Schrijven, Lezen, Leven.
0

GAAN WE ACHTERUIT?

In het nieuws
 
Het regende deze week en het was koud. Het Nederlands elftal verloor weer eens en uit de krant kwam er een stroom van slecht nieuws over oorlogen, aanslagen en ontheemden. Rusland bedreigt Europa en IS wil  het Westen een kopje kleiner maken.
Het lijkt wel of het steeds slechter gaat met de wereld.
Ik zag weinig redenen om te zingen of grappen te maken. Terwijl dat nu juist de dingen zijn, die ik graag doe.
We zijn over het hoogtepunt van de welvaart heen, denk ik wel eens. Onze generatie heeft een mooie tijd meegemaakt. Een tijd van groeiende welvaart en meer vrijheid. Van meer zeggenschap en meer vrije tijd. Van huizen die drie keer in waarde zijn gestegen.
Maar nu gaan we de andere kant weer op.
Zo maalde het nog een tijd verder in mijn hoofd.
Ik vroeg me af of er werkelijk sprake is van een toename van ellende  of dat het met mijn leeftijd te maken heeft? Komen deze negatieve gedachten wellicht eerder op als je ouder wordt?
Als je het leven ziet als een berg, dan ben ik als zestiger onmiskenbaar weer aan het afdalen. Dan kijk je wat vaker om en denk je aan de mooie dingen die je beleefd hebt. Je haalt met vrienden herinneringen op. Vroeger was het nieuwer, spannender, beter…
Nu zie ik een dalende lijn voor me. Ik hoor in mijn omgeving over ernstige ziektes. Ik moet nog even niet denken aan wat mij te wachten staat. Als jongere heb je een doel voor ogen, je wilt wat bereiken. Maar als je kinderen het huis uit zijn en je pensioen bereikt is, wat…
Ho. Stop.
Ik roep mijn gedachtenstroom over de achteruitgang en de ouderdom een halt toe.
Als er één ding beter is dan vroeger, dan is het de gestegen welvaart en de verlenging van de levensverwachting. Wat Henk Krol in zijn ribbroek ook mag beweren, ouderen hebben het nu beter dan een paar generaties terug. Toen waren de mensen blij als ze de 65 haalden. Ze werkten door tot aan hun dood. Nu hebben we na onze pensionering gemiddeld genomen nog zo’n twintig jaar te gaan. Twintig jaren die we zelf kunnen invullen.
We hoeven ons niet te laten opsluiten in een ouderendorp in Florida met acht golfbanen, veertien zwembaden, twaalf bioscopen en een veelvoud aan beveiligers.
Je kunt jezelf nieuwe doelen stellen, persoonlijk en maatschappelijk. Je kunt nieuwe dingen leren en vanuit je levenservaring bijdragen leveren aan maatschappelijke doelen. In de Trouw stond deze week het verhaal van een dominee die na een lang werkend leven een opleiding tot seksuoloog had gevolgd en nu echtparen hielp bij sexproblemen. God heeft de mens immers ook met geslachtsdelen geschapen.
Wat je ook doet, je kunt als oudere wat kalmer aandoen en wat vaker op vakantie.
Er is minder druk in de derde levensfase. Je hoeft je niet meer te bewijzen. Veel ouderen kunnen meer genieten en tegenslagen gemakkelijker opvangen. Ouderen zijn vaak milder. Zelfs bij de conservatieve kardinaal Simonis, wiens missie het was om de katholieken in Nederland weer aan de orthodoxe regels van de kerk te onderwerpen,  zag ik tijdens een televisie-interview een milde kant.
Ouderen kunnen tegen een stootje. Dat depressie en somberheid bij de ouderdom horen is een mythe.
Kortom, als je ouder wordt is er genoeg te zingen en te lachen.
Vorige week zei mijn kleindochter van vier tegen een wildvreemde vrouw op straat, zonder enige inleiding of aankondiging: ‘ik heb wel een beetje een gekke opa’.
Buiten regent het nog steeds. De kou is het huis in getrokken.
De radio bericht over oplopende spanningen in Israël. Politici slagen er maar niet in om afspraken te maken die de opwarming van de aarde tegengaan. In Zweden is een asielzoekerscentrum in de fik gestoken. Vorige week werden er veel dichterbij huis, in Woerden, vuurwerkbommen naar een opvangcentrum gegooid. 
Het ziet er echt naar uit dat het slechter gaat in deze wereld. Of ik nu ouder word of niet. 
0

FLUITEN EN KRASSEN

Herinnering
 
Toen ik zes jaar was achtte mijn vader de tijd rijp om mij de beginselen van de muziek te leren.
Ik leerde blokfluit spelen, in navolging van mijn oudere broer en zussen.
Mijn vader legde mij op zondagmiddag met veel geduld uit, hoe ik mijn vingertjes op de gaatjes van de fluit moest leggen. Dat kostte de nodige inspanning. Lag er maar één vingertje niet goed, dan ontsteeg er een schel hoog geluid aan het instrument. Turend naar de nootjes in het boekje stak ik het mondstuk van de fluit te ver in mijn mond, zodat mijn vader herhaaldelijk het vocht uit het instrument moest halen.
Na een aantal weken oefenen wachtte de eerste beloning. Ik kon een eenvoudig melodietje spelen en ontving de complimenten van mijn moeder.
Het bespelen van de blokfluit was overigens  niet het doel, het was een opmaat voor iets groters.
Mijn vader was een muzikale man. Als kind speelde hij op een kloppiano. Volgens de overlevering kon hij al op zeer jonge leeftijd in alle toonaarden het Stabat Mater spelen. De organist van de kerk had er twee dikke repen chocola voor over. Later kreeg mijn vader een viool. Van toen af aan speelde hij elke avond zijn toonladders en melodieën. ‘Het leek of hij er nooit genoeg van kreeg’, zo omschreef mijn tante Jo zijn hartstocht voor de muziek. Bij de jongerenvereniging gaf hij zangles en dirigeerde hij uitvoeringen.

Zo’n passie voor muziek, die wil je wel op je kinderen overbrengen. Het leren van muziek was daarom bij ons thuis een onderdeel van de opvoeding.

Toen ik via de blokfluit noten had leren lezen, was de tijd aangebroken om een instrument uit te  kiezen. Helaas had tot op dat moment nog niemand voor mijn vaders lievelingsinstrument, de viool, gekozen. Mijn oudste zus had het even geprobeerd, maar was al snel op de piano overgestapt. Net in die tijd viel aan ons gezin een viool toe uit de nalatenschap van een oom van mijn moeder. Er was geen ontkomen meer aan: ik ‘koos’ voor de viool.
Een viool is een mooi strijkinstrument, maar het duurt jaren voor je er iets prachtigs uit kunt halen. Anders dan bij de piano liggen de noten niet voor je klaar, je moet ze zelf maken met je vingers. En leg je je vingers een millimeter verkeerd dan krijg je, net als bij de blokfluit, onzuivere tonen. Daarnaast vraagt het strijken met de stok de nodige ervaring. In de beginjaren produceer je slechts  gekras.
Ik was veel liever buiten aan het voetballen of aan het klimmen in de knotwilgen voor ons huis, maar het kwam niet in mij op om nee te zeggen tegen de viool en zeker niet tegen mijn vader. Ik deed trouw mijn oefeningen en ging vooruit.


Zo kraste ik na enige tijd de eerste kerstliedjes bij de piano. Bij het afscheid van juffrouw Witkamp van de lagere school speelde ik met de tweeling Staal voor een vol Verenigingsgebouw een boerendansje.

En toen er op een zondagmiddag een gast uit Utrecht kwam voerde ik met mijn vader een paar vioolduetjes op. Na afloop zei de man, niet gespeend van kennis van muziek noch van tact in de omgang: ‘Ik vond het wel mooi, maar’, en hierbij richttte hij zicht tot mijn vader, ‘U speelde een beetje vals’.
Mijn vader bracht mij vooral de plicht bij om te oefenen. De bevlogenheid die hij als kind had, wist hij niet door te geven. Ik speelde niet elke avond, alsof ik er nooit genoeg van kreeg.
Hoe ouder ik werd, hoe meer de plicht mij begon op te breken. Ik verzuimde steeds vaker mijn oefeningen. Toen radio Veronica de standaard was geworden en de Beatles doorbraken, was het gauw gedaan met mijn muzikale carrière en borg ik de viool voorgoed op in zijn kist.
Sommige dingen hebben tijd nodig.
Mocht mijn vader nu vanuit de hemel toekijken en zien hoe ik met muziek bezig ben, dan kan hij niet  anders dan glimlachend en tevreden constateren: ‘het is toch niet voor niets geweest’. 
0

WEIN, WEIB UND GESANG

Muziek, Reizen
De trossen met druiven hangen zwaar onderaan de ranken op de stenige hellingen langs de Moezel. Waar we ook kijken zien we de parallelle rijen groene struiken, de takken keurig langs palen en draden geleid. Het ruikt er zurig.
Een wijnboer in een grijze jas komt tussen twee rijen omlaag gelopen. Hij heeft een klein, buisvormig apparaatje in zijn hand. Daarmee kan, zo vertelt hij, het suikergehalte van de druiven gemeten worden. Hij is er tevreden over. Hij gaat zijn kinderen, broers, neven en nichten, en al wie een kniptang heeft, optrommelen om de volgende dag te beginnen met oogsten.
Ik wandel met mijn kamerkoor Decibelle over de heuvels langs de meanderende Moezel. We overnachten in Lösnich, een klein plaatsje, zo ongeveer halverwege Trier en Koblenz. Het toeval wil, dat in ditzelfde weekend in Lösnich het jaarlijkse Weinfest wordt gehouden. Elke wijnboer opent dan zijn schuren of zet een feesttent in zijn tuin . De hoofdstraat in het dorp wordt afgesloten voor het verkeer en waar je ook kijkt staan er rijen tafels en banken rond een tap van wijn en bier.
Her en der zitten plukjes mensen aan de tafels. Men drinkt een glas of doet zich in de avondkilte tegoed aan een plastic bordje lauwe frietjes en donkergebakken Schweinegebrat. De Riesling wordt in glazen van 0,2 liter verkocht. Of per fles natuurlijk.
Gesang  is er ook in ruime mate.
In de schuur van Weingut Orthmann speelt een bandje. Er zit een aantal mensen op de grond in een rij, dicht tegen elkaar aan, de benen gespreid, heen en weer wiegend op de tweekwartsmaten van de schlager. Het is niet duidelijk of dit een lokaal gebruik is of dat de feestvierders te vermoeid zijn om op hun benen te staan. Buiten bij Hotel Heil wiegt een oud echtpaar zachtjes mee op the sultan of swing, gespeeld door een stel oude rockers. De leadzanger lijkt als twee druppels water op Henk Krol van 50+.
Wijzelf hadden natuurlijk overdag onze bijdrage geleverd aan het Gesang. Het is sinds jaar en dag gebruikelijk, dat de partituren meegaan op het wandelweekend. Zingen en wandelen gaan goed samen, al doen we het nooit tegelijkertijd. Passeren we een kerkje of een kapel, dan voelen we even of de deur open is. Dan nodigen we onszelf uit naar binnen te gaan, leggen her en der de rugzakken, wandelstokken, dassen en jassen in de banken en verzamelen ons rond het altaar om in die mooie akoestiek van ons eigen gezang te genieten. Het klinkt in een godshuis zoveel mooier dan tussen de wijnranken of in een hooiberg.

 

In de Sankt Stephan in Zeltingen-Rachtig.

 

Foto’s: F. de Reeper
Met de Wein en het Gesang zat het dus wel goed tijdens ons weekend in Lösnich, maar hoe was het met die Weiber? Daar moet ik natuurlijk ook wat over schrijven. Dat plaatst mij echter wel voor een probleem, want alles wat ik hierover zeg kan verkeerd opgevat worden. Ik zit nu al een geruime tijd geblokkeerd achter het toetsenbord.
Als ik zou schrijven dat we met een paar lekkere wijven op wandelweekend waren, dan begeef ik mij, ook al zou mijn uitspraak waar zijn, ver buiten de ongeschreven code van het koor en dan hoef ik er nooit meer terug te komen.
Zou ik daarentegen in dit blog vermelden  dat ik met enkele  overjarige, rimpelige vrouwspersonen op pad was, dan zou mij, ook al spreek ik de waarheid, hetzelfde lot treffen.
Ik moet dus op mijn woorden passen, je doet het niet gauw goed.
Er wandelden aardige vrouwen mee met wie het fijn converseren was. Ze hadden meestal nog wel iets van gedroogde abrikozen of zo bij zich om uit te delen. Dat werkte verbindend. We hebben nog wat gedanst bij Hotel Heil. En tijdens het wandelen ritsten zij de pijpen van hun broeken, dat vond ik wel een mooi gebaar.
In ieder geval ben ik blij, dat ik in een gemengd koor zing. Ik geloof niet dat ik de aanleg heb om gelukkig te worden in een mannenkoor.
Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang, der bleibt ein Narr sein Leben lang.

Zo zegt men het in Duitsland.

2

MEA MAXIMA CULPA

Herinnering
 
Als ik in de winter om 6.45 uur de Willibrorduskerk in kwam, was het daar angstig stil en donker. Alleen vanuit de half openstaande deur van de sacristie, aan de andere zijde, viel een flauw streepje licht de lege ruimte in. Het donker strekte zich hoog en kil boven mij uit. Dit was het huis van God en hij was alomtegenwoordig. Maar bang voor het donker liep ik, rende ik bijna, door het zijpad. Elk voetstapje weerklonk in de duisternis.
In de sacristie trok ik een zwart toga over mijn kleren aan. Daaroverheen kwam de witte superplie.
Piet Boeijen, de koster, hield een oogje in het zeil. Ondertussen legde hij de gewaden voor de priester klaar. ’s Morgens vroeg stond er vaak een korzelige uitdrukking op zijn gezicht. Was een misdienaar iets te laat of hing er een toog verkeerd, dan kwam er in zijn tirade een verdomme mee. Tenminste, als de pastoor of kapelaan nog niet aanwezig was. Ik vond dat zorgelijk, want de priester mocht er dan wel niet zijn, God luisterde altijd mee.
De twee misdienaars en de priester stelden zich achter elkaar op in de betegelde gang. Nu mochten we niet meer praten. De voorste misdienaar deed de deur naar de kerk open en trok – niet te hard en niet te zacht – aan de grote bel links. Dan liepen we vroom, de handen voor de borst met de palmen tegen elkaar en de vingers omhoog, het altaar op, beducht om niet te vallen over de lange toga.
 
Kapelaan ter Steeg had gevraagd of ik misdienaar wilde worden. Mijn ouders vonden het belangrijk en eervol. Zij hoopten in stilte op een priesterschap en dit zou een mooie eerste stap zijn.
Nee zeggen kwam niet in mij op. Daarnaast leek het me aantrekkelijker om op het toneel van de kerk een kleine rol te vervullen dan om naamloos in de kerkbank een uur lang stil te zitten.
Bovendien had ik thuis op zolder al vaak de mis opgevoerd. Staande achter een oude commode in een heus kazuifel spreidde ik mijn armen en richtte mijn blik omhoog naar de vliering. Vervolgens zegende ik de perensap, die de miswijn verving.
Een misdienaar voerde verschillende taken uit. Zo baden wij het confiteor, reikten het water aan voor de handwassing, en luidden de bel voor  de consecratie.
Het bleek geen sinecure. De Latijnse gebeden diende je uit het hoofd te kennen en je moest weten wat je op welk moment moest doen. Zeker bij pastoor Beutener luisterde dat nauw. In de ochtendmissen hield hij een straf tempo aan. Door een spraakgebrek kwam ik niet altijd snel genoeg uit mijn woorden. Dan nam de pastoor het bidden van mij over en staarde ik, met de blikken van de parochianen in mijn rug, verslagen naar het zwarte marmer van de altaartreden.
Tussen het epistel en het evangelie dienden wij de houten lessenaar met het misboek van de linker- naar de rechterzijde van het altaar te verplaatsen. Omdat ik dat zware boek een keer bijna had laten vallen, voelde ik steeds de kritische blik van Beutener in mijn rug.
Een andere keer had ik mijn altaarbel niet goed neergezet. Die donderde toen met veel kabaal van de treden af. Het gerinkel galmde nog lang na in de kerk. Het kon niemand ontgaan zijn welke stommiteit ik begaan had. Mea culpa.
Plechtige missen op zon- en feestdagen waren een belevenis. Dan reikten wij het walmend wierookvat aan. Of we brachten het wijwatervat met de kwast zodat de pastoor de gelovigen kon behoeden tegen onheil. Ik vond het jammer dat ik de kwast niet mocht hanteren.
Soms werd er een mis voor drie heren opgevoerd. Opzij van het altaar stonden er dan enkele  stoelen waar de priesters konden plaatsnemen. Liep er een priester op een stoel af, dan diende je bliksemsnel achter de stoel te gaan staan. Je moest dan vlug de achterzijde van het kazuifel pakken om deze in één vloeiende beweging over de rug van de stoelleuning te draperen. Daarbij tastte ik meestal mis. Met een rood hoofd zag ik dan hoe de priester, mea maxima culpa, met zijn volle gewicht dat prachtige gewaad zat te verkreukelen. Ik had al zo’n  idee wat Piet Boeijen er van zou zeggen. 
Na enige jaren kwam er een einde aan mijn plichtsgetrouw misdienaarschap. Tot acoliet heb ik het niet meer geschopt. 
1

GAST AAN TAFEL

In het nieuws
Tja, hoe moet het verder met onze democratie?
Ik hou wel van politici die duidelijk zijn in hun visie en doelen, hun rug recht houden bij tegenwind en er niet voor terugschrikken om impopulaire maatregelen te nemen. Maar een politicus, die in de huidige tijd impopulaire maatregelen neemt, weet dat hij daarmee zijn eigen einde inluidt.
We leven niet meer in de vijftiger jaren, waarin de kiezers blind hun voormannen volgden. Burgers zijn mondiger geworden. Zij willen gehoord worden en niet alleen via het potlood in het stemhokje. Dat stelt nieuwe eisen aan de democratie.
Overheden en beleidsmakers bedenken daarom nieuwe vormen om burgers bij het beleid te betrekken, zoals bewonerspanels, ontwikkelgroepen, kenniscafé’s, wijkschouwen en participatiegroepen. Het nieuwste woord is Tafel. Daarmee worden uiteenlopende vormen van overleg met belanghebbenden bedoeld, bijv. over de herinrichting van een plein of de buurtveiligheid. (De keukentafel hoort overigens niet in dit rijtje thuis).
Naar aanleiding van de problemen met de gaswinning werd in Groningen begin 2014 een Dialoogtafel opgericht. De commissie Meijer had vastgesteld dat het vertrouwen in de Rijksoverheid en de NAM onder de inwoners van Noord-Oost Groningen ver te zoeken was. Bestaande overlegstructuren zouden dit probleem onvoldoende kunnen oplossen.
Een Tafel, het huiselijk symbool voor gemeenschappelijkheid en verbondenheid, zou meer perspectieven bieden. Bewoners, ondernemers, overheden en NAM werden maandelijks uitgenodigd om als gast aan tafel aan te schuiven.
De Dialoogtafel heeft anderhalf jaar gefunctioneerd. Begin september werd besloten om de tafel op te doeken. Tafelvoorzitter Jacques Wallage legt in Trouw (10-09) uit waarom dit nieuwe democratische middel mislukt was. ‘De overheden en de NAM wilden het liefst zelf de dienst uitmaken. De dringende noodzaak om op één lijn te komen met maatschappelijke organisaties voelden zij niet’.  Akkoorden werden buiten de Tafel om gesloten. ‘We mochten hoogstens een punt of een komma veranderen’. Voor iemand die zelf zijn hele leven de overheid gediend heeft is dit forse taal.
De Belgische schrijver David van Reybrouck pleitte in zijn boek Tegen Verkiezingen om een door loting geselecteerde groep burgers te laten meewerken aan beleid en wetgeving. Geïnspireerd door zijn ideeën vroeg de Utrechtse wethouder Lot van Hooijdonk 165 Utrechters om drie dagen lang mee te denken over het milieu- en energiebeleid van de gemeente. Van Hooijdonk wil meer geïsoleerde woningen, windmolens en zonnepanelen. ‘Als dit allemaal al zo duidelijk is, waarom heeft u dan die burgers nodig?’, vroeg de Volkskrant (06-01) aan haar. Het antwoord van de wethouder luidde, dat het beleid alleen haalbaar is als er draagvlak is onder de inwoners.
Maar wat gaat het bestuur doen als de burgers tot andere oplossingen willen komen, was daarop de volgende vraag. Van Hooijdonk: ‘Als er iets heel anders uitkomt dan we verwachten, moeten we bekijken hoe we er politiek mee omgaan’.
Duidelijker kan het dilemma van de hedendaagse bestuurder, die de burgers wil laten participeren, niet weergegeven worden.
Paul Verhaeghe, een andere Belgische opiniemaker, bepleit ook nieuwe vormen voor het participeren van burgers (Trouw, 12-09). Als mooiste voorbeeld haalt hij een vorm van volksraadpleging over het energiebeleid in Texas aan het einde van de 19e eeuw aan. Er werd informatie gevraagd aan alle betrokken belangengroepen. Pas toen iedereen het eens was over alle informatie, werd deze voorgelegd aan een vertegenwoordiging uit de bevolking.
Het heeft blijkbaar gewerkt, maar als we in 125 jaar geen beter voorbeeld kunnen vinden van participatie, dan vrees ik het ergste voor de vernieuwing van de democratie.
Participeren moet je leren, las ik ooit ergens. Die leuze sloeg op de burger die moet leren verder te kijken dan zijn eigen neus lang is. Ik zou denken dat de slogan meer van toepassing is op degenen die moeten leren om hun macht te delen.

 

Naschrift: het ‘stadsgesprek energie’ in Utrecht is volgens de website van de gemeente succesvol verlopen:  http://www.utrecht.nl/utrechtse-energie/stadsgesprek-energie/
0

THE LAST TIME

Dagelijks, Reizen
Alpe Dèvero is een klein, autoloos dorpje hoog in de Italiaanse Alpen, niet ver van de Zwitserse grens.
Ik moest daar toch in de buurt zijn, dus ik greep de gelegenheid aan om enkele dagen door de bergen te wandelen. Ik vond onderdak in Casa Fontana, een geheel uit hout opgetrokken pension.
De gelagkamer, gevuld met lange eikenhouten tafels, stroomde elke avond weer vol met hongerige bergwandelaars of mensen die zich als zodanig voordeden.
Als einzelgänger had ik het kleinste tafeltje van het huis, weggestopt in een hoek naast een ouderwetse, glimmende vleesmachine. Er stond een houten kastje gevuld met gezelschapspelletjes en  boeken over Alpenflora en over wandelpioniers, die tachtig jaar geleden in een plusfours  voor de camera poseerden.
Hoewel ik wat onwennig alleen aan mijn tafeltje zat, verveelde ik mij niet tijdens de viergangenmaaltijden. Vanuit mijn hoekje had ik een uitstekend zicht over de gehele zaak.
Op de tweede dag van mijn verblijf zat er een echtpaar met twee meisjes van – naar schatting – vier en twee jaar oud. Hij was Fransman, zij Engelse. Ik kon de gesprekken, afwisselend in het engels en frans, niet negeren.
Vanaf het begin was duidelijk, dat de meisjes niet zo’n zin hadden in het eten en niet van plan waren om rustig op hun stoel te blijven zitten. Terwijl papa en mama al lang klaar waren met het voorgerecht, had het kroost nog geen hap genomen. De irritatie bij de ouders nam merkbaar toe, maar zij wilden zich van hun goede kant laten zien.
‘Do you want me to help you?’, vroeg de vader gedienstig.
De meisjes reageerden niet. Zij speelden vervaarlijk met hun lege wijnglazen en gebruikten hun mes om de servetten te bewerken.
‘Shall I cut your spaghetti, sweetheart?’, probeerde moeder nog eens poeslief.
Nog meer dan het gebrek aan eetlust was de lawaaiierigheid van de meisjes een bron van irritatie voor de ouders. Door elkaar heen pratend legden de ouders uit, dat je in een restaurant niet zo luidruchtig mag zijn. Ik voelde de spanning oplopen.
Om het draaglijk te houden nam vader om het kwartier zijn dochters even mee naar buiten. Papa ging daar gelijk staan telefoneren. Hij had blijkbaar nog andere zaken aan zijn hoofd.
Het eerste bommetje barstte bij het hoofdgerecht. Het oudste meisje brulde onbedaarlijk dat zij het eten niet lustte. Moeder greep in, vader nam het direct over en vervolgens trok moeder het gillende kind op schoot. Haar boodschap was voor het hele restaurant te horen: nu ga je rustig eten, anders ga je naar boven! This  is the last time!
Voor de gasten in het restaurant brak nu een periode van relatieve rust aan.
Bij het desert hadden de meisjes zich weer van tafel losgemaakt. Ze waren niet geïnteresseerd in ijs met chocola. Ze hadden een bank met kussens ontdekt, waar ze met veel gegil aan het spelen waren. The last time bleek dus een rekkelijk begrip.
Pas na het eten ontdekte ik dat het gezin de kamer naast mij had.
Om elf uur barstte de tweede bom. Vanuit het niets begon de vrouw tegen haar man te schreeuwen en te vloeken. De kannonade ging het hele Casa door. Ik schrok bijna net zo hard, als toen er eerder die dag op een bergweide een troep koeien op mij af kwam hollen.
‘It’s always the same!! You have done nothing!!! I have told you, this was the last time! THE LAST TIME!!!’
Ik hoorde geen tegengeluid van de man, maar blijkbaar maakte hij aanstalten daartoe.
‘Tais toi, tais toi!’, gilde de vrouw.
Manlief  hield zich wijselijk aan dit advies.
Ik zat met bonzend hart in mijn kamertje en verwachtte elk moment het geluid van brekend glas of vallend meubilair.
Het werd echter akelig stil. Ik hoorde slechts nog het ruisen van een bergbeek.
De volgende morgen zat ik als eerste aan het ontbijt. Ik had snode plannen. Ik wilde de Passo della Rossa bedwingen en via een stukje Zwitserland weer terugkeren.
Achter mij hoorde ik voetstappen de houten trap afkomen. Vader kwam binnen met zijn oudste dochter. Ze pakten wat taart en fruit van de ontbijttafel. Zonder te spreken gingen zij aan tafel zitten. Ik was nu niet meer de enige die zwijgend aan het ontbijt zat. 
Moeder en jongste dochter heb ik niet meer gezien.
1

MUZIEK MAAKT MENSEN BLIJ

Muziek, Reizen
In het noorden van de Italiaanse Alpen op een beboste helling boven het Val Antigorio ligt het gehucht Maglioggio. Vijfentwintig grijze huizen zijn het, veel meer kan het niet zijn. Voor een deel zijn ze onbewoond en vervallen. Bloembakken onder  de ramen geven aan of een huis bewoond is. Smalle paadjes van gras en keien kronkelen tussen de dichtopeenstaande huizen door. Boven in het dorpje staat het kerkje van San Antonio, gebouwd in 1642. De wit-roze verf van de gevel bladdert. In de felle zon schieten hagedissen schichtig over het pleisterwerk.

 

Binnen staan aan beide zijden van het middenpad zeven kerkbankjes voor 3 à 4 personen. Waar de zonnestralen binnendringen zie je de spinnenwebben onder de banken hangen. Links achterin hangt het dikke koord voor het luiden van de klok.
In het midden boven het altaar, omgeven door witte barokengeltjes, staat het beeld van de heilige Antonius. Hij heeft een staf in de ene en een gebedenboek in de andere hand. Met de kap van zijn bruine pij over zijn hoofd kijkt hij deemoedig door het getraliede raam naar buiten. Aan zijn voeten op het altaar staan zilverkleurige kandelaren om en om met plastic bloemen waarvan de kleuren verbleekt zijn.
Eeuwenlang hebben hier boeren en vakwerkers op de knieën, het hoofd gebogen en de ogen toegeknepen, vergeving gevraagd voor hun zonden en gebeden om genezing en geluk.
Op deze plek zongen negen Nederlandse zestigers vorige week liederen uit de Venetiaanse Barok, van Monteverdi tot Caldara en Vivaldi, muziek die even oud is als het kerkje. Het hele dorp was er voor uitgelopen, de bankjes zaten vol. Voor de openstaande buitendeur stonden nog enkele toehoorders.
Meer dan anderhalf uur zongen we, begeleid door Roberto op de piano, solo aria’s, duetten, terzetten en koorstukken. We hadden er een week lang hard op geoefend en barokke versieringen toegevoegd. Het Italiaans moest perfect zijn, het barokritme hoorbaar en de emotie voelbaar.
Alle zangers  zaten links en rechts van het altaar, samengedrukt in een hoekje op een veel te laag hard houten bankje. Daar wachtten we met kloppend hart onze beurt af. Tijdens het optreden ontstond de bekende vorm van bewustzijnsvernauwing. Er dringt weinig door, de tijd gaat snel en na afloop weet je eigenlijk niet meer wat je nu precies gedaan hebt.
De toehoorders luisterden aandachtig en beloonden elk optreden met een warm Italiaans applaus.
Na afloop dronken bewoners en zangers met elkaar een glas. De volle maan, die op deze avond dicht bij de aarde stond, rees in het oosten boven de donkere bergrand uit.
We waren gelukkig.
De volgende avond herhaalden we het programma in de kerk van Mozzio aan de overkant van het dal.
Don Davide, de priester die meer dan twintig kerken onder zijn hoede heeft, had zich een warm voorstander betoond. ‘Muziek maakt mensen blij en ik heb God beloofd, dat ik mensen blij zal maken’, zo had hij verkondigd. Don Davide heeft duizenden volgers op Facebook, dus zijn boodschap moet zich sneller over het dal hebben verspreid dan het gebeier van de vele kerkklokken op het hele en halve uur.
De San Giacomo in Mozzio is een stuk groter. We moesten derhalve nog beter artikuleren en onze gezongen boodschap naar de achterzijde van de kerk richten, zo ongeveer naar de plek waar je tegen betaling een kaarsje kunt opsteken en waar Mariabeeldjes staan die kunnen oplichten in het donker.
Het werd wederom een mooie, gevoelige avond. Na afloop werd gezegd, dat er mannen onder de toehoorders waren die hun tranen de vrije loop hadden gelaten. Don Davide, op de eerste rij, klapte het hardste en het langste van allemaal. Hij was het ook die, zijn belofte indachtig,  om een toegift vroeg.
Daarna overhandigde de gemeentesecretaris als blijk van waardering van de gemeenschap een immens grote mand met vleeswaren aan de Maestro di Musica. Een groot assortiment van worsten, ham en andere vleeswaren uit de streek, van rund, varken, hert  en ezel, fraai gerangschikt en verpakt in de rieten mand. Aan alles was gedacht. Slechts één detail was over het hoofd gezien. De maestro is al jaren vegetariër.

 

0

GELUKZALIG ZWEVEN

Herinnering, Reizen
Jaren geleden was ik verkenner. Als ik mijn uniform aantrok, dan voelde ik mij heel wat. Ik heb me echter nog nooit zó verkenner gevoeld als de afgelopen week. Ter voorbereiding op het jaarlijkse wandelweekend van mijn koor was ik afgereisd naar de Moezel om de wandelmogelijkheden te verkennen en de kapelletjes in kaart te brengen waar de partituren uit de rugzak opgediept kunnen worden.
Welnu, je kunt er wandelen dat het een lieve lust is. Keuzen te over. Wandelaars, die lijden aan keuzestress kunnen dit gebied beter mijden. En natuurlijk is alles er gründlich geregeld. Op elke hoek staan houten wegwijzers, nummers van wandelingen, gekleurde stippen en strepen. Rustbanken en picnicplaatsen met afvalbakken zijn er in overvloed. Er staan educatieve borden met uitleg over de historie, de natuur en cultuur. En natuurlijk zijn er de borden die de Anfahrpunkte für Rettungsfahrzeuge markeren. Alleen de defibrillatoren ontbreken. Verder moet je op fietspaden uitkijken voor de horden sportief uitziende, elektrisch voortgedreven snelfietsen.
De Moezelstreek is het land van de wijngaarden, de wijnproeverijen, de geur van bestrijdingsmiddelen, de opgeruimde straten, de gothische letters, de rondvaartboten met gekleurde lampjes op het dek en de Strammer Max. Het is het vakantieland van onze ouders.
In 1967 hadden mijn ouders een vakantiewoning gehuurd in een bungalowpark boven Kröv aan de Moezel. Mijn vader reed in een Dafje, dat hij omzichtig op de helling parkeerde. Hij legde blokjes achter de achterwielen. De blik waarmee hij deze voorzorgsmaatregel nam deed mij het ergste vrezen. Ik verwachtte elk moment, dat het autootje achteruit de helling af zou rijden.
We wandelden er tussen de wijngaarden, bezochten kastelen, waar ik-weet-niet-wat-voor-hertog mooie spullen verzameld had en gingen elke kerk en kapel binnen, die op ons pad kwam.
Op de brug in Traben-Traarbach aten we zo’n verrukkelijk Italiaans ijsje, dat ik me dit 48 jaar na dato nog herinner. Tot mijn geluk zag ik deze week, dat je op precies dezelfde plek nog altijd Italiaanse ijsjes kunt kopen. De tijd heeft hier stil gestaan.
Het hoogtepunt van de vakantie voor mij was echter niet van culturele of culinaire aard.
Dichtbij het bungalowpark lag een vliegveldje voor zweefvliegtuigen. We zagen de toestellen regelmatig boven het bungalowpark draaien als roofvogels op de thermiek. Voor 15 Mark mocht je een rondje meevliegen. Dat wilde ik natuurlijk wel. D.w.z. op kosten van mijn ouders. Vijftig cent voor de cakewalk op de kermis wilde ik nog wel uit eigen zak betalen, maar een uitgave van omgerekend 16 gulden 50 kon van mij niet verwacht worden, vond ik.
Mijn ouders op hun beurt vonden de kosten van een vlucht voor alle gezinsleden te hoog. Daarom werd besloten, dat mijn broer en ik de zweeftocht mochten maken.
Op een mooie zomeravond klom ik via een trapje op de enige zitplaats achter de vliegenier. De koepel werd gesloten. De spanning steeg, maar bang was ik niet. Ik vroeg me nog wel af of mijn vader de blokjes achter de wielen van het Dafje had gelegd. Het zou de vreugde wel enigszins bederven als ik ergens onder mij een verkreukeld, beige Dafje tussen de wijnranken zou zien hangen.
Het zweefvliegtuig zat met een kabel vast aan een lier, die aan het andere einde van de baan stond. De kabel werd razendsnel opgewonden en zo werden wij de lucht ingebracht. Daarna schrok ik van een enorme klap. Ik dacht dat er iets vreselijk mis was. De vliegenier stelde me gerust. Hij had de kabel losgekoppeld.
Op de baan beneden was de zon al ondergegaan. Eenmaal in de lucht  kwamen de  oranje stralen van de laagstaande zon weer tevoorschijn. Beneden mij zag ik het kronkelende grijze lint van de Moezel tussen het lichte groen van de wijngaarden en het donkere groen van de bossen. Het was adembenemend mooi. Het landschap straalde een eeuwigdurende, paradijselijke rust uit. Dit zweven grensde aan volmaakt geluk.
We scheerden nog over het bungalowpark. Mijn familieleden stonden met de hand boven het hoofd omhoog te turen. Mijn vader wapperde met een enorm wit laken, alsof hij een noodsignaal wilde afgeven. Als hij een zakdoek had gebruikt was het mij nog opgevallen. Ik zei maar niet tegen de piloot dat het mijn vader was.
Toen het vliegtuigje heftig hobbelend op de grasbaan was teruggekeerd, zei ik tegen de vliegenier: “Nun, es war sehr schön”. Daarmee versloeg ik in één keer alle kromme uitspraken die ik die week van mijn vader had gehoord (“Ja, das hatten wir schon gedacht, ja”).
1

KLASSIEK CAFÉ

In het nieuws, Muziek
Heb je dat ook wel eens?
Je bent naar een concert of een toneelstuk geweest, je schuifelt tussen de drommen mensen naar de uitgang, je staat buiten en kijkt elkaar eens aan: ‘Zullen we nog wat gaan drinken?’.
‘Ja, leuk, maar waar?’.
Utrecht heeft bijna 900 horecabedrijven en toch sta ik regelmatig te prakkizeren waar we de nazit kunnen houden. Ik ga naar een café voor een ontmoeting, een gesprek. Als ik alleen maar dorst zou hebben, kan ik net zo goed naar huis gaan. Dat gesprek wordt in veel gelegenheden zo goed als onmogelijk gemaakt. De muziek staat er zo hard, dat ik mijn partner aan de andere kant van de tafel nauwelijks kan verstaan. Dat heeft met mijn gehoor te maken, zeker, maar niet alleen. Ik zie ook jonge mensen, die elkaar iets in de oren moeten schreeuwen. Vanwaar toch dat lawaai, vraag ik me af. Wat moet hier bevorderd of voorkomen worden?
Verder stel ik het op prijs als ik op een comfortabele stoel kan zitten. Ik hoef niet onderuit te zakken in loungebanken, waar je moeizaam uit omhoog komt om je glas neer te zetten. Ik wil niet staan of hangen aan strak vormgegeven hoge tafels. Voor mij geen kleurige zitelementen, steigermaterialen,  robuust meubilair en andere uitwassen van industrieel en urban design. En ik ben al helemaal niet op zoek naar een totaalbeleving.
Voor Simon Carmiggelt moest een Amsterdamse kroeg ‘een diepe bedstee’ zijn, ‘in het veilig vaderhuis’ . Een mens brengt ongeveer een derde deel van zijn leven in bed door. Dus voor Carmiggelt was de vergelijking van het café met een warm bed wellicht passend.
Zelf denk ik toch meer aan een gezellige huiskamer, waar je in een warme sfeer aardige mensen ontmoet. Geen dronkenlui of herrieschoppers, maar het hoeft ook geen sobere veganistenclub te zijn, waar de eters met de vingers bijhouden hoe vaak ze op een hap kauwen.
In landen als Ierland en België zie je allerlei mensen in het café. Mannen en vrouwen, jonge mensen, kinderen en grootouders. Het café is daar de ontmoetingsplek van de buurt. Waarom zijn onze cafés dan vooral op jonge mannen afgestemd?
In Utrecht zijn er vergevorderde plannen voor een café, waar uitsluitend klassieke muziek gedraaid zal worden. Zie  www.muzieklokaal.nl.
‘Het Muzieklokaal wordt het eerste café in Nederland waar alles draait om klassieke muziek. In het café is altijd klassieke muziek op de achtergrond te horen en er zijn vaak liveconcerten. Het Muzieklokaal is een sfeervol, gezellig café met een perfecte sfeer om te werken, ontmoeten of borrelen’.
De initiatiefnemers, twee jonge vrouwen, hebben door middel van een succesvolle crowdfundingscampagne in drie maanden 120.000 euro opgehaald. Genoeg om nu op zoek te gaan naar een geschikt pandje in de Utrechtse binnenstad. 
Wat mij in het citaat als eerste opvalt, is dat er blijkbaar geen enkel café in Nederland is waar uitsluitend klassieke muziek gedraaid wordt. Maar bij nader inzien is dit misschien niet zo gek. Cafés en klassieke muziek, dat is geen voordehandliggende combinatie. Voor de diehard klassieke muziekfan is het misschien zelfs vloeken in de kerk. Ik ken mensen, die vinden dat je klassiek alleen goed kunt beluisteren als je er niets bij doet. Zelfs een overhemd strijken leidt teveel af.
Gelet op het succes van de crowdfunding zijn er velen die het  Muzieklokaal een warm hart toe dragen.  Ik ben blij dat er zo’n café komt. Ik vind dat elk middel aangewend mag worden om de klassieke muziek te promoten. Daarom heb ik ook niets tegen Classic FM of André Rieu.
Maar wat mij betreft hoeft het Muzieklokaal zich niet uitsluitend te beperken tot klassieke muziek. Die hoor ik vaak genoeg. Dus als ik ’s avonds uitga, wil ik ook wel eens Bob Dylan horen, Chuck Berry of, vooruit, Herman van Veen. 
Enfin, als ik er maar prettig kan zitten en rustig kan praten.  
0

MADAMEPERENLAAN

Dagelijks
De gemeente Utrecht nodigt haar inwoners nog wel eens uit om mee te praten. Bijvoorbeeld over milieudoelstellingen of over de leefbaarheid van de buurt. Ik kan hier niets op tegen hebben. Maar zelf heb ik niet gauw de neiging om mij voor zo’n overlegfestijn op te geven. Mocht er echter eens een verzoek komen om lid te worden van de straatnamencommissie, dan wil ik dat zeker in overweging nemen. Straatnamen bedenken, dat lijkt me wel wat.
Tot 1955 bedacht de archivaris van het Utrechts Archief de straatnamen en de onderschriften. Een archivaris stond toen nog in aanzien. Hij was uiteraard een belezen man, die alles wist van historische figuren en plaatsen. In 1967 werd de commissie Straatnaamgeving ingesteld. De commissie bestaat nu uit een vertegenwoordiger van het Utrechts Archief, een afgevaardigde van Post NL (deskundig in verbastering van briefopschriften), een drietal integere ambtenaren en een onafhankelijk voorzitter.
Men beoordeelt namen op grond van een aantal criteria. De naam moet passen in de omgeving van de wijk, aanvaardbaar zijn voor de bewoners en niet voortkomen uit de waan van de dag. De naam mag niet langer zijn dan 39 tekens. Geen 30 of 40, maar precies 39. Kennelijk heeft men Utrecht’s langste straatnaam, Burgemeester van der Voort van Zijplaan, als grens gekozen.
In 2013 was de werkwijze van de commissie Straatnaamgeving onderwerp van overleg met leden van de gemeenteraad. De wijkraad Leidsche Rijn maakte toen gebruik van het recht om in te spreken. Vaak ligt daar een ongenoegen aan ten grondslag. Voor het plan Hoge Weide was besloten om de straatnamen naar kruiden en specerijen te noemen. Daar had de inspreker niets op tegen. Zijn bezwaren richtten zich op de keuze van de namen Karamelweg, Sambalweg en Ketjapweg. ‘Je zal maar een kind van Chinese afkomst zijn en aan de Sambalweg wonen’. Daarnaast betoogde hij dat ketjap een sojaproduct is en karamel een suikerproduct en dat deze namen derhalve niet passen tussen de kruiden en specerijen.
Tja.
Het belangrijkste bezwaar van de wijkraad betrof echter de naamgeving van de parken. Het Groot Archeologiepark was door het stadsbestuur omgedoopt in Amaliapark. Het prachtige Leidsche Rijnpark kreeg ‘na een geheim initiatief van de Vrienden van het Park op een regenachtige maandagmorgen’ opeens de naam Maximapark en de groenstrook over de A2-tunnel waarvoor de wijkraad de Leidsche Rijn Boulevard had bedacht werd ‘na een Idols-verkiezing waaraan de héle stad mee mocht doen’ opeens tot Willem-Alexanderpark gebombardeerd.
Het moge duidelijk zijn. De wijkraad voelde zich niet serieus genomen.
Van alle criteria die de straatnamencommissie hanteert lijkt de aanvaardbaarheid mij het lastigste. Er moeten namen uitgekozen worden, waar iedere bewoner zich in kan vinden. Daarom kom je overal in Nederland straten tegen die genoemd zijn naar historische figuren, plantjes, landsdelen, dieren, componisten, landgoederen, rivieren, enz. Namen waar niemand zich aan kan storen maar waar je ook niet warm of koud van wordt. Want zeg nou zelf, de Tongzoenstraat, de Jonge jeneverweg of het Kolerepad zijn wel opzienbarend, maar wie zou daar willen wonen?
In Leidsche Rijn is er een jazzwijk met onder andere de John Coltranestraat en een musicalwijk met de Burt Bacharachstraat. Bij de keuze van deze laatste naam was de deskundige van Post-NL kennelijk afwezig.
Er is een buurt met peren en een met waterplanten. De zwammen zijn vernoemd en de vlinders. In de meteorologische wijk (‘Het Weer’) bestaan Wolkendek, IJsheilige en Avondrood als straatnaam. Regenbui en Depressie ontbreken.
Het lijkt me moeilijk om buiten de gebaande paden te treden. Welke thema’s zijn origineel en niet te buitenissig? Keukengerei (Kookwekkerlaan)? Computertermen (Browserhof)? Gezelschapsspelletjes (Monopolybaan)?
Er valt overal wat op of aan te merken. Een straatnamencommissie doet het nooit goed.
Bij nader inzien geloof ik toch dat ik voor de eer ga bedanken, mocht men mij vragen. 
Ik heb nog wel een advies. Schaf de inspraak af en schaf de commissie ook maar af. Laat de archivaris maar weer op het uiteinde van zijn balpen bijten.