Schrijven, Lezen, Leven.
1

JANNIE

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (13)

Ze staat te wachten op het stationsplein in Arnhem. Ze is klein en heeft blond haar. We kussen zonder elkaar aan te kijken. Het voelt vreemd naast haar in de bus naar Malburgen Oost. We lijken onbekenden van elkaar. Jannie is stil. Ik kijk uit het raam en vraag me af hoe ik het ijs kan breken. We stappen uit bij de flat, waar ze samen met haar zus woont.
‘Die is nu een weekendje met haar vriend weg’, zegt ze vlak.

Twee weken daarvoor was ik in het aksiesentrum De Kargadoor in Utrecht. Er was een congres van basisgroepen over de organisatie van de klassenstrijd. Leden van uiterst linkse splinters uit het hele land discussieerden een weekendlang over de eenheid in de strijd. Gesjeesde studenten in werkmanskloffies betwistten elkaar de juiste interpretatie van de geschriften van Marx, Lenin en Mao. Tussen de langharige, shagjes draaiende kamergeleerden liep een aantal werkende jongeren uit Arnhem. In de discussiegroep over het revisionisme binnen de arbeidersbeweging zat een van hen, een klein blond meisje, tegenover mij. Zij zei niets. Ik zei ook niets. Ik pijnigde mijn hersens over een zinvolle bijdrage aan de discussie.
Die avond was er voor de congresgangers een spetterend feest. De Nijmeegse aktieband Kladderadatsch speelde onaangepaste muziek met teksten over werkloosheid, woningnood en kernenergie. Opeens zag ik, een paar meter bij mij vandaan, het kleine, blonde meisje staan. Zij stond alleen, ik stond alleen. We keken elkaar aan en pats! Daar was de hunkering, de gedeelde hartstocht, het samenzijn dat geen woorden nodig heeft. Twee magneten die elkaar niet kunnen ontlopen. We verlieten al snel de herrie en gingen naar mijn kamer.
‘Wat een boeken heb jij’, zei Jannie vol bewondering.

Nu zitten we naast elkaar op haar bed. Aan de wand van haar meisjeskamer hangt een poster van Rod Stewart. Op een kastje staan een paar knuffels. Muziek van Queen voorkomt de stilte. Ik voel me nog niet op mijn gemak. Jannie kijkt me af en toe even snel aan, haar blik heeft iets kinderlijk ondeugends. Het avondrood valt de kamer binnen. Ik heb trek. Ik zit te wachten op het moment dat Jannie naar de keuken gaat om te koken. Zal ik haar aanbieden om te helpen?
‘Zullen we er maar in gaan liggen?’, vraagt Jannie onverwachts. Nu al?, schiet er door mij heen. Ik heb meer zin in eten, maar dat zeg ik niet. Jannie houdt van doorwerken. We trekken onze kleren uit en kruipen onder de deken. In een mum van tijd is het voorbij.
‘Ben je klaar?’, vraagt Jannie, op een toon alsof ik de boontjes aan het haren ben. Zonder het antwoord af te wachten stapt ze uit bed, vist haar slipje bij het voeteneind vandaan en veegt daarmee wat vlekken weg. Onderweg naar de douche gooit ze het slipje direct in de wasmachine.

De volgende ochtend maakt Jannie zonder te praten een ontbijt. Wel vraagt ze tweemaal of ik genoeg heb. Of ik nog ontbijtkoek wil. Of de thee smaakt.
Het is nog vroeg op de zondagmorgen als we over de dijk langs de Rijn wandelen.  In de verte klinkt het gebeier van kerkklokken.
‘Ik vond dat congres vreselijk’, zegt Jannie, ‘al dat moeilijke gepraat, al die gestudeerde types’.
‘Ik ben toch ook zo’n gestudeerd type’.
‘Nee, maar jij was… jij bent, ja…’. Jannie draait zich naar me toe: ‘..ja, ..anders’.
We omarmen elkaar. Midden op de Rijndijk is de intimiteit voor even terug. Maar tegelijkertijd dringt bij mij het besef door, dat – als de trein mij straks weer naar Utrecht heeft gebracht – ik nooit meer terug zal keren.

 

0

HET SMACHTEND WACHTEN

Dagelijks

 

Ach we hadden er zo naar uitgekeken. Zoals zo vaak gebeurd is de afgelopen jaren. Het was een ongekende vlaag van collectieve hartstocht. Een dwangmatig verlangen, dat massa’s mensen onrustig maakte. Dat de arbeidsproductiviteit substantieel deed dalen.
De Sehnsucht werd nog eens aangewakkerd door alle sociale en a-sociale media. Statistieken over ijsgroei en ijsdiktes. Mogelijke schaatslocaties. Aanbevelingen voor een veilige tocht.
Trouw zou Trouw niet zijn als het niet twee filosofen van stal had gehaald om hun licht over dit deel van de oer-Hollandse identiteit te laten schijnen. ‘In het niet-maakbare van het schaatsen op natuurijs zit iets transcendents’, zo lazen we. Het is het Carnaval van het Noorden, op de ijsbaan is iedereen gelijk. Gelet op het afzien in de kou en het meters maken, werd het schaatsen als een protestante bezigheid betiteld.
Ik overwoog een ingezonden brief.

We hadden er eigenlijk al niet meer op gerekend, maart kwam er al aan. De zon scheen weer fel. Maar toen kwam de Siberische beer om de hoek kijken. Die zou de zon een poepie laten ruiken. Hij is al even invloedrijk als zijn baasje Vladimir P.
Elke dag van de afgelopen week stond ik klaar om te gaan. Ik volgde de berichten van uur tot uur. Het werd dinsdag. In de provincie Utrecht staan het Leersumse Veld en de Molenpolder al jarenlang bovenaan de lijst van locaties waar al vroeg geschaatst kan worden. Nu las ik berichten over hoeveel mensen er per uur door het ijs heen gingen. En van baantjes van 40 x 75 meter ontdooi ik niet.
Jos Werkhoven, van het weerstation De Arend in Kortenhoef, steun en toeverlaat voor iedereen tussen Amsterdam en Utrecht die het ijs mint, had vorige week nog een juichend bericht de wereld ingestuurd: het is niet de vraag, òf we kunnen gaan schaatsen, maar op welke dàg. Op woensdag laat Jos in de Volkskrant weten, dat hij het niet meer ziet zitten. Dit soort bijzondere omstandigheden heeft hij nog nooit van zijn leven meegemaakt, zegt hij mismoedig.
Het werd donderdag. Wie het erop wilde wagen, moest niet alleen een nat pak riskeren, maar ook de straffe oostenwind weerstaan. Trotseren was hèt woord in de media. Zou het toch de katholiek zijn, die binnen bleef?

Eergisteren is het er toch nog van gekomen. Ik had mij flink ingepakt. Beschermende kleding in diverse lagen. Hoezen voor mijn schaatsen. Het vetleren buideltje ter bescherming van de edele delen, de ph, mannelijk pendant van de bh, had ik toch maar thuis gelaten. Het was tenslotte geen Elfstedentocht.
Mijn schaatsen had ik verwarmd boven de kachel, zoals we dat vroeger deden. Een beter bewijs van de stelling dat je gedrag bepaald wordt door de ervaringen in je jeugd is er niet. Daarom ook ontbraken de priem, het fluitje en het lange touw in de uitrusting. Mijn telefoon had ik nog wel in een plastic zakje geborgen.
Met mijn broer schaatste ik door de Molenpolder. Aanvankelijk nog wat wankelend tornden we tegen de wind op, soms bijna vallend door de scheuren of het vuil op het ijs. Bij onze aankomst hadden we als waarschuwing een ambulance zien staan. De traumahelikopter bleef achter de hand.
Zelf gevorderd van leeftijd memoreerden wij onze opa, die tot op hoge leeftijd de schaatsen onderbond, en diens broer, ome Kees. Op zijn 73ste schaatste deze over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag twee maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Uit dit “oord der ellende” stuurde hij vrolijke brieven naar de familie. Niet alleen het schaatsen, ook het schrijven zit in onze genen.
We hebben het overleefd. We kunnen het vertellen aan onze kleinkinderen, nee niet later, maar nù. Opa was erbij die barre dag in maart. Hij scheerde langs een wak en schaatste op zijn klappers iedereen voorbij.

1

ORLINSKI

Muziek

Jakub Józef Orlinski

Op deze plaats heb ik al vaker geschreven over de verschillen tussen alten en countertenoren. En daarbij niet onder stoelen of banken gestoken dat countertenoren een prachtige beheersing hebben van de stem, maar dat er toch niets gaat boven een mooie alt (om te horen, zal ik er hier maar aan toevoegen, want het ijs is snel glad als mannen iets over vrouwen zeggen).
Een altstem vind ik mooier, omdat deze een donkerder timbre heeft en meer warmte. De stem van een alt klinkt natuurlijker en minder gekunsteld.
Echter, ik moet mijn standpunt een beetje nuanceren. Ik heb een contratenor ontdekt met een mooie, warme stem: Jakub Józef Orlinski, een jonge Poolse countertenor, geboren in 1990. Hij studeert momenteel aan de Juilliard School, een conservatorium in New York en verovert in hoog tempo de podia in Europa en de Verenigde Staten.
Ik hoorde Orlinski anderhalf jaar geleden in Utrecht, waar hij één aria mocht zingen tijdens een concert van het ensemble L’Arpeggiata. Pas onlangs heb ik hem via YouTube verder leren kennen.
In onderstaande opname, duur 5:40, zingt Orlinski Vedro con mio diletto, een liefdesaria uit de opera Giustino van Vivaldi. Wie niet afgeleid wil worden door de bijzondere zomerse omstandigheden van deze uitvoering, kan beter zijn ogen even dichtdoen.


Hier hoor ik niet alleen een prachtig, warm geluid, maar ook een mooie expressie en een uitstekende beheersing van de stem. Vergelijk deze stem bijvoorbeeld eens met die van de bekende en aanbeden Philippe Jaroussky. Op YouTube is ook van hem ook een opname van Vedro con mio diletto te beluisteren.
Het moet gezegd, de muziek van Vivaldi helpt mee bij mijn waardering. Het is een heerlijk dramatisch lied, dat, onlangs wandelend over de dorre heideheuvels van de Posbank, niet uit mijn hoofd te bannen was.
Dat Orlinski ook de snelle loopjes beheerst, mag blijken uit de opname, duur 2:30, van Fara la mia spada, ook een aria van Vivaldi. Let op de ogen van Jakub. Hij wordt begeleid door een leuk stel jonge musici.

Wat moet die jongen nog leren op het conservatorium, zou je bijna denken, als je hem hoort zingen. Maar wij toeschouwers zien alleen het eindresultaat en niet al het geoefen en geploeter, dat een professionele zanger dagelijks doet en zijn hele leven lang blijft doen om op hoog niveau te kunnen zingen.
Niet alleen Vivaldi’s muziek helpt mee, ook de verschijning van Jakub Józef. (Ik besef, nu ik dit schrijf, dat ik het ijs minder glad vind, als het over het uiterlijk van mannen gaat). Orlinski is een mooie jongen. Dat vinden ook bekende merken als Levi’s, Nike en Samsung, die hem voor reclamecampagnes hebben ingeschakeld. Zelfs zijn naam is mooi, om met Henk Westbroek te spreken.
Nog een bijzonderheid, is dat Orlinski een uitstekende breakdancer is. Ook in die tak van sport heeft hij diverse prijzen binnengesleept. Na het concert van L’Arpeggiata, het ensemble, dat een naam hoog te houden heeft in verrassende toegiften, mocht Jakub anderhalf jaar geleden in TivoliVredenburg een stukje breakdance laten zien.
Orlinski dus. Onthoud die naam.

0

ACTIE-ONDERZOEK

Herinnering

Serie Studeren in de jaren ’70 (12)

Een samenvatting van de eerste elf stukken in deze serie:
Geïnteresseerd in de mentale kant van topsport begon ik in september 1970 met de studie psychologie. Direct in het eerste jaar raakte ik in de ban van het onrecht in de wereld: de armoede in ontwikkelingslanden, de uitbuiting van arbeiders. Ik dook in de marxistische literatuur en werd actief in de studentenoppositie. Ondertussen studeerde ik op mijn kamertje in de studentenflat braaf voor de tentamens fysiologie en persoonlijkheidsleer. Mijn kandidaatsexamen behaalde ik met lof, maar de verandering van de maatschappij vond ik veel belangrijker dan mijn studie. Na een jaar werken in de bouw vond ik nieuwe inspiratie bij de Vakgroep Vorming en Aktivering: wetenschap in dienst van de klassenstrijd.

Daalderop, foto: Michel van Berkum

Ik participeer in een onderzoek naar het bedrijvenwerk van de katholieke vakbond NKV bij metaalfabriek Daalderop in Tiel, bekend van de boilers. Het oorspronkelijke familiebedrijf was enkele jaren daarvoor overgenomen door Internatio-Müller, een multinational. Er is sprake van reorganisaties en inkrimping. De werksfeer is matig, de directie doet een proef met de invoering van werkoverleg. Het NKV, op zijn beurt, kampt bij Daalderop met een gebrek aan animo onder de leden.
Onze projectgroep, bestaande uit 7 studenten en een wetenschappelijk medewerker, krijgt opdracht van de bond om een onderzoek uit te voeren naar verbeteringen in het bondswerk en de standpunten over het werkoverleg.
Wij hebben onze doelstellingen uitgebreid beschreven en degelijke Duitstalige literatuur doorgenomen over Das Bewusstsein der Arbeiter en Arbeiterräte in der Novemberrevolution. Ons doel is de politisering en activering van de metaalarbeiders. Daartoe hebben we een informatieve brochure samengesteld (zie de cartoon, hieronder).
Zo zit ik op een avond met een lange vragenlijst aan tafel bij een van de oudere bondsleden, een kalende man die ik in het bedrijf in een grijze stofjas zag en die mij nu in geruit colbert met stropdas ontvangt. Mijn notablok ligt naast het biedermeier koffiekopje op het hoogpolige tafelkleed. De Friese staartklok tikt de minuten weg, de kanariepiet naast de Dru-gashaard laat af en toe van zich horen.
Mijn gesprekspartner geeft korte antwoorden, mijn bloknoot blijft akelig leeg. Al na een half uur zijn we al door alle vragen heen. Van dit bondslid hoef ik geen revolutie te verwachten. Of ben ik tekort geschoten in mijn activerende taak?

Wij moeten onze hooggespannen verwachtingen bijstellen. Er zijn maar weinig werknemers die willen meewerken aan het onderzoek. Meer dan de helft van de geïnterviewden is niet op de hoogte van het bestaan van het werkoverleg. De leden van het NKV weten niet wie hun kaderleden zijn.
Er is in de verste verte geen teken van radicalisering of verzet te bespeuren. Desondanks blijf ik vasthouden aan de idealen van de revolutie. Zo ben ik opgegroeid. De hemel uit mijn katholieke jeugd is weliswaar vervangen door de socialistische heilstaat, maar voor het overige zijn er opvallende parallellen tussen het katholicisme en het socialisme: het opkomen voor de minder bedeelden, de opoffering, het zieltjes winnen, de oppervlakkige zekerheden van het ware geloof.
Ik blijf geloven. Nog even.

Wil je de voorgaande stukken in deze serie lezen, klik dan in de rechterkolom onder Thema’s op Studeren jaren ’70.

3

DE NIEUWBOUW

Herinnering

 

Het huis midden op de foto is mijn ouderlijk huis. Het lag tussen de weilanden en boomgaarden, als laatste huis aan de onverharde Hamweg in Vleuten. De foto is genomen in de vijftiger jaren.
Mijn opa Ekelschot heeft het huis in 1919 laten bouwen door zijn oudste zoon Dirk. Opa had een klein boerenbedrijfje. Links van het huis zie je nog de kippenschuur. In mijn jeugd was deze gepromoveerd tot kolenhok. Achter het huis lag de grote schuur waar mijn opa enkele koeien en varkens hield. Mijn ouders namen in 1950 het huis voor 11.000 gulden over.
Naast ons woonde in mijn jonge jaren de familie van der Horst, een gezin met veel kinderen en, zo te zien, een hoop witte was. Achter dit huis zie je een stuk van de Molenvliet, die uitkwam op de Vleutense Wetering.
In deze wereld van bessenbomen, brandnetels en pispotjes, zonder enig verkeer en zonder lawaai, ben ik opgegroeid. We speelden verstoppertje, sprongen over slootjes met kroos, plakten het kleefkruid op elkaars kleren en haren en maakten boomhutten in de knotwilgen langs de Hamweg. Vandaar keken we uit over de weilanden en de spoorlijn Utrecht – Woerden. Als er goederentreinen langskwamen telden we het aantal wagons. Dat waren er soms wel zeventig.

Begin zestiger jaren vonden burgemeester en wethouders, dat het dorp Vleuten in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden. Monumentale boerderijen en andere oude huizen in de kern van het dorp werden gesloopt. Weilanden moesten bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van nieuwe woonwijken. Bezwaar maken was er in die tijd niet bij.
Als eerste verdwenen bij ons huis de Molenvliet en het land  aan de rechterkant van dit water (uiterst rechts op de foto). Hier werd de Hamwijk gebouwd (foto hieronder, ik zit voor op de fiets, het huis van onze buren is inmiddels wit geschilderd).
Een paar jaar later werden de knotwilgen langs de Hamweg gerooid en verschenen er draglines in de weilanden voor ons huis. Op gepaste afstand stonden wij te kijken hoe zo’n gevaarte met zijn ijzeren bak aan rammelende kettingen enorme hoeveelheden grond verplaatste. Slootjes werden dichtgegooid en grondwater werd weggepompt. Er hing tijdenlang een geur van natte klei. Over deze aarden vlakte werd een ruitwerk van geasfalteerde wegen aangelegd. Dat waren voor ons uitstekende rolschaatsbanen. Mijn broer heeft er in het Dafje van mijn vader leren autorijden.
Toen er huizen werden gebouwd speelden we op de steigers.
In een bouwkeet zagen mijn vriendje en ik foto’s van halfnaakte vrouwen hangen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. ’s Avonds probeerden we met een stok via een openstaand luikje een van de dames aan de haak te slaan. Juist toen dat leek te gaan lukken werden we gestoord door de bewaker, een gepensioneerde metselaar die op zijn Mobylette door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen. ‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’ Mijn vriendje vroeg nog of we wel op het opgedroogde werk mochten spelen.

Vleuten dijde steeds verder uit. Als slotstuk werd eind zestiger jaren de boomgaard links op de bovenste foto omgetoverd in een villawijkje. We woonden niet meer aan een doodlopende weg. Verdwenen waren de weilanden en boomgaarden. Ons huis was het laatste huis niet meer. In minder dan tien jaar tijd waren we ingebouwd. Vleuten was meegegaan met zijn tijd.
Het zou toen niet lang meer duren of ik zou het ouderlijk huis verlaten om voor mijn studie in het dichtbevolkte Utrecht te gaan wonen. Daar woon ik nu nog. Ik verlang er regelmatig naar een rustige, groene omgeving waar ik kan uitkijken over de velden en waar ik de kikkers kan horen kwaken.

3

EEN DAG IN DE TREIN

Reizen

In zestien uur lieten we ons in een geleidelijke overgang meevoeren van de alpiene sneeuw naar de Hollandse winter van regen en wind, van de grillige bergen naar de geordende vlakten, van de barokke kerken naar de kantoortorens, van het bijzondere naar het alledaagse.
Onze plaatsen waren gereserveerd, dus wachtten we op ons gemak tot we in de verte de twee gele lichten in een donker silhouet naderbij zagen komen. Terwijl de trein schokkend weer in beweging kwam, installeerden we ons in een aangename warmte op de toegewezen plekken.
We lazen een boek en maakten een puzzeltje en een praatje. We keken mijmerend uit het raam naar kleine dorpen onderaan een helling met de kerktoren en het kasteel als eeuwenoude bakens. Waar mensen hun leven met elkaar doorbrengen, in het jaarlijkse ritme van kerkelijke vieringen, optochten en zomerfeesten. We zagen op de Autobahn de voortracende Volkswagens, die door de hogesnelheidstrein tot pruttelende Piaggio-wagentjes gedegradeerd werden.
We keken naar de huizen langs het spoor, waar zich achter de ramen een onbekend leven afspeelde. Waar misschien gekookt werd, gestudeerd, geruzied of gevreeën. En waar men op zijn beurt niet geïnteresseerd was in het onbekende leven achter de ramen van de zoveelste passerende trein.
En op de momenten dat de trein tot stilstand gekomen was, keken we naar de reizigers die in optocht met hun rolkoffers op weg waren naar de uitgang, naar de rokers die samengepakt in een geel afgebakende rechthoek snel aan hun peuken trokken, naar de blije omhelzing van de reiziger die opgewacht werd en het melancholieke wuiven van de achterblijvers die een vriend of geliefde uitzwaaiden. Er was genoeg te bekijken.
De uren verstreken geruisloos. Het anonieme landschap werd grijs en we zagen we onszelf steeds beter weerspiegeld in de ruit. We aten een broodje en strekten de benen onder de ritmische cadans van de wagon en het moderne jargon van de servicegerichtheid: goedemiddag dames en heren (in Nederland: reizigers), wij heten u hartelijk welkom aan boord van onze trein, heeft u een vraag of een wens, dan sta ik met mijn team voor u klaar. Vervoerder Abellio, die de Rhein-IJssel-Express tussen Düsseldorf en Arnhem exploiteert bedankte ons voor de keuze voor Abellio (waarvan wij nog nooit gehoord hadden) en eindigde met: ‘Abellio sagt tschüss’, wat in het Nederlands vertaald werd in: ‘Abellio neemt hier afscheid van u’, alsof wij niet meer mochten meedoen.

Zoals wij kozen voor sneeuwwandelen in plaats van skiën, zo kozen we voor de trein in plaats van het vliegtuig. Heerlijk ontspannen met veel ruimte en heel milieuvriendelijk. Maar twee tot drie keer zo duur als het vliegtuig. Met dank aan de marktwerking en de onbelaste kerosine. En hoe goedkoper het vliegen wordt en hoe meer mensen het luchtverkeer verkiezen, hoe meer treinen geschrapt worden en hoe beperkter de mogelijkheden op het spoor. Voor onze heenreis wilden we aanvankelijk een nachttrein. Dan hadden we om 03.00 uur een overstap met wachttijd in Keulen gehad en om 6.30 uur een overstap met wachttijd in München.
Nu stapten we op de terugweg om 6:56 in de trein in Mezzana, Noord-Italië, en kwamen om 23:07 in Utrecht aan. De vijf verschillende treinen reden alle nagenoeg op tijd. Maar zou er ’s morgens een trein een vertraging van een half uurtje opgelopen hebben, dan hadden we Utrecht die avond niet meer kunnen bereiken.
De trein is heerlijk, de trein is schoon. Maar om dat zo te houden moet het spoor in Europees verband beter gefaciliteerd worden en zal het vliegverkeer meer belast moeten worden.

0

IN DE SNEEUW

Reizen

We worden weggebracht in een oude Fiat Panda, een Four Wheel Drive. Dat laatste zie ik pas, als we zijn uitgestapt. Had ik dat eerder geweten, dan had ik niet zo met samengeknepen billen op de achterbank gezeten, toen het Fiatje zich ronkend omhoog werkte over de smalle bosweg. Door sneeuwval was de weg spekglad en we reden langs diepe ravijnen. De auto slipte echter nergens. De bestuurder had een turquoise rozenkrans over zijn binnenspiegel hangen. Dat is onze redding geweest.
We zijn in de Dolomieten voor wandeltochten met sneeuwschoenen. Voor al diegenen die nog altijd denken, dat sneeuwschoenen een soort tennisrackets zijn waarop je als een Donald Duck door de sneeuw waggelt, hiernaast een foto van het looptuig, dat je onder je wandelschoenen bindt. Met sneeuwschoenen loop je door de maagdelijke sneeuw, hoeveel er ook gevallen is. De sneeuwschoen zorgt ervoor, dat je niet diep wegzakt in de sneeuw.
Nog wat onwennig ploeteren we de eerste dag achter de gids door het bos. Het is er doodstil. We horen alleen het geluid van onze afdrukken in de sneeuw. Ook in dit winterlandschap ruik je de naaldbomen. Soms valt er een hoopje sneeuw van een dennentak omlaag. Op het besneeuwde pad zien we de sporen van een dier. Even later wijst de gids ons op een gems. Verderop struint een hert, zo’n 100 meter boven ons. Daarna zien we er nog een paar herten. De beesten lopen moeizaam wankelend met hun lange poten door de Tiefschnee. Ze zakken er verder in dan wij.
Traag trekken we over de hellingen. Sneeuwwandelen past niet bij deze tijd. Het past niet bij het jachtig heen en weer vliegen, niet bij het hogere tempo waarin alles moet worden afgewerkt, niet bij het meerdere dingen tegelijkertijd doen. Sneeuwwandelen is slow walking. De meditatieve tak van het winterse voortbewegen. Het is lopen zoals men eeuwen geleden deed (toen er overigens nog geen sneeuwschoenen waren).
Und auf den weissen Matten
Such Ich des Wildes Tritt
(uit: die Winterreise, Wilhelm Müller, op muziek gezet door Franz Schubert).

Terug naar het oorspronkelijke wandelen, het lijkt ideaal.
Er is echter één maar, een maar die meer gaat tellen naarmate de jaren stijgen.
Wandelen met sneeuwschoenen is een inspannende bezigheid, om niet te zeggen dat het ongelooflijk zwaar is. Alsof je door mul zand een berg beklimt. Door de sneeuw ga je ongeveer de helft langzamer naar boven dan in de zomer. En heb je een beetje kleffe sneeuw dan blijven er klonten aan je schoenen hangen. Die til je mee omhoog.
Hijgend en zwetend loop ik achter de gids aan, in een verre van meditatieve toestand. Vind ik dat nog wel leuk? We zien nog wat jongelieden in snelle pakken tegen de berg oplopen. Maar ik ben 65. Is het dan niet eens tijd om sommige bezigheden te laten? Of onderschat ik waartoe zestigjarigen in staat zijn?

Op de derde dag gaan we voor de afwisseling een dagje skiën. De zon schijnt overvloedig, de pisten liggen er geweldig bij en het is relatief rustig. Hoewel we de laatste tien jaar nauwelijks geskied hebben, gaat het ons goed af. Bochtje naar links, bochtje naar rechts, op ons gemak dalen we de hellingen af. Kopje koffie, volgend liftje. Wat een heerlijke bezigheid. De vreugde van het skiën is de vreugde van het kind, dat op een sleetje van een hellinkje glijdt. Ik denk even niet aan mijn knieproblemen of spierblessures. Of aan de gebroken heup waarmee ik negen jaar geleden op de skipiste lag. Het voelt alsof ik nog jaren door kan skiën. Of overschat ik nu wat ouderen aankunnen?

Op de vierde en de vijfde dag maken we schitterende wandelingen, op sneeuwschoenen.

2

EEN JANUARISTORM

Dagelijks

Foto: Rob Oostenbroek, Duic

Aeolus, de god van de winden, had Zephyrus erop uitgestuurd. De westenwind had er zin, hij was in vorm. Hij waaide zoals ie nog maar zelden gewaaid had. Vrachtwagens vielen bij tientallen om, daken werden van huizen gerukt, toiletcabines omver geblazen. ‘Van de pot gerukt’ kreeg op donderdag 18 januari 2018 een bijzondere betekenis.
De storm maakte in ons huis hoge fluitende geluiden, zodra er een deur of een raam openging. Het loeien van de wind door de kale platanen in onze straat was zeker zo onheilspellend. Afvallende takken tikten tegen de ramen en op geparkeerde auto’s. Ik vroeg me af of ik niet beter onze auto zou kunnen verplaatsen, maar waarheen?
De bomen in de straat zijn geplant in 1946. Tot twee jaar daarvoor hadden er ook fraaie exemplaren gestaan. Die waren in de hongerwinter voor de bijl gegaan. De huidige platanen zijn uitgegroeid tot reuzen die ver boven de daken van de hoge herenhuizen uitsteken.
Ik tornde tegen de zware windvlagen in voor een boodschap en liet me op de terugweg meenemen door de vlagen. Ik kreeg zin om erbij te joelen. Afgewaaide takken kraakten onder mijn wielen.

Even later zette de eerste boom aan het begin van onze straat, de plataan die nog de meeste wind vangt, zich schrap. Hij had al vele stormen doorstaan in die zeventig jaar. Hij voelde het rukken aan zijn wortels. Hij kreunde en toen hield ie het niet meer. De boomreus viel met zijn wijdverbreide netwerk van takken rakelings langs huis Blijenburg, het hoekpand uit 1882, schuin op de Biltstraat. In zijn val nam hij het negentiende eeuwse hek, dat langs het Maliebaanspoor staat, een paar meter mee de lucht in. Het degelijke gietijzeren smeedwerk stond verdraaid, maar nog intact bovenop de voet van de stam.
Daar lag ie dan, de plataan, nog onwrikbaarder dan een betonnen wegafscheiding, dwars over het begin van de Buys Ballotstraat. De hulpdiensten maakten de Biltstraat weer vrij van takken. Het wachten was op de ontmanteling door een gespecialiseerde firma. Eén dikke tak stak nog als een monument boven de verzameling hout uit. Toen ik de dunne wortels zag, die uit de stam kwamen, vroeg ik me af hoe deze boom het zo lang heeft kunnen uithouden. Ik moet er niet aan denken dat de plataan voor ons huis net zulke iele wortels heeft.

De gevolgen van de storm kwamen nog dichterbij, toen bleek dat alle treinen waren uitgevallen en dat het herstel nog wel even zou duren. Wij zouden vrijdagmorgen om 7.00 uur de ICE naar Duisburg nemen en vandaar verder reizen naar de Dolomieten voor een sneeuwvakantie.
We pakten donderdagavond in, aarzelender dan normaal. We ruimden op met de vraag of het wel nodig was. De onzekerheid knaagde aan onze wortels. Ook in Duitsland was het treinverkeer tot stilstand gekomen.
Het einde van de avond bracht licht met de mededeling, dat op vrijdag negen van de tien treinen weer normaal rijden. Na een onrustige nacht stonden we achter het computerscherm en lazen dat onze ICE die ene trein was die niet reed. Met een latere trein zouden we Trento niet meer kunnen bereiken.
Daar stonden we, om 6.10 uur, alles ingepakt, de koelkast leeg, de boterham in de rugzak. Ik zette de kachel aan en deed de gordijnen die ik al geopend had maar weer dicht. Een lange, lege dag lag voor ons.
Zaterdag doen we alles nog eens over. Die dag zijn er geplande werkzaamheden op het spoor. We moeten een omweg maken en drie maal extra overstappen. Ach, dat is toch de romantiek van het reizen met de trein? Waar is de kruier?

3

SPAREN IS EEN FEEST

Herinnering

Wat zien we op deze foto? Een uitreiking van witte envelopjes, zoveel is zeker. De foto van J. Verheul stond in november 1967 in het Utrechtse dagblad Het Centrum. Vier volwassen mannen in hun nette pak omringen drie jonge lieden.
In het najaar van 1967 werd bij de coöperatieve Raiffeisenbank in Vleuten het spaarbedrag van 7 miljoen bereikt. De spaarder die dit bedrag volmaakte, de 18-jarige J. de Goeij uit Haarzuilens, ontving ƒ 150,- uit handen van de voorzitter. De spaarders die net vóór en net na hem een bedrag gestort hadden, de 15-jarige Piet van der Linden uit Haarzuilens (rechts) en ik, eveneens 15 jaar oud, (midden) ontvingen een enveloppe met ƒ 75,-. De voorzitter toonde zich verheugd over de toenemende spaarzin.
Het was de tijd dat het geld eerst gespaard werd en daarna pas uitgegeven. De banken waren nog niet uit op winstmaximalisatie, maar hadden een sociale functie. Er werd wat afgespaard. Niet alleen geld, maar ook Ring-zegeltjes, D.E.-punten, de zegeltjes van de margarine, enz. Denken aan later, voorbereid zijn op de toekomst, daar ging het om.
Wat opvalt is dat de drie spaarders allen tiener zijn. Was dat toeval of heeft de bank ten behoeve van dit festijn de volgorde wat gemanipuleerd? Wilde men hiermee iets duidelijk maken naar alle jongemannen in Vleuten en Haarzuilens?
Zo te zien zijn de heren van de bank in een goed humeur. Ze glimlachen alsof zij zojuist in het geheim gehoord hebben dat zij zelf een tien keer zo grote bonus hebben binnengehaald.
Het tableau staat opgesteld tegen de achtergrond van een zestiger jaren gordijn. Tussen de pakken en kostuums ziet Piet van der Linden er met zijn coltrui en gedekte haar redelijk eigentijds uit. Mijn trui mag er ook wezen. Het was een  goudbruine velours sweater, toen mijn lievelingstrui. Mijn moeder heeft nog wel gezorgd voor een keurig wit overhemdje daaronder.
Wat nog het meest opvalt, is dat alle betrokkenen naar de overhandiging van de envelop aan de winnaar kijken en dat ik als enige naar de fotograaf kijk.  Had Verheul mij hiervoor niet kunnen waarschuwen? Nu sta ik, met die lok op mijn voorhoofd, als een soort jonge wethouder Hekking de aandacht naar mij toe te halen.
Terwijl alle aanwezigen doordrongen zijn van de heuglijke betekenis van het moment, straal ik een lijdzaam wachten uit. Voor mij heeft de zitting blijkbaar lang genoeg geduurd. Het envelopje heb ik binnen en die eerste prijs is toch niet meer haalbaar. Het kan ook zijn, dat ik weer thuis wilde zijn voordat Rawhide begon.
Ik weet niet meer wat ik met die 75 gulden gedaan heb. Er is een grote kans, dat ik het geld de volgende dag tijdens kantooruren naar de Raiffeisenbank teruggebracht heb om het te laten bijschrijven op mijn spaarbankboekje. Het kan ook de Rijkspostspaarbank zijn geweest in het postkantoor aan de Dorpsstraat. Want ook daar had ik een spaarrekening. Ik geloof niet dat ik in die tijd al aan risicospreiding deed. Waarschijnlijk had ik twee rekeningen, omdat mijn vader de diverse bankmedewerkers, die hij persoonlijk kende, te vriend wilde houden.
De bijschrijving van het geld was een nauwkeurige transactie. Een medewerker van de bank schreef met vulpen in fraai handschrift (zegge) vijfenzeventig gulden in het spaarbankboekje. Dan volgden een paraaf en twee harde klappen van stempels. Dichtgevouwen werd het boekje weer teruggeschoven naar de klant. Het appeltje voor de dorst was weer wat groter geworden.

0

MÜNSTER

Reizen

Prinzipalmarkt Münster

De jaarwisseling vieren wij in Münster, een Duitse stad ter grootte van Utrecht, een uurtje rijden achter Enschede.
Ik ken de stad van de Vrede van Münster, maar had iemand mij tevoren gevraagd aan welke oorlog dit verdrag een einde maakte en in welk jaar, dan had ik het antwoord schuldig moeten blijven. Zo krijgt onze viering nog een educatief karakter.
De vrede, gesloten in 1648, maakte niet alleen een einde aan de dertigjarige oorlog, waarin – om het kort samen te vatten – de Europese katholieke machten terrein verloren aan een aantal protestante mogendheden. Het verdrag was tevens het einde van de tachtigjarige oorlog tussen Spanje en de Nederlanden.
Tig jaren oorlog. Zoals het leven toen een stuk trager verliep, zo werden ook de oorlogen in een langzaam tempo gevoerd. Het woord Blitzkrieg moest nog worden uitgevonden. In de Nederlanden hebben destijds vele mensen geleefd, die geboren en gestorven zijn tijdens dezelfde oorlog. Het leven was oorlog, ze wisten niet beter.
Het gevolg van de Vrede van Münster voor de Nederlanden was, dat de Republiek als onafhankelijke staat werd erkend en dat het protestante geloof overheersend werd. Alle katholieke kerken en kloosters vervielen aan de overheid. De katholieken moesten zich terugtrekken in schuilkerken. Het zou twee eeuwen duren voordat zij weer tevoorschijn kwamen.
Het verdrag van Münster wordt wel gezien als de eerste overeenkomst die voortkomt uit moderne diplomatieke onderhandelingen tussen een groot aantal Europese partijen.
Niet dat de vrede lang heeft standgehouden trouwens. Spoedig braken er weer nieuwe twisten uit. Het zou nog tijden duren voor de ratio de oorlogsimpulsen onder de duim kreeg.

Münster zelf is ook niet gevrijwaard gebleven van oorlogsgeweld. In de 16e eeuw speelden de wederdopers daarin een belangrijke rol. Dit was een protestante afsplitsing, die – om het in huidige termen te omschrijven – als unique selling point had, dat gelovigen pas als volwassene gedoopt mochten worden. Om dit soort religieuze haarkloverijen werden toen bittere oorlogen uitgevochten. Ik moet denken aan de soennieten en sjiieten. Zouden er parallellen zijn?
In 1534 hadden de wederdopers de bisschop uit de stad verdreven. Tijdens de daaropvolgende belegering van de stad door de troepen van de bisschop radicaliseerden de wederdopers. Als een soort communisten-avant-la-lettre schaften zij het geld af en voerden zij het gemeenschappelijk bezit van goederen in. Ook de vrouwen werden gemeenschappelijk bezit, dat wil zeggen van de mannen. Onder aanvoering van Jan van Leiden ontstond een waar terreurbewind. Na twee jaar moesten de wederdopers zich gewonnen geven. De lijken van Jan en twee van zijn metgezellen werden als aanstootgevend voorbeeld in kooien aan de toren van de Lambertuskerk gehangen. Daar hangen ze nu nog, de 16e eeuwse kooien wel te verstaan. We staan er met ons hoofd in de nek naar te staren.

Er komen in Münster heel wat oorlogen voorbij. De meest ingrijpende oorlog voor de stad was de laatste: de Tweede Wereldoorlog. De complete binnenstad werd tot puin gebombardeerd. Na 1945 werden alle gebouwen in de oude stijl opnieuw opgetrokken. Eigenlijk staan we hier naar namaakgebouwen en nepwandjes te kijken. Maar het is wel heel nauwkeurig gedaan en de combinatie van oude en nieuwe architectuur ziet er indrukwekkend uit.
Münster is gekoppeld aan het woord Vrede en dwalend langs de historische plaatsen komt de gedachte aan de Europese Unie naar boven. Nooit meer oorlog is een van de belangrijkste argumenten voor het Europese project. Behoudt de ratio ook in 2018 de overhand?