij door het huis, door duistere gangen waar de muren met verfspuiten zijn voorzien van versieringen, langs toiletten met naaktfoto’s van corpulente dames, langs een keur van verkeersborden die uit de openbare ruimte zijn meegenomen en over groezelige trappen, waar de handen blijven plakken aan de leuning. De kamers zien er uniform donker, ongezellig en chaotisch uit: hier komt men alleen om te neuken en te slapen.
Iedere jongen woont hier vijf jaar. De nieuwelingen beginnen onder aan de ladder met uitvoerende taken. Hoe langer in huis, hoe meer je te vertellen hebt. Feitelijk krijgen de bewoners naast hun studie een informele opleiding evenementenmanagement. Ze leren organiseren, plannen, leiding ontvangen en leiding geven. Wie nog wat schuchterheid meebrengt leert dat snel af. Het is een ouderwetse cultuur, een hechte gemeenschap in een individualistische maatschappij, een gigantisch rollenspel.
‘Het is niet mijn wereld’, zegt een van de buurtbewoners en ik knik instemmend. Maar als ik kijk naar mijn eigen zoektocht tijdens mijn studietijd vind ik het jammer dat ik destijds niet zo’n soort houvast gevonden heb. En misschien had ik ook wel eens uit de ban wil springen met een fles voor mijn leuter. In iedere man schuilt een corpsbal. In iedere corpsbal schuilt een brave burger.
De jongens kunnen zich vijf jaar lang ongegeneerd als kinderen uitleven voordat de verantwoordelijkheid van gezin en baan roept. Voor hen is geen SIRE-campagne nodig. Zij hebben de tijd van hun leven.

1

SAMEN GENIETEN

Reizen

Wij wandelen in een glooiend landschap, langs groene weiden waar de zwart-witte koeien tevreden liggen te herkauwen en over beboste hellingen waar de hoge eiken en beuken op het punt staan te verkleuren. Door kleine gehuchten waar de stilte verstoord wordt door een blaffende hond of door een reusachtige tractor met meer dan manshoge wielen die met zijn wagen vol gehakseld mais op je afdendert. Langs kleine begraafplaatsen, waar de zerken scheefgezakt in de grond staan, graslandjes met verweerde schuurtjes, waar eenden en geiten harmonieus samenleven, kapelletjes met plastic bloemen voor een vrome heilige, een gaard met hoge fruitbomen, waar rode appeltjes tussen breekbare oude takken glinsteren in het zonlicht. Entre les tours de St. Pieters-Voeren en Teuven.

Met mijn kamerkoor Decibelle ga ik eens per jaar, eind september, op wandelweekend, ergens aan de rand van Nederland, of liever nog, een stukje daaroverheen. In een lang lint trekken zo’n twintig mannen en vrouwen door de velden. Verbonden door de liefde voor de natuur en de zang, van elkaar onderscheiden door de eigen geschiedenis, de eigen voorkeuren, de eigenaardigheden. Wandelend worden discussies gevoerd en levensvragen gesteld. Het lief en leed wordt net zo makkelijk met elkaar gedeeld als de oordelen over de uiers van de koeien in de wei. Bij een kapel bezingen we de schoonheid van de dag (Sweet day, so cool, so calm, so bright) of het leed in de wereld (O vos omnes, qui transitis per viam). Op het terras gaan de wandelschoenen uit en genieten we van koffie met linzen-pruimenvlaai. We speuren onderweg naar bramen en testen gevallen appeltjes op rijpheid. Of we rusten uit in een zonovergoten wei, waar de geluiden van snuivende knoeien en gras dat afgesneden wordt steeds dichterbij komen, totdat je je ogen opent en een grote, nieuwsgierige koeienkop naast je ziet. Zouden we dit geluk kunnen noemen?
Op onverklaarbare wijze worden we elk jaar weer op een prachtige nazomer getrakteerd.
De trektochten door de heuvels maken de banden sterker. We geven elkaar een hand in de modderpoel en houden het prikkeldraad voor de ander omhoog. Het begrip wordt groter, de acceptatie van ongerief sterker. Wandelend door de natuur ga je steeds meer van elkaar houden.

Na een daglang wandelen zitten we dit jaar op de cour van ons groepsverblijf Domaine de Magis in het zuiden van de Voerstreek. We heffen met elkaar een koel glas. We laven ons aan het laatste zonlicht dat op de hobbelige kasseien van de binnenplaats valt en schuiven de stoelen naar waar het zonlicht zich verplaatst. Een nazomerse namiddag, waarop er niets meer te wensen valt. Te zeggen, dat het leven voltooid is zou sterk overdreven zijn, maar het komt een beetje in de buurt.

Op zondagavond, wanneer de meeste koorleden weer naar het Noorden vertrokken zijn, zijn we nog met z’n vieren over. Het Domaine heeft zes badkamers met vier ligbaden. In de luxe ontbreken alleen de Trumpiaanse gouden kranen. We kiezen elk een eigen bad om de vermoeide benen te ontspannen en de pijntjes niet te voelen.
Een koor is als een warm bad. Ook al vallen er soms een paar koude druppels uit de kraan.

1

ONDER BOUWVAKKERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (11)

 

foto: Jasper de Boer

Broekje in de branding, oh jee, daar drijft het weg.
Het lied van Gerard Cox schalt door de timmerwerkplaats. De oude schilder staat zijn verfkrabbers te slijpen en brult het lied mee. Als hij daarna langs mij loopt, zingt hij: bh’tje in de branding! Zijn ogen fonkelen. Hij blijft staan en monstert mij. Ik weet niet hoe ik moet reageren en kijk naar de balk die in de schaafbank verdwijnt.
‘Zeg. Jij studeert toch aan de universiteit, hè?’.
Ik kijk weer op.
‘Als ik zoveel hersens had als jij, was ik hier allang vertrokken’.
Ik zoek naar een antwoord.
‘Altijd maar weer die tocht op de steiger. Elke dag weer die pijn in mijn donder. En ’s winters is het helemaal erg’. Zijn ogen achter zijn stoffige bril staan weer dof.
Nadat hij doorgelopen is, draait hij zich nog eens om: ‘Bovendien zie je in de winter je vrouw alleen in het weekend nog bij daglicht’.

Vanaf september 1973 werk ik als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Verstegen in Montfoort. Ik mag sjouwen, opruimen, machinaal schaven en zagen. Ik leer van alles over meten, verbindingen maken, en soorten hout.
De eerste weken vind ik het werk interessant. Maar omdat er weinig afwisseling inzit, wordt het allengs saaier. We leven van ontbijtpauze naar koffiepauze naar lunchpauze. Op dinsdag kijken we al uit naar het einde van de week, op woensdag zijn we alweer halverwege. Donderdag is het dan nog even doorbijten.
Telkens als ik om 6.30 uur het station passeer op weg naar mijn bus en ik in het donker de wachtende gele treinen zie staan, heb ik de neiging in zo’n trein te stappen. Naar de Achterhoek, naar Friesland, het maakt niet uit waarheen. Maar elke dag rijd ik door naar mijn bus.
Soms mag ik mee op een klus. Een zolderkamer timmeren, een plavuizen vloer leggen of beton storten in een klein nieuwbouwproject. Ik duw acht uur lang een zware kruiwagen vol deinend beton over een smalle loopplank en weet de inhoud zonder te knoeien precies op goede plaats tussen de beschoeiingen te deponeren. Op dat moment heb ik voor het eerst even het gevoel dat ik een echte bouwvakker ben.

Ik kijk uit naar de pauzes, maar als het zover is verveel ik me al snel. We pauzeren met zijn vieren en echt op mijn gemak voel ik me niet. Het spelprogramma van de TROS met Willy Dobbe en Jan Theys heb ik niet gezien en het nieuws uit de Telegraaf bevalt me niet. Soms ga ik wel eens de discussie aan. Waarom de baas in een dure Mercedes moet rijden. Nou, als ik dat niet weet, dan heb ik er weinig van begrepen, is de reactie. Als ik stel dat de baas winst maakt ten koste van de arbeiders, is het antwoord, dat hij wel wat extra’s verdient. Het ontzag voor de baas is unaniem groot.
Ik probeer iets te vinden waarop we gezamenlijk actie kunnen ondernemen: er ontbreekt zeep en een handdoek in de WC. Dat vinden mijn collega’s iets voor watjes. ‘Als je een wondje op je hand hebt, dan kan je er het beste overheen pissen. Dat werkt ontsmettend’, zegt een sjouwer.

Ik heb me aangemeld als lid van de bouwbond NVV. Met hoge verwachtingen bezoek ik een ledenvergadering. Maar ook hier tref ik veel ontzag aan, ditmaal voor de vakbondsbestuurders. De enige reuring ontstaat als iemand eist dat zijn loon weer handje-contantje wordt uitbetaald in plaats van via de giro.
Ik verhuis nog naar een andere aannemer, maar daar val ik als timmerman door de mand. In juni 1974 word ik in mijn proeftijd ontslagen. Ik vind het wel goed zo en zet de tv aan voor het WK voetbal. Op de universiteit heb ik een projectgroep arbeids- en organisatiepsychologie ontdekt. Die doet onderzoek ten dienste van de arbeidersbeweging. Dat lijkt me wel wat.

1

KANDIDAAT

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (10)

Senaatszaal

Het is 2 juli 1973, een schitterende zomerse dag. De strakblauwe hemel houdt een belofte in.
Ik heb alle vakken voor het kandidaatsexamen met goed gevolg afgerond. Vandaag is de diploma-uitreiking in het Academiegebouw. Een erkenning van de kennis die ik heb vergaard, maar ik vind zo’n plechtigheid een achterhaald ritueel. Van mij hadden ze het papiertje gewoon over de post mogen sturen.
In de Senaatszaal aangekomen zie ik dat velen daar anders over denken. Menige kandidaat loopt keurig in het pak. Vele ouders vullen de rijen, een bloemetje ligt klaar onder de stoel. Ik zit er in mijn korte broek en t-shirt, ik heb niemand uitgenodigd. Vanaf de monumentale wanden kijken de hooggeleerde professoren mij streng aan. Had ik dit anders moeten doen? Ik val nu wel erg uit de toon.
Als mijn naam genoemd wordt en ik door het gangpad naar voren loop, meen ik dat ik gefluister achter mij hoor. De voorzitter van de examencommissie, de veelbelovende wetenschapper dr. Piet Vroon, staat al klaar om mij de hand te schudden. Ook hij is gekleed in een keurig kostuum. (Enkele maanden later zal ik het verhaal over deze uitreiking in verbasterde vorm terug horen als ik iemand hoor vertellen dat Vroon gekleed in korte broek de diploma’s uitreikte).
Tot mijn verrassing vertelt Vroon, dat ik mijn examen cum laude heb gehaald. Even flakkert een gevoel van trots op. Dat heb ik toch maar mooi beter gedaan dan die stropdassen. Maar al snel verdwijnt dat gevoel. Mijn mooie cijfers zijn het resultaat van braaf en plichtmatig studeren, schamper ik in mijzelf. Ik ben alleen een uitblinker in zelfkritiek.

Ik was aan de studie psychologie begonnen met het idee, dat ik ‘iets met mensen wilde doen’. In plaats daarvan heb ik de afgelopen drie jaar geleerd hoe je duiven kunt leren tafeltennissen en hoe ver je kunt gaan met het toedienen van elektrische schokken aan muizen. Ik wilde sportpsycholoog worden, maar werd vooral geraakt door het onrecht in de maatschappij, de armen in de derde wereld, de arbeiders die uitgebuit worden. De maatschappij moet veranderd worden, niet het individu. Ik ben bezig geweest met acties op de faculteit, ik zag mijn naam onder opruimende pamfletten staan. Maar ik ben ermee gestopt omdat de resultaten gering waren. Nu weet ik niet meer hoe ik aan mijn linkse idealen kan werken.
Ik heb bovendien geen enkel idee wat ik met mijn studie aan moet, wat voor werk ik later zou willen gaan doen. Ik maak ruzie met mijn huisgenoten om niks en ik ben van de kaart als mijn moeder een opmerking over mijn haren maakt. Mijn zelfvertrouwen is tot bij het nulpunt gedaald. Ik ken veel mensen, maar er is niemand met wie ik over dit soort problemen praat. Ik stotter af en toe zo heftig, dat ik het liefste zou weglopen. Ik word er depressief van. Ik heb vooral medelijden met mijzelf.
Zoals mijn spreken ongenadig vastloopt, zo is mijn leven vastgelopen. In een brij van idealen, normen en onmacht. Ik loop er uit weg door dagdromerijen over een vakantiehuisje in de stralende morgenzon, waar vogelgekwetter zich mengt met een sonate van Beethoven, die jij, mooi meisje, voor mij speelt.

Ik heb mijn kandidaatsexamen psychologie gehaald en ben kandidaat voor de psychiater.
Dit kan zo niet langer doorgaan, zeg ik tegen mijzelf. Er moet iets gebeuren. Ik meld mij aan voor een stottertherapie. En ik besluit te stoppen met mijn studie. Voor tenminste een jaar. Murw geworden van al die Amerikaanse handboeken en gedreven door idealen ga ik een jaar in de bouw werken. Iets met mijn handen doen, de wereld van de arbeiders leren kennen.

1

KLASSIEK VIERT DE ZOMER

Dagelijks

TV kijken doe ik bijna nooit, maar toen ik een aankondiging zag van een programma over een muziekfestival in de Zwitserse bergen kon ik er niet meer onderuit. Barokmuziek en bergwandelen, veel mooier bestaat er niet. Ik pakte er wat strijkwerk bij, zodat ik mijn tijd nuttig kon besteden.
In Klassiek viert de zomer trekt NTR-presentator Floris Kortie langs muziekfestivals in Europa. Elke uitzending volgt hij enkele Nederlandse bezoekers. Zo maken we in het begin van deze uitzending kennis met de sympathieke zestigers Huib en Judith. Hij is huisarts, zij werkt als vrijwilligster in de kerk. Uitkijkend over de Aletschgletsjer vertellen zij, dat klassieke muziek altijd een belangrijke rol in hun leven heeft gespeeld. De muziek geeft hen troost en rust, zeker ook in tijden van verdriet.
We zien nostalgische plaatjes van het bergdorp Ernen en omdat Huib ook zo heerlijk rustig wordt van tuinieren zien we hem geheel ongedwongen in het tuintje van zomaar een Zwitser schoffelen. Natuurlijk is ook Floris achter zijn microfoon vandaan gekomen om mee te wieden.
Dan zien we even een flits van Andreas Scholl in het Stabat Mater van Vivaldi. De camera zoomt hier in op Huib en Judith. Zien we een spoor van emotie? Het verhaal over de moeder, die treurt om het verlies van haar zoon, dat raakte, dat kwam echt binnen, vertelt Judith, boven op een bankje in de bergen. De wandelstokken staan tegen de leuning, we horen het gebeier van koebellen.
Terwijl ik wacht op meer muziek zie ik dat Floris op bezoek gaat bij een Nederlandse theorbespeler, Mike Fentross. Hij studeert samen met een harpiste in het portaal van het Zwitserse kerkje voor de wijd openstaande deuren. De cameraman maakt sfeervolle beelden van het berglandschap achter de musici. Oefenen voor open kerkdeuren is heel normaal onder musici.

Dan komt het drama. Mike hoorde vlak voor het concert in Ernen, dat zijn vader overleden was. We zien beelden van houten kruisbeelden op het kerkhof. Fentross is desondanks in Zwitserland gebleven om op te treden en Kortie hangt natuurlijk aan zijn lippen om te vragen wat de muziek op dat moment voor hem betekende. De musicus antwoordt op vlakke toon, ‘dat hij het een goede ervaring vond’.
Nog een flits Vivaldi. We keren weer terug bij het echtpaar. Het verhaal van het Stabat Mater is voor hen heel herkenbaar. Zij hebben het afgelopen jaar veel verdriet gehad om een zoon.
De schouderstukken van een overhemd gladstrijkend wordt het me plotseling duidelijk waar deze uitzending over gaat. Muziek geeft troost, het echtpaar heeft verdriet, er is iets met een zoon. We groeien naar een climax toe.

Musikdorf Ernen

Aarzelend vertelt het echtpaar: er is iets, iets wat zij nooit verwacht hadden, zij waren totaal ontredderd. Hun zoon is in detentie genomen. Even denk ik nog aan een psychiatrische opname of iets met quarantaine, maar nee, het is echt waar, de zoon zit in de gevangenis. Een groot verdriet voor het echtpaar, maar een geluk voor de documentaire. Zo’n keurig, hoogopgeleid, weldenkend stel heeft een zoon die al een jaar in de bak zit. Ik strijk opeens diverse vouwen in mijn hemd.
Vivaldi is verdwenen, mijn vragen over het festival, over de groepen die er spelen, over de muziek, ik ben alles allang vergeten en wil nog maar één ding weten: wat heeft die zoon uitgevreten?
Dan zegt Floris Kortie: ‘ik hoef natuurlijk niet te weten, wat daar precies gespeeld heeft, maar ik ben wel heel benieuwd wat dat voor jullie teweeggebracht heeft’.
In het laatste beeld wandelt het echtpaar weg, ze geven elkaar geheel ongedwongen een hand. De vertrouwde wandelstokken konden zij voor dit shot even niet gebruiken.
Klassiek viert de zomer: wat een feest! 1 Minuut klassieke muziek, 24 minuten emotie.

0

HOOG BEZOEK

Dagelijks

Onze kleine stadstuin mag zich de laatste tijd in een toenemende belangstelling van diverse diersoorten verheugen.
Vogels weten altijd al onze tuin te vinden. Spinnen hebben we ook veel, heel veel. Als je een dag je fiets laat staan is ie ingekapseld in een web. En als ik in de tuin werk, wat heel soms wel eens gebeurt, dan kan ik schrikken van een glibberige, geelbruine pad die opeens onder een varen vandaan springt. Die pad is een huisvriend, hij zit er al meer dan twintig jaar. Of het is een nakomeling, ik weet niet hoe dat bij padden werkt. Ik zie er altijd maar één.
Nadat we een weekje weg waren geweest en ook onze kat Youri zoveel dagen vakantie had opgenomen, zagen we dat een van die moderne buurtkatten ons toch al niet florissante gazonnetje als poepdoos had uitgekozen. Bij onze thuiskomst lagen er zes drollen verspreid over het gras. Aan kleur en vorm was te zien, dat de verwende kat elke dag een andere delicatesse voorgeschoteld krijgt. Vanaf dat moment zijn wij dagelijks met cayennepeper en koffiedik in de weer.

Het bijenvolk in onze pruimenboom

Vorige week ontvingen we niet eerder geziene gasten. Wij hoorden op een middag een onbekend zoemend geluid. Alsof een Poolse schilder ergens een gemankeerde schuurmachine gebruikte. Of een centrifugerende wasmachine aan de wandel ging. Buiten gekomen zagen we duizenden insecten rond onze pruimenboom zoemen. Het zag zwart van de heen en weer schietende beestjes, een apocalyptische aanblik. Birds van Hitchcock in een mini-uitgave.
Geleidelijk aan vormde zich aan een van de hoogste takken een donkergekleurde kluit, een soort zak die in de boom hing. ‘Dat moet een bijenvolk zijn’, zei ik tegen G., bijna fluisterend. Ik was bang dat hard praten tot agressie van het volk zou leiden.

Nu wil het geval dat ik op een zangkoor naast een gepensioneerde bas sta, die in zijn vrije tijd imker is. Toen ik vorig jaar een keer met hem meereed heeft hij mij alles verteld over de bijtjes, over volken die zich splitsen, de oude koningin en de nieuwe koningin en de laatdunkende rol van de darren. Ik kan het niet meer navertellen, maar weet wel dat hij soms wordt gebeld als zich bijenzwerm op drift is en zich in een tuin van een argeloze burger heeft genesteld. Dan zorgt hij er op wonderbaarlijke wijze voor dat het volk in een mand verdwijnt en neemt hij de hele kluit mee.
Terwijl G. uit voorzorg alle ramen sloot, je moet er immers niet aan denken dat zo’n oude koningin per ongeluk door een bovenraam naar binnen vliegt en de duizenden onderdanen haar volgen, belde ik E., de imker. Hij kon dezelfde dag nog komen. Maar eerst moest ik nog op zoek naar een hoge ladder.
Ongeluk en tegenslagen zorgen voor verbinding, zo merkte ik op mijn rondgang in de buurt. Mijn verhaal lokte alom medeleven uit, maar pas op het tiende adres trof ik een bewoner met een uitschuifladder. Dat soort bewoners moet je koesteren.
De ladder was hoog genoeg, maar de tak waaraan het bijenvolk zich had opgehangen oogde te dun en de tak die stevig genoeg was om de ladder te dragen was te ver weg, zo zag E. direct al bij zijn aankomst. Onverrichter zake keerde hij naar huis terug.
En dus zat er voor ons niets anders op dan wachten totdat er een Mozes zou opstaan en het volk zijn biezen zou pakken. ‘Tussen twaalf en twee, dat is meestal de tijd dat ze doortrekken’, zei E. Even had ik nog de fantasie, dat die bejaarde pruimenboom zo lekker zou zijn, dat de oude koningin die tak tot haar permanente residentie zou willen maken. Misschien zouden de bijen dan ingezet kunnen worden om rondpoepende buurtkatten te weren. Maar de volgende dag, in een onbewaakt ogenblik, nog voor de klok twaalf uur geslagen had, was het volk weer vertrokken. Een dag later plaatste de Utrechtse Internet Courant bovenstaande foto van een fiets in de Loeff Berchmakerstraat.

1

DUITSLAND

Dagelijks

Wij rijden op de Autobahn en onze Ausdauer wordt flink op de proef gesteld. Op precies 470 plaatsen wordt deze zomer aan de weg gewerkt. Met de onvermijdelijke files als gevolg. Nu weet ik wel, dat het voor mijn eigen bestwil is. Volgend jaar kan ik op deze wegen weer onbekommerd doorsjezen. En elders in een file belanden.
Op één plek zijn zware machines bezig om het oude betonnen wegdek te verwijderen. Ik moet onvermijdelijk aan Adolf Hitler denken, de man die deze brede verkeersbanen heeft aangelegd, zodat zijn legers snel konden oprukken.
‘Het is een boef’,  zei een vriendje op de lagere school tegen mij, ‘hij heeft aan elke arm wel zeven horloges’. Dat kon geen zuivere koffie zijn, zoveel was duidelijk. Later bleek, dat niet alleen Hitler slecht was, maar heel Duitsland. Het was een gemeen volk, dat je moest mijden. Moffen waren het. Wij maakten grapjes: wat is de naam van Hitler in het Russisch en in het Chinees? Tijdens de voetbalfinale Engeland – Duitsland in 1966 zeiden mijn ooms: ‘Als die rotmoffen maar niet winnen’. Blijkbaar dacht de Russische scheidsrechter er ook zo over, getuige een onterecht aan Engeland toegekend doelpunt.
Op het gymnasium kreeg ik Duitse les van juffrouw de Jong, bijgenaamd Mina, een lerares van de oude stempel. Zij had een zenuwtic. Hoe onrustiger de klas , hoe meer zij op haar onderlip kauwde. Met een strak regiem stampte ze de grammatica erin, aan politieke kwesties waagde zij zich niet. Engels was voor ons de taal van de toekomst, Frans van de cultuur, Duits van een verderfelijk verleden. Wie een Duitser nadeed sprong in een militaire houding: ‘Jawohl, Herr Oberleutnant!’

Toen wij in later jaren op vakantie door Europa trokken, meden we Duitsland. Dat was een suffe, autoritaire maatschappij, waar zelfs een klein stationnetje Hauptbahnhof werd genoemd. Waar de te dikke, eigengereide bewoners in Lederhosen hun Strammer Max met grote kannen bier wegspoelden. Duitsers waren lichtsignalen gevende bumperklevers en luidruchtige toeristen. Toen wij eens op een Zweedse camping een mooi plekje aan een meer hadden, zagen wij bij terugkomst van een wandeling tot onze ontzetting dat een stel Duitsers hun bungalowtent nog net tussen die van ons en het meer gepropt hadden. Van Wiedergutmachung was geen sprake.
West-Duitsland was destijds in onze ogen de vazal van het kapitalistische Amerika. Er was een linkse studentenbeweging, maar die schoot al snel door. Anti-autoritaire opvoeders waren zelf autoritair in hun principes. Politiek verzet gleed af naar gewelddadige methoden. Oost-Duitsland kon aanvankelijk nog wel op enige sympathie rekenen totdat de verhalen over onvrijheden, Stasipraktijken en georganiseerde doping dat beeld snel verbleekten.
Toen viel de Muur.
Ik vind dit nog altijd een van de mooiste politieke ontwikkelingen die ik in mijn leven heb meegemaakt. Beelden van het weghakken van het gehate beton bezorgen me ook nu nog een brok in de keel. Voor het eerst leefden we mee met het Duitse volk.
Het beeld van Duitsland kantelde de afgelopen jaren. Positieve ontwikkelingen sijpelden door het vastgeroeste afwijzen. Het besluit de kerncentrales te sluiten. De strijd tegen doping in de sport. Het geld dat men voor cultuur over heeft. De inzet voor samenwerking in Europa. De bereidheid om vluchtelingen te ontvangen. Zelfs Angela Merkel, niet iemand van mijn politieke richting, oogt sympathiek. Op de toiletten in de Raststätten hangen nu reclames van de organisatie Deutschland Hilft.
Wel jammer trouwens van die sjoemelsoftware. En bumperkleven hebben de Duitsers ook nog niet afgeleerd.