Schrijven, Lezen, Leven.
3

HET KATHOLIEKE HUWELIJK

Herinnering

Een innige omstrengeling van mijn vader en moeder in het najaar van 1951 zorgde ervoor dat ik de daarop volgende zomer ter wereld kwam, vandaag precies 68 jaar geleden. Van deze gebeurtenissen weet ik uiteraard niets. Wel weet ik nu, dat er in die tijd in de slaapkamers van katholieke echtparen veel problemen waren. De voortplanting was het meest besproken onderwerp in de biechtstoel en overal schoten Katholieke Bureaus voor Huwelijksmoeilijkheden uit de grond. Ik las de afgelopen tijd het boek Geestelijke bevrijders van Hanneke Westhoff over de geschiedenis van de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Daarin nemen huwelijk en seksualiteit een prominente plaats in. Het was allemaal nog veel erger dan ik gedacht had.

Een katholiek gezin – foto: Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)

Mijn ouders groeien op in de eerste helft van twintigste eeuw als de katholieken in een triomftocht naar buiten trekken om het ware geloof te prediken. Men leeft in de geborgenheid van het gezin, de parochie en het eigen onderwijs en in strikte gehoorzaamheid aan de kerk en de paus. De hemel is weliswaar nog niet bereikt, maar het scheelt niet veel. De alomtegenwoordigheid van de kerk gaat gepaard met een strikte controle van de pastoor op de naleving van de regels.
De katholiek dient zich te laten leiden door zijn verstand, dat op zijn beurt gestuurd wordt door de geboden van God. Emoties moeten worden beheerst, driften getemd. Genieten is gevaarlijk. Dansen, bioscoop en zonnebaden zijn verdacht, want lustopwekkend. Mannen met teveel energie moeten worden aangezet tot bezigheden: ‘timmer bijvoorbeeld een kerststalletje.’
Masturbatie vóór of tijdens het huwelijk is vanzelfsprekend een zonde. Het doel van het huwelijk is de voortplanting. Niets mag daarbij in de weg staan. Coïtus interruptus, voor het zingen de kerk uitgaan, is een doodzonde. Priesters worden opgeleid om in de biechtstoel hierop door te vragen. Wie zich niet wil voegen, ontvangt geen vergiffenis voor zijn zonde en mag niet ter communie gaan. Dan ziet heel de goegemeente dat jij tijdens het hoogtepunt van de mis in de bank blijft zitten. En erger nog: wie doodzonden begaat zonder vergeving eindigt in de hel. Zelfs periodieke onthouding is tegennatuurlijk, want tegen de wetten van God.

Een pastoor zegent kruisen – foto: BHIC

Het zijn vooral de gevoelige katholieken die hieronder leiden. Een hele generatie groeit op met tal van remmingen en angsten. Met afkeer van en schuldgevoelens over aanrakingen, genot en seksualiteit. Alleen al de gedachten eraan zijn zondig. In die sfeer ben ik opgegroeid.
De eerste psychologen in de jaren vijftig wijzen op het gebrek aan emotionele volwassenheid en op de risico’s van al die geboden en verboden. Maar psychologen zijn in de ogen van de kerk aanhangers van de zondige Freud. Als mensen problemen hebben dan is dat een kwestie van onwil, zwakte en slechte gewoonten. De leer van de kerk is de enige remedie: bid veel en vertrouw op God. Het geloof is nooit schadelijk, maar altijd heilzaam.

Eenmaal getrouwd is het parool: losgaan! Wat altijd verboden was, is dan opeens noodzaak en plicht. Aan het einde van hun huwelijksdag vonden mijn ouders dichtgenaaide pyjama’s in hun slaapkamer. Ik hoorde dit als kind en begreep er niets van. Het destijds opkomende pleidooi voor meer voorlichting was nog lang niet tot de pastoor van Vleuten doorgedrongen.

2

SLUISWACHTER

Herinnering

Vreeswijk is een oud plaatsje aan de Lek onder Utrecht. In de veertiende eeuw werd hier een sluis in de Vaartse Rijn gebouwd, waardoor Utrecht zijn scheepvaartverbinding met de Lek kreeg. Daarna kwam er een fort om de sluis te beschermen en groeide er een dorp omheen. In 1971 werd Vreeswijk met het buurdorp Jutphaas samengevoegd tot groeikern Nieuwegein.
Het hart van Vreeswijk bestaat nog altijd uit de Oude Sluis. Twee smalle straatjes met aaneengesloten bebouwing onder hoge bomen omzomen het dieper liggende water. Aan beide uiteinden is een ophaalbrug. Waar beurtschippers de trossen om de meerpaal mikten passeren nu de pleziervaartuigen. De laadplaatsen zijn terrassen geworden en in de grutterszaak zit een sieradenwinkel. De huidige horecazaken heten Kings Valley, Happy Garden en Luigi’s IJssalon.

Op 21 oktober 1906 viel sluiswachter Willem van den Hoek in het water en verdronk. Dagblad de Tijd meldde enkele dagen later: ‘De sluisknecht Van den Hoek is waarschijnlijk door te struikelen in de sluiskolk gevallen en verdronken.’ Een bericht dat in nog acht andere dagbladen verscheen, van Leeuwarden tot Arnhem en Rotterdam. De Nieuwe Tilburgsche Courant voegde er nog aan toe: ‘Den ganschen nacht heeft men naar hem gezocht; gisterenochtend werd zijn lijk opgehaald.’
Bij de herbouw van de sluis, van 1822 – 1824, had Dirk van den Hoek, de vader van Willem, met zijn paard alle materialen aangesleept. Daarna was hij sluiswachter geworden in dienst van de provincie. Dirk heeft meermalen drenkelingen uit het water gered. Schippers konden niet altijd zwemmen. Voor deze verdienste kreeg hij ooit een zware snuifdoos. Nadat zijn zoon Willem het werk had overgenomen, ging Dirk eenmaal per jaar naar het Provinciekantoor op de Pausdam in Utrecht om een ‘pensioen’ à f 100,- in ontvangst te nemen. Een pensioen was voor die tijd bijzonder. Eind 19e eeuw waren de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren blijkbaar al aardig geregeld.

Willem van den Hoek (1844 – 1906)

Zoon Willem was behalve sluiswachter ook een begenadigd zanger en dirigent. Naast het koor van de katholieke kerk leidde hij ook een zangvereniging. Op de bewuste 21 oktober had hij een repetitie van het kerkkoor geleid. Volgens de overlevering had hij de koorleden gemaand om het Kyrie Eleison, Heer ontferm u over ons, met meer gevoel te zingen. ‘Denk er toch bij na, wat je zingt’, had hij gezegd. Na afloop van de repetitie waren zij zoals gewoonlijk nog een borrel gaan drinken. Daarna had hij in het donker de kortste weg over de sluisdeuren genomen.
Willem van den Hoek was de jongere broer van mijn overgrootmoeder Theodora van den Hoek, de moeder van mijn opa van Dijk. Mijn Tante Jo schreef over dit ongeluk: ‘waarschijnlijk is hij onwel geworden. Hij had niet teveel gedronken, dat heeft men nagegaan.’ Deze laatste bewering heb ik niet kunnen checken.
Theodora had een van haar zoons Willem genoemd, naar haar broer. In 1883, jaren voor het ongeluk in Vreeswijk, was deze kleine naamgenoot op 3-jarige leeftijd, voor zijn ouderlijk huis tijdens het knikkeren in de sloot gevallen en verdronken. Toeval of niet, maar na het verdrinken van de twee Willems is deze naam in de familie nooit meer gebruikt.

3

DE WIERSCHUUR

Herinnering

Uitgerust met schepjes en emmertjes trekken de groepen kinderen het wad op. De opdracht is om een vierkante meter van het wad te onderzoeken en te noteren wat je tegenkomt. Elke groep wordt begeleid door twee ouders. De gedachte dat er op de eerste dag van het schoolkamp nog voldoende motivatie is voor een educatieve opdracht, blijkt ijdele hoop. In één groep wordt al snel landjepik gespeeld, in een andere bekogelen de jongens elkaar met schelpen. Sommige ouders, waartoe ik behoor, proberen met aanmoedigingen, uitleg of desnoods met stemverheffing de leerlingen bij de les te houden. Andere ouders vinden dat de kinderen zelf de motivatie moeten ontdekken. Die vrijheid slaat al snel over op alle kinderen, een paar gebiologeerd speurende meisjes uitgezonderd. Teleurgesteld loop ik terug naar de kampeerboerderij, waar stapels modderige gympen her en der in het rond liggen. De met sancties onderbouwde instructie om de modder onder de buitenkranen af te spoelen hebben de leerlingen op grote schaal genegeerd.
Welkom in de Wierschuur, het buitendijks gelegen groepsonderkomen op Terschelling, in 1998 door de Montessoribasisschool uit Utrecht afgehuurd als locatie voor het schoolkamp van de groepen zes, zeven en acht. De inrichting is uiterst sober. Alle opsmuk is weggehaald zodat er niets kapot kan gaan.

Tevoren zijn de reglementen van het kamp meegegeven en besproken, zodat op de eerste avond de kinderen op de afgesproken tijd naar de slaapzalen gaan. Zoals een slaapfeestje een feestje is waarop juist zo weinig mogelijk geslapen wordt, zo betekent bedtijd voor de leerlingen hier dat de lol kan beginnen. Om elf uur is voor enkele ouders de maat vol. Boos lopen zij naar de slaapzaal om tot stilte te manen. Hetgeen tot een flinke discussie leidt onder de ouders. De ene helft argumenteert dat de regels niet voor niets zijn afgesproken, de andere helft wil de kinderen hun plezier gunnen. Overeenstemming valt er niet te bereiken, zodat feitelijk het laissez-faire-beleid de overhand heeft. Ik constateer het tot mijn spijt, als ik als een van de eerste ouders mijn eigen slaapzak opzoek. En mijn oordoppen.
Mijn behoefte aan orde en regelmaat wordt deze week vaker op de proef gesteld. Als er friet gegeten wordt gaat een van vaders, die weer helemaal terug is in zijn eigen puberteit, met een emmer mayonaise en een soeplepel langs alle borden voor een flinke klodder. Na het eten veegt een corveeër flinke porties patat van de grond. Friet en mayonaise verdwijnen met de grof gesneden komkommer in de afvalbakken, terwijl de afdroogploeg met kletsnatte theedoeken wat sop van de borden aait. In de derde nacht treft een van de ouders om half vijf het grootste deel van groep acht ergens buiten aan.

Het zijn tenslotte de zilvermeeuwen die, tijdens een bezoek aan hun kolonie, iedereen stil in het gelid krijgen. De broedende vogels zien een groep van tachtig drukke kinderen hun kraamkamer binnendringen. De stok die de boswachter boven zijn hoofd houdt is volstrekt onvoldoende om de aanhoudende duikvluchten van de meeuwen boven de angstige kinderhoofdjes te stoppen. De excursie wordt desondanks een groot succes, evenals, later, het kampvuur en de bonte avond. In de trein terug naar huis heerst de stilte.

0

UITVAART

Dagelijks

Willen jullie begraven worden of gecremeerd, vroeg een van onze zoons vorig jaar, zonder enige inleiding. Hij denkt graag vooruit. G. en ik houden daar ook wel van, maar als het onze eigen eindigheid betreft is het heel aantrekkelijk om zo’n vraag voor je uit te schuiven. Zeker als het antwoord niet direct voor de hand ligt. Maar deze vraag verdiende een antwoord.

Alweer lang geleden nam ik vanuit mijn werk deel aan het Landelijk Platform Rouwverwerking, waar ik een mevrouw van de AVVL ontmoette. Toen ik haar eens vroeg waar de afkorting voor stond antwoordde zij met een besmuikt lachje: Arbeiders Vereniging Voor Lijkverbranding. De arbeidersbeweging heeft zich immers niet alleen ingespannen voor de achturige werkdag.
Tot 1955 was cremeren in Nederland verboden. Bij de eerste crematie in 1913 kwam een agent proces-verbaal opmaken. Daarna werden crematies volgens goed Nederlands gebruik gedoogd. Nu laat 60% van de mensen zich cremeren.
Was voor de vroege pleitbezorgers van crematie de hygiëne een belangrijk argument. Nu kiezen mensen voor het cremeren, omdat het goedkoper is en geen onderhoud vraagt of omdat men minder beslag legt op de beperkt beschikbare ruimte. Over de milieuvriendelijkheid van begraven en cremeren verschillen de meningen. Voormalig hoogleraar Lucas Reijnders noemt de mens die aan het einde van zijn leven is een wandelend vuilnisvat, vanwege de protheses, het amalgaam en het cadmium in de nieren. Bij beide vormen komen er dus schadelijke stoffen in het milieu. Vroeg doodgaan is vanuit dat oogpunt bekeken het beste advies.
Een voordeel van cremeren is dat een nabestaande desgewenst de as van de dierbare dichtbij kan bewaren. Dat gaat goed zolang je weet wat er in die vaas zit. Ik ken het verhaal van een verhuizing, waarbij iemand zich op het laatste moment realiseerde dat tante Aagje nog op de schoorsteen stond.

De laatste jaren is natuurbegraven in opkomst. In een bos met zo’n bestemming kan je je eigen plekje kiezen onder een boom. Het stoffelijk overschot wordt in een ongelakte kist en in afbreekbare kleding begraven op een plek die letterlijk voor de eeuwigheid is. Het is niet de bedoeling dat er een steen of een ander teken op het graf komt. Onderhoudsvrij dus. Zo bieden de trappistinnen in Oosterbeek, die hun inkomsten uit de boekbinderij zagen dalen en nog een mooi lapje grond over hadden, voor € 7500,- een prachtig plekje voor twee personen.
Tot 1963 was de katholieke kerk mordicus tegen cremeren. Afvoeren naar de brandstapel bleek geen geschikte straf, maar een kerkelijke uitvaart en een plekje op het kerkhof kon je wel vergeten. Sinds 2016 pleit Rome opnieuw met nadruk voor begraven, omdat – kort samengevat – God je anders niet meer uit de dood kan doen opstaan, zo staat te lezen in de instructie Ad resurgendum cum Christo (Verrijzen met Christus).
Het is voor mij bijna een stimulans om me te laten cremeren. Bij alle voors en tegens zijn het toch de beelden die de keuze bepalen. Het vuur, het as en de urn staan voor mij tegenover het vredige kerkhof met zijn bomen, planten en schaduwen. We hebben een begraafplaats uitgekozen. We hoefden niet te reserveren.

0

KEEPER

In het nieuws

“Waar hij loopt groeit geen gras meer..”

In 1970 schreef de Oostenrijkse auteur Peter Handke het boek De angst van de doelman voor de strafschop. Een kenner weet direct dat Handke een leek is in het voetballen. Een keeper kan talloze situaties meemaken die hem angst inboezemen, maar bij een penalty kan hij alleen maar winnen.
Dinsdag zond de NTR de documentaire Keeper van Johan Kramer uit. Die begint met de vraag, welke dwaas zich ervoor laat lenen om in een doel te gaan staan van 7,32 meter breed en 2,44 meter hoog. Wie er in staat voelt de onmogelijkheid van de opgave.
Een spits mag vier kansen missen. Als hij er daarna één inschiet is hij de held. Een doelman kan vier maal prachtig redden, maar als hij vervolgens één fout maakt, is hij de schlemiel. In het betaalde voetbal komt een keeper ook in financieel opzicht achteraan. Zijn transferwaarde en zijn inkomen liggen een stuk lager dan die van een middenvelder of een spits. Toch zijn er velen die ooit deze eenzame plek uitkozen. Of een contract hiertoe afsloten. Zoals mijn zoon. Het is de uitdaging je te onderscheiden in het onmogelijke. De wil om beslissend te kunnen zijn voor je team. Ik heb een zwak voor doelverdedigers.

Een keeper moet sprongkracht hebben, reactievermogen en een goede trap in beide benen. Hij moet zijn verdediging kunnen organiseren en inzicht hebben in het spel. Mijn zoon wist van elke speler in het betaalde voetbal of deze links- of rechtsbenig was. Misschien wel een van de meest onderschatte vaardigheden is het gevoel voor positie en timing: wanneer kom je je doel uit, wanneer blijf je staan? Wanneer spring je omhoog bij een corner? Een doelman moet zo’n keuze, die beslissend kan zijn, in een fractie van een seconde nemen.
Als een doelman al deze vaardigheden bezit is het tenslotte de mentale instelling die bepaalt of een talent uit de verf komt. Je hebt de meest kwetsbare positie in het elftal en daar moet je tegenkunnen. Zeker in het betaalde voetbal waar de beste stuurlui met duizenden langs de kant staan. Ook fysiek moet je trouwens tegen een stootje kunnen. Ik bewonder al die keepers die zich onvervaard voor de voeten van een aanstormende tegenstander werpen.

Alle doelverdedigers in het betaalde voetbal zijn uitstekend in staat om hun werk te doen. Toch is elke wedstrijd voor een keeper weer een wankel evenwicht. Succes of mislukking hangt van kleine dingen af. Of het rubber van de handschoen niet te nat of te droog is. Of de voeten goed zijn ingetapet. De eerste bal die je krijgt: kan je je daarin onderscheiden? Maak je een fout dan moet je je zien te herstellen. Iedere doelpaal bewaart de butsen van de frustratie van zijn beschermer. Keepers praten voortdurend in zichzelf om zich op te peppen. Ze spelen hun eigen wedstrijd. Daarin staat de nul houden centraal. Spelers komen met een winst van 4-1 blij het veld af. Een doelman baalt van die ene tegengoal. Maar een individualist is een doelman niet. Hij is met al zijn verantwoordelijkheid juist een echte teamspeler.
‘Je zult maar vader van een keeper zijn’, klonk het in de documentaire. Dan voel je de spanning en de kwetsbaarheid net zo sterk, maar je kunt zelf niets doen. Toen kreeg ik een brok in mijn keel. Tijd voor een volgende documentaire.

0

JEUGDBOEKEN

Herinnering

Omslag van de eerste druk, 1957

Oki en Doki.
Dat zijn de namen van twee matroosjes.
Zij hebben op een grote boot gevaren.
Op de boot van kapitein Paf.
Naar een heel ver land.
Onderweg hebben ze veel beleefd.
Zo begint het boek Oki en Doki zijn kapitein van Henri Arnoldus, met tekeningen van Carol Voges. Het was het eerste boek dat ik ooit las. Ik was vijf of zes jaar oud. Er waren nog meer deeltjes, o.a. Oki en Doki bij de nikkers (in 1971 veranderd in: bij de negers, in 1981 in: op een eiland – met een andere omslag).
Daarna las ik Tup en Joep, van dezelfde schrijver. Misschien ook nog wel Wipneus en Pim. In ieder geval de lotgevallen van Saskia en Jeroen door Jaap ter Haar. Eind jaren vijftig hadden kinderboekenschrijvers een opvallende voorkeur voor duo’s.
Na de zondagse mis liepen wij gelijk naar de katholieke bibliotheek, waar vrijwilligers – onder wie mijn vader – de boeken afstempelden. De Keurraad voor katholieke jeugdlectuur bestond nog. Hoewel er in de boeken van Arnoldus en ter Haar niet vaak werd gebeden of gespaard voor de missie, waren zij blijkbaar deugdzaam genoeg voor katholieke kinderen.

Toen ik wat ouder werd las ik de De Kameleon-serie, over de avontuurlijke tweeling Hielke en Sietse. En natuurlijk Kuifje. Er werd mij geleerd, dat het minder goed was om stripboeken te lezen. Dat was het gemakkelijke lezen, één stap verder was de televisie; een opvatting die ik later weer aan mijn kinderen heb doorgegeven.
Niettemin maakte niemand bezwaar als ik een Kuifje kwam lenen. Ik las de strips ook samen met een vriendje. Lazen we het boek snel uit, dan konden we het nog vóór sluitingstijd van de bibliotheek omruilen voor een ander. Het succes van de strip bestond uit een spannende intrige, een altijd goede afloop en in elke aflevering dezelfde figuren: de slimme journalist Kuifje, op cruciale momenten geholpen door zijn hond Bobbie, de verstrooide prof. Zonnebloem, de domme detectives Jansen en Janssen, de sopraan Bianca Castafiori (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’) en natuurlijk kapitein Haddock met zijn scheldpartijen als de boeven weer net waren ontsnapt (‘Duizend bommen en granaten! …Woestelingen! … Schurken! …Analfabeten! …Ectoplasma’s! …Wafelijzers!’), kannonades die blijkbaar de goedkeuring van de Keurraad hadden kunnen wegdragen.

Via de lagere school waren we geabonneerd op de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie) en later de Taptoe en in de vijfde en de zesde klas had meester Theunissen nog een voorraadje boeken in de kast achter zijn bureau staan. Ik las Arendsoog en ik verslond alle boeken van Pim Pandoer, mijn grote held die elk misdrijf kon oplossen.
Toen de meester eens voorlas uit een verhaal waarin het woord silhouet voorkwam, vroeg hij de klas wie wist wat dat betekende. Ik stak als eerste mijn vinger op: ‘een zwarte schaduw’. Die kwamen in Pim Pandoer nogal vaak voor. ‘Kijk’, zei de meester tevreden tegen de klas, ‘daaraan kan je zien, dat hij veel boeken leest.’ Dat was een complimenten om niet te vergeten. Het klopte overigens niet. Onder schooltijd wilde ik wel lezen, maar daarna speelde ik veel liever buiten.

1

GROETEN UIT AMELAND

Reizen

bron: eetcafé de Boerderij

Als wij het terras in Ballum oplopen vertrekt er net een gezin. Vader, moeder en drie jonge kinderen lopen naar hun fietsen toe. Terwijl wij een ogenblik stilstaan, rondkijkend welk tafeltje we zullen uitkiezen – er is genoeg plek – wenkt de ober ons. Het is een breed gebouwde man met een kaal hoofd. Hij draagt een zwart voorschoot dat tot op zijn enkels reikt.
‘Zou u dit voor mij willen invullen?’
Het is de tweede dag dat de terrassen in Nederland geopend zijn. Dus voordat wij een consumptie kunnen bestellen dienen we eerst een schriftelijke verklaring over onze medische toestand af te leggen. En in te vullen of we niet in aanraking zijn geweest met een discutabel geval. Plus onze namen en telefoonnummers. Na de ondertekening leg ik de pen terug in het bakje met pennen. De kale ober corrigeert mij. De gebruikte pen dient in een tweede bakje te worden gelegd, voor de te reinigen pennen.

We kiezen een tafeltje onder een van de hoge bomen die de beklinkerde hoofdstraat van het dorp markeren. Links en rechts zien we kleine gele huisjes uit de achttiende en negentiende eeuw.
Het gezin met de drie kinderen staat klaar om te vertrekken. De kleinste zit bij moeder voorop. Achterop vaders huurfiets zit het middelste kind en het oudste zoontje, ik schat hem een jaar of vijf, heeft zijn eigen fietsje. De ouders zien er wat gelaten uit. Alsof het uitje met de drie kinderen niet echt als vakantie voelt. Toen onze kinderen zo klein waren keek ik uit naar hun middagslaapje. Dan kon ik een boek pakken. ‘Eerst goed uitkijken’, zegt de moeder tegen de oudste zoon. Het klinkt niet alsof zij er veel vertrouwen in heeft.

We hadden gelezen, dat veel Nederlanders van plan zijn om vakantie in eigen land te vieren. Dan kunnen wij beter nu gaan, zeiden G en ik een weekje geleden tegen elkaar. We boekten een tweepersoons appartement op Ameland. Een paar dagen later zaten we met een mondkapje voor op de veerboot vanuit Holwerd. En zo fietsten we deze morgen duin op, duin af, over schelpenpaden en langs struiken die onder het wittige stof zaten. We constateerden dat we tot de kleine minderheid behoren die op eigen kracht fietsen.

De moeder van het gezin kijkt nog een keer naar links en rechts. In haar ene hand houdt zij haar fiets bij het stuur vast, haar andere hand rust op de schouder van de oudste zoon. ‘Oké, daar gaan we’, zegt ze, haar zoon een duwtje gevend. Het jongetje zet zijn voeten op de pedalen, houdt ze stil en valt om, op straat. In een vergeefse poging om de val te voorkomen raakt moeder uit balans zodat haar eigen fiets valt en het tweede kind tegen de grond smakt.
‘Zie je wel, dat gaat helemaal niet zo’, gilt ze naar de vader. Er klinkt een diep verwijt in door. Alsof hij gezegd heeft dat die knul makkelijk zelf kan fietsen en hij hem daarna aan zijn lot heeft overgelaten. Vader zegt niets. Hij zet zijn fiets neer en helpt de gevallenen weer overeind. Onderwijl buigt de kale ober voorover om onze koffie op tafel te zetten.

0

VERLEDEN EN TOEKOMST

Herinnering

De Lange Linschoten

Het moet ergens in de jaren zeventig geweest zijn. Of het door de fietstocht langs de Langbroeker Wetering kwam of door die langs de Lange Linschoten naar Oudewater, weet ik niet meer. Maar opeens was ik dol op ouderwetse boerenbuurten. Smalle weggetjes langs het water omzoomd door weggezakte knotwilgen, met aan weerszijden oude boerderijtjes, leilindes voor de ramen van de opkamer en rieten daken. De melkbussen op het erf omgekeerd op een houten rek, hooibergen waarvan het dak omhoog en omlaag gedraaid kan worden, klompen bij de deur. En tussen al die hoeven door de groene weiden met grazende of herkauwende koeien.
Het waren buurten waar de tijd had stilgestaan, waar de toekomst ver weg was en het verleden dichtbij. Waar hard gewerkt werd en eenvoudig geleefd en de boerendochters je vrolijk groetten. Zo leek het mij.
Ik ben afkomstig uit een dorp van boeren en tuinders, dus toen ik in 1970 naar Utrecht verhuisde om te studeren belichaamde de stad de toekomst en was het platteland ouderwets, afgedaan en oninteressant. Mijn aandacht was gericht op wat komen zou. Me ontwikkelen, vrienden maken, idealen nastreven. Dat bleef zo tot die fietstocht er een accent bij plaatste. Misschien kreeg ik daar, op mijn vijfentwintigste, voor het eerst heimwee naar het verleden. Maakte ik kennis met nostalgie, dat merkwaardige gevoel dat zowel prettige als pijnlijke sensaties geeft.

foto: David Hamilton

Ik hing in die tijd de hiernaast afgedrukte poster van David Hamilton op mijn kamer en mijn moeder vertelde mij over de ooit door haar verslonden streekromans van Herman de Man. Over het geharde leven van stijfkoppige en godvrezende boeren, die het doen en laten van hun voorouders volgen en elke nieuwigheid wantrouwend verwerpen.
Het was een periode, dat mijn eigen toekomst er onzeker uitzag. Misschien dat ik daarom teruggreep naar een veilig verleden en droomde over een eenvoudig landleven. Een leven dat ik nauwelijks kende. Ik had wel eens bij een vriendje thuis over de duistere deel gelopen, waar de koeien met hun mysterieuze blikken, hun voortdurende gesnuif en hun doordringende lichaamsgeuren mij vreemd voorkwamen – dan beschrijf ik hier alleen nog maar wat ik aan de voorkant zag. Ik voelde dan ook geen enkele aandrang om mij op een houten krukje onder zo’n kolossaal lijf te buigen en daar mijn levenswerk van te maken. Eenmaal had ik met dezelfde vriend meegeholpen met het binnenhalen van het hooi. Dat wil zeggen: nadat we een kwartiertje met grote houten harken wat hooi bij elkaar geraapt hadden, duwden we elkaar met veel plezier en tot ergernis van zijn vader in de hooimijten. Die lagen klaar om door een gespierde knecht met één zwaai van de hooivork op de wagen geslingerd te worden. Daarna genoten wij, liggend bovenop die hooiwagen, van een majestueuze intocht in het dorp. Dat waren zo ongeveer mijn ervaringen met het boerenleven.

Het leven ging na mijn vijfentwintigste door, de toekomst ontrolde zich als vanzelf, met een baan, een vrouw, een huis en kinderen. En nu, na mijn pensioen, klopt het verleden, ongepland, weer op de deur. Ik onderzoek het en schrijf erover. Nu is het verleden mijn toekomst geworden. En tussendoor fiets ik met plezier langs de Lange Linschoten.

0

JONG LEVEN

Dagelijks

In de vaart achter ons huis passeert nog wel eens een watervogel. Twaalf verschillende soorten lieten zich al bewonderen, zoals afgelopen maandag het koppel op de foto. Ik kan er niets aan doen, maar ik hou de aantallen bij.
Op een dag besloot een stel meerkoeten om maar eens te blijven hangen in het water bij onze tuin. Eigenlijk kregen we er zo twee huisdieren bij zonder ook maar iets voor hen hoeven te doen.
De meerkoet is niet mijn favoriete watervogel. Hij kan er natuurlijk niets aan doen, maar je hebt er al zo veel van, vind ik. Bovendien zijn meerkoeten nogal luidruchtig. Ze klakken met hun snavels dat het een lieve lust is. Misschien is het dat ook wel. G. is door dit geluid weer helemaal thuis in haar jeugd aan een boezemvliet in de Hoekse Waard.
Ik heb me nogal verbaasd over de meerkoet. Bijvoorbeeld over zijn manier van lopen. Zijn poten zitten recht onder zijn kont en niet midden onder zijn lijf. Een beetje vogel zou door zo’n bouw direct voorover kukelen. Zo niet de meerkoet, maar vraag me niet hoe hij dit doet. Lopen over water kan hij ook als de besten, met een snelheid die Jezus nooit gehaald heeft. En ik keek ervan op, dat een meerkoet niet keurig met de kippen op stok gaat (oogjes dicht, snaveltjes toe). Zelfs midden in de nacht, als G. slaapt, voelen ze zich geroepen om met hun geklak de herinnering aan de Hoekse Waard op te roepen.

De beestjes struinen de godganse dag langs het riet op zoek naar eten. ‘Daar hebben ze een dagtaak aan’, zei ik tegen G., om toch ook nog iets positiefs over de soort op te merken. ‘Nou ja, ze hebben toch niets anders te doen’, was haar antwoord.
Wie van de meerkoeten het mannetje is en wie het vrouwtje heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ze zien er nogal uniseks uit. Dat er toch twee verschillende geslachten rondzwemmen bleek een maand geleden. Opeens waren onze vriend en zijn verloofde druk doende om een nestje te bouwen. Een drukke tijd brak aan, het stel nam geen halve maatregelen. Op drie plaatsen tussen het riet werd een bedje opgemaakt. Ik zag een van de twee een poging wagen om met een dik stuk riet horizontaal in de snavel tussen de dicht opeen staande verticale stengels door te komen. Ook de meerkoet heeft zijn levensproblemen op te lossen.

bron: vogelsgrootewielen.nl

Twee weken geleden bleef een van de twee op het nest zitten. ‘Het jonge leven is in aantocht’, zeiden wij vertederd. We besloten direct de zwangerschap met wat broodkorsten te ondersteunen. ‘Goed voor het zog’, zei G., die weer helemaal terug was in de tijd van de blijde verwachting. (Denk overigens niet dat het stel solidair is. Ze pikken elkaar het brood uit de snavel.)
Op Hemelvaartsdag waren wij getuige van wat nog het meest leek op een in de prijzen gevallen EO-documentaire. Uitvergroot door de vogelkijker zag ik twee, drie, nee víer donzen meerkoetjes met rode kopjes van het rieten nest afstappen. Nog wat onzeker, maar gemotiveerd volgden zij pa voor de eerste zwemles. Ik twijfelde of we Lang zullen ze leven zouden zingen. De kokmeeuw die ik een week eerder in Leiden met een meerkoetkuikentje tussen zijn snavel zag wegvliegen, dacht er duidelijk anders over. Ook die meeuw had natuurlijk niets anders te doen.

0

EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID?

In het nieuws

De vogels laten zich danig horen. De heldere klanken van de merel, de aanhoudende tweekwartsmaat van de tjif-tjaf, het piepende wieltje van de heggenmus. Het groene riet schiet langs de waterkant omhoog en verdringt de bruine stengels van het afgelopen jaar. Er hangt een geur van gemaaid gras in de lucht.
Ook wij mogen weer naar de kapper. Wat ben ik blij voor alle dames die met hun uitgezakte permanent of het uitgegroeide grijs tussen de geverfde lokken de deur niet meer uit wilden. Ik heb eigenhandig de dikke lagen boven mijn oren uitgedund. Mijn kapper zal me wel een reprimande geven.
Wie erop uittrekt vindt weer genoeg punten waar men buiten een kop koffie voor je wil inschenken. De plas moeten we vervolgens nog wel ophouden. Maar niet getreurd, nog even en de terrassen gaan weer open, met een beroep op ieders verantwoordelijkheid. Dat past bij ons, zegt men. We leven niet in een dictatuur.
Mogen de grootouders hun kleinkinderen dan weer in de armen sluiten? We zagen de onze diverse keren in de open lucht, de anderhalve meter was niet eenvoudig vol te houden. Ze hadden mooie tekeningen voor ons meegenomen: oma met de poes op de bank, opa achter de computer, inclusief de kale plek op zijn achterhoofd. Realistische kunst. Kleindochter van zeven vertelde me alles over Marc Chagall. Zij volgt de tv-documentaires over zijn leven. Maar zij houdt nog meer van Vincent van Gogh.

En hoe gaan we het dan doen met de zangkoren? Door alle minuscule druppeltjes die de geopende monden verlaten is zingen net zoiets als hoesten. Moeten we sportzalen huren om de anderhalve meter te kunnen handhaven? Zingen met mondkapjes? In kleine groepen oefenen? Die digitale experimenten zijn even leuk, maar vooral even.
In de supermarkten tekent zich ondertussen een scheiding af. Tussen de mensen die geduldig wachten tot zij een product kunnen pakken en de mensen die hun eigen gang gaan. Voor de laatsten heeft de oefening in geduld nu lang genoeg geduurd. Het beroep op de eigen verantwoordelijkheid kent zijn grenzen. Overheidscampagnes brengen op zijn best kennis over (‘roken is dodelijk’). Om gedragsverandering te bewerkstelligen is meer nodig.

We willen zo graag doen wat we altijd gedaan hebben. We zijn eigenlijk verslaafd aan uit eten, concerten, buitenlandse vakanties. Dat gaat een liberale premier toch niet verbieden?
Ik moet denken aan een discussie, enige tijd geleden, over mogelijke overheidsmaatregelen om minder suiker in producten te verwerken. Iemand noemde dat op de radio staatsterreur. Hij mag toch zeker zelf wel weten wat hij doet? Elon Musk heeft zich ook niets aangetrokken van de lockdown in Californië.
We zijn vooral verslaafd aan onze autonomie, wij willen onze eigen gang kunnen gaan. Verslavingsdeskundigen weten dat in dat geval een beroep op de eigen verantwoordelijkheid maar een beperkte werking heeft. Het aantal besmettingen is de afgelopen tijd gedaald omdat de horeca dicht was, niet omdat er een beroep werd gedaan op ons gezonde verstand om cafés zoveel mogelijk te mijden. Dat hebben ze de afgelopen week zelfs in Seoul geleerd.
Welke idioot heeft dit virus trouwens ooit naar een sieraad van een hoogwaardigheidsbekleder genoemd?