Schrijven, Lezen, Leven.
0

KLEINDOCHTERS

Dagelijks

Zijn de kinderen van tegenwoordig bijdehanter dan die van dertig jaar geleden? Intelligenter dan die van zestig jaar geleden? Of lijkt dat maar zo en doen ze hun kennis op jongere leeftijd op?
Mijn oudste kleindochter zit in groep 5, is net negen jaar geworden en kwam met een schitterend rapport thuis. Lezen, spellen, rekenen, het gaat haar allemaal gemakkelijk af.
In het onderwijs van nu wordt elke prestatie gemeten en vergeleken met landelijke cito-standaarden. Daarom weten wij dat zij wat betreft het lezen op het niveau van groep 8 zit. Ze heeft dan ook de eerste drie boeken van Harry Potter uit (aan de volgende mag ze nog niet beginnen). Een bezoek aan de bibliotheek is voor haar een gewild uitje. Om zich niet te gaan vervelen is zij nu maar begonnen aan een digitale cursus Engels.

De jongste kleindochter is zeven jaar en heeft ook een prachtig rapport. Ook zij leest de boeken van Harry Potter. Daarnaast gaat ze graag naar musea. Leergierig als zij is wil ze van alles weten en vooral alles zelf doen. Zelfbewust staat ze vooraan bij een rondleiding en als de gids is uitgesproken vraagt ze keurig: ‘mag ik wat vragen?’
Beide meisjes hebben al verschillende malen verkering gehad. Het hele jargon dat hierbij hoort is langsgekomen. Zij houden trouwens ook erg van klimrekken. Zo kan ik nog even doorgaan.
Ach, is niet iedere grootouder van nu verbaasd over wat zijn kleinkinderen kunnen en beleven?

De kleindochter van negen denkt goed vooruit. Zo kwam zij laatst thuis uit de bibliotheek met het boek Hoe overleef ik de puberteit van Francine Oomen. ‘Ruzie met je ouders? Onzekerheid, getob en getwijfel? Ongesteldheid? Haar op vreemde plekken? Je eerste verliefdheid? Pukkels, puistjes en problemen?’ Alles wat een pubermeisje kan bezighouden komt in informatieve teksten, vragenlijstjes en survivaltips aan de orde.
Onze zoons vroegen indertijd niets. Ze gingen zelf op onderzoek uit of ze leden in stilte. Dus dat was even wennen met deze kleindochter. Op een gewone doordeweekse dag bestormde ze de niet-voorbereide oma met vragen over hoe het was om borsten te krijgen of om ongesteld te worden, met als bonusvraag: ‘Vrijen opa en jij nog met elkaar?’ Dat het boek in een behoefte voorziet is wel duidelijk. Kleindochter maakte zich wat ongerust over de vraag of haar ene borst niet wat groter gaat uitpakken dan de andere.

Nòg mag ik de kleindochters in bad doen. Nòg komen ze op schoot zitten om te knuffelen. En gelukkig mag ik hen voor het slapen gaan gedichtjes voorlezen van Annie M.G. Schmidt (als de coronatijden weer voorbij zijn). Maar over een paar jaar zit ik in de tuin, terwijl de ondergaande zon de avond rood kleurt. Denkend aan mijn kleindochters neurie ik dan zachtjes voor mij uit: ‘Op een mooie Pinksterdag…’. Ook een opa moet vooruitdenken.

1

EEN PODOLOGISCH PRAATJE

Dagelijks

Deze week zat mijn hoofd vol met het c-woord. Ik moest er een blog over schrijven, ook om mijn eigen angsten en ratio in evenwicht te brengen. Elke dag was er een nieuwe ontwikkeling, telkens paste ik mijn tekst aan en nu, op zaterdag, ben ik al die meningen, feiten en ophef even zat. And now for something completely different.

De voeten hiernaast zijn van mij. Zij zijn de basis van mijn bestaan: ze dragen me, ze houden me overeind, ze zorgen dat ik geaard ben. Ze zijn me dan ook zeer dierbaar, zonder mijn voeten zou ik een zittend of liggend bestaan moeten leiden.
Ik heb al heel veel plezier van mijn voeten gehad. Ik ben ermee door heel Europa gewandeld en zij hebben me nooit in de steek gelaten. Met de fiets ben ik gevallen, op de schaats en op de ski ben ik onderuitgegaan, maar behalve wat struikelpartijen hebben mijn voeten me altijd rechtop gehouden. Ze waren me nooit tot last. En dat terwijl elke voet uit 26 beentjes en 33 gewrichten bestaat, omgeven door spierweefsel en zenuwen. Daarmee kan dus een hoop mis gaan, zou je denken. 40% van alle volwassenen krijgt jaarlijks te maken met voetklachten, lees ik op internet. Eeltknobbels, likdoorns of zweetvoeten, het is mij vreemd. Platvoeten, hamertenen, klauwtenen, de lijst van wat er mis kan gaan is lang. Een stem in mij zegt nu dat ik moet ophouden mijn voeten op te hemelen, anders roep ik het onheil over mij af.
Alleen op jonge leeftijd heb ik eenmaal een blessure opgelopen. Tijdens een potje straatvoetbal wilde ik het bruine monster een flinke peer geven, maar in plaats van de bal gaf ik de stoeprand een oplawaai. Dat heb ik geweten.
Daarnaast is er, zoals vaker gemeld op deze plek, het ongemak van de koude voeten. G. heeft het wel eens over frigide extremiteiten. Het zal met de bloeddoorstroming te maken hebben en het zal wel in de genen zitten. Ik heb me ermee moeten verzoenen, onder protest.

Wat op de foto opvalt, is de geringe lengte van mijn kleine tenen. Ik heb ooit gelezen dat deze teentjes in de ontwikkeling van de mens langzamerhand zullen verdwijnen. Als dat waar is loop ik voorop in de evolutie. Erg treurig hoeven we er niet om te zijn. We hoeven er geen takken meer mee te pakken. De voeten lijken gelijk, maar dat zijn ze niet (meer). Dat merk ik als ik schoenen pas. De rechterschoen voelt kleiner.
Zo gaat er na die zevenenzestig jaar nog wel eens vaker iets mis. Soms blijft een van de middelste tenen gekromd overeind staan. Dan lukt het me met geen mogelijkheid om daar iets aan te doen. Elk contact met die kromme is uitgevallen. Dan spreek ik ‘em vermanend toe en zet ‘em met mijn handen weer recht.
Ondanks dit ben ik tevreden over mijn voeten. Zij zien er goed uit. Ze kunnen nog wel een tijdje mee. Alleen, wie zou over twintig jaar, mocht ik die leeftijd halen, de nagels van mijn tenen knippen?
Volgende keer aandacht voor de billen.

2

EEN GESCHENK VOOR DOUWE EGBERTS

Dagelijks

Van het een komt het ander.
Mijn blog in januari over het werk van mijn vader bij Douwe Egberts is voor mij aanleiding om nog eens verder in zijn D.E.- archief te duiken. Ik vind onder meer een lofdicht op de snuiftabak en 19-eeuwse briefkaarten met bestellingen van balen koffie. Uit een bruine envelop haal ik een manuscript van zesentachtig pagina’s: Van Egbert Douwes en Douwe Egberts. Het is een drukproef, in de kantlijn staan een paar handgeschreven correcties. Het begint met een weinig boeiend hoofdstuk over de voorvaderen van de stichters van de koffie- , thee- en tabakshandel. Ik leg het op de stapel ‘teruggeven aan D.E.’.
Die avond begint mij opeens iets te dagen. In de laatste jaren van zijn leven had mijn vader zich beziggehouden met de opzet van een historisch archief. Dat was eind jaren zestig. Al zijn kennis over de geschiedenis van D.E. moest zijn neerslag krijgen in de vorm van een publicatie. Dat mijn vader mogelijk een boek zou publiceren had mij als zestienjarige met trots vervuld. In die jaren was er voor mij weinig wat aanleiding gaf tot dat soort gevoelens over mijn vader. Het is daarom de trots die nu ergens uit een hoekje van mijn geheugen naar boven komt. Als dat mij niet in de steek liet, dan sta ik in mijn handen met zijn manuscript, met de tekst die nooit tot een uitgave is gekomen door zijn voortijdig overlijden. De correcties in de kantlijn verraden het handschrift van mijn vader. Mijn hart begint sneller te slaan.

Directeur E.D. de Jong feliciteert mijn ouders bij het 40-jarig dienstjubileum van mijn vader.

In 1987 kwam het boek Van winkelnering tot wereldmerk uit. De Friese journalist P.R. van der Zee beschrijft hierin de historie van Douwe Egberts. In het voorwoord worden de bronnen genoemd, waaronder ‘aantekeningen van de vroegere bedrijfsarchivaris C. van Dijk’. Aantekeningen, dat klinkt wel erg mager. Zou van der Zee het boek-in-wording niet gekend hebben? Zou niemand geweten hebben dat er sinds 1972 een manuscript in een doos bij ons thuis heeft gelegen?
Ik ga er eens goed voor zitten.
Voor dit boek is mijn vader diep in de Friese archieven gedoken. Daarnaast valt mij de gedegen kennis op van de economische ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw. Ik begin te twijfelen of ik hier wel een werkstuk van mijn vader zie. Het is vooral het bloemrijke taalgebruik dat ik niet herken. Hoe meer ik lees, hoe duidelijker de conclusie: dit manuscript is niet door mijn vader geschreven. Blijkbaar heeft uiteindelijk een ander de opdracht gekregen tot dit boek. Maar goed dat ik dit als zestienjarige niet geweten heb.

Maar kent men bij Douwe Egberts dit werk?
Ik maak een afspraak met de beheerder van het historisch archief. Zo stap ik na meer dan vijftig jaar het kantoor aan de Keulsekade in Utrecht weer binnen. De medewerker neemt me mee naar een soort D.E.-museum. Tevreden constateer ik, dat wat mijn vader ooit begonnen is een vervolg heeft gekregen.
De beheerder kent het manuscript niet. Hij is nog meer tevreden dan ik. Alsof een archeoloog een botje van een dinosaurus gevonden heeft. Hij moet nog verder onderzoeken waarom er blijkbaar nooit iets met dit manuscript is gedaan. Als dank ontvang ik twee tassen vol met koffie.

5

PYNARELLO

Muziek

Vernieuwing van klassieke muziek, is dat mogelijk? Is niet juist het kenmerk van deze muziek dat het oud is? Alle noten liggen vast, veel componisten hebben ook nog eens gedetailleerde aanwijzingen meegegeven voor de uitvoering. Wie tien opnames van Mahlers vijfde symfonie beluistert hoort enig verschil in tempo of in helderheid van de opname. Maar zeker voor de niet-kenner zijn die verschillen verwaarloosbaar. Zijn de kansen op vernieuwing dan ook niet gering?
Of het haalbaar is of niet, een verandering is wel nodig. Want niet alleen de muziek is van vroeger tijden, ook het publiek is overwegend verstokt en grijs.
De Griekse dirigent Teodor Currentzis brengt met zijn bevlogenheid en perfectionisme nieuw elan. Ongewone versieringen, fluisterstille passages, instrumenten die eruit springen, wij vonden het een belevenis en kijken al uit naar de volgende keer dat hij in Utrecht komt (helaas niet in het komende seizoen). Holland Baroque werkt bij ieder programma weer samen met muziekmakers uit andere stromingen: jazz, wereldmuziek, cross-over. Podium Witteman haalt voortdurend vernieuwers in huis.

Nu is er dan Pynarello, een ‘rebellencollectief’ dat in allerlei opzichten dwars tegen de aloude conventies ingaat. In plaats van zittend op een stoel musiceren alle orkestleden staand. Ze spelen zonder dirigent en alles uit het hoofd. Wij waren onlangs bij een uitvoering van Dvorak’s Negende symfonie, bijgenaamd ‘Uit de nieuwe wereld’.
Het eerste wat opvalt is de verscheidenheid in kleding. Niet het uniforme zwart, maar een veelheid aan kleuren en stijlen. Een violiste in een avondjurk en op sneakers, een ander casual gekleed. Er speelt een man in vrouwenkleren. De musici staan niet in de traditionele groepen opgesteld, maar door elkaar heen, om een kern van vijf cellisten heen die in het midden het tempo ondersteunen.
Voor de eerste inzet kijkt men naar elkaar, ademt tegelijk en zet dan spatgelijk in. Om maar even aan te tonen dat je ook met vijfenveertig musici geen dirigent nodig hebt. Mijn oog valt voortdurend op een van de bassisten die plezier en bevlogenheid uitstraalt. Zo is het met meer musici. Ze draaien zich om naar elkaar, ze draaien zich om naar het publiek, ze leggen – zoals dat heet – verbinding met iedereen.

Tijdens het toegift

De crux is: als je de noten en de afspraken in je hoofd hebt, dan ben je niet gericht op je partituur, niet gericht op de dirigent, maar op je medemusici. Dan maak je samen muziek. Je draait niet als eenling mee, maar bent verantwoordelijk voor het geheel. De andere energie die dat geeft is voelbaar in het publiek. Al na het eerste deel springen enkelen uit het publiek joelend op, zoals Italianen dat doen na een fraaie aria. Het ontbreekt er nog aan dat het publiek staand toekijkt en meebeweegt.
Frits van der Waa gaf Pynarello’s uitvoering van de Vijfde van Beethoven vijf sterren, het hoogste aantal. ‘Zo’n coherente Vijfde heb je nog nooit gehoord.’ Peter van de Lint in Trouw, normaal gesproken niet zo van het nieuwe, schreef over de uitvoering van Dvoraks symfonie: ‘De dynamiek was geweldig voel- en hoorbaar.’
Voor het toegift werd het publiek uitgenodigd om op het podium plaats te nemen, tussen alle orkestleden. Ook dat is weer een vorm van verbinding leggen. Ik wist een plekje te vinden tussen twee hoorns en een trombonist. Dat heb ik geweten.
Hierbij het derde deel uit Dvoraks Negende.

1

ZO LANG MOGELIJK THUIS BLIJVEN WONEN

Herinnering

Het jaar 2000 (3)

Mijn moeder is op hoge leeftijd geïnvalideerd geraakt. Na enkele weken kan de thuiszorg een medewerkster vrijmaken die haar helpt met opstaan, eten en naar bed gaan. Iedere dag is ook een van haar vier kinderen een poos aanwezig. Er moet veel geregeld en afgestemd worden. Fysiotherapie, indicatiecommissie, extra voorzieningen in huis. Het personeel van de thuiszorg wisselt doorlopend, zodat het een gedoe is met het doorgeven van sleutels en er wel eens een hulp voor een dichte deur staat ’s morgens. Of de bezorger van de apotheek kan zijn grootverpakking incontinentiemateriaal niet kwijt.
Het helpt daarbij niet dat de cognitieve vaardigheden van mijn moeder sterk zijn afgenomen. Ze vindt, dat ze geen hulp nodig heeft. De thuishulp hoeft niet schoon te maken. De rollator die we gehaald hebben mag met de kerende post terug. ‘Die heb ik toch zeker niet besteld.’ Het zendkastje van de alarminstallatie haalt ze uit het stopcontact. Ondertussen laat ze de krant op de brandende gaskachel liggen.
Met zo’n grote behoefte aan zorg en toezicht ziet het er niet naar uit, dat ze nog thuis kan blijven wonen. Maar kunnen wij dat doorzetten, terwijl zij er zelf niet aan toe is?

Ik heb mijn handen vol en prijs mezelf gelukkig dat ik mijn werktijden flexibel kan indelen. Van de eerste ervaringen van mijn tienerzoon in de jeugdopleiding van Feyenoord maak ik helaas niet alles mee. Als ik bij mijn moeder kom tref ik haar meestal duttend in een luie stoel. Het kleine oude transistorradiootje staat op hoog volume te blèren. Soms hoor ik twee zenders door elkaar heen.
Zelfwerkzaamheid stimuleren is de mantra van de hulpverleners. Onze pogingen om samen met haar te koken geven we op, als er weer eens een biefstuk zwartgeblakerd is. Die mag overigens niet worden weggegooid. We bestellen de maaltijdservice. En nadat een van ons Cup-a-Soup heeft geïntroduceerd, zijn de soeppakjes niet aan te slepen. Ook kroketjes zijn erg in trek. ‘Wat dat betreft leven we in het land der beloften’, oordeelt mijn moeder.

De keuken

Geleidelijk aan lukt het haar om zelfstandig kleine stukjes te lopen. ‘Heerlijk om er even uit te zijn’, zeg ik op een keer als zij stram aan mijn arm vooruit schuifelt op haar pantoffels. ‘Zeker’, beaamt ze, ‘het houdt je lenig.’
Met behulp van de inzet van een leger vrijwilligers gaat zij na enige tijd tweemaal per week naar de dagopvang. Zolang ze daar maar gezellig kan kaarten vindt zij alles best. Als ze maar niet gedwongen wordt om te kleien of te schilderen.
Het zijn de opmaten naar een opname in het verzorgingshuis. Ze beseft inmiddels dat zo’n overgang niet meer kan worden afgewend. Ze wil haar kinderen niet langer tot last zijn. ‘Je moet je verstand gebruiken’, is een van haar favoriete uitdrukkingen, juist in de tijd dat haar verstand haar dagelijks in de steek laat.
Op maandagmorgen 19 maart 2001 trekt ze haar oude winterjas aan, stapt de achterdeur uit, haakt haar arm in die van haar dochter en loopt zonder iets te zeggen en zonder om te kijken het erf af waar zij vanaf haar kindertijd – met een onderbreking van een paar jaar – zo’n tachtig jaar heeft gewoond.

0

MANTELZORG

Herinnering

Het jaar 2000 (2)

Die zaterdagavond, eind juli 2000, slaap ik voor het eerst sinds vele jaren in mijn ouderlijk huis. Alles oogt klein. De slaapkamer voelt benauwd, het raam is veel kleiner en lager dan het vroeger was. Alsof het huis gekrompen is.
Mijn moeder was gevallen en ze kon niet meer opstaan. Ze had geen gevoel meer aan één kant van haar lichaam. Zij kon slechts met veel moeite haar arm en been iets bewegen. Met een uiterste inspanning was het ons gelukt om samen mijn auto te bereiken, zodat ik haar naar de eerste hulp kon rijden. Daar zaten we uren op slechte plastic stoelen te wachten tussen de gevallen mannen die van de voetbalvelden werden aangevoerd. Het leek alsof het niet tot mijn moeder doordrong wat er met haar gaande was. We verlieten het ziekenhuis met een voorraad bloedverdunners en de verzekering dat er niets gebroken was. Over de oorzaak van haar val en de aard van de beperkingen waren we niet wijzer geworden.
Hoe dan ook, het was duidelijk dat zij bij alle dagelijkse verrichtingen hulp nodig had. Ik bleef bij haar en hielp bij het uitkleden. Het was een gedoe, haar armen en benen werkten niet mee. Ik verbaasde me over wat zij onder haar jurk droeg: verschillende hemden, geen bh, een slobberige onderbroek. Het ondergoed was nog niet versleten tot op de draad, maar het kwam behoorlijk daarbij in de buurt. Met mijn armen om haar bovenlijf liet ik haar heel voorzichtig achterover zakken, zodat zij zittend op het bed belandde. Ik voelde het direct in mijn rug, ik ben een leek in de ouderenzorg. Daarna zwaaide ik haar benen bij. Die horde was genomen.

Moeder bij de wasmachine

Ik had me al vaker afgevraagd wanneer onze hulp nodig zou zijn. Van leeftijdgenoten had ik verhalen gehoord over wat er al niet gevraagd wordt aan mantelzorg. Op dit moment zijn wij aan de beurt, denk ik die avond met enig fatalisme. Ooit waren wij afhankelijk van moeders zorg. Nu zijn de rollen omgedraaid.
‘s Nachts word ik wakker van een geluid uit haar slaapkamer. Het is een langgerekt en angstig oeoeoeoe. Ze moest plassen maar kon haar bed niet uitkomen. Geduldig trek ik haar eerst een schone onderbroek en pyjamabroek aan. Terwijl zij zich vasthoudt aan de wastafel verschoon ik het bed.
Als ik ’s morgens opsta, mijn hoofd nog duf en duizelig, blijkt het bed van moederlief weer nat. Zou er ergens op deze zondag incontinentiemateriaal te koop zijn, vraag ik me af. Ik trek al haar natte goed uit. Ze staat geheel naakt voor me bij de aanrecht in de keuken, klaar om gewassen te worden. Moet ik dit wel doen? Ja, dit hoort erbij, niet nadenken, spreek ik mezelf toe. Mijn moeder lijkt zich niet bewust van het bijzondere van dit moment, ze laat alles gebeuren. Alsof ik haar elke morgen verzorg. Voorzichtig was ik haar witte lijf, de slappe borsten die mij ooit gevoed hebben, de schoot die mij gebaard heeft.
Als zij na veel moeite aangekleed is zitten we samen aan de keukentafel. De wasmachine draait en het koffiezetapparaat pruttelt. We hebben het goed samen.

1

MIDLIFE

Herinnering

Het jaar 2000 (1)

Op mijn werk in de jaren negentig

2020, het jaartal voelt onwennig aan, alsof de stap naar het nieuwe jaar groter is dan anders, alsof het over een verre toekomst gaat. Het doet me denken aan die andere grote overgang, die naar het jaar 2000. Wat deed ik toen? Hoe verging het me in dat jaar?
Ik was zevenenveertig en dus In media vitae, ofwel Mitten im Leben, maar denkend aan 2000 klinkt er geen klassiek muziekstuk met deze titel door mijn hoofd, maar een tekst van Eric Clapton uit 1974:
Standing at the crossroads, trying to read the signs
To tell me which way I should go, to find the answer

De plannen van ‘later als ik groot ben’ waren uitgekomen: ik had een vrouw, een baan, een huis, twee zonen, vrienden. Dat alles was op dat moment echter onvoldoende om mij een zorgeloos en tevreden gevoel te geven.
In 2000 was ik meer dan tien jaar hoofd van een afdeling in de geestelijke gezondheidszorg. Ik keek uit naar iets anders, maar was er tegelijkertijd bevreesd voor om oude zekerheden los te laten. Om verder te komen had ik met succes een driejarige managementopleiding gevolgd. Daarna had ik geprobeerd een andere baan te vinden, wat niet gelukt was.
Ik had me naast het werk en de huishoudelijke taken steeds kunnen uitleven in muziek en cabaret, maar ik was erop uitgekeken zonder dat zich een andere liefhebberij had aangediend.

Jarenlang had ik al die bezigheden gecombineerd, maar aan het begin van de nieuwe eeuw voelde ik me moe en futloos. In mijn hoofd duizelde het. Ik ging naar de KNO-arts en toen die niets kon vinden, klampte ik mij vast aan een te laag ijzergehalte in mijn bloed. En toen de staalpillen slechts tijdelijke verlichting boden, bezocht ik de homeopaat, daarna de acupuncturist. Ik hield aantekeningen bij, probeerde patronen te ontdekken en oorzaken te achterhalen, om alles overziende te constateren: het is niet de objectieve overbelasting die mij nekt, maar de manier waarop ik ermee omga. Ik stel te hoge eisen, neem mezelf voortdurend de maat (die negatief uitvalt) en hou mijn gevoelens teveel in. Het bracht me naar de psychotherapeut. Wat toen niet in mij opkwam, maar nu een voor de hand liggende gedachte is: het was mijn midlife crisis. Teveel gedaan, te weinig stilgestaan en op zoek naar bakens voor de toekomst. Een collega zei dat ik er opeens een stuk ouder uitzag.

Het jaar 2000 was ook het jaar van een fusie op mijn werk. Ik kreeg de opdracht om twee afdelingen, die feitelijk hetzelfde werk deden, maar in aanpak en cultuur hemelsbreed van elkaar verschilden bij elkaar te voegen. Het was, na de tegenslagen in de sollicitaties, een nieuwe uitdaging, waarin ik me met plezier in vastbeet. Het ging me goed af en het gaf me weer nieuwe energie. Die kon ik goed gebruiken.
In juli braken we een kampeervakantie in de Vogezen voortijdig af wegens aanhoudende regenval. Nog maar net thuisgekomen kwam het bericht, dat mijn 86-jarige moeder was gevonden door de SRV-man. Zij lag op de vloer van haar slaapkamer, was bij bewustzijn, maar kon niet meer zelf overeind komen.

0

DOUWE EGBERTS

Herinnering

Net veertien jaar oud behaalde mijn vader het mulo-examen. Daarna deed hij nog cursussen Engelse en Duitse handelscorrespondentie, kantoorstenografie en machineschrijven. Met die bagage begon hij op woensdag 8 januari 1930 zijn werk als kantoorbediende bij Douwe Egberts, het bedrijf van de Friese familie de Jong. Zijn moeder had die baan voor hem uitgezocht. Het was een goed katholiek bedrijf. Daarnaast was het een voordeel dat de Utrechtse vestiging vlakbij Vleuten lag. Zij was met hem meegegaan, toen hij er zich als vijftienjarige ging ‘presenteren’. Hij zou er meer dan veertig jaar blijven werken, tot aan zijn overlijden in 1972.
Mijn vader begon als assistent van de directeur, J.H. de Jong. Net als de andere leden van deze familie werd de directeur met zijn initialen aangeduid: mijnheer J.H. Mijn vader werkte mee in de boekhouding en zorgde ervoor dat de salarissen uitbetaald werden. Door zijn fabelachtige geheugen werd het bedrijfsarchief zijn belangrijkste taak. In mijn jeugd was hij het hoofd van het Centraal Archief. Toen hij vanwege gezondheidsproblemen deze functie niet meer kon uitoefenen werd hem gevraagd een historisch archief op te zetten. Een publicatie over de geschiedenis van het bedrijf heeft hij niet meer kunnen afronden.
De binding tussen de familie de Jong en de werknemers was sterk. Opeenvolgende generaties waren in dienst bij het bedrijf. Bij ons thuis was Dee-ee een van de zekerheden in mijn jonge jaren.

De herinneringstegel van het 200-jarig bestaan, in 1953, hing in de huiskamer. Sinterklaas bracht ooit een houten vrachtwagen met het opschrift D.E. voor mij mee. Vanzelfsprekend spaarden we de punten van de thee en de koffie. Periodiek werden deze in bosjes van honderd gebonden. Daarna kon de keuze uit de geschenkenlijst worden gemaakt. De koffie- en theepotten, de kopjes, de lepeltjes, de trommeltjes en busjes, alles kwam van D.E. Later kwamen daar de electrische koffiemolen en het eerste koffiezetapparaat bij. In zijn archief vind ik nog een lezing terug van mijn vader over het geschenkenstelsel. Hij eindigt deze met een citaat uit de bijbel: ‘Zoek eerst het Rijk Gods en al het andere zal U worden geschonken als toegift.’
Zoals zijn moeder voor hem een baan had geregeld, zo arrangeerde mijn vader voor mij in mijn tienerjaren vakantiewerk bij Douwe Egberts. Ik mocht binnen het bedrijf de post rondbrengen, een luizenbaantje. Daarnaast fotografeerde ik artikelen waarvan de afbeeldingen in het archief bewaard dienden te worden. Het was voor mij een opmaat naar een opleiding als fotograaf, die er nooit van gekomen is.

Het bedrijf deed alles om de werknemers aan zich te binden. Nog voor de sociale verzekeringswetten van de jaren vijftig beschikte D.E. over eenvoudige regelingen voor pensioen en kindertoeslag. Na het overlijden van mijn vader ontving mijn moeder een volledig jaarsalaris als eenmalige uitkering. Daarna ontving zij nog tot in lengte van jaren gratis koffie en thee, een bos bloemen op haar verjaardag en het kerstpakket. Zelf heb ik vanaf 1972 meerdere jaren een studietoelage van D.E. ontvangen. Deze bijdragen hebben niet kunnen voorkomen dat de verbinding door de jaren heen verwaterd is. Met enige schaamte moet ik hier bekennen dat wij al lang onze koffie en thee bij AH kopen. Nu plakken we de zegeltjes van AH. Dat dan weer wel.

1

IN DEN VREEMDE

Herinnering

In zijn nieuwe roman, Finse dagen, beschrijft Herman Koch hoe hij in 1972 als negentienjarige naar Finland trok om op een boerderij te gaan werken. Een jaar eerder was ik, ook op mijn negentiende, met vriend C. in Finland op vakantie.
Van Helsinki herinner ik me weinig meer dan de ontelbare flatgebouwen tussen bossen en rotsen. In Lahti kampeerden we aan een meer. Voor f 1,70 per nacht konden we continu gebruik maken van warme douches en goed geoutilleerde keukens. ‘Het is bijna geen kamperen meer’, schreef ik naar huis. Er lagen roeiboten waarmee we op het meer rond de beboste eilandjes konden varen. Tijdens zo’n tocht brak er een hels onweer los. Slagregens doorweekten ons, een blikseminslag was niet ver verwijderd en de orkaanachtige windvlagen duwden ons bootje bijna om. ‘Dan heb je later een mooi verhaal om aan je kleinkinderen te vertellen’, zei C. kalm. In Savonlinna, op de volgende camping aan een meer in een bos, konden we vanuit de sauna direct het water induiken.

Het was het verlangen naar het onbekende geweest, wat ons naar Finland had gedreven. We wilden zo ver mogelijk van huis, naar onbekende streken, naar de eenzaamheid van oneindige bossen en meren, naar een andere cultuur. De boottocht van Lübeck naar Helsinki, twee dagen en nachten, had mij tevoren ook zeer aantrekkelijk geleken. Maar eenmaal onderweg verveelde ik me al snel dood.
Voor het eerst kwam ik in een land, waar ik niets kon maken van de taal die ik hoorde, waar ik geen woord begreep van wat ik las. We hadden een taalgidsje Fins op reis, zodat we duidelijk konden maken dat wij uit Alankomaat kwamen en we bij de kapper ‘wassen en watergolven’ konden bestellen. Sammeko me kaivaa tähän kuopan?’ was een zinnetje dat we uit ons hoofd hadden geleerd. We vroegen het wildvreemden op straat en in de tram. ‘Mogen we hier een kuil graven?’

Foto’s gemaakt door Arja Turkulainen

Het was de eerste maal, dat ik met C. op vakantie was. Ook dat was wennen. C. was al snel tevreden. Beetje zitten op de camping, boekje lezen, wat ouwehoeren met andere campinggasten. Ik wilde graag iets doen. Dus toen we een keer niet gingen zwemmen of roeien trok ik erop uit voor een boswandeling. Tevergeefs, want al gauw merkte ik dat er nergens paden door de bossen lopen. Het leek op de contacten met de weinig spraakzame en ondoordringbare Finnen: die liepen ook al snel dood. In Helsinki had ik me verbaasd over de lange rijen voor de staatswinkels waar tijdens beperkte uren alcohol verkocht werd. Wat drijft de Finse ziel, vroeg ik mij af.
Gelukkig kwamen we in Savonlinna Arja Turkulainen tegen. Zelfs je naam was mooi, zou Henk Westbroek later zingen. Arja liet ons het stadje zien. We zaten uren achter een duur biertje en kletsten over school, drank en muziek. In die jaren werd ik snel verliefd op ieder meisje dat enige belangstelling voor mij toonde. Bij Arja gebeurde dat niet. Terug in Nederland bleef ik nog een tijd met haar corresponderen. Ik kon, zeker via brieven, het contact intiem en persoonlijk maken, maar tot het hart van Arja heb ik nooit kunnen doordringen.
Ik had gekregen wat ik wilde: het onbekende en het vreemde.

0

BLOKKADE

Dagelijks

Uit het stottercabaret Groen en Geel

Een van de merkwaardigste aspecten aan het stotteren is, dat het gehakkel zeer aanwezig is in de communicatie maar meestal onbesproken blijft. Terwijl de vreemde klanken, de rare bewegingen en de hoogspanning niet te negeren zijn, doen beide partijen alsof er een normaal gesprek gevoerd wordt. De luisteraar weet niet wat hij moet doen, of hij moet helpen of beter af kan wachten. Hij wordt er zelf gespannen van en kan slechts hopen op een spoedige verlossing.
Wandel je samen met iemand die moeilijk ter been is, dan vraag je rustig of je niet te hard loopt. Weet je dat iemand angstig is dan informeer je of je iets kan doen. Maar in het geval van stotteren leidt het betonblok van de geremde spraak zelden tot openheid.
Ik was zestien jaar toen er voor het eerst een programma over stotteren op tv kwam. Mijn ouders nodigden mij terloops en heel voorzichtig uit om samen naar de uitzending te kijken. Ik veinsde dat mijn huiswerk nog niet af was en ontsnapte naar boven om niet geconfronteerd te worden met alle schaamte- en schuldgevoelens, met al die dagelijkse pijnlijke ervaringen waarvoor ik geen oplossing zag. Ik stopte mijn kop in het zand.
Zo beïnvloedt de vermijding de communicatie. De stotteraar probeert uit alle macht om zijn stotteren niet te laten horen, wat de spanning zo opdrijft dat de blokkades juist wel naar buiten komen. Hij kijkt er letterlijk van weg en brengt daarmee de boodschap over aan de luisteraar dat hier iets dermate pijnlijks aan de hand is, dat deze er beter niets over kan zeggen.

Sire-campagne uit 1987

Een belangrijke onderdeel van de behandeling van het stotteren is daarom: kijk ernaar, praat erover, kom ervoor uit. Toen ik via een groepstherapie voldoende over mijn negatieve gevoelens heen was gekomen, wilde ik niets liever dan de heilige boodschap van openheid overal verkondigen. Ik meldde mij aan als voorlichter bij Demosthenes, de vereniging van stotteraars.
We togen naar pedagogische academies om de studenten te vertellen hoe het voelt om te stotteren. We daagden hen uit om zelf maar eens hakkelend een bruin brood te kopen. We werden uitgenodigd door logopedie-opleidingen en huisvrouwenverenigingen. Daarnaast organiseerden we zogenaamde Stotter-ins, voorlichtingsbijeenkomsten, waar in het openbaar heel wat afgestotterd werd. Stotterjijofstotterik was de leuze op een sticker die we in veelvoud verspreiden. ‘Wacht met koffie zeggen als iemand een ko- ko- kopje thee bestelt’, was een van de leuzen in een Sire-campagne.
We spraken altijd voor een aandachtig gehoor dat de bewondering voor het praten over je eigen zwakheden niet onder stoelen of banken stak. Toen wij eens een christelijke pedagogische academie bezochten opende de lerares met een gebed: ‘En wij danken God dat wij vanmorgen twee stotteraars in ons midden hebben.’

Dergelijke ervaringen kwamen weer boven toen ik onlangs door twee studenten geschiedenis geïnterviewd werd over het Jaar van de Gehandicapte (1981) en de ups en downs van het stotterleven. Onderwerp te zijn van een historisch onderzoek deed me niet alleen beseffen dat de jaren vorderen, maar ook dat negatieve gevoelens soms weer de kop opsteken en de openheid belagen.