Schrijven, Lezen, Leven.
0

OME ARIE

Herinnering

de familie Vonk eind jaren twintig

Begin jaren zestig kwamen ome Arie Vonk en tante Anna nog wel eens op bezoek bij ons. Deze oom en tante van mijn moeder woonden op een bovenverdieping aan de Wittevrouwenstraat in Utrecht. Het was een monumentaal pand, maar binnen kreeg ik sterk de indruk dat ome Arie en tante Anna het niet breed hadden. Het verhaal ging dat tante Anna gerust een omweg liep als zij elders een doosje lucifers één cent goedkoper kon krijgen.
In ons familiearchief vind ik een fotoalbum van de familie Vonk. De foto’s uit de jaren twintig geven een heel ander beeld. Arie en Anna bezitten een motor met zijspan en gaan goed gekleed dagjes uit naar het strand. Ik zie Arie in de huiskamer achter een piano met kandelaren en bustes van componisten. Klassieke muziekbeoefening in mijn moeders familie, dat ben ik nog niet eerder tegengekomen. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Wie was Arie Vonk en wat deed hij? Ik ga op zoek in archieven.

Bredaseweg Tilburg

Arie werd in 1880 geboren als halfbroer van mijn oma Ekelschot. Anders dan zijn voorouders werd hij geen boer, maar timmerman. Blijkbaar een intelligente en ondernemende timmerman, want hij is nog in de twintig als hij zijn eerste drie huizen bouwt aan de Schoolstraat in Vleuten. Hij trekt naar Amsterdam, daarna naar Tilburg. Daar bouwt hij rond 1913 samen met een compagnon tien herenhuizen aan de Bredaseweg. In Tilburg wordt ook hun enige kind geboren: Annie.
Het gezin verhuist naar Utrecht. Begin twintiger jaren begint Arie, naast zijn timmerbedrijf, een manufacturenzaak. Modemagazijn de Concurrent aan de Kanaalstraat in Utrecht staat er met grote letters op het raam. Op twee andere ruiten: Manufacturen, Garen, Band, Sajet. Van de Kamer van Koophandel mag hij de naam Concurrent niet meer gebruiken. Die was blijkbaar al in bezit van een mededinger. Op de winkelruit blijft de naam gehandhaafd en in 1924 staat in het Utrechts Nieuwsblad een advertentie in telegramstijl:

OPRUIMING – Manufacturen v.h. De Concurrent, Kanaalstraat 89, begint a.s. Maandag. Weer koopje halen.

de winkel aan de Amsterdamsestraatweg

De roaring twenties brachten welvaart in het gezin Vonk. Het leven lacht hen tegemoet. Men flaneert op zondag door Utrecht, gekleed volgens de laatste mode, de rok boven de knie. Samen met een zwager gaan Arie en Anna met de auto op vakantie in Zwitserland.
Misschien hadden zij een te grote broek aangetrokken. In de tweede helft van de jaren twintig verkast men naar een kleinere winkel aan de Amsterdamsestraatweg. De neergang lijkt ingezet. Op de golven van de economische recessie wordt de manufacturenzaak begin jaren dertig opgeheven. Wat overblijft is een naaiatelier, waar Tante Anna en haar dochter nog lang zullen doorgaan met het vervaardigen van gordijnen, mantels en japonnen. Ome Arie heeft nog altijd zijn timmerwerkplaats maar of hij nog zulke mooie huizen gebouwd heeft als in Tilburg, is in het Utrechts Archief niet te vinden.
Vanaf eind jaren dertig huurt het gezin de etage aan de Wittenvrouwenstraat. Enkele kamers worden onderverhuurd. Vlak na de oorlog staat Arie als ‘kamerverhuurder’ vermeld in een notarieel document. De gloriedagen lijken voorbij.

het pand aan de Wittevrouwenstraat

In 1963 overlijdt, als eerste, dochter Annie, een paar jaar daarna gevolgd door Anna. Arie slijt zijn laatste jaren in het Labrehuis, een katholiek opvanghuis voor alleenstaande ouderen en daklozen. Na zijn dood belanden de weinig overgebleven bezittingen, zoals zijn viool en zijn foto’s, bij zijn nicht, mijn moeder.

Het complete verhaal Op zoek naar ome Arie is voor familieleden te vinden in het familiearchief op deze website. Aan andere geïnteresseerden kan ik het toesturen.

1

EEN DELICATE TEST

Dagelijks

De paarse envelop lag weer op de deurmat. Dat betekende: werk aan de winkel na de stoelgang. Voor de lezers onder de 55 jaar: het gaat hier om een bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Mensen tussen de 55 en de 75 jaar worden om de twee jaar hiervoor uitgenodigd. Je ontvangt een buisje dat is afgesloten met een schroefdop. Aan die dop zit een staafje. Daarmee moet je vier maal in je ontlasting prikken. Vervolgens schroef je het buisje weer dicht. Je verpakt het in een extra beveiligd plastic zakje en stopt dit in een retourenvelop. That’s it.

Blijkbaar is er de afgelopen jaren nogal wat misgegaan in dit proces. Lekkende buisjes, open enveloppen, je kunt je er van alles bij voorstellen. Hoe dan ook, het onderzoek is omgeven door een overdaad aan informatie en instructies: een brief, een brochure, een gebruiksaanwijzing en een verwijzing naar nog meer uitleg op de website. Alles in eenvoudige en begrijpelijke taal beschreven. Zo wordt aan het begin van de brief voor de zekerheid gemeld, dat met ontlasting poep bedoeld wordt.
Wie, zoals ik, zich snel afvraagt of het wel goed gaat, krijgt door deze bulk aan instructies het beklemmende idee, dat er van alles in de soep kan lopen. Het begint er al mee, dat er beslist geen water of urine bij het onderzoeksobject mag komen. Omdat in onze wc de drol direct in diep water valt is dat nog wel een dingetje. Aangeraden wordt om een vuilniszak over de pot te spannen, je behoefte op een krant te doen of om een stuk karton in de pot te leggen. Gelukkig vind ik in de keuken nog een mooi wegwerpbordje met gouden stippen dat perfect in de pot past.

Stap 5. Ik moet prikken met het staafje. De instructie waarschuwt: ‘Er hoeft maar een heel klein beetje ontlasting aan het geribbelde puntje te zitten.’ Het zweet breekt mij uit. Wat wordt bedoeld met een heel klein beetje? ‘Te veel ontlasting zorgt ervoor dat de ontlastingstest niet kan worden onderzocht.’ Wat hebben de postbestellers en laboranten meegemaakt, dat deze waarschuwing vet gedrukt in de brochure is opgenomen?
Stap 7: ‘doe de ontlastingstest in het witte zakje met de blauwe rand.’ Er is maar één zakje, dat kan niet missen. Maar waar zit de plakstrip die ik moet verwijderen? Als ik een verkeerde rand er afscheur, kan het zakje misschien niet meer dicht. Het blauwwitte zakje moet vervolgens in een grote envelop. De plakrand hiervan blijft in mijn geval half open staan. Voor deze situatie heeft men nog geen instructie opgenomen.

foto: kwf

Dan volgt de gang naar de brievenbus. De retourenvelop is uitgevoerd in een groengrijze kleur met een dikke gele baan. Een kleurstelling die je nergens anders ziet. Vanaf honderden meters is duidelijk: daar gaat een senior met zijn poepzakje over straat. Terwijl men toch op de hoogte moet zijn van gevoeligheden op dit gebied. Op de camping lopen we niet zichtbaar met een wapperende rol toiletpapier en we haken een hoedje dat de wc-rol achterin de auto moet bedekken.
Gisteren ontving ik een witte envelop. De uitslag is positief, maar – zo waarschuwt de brief – ‘het bevolkingsonderzoek geeft geen 100% zekerheid.’

0

CENTEN TELLEN

Herinnering

De Willibrordkerk in Vleuten

Mijn vader was in de jaren vijftig en zestig lid van het armbestuur van de katholieke kerk in Vleuten. Iedere zondag stak hij de lange stok met het zwartfluwelen zakje langs de kerkbanken om de gaven van de gelovigen binnen te halen. Een goede katholiek behoorde immers niet alleen in het gebed om de minder bedeelden te denken.
Dat mijn vader in de volle kerk zo’n duidelijke functie had vervulde mij als jong kind met enige trots. Naarmate ik ouder werd verbleekte dat gevoel. Zeker toen hij eens op nieuwe schoenen met krakende zolen door de gangpaden liep. Het gekners hield maar niet op en trok het hele kerkgebouw door.

Een bijzondere bijkomstigheid was, dat mijn vader het geld mee naar huis nam om de opbrengst te tellen. Daarbij werden wij kinderen ingeschakeld. Nadat de berg met munten midden op tafel op een krant was uitgestort, haalde mijn vader eerst de guldens en rijksdaalders eruit. Dat was in een mum van tijd gebeurd. Daarna moesten wij de overgebleven centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes sorteren. Voor elke muntsoort was er een apart houten bakje. Door het bakje met munten te vullen wist je direct hoeveel de waarde was. Een volle stuiverbak leverde vier gulden op. Een dubbeltjesbak met tien gleuven stond voor vijfentwintig gulden. Hadden wij een bakje vol, dan kiepte mijn vader alle muntjes in een linnen zakje en noteerde het bedrag. Aan het einde van de telsessie volgde dan nog een voor mij intrigerende handeling. Mijn vader verzegelde de met een dun touwtje dichtgebonden geldzakjes met donkerrode zegellak en voorzag de nog warme lak van een stempel met zijn initialen (C.D., Cornelis van Dijk). Het is destijds nooit in mijn hoofd opgekomen om eens wat van de goede gaven van de kerkgangers achterover te drukken, al was het maar vijf cent. Maar was dit wel het geval geweest, dan zou dit plan door het zegelritueel onmogelijk zijn gemaakt.

Zo was jarenlang iedere zondagmiddag het centen tellen onze vaste bezigheid.
De eerste malen vond ik het fantastisch, zo’n berg geld op tafel waarmee ik mijn handen kon volscheppen. Maar al snel werd het tellen een sleur, een lijdzaam uitvoeren van een verplichte oefening. Bij voorkeur wierpen we ons op de kwartjes of de stuivers. Dan had je vlug een bakje vol. Alsof de tijd daarmee sneller voorbij ging.
Mijn vader hield er de moed in door verschillende spelletjes te bedenken. Iemand nam een voorwerp in zijn hoofd en de anderen moesten het raden. Eindeloos speelden we het plaatsnamenspel. Mijn vader noemde een letter en ieder moest dan om de beurt een Nederlandse plaatsnaam met die beginletter noemen totdat alle plaatsen die we kenden ‘op’ waren. Dan wist mijn vader er altijd nog wel tien te noemen. Hij had niet voor niets als jong kind dagen en weken over een landkaart van Nederland gebogen gelegen.

Als mijn vriendje Piet op maandagmiddag bij ons thuis kwam en de rij dichtgelakte zakjes op het dressoir zag staan, riep hij altijd uit: ‘jullie zijn stinkend rijk!’ Dat voelde als een zware overtreding.

1

OPWINDING IN DE BUURT

Dagelijks

Op zondagmorgen is onze buurtapp opeens in rep en roer. Een bewoner meldt een ervaring en pong, pong, pong, binnen no-time komt de ene naar de andere reactie binnen. Elke straatbewoner draagt zijn steentje bij, vergezeld van verontwaardigde, gekwelde en walgende gezichtjes. Pong, pong, pong.
De kwestie is er dan ook naar: een reëel ervaren dreiging, een aanval op het comfortabele leven dat wij leiden, een aantasting van het levensgeluk in onze ruime huizen.
De app die het bal opent is kalm van toon:
‘Vraagje: zijn er meer mensen hier die ineens veel vliegen in huis hebben?’
Het vraagje wordt, zoveel zal duidelijk zijn, van alle kanten bevestigend beantwoord. Ook in ons huis hadden we in de voorliggende weken dagelijks een aantal vliegen mogen begroeten. Ze gaan op de broodplank zitten of op de kale plek op mijn hoofd. We verbazen ons erover, maar zijn niet erg onder de indruk. Misschien komt dat wel door wat je levenservaring zou kunnen noemen.

Na de vaststelling van de overlast komen in de buurtapp tal van verklaringen langs: vocht in de kruipruimte, kieren in het systeem van mechanische ventilatie, rondslingerend eten. Maar de meeste stemmen gaan naar de ondergrondse kliko’s voor het restafval die de gemeente onlangs heeft geplaatst. Volgens velen stinkt de container en wemelt het er van de insecten. De zondebok is gevonden. De ene na de andere buurtbewoner laat weten, dat hij terstond een klacht bij de gemeente heeft ingediend. Iemand heeft de GGD om een onderzoek gevraagd. ‘Hebben die ambtenaren morgenochtend weer iets te doen.’
Een bewoonsters heeft op het internet een grote variatie aan vliegen ontdekt. Zij weet nu zeker dat de buurt last heeft van de klustervlieg, een sterk uitgegroeide kamervlieg. Anderen constateren dat vliegen twee tot drie weken oud worden en dat de vrouwtjes in die tijd wel duizend eitjes kunnen leggen. Het aantal opgewonden emoticons laat zich raden.

Diverse oplossingen komen langs: electrische vliegenmeppers, de stofzuiger, allerhande chemicaliën, de ouderwetse plakstrips en ultrasonische apparaten. Eén bewoonster vangt de vliegen onder een glas. Misschien zet zij de beestjes daarna wel weer buiten.
Zo gaat het een lange zondag door in de buurtapp. Een klein insect blijkt in staat de cohesie in de buurt te versterken. Een eigentijdse versie van Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan. Als er maar een gezamenlijke vijand is, of het nu een vlieg is of de gemeente. Wij houden ons buiten de discussies en zijn het helemaal eens met de overbuurman, die van onze leeftijd is: ‘de vliegen komen binnen door de kou. Maar ze leven niet lang, dus binnenkort hebben we er geen last meer van.’
Inmiddels is de kou ingetreden en heeft de overbuurman gelijk gekregen.
Het is maar goed, dat minister Grapperhaus (nog) niet de mogelijkheid heeft om app-conversaties op te eisen en in te zien.

0

LA VIA FRANCIGENA

Reizen

Assisi

In de dertiende eeuw stond in Midden-Italië een man op om zich in te zetten voor de armen en melaatsen. Zelf koos hij ook voor een leven in armoede. Hij bedelde om eten en trok zich terug in rotsholten om in eenzaamheid te bidden. Al snel had hij een aantal aanhangers. Zo ontstond de kloosterorde der franciscanen.
Direct na zijn dood bouwde men in Assisi een kerk voor Franciscus en omdat dat niet genoeg was om zijn weldaden te gedenken, bouwde men er nog een kerk bovenop.
Vorige week liepen wij in de voetsporen van de Franciscus de Via Francigena, een langeafstandswandelpad langs plaatsen waar Franciscus vaak was. Op zondagmorgen openden wij voorzichtig de deur van de onderkerk. Er was een mis met drie heren aan de gang. De banken zaten vol met gelovigen. Daarachter drentelden de toeristen heen en weer. We bezochten ook de Eremo delle Carceri, een van de adresjes tussen de rotsen waar Franciscus graag de nacht doorbracht. We zagen veel jonge franciscanen uit Afrika en Azië. Die hadden blijkbaar van Salvini wel een toegangskaartje voor Italië gekregen.

Franciscus

Een aantal jaar geleden klommen we in Toscane naar het franciscaanse klooster La Verna. We werden ingehaald door drie jonge fraters. Achter hen lopend zagen wij dat zij blauwe spijkerbroeken onder hun bruine pij droegen. Een van hen had een boek in zijn hand waaruit hij gebeden zong. Ik vond dat nogal knap op zo’n steile klim. Zijn vrije hand bewoog mee met de melodie. Bij een nadrukkelijke passage boog hij zich naar de andere twee.
Ook toen vielen wij met onze neus in de kloosterboter. In de kerk was een gebedsdienst aan de gang die gevolgd werd door een groep zo te zien eenvoudige Italianen. Om verder niet te storen trokken we ons terug in de kloostergang en haalden een boterhammetje voor de dag. De beklimming had ons hongerig gemaakt. We hadden echter niet kunnen vermoeden dat even later de deuren van de kerk open zouden zwaaien en de broeders gevolgd door het gemankeerde volk in processie naar buiten zouden komen. Voorop liep een zanger achter een kruis. Hij zong een litanie van mogelijke narigheden, waarop de volgers telkens Ora pro nobis antwoordden. Het leek ons op dat moment niet zo passend om de lunch daar voort te zetten. Wij pakten onze spullen en zochten naar de uitgang. In de haast om de optocht voor te blijven konden we de deur niet vinden (ora pro nobis). Zo heen en weer lopend werden wij, ongelovigen met wandelstokken en rugzakken (ora pro nobis), verschillende malen opgeslokt door de stoet van zingende mensen.

Dit jaar waren we geen onderdeel van een processie. Hoog boven Pissignano passeerden we nog wel een volgend klooster van franciscanen. Hier hadden de fraters zich als kluizenaars achter meters hoge muren teruggetrokken. Meer sporen van Franciscus waren er niet. We zagen vooral olijfbomen en ladders met daarop de onderste helft van een plukker. Onzichtbaar boven tussen de takken bevond zich de andere helft. Daar riste men met een harkje de olijven van de takken, zoals ik vroeger als kind met een vork de rode bessen van de trosjes haalde. De olijfolie is in Umbrië de basis voor de heerlijkste gerechten. De vraag is wat Franciscus daarvan zou vinden.

2

DE WITTE MAN

In het nieuws

Jarenlang was ik hoofd van een afdeling in de geestelijke gezondheidszorg. Anderen zeiden manager, maar ik hield niet van dat woord. Dat was nog in de tijd voordat de manager in onderwijs en zorg als grote veroorzaker van alle problemen werd aangewezen.
Op mijn afdeling werkten vooral vrouwelijke medewerkers. Regelmatig hoorde ik dan ook opmerkingen als: ‘allemaal vrouwen en dan moet een man weer de baas spelen!’ Dat soort uitspraken liet ik onbeantwoord. Een adequate reactie was niet mogelijk. Een weerwoord had óf mijn mannelijke dominantie bevestigd óf ik had mezelf in een slachtofferrol geduwd.
Maar een beetje schuldig voelde ik me wel. Mannen hadden eeuwenlang vrouwen onderdrukt, zo zeiden de feministen en ik was het daar mee eens. Ik had ooit rondgelopen met een button met een mannenteken, waarop de pijl slap omlaag hing. Als teken van schuld over de mannelijke dominantie. Ondertussen zorgde ik er op mijn werk wel voor, dat de zaken liepen zoals ik dat wilde.

In de huidige debatten in de media wordt er een groep benoemd die nog fouter is dan de manager. De overtreffende trap van de dominante man is de witte heteroman. In een bericht over de verziekte cultuur bij de Amsterdamse brandweer noemt een deskundige in Trouw als reden, dat het allemaal witte mannen zijn. In dezelfde krant worden de problemen in de accountantswereld verbonden met het grote aantal witte mannen dat er werkt. Dat stuit mij tegen de wittemannenborst.
Zo eenvoudig is het dus. We hoeven niet verder te zoeken naar oorzaken. Voor eens en voor altijd is duidelijk hoe de problemen de wereld in zijn gekomen. Het komt door de witte man.
Als Persis Bekkering in de Volkskrant het boek Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeiffer bespreekt, schrijft zij: ‘het lukt Pfeiffer niet zijn eigen witte-mannen-perspectief te ontstijgen. Elke waarneming past in zijn eigen denkkader.’ Wat knap van Bekkering dat het haar lukt haar eigen denkkader te ontstijgen!
Maar eigenlijk mag ik, als witte man, niets hierover schrijven. Net als vroeger zou ik er beter aan doen mijn mond te houden, want elke reactie is verdacht. Kijk naar Theo Maassen. Hij breekt in zijn nieuwe voorstelling Situatie gewijzigd een lans voor de witte man die in het verdomhoekje zit. Recensenten doorzien zijn humor en honen dat hij niet zo het slachtoffer uit moet hangen.

In de jaren nul was ik leidinggevende binnen een grote instelling. In de geest van de tijd had de organisatie een commissie ingesteld waar medewerkers die zich onheus bejegend voelden door hun manager hun beklag konden doen. Een van mijn medewerkers besloot mij voor het bedrijfsgerecht te slepen in verband met een hoogoplopend verschil van mening over een reïntegratietraject. Het betrof een donkere vrouw. Voor haar was een onderdeel van de klacht dat ik een witte man was die zich niet goed in haar situatie kon inleven.
Hoewel ik niet twijfelde aan de rechtmatigheid van mijn handelen, voelde de beklaagdenbank toch erg onaangenaam en was het een opluchting dat de commissie mij op alle punten gelijk gaf. Het was een commissie van witte vrouwen en mannen.

2

IN DE OPERA

Muziek

We have sacrificed uit King Arthur

Ik moet bekennen dat ik vrij laat was met mijn eerste keer. Ik was al vijftig toen ik voor het eerst naar de opera ging. We werden verleid tijdens een bezoek aan Verona. In het Romeinse amfitheater stond Aïda van Verdi op het programma. Weliswaar moesten we eerst drie uur wachten tot het gestopt was met regenen. Maar daarna ontrolde zich een schitterend spektakel van licht, enscenering en muziek.
Tien jaar later op bezoek in Weimar, op zoek naar sporen van Bach, konden we La Nozze di Figaro van Mozart niet voorbij laten gaan. Ook deze opera werd gezongen op een bijzondere locatie: het klassieke theater van Weimar. Ik had enkele aria’s niet lang daarvoor in mijn zangles gestudeerd. Dus het was genieten.
De afgelopen jaren heb ik enkele malen zelf meegezongen in opera’s, als koorlid en solist in King Arthur en Dido en Aeneas van Henry Purcell, muziek die ik nog graag beluister.

Toch houd ik niet van opera. En zeker niet van wat veelal als hoogtepunt in dit genre wordt beschouwd: de negentiende-eeuwse werken van componisten als Rossini, Puccini en Verdi. Ik heb thuis geprobeerd om ernaar te luisteren, maar er is geen vonk overgesprongen. Het zal wel met mijn jeugd te maken hebben. Te vroom katholiek.
Ik vind de verhaallijnen potsierlijk en overdreven: heimelijke verliefdheden, verbroken relaties, intriges en moordpartijen van het soort waar de huidige sensatiepers van smult. RTL Boulevard in klassieke vorm. Kostuumdrama’s met overspel, wroeging en een verlangen naar de dood als enige uitweg. Grootse woorden die bij mij weinig gevoel opwekken of het moet ongeloof of irritatie zijn. Sorry operaliefhebbers, maar sommige libretti doen me denken aan het Theater van de Lach met zijn verkleedpartijen, mannen in vrouwenrollen, vermommingen en verstoppertje in de bezemkast.
Muzikaal gezien valt er natuurlijk veel te genieten. De orkestpartijen in Don Giovanni van Mozart vind ik meesterlijk, maar ja, dan zijn er altijd weer de recitatieven, die saaie en muzikaal weinig interessante tussenstukken. Bovendien, de recitatieven klinken zo onnatuurlijk. Misschien is dat nog wel wat mij het meest in opera’s tegenstaat. Waarom zou je teksten als ‘de avond valt’ of ‘het eten wordt opgediend’ op muziek zetten? Waarschijnlijk bevalt Purcell me daarom zo goed: hij maakt geen gebruik van recitatieven.

Deze week van de hitparade op radio 4 wil ik gebruiken om een recente ontdekking hier te delen. Geen opera, maar een nieuwe interpretatie van het welbekende Miserere van Allegri. Een compositie uit 1638 met een relatief simpele melodie en een eenvoudig ritme, een monument van religieuze verstilling. Er zijn mooie uitvoeringen door Engelse ensembles als the Tallis Scholars of The Sixteen waarin de hoge sopraan er loepzuiver uitspringt.
Het Franse ensemble Le Poème Harmonique doet het anders. Geleidelijk voegen de zangers allerlei versieringen toe, waardoor een complex geheel ontstaat met schrijnende dissonanten. Ik was er diep door geraakt, zoals dat heet. Het is bijna alsof je een nieuw stuk hoort. Hierbij een kwartier durende opname van een live uitvoering onlangs in de Jacobikerk in Utrecht.

0

LEVEN IN LUXE

Herinnering

Ik fietste langs Kasteel de Haar, het sprookjesachtige kasteel in Haarzuilens, dat de laatste jaren zoveel drommen toeristen trekt en dat ik zo goed ken uit mijn jeugd in Vleuten.
Het kasteel uit de 13e eeuw was een van de verblijven van de invloedrijke Stichtse familie van Zuylen. Door oorlogsgeweld en stormen was het in de loop der eeuwen in een ruïne veranderd. Een lang gekoesterde wens om de Haar weer in volle glorie te herstellen kon eind 19e eeuw in vervulling gaan, omdat baron Etienne zo verstandig was om te trouwen met Hélène de Rothschild, telg uit een rijk bankiersgeslacht. Daarmee kwamen miljoenen voor de herbouw beschikbaar.
Etienne en Hélène waren een luxueus leven gewend. Hun nieuwe stulpje in Haarzuilens moest niet alleen de grandeur van het oude kasteel herstellen maar vooral ook het toppunt zijn van moderne luxe. Voor de herbouw werd Pierre Cuypers ingeschakeld. Het kasteel met tweehonderd vertrekken en vijfentwintig badkamers werd van alle gemakken voorzien: warm en koud stromend water, elektriciteit, liften en centrale verwarming, voor die tijd uniek. De ruimten werden rijk gedecoreerd. Rond het kasteel legde H. Copijn parken aan in Engelse landschapsstijl. Omdat Etienne en Hélène direct indruk wilde maken met hun schitterende tuinen werden er zes duizend volwassen bomen van elders aangevoerd.
Dit alles vertelde ik in mijn eerste spreekbeurt in de tweede klas van het gymnasium. Wat ik nu van het internet haal hoorde ik destijds van mijn vader die op tal van terreinen een wandelende vraagbaak was. Hij sprak met ontzag over de baron. Mijn opa die een smederij had in Vleuten had een zeer goede klant aan de familie van Zuylen. Allerlei smeedijzeren werken en het staal voor de volière (nu het theehuis) zijn door hem geleverd. Zo werd onze familie mede door de erfenis van de Rothschilds in de vaart der volkeren opgestoten.

De aanleg van de volière. De man bovenop de nok is mijn ome Ries

Ik vertelde mijn medegymnasiasten dat kosten noch moeite werden gespaard voor de bouw. Het bestaande dorp Haarzuilens lag in de weg voor de aanleg van de vijverpartijen. Daarom werd het afgebroken en honderden meters verderop weer opgebouwd. De volwassen bomen werden van de Utrechtse Heuvelrug aangevoerd op mallejannen. Omdat de Voorstraat in Utrecht te nauw was voor dit transport moesten ook daar enkele huizen worden afgebroken.
Het paar verbleef overigens alleen in juli en augustus op de Haar. De overige maanden bewoonde het een kasteel in Frankrijk. Kleinzoon Thierry die in mijn jeugd de baron speelde zette deze traditie voort. In de zomermaanden organiseerde hij luxueuze partijen voor de Europese jetset, onder meer voor Roger Moore, Coco Chanel, Maria Callas en Brigitte Bardot. Dagblad Het Centrum beschreef eens de dronken escapades. Zo was Gregory Peck op een motor tussen de eeuwenoude Japanse vazen doorgeslingerd.
Het kasteel is nu eigendom van een stichting en de landgoederen zijn gekocht door Natuurmonumenten. Maar sommige dingen zijn onveranderd. Jort Kelder, frontman van de Nederlandse mondaine wereld, kwam laatst hijgend bij Jinek binnen omdat hij had aangezeten aan een banket op de Haar. Buiten lopen nu, dat is wel anders, ontelbare Japanners en Chinezen met hun camera’s te klikken. Op afstand hoofdschuddend gadeslagen door een fietser die maar weer eens opstapt om terug te keren naar zijn eigen luxueuze stulpje.

1

STRAALBEZOPEN

Herinnering

Nog maar nauwelijks ben ik met mijn auto van het parkeerterrein van voetbalclub Excelsior de Honingerdijk in Rotterdam opgedraaid, of ik word staande gehouden door de opgeheven hand van een politieagente. Ze staat met enkele collega’s in het licht van een straatlantaarn tussen een paar rood-witte pylonnen. Verbaasd en wat zenuwachtig draai ik het raampje open.
‘Alcoholcontrole, meneer. Zou u even willen blazen?’
Ik kom net van een voetbalwedstrijd van mijn zoon. Na afloop heb ik in de businessclub, zoals betaald voetbalclubs de sportkantine voor genodigden noemen, nog even een biertje gedronken. Eén biertje, daarmee loop je toch niet tegen de lamp? Maar helemaal zeker ben ik er niet van. Ik ben nog nooit eerder gecontroleerd.
Dat blijkt als ik in het pijpje blaas.
‘Wacht even, andersom, meneer’, glimlacht de agente. Ze draait het pijpje voor mij om. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Onder haar pet steken blonde haren uit. Het valt me moeilijk om in haar een autoriteit te zien.
Ze leest de score af op de meter. ‘Uitstekend meneer, nog een prettige avond.’

Een half jaar later ontvang ik een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, divisie Vorderingen. De directeur laat mij weten dat men voornemens is mijn rijbewijs tijdelijk ongeldig te verklaren. ‘Dit besluit is genomen vanwege een aanhouding dan wel procesverbaal op 10 maart 2008 door de Regiopolitie Rotterdam Rijnmond, waarbij een alcoholpromillage van 2,56 is geconstateerd.’ Volgens de wet is een maximum van 0,5 promille toegestaan, voor jongeren ligt de grens bij 0,22. Die 2,56 zou betekenen, dat ik straalbezopen achter het stuur heb gezeten.
Mijn eerste verbazing gaat over in pret. Hier is een gigantische vergissing in het spel.
De brief vervolgt met de mededeling dat ik onverwijld dien mee te werken aan een onderzoek. Daarvoor moet ik mij melden op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis in Woerden. Weigeren om mee te werken betekent dat mijn rijbewijs wordt ingenomen. Mijn pret neemt al weer af.
‘Wat een onzin’, zegt G. als de brief gelezen heeft. Voor mijn kinderen die hun vader nog nooit ook maar één moment dronken hebben gezien, is de brief voer voor pesterige speculatie.

Ik bel het CBR met het verzoek om na te gaan waar iets fout is gegaan. Men hoort mij vriendelijk aan. Als ik het niet eens ben met de beslissing moet ik een bezwaarschrift indienen. Ondertussen moet ik wel meewerken aan het onderzoek, zo niet….
Als mijn irritatie weer wat gedaald is, begrijp ik het antwoord. Iedereen kan wel zeggen dat er een foutje is gemaakt. Is het niet kenmerkend voor een alcoholicus dat hij er op deze manier onderuit probeert te komen? Heb ik daardoor juist bijgedragen aan het imago van stevige drinker?
Direct, maar met grote tegenzin stel ik het bezwaarschrift op. Ik wacht nog even met het maken van een afspraak met de psychiater. Ze zien me daar aankomen. Daar heb je die man die met 2,56 promil in zijn auto is gestapt en het vervolgens probeert te ontkennen.
Twee weken later laat de directeur van de Divisie Vorderingen mij in een formeel briefje weten dat de procedure is stopgezet. Geen woord over een vergissing. Geen enkel excuus.

1

BRAZILIAANSE RITMES

Muziek

D’Allure in 2017 in Brazilië

Al enige jaren ben ik lid van D’Allure, een kamerkoor voor geoefende zangers van 60 jaar en ouder. Het koor oefent overdag tijdens de daluren. Vandaar die naam.
Wie dit blog al een tijdje volgt zal zich wellicht herinneren dat ik twee jaar geleden met D’Allure op reis was in Brazilië. We waren daar te gast bij Unicanto, een katholiek kerkkoor, dat zich buiten de kerk toelegt op swingende Braziliaanse arrangementen.
De afgelopen weken maakte Unicanto een reis door Europa. Ze mochten zingen in de Sixtijnse kapel. Dan tel je wel mee.
Natuurlijk kwamen de zangers ook naar Nederland, zodat D’Allure iets terug kon doen voor de twee jaar geleden genoten Braziliaanse gastvrijheid.
Op donderdag was er een gezamenlijke dag in Utrecht. Gehuld in blauwe clubtenues kwamen de Brazilianen binnen. Donker getinte naast blonde mensen. Nakomelingen van Afrikanen, indianen, Aziaten en Europeanen. In doorsnee kleiner dan de Nederlandse zangers en zeker een stuk jonger.
Er volgden omarmingen, zoenen en veel vriendelijk lachen naar elkaar. De meeste zangers spreken alleen Portugees en de meesten van ons komen niet verder dan een Hollands uitgesproken Bom dia of Tudo bem? Daardoor bleven Bolsonaro, de branden in het Amazonewoud en het voetbal onbesproken.

Unicanto op 19 september j.l. in de Geertekerk in Utrecht

Samen zingen ging een stuk beter, al waren ook op dit punt de verschillen aanzienlijk. We hadden een dag tevoren de partituur van Berimbau toegestuurd gekregen. De percussionist van Unicanto legde uit dat dit een vechtlied was uit de Afrikaanse traditie. Het is een sterk ritmisch lied met veel tempowisselingen en overgebonden noten. Ik had thuis geprobeerd om de beat te leren uit de partituur, maar dat was me totaal niet gelukt. Ik ben niet geboren voor het ritme. Geholpen door de Brazilianen kwam ik donderdag een heel eind.
Onze dirigent had voor het samenzingen Cantate Domino van de Amerikaanse componist Mark Hayes uitgekozen, ook een ritmisch stuk. Wij Nederlanders passen ons aan. Wij zingen Portugees mee, maar we laten de Brazilianen geen Nederlands zingen.
Terwijl wij in de middag onze eigen stukken repeteerden, gebruikten de Brazilianen de tijd om nog eens lekker te shoppen. Met volle tassen kwamen zij ’s avonds de Geertekerk binnen voor het gezamenlijke concert.
Dat werd een aardige clash van culturen. Mendelssohn na de bossa nova en een samba gevolgd door Tsjaikovski. Zingen uit het hoofd tegenover zingen uit partituren. Gepolijste tegenover minder geoefende stemmen. Swing tegenover een plechtig Onze Vader. Beweging tegenover stilstaan.
In Brazilië werden wìj destijds toegejuicht alsof wij het winnende voetbalelftal waren. In de Geertekerk werd voor Unicanto het meest hartstochtelijk geapplaudisseerd. Wat van ver komt is aantrekkelijk (maar niet altijd).
Met de gezamenlijk gezongen stukken brak de grote verbroedering aan.
Berimbau, berimbau, berim – bau.
De Braziliaanse dirigent sprak nog een paar mooie woorden over verbinding en liefde. Hij was net op audiëntie bij de paus geweest. Thuisgekomen vond ik een goudkleurig zakje met Braziliaanse snoep in mijn tas. Bananen-, pinda- en cocossnoepjes. Een zoete herinnering.

Bij gebrek aan een opname hierbij een een-stemmige versie van Berimbau.