Schrijven, Lezen, Leven.
1

ONDERZOEK VAN EEN DOOFPOT

Dagelijks

Liquidatie van de NSB’er Fake Krist in Haarlem

Vorig jaar schreef ik voor het blad van de Historische Vereniging Vleuten – de Meern een artikel over de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Het dorp was destijds geschokt. Van der Grift stond bekend als ‘een goede NSB’er’. Hij had verzetslieden gewaarschuwd als er een razzia op komst was. Onderzoekers betitelden de aanslag later als ‘dubieus’ en zelfs ‘onterecht’.
Zoals in veel dorpen zijn in Vleuten de oorlogsgebeurtenissen in de kast gestopt. Er werd niet over gesproken. Meer dan vijfenzeventig jaar na de bevrijding zijn alle hoofdrolspelers overleden. Dat wil niet zeggen dat de wonden geheeld zijn, zo bleek mij na de publicatie. Mijn artikel bracht niet alleen  emoties naar boven. Er kwamen nieuwe, bijzondere feiten boven tafel.

Het was mij tijdens het onderzoek voor het artikel niet gelukt om familieleden van Van der Grift te vinden. Ik had niet goed gezocht. De eerste lezer die reageerde was zijn dochter, nu een vrouw van in de tachtig. Zij was verrast door details die ze niet kende. Voor mij onthutsend was haar mededeling dat haar moeder ervan overtuigd was, dat de NSB achter de liquidatie zat. Mijn aanbod om haar versie van het gebeuren in een volgend artikel te beschrijven sloeg zij af. De publicatie had haar al te veel slapeloze nachten bezorgd.
Ik zou daarmee de zaak hebben laten rusten, ware het niet, dat er nog meer reacties binnenkwamen. De zoon van een verzetsman uit Harmelen vertelde dat hij wist wie de trekker had overgehaald. Hij noemde een naam en gaf een signalement. Het zou gaan om een man van buiten de regio die in hotel Het Wapen van Harmelen had gelogeerd. Ik zal deze man hier verder aanduiden met ‘Y’.

De NSB marcheert over de Maliebaan in Utrecht

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Zonder idee van de voetangels en klemmen begon ik te zoeken. Het hotel kon mij helaas niet meer aan de gegevens van de gasten van najaar 1944 helpen. Mijn geluk was dat de betreffende achternaam, volgens de databank van het Meertens Instituut, eind jaren veertig zeer weinig in Nederland voorkwam en dan nog alleen in de regio Rotterdam. Een tweede meevaller was dat een vriendin een collega had gehad met deze achternaam. De collega bleek bereid om binnen haar Rotterdamse familie navraag te doen naar het genoemde signalement. Dat leverde geen match op. Ondertussen had ik via internet achterhaald dat er in Rotterdam een winkelier Y. had gewoond, die lid was geweest van de NSB.
Ik plaatste een oproep in De Oud-Rotterdammer, een tijdschrift dat leeft van de herinneringen aan vroeger. Het leverde een reactie op van een negentigjarige die als jonge vrouw bij Y. in de winkel had gewerkt. In een telefoongesprek haalde zij allerlei herinneringen op. Ze beloofde mij foto’s van haar baas toe te sturen. Daarnaast ontving ik een aardige reactie van een dochter van winkelier Y. Toen duidelijk werd dat ik een gebeurtenis uit 1944 onderzocht haakte zij direct af. Daarna bleek ook de voormalige winkelbediende geen foto’s meer te hebben en zich niets meer te kunnen herinneren.

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging

Vervolgens las ik het complete dossier van Y. in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, een onderdeel van het Nationaal Archief waarin alle documenten van rechtszaken tegen NSB’ers bewaard worden. Hierin vond ik geen aanwijzingen voor aanwezigheid van Y. in Harmelen of Vleuten. Op één mogelijk verband na. Y. was in het najaar van 1944 lid geweest van de Landwacht, de beruchte opsporingsdienst van de NSB.
Wordt vervolgd.

0

SPANNING EN SENSATIE

Herinnering

Opbouw van de kermis in Tilburg

Door de hoge schoolramen zie ik het frisse groen aan de bomen. Witte bloesemblaadjes dwarrelen rond. Het is bijna zover, straks kunnen we gaan kijken. Ik kan bijna niet wachten. Meester Haarhuis vertelt ons het verhaal van Jozef in Egypte. Ik hoor het maar half. Als de schoolbel geklonken heeft hol ik met enkele vriendjes direct naar het weiland langs de Dorpsstraat. Daar wordt de zaak opgebouwd. In het gras staan brede sporen van autobanden. Stalen spanten worden in de lucht gehesen, met houten blokjes worden attracties waterpas gezet. Sterke mannen zwaaien krachtig met hun hamers. We zien een nieuwe attractie. ‘Daar ga ik zeker in’, zegt een vriendje.
‘Ik ook’, zeg ik stoer, maar ik weet niet of ik het durf. Ik ga het mijn broer vragen.

De volgende middag ben ik erbij, als na een toespraak van de voorzitter van het Oranjecomité de kermis van start gaat. De schommelschuitjes laat ik links liggen. We hebben thuis zelf een schommel in de schuur. Maar de zweefmolen is fantastisch. Begeleid door draaiorgelmuziek suis ik hoog door de lucht, met een extra zwaai van de jongen achter mij.
De nieuwe attractie bewaar ik tot het avond is.
Mijn favoriet is de cakewalk. Wij spreken het uit als keekwalluk. Eerst zijn er de op en neer bewegende platforms, waar ik nog wat talm in afwachting van het spannendste element: de loopbaan naar boven. Als je te veel naar achteren staat val je omlaag. Hier duwen stoere jongens bange meisjes naar boven. Ik heb geen hulp nodig. Nadat een lopende band mij weer beneden op een stapel gymnastiekmatten heeft afgeleverd resteert het jammerlijke gevoel dat het te snel afgelopen is.

’s Avonds is daar het moment. Het is al bijna donker, de kleine kinderen zijn naar huis. De draaimolen staat ingepakt stil in het duister. Grote jongens en meisjes lopen innig gearmd en stoere mannen verzamelen zich rond de schiettent waar zij met een toegeknepen oog hun geluk beproeven. Elders klinken de slagen op de Kop van Jut.

Ik loop met mijn broer naar de steilewandrace. Met kloppend hart klim ik naar boven. Van bovenaf kijken we over een houten ton met een diameter van zo’n acht meter. Over de onbeschermde rand zien we hoe beneden een motor kleine rondjes draait om op gang te komen. Een stoere man zonder valhelm stuurt zijn machine omhoog. Het gevaarte ligt horizontaal tegen de houten wanden. De motor maakt een donderend geraas, er hangt een geur van benzine. De houten platen voor onze borst trillen, ongemerkt wijk ik een stukje naar achteren als de motor vlak langs ons scheurt. Daarna verschijnen er twee motoren in de baan, de berijders rijden met losse handen. Als klapstuk wordt het publiek gevraagd, wie er achterop durft.
Als ik uit de steilewandrace kom, voel ik dat het koud geworden is. Het weiland is vochtig. Ik hol in één lange sprint naar huis, opgewonden door de spanning. Maar ook teleurgesteld, dat het weer afgelopen is.

2

EEN DIGITALE TOEVOEGING

Dagelijks

Als ik aan het begin van de morgen de PC opstart, verschijnt plots een mededeling: ‘Browsing protection by F-Secure is toegevoegd aan Microsoft Edge.’ F-Secure is ons beveiligingsprogramma. We gebruiken het al jaren. Begin dit jaar hebben we, op advies van onze ict-man, de beveiliging op onze computers nog eens uitgebreid, uiteraard tegen meerkosten, zodat we, verschanst in onze bunker met driedubbele muren, elke mogelijke vijandelijke aanval kunnen afslaan. Wij zijn van het type die zekerheid voor alles wil.
Maar, zo vraag ik mij af, waarom ontvangen we nu deze mededeling? F-Secure beveiligt – als het goed is – al heel lang onze gang op het web, welke browser we ook gebruiken. Het betreft geen update. Dus waarom moet er iets toegevoegd worden? Van wie is trouwens deze mededeling afkomstig? Er staat geen afzender bij. Zo ontvang ik op mijn telefoon ook periodiek een mededeling dat er updates geïnstalleerd zullen worden. Ik mag nog kiezen of ik dit meteen wil laten ingaan of op een later ogenblik. Ik ben tevreden met de updates, maar waarom ontbreekt er een afzender aan deze aankondiging? Ik weet dat ik niet op linkjes moet klinken die ‘mijn bank’ mij doorstuurt. Dat ik een digitale brief van ‘de overheid’ met de vraag om mijn Digid te vernieuwen moet weggooien en dat ik niet moet ingaan op het appbericht ‘Hey, pap kan je me duizend euro overmaken?’ Maar waarom dan van die anonieme berichten over toevoegingen en updates?

Als het goed is gebeurt er niets aan mijn computer zonder dat ik daar zelf toestemming voor geef. Ik moet derhalve met de toevoeging van F-Secure aan Microsoft Edge instemmen. Ik heb op dat moment echter geen zin om me in dit soort keuzes te verdiepen. Dus ik veins alsof ik niet thuis ben. De mededeling gaat echter niet van mijn scherm af. Ik word gedwongen iets te doen. Als ik op ‘Doorgaan’ klik verschijnt het volgende bericht: ‘Een ander programma op uw computer heeft een extensie toegevoegd waardoor Microsoft Edge mogelijk anders werkt.’ Wat betekent dit nu, vraag ik me af. De irritatie begint op te lopen.

Nu kan Microsoft Edge mij eerlijk gezegd gestolen worden. Ik kies er zelf nooit voor. (Dat doen anderen voor mij).  Maar waar ik niet goed tegen kan is de onduidelijkheid van de mededeling. ‘Een ander programma (welk?) heeft iets (?) toegevoegd waardoor Edge mogelijk (?) anders (?) werkt. Het hoort erbij, spreek ik mezelf toe, wind je niet op. Dit is de digitale wereld zonder welke we niet meer kunnen werken.
Dan valt mijn oog op een vraagteken. Kijk eens aan, ik kan uitleg vragen. Die luidt als volgt: ‘De extensie kan het volgende doen: communiceren met samenwerkende systeem-eigen toepassingen.’ Met dat antwoord moet ik het doen. Daaronder volgt onverbiddellijk de harde keuze: ‘Extensie inschakelen’ (blauwe kleur) of ‘Extensie uitschakelen’ (grijsgekleurd). Voor de liefhebber is er nog een link met uitgebreidere uitleg. Hier beland ik op een Engelstalige pagina vol met systeemeigen termen. Dit is het laatste dat ik wil. Het zal wel goed zijn, verzucht ik, en kies voor ‘Extensie inschakelen’.

0

THE BAND

Muziek

The Band

Om de zoveel tijd komt er op tv een documentaire over een legendarische zanger of popgroep. Ik mag daar graag naar kijken. Zo zag ik gefilmde portretten van onder andere Bob Dylan, Simon and Garfunkel en The Beatles. De documentaires kennen alle dezelfde opzet. Een mix van opnamen van de grootste hits, in hoog tempo afgewisseld met korte quotes van zo ongeveer iedereen die een rol heeft gespeeld: bandleden, managers, opnameleiders, platenbazen, leden van de crew, vriendinnetjes. Er hing altijd een groot gezelschap om zo’n groep heen. Steevast kijken de betrokkenen met superlatieven terug. Nooit eerder had een zanger of een groep zoiets bijzonders gedaan, het betekende een revolutie in de popmuziek, het was ongekend wat er gebeurde. Kortom, de bescheidenheid is ver te zoeken.
Ook de verhalen van de artiesten lijken op elkaar. Het begint met een jongeman die – vaak tegen de zin van zijn ouders – zijn ziel en zaligheid in de muziek legt. Hij richt een bandje op, bandleden gaan en komen. Totdat er opeens een manager of een platenproducent brood in die jongens ziet en de televisie het succes ruikt. Dan begint het te lopen en zien we beelden van uitzinnige fans, gepiel op gitaren in hotelkamers, bandleden die omringd door agenten naar een wachtende auto hollen. Ik word altijd een beetje week van zulke jongensdromen. Dat duurt gelukkig maar even, want na het grote succes van de groep komt veelal de omslag: onenigheid tussen de bandleden, drugsgebruik, dalende verkoopcijfers.

Onlangs was The Band aan de beurt, een Amerikaanse popgroep die eind jaren zestig furore maakte en in de korte tijd van zijn bestaan een heldenstatus wist te bereiken. The Band was in de jaren zeventig een van mijn grootste favorieten. De groep, begonnen als begeleidingsband van Bob Dylan, maakte een mix van blues, countrymuziek en folk. Later werd deze stijl Americana genoemd. De vijf leden waren stuk voor stuk zeer muzikaal, ieder van hen bespeelde meerdere instrumenten. Het waren gewone jongens die niet naast hun schoenen liepen. In plaats van de psychedelische muziek die destijds in zwang was, grepen zij terug op de bronnen van de Amerikaanse muziek: de blues en de folkmusic en in plaats van naar de stad en de vernieuwing hunkerden zij naar de traditie van het platteland. De jongens hadden met elkaar letterlijk een hechte band. Tot het moment dat ook bij hen de drank en de drugs de splijtzwam vormden.
In de documentaire kwam er op dat ogenblik een omslag. De superlatieven maakten plaats voor ontboezemingen. Doodzonde dat de groep uit elkaar viel, dacht ik, terwijl ik naar het plezier keek dat zij uitstraalden tijdens hun laatste concert, The Last Waltz.

Destijds luisterde ik nauwelijks naar de teksten. Ik werd vooral gegrepen door de landelijke en nostalgische sfeer. Kampvuurliederen met een stevige beat. Ik heb de elpees opnieuw beluisterd. De muziek roept melancholie op, maar tegelijkertijd verbaas ik me over het eenvoudige drumgeluid, het voor de hand liggende orgelloopje, de stemmen die in de hoogte verkrampen. Vond ik dit nu het einde? Heb ik deze platen grijs gedraaid?
De ontnuchtering duurde maar even. Ik kijk alweer uit naar een volgende documentaire, het volgende verhaal van roem en mislukking, het verlangen naar wat ooit mooi was.

0

WAAR IN ‘T BRONSGROEN EIKENHOUT

Dagelijks

Een stukje buitenland in Nederland. Zo voelt het Limburgse Heuvelland. Als ik deze week tussen de nog groene korenvelden en kersenboomgaarden wandel, over modderige paadjes en natte grintwegen, komt er een vraag bij mij boven. Had Limburg eigenlijk niet gewoon buitenland moeten zijn? Ik ga eens struinen op internet. Het blijkt een complexe historie.
Toen Napoleon in 1815 overwonnen was wilden de belangrijke Europese staten een sterke buffer aan de noordgrens van Frankrijk. Daarom werden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samengevoegd onder Koning Willem I. Pruisen had ook zijn zinnen gezet op dat mooie Limburg, maar die wens werd niet ingewilligd.
Een gelukkig huwelijk tussen Zuid en Noord werd het niet. Het Nederlands was als standaardtaal ingevoerd en katholieken werden als tweederangs burgers behandeld. In 1830 waren de Zuidelijke provincies de achterstelling door dat protestantse Noorden zat. Men sprak van arrogante Hollanders en van uitbuiting. De zuidelijken scheidden zich af en Limburg sloot zich aan bij België.
Wederom kwamen de grote mogendheden in het geweer. Het had iets met de broze stabiliteit in Europa te maken. Er waren in meer landen grensconflicten. Zij deelden in 1831 het hertogdom Limburg op en voegden het oostelijk deel weer bij Nederland. Zeer tegen de zin van de Limburgers.

Vreemd genoeg was Limburg ook nog lid van de toenmalige Duitse statenbond, waardoor de Limburgse vertegenwoordigers in het bondsparlement er in 1848 voor pleitten om Limburg onderdeel te maken van een nieuwe Duitse staat. ‘Limburg is een jammerlijke strook gronds, een uitwas van ons land, dat onze beste sappen verteert’, zo meende de Arnhemse Courant. In de Nederlandse politiek voelde men er wel voor om Limburg aan de Duitsers te laten. De Bond viel in 1866 echter uit elkaar en zo werd Limburg in 1867 alsnog Neerlands elfde provincie.
Na de Eerste Wereldoorlog deed België nog een laatste poging om oostelijk Limburg terug te krijgen vanwege de vermeende Nederlandse steun aan Duitsland. Het neutrale Nederland had weliswaar aardappels uitgevoerd naar Duitsland en vervolgens in november 1918 de Duitse keizer binnengelaten toen die opeens aan de grens bij Eijsden stond. Voor de geallieerden was dat echter onvoldoende reden om grondgebied af te pakken. Van een afscheidingsbeweging in Limburg is sinds 1919 niets meer vernomen.

Gank mer wiejer en maak andere bliejer

De Limburgers sloten zich aan bij België, ze deden een poging om onder de Duitse vlag te komen en steeds weer hoorden ze van de grote jongens, dat ze moesten spelen met die eigenwijze Nederlandse kinderen. Wat zij helemaal niet wilden.
Nederland had er een elfde provincie bij, een aanhangsel op de oevers van de Maas, ingeklemd tussen België en Duitsland. Met zijn eigen dialecten en zijn eigen cultuur: het carnaval, de schuttersfeesten, de processies. Zijn invloedrijke bisschop, zijn KVP, zijn PVV en zijn eigen lokale politieke mores.

De vraag stellen of deze provincie wel bij Nederland past is even zinloos als de vraag of Nederland niet eigenlijk de zeventiende deelstaat van de Bondsrepubliek is (zoals sommige buitenlanders denken).
In Eys plant een oude vrouw verse bloemetjes voor een kruisbeeld op straat. Schiet er op een begraafplaats een kruis over, zo vertelt zij, dan plaatst men dat ergens langs de weg. Zo blijft Limburg de provincie die het altijd geweest is.

0

VIJLEN (VIELE)

Herinnering

Vakantieherinnering (5)

Deze week zijn we op vakantie in Vijlen, Nederlands hoogst gelegen dorp, niet ver van Vaals in het Zuid-Limburgse heuvelland. We huren een woning in vakantiepark Reevallis. Tussen 1995 en 2000 zijn we hier viermaal met onze twee zonen geweest.
We waren gewend om eenmaal per jaar een weekje uit te gaan in eigen land. Ieder jaar gingen we naar een andere bestemming, zodat we aardig wat delen van Nederland hebben gezien. Reevallis vormde de uitzondering op deze gewoonte. G. en ik genoten van de vele wandelmogelijkheden, over modderige karrensporen, langs oude boerderijen met poorten die toegang geven tot de binnenplaats, langs kruisbeelden en kleine kapelletjes. Waar we ook liepen, we zagen altijd de spitse toren van Vijlen als baken in het landschap. We hielden van de gemoedelijke sfeer en de Limburgse vlaai. We voelden ons thuis in het kleine winkeltje in het dorp, een melkboer die vanachter zijn toonbank ook allerlei kruidenierswaren verkocht. Daartegenover zaten de bakker en het dorpscafé A Gen Kirk (nu nog steeds). We hielden van een diner in de Vijlerhof, waar de ober de ouderwetse soep aan tafel voor je opschepte.

1995

Vanuit de vakantiewoning keken we uit over een golvend landschap van groene weiden en bruine akkers, onderbroken door bochtige zandwegen en plukjes donkergroene bomen.
In het begin nam zoon A. zijn gitaar en zijn lesboek mee. Telkens als hij buiten zat te spelen verzamelden de koeien zich als gewillig publiek aan de andere kant van de heg. Zodra hij begon te tokkelen kwamen de dieren vanuit alle hoeken van de wei aangesjokt om met hun grote kop zo dicht mogelijk bij de heg te genieten van Old McDonald of Sur le pont D’Avignon. ‘Waarom zijn die koeien altijd aan de diarree?’, had A. tijdens een wandeling gevraagd.

2000

Dè grote attractie voor onze kinderen was, dat naast het vakantiepark het veld van de Rooms-Katholieke Voetbalvereniging Vijlen lag. Diverse malen per dag slopen zij door een smalle geul langs het hoge hek om voor een van de grote doelen hun voetbalkunsten te vervolmaken. Zij speelden zelfs tijdens hevige regenbuien door, zodat zij met kletsnatte trainingspakken en natte grassprieten in hun gezicht in de bungalow terugkeerden.
’s Avonds speelden we eindeloos boerenbridge en hartenjagen. Bepaalde kreten die tijdens het spel vielen en voor hilariteit zorgden werden eindeloos herhaald: ‘ik word gesnoeid (of gesnaaid)’, ‘scratch my back’, ‘Hassan jas an’.

Vandaag zagen we de regensluiers door het dal gaan, een grijs waas over de groene heuvels trekkend. De wolken scheerden laag over de torens van Lemiers. Daarboven, op de rand van de heuvels, draaiden de Duitse windmolens er lustig op los.

 

1

EEN KIJKJE IN HET VERLEDEN

Herinnering

h 44 x b 24 x d 27 cm

Laatst herinnerde ik mij dat er vroeger bij ons thuis een ouderwetse kijkkast stond. Hiernaast zie je deze op de foto.  In de kijkgaten zijn vergrootglazen aangebracht. Het licht valt binnen door een matglazen venster aan de tegenoverliggende zijde. Binnenin bevindt zich een ketting van glazen diapositieven. Door aan de knoppen links en rechts te draaien komen de plaatjes een voor een langs. Haal je de deksel eraf, dat zie je dat elk plaatje uit een dubbele foto bestaat. De afbeeldingen lijken precies hetzelfde, maar omdat ze vanuit een net iets verschillende hoek genomen zijn, ontstaat er dieptewerking. Zo lijkt het of je naar een driedimensionale afbeelding kijkt. Op de deksel van deze kijkkast staat:

Vues des Usines
DE DION-BOUTON
Leur production 1906

De Dion-Bouton was een in 1883 in Parijs opgerichte fabriek van automobielen. In 1900 was het de grootste autofabrikant ter wereld. Aanvankelijk werden er open rijtuigen gemaakt waarbij het paard vervangen was door een stoommotor, de leidsels door een stuur en het ‘Hu’ van de voerman door een rem. In het begin van de twintigste eeuw nam benzine de plaats in van stoom. De open rijtuigen kregen een dakje, waarna de gesloten wagen ontstond zoals we die nu nog kennen.
Kijkkasten en diorama’s waren in die jaren zeer populair. Het waren de eerste uitingen van een beeld- en belevingscultuur die later in film, televisie en internet zijn vervolg zou krijgen.

De foto’s tonen ons het productieproces. In de ene na de andere fabriekshal bedienen rijen besnorde arbeiders in lichte jassen en met petten op het hoofd de draaibanken en freesmachines. De toezichthouders dragen een bolhoed en een donkere jas. In een andere hal is de kleurcode omgekeerd. De machines zijn via een wirwar van riemen verbonden met een grote stoommachine die de energie levert. De foto’s stralen toewijding uit. De fabrication des bougies wordt alleen door vrouwen gedaan. Zij dragen dezelfde donkere lange jurken en allen hebben de haren bijeengebonden in een zelfde knotje. De foto Sortie des Usine toont een dicht opeengedrongen massa van wel duizend arbeiders, die zich lopend door de poort heendringen, sommigen in werkkleding, anderen keurig in het pak.

bovenaanzicht zonder deksel

Hoe was de herinnering aan deze kijkkast opeens uit de kelder van mijn geheugen naar boven gekomen? In het kader van mijn volgend boek had ik gelezen dat de broers van mijn oma, die een carrosseriebedrijf dreven, rond 1910 een fabriek in Parijs hebben bezocht. Opeens werd mij duidelijk hoe de kast in onze familie was beland. De plaatjes zouden een goede bron van informatie zijn. Ik kon nu de beschrijving van het bezoek aan Parijs van mooie details voorzien. Opgewonden over dit vooruitzicht haastte ik mij naar mijn broer die de kast in zijn bezit heeft.  Hij hielp mij uit mijn droom. Het apparaat komt via-via van kasteel de Haar in Haarzuilens. Baron Etienne van Zuylen woonde het grootste deel van het jaar in Parijs en hij reed in een Franse automobiel.
Resteert de vraag: hoeveel van deze kijkkasten De Dion-Bouton zouden er nog zijn?

 

0

EEN ANDER LEVEN

Herinnering

Laatst kwam ik nog eens door Lunetten heen. Deze Utrechtse wijk is eind jaren zeventig gebouwd in de uiterste Zuidoosthoek van de stad, weggestopt achter een spoorlijn en een snelweg. In 1985 hebben G. en ik hier een half jaar gewoond. Het was ons eerste gezamenlijke adres. Maar het was niet de bedoeling.
We waren met een bevriend stel op zoek naar een groot huis, waar we met zijn vieren konden wonen en waar we in een gezamenlijke huishouding de kinderen, die we wilden, zouden kunnen grootbrengen. Dat zoeken duurde langer dan gedacht. In februari begon de tijd te dringen. G. was vijf maanden in verwachting en we wilden samenwonen op het moment dat ons kind zou komen. Daarom ging die maand plan B in werking: wij tweeën gingen op zoek naar een huurwoning, voor tijdelijk. Dat werd Walcheren 96, een nette vierkamerwoning met open keuken. In plaats van ieder één kamer hadden we opeens een heel huis.

Ik had meer dan tien jaar in de binnenstad gewoond. Dat was mijn habitat. Hoewel ik al vijf jaar een baan had, leefde ik nog het leven van een student, in ieder geval in het weekend. Met mijn part-time baan begon dat op donderdagavond. Winkels en bioscopen waren dichtbij. Er waren cafés waar ik iedere week kwam en waar ik altijd bekenden ontmoette. Ik ging mijn eigen gang. Lunetten was voor mij niet alleen fysiek, maar vooral psychologisch ver weg. Daar woonden gezinnetjes, daar heerste de burgerlijkheid. Ik zag ertegen op.
We gingen op pad voor een wasmachine (een Miele, f 1749,-) en een kleurentelevisie (Philips, f 1597,-). Contant betaald, staat er op de facturen die ik nu nog in een hangmap vind. Zoveel geld hadden we nog nooit uitgegeven. Bij de Kwantumhallen haalden we het goedkoopste stukje vloerbedekking uit het assortiment.
Daar zaten we dan, een maand later, aan tafel in ons burgerlijk huisje, achter een door G. gemaakte gehaktbal. We spraken over opstal- en overlijdensrisicoverzekeringen. Want inmiddels hadden we een koophuis gevonden en was het voorlopig koopcontract getekend. 1 juli was de datum van overdracht.

De volgende stap was de inrichting van de kinderkamer. Het hoort erbij, zei ik tot mezelf. Ik wilde toch graag kinderen? Lundia bezorgde een zelfbouwkast, die zou dienen als commode. Er kwam een tweedehands kinderwagen, model zestiger jaren, met flinke vering. Stapels katoenen luiers, hemdjes, rompertjes. Het was niet mijn ding, maar ik was erop gebrand om mijn bijdrage te leveren. Daarna volgden de incontinentiematjes, de huur van de bedverhogers. We keken vol verwachting uit. In de binnenstad kwam ik allang niet meer. Voor het slapen gaan vloog het mij wel eens aan, de vrijheid die ik zou gaan inleveren. Zo voelde het.
Nadat zoon E. op 9 juni geboren was liep ik dagelijks apetrots achter de kinderwagen door de parken van Lunetten. Toen ik ’s morgens in alle vroegte babymelk stond te maken achter een rij van tien lege flesjes op het aanrecht wist ik het zeker: mijn leven is voor altijd veranderd.
Nadat we in twee maanden de koopwoning vertimmerd en opgeknapt hadden, reed ik op 30 augustus het verhuisbusje voor de deur van Walcheren 96 en zeiden wij Lunetten vaarwel.

4

VACCINATIE

Dagelijks

Ziezo, de eerste prik is binnen. Direct toen het sein voor de lichting 1952 op groen ging, meldde ik mij aan. Ik kon op drie plaatsen bij de GGD terecht en koos voor de locatie Woerden. De afhandeling een week later verliep al even vlotjes, niet in het minst door het grote aantal aanwezige medewerkers. Dat begon al buiten. Het was verre van druk, maar er waren vijf mannen in fluorescerend geel aanwezig om mij een parkeerplek te wijzen die ik zelf ook zag. De vaccinatie vond plaats in een overjarig, leegstaand bedrijfsgebouw. Zo’n pand waarover een verhurend makelaar alleen met veel moeite iets positiefs zou kunnen schrijven. Bij binnenkomst moest ik mijn handen wassen en bij een loket bevestigen dat ik mij in een klachtenvrije staat bevond. Gelukkig voelde ik geen aandrang om mijn neus te snuiten. Daarna kwam ik, zonder te hoeven wachten, bij loket nummer twee, waar men hetzelfde vroeg. Daarnaast werden mijn identiteit en de door mij ingevulde vragenlijst gecontroleerd. Ik mocht verder. Nadenken of zelf opletten was niet nodig. Als een flesje op een lopende band ging ik vanzelf verder langs grote paarse pijlen die om de meter op de vloer waren geplakt. Mocht ik van mijn route afwijken dan waren er diverse veiligheidsmedewerkers om mij op het rechte pad te houden. Zo belandde ik bij loket drie, waar opnieuw al mijn gegevens werden doorgenomen. Zekerheid voor alles. Daarna kon ik direct door naar kamertje 3 waar een onderkoelde GGD-medewerkster met een dito spuitje op mij zat te wachten. Mijn pogingen om in deze bureaucratische rondgang iets menselijks in te brengen door een gesprekje aan te knopen hadden weinig succes.

‘Linksaf, daar vindt u de wachtruimte’, was haar automatische tekst, terwijl ik mijn overhemd weer aantrok. Ik kwam terecht in een hoge ruimte die, geheel in de stijl van dit vaccinatieproces, er uitzag als een machinekamer. Over het plafond liep een intrigerende spaghetti van dunne en dikke buizen. Uit verschillende kamers stroomden de gevaccineerden de verkoeverruimte binnen om in vijftien minuten weer bij zinnen te komen. Twee medewerkers hielden nauwlettend in de gaten of er niemand van zijn stoel viel. Een derde medewerker liep rond met een landbouwspuit om leeggekomen stoelen te desinfecteren. Ik vond dat wel zorgvuldig, want er zou nog wat virusmateriaal aan mijn billen kunnen hangen.

Toen ik weer naar huis reed wierp de ondergaande zon een prachtige, warme gloed over de groene weiden. Ik kreeg ineens een intens gevoel van vrede over mij. Al het gezeur over corona, de zorgen, de discussies, de waarschuwingen, het gleed opeens allemaal van mij af. De wereld was mooi. Ik zag een stel jonge eendjes die synchroon elke beweging van de moeder volgden. Lammetjes huppelden door de wei. Wat een prachtig jong leven, zo zonder zorgen en zonder corona!
Onmiddellijk daarna dacht ik echter aan de Q-koorts. Als die om zich heen grijpt, worden de beesten niet door een inentingsstraat gestuurd. Zij worden zonder pardon geruimd. Dan was ik vandaag toch een stuk beter af.
‘Heb je het overleefd?’, was de eerste vraag van G. toen ik thuiskwam.
‘Tot nu toe wel, ja’. Ik hield een slag om de geprikte arm.

0

EEN VERHAALTJE VOOR HET SLAPEN GAAN

Dagelijks

Mijn 400ste blog

 

Ik begin op mijn rug. Dan merk ik al snel een aangename ontspanning, een gevoel van zwaarte in mijn ledematen. Gedachten buitelen over elkaar heen, in mijn hoofd ben ik niet meer de baas. Vervolgens draai ik op mijn zij. Soms val ik direct in slaap, soms duurt het nog een poosje.
Slapen is een van de merkwaardigste bezigheden die ik ken. Of beter gezegd: het is een merkwaardige toestand. Ik leef wel, maar ik merk er niets van, ik ben compleet van de wereld. Het bijzondere is, dat deze toestand na een aantal uur weer stopt, zonder dat ik er iets voor doe. Het gebeurt vanzelf. Er is door de wetenschap al veel onderzoek gedaan naar de slaap. Waar de slaap toe dient is duidelijk en ook dat het iets met een interne klok te maken heeft. Maar over de vraag hoe dat precies werkt is nog altijd weinig bekend. En dat voor iets waar wij een derde van ons leven aan besteden.
Vlak voor het inslapen is er een toestand van halfslaap. Gesproken wordt van ‘in slaap vallen’ of wegzakken. Je stijgt niet op naar de hemel. ‘Overmand worden door slaap’ is een andere uitdrukking. Die suggereert dat er een man is die je overmeestert of meevoert (Klaas Vaak?). Bij doodgaan horen ook associaties met slapen. ‘Slaap zacht’ wordt er tegen overledenen gezegd. Of: ‘hij is vredig ingeslapen.’ Andersom komt niet voor. Je zegt niet tegen iemand die slaapt: ‘blijf nog maar lekker dood.’
Ik heb eens geprobeerd om de overgang van waken naar slapen te onderzoeken. Om na te gaan wat er gebeurde op het moment dat ik mezelf voelde wegzakken. Het onderzoek was een mislukking. Het observeren was een hersenactiviteit die mij stante pede weer omhoog trok.

Soms dringt er tijdens de slaap wel iets door. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Als mijn blaas vol zit bijvoorbeeld. Dan stommel ik enigszins onvast naar de wc om na een paar minuten het bed weer in te kruipen en gewoon verder te slapen, alsof er niets gebeurd is. Een kleine pauze in mijn bewusteloosheid.
In ons vorige huis woonden wij langs een goederenspoorlijn. ’s Nachts kwamen daar ooit zware goederentreinen langs die het bed deden trillen. De eerste paar nachten werden wij daarvan wakker. Daarna niet meer. Toen Limburg in april 1992 om 3.20 uur werd opgeschrikt door een aardbeving (5,8 op de schaal van Richter), waren de schokken tot in Utrecht voelbaar. Ons bed schudde solidair mee. Deze keer was ik direct wakker. Ik moet in mijn onderbewuste hebben opgemerkt dat het trillen niet door een trein werd veroorzaakt.

Zo’n 20% van de Nederlanders heeft last van slapeloosheid: problemen met inslapen, te licht slapen, te vroeg wakker worden. Ik prijs mijzelf gelukkig dat ik niet tot deze groep behoor, al heb ik wel eens een nacht met weinig slaap. Ik krijg wel steeds vaker slaap op het verkeerde moment: bijvoorbeeld als ik ’s middags een boek lees of als ik in het donker van de schouwburg naar een toneelstuk kijk. Is er iets met mijn biologische klok?