Schrijven, Lezen, Leven.
1

GEHOORPROBLEMEN

Dagelijks

‘Wat wil je drinken, Sjon?’, vraagt een man met een volks accent. Als een antwoord uitblijft, vraagt de man met stemverheffing: ‘Sjon! Drinken?’
Dit is het begin van een radioreclame, waarin ‘iedereen die wel eens moeite heeft om een ander te verstaan’ wordt uitgenodigd voor de gratis gehoortestdagen van Schoonenberg. Iedere maand een week lang komen de spotjes weer langs. (Ik hoor die reclames nog uitstekend, maar wellicht heb ik de radio te hard aan staan).
Gratis gehoortestdagen, het klinkt bijna als een gezondheidscheck van de GGD. Alsof je gewoon moet meedoen omdat je aan de beurt bent. Het is een geniale en uiterst simpele verkoopstrategie van Schoonenberg. Want, zo lees ik op www.gezondheidsnet.nl, 19% van de 55-plussers is van mening dat het gehoor achteruit gegaan is. Maar wordt het gehoor getest dan blijkt bijna de helft van deze groep niet meer goed te kunnen horen. Dus als het je lukt om deze doelgroep in je winkel te krijgen voor een test (‘neem gerust iemand mee’) dan is een op de twee 55-plussers weer een nieuwe klant. Daar komt nog bij, dat de zorgverzekering 75% tot 100% van de kosten vergoedt.
Ik begrijp nu wel, waarom die vraag aan Sjon maandelijks terugkeert. Welke garagehouder, schoorsteenveger of verzekeringsagent droomt niet van zo’n succesvolle strategie? Ook de erectieshop adverteert trouwens via de radio. Maar daar hoef je niet langs te komen voor een test.

Nu moet ik bekennen dat ook mijn gehoor niet meer is wat het geweest is. Al jarenlang heb ik moeite om mensen in een drukke omgeving te verstaan. Als ik buiten de deur eet kost het me vaak de nodige inspanning om mijn tafelgenote(n) te volgen. Dat er nogal wat eetgelegenheden zijn waar de zaak zo vol staat met tafeltjes dat de ober alleen zijdelings tussen de tafels door kan lopen, zou nog wel eens van betekenis kunnen zijn.
Verder kan ik de televisie niet altijd volgen.  Ook in dit geval kan ik een verzachtende omstandigheid aanvoeren. Pas enkele maanden na aankoop van het scherm ontdekten wij dat de luidsprekers van het toestel aan de achterzijde gemonteerd zijn. Dat is vast niet bedacht door een oudere ontwerper.
Ik ging er steeds van uit dat ik familiaal belast was, want vele van mijn ooms droegen in de vorige eeuw  een hoortoestel. Die grote apparaten wilden nog wel eens plotseling gaan piepen, waarop mijn ome Ries altijd laconiek zei: ‘even radio Veronica afzetten’. Maar als ik die familiale belasting corrigeer op het aantal hoortoesteldragende ooms, die smid waren, dan zou het met die aangeboren doofheid nog wel eens mee kunnen vallen.
Youri, onze kat die binnenkort zijn negentiende verjaardag hoopt te vieren, lijkt ook zo doof als het beestje dat ie graag nog eens zou willen vangen. Wij hopen dus maar, dat hij op straat niet oversteekt als er net een auto aankomt. Het lijkt mij immers ook niet prettig om aan mijn einde te komen vanwege een gehoorstoornis en een suizende elektrische auto.
Daarom heb ik deze week maar een gehoortest gedaan op www.oorcheck.nl,  een site van de Nationale Hoorstichting. Dat klinkt minder commercieel dan Schoonenberg, al wil men mij wel erg graag oordopjes verkopen (voor als ik naar mijn volgende heavymetalfeest ga).
Wat blijkt? Volgens de test is mijn gehoor nog goed!
Ik had het eigenlijk kunnen weten. Want wij vragen onze kleinkinderen vaak: ‘kan het geluid van de tablet / de televisie wat minder?’, in plaats van dat zij uitschreeuwen: ‘opa en oma mag die televisie wat zachter?’. Dat was de tekst van de eerste spot van Schoonenberg.

0

DE GROTE COLLEGEZAAL

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (3)

We zijn met meer dan driehonderd. De grote zaal aan de Varkenmarkt in Utrecht zit in september 1970 meer dan vol met eerstejaars studenten psychologie. Lange haren, spijkerjackjes en pakjes shag vullen de grijze, kale ruimte, die verlicht is met tl-buizen.
Voorin de zaal discussiëren de veelbelovende wetenschapper Köster, de kin in de lucht, en de ouderwetse pedagoog baron van Ittersum, de deliriumhandjes in de zakken van zijn colbert, over de waarde van de fenomenologie. Wat is dat, fenomenologie, vraag ik me af. Heeft dat iets met vrouwen te maken? Ik durf het niet te vragen voor de volle zaal. Het zal wel dom zijn, dat ik dit niet weet.
Daarna zit ik in een werkgroep waar stevig wordt gediscussieerd. De student-assistent die de groep begeleidt zegt, dat hij het spannend vindt: ‘Het zweet staat in mijn handen’. Mijn mond valt open. Dat je onder woorden durft te brengen, dat je iets emotioneel moeilijk vindt! Dat heb ik nog nooit meegemaakt. En wat een ontspanning geeft zijn bekentenis. Het komt helemaal niet zwak over, integendeel. Dit wil ik ook leren, neem ik mij voor.
Later gebeurt er iets, waarvan ik nog meer onder de indruk ben. In zijn colleges vertelt Köster over de resultaten van zijn reukonderzoek. De grote zaal reageert kritisch. Wat is de maatschappelijke relevantie hiervan, wordt gevraagd. Wordt dit gefinancierd door het bedrijfsleven? Als zich hierover een discussie ontspint, roept een jongen in een Afghaanse jas: ‘Wat heb je nu aan dit gelul, terwijl de wereld klote is!’
Ik ben diep geraakt. Er is honger in de derde wereld, oorlog in Vietnam, overal worden arbeiders uitgebuit. Het moet allemaal anders, radicaal anders. Ik voel me schuldig dat ik nog niets hieraan gedaan heb.

De democratiseringsgolf op de universiteiten is vanuit Tilburg en Amsterdam overgewaaid naar Utrecht. Hier hebben studenten de kamer van de curatoren bezet. Ze eisen medebeslissingsrecht, one man, one vote. Minister Veringa bereidt de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming voor. Daarmee worden we ingekapseld, zeggen de radicalen. Ik vind dat ze gelijk hebben.
De Organisatie van Psychologiestudenten (OPSU) belegt een massavergadering waarvoor men dezelfde collegezaal aan de Varkenmarkt kan gebruiken. Er worden stencils uitgedeeld tegen de hoogleraren en hun onderonsjes. Boycot Veringa met zijn inspraakorganen, daar word je alleen maar ingepakt! De eis is dat psychologiestudenten voor elk onderdeel zelf een alternatief mogen voorstellen. Er wordt gepleit tegen massale hoorcolleges en voor projectonderwijs. Ik hoor het  instemmend aan.  De sportpsychologie, die de reden was waarom ik voor deze studierichting had gekozen, verdwijnt geruisloos aan de horizon.

Enige weken later kan de OPSU de grote collegezaal opnieuw gebruiken, nu voor een groot feest op een zaterdagavond. Dit weekend ga ik daarom niet met een tas vol vuile was naar huis.
De zaal ziet er zonder het tl-licht duister uit. Bij de ingang staan de kratjes bier hoog opgestapeld. Zou dat er allemaal deze avond doorheen gaan, vraag ik me af. Het lijkt me onmogelijk. Ik herken enkele actievoerders van de massavergadering. Student J. loopt op zijn eentje een beetje vreemd rond. Hij tast met zijn handen alle muren en het schoolbord af. Wat is hier aan de hand?
In het lawaai en gedrang speur ik naar meisjes die ik van colleges en werkgroepen ken. Als ik na een tijdje nog geen bekende gezien heb, stap ik maar weer op mijn oranje fiets. Op de Jutfaseweg word ik aangehouden door een Noorse vrachtwagenchauffeur op zoek naar ‘u kul’. Ik kijk hem niet-begrijpend aan. ‘Now, you arru a boy, I wanttu u kul’. Nu wordt het me duidelijk.
Dat juist ik dat niet begrepen had.

0

OP KAMERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (2)

Runstraat

De stapel Amerikaanse studieboeken ging mee en een weekendtas met schone kleren. Verder had ik nog een campinggasje ingepakt en een pannetje. Veel meer was het niet, waarmee ik in augustus 1970 verhuisde naar mijn eerste kamer aan de Runstraat in de Rivierenwijk in Utrecht. In het kamertje van 2 bij 3 stonden al een bed, een bureautje en één stoel. Daar kwam nog een butagaskacheltje bij, dat ik tevens als broodrooster gebruikte.
Alleen de muziek ontbrak nog. Daarom werkte ik drie weken bij stomerij Hartevelt. Ik sjorde broeken rond een pasvorm en joeg er dan een lading stoom doorheen. Bij de wekelijkse partij broeken uit het Willem Arntszhuis vermengde de chemische geur zich met de stank van urine. Zo verdiende ik mijn eerste bandrecorder.
Het houtwerk in mijn kamer was vijftiger-jaren-grijs van kleur. Met toestemming van de hospita verfde ik de deur en de balken van het dakbeschot oranje. Dat paste mooi bij een affiche van de NVSH dat ik een prominente plaats aan de muur had gegeven.
Mijn vader had geregeld dat ik mijn blauwe Tomos achter het huis in het gangpad mocht parkeren, dit met het oog op het criminele tuig in de grote stad. Toen ik merkte, dat iedereen op de fiets naar college kwam, liet ik mijn brommer ongebruikt staan roesten in de regen. Omdat ook fietsen vaak gestolen werden en ik nog wat oranje lak over had, verfde ik mijn fiets oranje. Alleen op Koninginnedag stapte ik wat beschroomd op.

Het ontdekken van het leven kon beginnen.
De uren overdag waren voor de studie, de avonden voor het bezoek. Als je ’s avonds alleen op je kamer zit, komen de muren op je af, had ik iemand horen zeggen. En dus trok ik er elke avond op uit om iemand op te zoeken, of er werd bij mij aangebeld, soms wel drie keer op een avond. Als bed en stoel bezet waren, nam de rest plaats op de grond. Kwam er iemand rond etenstijd langs, dan bakte ik wel eens pannenkoeken op mijn campinggasje. Mijn kleine kamer stond voortdurend stijf van de rook. Ik deed voor het eerst mee met een joint.
T. vertelde vol trots over zijn eerste vrijpartij. Vriend M., die op jongens viel, verzekerde dat stimulering van de tepels ook tot een orgasme kon leiden.  Ik aanbad in stilte het schuchtere meisje dat mij bij de bakker om de hoek hielp.
We spraken over alle zaken des levens, over studie en kamers, en vooral over wat goed en fout was. Verlost van ouders en school waren we bezig nieuwe kaders te ontwikkelen. We waren tegen de Amerikanen en tegen milieuvervuiling en voor Monty Python en voor Ajax.
Mijn oudere broer haalde huis-aan-huis handtekeningen op in de Rivierenwijk. Hij studeerde sociologie, maar was de wijk ingekomen om actie te voeren. Een andere tijd kondigde zich aan.
Ik weigerde mee te doen met de Volkstelling. Die viel in de categorie ‘fout’. Al hoopte ik vurig dat ik niet thuis zou zijn, als de teller aanbelde, want op weigering stond een  boete van f 500,-. Met mijn uitgavenpatroon van f 5,- per dag zou dat betekenen, dat ik weer broeken moest gaan stomen.
Het lukte me om afgekeurd te worden voor militaire dienst. Op S5, onaangepastheid. Er werd gezegd, dat ik nu nooit meer een baan bij de overheid zou kunnen krijgen. Het leger was echter overduidelijk fout en onaangepast wilde ik wel zijn, een oranje fiets had ik al. Bovendien, als ik als soldaat zou schieten zoals ik sprak, dan viel er met mij geen oorlog te winnen.

2

OP DE DIVAN

In het nieuws

Divan, Freud Museum London

Ik droom dat ik bij een spoorwegovergang de bomen omhoog zie gaan. Ik stap naast mijn moeder in een trein die langzaam op gang komt en een donkere tunnel in rijdt. Als de trein de tunnel uitkomt zit mijn vader tegenover mij. Mijn moeder is weg.
Voor een psychoanalyticus zou de duiding van deze nepdroom zo klaar zijn als een kontje. De spoorbomen die omhoog gaan staan voor een erectie, de trein die op gang komt voor de coïtus, de donkere tunnel voor de vagina en de rest voor het Oedipuscomplex. Ik begeer mijn moeder en ben bang voor de straf van mijn vader.

De psychoanalyse in Nederland bestaat honderd klaar en dat wordt uitgebreid gevierd. Het lijkt erop, dat de weinig overgebleven analytici hiermee zichzelf wat viagra willen toedienen om de zaak weer overeind te krijgen.
De theorie van Freud is, dat mensen niet alleen worden gedreven door overwegingen, normen en opvattingen, maar nog meer door het onbewuste: gevoelens, lusten, instincten. Het onbewuste openbaart zich bijvoorbeeld via versprekingen en verschrijvingen en via dromen en humor. Wat je werkelijk drijft kan je achterhalen door in analyse te  gaan. Hiervoor moet je vier tot vijf keer per week een uur op de divan liggen. Je associeert een eind weg over wat er op dat moment in je hoofd opkomt. Als je geluk hebt bromt de therapeut, die onzichtbaar achter je zit, af en toe een aansporing tot verdere exploratie van je gedachten en gevoelens. Deze frequente sessies moet je vijf jaar volhouden.
In Nederland wordt deze kostbare vorm van therapie niet meer vergoed wegens gebrek aan bewezen effectiviteit. In andere landen, zoals de Verenigde Staten, liggen dagelijks vele analysanten op de divan (terwijl buiten de psychiatrische patiënten verdwaasd achter hun winkelwagentje met plastic zakjes lopen).

Jaren geleden had ik via mijn werk nog wel eens wat te maken met het Psychoanalytisch Instituut Utrecht, de geilige tempel van de psychotherapie, gevestigd in twee majestueuze panden aan de Maliestraat. Daar werkten in zalen van behandelkamers de echte therapeuten, de belezen mannen die zich ver verheven voelden boven de doorsnee hulpverlener. Zij behandelden zo’n 5 patiënten per week, veelal goed opgeleide neuroten. De privacy stond hoog in het vaandel, patiënten mochten elkaar niet op de gang tegenkomen. Er waren nogal wat bekende Nederlanders bij. Verwarde psychiatrische patiënten behandelde men niet, de methode zou bij die groep alleen maar ontregelend werken.
Er was een forse ondersteunende staf, een schitterende bibliotheek met behulpzaam personeel en een eigen kopuleerafdeling voor de reproductie van honderden vagina’s over de nieuwe theoretische ontwikkelingen. De peperdure behandeling werd betaald door het ziekenfonds. Dus ik begrijp dat de SP daarnaar terugverlangt.

Kritiek op aannames of duidingen kon door de analytici gemakkelijk worden weerlegd als weerstand, voortkomend uit een onverwerkt verleden. Ook ik ben in dit stuk nog steeds met mijn vader aan het vechten. Mijn superego (mijn geweten) zegt mij nu echter, dat ik ook iets aardigs over de psychoanalyse moet zeggen.
Welnu, dit stukje is tot  stand gekomen, nadat ik een uur lang op mijn eigen bank heb liggen associëren op het woord psychoanalyse. Een uitnodiging ooit van mijn verleidelijke therapeute om in analyse te gaan heb ik weerstaan, maar concepten als het onbewuste en het superego hebben mijn zelfinzicht vergroot. In mijn terugblikken op deze plek was ik niet zo ver gekomen als ik niet van psychoanalytische inzichten had geprofiteerd.
Daarom feliciteer ik bij deze het psychoanalytisch genootschap. Met daarbij één adviesje: kom eens uit je ivoren phallus, de 19e eeuw is al lang voorbij.

1

NAAR DE UNIVERSITEIT

Herinnering

Deel 1 Serie Studeren in de jaren ’70

Ik had priester moeten worden. Op zolder had ik al vaak de mis opgedragen, de handen  omhooggericht, achter een oud dressoir dat als altaar diende. Maar op mijn 12e wilde ik voor geen goud naar een jongensinternaat. Daarna veranderden de tijden, de kerken liepen leeg en ik liep mee.
Sport was mijn lust en leven: gymnastiek, voetballen, tafeltennis. Ik organiseerde sportwedstrijden die ik vervolgens glansrijk won. Sportleraar worden leek een logisch vervolg, totdat ik een boek las over de psychologie van de sport. Over de schoonspringster die zich concentreert voor een sprong en de speerwerper die zijn aanloop inzet. De helft van de prestatie wordt bepaald door het zelfvertrouwen en de instelling, schreef psycholoog Grunwald. Dat sprak mij enorm aan. Want hoe ouder ik werd, hoe meer ik begon te twijfelen en hoe meer mijn zelfvertrouwen verschrompelde. Toen in de keuze van een studie mijn lievelingsvak Geschiedenis ook afviel – ik zag mij met een spraakgebrek niet voor de klas staan – was het besluit duidelijk.

Zomer 1970 meld ik mij bij de universiteit Utrecht voor de studierichting psychologie.
Weg van het schoolse gymnasium, weg uit het benauwde ouderlijk huis, de vrijheid tegemoet. Op eigen benen staan, zelf beslissen, ik kijk er erg naar uit. Maar al in de introductieweek ontdek ik ook een andere kant. Ik word bedolven onder een berg informatie over studentenverenigingen en kamerverhuur. Over hulpinstanties en condoomautomaten. Over derdewereldwinkels en aksiegroepen. De keuzemogelijkheden maken me onzeker. Binnen de introductiegroep ben ik een verlegen deelnemer die braaf om 01.00 uur naar huis gaat, omdat het al zo laat is. Na het eten op de Mensa ga ik het liefst een potje voetballen.

Met vriend Ton meld ik mij aan bij studentenvereniging Veritas. Van ontgroening zou geen sprake meer zijn, maar al op de eerste avond commandeert een ouderejaars de pas aangekomen studentjes: ‘Zitten! Opstaan! Zitten! Opstaan!’ Als Ton en ik, heldhaftig anti-autoritair, uit protest hiertegen de zaal willen verlaten, blijkt de deur op slot gedaan. De volgende dag leveren we onze lidmaatschapskaart weer in.
We gaan nog eens een avondje naar Prometheus, een vooruitstrevende vereniging. Maar het groepje studenten dat bij het licht van vloeistofdia’s stoned naar Ummagumma van Pink Floyd zit te luisteren spreekt ons ook niet aan.
Het ouderlijk huis, het gymnasium, de kerk, de studentenvereniging: de bestaande kaders vallen af. Ik moet zelf op zoek naar een nieuw houvast.

Daar zit ik dan, begin september, op de bank voor het ouderlijk huis in een vriendelijke nazomerzon. Naast mij een stapel van 9 dikke Amerikaanse studieboeken.
Voor mij opengeslagen ligt Dember & Jenkins, General Psychology. ‘If perception can be a construction and memory is a construction, it may be that memory does not store a set of objects or their copies but rather consists of activating the set of rules that were used in constructing the original perception’. Ik lees de zin drie , vier, vijf keer en weet dan nog steeds niet wat er staat. Ik doe op deze manier een uur over een pagina en word er wanhopig van. Hoe kom ik hier ooit doorheen en wat heeft dit in godsnaam met die speerwerper te maken? De kinderen uit de buurt vragen of ik met hen kom spelen.
Twee maanden later haal ik een 8,5 voor het tentamen General Psychology, terwijl het om mij heen onvoldoendes regent. Ik ben teruggevallen op een oud kader: braaf studeren om goed voorbereid aan een proefwerk te beginnen. De jaren daarvoor kreeg ik 9 uur Grieks en 9 uur Latijn per week. Die stof zei me ook geen moer, maar ik heb toen wel geleerd om te leren.
Was ik ook voorbereid op het zelfstandig wonen?

1

LUCILE

Muziek

Twee jaar geleden schreef ik op deze plek, dat de alt een uitstervend ras is. In de oude muziek worden de altpartijen bijna zonder uitzondering door een countertenor gezongen. Ik bekende hier mijn voorliefde voor de alt en eindigde met de oproep: laten de alten de podia terugveroveren.
Er glooit weer hoop voor mij aan de horizon. Aan mijn oproep heeft tenminste één alt gehoor gegeven en nog wel een hele bijzondere: de Française Lucile Richardot. Zij afficheert zichzelf overigens als mezzo-sopraan, maar ik ken haar alleen van altpartijen die zij op unieke wijze vertolkt.
Ik hoorde haar voor het eerst tijdens het festival Oude Muziek 2016 in Utrecht. Zij was een van de zangers in het Franse Ensemble Correspondances, onder leiding van Sebastien Daucé.
Lucile Richardot zong in september in Utrecht onder meer deze solo, Oro Suplex van Giovanni Legrenzi. De solo begint op 1:12:01.

Het begon er al mee, dat het concert opende met een stuk van Charpentier gezongen door zes vrouwen. Ik hoorde daarin iets vreemds en sloot mijn ogen om mij op het geluid te kunnen concentreren. En ja, daar was het weer: ik hoorde de stem van een man, er zong een tenor mee. Maar ik zag toch echt zes vrouwen op het podium staan. Wat ik voor het geluid van een tenor hield, bleek de stem van Lucile te zijn. Ik was weer eens in verwarring gebracht door een altpartij. Ditmaal niet omdat er een vrouwelijk geluid uit een man kwam, maar een mannelijk geluid uit een vrouw.
In de pauze gonsde het door de gangen van het Muziekcentrum: ‘Heb je die alt gehoord? Geweldig!’
Vriend A dacht dat het misschien wel een transgender zou zijn.
Thuis liet ik een opname aan G horen en gevraagd of zij een man of een vrouw hoorde zei zij zonder aarzelen: ‘een man’.

Op de Vivaldi-dag onlangs in Utrecht ging ik naar een concert van het Tsjechische barokensemble Collegium 1704 en, warempel, daar was Lucile weer, nu als solozangeres in het Stabat Mater en het Nisi Dominus van Vivaldi.
Zij kwam binnen, stelde zich op naast de dirigent en kwam niet meer van haar plek. Zij stond daar als een blok en bewoog niet. Ze liet haar ademspieren en mondspieren het werk doen. Wij zaten op de eerste rij en konden elk spiertje zien bewegen. Haar techniek is fabuleus. Ze zong prachtige lange lijnen, van zacht tot fluisterend stil en in het forte vulde ze met gemak de grote zaal van het Muziekcentrum met haar kenmerkende tenorachtige geluid. Ze zag er weer zeer vrouwelijk uit. Zou dat een reden hebben, vroeg ik me af.
Uit hetzelfde concert, maar dan op een andere locatie, hierbij een opname van een gedeelte uit het Nisi Dominus, het spannende Cum dederit. De solo begint na 1 minuut.

Lucile Richardot heeft niet de donkere warmte van Aafje Heynis of Kathleen Ferrier. Niet iedereen vindt haar stem mooi, maar bijzonder is haar timbre zeker.
Tijdens het applaus stond ik vlak voor haar. Ze glimlachte verlegen en draaide met haar ogen, alsof zij wilde zeggen: ’doe nu maar niet zo overdreven’. Toen wist ik het zeker: Lucile is gewoon een vrouw. Een mezzosopraan met een bijzondere stem.

NB voor liefhebbers van Franse barok: tik Ensemble Correspondances  in op YouTube en je vind vier mooie live concerten. Zaterdag 26 augustus a.s. treedt het ensemble weer op in Utrecht met motetten van Henry Dumont.

1

DE KEUZE VAN JE LEVEN

Herinnering
Heeroom 1

Mijn oom als journalist in Rotterdam, 1926

Hoe komen belangrijke keuzen in het leven tot stand? Voor een loopbaan, een partner, een verhuizing? De omstandigheden, rationele afwegingen, intuïtie en gevoelens, van alles komt er bij kijken. De laatste jaren denk ik steeds vaker dat je persoonlijkheid of karakter doorslaggevend is.

Ik ben bezig om de kast met familie-documenten, die mijn vader heeft nagelaten, te ordenen. Daarin kom ik veel stukken tegen over mijn Heeroom (1903 – 1989). Deze broer van mijn vader werd in 1927 monnik bij de cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten.
De cisterciënzer monniken leven teruggetrokken achter de muren en wijden een groot deel van de dag aan zingen en bidden. De leefregels in het klooster waren zeker in de 20e eeuw zeer streng. De monniken stonden om 2 uur ’s nachts op, zeven minuten later waren zij allen aanwezig in de bijna geheel donkere en in de winter steenkoude kerk voor het eerste Ave Maria, gratia plena. In de loop van de dag volgden nog zes gebedsdiensten. Tussendoor waren er ‘vrije uren’, bedoeld voor studie. Daarnaast werd er flink gewerkt in de brouwerij of op het land, welke werkzaamheden werden beschouwd als ontspanning. Bij het ontbijt at men alleen een paar korsten droog brood. In de vasten was het menu nog kariger. De vastentijd bedroeg ongeveer de helft van het jaar. Een monnik leefde celibatair, een eigen kamer had hij niet en er gold een absoluut spreekverbod. Zo ging dat zeven dagen per week, jaar in, jaar uit.
Mijn oom was voor zijn intrede enkele jaren werkzaam als journalist in Rotterdam. Zo jong als hij was, had hij toch in korte tijd een enorme waardering opgebouwd bij zijn collega’s, ook van andere dagbladen. Hij had een uitgebreide vriendenkring en had onder meer contact met bekende schrijvers als Anton Coolen en Anton van Duinkerken. En, misschien nog belangrijker: hij had de grote liefde van zijn leven ontdekt, Do, een onderwijzeres. Ze keken samen in de duinen naar de ondergaande zon en zaten uren op een bankje in de Rotterdamse Diergaarde, waar hij moest zijn om een stukje te schrijven over de bijzondere victoria-bloem, die daar toen bloeide. Kortom, een mooie toekomst lag voor hem.
Op dat moment koos hij ervoor om in te treden in de strengste kloosterorde van Nederland.

heeroom 2

Na zijn wijding tot abt, 1945

Deze drastische keuze intrigeerde mij in hoge mate. Daar wilde ik meer over weten. Gelukkig kom ik in het archief enkele interviews tegen, waarin mijn Heeroom openhartig ingaat op zijn roeping. Voorop staat dat hij altijd een zeer gelovig man is geweest. Daarnaast was hij idealistisch. Hij zag veel armoede en onrecht in de wereld en meende dat hij als kloosterling méér aan een betere wereld kon bijdragen dan als journalist. Tenslotte was hij principieel en streng van aard.
Eén deel van zijn karakter vind ik in het roepingsverhaal onderbelicht: de emoties. Mijn Heeroom was een zeer gevoelige man. Beschermd opgegroeid kwam hij als journalist in de grote stad terecht waar hij geconfronteerd werd met de harde kanten van het leven: armoede, criminaliteit, losse zeden. In een interview  vertelt hij over de hoeren, die hem een keer bijna hadden meegelokt. En er was natuurlijk die grote liefde, die heftige gevoelens opriep. Sterke emoties kunnen beheerst worden door vaste regels te hanteren en de stilte op te zoeken. En waar kan dat beter dan in een kloostercongregatie?
Mijn oom heeft nooit spijt gehad van zijn keuze. Terugkijkend op de jaren vóór zijn intrede zegt hij: ‘wanneer ik terugdacht aan dat dynamische leven, kwam het me toch erg donker voor.’ En over Do, de grote liefde uit zijn jeugd, zegt hij op zijn tachtigste: ‘uit mijn geest is zij nooit verdwenen. Ik bid dagelijks voor haar’.

2

VALT ER NOG WAT TE LACHEN?

Herinnering

In het tv-programma Wissels

In de tachtiger jaren vormde ik met twee andere stotteraars de cabaretgroep Groen & Geel. De  lachwekkende situaties die we speelden en de gevoelige liedjes die we zongen gingen veelal over onze eigen handicap. Stotteraars op de planken, dat trok de aandacht van veel media. Toen wij onze kunsten op televisie vertoond hadden, haakte Freek de Jonge daar ’s avonds in zijn voorstelling in Utrecht op in: ‘cabaretiers mogen niet stotteren en stotteraars moeten geen cabaret maken’.
De Jonge maakte wel vaker grappen over de gehandicapte medemens. Daarop aangesproken door de toenmalige Gehandicaptenraad, de hoeder van elk gebrek in Nederland, werd het plan geboren een festival over cabaret en handicap te organiseren onder de titel: Valt er nog wat te lachen? De Gehandicaptenraad nam de organisatie op zich, Freek de Jonge schonk de hoofdprijs van 2000 gulden en de KRO, de omroep die altijd al een zwak had gehad voor de gebrekkige medemens, beloofde de finale uit te zenden – op de radio, wel te verstaan.

We zagen er wel wat in om via dit festival onze bekendheid te vergroten. En we wilden best de concurrentie aangaan met andere gebrekkigen, zoals de Vereniging van Incontinenten in Nederland. Dat waren, naar eigen zeggen, toch maar een stel zeikerds. De zelfrelativering nam bij gehandicaptengroepen een hoge vlucht.
De voorronde kwamen wij glansrijk door, geheel in overeenstemming met mijn verwachtingen. Tot dan toe hadden we immers alleen maar veel lof ontvangen voor onze durf, waardering voor de teksten en bescheiden gelach om de grappen. Die bescheidenheid kwam voort uit de onzekerheid van het publiek of je wel om andermans ellende mag lachen. Het oproepen van die onzekerheid beschouwden wij als onze missie.

Vol goede moed en verwachtingen over het eindresultaat reizen wij dan ook naar de finale in de KRO-studio in Hilversum. Vijf verschillende acts mogen hun kunsten vertonen. Er doet een groep medewerkers uit de gehandicaptenzorg mee en een spastisch meisje, dat tussen haar schokkende bewegingen door een paar korte, maar onverstaanbare zinnen laat horen.
De jury bestaat onder andere uit Boudewijn Paans, de spastische hoofdredacteur van de VPRO-gids, Jack Spijkerman, humordeskundige van de VARA en Hans van Willigenburg, de KRO-presentator  die immer gehandicapt door een zongebruinde kop door het leven gaat.
Onze uitvoering verloopt vlekkeloos. De vanzelfsprekend aanwezige doventolk heeft geen enkele moeite om ons bij te houden, al moet ze haar bewegingen wel vaak herhalen.
De jury roept aan het einde van de middag een blinde jongen van 22 jaar tot winnaar uit. Hij stond voor dit festival voor de eerste keer op het toneel en zou een grote carrière tegemoet gaan: Vincent Bijlo. Ik ben teleurgesteld, maar kan hier wel mee leven.
Groter is mijn frustratie als blijkt dat wij als vierde eindigen, zelfs nog achter het onverstaanbare spastische meisje. Ik kan vindt deze waardering zo belachelijk en onrechtvaardig, dat ik op de terugweg resoluut besluit om te stoppen met dit cabaret. Later die avond stel ik het besluit bij tot het stoppen met het meedoen aan festivals.

In de Volkskrant komt enkele dagen later de aap uit de mouw. Boudewijn Paans beschrijft in zijn wekelijkse column het cabaretfestival. Over ons schrijft hij: ‘Groen & Geel probeert de handicap stotteren op de korrel te nemen en slaagt daar niet in. Niemand van de groep stottert en dat kan natuurlijk niet’.
Diezelfde dag nog schrijf ik Paans een brief op poten en daag hem uit telefonisch contact met mij op te nemen, zodat hij zelf de mate van vloeiendheid van mijn spraak kan vaststellen. Mijn broer stuurt een ingezonden brief naar de Volkskrant. Een reactie blijft uit.
In een hoekje van mijn kamer staat nog altijd de wanstaltige, inmiddels doffe prijsbeker die ons deel werd na het behalen van de vierde plaats.

1

WAT EEN MAN IS

Dagelijks

In 1973 werkte ik als leerling-timmerman. Ik stond elke ochtend al vóór zes uur op om de eerste bus vanuit Utrecht naar Montfoort te nemen. Elke keer als ik langs het station kwam, zag ik daar de wachtende treinen staan. En elke dag weer moest ik de aanvechting onderdrukken om op een trein te stappen, zomaar een trein, het maakte niet uit waarheen deze zou gaan, de vrijheid tegemoet.
wat een man isIn de roman Wat een man is van de Engelse schrijver David Szalay zijn alle mannen onderweg en op zoek. Eigenlijk is het geen roman. Het zijn negen verhalen over negen verschillende mannen, oplopend in leeftijd, zoals een werkloze Franse twintiger die op vakantie is op Cyprus, een Engelse makelaar die in de Franse Alpen vakantiewoningen moet zien te verkopen en een Russische geldmagnaat die op zijn peperdure jacht ronddoolt op de Middellandse Zee. Het verbindend element in de negen verhalen zou je ‘de toestand van de man in hedendaags Europa’ kunnen noemen.
Trouw-columnist Wim Boevink, die ik hoog acht, schreef in een recensie dat er na het dichtslaan van dit boek bij hem tranen kwamen. Dat was voor mij een aanbeveling om het boek te kopen.

Afgaande op het boek staat het er met de Europese man niet best voor.
In hun jonge jaren zijn het onvolwassen types, die op zoek zijn naar bevestiging, altijd hun zin willen hebben en voortdurend bezig zijn met seks. De dertigers en veertigers zijn uit op status en macht, wat vaak niet lukt. De oudere mannen in het boek zijn nog grotere tobbers. Een semi-gepensioneerde Engelsman in een goedkoop appartement in Kroatië lukt het niet meer om een vrouw te versieren. De Rus maakt plannen voor een suicïde op zijn jacht maar heeft het lef niet om deze uit te voeren.
Kortom, bij al deze mannen is er sprake van, zoals Wim Boevink schrijft, ‘een groot tekort, een onvermogen, een falen. In hun diepste wezen zijn ze eenzaam en op drift’.

david szalay

David Szalay

Bij mij kwamen er geen tranen. Ook geen grap trouwens, wat ik dan weer als een tekort ervaar.
Het mooiste vond ik de hoofdstukken waar levensvragen om de hoek komen kijken.
Zoals in het deel over  een Belgische taalwetenschapper die met zijn Poolse vriendin in de auto op weg is naar haar ouders. Hij wil zoveel mogelijk vrijheid om te doen en te laten wat hij wil, maar beseft, dat maximale vrijheid gelijk staat aan eenzaamheid. Want hij heeft  ook behoefte aan geborgenheid en samenzijn met zijn vriendin. Maar dan het liefst op zijn voorwaarden.
In het laatste hoofdstuk ziet een Engelse zeventiger in een klooster in Italië een spreuk boven een deur staan: Amemus eterna et non peritura. Laat ons liefhebben wat eeuwig is en niet wat vergankelijk is. Somber terugkijkend op zijn leven constateert hij dat eigenlijk alles vergaat en dat alleen de tijd eeuwig doorgaat.

Het boek biedt een mooi tegenwicht tegen het beeld van de sterke, in het leven geslaagde man. Elke man zou dit boek moeten lezen, zeker mannen die nog wel wat zelfkritiek kunnen gebruiken.
Waarschijnlijk was ik in 1973 ook eenzaam en op zoek. Maar ik ben nooit in zo’n wachtende trein gestapt. Ik had teveel plichtsbesef. Ik weet niet of dit een mannelijk gebrek is.

David Szalay, Wat een man is, Nijgh & van Ditmar, 2016.

1

EEN PRANGENDE VRAAG

Herinnering

In 1965 schuifel ik met een groep leeftijdgenoten onwennig het parochiehuis van de Biltstraatkerk in Utrecht binnen. De zaal staat vol met houten tafels en stoelen. Er is een toneel, de gordijnen zijn dicht. Vandaag is de bezinningsdag voor de 2e klassen van het Sint-Bonifatiuslyceum.
Een godsdienstleraar spreekt over onze toekomstige taak in de maatschappij, over huwelijk, gezin en seksualiteit. Daarna praten we in kleine groepen verder onder leiding van een vrouw van middelbare leeftijd.
Ik hou niet van dit soort gesprekken. Ik zit liever in de klas waar je een goed antwoord kan geven of een fout antwoord. Hier moet ik een mening geven over iets wat ver van mij afligt. Maar ik heb wel een prangende vraag. Alleen weet ik nog niet of ik die durf te stellen.

Als kind kwam ik eens op een winterse dag mijn bed uit, het was nog donker. Ik liep in mijn pyjama de trap af, mijn ogen toegeknepen vanwege het licht in de gang. Beneden stond mijn moeder mij op te wachten. Ze was ook nog in pyjama.
Dat was nog nooit gebeurd. Als ik opstond was ze altijd al aangekleed.
Nu nam zij mij mee naar haar bed, ik mocht op de nog warme plek van mijn vader liggen. Ook dat was nog nooit gebeurd. In het duister vertelde zij met zachte stem dat kinderen in de buik van de moeder groeien. Dat zo’n vrucht eerst nog maar zo klein is als een boontje, maar na negen maanden groot genoeg is om geboren te worden. Ik zag dat boontje voor me en ik vond het maar een vreemd verhaal.
Een paar jaar daarna zat ik met een aantal jongens bij de kapelaan. Aan het einde van het gesprek deed de kapelaan ons nog even snel een openbaring: dat alle jongens, vroeg of laat, een zaadlozing krijgen. Ik vroeg me af hoe dat zou gaan. Maar ik zou er niet aan ontsnappen, zoveel was duidelijk.

Op de bezinningsdag komt de kwestie weer naar boven. Er is intussen een vraag in mij gerezen: hoe komt die zaadcel toch bij de eicel in de buik van de vrouw terecht, zodat dat boontje kan gaan groeien? Ik heb opgevangen dat man en vrouw in bed met elkaar iets doen, maar wat precies? Tijdens een kopje thee vertelt mijn moeder dat een neef iets gedaan heeft wat niet mag. Er is een kindje op komst, hij moet gaan trouwen. Wat hij dan precies gedaan heeft, durf ik niet te vragen. Het is een schaamtevol gebeuren.
Ik hoor mijn vriendjes niet hierover spreken en als we in de biologieles bij de anatomie van het menselijk lichaam aangekomen zijn, zegt Nagel, onze leraar, dat bij mannen het urinebuisje iets verder doorloopt dan bij vrouwen. ‘Dat is het enige verschil’, zegt hij luchtigjes, waarna hij snel overstapt naar de functie van de nieren.

De bezinningsdag lijkt mij wel een geschikt ogenblik om een vraag te stellen over hoe zaad- en eicel elkaar kunnen vinden. Maar omdat dit onderwerp omgeven is door duistere gesprekken en schaamte kan ik alleen via een grote omweg een vraag stellen.
Ik had me al eens afgevraagd hoe zeelieden, die altijd van huis zijn en nooit bij hun vrouw in bed liggen, kinderen kunnen krijgen. Aan het einde van de dag, als de gespreksleidster rondkijkt of er nog vragen zijn, spring ik – god zegene de greep – in het diepe en stel heftig stotterend mijn vraag over de zeeman. De gespreksleidster lijkt voorbereid op alle vragen over een goed huwelijk maar vragen over zeelieden heeft ze kennelijk nooit gehad. Als ik eindelijk klaar ben met mijn worsteling vraagt zij onzeker: ‘je bedoelt hoe zo’n huwelijk in stand kan blijven?’. Ik zak teleurgesteld achterover en durf niet te zeggen dat ik iets anders bedoel.
Bezonnen maar onbevredigd stap ik weer op de fiets naar huis. Het onbezorgde leven lijkt voorbij.