Schrijven, Lezen, Leven.
2

HANA

Muziek
In 2012 heb ik tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht niet alleen het werk van Jan Dismas Zelenka, een Boheemse componist uit de baroktijd, leren kennen, maar ook een Praags barokensemble, dat de muziek van Zelenka regelmatig uitvoert: het Collegium 1704, onder leiding van dirigent Václav Luks. Sinds die tijd heb ik heel wat audio- en video-opnamen van het Collegium 1704 via YouTube beluisterd en soms bekeken. Het orkest bestaat uit 25-30 musici, het koor veelal uit 16 zangers, vier in elke stemgroep. De solo’s worden door de leden van het koor gezongen.
Van de sopraansolisten viel mij er al snel één op, een tengere jonge vrouw met lang donker haar. Ik kwam er achter, dat zij Hana Blaziková heet. Hana kan mooi zingen. Heel helder en hoog.
 
Daarna zag ik Hana steeds vaker terug in opnamen van andere ensembles, onder leiding van o.a. Philippe Herreweghe, Masaaki Suzuki, en Jean Tubery. One of the most exciting voices in the baroque scene, las ik in een cd-recensie op Internet. Dat moet wel als je door deze dirigenten wordt uitgenodigd. Bij elke opname die ik van Hana zag, bleef ik hangen. Hana intrigeert mij.
Dat is wel bijzonder. Nog niet zo lang geleden, holde ik naar de volumeknop als een klassieke sopraan aanzette in een aria. Ik kon dat hoge gegil niet verdragen. Ik ben daar niet de enige in. Als mensen klassieke zang belachelijk maken, dan doen ze een hoge sopraan na. Denk aan Bianca Castafiora in Kuifje, een zangeres, die met haar gezang (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in dees’ spiegel’) de glazen kapotzingt.
Toen mijn vader lang geleden eens naar een sopraanaria zat te luisteren, maakte ik een valse opmerking.
‘Dat is toch knap als je zo kan zingen’, zei hij.
‘Ik vind het gemaakt, onnatuurlijk’, antwoordde ik.
‘Daar heb je wel gelijk in’, zei mijn vader toen.
Ik herinner mij zijn reactie zo goed, omdat het een grote uitzondering was , dat hij mij gelijk gaf.
Het heeft nog jaren geduurd, voor ik enige waardering voor een sopraan kon opbrengen.
Dat begon met Mozart’s mis in c mineur (K427), om precies te zijn met het Laudamus te, met dank ook aan de stuwende orkestbegeleiding die Mozart hierbij schreef.
Ik ben nog steeds niet dol op heftig vibrerende sopranen die Italiaanse opera-aria’s zingen, maar baroksopranen kan ik nu goed hebben.
Vorig jaar, ook weer tijdens het Festival Oude Muziek, heb ik Hana Blaziková voor het eerst live gezien. Ik zat op de tweede rij. Af en toe kwam ze, bijna onmerkbaar, van achter uit het koor naar voren toe voor een solo. Dan stond ze vlak voor me. Net als voetballers in levende lijve jonge jochies blijken te zijn, zo zag Hana er een stuk jonger uit dan op de opnamen. Ik voelde haar concentratie voor de inzet. Ik volgde de bewegingen van haar hoofd bij een crescendo. Ik zag de rimpels tussen haar wenkbrauwen aan het einde van een frase.
De vraag is: waarom intrigeert Hana mij? Ze zingt technisch heel goed, maar ze heeft geen bijzondere klank. Het is ook niet dat ik op haar uiterlijk val.
Het moet haar innerlijk zijn.
Ik heb zoveel opnamen van haar gezien, dat het lijkt alsof ik haar persoonlijk ken. Zoals je ook van een tennisser via de close-ups voor en na de rally’s een beeld krijgt van de persoon. Hana lijkt mij serieus, hardwerkend, bescheiden en aardig. Dat vind ik een aantrekkelijke combinatie.
Vorige week zag ik de bevestiging.
Ik keek op YouTube naar een uitvoering van Händel’s La Resurrezione door het Collegium 1704. Aan het begin van de opname zie je een glimp van enkele leden van het ensemble, geconcentreerd wachtend in de coulissen vlak voordat zij het podium opgaan. Dan verschijnt Hana Blaziková in beeld. Zij staart naar haar partituur, haar vinger open bij een pagina. Zij neemt in gedachten nog wat noten door. Kijk wat er dan gebeurt, na 23 sec:
Alsof je je buurmeisje ziet voor de musical van groep 8. Heel innemend.
Als je verder kijkt, zie je ook de reden van de spanning. Hana moet als eerste een aria zingen, vanaf 4:45, een verduiveld moeilijke aria met veel snelle nootjes op dezelfde klank.
Zij kijkt geconcentreerd de zaal in, haar partituur hoog opgeheven. Dan gaat Hana los. 
Ik moet mijn vader gelijk geven: dat is toch knap als je zo kan zingen.
1

DE UIT-AGENDA UTRECHT

In het nieuws
Bij gebrek aan ochtendkrant pak ik bij het ontbijt op Hemelvaartsdag Utrecht Dichtbij. Dat is een  huis-aan-huisblad, zo’n krant waar tussen de grote full-color advertenties nog wat artikeltjes staan. Zoals ditmaal een fijn artikel over de 540C Coupé McLaren Sport series, de ‘meest bereikbare’ auto van McLaren tot nu toe (prijzen vanaf € 200.250). Lijkt me echt iets voor de lezer van Utrecht Dichtbij.
In de overige artikelen worden evenementen in het Hemelvaartweekend aangekondigd. Dan heb ik het niet over het normale aanbod van film, theater en museum, maar over speciale festivals dezer dagen in Utrecht.
Bijzonder is het Internationaal Literatuurfestival met o.a. Michel Houellebecq, Nick Cave en Jens Grøndahl. Het voormalig postkantoor aan de Neude wordt twee dagen lang gevuld met proza, poëzie en muziek.
Dan is er het Bluegrassfestival. Naar verwachting zullen er vele fans uit Nederland, België en Duitsland op deze Amerikaanse countrymuziek afkomen.
Op een niet nader aangeduide plaats wordt opnieuw het Cultifeest gehouden: ‘een lang weekend vol smaak, dans, muziek en plezier’.
Voor de sportievelingen is er de jaarlijkse Loop van de Leidsche Rijn en de Grote Leidsche Rijn Fietstocht. Rondom de start en finish is er live muziek en vermaak.
In het Utrecht Science Park gaat de Daktuin open, een broeiend dakterras ‘vol workshops, proeverijen, inspirators en muziek’. Een jaarlijks evenement ‘bomvol beleving’. Je kunt er ‘ontspannen, werken, lunchen, borrelen, en vooral genieten’.
Om dit blog binnen de perken te houden vermeld ik hierbij kortweg nog wat andere attracties: een Boekenbeurs, de Nijntje Art Parade, diverse activiteiten in het kader van de start van de Tour de France in Utrecht, Verstoppertje spelen in Hoog-Catharijne (een Facebook-initiatief), een Poëzieroute, een sieradententoonstelling en IMPROV XL, een festival dat geheel in het teken staat van de improvisatie.
Dan vergeet ik haast nog het inmiddels vermaarde Soendafestival. Veertig artiesten mogen op vijf podia hun kabaalmuziek opvoeren. Het festival vindt weliswaar plaats buiten de stad, in het Noorderpark, maar het bonkende geluid gaat ieder jaar half Utrecht door en zal zeker de Domkerk bereiken, waar mijn koor Decibelle die avond in het kader van de meditatieve Night of Light een optreden tussen de kaarsjes verzorgt.
Keuze te over dus, maar voor wie van dit alles nog niet gelukkig wordt is er de Geluksroute,  ‘een initiatief om mensen samen te brengen die geluk willen delen door erover te praten of ervaringen te delen’. Immers: ‘Happiness is only real when shared’. Een deelnemer aan de route zal nergens toe worden gedwongen: ‘Ieder mag zijn eigen route samenstellen. Er zijn lezingen, maar ook hoelahoep of helend tekenen’. Bovendien wordt er geknutseld in Park Lepelenburg: ‘tijdens de Geluksroute ga je soms over je grenzen heen’.
Ik verzin dit allemaal niet. Al deze evenementen worden gelijktijdig in de stad Utrecht gehouden. En dan heb ik nog maar één huis-aan-huisblad doorgenomen. Voor één weekend. Er is geen beter bewijs, dat wij de crisis nu achter ons hebben gelaten.
Er wordt wel eens gezegd, dat Amerikanen zulke hardwerkende mensen zijn. En dat Chinezen zich altijd de pleuris werken en één weekend per jaar in een volgestouwde trein naar huis toe mogen. Maar in Utrecht kunnen we er ook wat van.
Denk maar eens aan al het voorbereidingswerk. Aan de organisatiebureaus en gediplomeerde eventmanagers die overuren maken. Aan de creatieve werkgroepjes die avond aan avond bij elkaar zitten voor het opstellen van draaiboeken, het werven van fondsen, de PR (‘we moeten de huis-aan-huisbladen niet vergeten!’).
Laat de pessimisten maar beweren, dat Europa al festi-vallend ten onder gaat. Wij willen genieten van poëzie, zang en dans. Volgend jaar krijgt iedereen zijn eigen festival, voor minder doen we het niet. 
Ik ga voor dauwtrappen.
1

GELUK IS….

Dagelijks
Dit wordt een saai stukje.
Over oorlog, angst of seks kan je spannende verhalen vertellen. Maar schrijven over geluk vind ik een stuk moeilijker. Dan bedoel ik niet het geluk van verliefdheid of het winnen van een prijs, maar alledaags geluk.
Op een mooie lentemorgen maak ik in de omgeving van Tilburg een fietstochtje. Overal zie ik het zachte groen van ontluikende blaadjes, het uitbundige roze en wit van de bloesem, het frisse groen van bermplanten. Er is weinig wind en de zon breekt door de ochtendnevels. De koelte van de morgen bezorgt me nog een tranend oog.
Voorop de fiets zit S, mijn kleindochter van 4, achterop N van 2 jaar.
De Mozart, die ik bij dit harmonisch tafereel hoor, wordt verdreven door N. Bij het zien van een bus zet zij De wielen van de bus gaan rond en rond in. S gaat hieroverheen met Doe maar een, twee, drie, geeft je energie. Net als ik me afvraag, waar dat lied vandaan komt, roept ze keihard: ‘Koningsspelen! 2015!’.
De kinderen wijzen van alles aan.
‘De rails, daar mogen geen auto’s over’, zegt S.
‘Nee’, zeg ik, ‘en je mag er ook niet fietsen en lopen’.
Zoals kinderen leergierig zijn, zo wil ik graag vertellen en uitleggen. Ik weet niet of daar een woord voor is, maar het moet iets zijn als onderwijsgierig. Of ik ben een educafiel.
‘Die vogel heeft een witte buik!’, ziet S.
‘Ja’, leg ik uit, ‘dat is een huiszwaluw. En die daar op dat hekje, dat is een grasmus’.
‘Gasmus??’, herhaalt N vragend. Ze herhaalt alle woorden, die ze niet kent, met een groot vraagteken. Alsof ze nauwelijks kan geloven dat er zo’n raar woord bestaat.
Bij een natuurgebied wil S van de fiets af. Ze gaat  bloemetjes plukken.
‘Dat is een pinksterbloem en dat is speenkruid…’. Als een hedendaagse Jac. P. Thijsse vertel ik wat ik weet over alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit. En wat door de mensheid wordt verknoeid, denk ik er achteraan.
N blijft staan bij een hoop paardenuitwerpselen.
‘Opa, poep!’, gilt ze met haar hoge stem door de stille morgen.
Ze is geobsedeerd door drollen. Ze heeft er de leeftijd voor.
Ze is nog niet zindelijk, maar af en toe legt ze een bolus op de wc. Laatst had zij in de AH zelf haar luier uitgetrokken. Tussen de schappen toonde zij triomfantelijk de opbrengst aan haar vader: ‘Papa, poep!’.
‘Dit is van een paard’, leg ik uit. ‘En kijk, deze kleine keuteltjes hier, die zijn van een konijn’. Daarna ontdekken we een hoop van een schaap.
Geheel geobsedeerd blijft N bij elke keutel staan. Het tempo van de wandeling daalt onrustbarend. S heeft zich ondertussen gespecialiseerd in paardenbloemen.
Als we bij een klein ven komen, is er weer een andere uitdaging.
De dames graven met hun handen in het zand. Vooroverstaand krabbelen ze als een hond het zand tussen de benen door. Daarna is het tijd om dingen in het water te gooien. Kleine stenen, grote stenen, stukken hout. ‘Die gaat zwemmen’, zegt S over een drijvende tak.
De uitleg daarvan laat ik maar achterwege. Natuurkunde is nooit mijn sterkste vak geweest.
Ik zit op een picnicbank, mijn hoofd in de zon.
Mijn gedachten gaan alweer vooruit. Ik denk aan het middageten en kijk op mijn horloge.
‘Kom op, we gaan’, roep ik.
Als ik mijn oproep herhaal, zegt S vanuit de grond van haar hart: ‘Nee! Ik vind het hier leueueuk!’
‘Dan kunnen jullie zo nog even fietsen achter het huis’.
Ze spelen gewoon verder.
‘Dan gaan we lekker eten!’
Geen reactie.
Ik speel mijn laatste troef uit: ‘Papa is nu ook weer thuis’.
Ze hollen de andere kant op.
Er loopt een man langs met drie grote honden. Hij heeft een verweerd gezicht.
‘Die hè nen eigen wil hè’, zegt hij met rasperige stem.
Hij ziet eruit, alsof ie alles van dresseren weet en mij graag wat adviezen wil geven.
Kinderen kunnen mij ook wat leren. Ze kunnen veel beter dan ik genieten van het moment.
Dus ik geef het over en laat ze nog even spelen.
Aan de serie Geluk is…kan weer een nieuwe zin toegevoegd worden.
Geluk is… fietsen met je kleindochters op een zonnige lentemorgen.
Dat moet je ervaren, het is niet te beschrijven.
1

HET LAATSTE OORLOGSJAAR IN VLEUTEN

Herinnering
In de nacht van 4 op 5 september 1944 trekken honderden Duitse auto’s en tanks door Vleuten. Palen en brugleuningen worden beschadigd. Voor het huis van mijn ouders wordt het hekje in elkaar gereden. Enkele dagen later vervoegt mijn vader zich bij de Schreibstube van het Duitse leger voor vergoeding van de schade. Hij wordt doorgestuurd naar de Offizier, die verwijst hem  naar de burgemeester, deze weer naar de Schade Enquête Commissie in Zeist en laatstgenoemde weer naar het Departement van Financiën, afdeling Bezettingsschade in Amersfoort.
Het is een van de eerste voorvallen, die mijn vader beschrijft in het dagboek, dat hij van 4 september 1944 tot en met 10 juni 1945 heeft bijgehouden. De aantekeningen beginnen  in de tijd, dat iedereen probeerde om, ondanks de oorlog, zo normaal mogelijk te leven. Hekje kapot? Dan vraag je schadevergoeding.
Vanaf dat najaar is echter niets normaal meer. De narigheden rijgen zich aaneen.
Er komt in toenemende mate een gebrek aan eten. Kleren en schoenen kunnen niet meer gerepareerd worden. Fietsen worden gevorderd. De elektriciteit valt voortdurend uit. Er komt nog maar een paar uur per dag water uit de kraan. Met de invallende winter worden de bomen in het park van kasteel de Haar tot kachelhout verwerkt. Utrechters trekken door het dorp op zoek naar eten.  Er wordt een NSB’er vermoord (‘hoeveel jaar zou het geleden zijn, dat er op Vleuten een moord is gepleegd?’, schrijft hij). Het dorp is bang voor een razzia. Er worden enkele personen ‘opgehaald’. ‘Naar men zegt (…) zijn ze doodgeschoten’.
Mijn vader is 30 jaar, net één jaar getrouwd en hij moet allerlei dingen doen die hij nog nooit eerder gedaan heeft. Een kar met twee mud cokes tegen de hoge brug  op duwen. Bomen klein zagen. Een ruif timmeren voor de geit.
De oorlog met al zijn bedreigingen komt dichtbij. Het meest angstaanjagend zijn de bombardementen, die Engelse vliegtuigen uitvoeren op de spoorlijn Utrecht-Woerden. De eerste  keer maakt mijn vader dit mee als hij op zijn werk is, het kantoor van Douwe Egberts in Utrecht. Doelwit van de bombardementen is de brug over het A’dam-Rijnkanaal. Er vallen ook  bommen op het terrein van Douwe Egberts. ‘Wat veroorzaakt zo’n bombardement een angst! Die geweldige ontploffingen met daarbij de onzekerheid elk ogenblik getroffen te kunnen worden; een soort doodsangst.’
Later moet hij, op weg van zijn werk naar huis in een greppel duiken omdat er een trein wordt aangevallen. ‘De projectielen en kogels vlogen laag over ons heen’.
Hij verzucht: ‘hoeveel bommen zijn er al niet gevallen en wat hebben de Engelsen ermee bereikt?’
Beangstigend zijn ook de aankondigingen dat mannen tussen de 16 en 40 jaar zich moeten melden voor werkzaamheden zoals het dichten van de gaten van de bombardementen aan de spoorlijn. Deze oproepen gaan gepaard met dreigementen om huizen in brand te steken of een groot aantal mannen op te pakken. De onzekerheid is groot. Meld je je aan of niet? Veel mannen durven zich niet op straat te vertonen. Mijn vader gaat er nog wel uit. De directie van Douwe Egberts heeft een verklaring geregeld, dat hij als Haupt-Administrator  nodig is voor het bedrijf.
 
 
Mijn vader heeft  bovendien een schuilplaats, een nis boven het hoofdeinde van hun bed, waar een schilderij voor hangt. Hij heeft  een koffer klaar staan, mocht het nodig zijn om te vluchten.
In december 1944 raakt mijn moeder in verwachting. Mijn vader gaat lopend naast de fiets naar zijn zwager in Hilversum om hout te halen voor een wieg. In Mijdrecht weet hij thee en tabak te ruilen tegen luiers en flanelstof (‘voor een luier gaf men toen wel 15 gulden’).
Ook al is het erg weinig, mijn ouders hebben in de hongerwinter nog wat brood en aardappelen. En zij hebben melk van de geit, die mijn vader met vooruitziende blik in juni 1944 had geruild tegen enkele pakken koffie. Behalve de boeren beschikte niemand meer over melk.
Op de ochtend van de 5e mei is mijn moeder al vroeg wakker. Zij vindt dat niet erg, zo schrijft zij in een vervolg op het dagboek. ‘Er waren zoveel aangename dingen om aan te denken. Vooreerst het was vrede, en dan het blije vooruitzicht dat ik moeder zou worden. Hoe dikwijls verlangde ik naar dit nieuwe leven in ons gezin.’
Op maandag 20 augustus beginnen de weeën, mijn moeder voelt het kind bewegen. Als  ’s avonds de dokter komt, voelt hij geen leven meer. Het jongetje geeft  geen geluid bij de geboorte. Alleen na het dopen nog een klein snikje. Daarna is het afgelopen. Met een leeuwenbekje uit de tuin in zijn hand wordt hij in een kistje gelegd.
Was het kind blijven leven, dan was ik de derde zoon  geweest. Dan  had ik Kees geheten.

 

1

HET WONDER VAN DE FIETS

Dagelijks
Zo rond mijn zesde jaar leerde ik fietsen. Als jongste van de vier kreeg ik een afdanker, een te grote kinderfiets met blokken op de pedalen. Het moment dat ik op de onverharde Hamweg in Vleuten werd losgelaten en zelfstandig mijn weg vervolgde, staat me nog goed bij. Wat een sensatie om overeind te blijven! Nu hoefde ik niet meer achterop bij een ander. Lopen was overbodig geworden. Ik kon fietsen, ik kon ver weg.
De fiets vind ik een van de mooiste uitvindingen die er bestaan.
Het is een eenvoudige constructie van twee met elkaar verbonden wielen, een trapmechanisme, een stuur en een zadel. Fietsen is gezond en het brengt geen schade toe aan het milieu. Met dezelfde inspanning ga je drie maal zo snel als wanneer je loopt.
Omdat na de uitvinding van de fiets nog de auto en het vliegtuig gevolgd zijn, staan wij bij dit laatste argument niet meer zo stil. Maar eind negentiende eeuw betekende de komst van de fiets een revolutie in het vervoer.
In die tijd woonde er familie in Montfoort, een klein gat met stadsrechten in het zuid-westen van de provincie Utrecht. Het leven van de inwoners speelde zich grotendeels in het plaatsje af. Men werkte er en trouwde een partner van om de hoek. In Montfoort kon je bijna alles kopen wat je nodig had. Zo heel af en toe ging men wel eens naar Utrecht toe, een reis van 15 kilometer. Lopend deed je daar zo’n vier uur over. Wie niet wilde lopen kon zich ’s morgens om half zes inschepen op de vrachtboot, die via Jutphaas naar Utrecht voer. Die deed er ook vier uur over.
Dat er een voertuig was uitgevonden, waarmee je in één à anderhalf uur in Utrecht kon zijn, was dus een geweldige vooruitgang. Het vergrootte je actieradius en versterkte je zelfstandigheid. De fiets gaf een enorme stimulans aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Zo’n voertuig wilde je hebben. Het was een bezit om te koesteren.
Ook mijn moeder wilde dolgraag een fiets, zo halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw. Al haar broers hadden er al een.
Voor vrouwen was het gebruik van de fiets echter minder vanzelfsprekend. Vrouwen waren veel meer aan huis gebonden. Bovendien was het fietsen met die lange rokken geen sinecure. Zo heeft de regering in 1897 aan koningin Wilhelmina verboden om gebruik te maken van een rijwiel. Hoewel de koningin bleef volhouden, dat wielrijden een gezonde inspanning is achtte de regering, gelet op de  zware verantwoordelijkheid van de majesteit, het risico te groot.
Mijn oma had wel geleerd om te fietsen. Ze was er echter mee gestopt uit angst dat ze in een heg of in een sloot zou rijden ‘met al die mensen op de weg’. Ze maakte liever bonen in.
Een tante had weer last gehad van een ander ongemak. Vrouwen droegen in de tijd veelal een wijd soort onderbroek met vier banden, twee aan het voorpand en twee aan de achterklep. Tijdens een fietstocht merkte mijn tante dat de banden van haar achterklep los waren geraakt. Dat fietste niet prettig. In een café aan het einde van de Biltstraat in Utrecht kon zij de zaak fatsoeneren: de lange rok optillen, de onderrok optillen, beide rokken stevig vastklemmen onder de kin, zodat de handen vrijkwamen om de banden van de achterklep met een dubbele knoop weer vast te maken.
Een fiets voor mijn moeder was derhalve niet vanzelfsprekend. Haar vader, een boer met een handvol koeien op een gepacht stukje land, besloot toen, dat de fiets er zou komen, als zij zou leren melken. Dat noem je tegenwoordig een win-winsituatie. Haar moeder raadde haar deze deal af. ‘Dan moet je altijd mee met melken’. Mijn moeder hield vol. Ze  leerde melken en kreeg haar rijwiel. 
De fiets was de ontsluiting van de wereld.
0

DE OCHTENDKRANT

Dagelijks
Vijfenveertig jaar is een lange tijd. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Meer dan een generatie. Voor velen is het meer dan de duur van hun arbeidzaam leven.
Als je vijfenveertig jaar gewend ben aan iets, dan stap je er niet zo gemakkelijk van af. Een vriendschap, de manier van ontbijten, de onderbroeken die je draagt. Of de krant die je leest.
Ik ben al vijfenveertig jaar geabonneerd op de Volkskrant. Sinds 1970 hoort het dagblad bij mijn ochtendritueel. Natuurlijk zijn er wel eens tijden geweest, dat ik ook een bijkrant las (zoals je een bijgerecht hebt of een bijzettafeltje). Zo las ik het Utrechts Nieuwsblad omdat ik in Utrecht woon, de Waarheid in mijn alles-moet-veranderen-periode, en de NRC omdat ik begrepen had dat je die moest lezen om als weldenkend mens te kunnen meepraten. Maar de Volkskrant is altijd de constante factor.
Ik ben een ochtendkrantmens. Bij het ontbijt wil ik met de boterham het nieuws consumeren. Regelmatig aarzel ik over de vraag of ik een stuk ga lezen. Begin ik aan een lang serieus artikel of laat ik me toch maar meevoeren door een smakelijk, maar irrelevant bericht? Soms stop ik geërgerd halverwege een artikel, omdat er niets nieuws in staat. Een krant is er ook om je aan te ergeren.
De krant moet ’s morgens op de mat liggen. Wordt ie een keer niet bezorgd, dan begint mijn dag niet goed. Dan ga ik als een moederpoes die haar jong kwijt is op zoek naar het nieuws. Is er nog wat gebeurd in Nederland en omstreken? Het is nergens voor nodig, maar ik wil het weten.
Als je al vijfenveertig jaar dezelfde krant leest, dan moet die verbondheid redenen hebben.
Ik kom net als De Volkskrant uit een katholiek nest. De krant was jarenlang een dagblad voor links Nederland. Met serieuze berichtgeving, maar ook aandacht voor de ontspannende zaken van het leven. Ik ben gehecht geraakt aan hoe de krant het nieuws brengt, aan columnisten, recensenten, aan het vertier van Sigmund en Gummbah.
De Volkskrant heeft allerlei ontwikkelingen doorgemaakt. Ik ben meegewaaid. Ik vond het niet altijd even goed, maar ik ben vijfenveertig jaar Trouw gebleven.
Nu hebben we de Volkskrant opgezegd en zijn we overgestapt op Trouw.
Dat kostte moeite. Er ging enkele jaren van twijfel overheen. Maar nu is het dan zover.
Ik heb al veel langer het idee, dat de Volkskrant niet meer voor mij gemaakt wordt. Dat ik niet meer tot de doelgroep behoor van mensen die een kwartier hebben om een krant te lezen met grote koppen, veel foto’s en grafieken. Mensen, die alles willen weten van populaire tv-series, de nieuwste smartphones of de zwaarte van de schoolboeken.
Ik begrijp dat de krant jongere doelgroepen moet bereiken om te overleven. Maar inhoud en stijl zijn aan mij niet meer besteed.
In de politieke verslaglegging gaat het meer om de posities en de relaties dan om de inhoud. Familiedrama’s en overvallen worden uitgeplozen door buren en vrienden te interviewen. Redacteuren gaan op zoek naar fouten van instellingen en beleidsmakers.
Het krioelt in de krant van de meningen, waar we dankzij de sociale media (en weblogs!) toch al mee overgoten worden. De krant wil niet alleen verslagleggen, maar zelf ook nieuws maken.
Joop Visser zong al in de tachtiger jaren over de jou-hoe-hoernalisten:
De brand die ze verslaan, meneer
Als zij het land in gaan, meneer
Steken ze zelf eerst aan, meneer
Dat noemen ze een baan, meneer.
Later schreef hij nog het lied De Volkskrant is een Kutkrant.
Nu hebben we dus een abonnement op Trouw. Een dagblad dat beschrijft wat er gebeurd is zonder daar altijd en overal een mening of een kort-door-de-bochtanalyse aan toe te  voegen. Meer verslaglegging, minder sfeertekening.
Trouw is een bastion van rust. Trouw is ook de ernst zelve.
In mijn dilemma van serieuze artikelen en smakelijke berichten, heb ik nu voor het eerste gekozen. Ik weet niet of het me goed zal bevallen en of de protestantse achtergrond me niet teveel gaat tegenstaan. Bij de katholieken zijn de overlijdensadvertenties toch een stuk interessanter. Maar alla, je kunt niet alles hebben. 
Hoe lang zal ik Trouw blijven? Ik ben bang dat het geen vijfenveertig jaar wordt.
2

VERBONDEN IN STILTE

Reizen
Hij zit achter een halve liter pul bier, zij nipt van een witte wijn.
Hij draagt een licht zomers colbertje, dat er aan de achterzijde wat verkreukeld uitziet.
Zij draagt een wollen trui in een fijnmazig zwart-wit motief.
Beiden hebben een hoofd vol grijs haar.
Er zitten deze middag weinig gasten op het terras van Mercado Velho in Machico. Het terras is door een laag muurtje gescheiden van een pleintje, waaraan nog meer café’s en winkels liggen. Breed uitgegroeide platanen zorgen voor een donkere sfeer.
Het is bewolkt, het waait en de temperatuur ligt rond de 17 graden. Als die omstandigheden zich in september voordoen, dan zoek je een plaatsje binnen op. Maar als je de hele winter op de zon hebt gewacht, als je daarvoor naar Madeira bent gereisd, dan wil je de buitenlucht. Je wilt de zonnestralen wel door de wolken heenkijken. Dan ga je buiten zitten. En je bestelt een zomers drankje.
De stoelen van het stel staan van elkaar weggedraaid. Als hij over de platanen heenkijkt ziet hij de heuvels boven Machico en de steile terrassen waar de bevolking met grote hakken de grond bewerkt. Zij kijkt aan tegen de okergele muren van het oude zeefort dat aan het andere einde van het plein ligt.  Ze kijken niet naar elkaar. Ze praten nauwelijks met elkaar.
Wat is er aan de hand? Waarom hebben ze zich van elkaar afgewend? Hebben ze ruzie? Een hoofd vol problemen?
Zo ziet het er niet uit. De sfeer lijkt ontspannen. Zij lacht af en toe vriendelijk naar hem, hij werpt soms een guitige blik terug. Daarna kijkt elk weer voor zich uit, in stilte.
Er stapt een ander stel het terras op, twee tieners. Zij is een fors gebouwd meisje, hij een schriele jongen. Ook zij hebben de zon in hun kop. Beiden dragen een zonnebril, zij in het haar, bij hem staat ie op zijn neus. Door de grote lichtblauw getinte glazen zie je zijn ondeugende donkere ogen. Hij is trots dat hij met een vriendinnetje op stap is. Hij legt een pakje sigaretten en een aansteker op het tafeltje.
Ook dit stel spreekt nauwelijks met elkaar. Zij kijkt verveeld voor zich uit, pakt een spiegeltje en controleert haar opgemaakte ogen. Dan raken beiden verdiept in hun smartphone. Ze kijken niet op als een meisje de cola bezorgt. De jongen begint een telefoongesprek.
Met lege glazen teruglopend kijkt de serveerster een ogenblik schuin omhoog. Even lijkt de zon er doorheen te komen, maar onmiddellijk verdikt het wolkendek zich weer. Er gaat weer een windvlaag over het terras. De verpakking van een koffiekoekje wordt meegenomen door de wind.
De grijze hoofden nemen tegelijkertijd een slok, als op afspraak. De wind deert hen niet. Ze hebben vakantie en genieten. Ze kennen elkaar vast al jaren. Dan is veel al gezegd, van alles al besproken. Brandende kwesties op het gebied van opvoeding en loopbaan zijn er niet meer. De kinderen zijn het huis uit, de financiële zorgen voorbij. Zich opwinden doen ze niet zo  veel meer. Ambities zijn vervuld of bijgesteld. Nu is er tijd voor ontspanning.
Wat hen bindt is uitgewisseld en wat zij hebben meegemaakt is verteld, al vele malen. Ze willen niet weer in herhaling vallen. Ze hebben aan een half woord voldoende. Je hoeft elkaar niet aan te kijken om je verbonden te voelen.
Hij zegt iets en draait zijn hoofd naar haar toe. Op haar gezicht verschijnt een brede glimlach. Dan streelt zij met de rug van haar hand zijn wang, zonder woorden. Daarna kijkt ieder weer voor zich uit.
Dat zit wel goed met die twee. 
Of het met het jonge stel goed komt, weet ik niet.
1

FORT ’t HEMELTJE

Dagelijks
Ik reed vanuit Utrecht de A27 naar het zuiden. Direct na knooppunt Lunetten viel mij links van de weg een blauw bord op met de naam Fort ’t Hemeltje. Dit is een van de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Wel een merkwaardige naam, dacht ik, een combinatie van Fort en Hemel.
Ik ben in enkele van deze negentiende eeuwse forten geweest. Ze  zien er stenig en donker uit, met hun smalle gangen waar het waterkoud is en het zonlicht nooit doordringt.  Dat is ongeveer het tegenovergestelde van mijn beeld van de hemel. Omgekeerd stel ik me de hemel geenszins voor als een moeilijk binnen te komen vesting of als onderdeel van een verdedigingslinie. Je moet alleen iets bedenken om langs Petrus te komen.
Rijdend over de snelweg kan je over nutteloze dingen nadenken, dus bedacht ik dat het woord hemeltje ook een merkwaardig woord is. Want noch het zwerk noch het hiernamaals kan ik me in een verkleinde vorm voorstellen. Er moet iets anders mee bedoeld worden.
Bij een hemeltje denk ik aan een kroeg, een cafébrand, een jongerensoos of desnoods een diaconaal centrum voor dak- en thuislozen. Het hemeltje is een woord met een knipoog. Het is prettig om er te zijn, maar je weet dat het niet zaligmakend is en dat het maar voor even is. Bij het hemeltje kan je weer weggaan. (Dat lijkt me overigens een groot voordeel, want de gedachte dat je het hiernamaals nooit meer kunt verlaten, vond ik als kind al angstaanjagend.)
De Waterlinie is een militaire verdedigingslinie die loopt van Muiden naar de Biesbosch. In de 19e eeuw heeft men ten oosten van Utrecht een aantal forten gebouwd, die samen de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden genoemd.
Ten tijde van oorlog konden in deze linie delen van het land onder water worden gezet om de doortocht van de vijand te belemmeren. Het lag voor de hand dat de vijand zou proberen door te breken op de wat hoger gelegen plaatsen, waar inundatie niet mogelijk was. Onder meer op de Houtense Vlakte, ten zuidoosten van Utrecht, werden daarom forten gebouwd.
De Oude Hollandse waterlinie is met succes in 1672 ingezet tegen een inval van de Fransen. Een goede eeuw later werd een zwakke kant van de waterlinie pijnlijk duidelijk. De Fransen vielen in de winter van 1794 / 1795 aan. Door de strenge vorst kon het leger over het ijs Holland binnentrekken. Wijs geworden door deze sof bedachten onze manschappen nieuwe listen. Door middel van ijszagen en speciale waterinlaatplaatsen kon het ijs op een aantal voor de vijand onbekende plekken worden verzwakt. Het beeld van een hele colonne, die door het ijs zakt, moet de bedenkers veel voorpret hebben bezorgd. In 1939 heeft het Nederlandse leger nog op schaatsen geoefend. We voelden ons toen al onverslaanbaar op het ijs.  
De Nieuwe Hollandse Waterlinie is nooit gebruikt. In de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal. In 1939 heeft men bij wijze van oefening een polder bij Gorinchem laten onderlopen. Na de capitulatie konden de Duitsers in 1940 de forten zonder strijd overnemen. In 1945 hebben Canadese soldaten op fort Rhijnauwen nog wat zitten spelen met voor hen onbekende Duitse munitie. Dat heeft flinke beschadigingen aan het fort opgeleverd.
Tot in de zestiger jaren hebben diverse forten gediend als opslagplaats voor munitie en materieel.
Nu zijn ze veelal eigendom van Natuurmonumenten of van Staatsbosbeheer. Omdat de forten beschermde gebieden zijn, zijn een rijke flora en fauna in de plaats gekomen van soldaten en kanonnen.
Fort ’t Hemeltje is gebouwd tussen 1877 en 1881. Op hollandsewaterlinie.nl lees ik: ‘Het fort was voorzien van een bastionet-caponnière in de gracht, met kazematten en lage flanken voor de grachtflankering. Deze waren door middel van poternes bereikbaar’.
Dat u het maar weet.
‘Tegenwoordig is het fort van Staatsbosbeheer. Het fort wordt opgeknapt en krijgt een kantoorfunctie. Daarnaast wordt het fort voor publiek opengesteld en beleefbaar gemaakt met een belevingswandelroute’. Niet zo maar een wandelroute dus.
Rest nog de vraag, hoe Fort ’t Hemeltje aan zijn naam komt. 
Het Fort is genoemd naar een boerderij annex herberg die daar ooit stond. Ook lang geleden werd het café al gezien als een kleine uitgave van de hemel. 
2

DE OMZWERVINGEN VAN EEN MEUBELSTUK

Dagelijks
Op mijn kamer staat een oud eikenhouten bureau. Het robuuste meubel is misschien wel meer dan honderd jaar oud.
Het bureau stond in ons ouderlijk huis in de voorkamer bij het raam. Het diende als bergmeubel voor allerhande papieren en enveloppen. Op het bovenblad lagen de KRO-gids en de Katholieke Illustratie naast een vooroorlogse Remington typemachine en een smeedijzeren brievenstandaard. Boven het bureau, op een gelakte plank die aan de muur bevestigd was, stond een Philips radio-ontvanger. Daarnaast hing het spaarbuisje van het Kannunik van Schaikfonds.
Als mijn vader uit zijn werk kwam, verstopten mijn zus en ik ons steevast onder het bureau. Terwijl wij ingeklemd in de smalle ruimte met ingehouden adem afwachten, zocht hij, iedere dag weer, eerst de hele kamer af alvorens onder het bureau te kijken.
Op zaterdagavonden zaten we er wel eens bovenop. Dan was het hele gezin in de huiskamer bijeen om naar een verstrooiend radioprogramma van de KRO te luisteren, zoals Ons Kent Ons met Kees Schilperoort. Spannend werd het als de uitslag van de SUS-loterij bekend werd gemaakt.
Halverwege de jaren zestig viel het bureau ten prooi aan de moderniseringswind die door Nederland waaide. Het meubel verdween naar boven, naar mijn slaapkamer. Ook al gebruikte ik de kastjes voor mijn plakboeken met foto’s van Connie Froboess en Eddy Hodges en voor het Brio sportalbum van de Olympische Spelen 1964, het werd nog altijd het bureau van pappa genoemd. Op de lege plek in de huiskamer kwam er een modern, gefineerd radiomeubel met ingebouwde pick-up.
Dit was tenminste de tweede maal in zijn bestaan dat het bureau werd afgeserveerd. Jarenlang had het dienst gedaan op het kantoor van Douwe Egberts in Utrecht, waar mijn vader archivaris was. Toen de houten bureaus vervangen werden door stalen exemplaren, was dit schrijfmeubel in onze huiskamer beland.
Er is geen naam van een fabrikant, geen jaartal, geen typenummer in het meubel verwerkt. Het is dus gissen hoe oud het bureau is. Het komt zo te zien uit een tijd, dat er aandacht besteed werd aan enige opsmuk, getuige de drie gleuven in de stijlen, de zwarte versiering daarboven en de meetkundige figuren naast de laden.
De leeftijd zou afgeleid kunnen worden uit de afschrijftermijnen, die DE toendertijd voor zijn meubilair hanteerde. Mijn vader heeft me dat nooit verteld, maar een periode van 40 – 50 jaar lijkt me aannemelijk. Het bureau is dan rond de vorige eeuwwisseling gefabriceerd.
Het meubel van donker eikenhout heeft enige status, maar er ontbreekt sierlijk hang- en sluitwerk. Het zal daarom niet het bureau geweest zijn van mijnheer JH of mijnheer ED, zoals de directeuren bij DE destijds werden aangeduid.
Er heeft een dienstbare klerk met gesteven boord aan gezeten. Voor het controleren van facturen, het bestellen van de koffiebonen of het vullen van de wekelijkse loonzakjes. Ondertussen kwam juffrouw Aafje met de koffie langs. Dat verzin ik er nu bij, maar ik zou zeggen, als er ergens een juffrouw met koffie langs kwam, dan was het wel bij Douwe Egberts.
In de jaren tachtig heeft mijn zus zich over het bureau ontfermd. Zij gebruikte het om vertalingen van Tacitus of Euripides na te kijken. Dat vind ik wel passend. Het is echt zo’n bureau om iets met oude talen te doen. Of om je testament te schrijven. Of de spaarpunten van Douwe Egberts te tellen.
Het schrijfmeubel heeft met mijn zus twee verhuizingen meegemaakt en waterschade doorstaan toen er een dakgoot vervangen werd.
De tijd vliegt. Toen mijn zus na haar pensionering kleiner ging wonen, was er geen plaats meer voor de oude makker. Toen heb ik hem opgehaald. Niet omdat ik een bureau nodig had, maar je laat het bureau van pappa niet in de steek.
Er is nu een voorlopig einde gekomen aan de omzwervingen. Het meubel staat erbij als een trouwe pakezel, die altijd voor je klaar staat. De kastjes zijn zo diep, dat er aan elke zijde minstens twee kleinkinderen in passen. Het bureau zit vol sporen van zijn lange bestaan, maar met een beetje warme aandacht kan het nog lang mee. Als ik er langs loop, strijk ik altijd even over het bovenblad. Het liefste zou ik er weer als kind bovenop klimmen.
Ik kan nu al zitten piekeren over de vraag, waar het heen moet met het bureau, als ik er niet meer ben.

 

0

DRINKEN VOOR HET GOEDE DOEL

Herinnering
Er speelde die vrijdagavond, begin jaren tachtig, een bandje in café de Baas aan de Biltstraat in Utrecht.
Achterin de pijpenla was de stamtafel aan de kant gezet en waren de lampen opgetrokken. In het halfduister bewogen drie muzikanten op een smal podiumpje. Rond de langwerpige bar en bij het podium stond het jonge volk dicht opeen, sigaret en glas in de hand.
De Baas was een collectief café met een ideële doelstelling. Het werd voor het grootste deel gerund door vrijwilligers. Ik was een paar jaar een van de vrijwilligers geweest. De opbrengsten gingen naar startende, kleine ondernemingen, die op basis  van zelfbestuur een alternatief moesten zijn voor het grootschalige kapitalisme. Daarnaast ging er financiële steun naar acties tegen kernenergie, woningnood en kruisraketten. Over de besteding van het geld en over het draaien van het café werd avonden lang vergaderd. Er werd alleen een besluit genomen als iedere aanwezige zich erin kon vinden. Plus degenen, die niet aanwezig waren.
Veel vrijwilligers waren ook stamgast. De idealen waren even groot als het verborgen leed. Wie zonder baan, partner of toekomst zijn idealen had ingeruild voor een plek aan de stamtafel verbloemde zijn leed niet langer.
Het bandje speelt aanstekelijke Ierse folkmuziek. De zanger vent met rauwe stem en emotie zijn liederen uit.
Huisgenoot T loopt glimlachend rond. Hij heeft net een nieuwe vriendin. Al pratend strijkt T herhaaldelijk zijn schouderlange haar achter zijn oren. Tevergeefs, want de lokken vallen steeds weer terug in zijn gezicht.
M staat een flinterdun shagje te rollen. Zij draagt een kettinkje met een vrouwenteken. Na de eerste diepe inhalering, blaast ze, vooruitkijkend, de rook naar opzij. Naar haar ervaringen had Harrie Jekkers, stamgast in de Baas, voor het Klein Orkest Het Leed Versierdgeschreven:
Altijd op jacht, gedreven door angst dat ze kansen mist
Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is.
Eenzaam tussen duizend vrienden, duizend vrienden, toch alleen
E schuift langs, een bleke jongen aan wie ik een goede winterjas had geschonken, omdat hij zo berooid was dat hij er zelf niet een kon kopen. Zijn tanden waren toen al voor een deel uitgevallen. Ik heb hem de jas nooit zien dragen.
J komt er bij staan, zij was een tijdlang mijn collega-vrijwilliger in de woensdagploeg. Vanuit haar matras had ik ooit onbedoeld een schurftmijtje mee naar huis genomen, waarna ik mijn hele garderobe moest wassen en een mattenklopper kocht om het stof uit de kussens van mijn bedbank te slaan.
‘Willen jullie er ook nog een?’, vraagt T.
In de drukte voor het podium worden wij heen en weer geduwd door bezoekers die achterin de Baas de toiletten opzoeken. Moe van het staan en praten ga ik opzij op de rand van een tafeltje zitten. Iemand geeft me nog een glas bier, terwijl mijn vorige glas nog half vol is.
De band speelt een ballad.
I wish I was in Carrickfergus
Only for nights, in Ballygrand
I would swim over the deepest ocean
Just to see my love before I die
Een lied van weemoed en verlangen. Ik ben opeens vol aandacht voor de muziek. De zanger houdt me gevangen. Het lied is mooi en droef tegelijk. Ergens anders willen zijn dan waar je bent.
But I’ll sing no more till I’ve had a drink
Well I’m drunk today and I’m seldom sober
Na het optreden vraagt J: ‘waar gaan we heen?’.
Het is half twee, tijd voor de volgende kroeg. Iets in mij zegt: zou je dat wel doen? Dan is morgen je halve zaterdag verpest.
‘We gaan naar Binnen Best’.
‘Nee toch, niet weer die burgerlijke tent!’
Als ik even later bij Binnen Best in de wc sta, dreunt het lawaai in mijn hoofd door. Opeens wankel ik. Mijn handen zoeken steun aan de muren. Als ik mijn ogen sluit, draait mijn hoofd alle kanten op.
‘Nu ga je naar huis’, spreek ik mezelf toe.
In de buitenlucht op het Lucas Bolwerk voelt het beter. Zie je wel, ik kan nog best gecoördineerd mijn ene been voor de andere zetten, constateer ik tevreden.
Carrickfergus, ik moet eens opzoeken hoe je dat schrijft. Misschien is er een lp waar het op staat.
Well I’m drunk today and I’m seldom sober. 
Het tweede deel gaat niet over mij, maar het eerste is helemaal waar.