Schrijven, Lezen, Leven.
1

MIJN EERSTE RACEFIETS

Herinnering

Het moet rond 1972 geweest zijn dat Wim T., een van mijn huisgenoten op de studentenflat, opeens op een splinternieuwe blauwe racefiets aan kwam zetten. Zo’n fiets waar Merckx en Zoetemelk op reden! Met belangstelling bekeken wij het kromme stuur, de remkabels die daarbovenuit bolden, het puntzadel en de dunne bandjes. De riempjes om de schoenen vast te binden leken ons wat link bij het afstappen. Wim parkeerde zijn aanwinst in het smalle gangetje van de flat. Dat vond ik wel een minpunt.
Nog geen jaar later liep ik zelf fietsenhandel Kok binnen, de enige zaak in Utrecht die destijds racefietsen verkocht. Even later kwam ik met een paars merkloos, want goedkoop exemplaar weer naar buiten. Overal waar ik kwam werd de racefiets met bewondering bekeken en uitgeprobeerd. Zéven versnellingen, dat was ongekend. En zo licht van gewicht! De gebogen houding waarmee je uitgestrekt over de fiets lag werd niet door iedereen gewaardeerd, al verzekerde een jonge vrouw dat zij op het puntzadel goed zou kunnen klaarkomen.

Wekelijks maakte ik een trainingstocht om me voor te bereiden op het volgende ideaal: samen met vriend Paul op vakantie met de racefiets. De bestemming voor onze toertocht was duidelijk. Dat kon alleen maar Frankrijk zijn.
Bij aankomst met de trein in Cahors, een middeleeuws stadje ten zuiden van de Dordogne, bleek dat mijn fiets de reis niet geheel ongeschonden was doorgekomen. Met enkele kale plekken op het frame en deukjes in het spatbord viel echter nog prima te fietsen. Dat werd anders toen ik tijdens de eerste klim flink op de pedalen ging staan en een behoorlijke speling in het trapstel voelde. Met de blik van een kenner zette ik de fiets op zijn kop. Tot onze verbazing rolden er zes kleine, zwarte kogeltjes ergens uit de fiets via de zadelbuis de onderkant van het zadel in. Boos op de hele wereld en op fietsverkoper K. te U. in het bijzonder liet ik mij schoorfietsend weer naar Cahors afzakken.

Fietsenmakers waren er destijds genoeg in Cahors, maar pas de derde die wij bezochten wilde er wel eens naar kijken. De zaak heette Tout pour le cycle en werd gedreven door een oud mannetje die in zijn vuile werkplaats geholpen werd door een doofstomme man met een zenuwtrek.
Toen wij na anderhalf uur terugkwamen was de baas juist bezig met een zware hamer flinke klappen uit te delen aan het trapstel van mijn nieuwe fiets. Bij iedere klap kromp ik ineen. Zijn rappe commentaar was voor mij niet te volgen. Na zes jaar Franse les op het gymnasium wist ik feilloos de woorden voor het middenschip en de zijbeuken van een kerk, maar aan de onderdelen van een racefiets waren we niet toegekomen. Omdat zijn methode blijkbaar niet de gewenste resultaten gaf maakte hij duidelijk dat het trapstel un peu forcé was en daarom vervangen moest worden. Tegen een bedrag dat een flink gat sloeg in mijn vakantiebudget kon ik de fiets de volgende dag weer ophalen.
Zwaar beladen vertrokken we die dag stroomopwaarts langs de rivier de Lot. Met goede zin, zeven versnellingen en strak aangetrokken riempjes reden we de vrijheid tegemoet.

0

EEN EXTRA DAG IN DE WEEK

Dagelijks

Ooit ontving ik op mijn werk een eervolle vermelding in een prijsvraag. De vraag luidde: ‘op welke innovatieve wijze kan de efficiency in ons werk vergroot worden?’ Efficiënt werken heeft mij altijd geboeid, maar deze prijsvraag schoot mij in het verkeerde keelgat. Ik beschouwde deze als de zoveelste poging van de directeur om ‘slimmer te produceren’. ‘Slimmer’ was altijd zijn eufemisme voor ‘méér’. Uit oubolligheid diende ik het idee in om tussen de woensdag en de donderdag een achtste dag in te voeren, de wonderdag.
Hoe irreëel ook, onlangs is mij gebleken, dat dit idee toch werkelijkheid kan worden.

In minder tijd hetzelfde doen, het is een belangrijk motief in de ontwikkeling van de mensheid. Wie eenzelfde product in minder tijd kan produceren is spekkoper. In het huishouden volgt de ene automatisering de andere op, zodat we steeds meer tijd overhouden.
Mijn leven lang ben ik al geobsedeerd door tijdsbesparing. Als kind zag ik een Amerikaanse film over een huisvader die met een stopwatch klokte hoe het dichtknopen van zijn vest het snelste verliep: als hij bij het bovenste knoopje begon of bij het onderste. Zoiets onthoud je niet voor niets.
Zo kan ik me bij de supermarkt ergeren als vrouwen (het zijn altijd vrouwen) de boodschappen rustig over de band laten lopen en pas na het afrekenen op hun gemak gaan inpakken. Mijn boodschappen zitten al in de tas als ik ga betalen en ik ben de winkel uit als mijn voorgangster nog staat in te pakken. Waarschijnlijk leeft ze een stuk langer dan ik.

Tijd is objectief te meten, maar de objectieve tijd komt vaak niet overeen met het gevoel. Daar liggen de mogelijkheden voor de wonderdag.
Zo’n dertig jaar lang was de woensdag naast mijn vierdaagse werkweek mijn huishoudelijke dag en oppasdag. ’s Morgens deed ik de boodschappen en ruimde ik het huis op, ’s middags paste ik op de kinderen. Dankzij een grote vrieskist kon ik eenmaal per week het brood bij de bakker kopen. Als ik daar de deur binnenstapte lag de bestelling al voor mij klaar. Ook dat is efficiency. Toen ik er niet meer voor de kinderen hoefde te zijn kwam het sporten voor het oppassen in de plaats. Maar de woensdagmorgen bleef al die jaren gereserveerd voor de boodschappen.
Sinds G., mijn meisje, dit voorjaar ook gestopt is met werken is alles gaan schuiven. Om redenen waar ik je niet mee zal vermoeien doe ik sinds kort op dinsdagochtend boodschappen. En zie wat gebeurt: de volgende dag, woensdag, heb ik het idee dat het donderdag is. Totdat ik besef dat het nog maar woensdag is en ik blij kan constateren dat ik een dag extra heb. Het patroon is er in dertig jaar zo ingesleten, dat ik na vier maanden van dinsdagse boodschappen nog elke week het gevoel van die extra dag heb. Een aanrader dus.
Voor wie vindt dat een week al lang genoeg duurt liggen hier omgekeerd ook kansen om het aantal dagen te bekorten.

2

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KIPPENHOK

Herinnering

Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.

6

SCHRIJVEN LOONT NIET

Dagelijks

Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.

0

TE PAARD!

Dagelijks

Het insectenhotel

Zondagmorgen. Wij maken een wandeling tussen Doorn en Langbroek, op de overgang van bos en wei, waar eeuwen geleden drassige landen zijn ontgonnen en machtige mannen kastelen lieten bouwen.
Het donkere water van de Langbroekerwetering weerspiegelt de traag voorbijtrekkende wolken. In de groene weiden wuift het lange gras zachtjes mee met een vleugje wind. Vogels kwetteren in de bomen en onzichtbare kikkers kwaken tussen het kroos.
We passeren iets wat door G. een insectenhotel wordt genoemd. Ik heb er nooit van gehoord, maar ik begrijp dat de beestjes in deze giftige tijden er ook wel eens uit willen.
Op een smal graspaadje trap ik bijna op een slang. Ik sta als aan de grond genageld, me niet bewust dat dit gebroed ook vlakbij Utrecht de paden onveilig maakt. Het is een fors exemplaar, ongeveer een meter lang. Het dier heft zijn kop. Met één klein oog kijkt het me een moment spiedend aan alvorens weg te kronkelen onder de graszoden.
Dat moet een adder zijn geweest, vermoed ik. Die zijn giftig. Ik denk wel vaker gelijk aan het ergste. Thuisgekomen zal internet mij leren, dat we een ongevaarlijke ringslang hebben ontmoet.

Het leven van de mens moet deze ochtend nog op gang komen, met uitzondering van de middle aged men in lycra. De goed gevulde buik uitbollend boven de stang van de racefiets scheren de mannen over de smalle wegen. Nog lang is hun geroep (‘voetganger! bocht!’) in de stille morgen te horen.
De racende mannen worden in deze contreien in aantal alleen overtroffen door paardrijdende vrouwen. Bij de stallen en maneges draaien de jonge-meiden-met-paardenstaarten hun vierkantjes.
Volwassen vrouwen rijden hoog bovenop hun forse ruinen over de bospaden. De bovenlichamen bewegen ritmisch mee op de stappen van het paard. Het zweepje in hun hand steekt een eindje uit. Als wij ons uit ontzag aan de kant van het pad opstellen, zegt een van de vrouwen: ‘rustig maar, ze doen niets.’ Het blijkt dat zij dit tegen haar paard zegt. Ik neem mij voor om voortaan ook zoiets te zeggen mocht ik nog eens een slang op mijn pad vinden.
Vlak buiten de bebouwde kom ontmoeten we enkele oude dames te paard, in een houding die verraadt dat zij hier al jaren rond rijden. Dat je hen niet hoeft te vertellen dat hun viervoeters niet zomaar mogen mesten. De kleine paarden sjokken alsof zij altijd hetzelfde rondje maken en de vermaningen om rustig te lopen wel eens zat zijn. Er hangt een merkwaardige geur rond het stel. Wellicht hebben de dames hun zadel ingesmeerd met vet dat al lang over de datum heen is. Ik weet het niet. Misschien zijn het wel hun rijbroeken met zeemleren voering. De ouderdom komt met gebreken.
Intussen is de middag aangebroken. Over de provinciale weg trekken rijen auto’s, op beide fietspaden geëscorteerd door zoevende e-bikes. De pannenkoekentent heeft de vlaggen uitgehangen en de zon breekt langzaam door.

1

EEN OUDE PIANO

Herinnering

Ik was vijfentwintig en zat boordevol plannen toen ik tijdens een sportuurtje in volle vaart met mijn hoofd tegen een andere sporter aanliep. Om mijn door elkaar geschudde hersens wat rust te gunnen zat ik regelmatig achter de piano van een huisgenote. Met behulp van het eerste oefenboek van Folk Dean probeerde ik een boerenpolka in mijn vingers te krijgen. Het beviel zo goed, dat ik besloot pianoles te nemen.
Toen er daarna hoorde dat iemand een aftandse piano voor 100 gulden aanbood aarzelde ik geen moment. Een eigen piano, dat maakte me niet alleen onafhankelijk van mijn buurvrouw. Het bezit zou mij in staat stellen om onbekende kanten van mijzelf te ontwikkelen, mijn gevoelens te ontdekken en mijzelf uit te drukken. De piano moest mijn grote vriend worden.
Voor een zelfde bedrag huurde ik een busje en toog naar Alphen aan de Rijn. Daar stond ie te wachten op mij, mijn Woltersdorf, het glanzend zwarte instrument dat mij tot in of minstens tot vlakbij de hemel zou brengen. Het geluid riep associaties op met een afgeragde cafépiano maar dat mocht de pret niet drukken.

Ik oefende iedere dag en maakte vorderingen. Ik schreef mijn eerste eigen compositie. Embattled illusions noemde ik het werkje in e-klein, niet beseffend dat ik mezelf hiermee een vingerwijzing gaf voor de toekomst. Na een tijdje schakelde ik over van het klassieke naar het populaire repertoire, van partituur lezen naar improvisatie.
In die tijd verhuisde ik regelmatig. Mijn spullen pasten in één bakfiets, dus zo’n verhuizing zou een peulenschil zijn geweest, ware het niet dat die verdomde piano iedere keer mee moest. Daar had ik bij de aankoop even niet aan gedacht. Na elke verhuizing klonk het instrument weer valser.

De jonge vader speelt nog eenmaal

Toen na acht jaar onze eerste zoon geboren werd, stopte ik met les en met spelen (de baby slaapt, de baby huilt, de baby moet naar buiten). Als laatste had ik nog een lied van Maurice Dumas¹ uit 1908 ingestudeerd:
Dames, heren, wil eens naar mij horen, welk geluk mij heden is beschoren
Want mijn vrouw heeft mij zo even, een ferme knappe zoon gegeven.
Strikt bekeken was het mij dus gelukt om mijn expressievermogen te vergroten.
Daarna begon de Woltersdorf aan zijn pensioen. Hij had al te lang moeten doorwerken. Ik kon het echter nog niet over mijn hart verkrijgen om hem de deur uit te doen. Wie weet zou ik nog eens inspiratie krijgen. Dus toen wij in 1985 verhuisden naar ons huidige huis moest er een takelwagen aan te pas komen om de piano een plekje op mijn kamer op de tweede etage te geven. Dat was een heleboel geld voor een parkeerplek.
Ik speel al jaren niet meer, enkele toetsen hebben het begeven, dus nu wordt het hoog tijd om het instrument uit zijn lijden te verlossen. Maar hoe? Waar laat je zo’n oud kreng? Het past niet in een container voor restafval en ik heb geen bedrijf voor piano-destructie kunnen vinden. Na wat rondbellen blijkt dat ik mijn Woltersdorf bij een afvalscheidingsstation mag inleveren. Moet ie nog wel eerst van de 2e etage af.

¹Maurice Dumas was een Nederlandse humorist en zanger, bekend van  Joseph, laat je broekie zakken en O lieve Mathilde als jij eens wist wat ik wilde.

1

HET EERSTE WOLVENGEZIN

In het nieuws

Maandagavond laat. Het is tijd om naar bed te gaan, maar als uitstelmanoeuvre ga ik naar de nieuwspagina van Teletekst.
Er heeft zich een tweede wolvin op de Veluwe gevestigd. Dat blijkt uit keutels waar de Wageningen Universiteit een dna-analyse op heeft uitgevoerd.
Interessant. Er moet dus iemand zijn, die de godganse dag met een loup en een plastic zakje de Veluwe afstruint. Misschien is het wel een hele ploeg medewerkers. Mensen die op zoek zijn naar een speld in een hooiberg en dan na dagen zoeken enthousiast in de poep beginnen te roeren. Je moet er blijkbaar voor gestudeerd hebben. Wie zou hier opdracht toe gegeven hebben? En wie betaalt dit?
Daaruit blijkt dat wolvin GW960f al zes maanden op de Veluwe verblijft
GW960f, een intrigerend getal. Zijn er al 959 voorgangers geweest? Hoe hou je die uit elkaar? En wat doet die f aan het einde? Is dat de wetenschappelijke afkorting van faeces? Verzamelt men ook snot, oorsmeer of sperma?
en dat GW960f daarmee een officiële inwoner van ons land is.
Nou, daar zou ik nog wel even een discussie over willen aangaan. Wat is de definitie van een officiële inwoner? Als je in een half jaar tweemaal een identificeerbare bolus op de Veluwe hebt gedraaid? Weten ze dat in Libië ook? Is er al een veterinaire immigratiedienst opgericht? Ik ben benieuwd wat onze autochtone eekhoorn en Hollandse vos hiervan vinden.
Eerder vestigde zich al wolvin GW998f op de Veluwe. Bij haar is een mannetje gesignaleerd.
Nu begint dit bericht toch oncontroleerbare trekken te krijgen. Waarom heeft dat mannetje geen nummer? Is het wel altijd hetzelfde mannetje en zo nee, moeten we daar dan niet eens een debat over voeren?
Van Joris Luyendijk heb ik geleerd, dat je nooit op één nieuwsbron moet afgaan. Via een bericht in de NRC (die wel het nummer van het mannetje meldt) kom ik op de nieuwspagina’s van de Wageningen University, de bron van al deze opwinding. De opdracht voor dit onderzoek, zo lees ik hier, is gegeven door BIJ12 (?) Wolvenkeutels zijn gemakkelijk te herkennen. ‘Ze zijn veelal ruim 25 cm lang en 3 cm dik’. Kijk, de onderzoekers moeten dus ook met een centimeter op pad.
Vermoedelijk vormen de twee een paar. De komende maanden moet uitwijzen of zij hebben gepaard en het eerste wolvengezin van Nederland een feit is.
De definitie van een paar lijkt me inderdaad dat twee levende wezens een aanwijsbare neiging hebben tot paren. Maar moeten we blij zijn met parende wolven, is de vraag die zich bij mij opdringt.
Het onderzoeksteam meldt dat er in het afgelopen kwartaal een edelhert is gevonden, dat gedood bleek door GW960f. Kan men dan niet beter wat wolven in de Oostvaardersplassen uitzetten in plaats van boswachters met karabijnen? Ook de aanslagen op schapen worden door de universiteit bijgehouden.
Dat wordt wat voor de schapenboeren. Ik geloof dat ik maar in aandelen ABC Hekwerken ga investeren. Of in de wapenhandel voor het afschieten van edelherten en wolven.
Ik doof de lampen en ga naar bed. Wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit, wie zei dat ook al weer?

1

HET WOONPARADIJS

Dagelijks

Mijn schoonouders hadden weinig te makken. Maar de spaarcenten die er waren werden om de paar jaar gespendeerd aan nieuwe meubels of nieuwe vloerbedekking. Bij ons is het precies omgekeerd. Wij hebben genoeg gespaard en doen al jarenlang met dezelfde meubeltjes. Hoe dit verschil te verklaren is, laat ik aan anderen over. Maar nu de scheurtjes in het leer van onze bank en de krassen op de bijzettafeltjes wel erg gaan opvallen ontkomen we er niet meer aan.
Kortom, wij zijn op meubeljacht. Welkom in de wereld van de woonwinkels. Groot, groter, grootst. Het woonparadijs is de ultieme uitdrukking van de overvloed in onze westerse maatschappij, iedere droom kan waargemaakt worden, de keuzemogelijkheden zijn eindeloos.
Ook in deze wereld dringt de tweedeling zich op: ruim opgezette afdelingen met dure designmeubelen tegenover étages waar je volgens vaste looproutes tussen de dicht opeengestapelde massagoederen loopt. Op de laatste is geen personeelslid te vinden, op de eerste wacht een keurkorps aan goedgetrainde verkopers hongerig op de paar klanten die aarzelend de meubelzaal betreden.
Jezelf niet opdringen, maar beschikbaar zijn als het moet, lijkt het credo van deze verkoper. Glimlachen, vragen, informeren, maar alles op een ingehouden manier. Dus komt er een klant met een bovenmatige interesse dan moet je als verkoper volharden. Je omzetcijfers worden immers gemonitord. Heeft de klant één vraag gesteld, dan duik je even later onverwachts achter een pilaar op.
Geleidelijk de mondige klant over de streep trekken, zo gaat de klantgerichte en omzetgestuurde verkoper te werk. Hij peilt welk vlees hij in de kuip heeft. Hij gooit zijn kennis in de strijd, zijn opvattingen over wat modern of kwalitatief is en hij paait. Kopje koffie? Stukje appeltaart erbij?

Afgelopen woensdag brachten wij van 10 tot 3 in zo’n paradijs door en al die uren hadden wij een verkoper als persoonlijk begeleider tot onze beschikking. We kregen een lunch aangeboden, vervolgens de blackbird van Eames, een peperduur kunstzinnig object, en als klap op de vuurpijl een cheque van 400 euro te besteden tijdens ons volgende bezoek. De marges zijn ruim op dit soort afdelingen.
Als klant kan je een beetje hulp best gebruiken. De overvloed aan mogelijkheden leidt al snel tot keuzestress. Wat neem je als uitgangspunt? De bank, de gordijnen, het vloerkleed? Welke stijl spreekt aan, welke materialen, welke kleuren? We waren al langs tig websites gescrolld en we wilden niet even zoveel winkels afgaan. We wilden iets moois en iets betaalbaars. Soms wilden we het onmogelijke. Maar bovenal wilden we onzekerheidsreductie. Dat kan de verkoper wel bieden.
Toen we bijvoorbeeld na lang wikken en wegen – en in goed onderling overleg – de keuze hadden gemaakt voor een bepaalde kast, waren we er nog niet. Er volgden nog talloze opties voor het soort hout, de kleur, links- of rechtsdraaiende deurtjes, lade of klep, plaats van het kabelgat tot aan de kleur van de dop die het kabelgat afdekt; alles via een flitsend computerprogramma aan je voorgeschoteld door de geduldige verkoper, die inmiddels al lang weet dat hij beet heeft.
Verkoper en klant, wat zouden zij zijn zonder elkaar?

0

NESTJE BOUWEN

Dagelijks

Zoals mensen verschillen in intelligentie, zo zijn er ook in het dierenrijk slimme en minder slimme wezens. Onze Youri zaliger bijvoorbeeld was volgens mij een kat met enig inzicht. Ik verbeeldde mij dat hij evolutionair gezien op weg was naar een meer menselijke status. Hij gebruikte regelmatig zijn poot om het voer in zijn bek te stoppen.
Zo heb ik ook gelezen, dat kauwen intelligente vogels zijn. Op welke plaats in de ranglijst van de knapste vogel de Turkse tortel staat zou ik niet weten. Ik vrees sinds deze week dat de tortel ergens in de onderste regionen vertoeft. (Omdat de tortel-met-een-migratieachtergrond een te lange formulering is, zal ik hier simpelweg over tortel schrijven).
Deze week mochten wij er getuige van zijn, dat twee tortels een nest gingen bouwen in onze oude pruimenboom. Het vrouwtje – beter gezegd de tortel die wij ervan verdachten het vrouwtje te zijn – settelde zich urenlang in een opvallende positie, de kop omlaag en het achterste omhoog, zodat wij aanvankelijk dachten dat een snelle paring aanstaande was.
Het mannetje toonde echter geen enkele belangstelling voor de geheven derrière. Het vloog continu af en aan met grassprietjes en kleine takjes, die hij als een kussentjes onder de kop van het vrouwtje probeerde te duwen. Althans dat leek de bedoeling. De tortels hadden een kruising tussen twee dunne takken uitgekozen om te nestelen, een plek waar elke aangeleverde bouwsteen weer terstond omlaag viel. Sterker nog, de stokoude boom is zo dicht bij het moment van euthanaseren dat het drukke gedoe van het mannetje de val van vele dode pruimentakken veroorzaakte. Op de grond onder de boom ontstond zo een nest van dode takken, die voor zeker vier tortelparen voldoende zou zijn. En het mannetje maar omhoog vliegen met minuscule twijgjes van elders.
Ik zag het met verbazing aan. Overtuig dan zo’n stel tortels maar eens van de hopeloosheid van hun onderneming! Ze moeten door schade en schande wijs worden, zou je zeggen.
Na drie uur bikkelen bleek het moment van inzicht gekomen. De derrière ging weer omlaag en de vogels verlieten onverrichter zake de boom. Ook ik kon mijn bezigheden weer hervatten.
De volgende morgen had het vrouwtje weer dezelfde houding op dezelfde plek aangenomen en vloog het mannetje weer druk en liefdevol heen en weer. Op het gebied van de wederzijdse liefde kunnen wij nog wel iets van tortels leren.
Na uren van vruchteloos bouwen, braken zij tegen het middaguur opnieuw hun arbeid af, mij met vele vragen achterlatend. Was het gebrek aan slimheid? Of was ik hier getuige van een aan mensen onbekend voorspel in de liefde? Mogen tortelmannetjes pas het vrouwtje bespringen als zij eerst hebben laten zien, dat zij onverwoestbare werkers zijn? Of ontbreekt het mìj aan slimheid om dit gedrag te verklaren?
Op de website van de Vogelbescherming las ik daarna: ‘het broedsel mislukt regelmatig. Soms valt het gammele nest met eieren en/of kuikens uit de boom of waait weg.’ Dat maakt echter allemaal niet uit. Het beest hoeft namelijk niet zo nauw te kijken: ‘de Turkse tortel heeft een uitzonderlijk groot voortplantings- en verspreidingsvermogen.’ Ach, zoveel verschillen ze dus niet van de mens. Wij mannen hoeven ook niet op een zaadje meer of minder te letten.

0

LOGEREN

Herinnering

‘Zal ik je een stukje duwen’, vroeg mijn moeder, ‘het is zo’n end’.
‘Nee!’, riep ik ferm doortrappend. Ik wou een stoere jongen zijn. Mijn moeder zag het met voldoening aan. We fietsten in de buurt van het Woerdens Verlaat en waren op weg naar tante Alie en ome Piet in de Hoef. Vanuit Vleuten was dat een afstand van bijna 25 kilometer. Voor een 7-jarige op een kinderfietsje geen peulenschil.
Het zou de eerste vakantie van mijn leven worden, al noemden we het niet zo. Ik ging logeren en ik vond het allemaal prachtig. Dé grote attractie voor mij was de roeiboot, die voor het huis in de Amstel lag. Dat roeien wilde ik direct zelf doen. Het bleek moeilijker dan gedacht, regelmatig belandde de boot in het riet. Ik vond het raar om achteruit te varen. Als de scharnieren piepten hield neef Gijs de roeispanen even in het water. Vervaarlijk over de rand van de boot leunend trok ik de drijvende pompenbladeren uit het water, me verbazend over de enorme lengte van de stengel. Ik wilde zien of ze allemaal zo lang waren.
Ome Piet was smid en fietsenmaker. Achter het woonhuis was een werkplaats waar mijn oom zijn kost verdiende in het spaarzame licht dat door de vuile ruitjes viel. De logeerpartij bestond niet alleen uit pret, want er moesten ook klusjes gedaan worden, zo bleek. Ome Piet had een goedkope restpartij van verschillende spijkers gekocht. Die moesten wij op lengte sorteren. Daar had ik niet op gerekend en mokkend vroeg ik me af of ome Piet wel bevoegd was mij zo’n opdracht te geven.

Het huis van ome Piet en tante Alie

Het kwartje dat we ermee verdienden lieten we, anders dan ik thuis gewend was, direct weer rollen. Bij de bakker kochten we Bazooka kauwgom voor vijf cent. Daar zaten wielerplaatjes bij van Gino Bartali en Fausto Coppi. Er ging een wereld van roem en glorie voor mij open. Ik nam mij voor alle plaatjes te sparen en vroeg ome Piet of er nog meer gesorteerd kon worden. Zijn nukkige antwoord stelde me teleur.
Tante Alie deed ondertussen haar best om mijn logeerpartij tot een succes te maken. Op een van de avonden stond er een enorme stapel pannenkoeken op tafel. Ik wilde niet onderdoen voor mijn vier jaar oudere neef. Die avond kon ik in de bedstee mijn misselijkheid niet de baas. Half overeind gekomen kotste ik het bed onder. Mijn tante zorgde zonder iets te zeggen voor een schoon bed.
Ome Piet kon nog wel eens onverwachts boos reageren. Zo riep hij een keer onder het avondeten: ‘Gatverdamme, ik ruik een wind. Wie heeft die gelaten?’ Met boze ogen achter zijn sterke brillenglazen keek hij de kring rond. Ik durfde niet te zeggen, dat ik het geweest was. Bedplassen, kotsen, er was al te veel dat ik niet had kunnen ophouden. Toen voelde ik ook nog eens tranen opkomen. Mijn oom stond met veel misbaar op en schoof achter mij het raam een end omhoog. Ik vond het logeren opeens niet zo leuk meer. Die 25 kilometer fietsen leek me nu een enorme afstand.