Schrijven, Lezen, Leven.
0

VADERSCHAP

Dagelijks

Toen in het begin van de tachtiger jaren de relatie met G. vastere vormen begon aan te nemen – ook al omschreef ik haar nog lange tijd als ‘de vriendin met wie ik het meeste omga’  – was ik degene, die als eerste begon over een kind. (Let op het enkelvoud.)
We zaten op een zaterdagavond achterin het Pandje, destijds de enige kroeg in Utrecht die nog na één uur open was. Het was er overvol en we keken vanaf ons bankje tegen de lijven van de staande drinkers aan. Het was  niet bepaald een omgeving die uitnodigde tot een gesprek over een kinderwens. Dat ik het onderwerp aansneed kwam meer voort uit een opwelling dan uit voorbedachte rade. We concludeerden vrij snel dat het ons ‘wel leuk’ leek om een kind te hebben. Ik geloof niet dat we veel verder zijn gekomen in een onderbouwing van dit verlangen.
Vrienden die vader geworden waren vertelden mij, dat het fantastisch was om te zien hoe een klein kind zich ontwikkelt. Maar ook, dat je wat inlevert: minder uitgaan en minder mogelijkheden tijdens vakanties.

Toen G. voor de eerste maal zwanger was, las ik het boek Baby en Kind en pufte ik driftig mee tijdens de zwangerschapscursus. We wilden het vooral samen doen. Van een mentale voorbereiding op het vaderschap was geen sprake. Vader word je door ervaring. Dus toen onze eerste baby eens uren aan het huilen was en niet getroost kon worden, liet ik in mijn machteloosheid ook mijn eigen tranen de vrije loop. De niet te stillen pijn van een kind is erger dan je eigen verdriet.
Het waren de tijden van de maakbare samenleving en het maakbare individu, de idealen waren groot. Daarom was het een teleurstelling, dat onze jongens niet in de poppen geïnteresseerd waren die wij voor hen hadden gekocht. En dat ze niet altijd zo vredelievend waren als wij voorstonden.
Elke vader is kind geweest en natuurlijk wilde ik het anders doen dan mijn eigen vader.
Ik wilde niet zo streng zijn. De relatie met de kinderen moest meer gebaseerd zijn op gelijkwaardigheid. Maar elke dag werd ik weer geconfronteerd met het dilemma: wat bepaal ik en wat laat ik over aan de kinderen? Wat is onderhandelbaar en wat niet? Telkens als ik dacht: nu heb ik wel zo’n beetje door hoe dat moet, dat opvoeden, ontstond er weer een nieuwe situatie die om een nieuwe stellingname vroeg.

Ik ging graag met mijn zoontjes voetballen. Nooit heb ik me meer vader gevoeld dan op zaterdagmorgen langs het voetbalveld. En ik bedacht leuke, spannende spelletjes. Stoeien, nukkig paard spelen, achtervolgingen door het huis. En truukjes als Jan en Piet, die zaten in het riet waren vader’s specialiteit.
Boven alles wilden G. en ik gelijkwaardigheid in het ouderschap. Wij werkten evenveel en we pasten precies even vaak op. Het eten koken, de was ophangen, de kinderen uit school halen, alle taken waren tot in de details gelijkelijk verdeeld. We wilden beiden mader en voeder zijn. In theorie, want in de praktijk pakte ik wat eerder de boormachine en G. de naaimachine en vaak trad vader’s gezag op de beslissende momenten meer op de voorgrond. Niettemin zag ik het als een groot compliment, dat een vriendje aan een van onze kinderen vroeg: ‘waarom staat jouw vader te strijken?’ Overigens kom ik met vaderdag nog altijd geen advertenties tegen voor een nieuwe strijkplankovertrek. Wel voor een gezondheidscrème voor mannen.
Daarna kwam de fase die zo treffend door Annie M.G. beschreven is: vader is een hypocriet, vader is een nul. Vader is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwekul. Die fase had ik destijds in het Pandje niet ingecalculeerd.
En nu ben ik vader van een vader. Een jonge vader die het weer anders wil doen dan zijn ouders.

0

EEN NON-CONFORMIST

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (7)

 

Studenten in de jaren zeventig

Behalve de man die zich als prediker door Utrecht liet rondrijden, het Rode Boekje van Mao hoog geheven en onafgebroken roepend: ‘Het marxisme is humaan!’, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan J.
In het kader van het voorkandidaatsvak Sociale Psychologie volgde ik de temagroep Groepsdynamika. De groep werd begeleid door een jonge wetenschappelijk medewerkster, van wie ik de naam na 45 jaar nog direct weet: Nina Kaasjager-Schuilwerve. Nina, gespecialiseerd in sensitivity-trainingen, probeerde ons warm te maken voor The planning of Change van Bennis en Benne, een Amerikaanse theorie over verandering in groepen. Al snel werd zij overruled door linkse types die eisten dat we de verandering van de maatschappelijke structuren tot studieobject zouden maken.
Na vier groepsbijeenkomsten werden subgroepen geformeerd die een deelonderwerp zouden uitdiepen. Met twee medestudenten koos ik voor de rol van de wetenschapper in de sociale actie. Toen stond daar opeens J., een slungelig type met het haar tot op de schouders, slordig gekleed in een Indiaas vest, een ketting met het ban-de-bom-teken om zijn nek. Ik herkende in hem onmiddellijk de jongen die op een feest  onder invloed van geestverruimende middelen met zijn handen alle muren van de zaal had afgetast. J. vertelde, dat hij een tijdlang niets aan zijn studie had gedaan en dat hij deze nu weer wilde oppakken. Sociale actie, dat sprak hem wel aan. Dat was zo ongeveer het enige, dat er die middag uit hem kwam. Met voorstellen kwam hij niet, taken nam hij niet op zich. Hij zweeg en keek dromerig naar buiten.

Ik stortte mij vol overgave op de literatuur, schreef uittreksels en tikte op mijn kleine typemachine een opzet voor de te schrijven paper, met 3 carbon doorslagen voor de groepsleden. Tijdens onze groepsbijeenkomsten concludeerden we dat de wetenschapper stelling moet nemen ten gunste van de onderdrukten in de maatschappij. Het onderzoek moet via sociale actie leiden tot structurele veranderingen van de maatschappij.
J. was soms wel en soms niet aanwezig en als hij er was, zei hij bijna niets. Gevraagd naar zijn standpunt zei hij in omslachtige bewoordingen dat hij niet mee wilde doen aan een ratrace.
Op een middag kwam de subgroep bijeen op zijn kamer. We pasten er krap in. Niet dat de kamer zo klein was, maar de ruimte werd voor het grootste deel gevuld met het bed. De kamer stond gelijk aan het bed. Het bed was de plaats waar alles gebeurde. Daarboven, vlak onder het plafond, hing horizontaal een spiegel van bijna een zelfde grootte als het bed. Lag je op je rug op het bed, dan zag je jezelf levensgroot weerspiegeld. De subgroep vergaderde op het bed, het kopje kruidenthee stond ernaast op de grond.
Hoe verder we kwamen met onze paper over de ‘sosjale aktiedemikus’, hoe vaker J. ontbrak. We spraken elkaar niet aan op aanwezigheid of inbreng, zelfs niet in deze module over groepsdynamica. Het einde van de subgroep en de module heeft hij niet gehaald. Desondanks stond zijn naam op onze paper. Zonder noemenswaardige inspanning kreeg J. zijn studiepunten binnen.

Vijf jaar later kwam ik hem weer  tegen, tijdens een grote demonstratie tegen kernwapens in Utrecht. Op de hoek van de Catharijnesingel zag ik hem tien meter bij mij vandaan. Hoewel hij te midden van de mensenmassa stond, leek het of hij op zijn eentje aan het demonstreren was. Hij staarde in de verten en droeg een klein, maar opvallend bord met de tekst: OORLOG = KUT.
Niet lang daarna hoorde ik dat J. naar Noord-Groningen verhuisd was. Vlak onder de kust had hij een holwoning voor zichzelf gegraven. Zo bracht hij als kluizenaar Marcuse’s ontkenning van het bestaande in de praktijk.

0

KLOOSTERLEVEN

Dagelijks

In februari schreef ik hier over de keuze van mijn Heeroom (1903 – 1989) voor het klooster. Hij was monnik en abt van de trappistenabdij Koningshoeven in Tilburg. Maandag was ik met enkele familieleden nog eens op bezoek in het klooster.

Zo loop ik na jaren opnieuw onder de gewelfde bogen van de gewijde kloostergang. We worden rondgeleid door een vriendelijke pater. Zijn habijt ziet er bij de kraag sleets uit en de rand van zijn zwarte superpli is op één plek met grove steken dichtgenaaid. In de abdijkerk staan we stil bij het kloosterleven. ‘Ik weet wat ik morgen ga doen, en overmorgen, en alle dagen die komen’, zegt hij. ‘Dat oogt saai, maar ik heb er geen moeite mee’. Voor hem is de gelofte van gehoorzaamheid het moeilijkste. Een monnik volgt nooit zijn persoonlijke wensen, maar stelt zich in dienst van een leven met god. Wie intreedt ziet af van elk persoonlijk bezit. ‘Ik moet om alles toestemming vragen’, vertelt de pater,  ‘ook als ik nieuwe schoenen nodig heb’.
Mijn neef vertelt dat hij vijf jaar de priesteropleiding bij de Kruisheren heeft gevolgd. Daarna werd hem te verstaan gegeven, dat hij niet geschikt was voor het klooster, omdat de eenzaamheid hem te zwaar zou vallen. Ook mijn eigen vader is ooit aspirant-monnik geweest in Koningshoeven. Hij had geen moeite met het harde, sobere leven, maar mocht er niet blijven, omdat hij te weinig flexibel zou zijn.

Na de rondleiding worden we ontvangen door Dom Bernard, de huidige abt van Koningshoeven.
Hij is, net als veel andere monniken, een vriendelijke, goedlachse man. Het lijkt wel alsof sommige monniken twee gezichten hebben: een naar binnen en een naar buiten.

De smeedijzeren lampen zijn gemaakt door enkele familieleden van mij

We spreken over mijn Heeroom. Die was voor ons, familieleden, en voor vele anderen in de buitenwereld een zeer aimabele, milde man, een toonbeeld van rust en acceptatie. Voor zichzelf was hij echter zeer streng. Dat was hij ook als abt voor zijn monniken. Een monnik diende zich zoveel mogelijk comfort te ontzeggen. Enkele korsten droog brood volstond als ontbijt. Van zijn warme maaltijd maakte mijn oom een afschuwelijk mengsel. Pap, groente, bier, hij  gooide als een vorm van zelfkastijding alles door elkaar om het zo smakeloos mogelijk te maken.
Dom Bernardus vertelt dat hij als jonge monnik elke dag een half uur moest voorlezen, toen mijn Heeroom op hoge leeftijd niet meer zelf kon lezen. Dat was voor Bernardus geen pretje. Mijn oom was zeer veeleisend en vroeg na enige tijd om een andere voorlezer.
Heeroom heeft na 21 jaar vrijwillig zijn functie als abt neergelegd. Het besturen van de kloostergemeenschap was hem te zwaar geworden. Dom Bernardus vertelt nu, dat mijn oom bij zijn aftreden een sterk verdeelde gemeenschap achterliet. Er waren flinke meningsverschillen over de vernieuwing van het geloof en over de kloosterregels. Mijn oom was niet altijd even consequent geweest in zijn bestuur. Hij had een groep van medestanders en er was een  groep van opponenten. De verdeeldheid binnen de gemeenschap was zo diep, dat er pas drie jaar later een nieuwe abt gekozen kon worden.
Dat mag je wel leven in de brouwerij noemen.

Op onze terugreis van Koningshoeven concluderen we, dat niet alleen het beeld van onze oom bijgesteld moet worden, maar ook het beeld van deze kloostergemeenschap als vredige broederschap. De binnenkant en de buitenkant komen niet altijd met elkaar overeen.
De strenge orde van trappisten vraagt nogal wat van zijn monniken. Je moet een sober en eenzaam leven aankunnen. Je moet principieel en dogmatisch zijn in je opvattingen, maar tegelijk ook flexibel in de omgang met de confraters met wie je dag in dag uit het leven deelt. Dat is bijna vragen om spanningen.

0

DRIJFVEREN

Dagelijks

Elke maandag staan er in dagblad Trouw levensbeschrijvingen van bekende of onbekende personen die pas zijn overleden. Tot voor kort sloeg ik deze over. Totdat mijn aandacht getrokken werd door een foto-onderschrift. Het betrof een man van mijn generatie, die de katholieke kerk vaarwel had gezegd, in het welzijnswerk was beland en zijn leven besteed had aan het helpen van de behoeftige medemens. Ik raakte geïnteresseerd, las verder over de drijfveren van deze man en spiegelde dit aan mijn eigen leven.
Waarom wordt de ene mens politieagent en belandt zijn klasgenoot in het criminele circuit? Wordt de een ondernemer en zijn buurjongen diens chauffeur? Dat vind ik boeiende vragen. Ooit heb ik zelf voor psychologie gekozen. Vanuit de hartelust waarmee ik me nu met zingen en schrijven bezig hou, vraag ik me wel eens af, of ik indertijd de goede keuze heb gemaakt. Het lezen van een necrologie heeft dan in zoverre nut, dat ik weer besef, dat ik niet warm loop voor technische innovaties of notariële teksten, maar voor de mens, zijn drijfveren en zijn levenswandel.

De belangrijke keuzen in het leven hebben te maken met een partner, kinderen, een baan of een promotie. Het zijn de zaken waarvan kinderen zeggen: ‘Later als ik groot ben, wil ik…’ Ik betrap mijzelf nog steeds op dit soort wensen voor later.
Volgens managementgoeroe Steven Covey moet je je afvragen hoe jij wilt dat er op je begrafenis over je gesproken wordt. Daaruit zijn je doelen af te leiden.
Als je je loopbaan hebt afgesloten en je kinderen het huis uit zijn verandert het perspectief enigszins, maar de vraag blijft gelijk: hoe wil je de jaren die voor je liggen invullen? De grote onbekende hierin is de Tijd. Hoeveel jaren zijn je nog gegeven?
Wie de zaak op zijn beloop laat, kan spijt krijgen en dan wordt het link. Spijt is een herkenbare, veel voorkomende, maar oh zo nutteloze emotie. In ieder geval voor wie op zijn sterfbed ligt. Aan  de eindeloze rij van top-zoveel lijstjes heeft de Australische schrijfster Bronnie Ware de Top 5 regrets of the dying toegevoegd. Mensen die doodgaan hebben vooral spijt over het gebrek aan moed om een eigen leven te leiden, over te hard werken, te weinig genieten, het onvoldoende uiten van gevoelens en over het gebrek aan aandacht die zij aan hun vrienden hebben besteed. Geen lijstje om te memoreren op de begrafenis of in de levensbeschrijving van Trouw. Terwijl ik dit tik begint hier in de buurt de klok van het kerkje op de begraafplaats St. Barbara te luiden.
De boodschap is: stel niet uit tot morgen, wat je vandaag wilt…. Ik ben het me bewust, het schiet regelmatig door mijn hoofd en toch stel ik  sommige dingen uit tot later, als ik groot ben.

Deze week was ik bij een optreden  van het vocaal ensemble Sfinx. Men zong onder meer een compositie van Wim van Wolferen op een tekst van Shakespeare over de genadeloze werking van de Tijd. De vrije vertaling is van Hans Manders:

Zoals golven naar het strand toe stromen
Zo gaan de minuten een voor een voorbij
Zij blijven zonder oponthoud maar komen
En niemand stopt dit eeuwige getij.

Een baby die het daglicht heeft bewonderd
Groeit in een zucht van klein tot groot
Waarna de Tijd ‘m, niemand uitgezonderd,
Gauw uit het rijk der jeugd verstoot

Als de Tijd iets geeft, dan neemt hij ’t terug
Want schoonheid mag niet te lang duren
Wat komt tot bloei verdwijnt erna weer vlug
En moet het na een tijdje flink bezuren

Alleen dit vers voor jou blijft buiten schot
Dat krijgt de Tijd, hoe wreed ook, niet kapot.

0

WE ARE THE CHAMPIONS

Herinnering

De huldiging van Feyenoord bracht me deze week weer terug naar zondag 8 mei 2011 en het Raadhuisplein in Waalwijk. Ook de Coolsingel van Waalwijk stond destijds barstenvol voetbalsupporters. Vooraan op het plein, een heel eind bij G. en mij vandaan, zagen we een in zwarte kleuren opgetrokken podium, waar felle spots heen en weer zwaaiden op de maten van een happy hardcore beat. Het was een teringherrie. In afwachting van de kampioensploeg werden er rookpotten aangestoken, in de clubkleuren geel en blauw. De stinkende rook ontnam ons haast de adem. De massa deinde heen en weer, het plastic van lege bierglazen knisperde onder de voeten.
Wij voelden ons een beetje een vreemde eend in de bijt. We dansten niet mee, scandeerden geen leuzen, we klommen niet met een glas bier in een lantaarnpaal. We waren supporter vanuit familiaal verband.

Twee dagen daarvoor zat ik met zoon E. in een bus vol voetbalsupporters onderweg naar Geleen. Het is de enige keer in mijn leven dat ik in een supportersbus gezeten heb. Omdat het verplicht was. Vanaf de afslag Susteren werden de bussen door een grote batterij politiemotoren begeleid, alsof we twee weken daarvoor de fans van Fortuna Sittard nog met fietskettingen te lijf waren gegaan.
Het was een weinig spectaculaire wedstrijd. RKC Waalwijk had de overhand en kwam na rust met 0-2 voor. Desondanks zat ik gespannen op de tribune bij elke tegenstoot van Fortuna. Mocht de keeper mistasten of een hoge bal uit zijn handen laten vallen, dan is hij de schlemiel van de avond. Maar als hij de bal uit de kruising ranselt, dan wordt hij de man van de wedstrijd. De grens daartussen is erg smal, het is een dubbeltje op zijn kant.
Geen van beide gebeurde overigens. Zoon Arjan hield zijn doel netjes schoon, tot hij een paar minuten voor tijd door een eigen verdediger gepasseerd wordt. Dat deerde echter niet, RKC won en werd daarmee kampioen van de Jupiler League 2010 – 2011. Het confettikanon deed zijn werk, de schaal werd tientallen malen op het ritmische gejuich van de supporters omhoog geheven, de spelers dansten de polonaise. Pas om half twee ’s nachts  waren we weer terug bij het stadion in Waalwijk. Busdeuren die geopend werden gaven lucht aan tientallen supporters die op een rij in een greppel hun blaas leegden. Op het plein voor het stadion werden de feestelijkheden nog eens overgedaan.

Als voetbalvader ben ik vele jaren het land doorgereisd, naar saaie of opwindende partijen die ik als  gast, zonder te betalen, kon bijwonen. Ook al stond er niets op het spel, ik vond het altijd spannend als Arjan meedeed. Ik genoot ervan als hij positief in de aandacht stond. Als hij in interviews met de media rustig zijn antwoorden gaf. Als hij van het veld liep en mij met zijn ogen op de tribune zocht en tevreden een vuistje maakte.
Maar als hij snel in de kleedkamer verdween en niet naar mij keek, dan wist ik dat hij niet tevreden was. En ik kreeg de kriebels als hij na een minder optreden op social media voor ik weet niet wat werd uitgemaakt. De voetbalwereld is geen schoolplein waar je kunt zorgen dat de kinderen zich netjes gedragen.

Terwijl op zondagmiddag de confetti op het publiek neerdaalde en er vuren werden ontstoken, kwamen de spelers één voor één het podium op. Hoewel hij niet van de schijnwerpers houdt, liep ook Arjan vrolijk naar voren om het verdiende applaus in ontvangst te nemen. Hij was voor ons een wit stipje in de verte, maar we zagen zijn gezicht glimmen op de twee grote schermen naast het podium. In deze overmaat van geluid, licht en rook, bezorgde het mij een brok in de keel. Maar geen mens om ons heen die er weet van had.

0

RADICALISERING

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (6)

In 1972 volg ik de werkgroep Wetenschapskritiek. De begeleider vertelt, dat de psychologie ervoor moet zorgen dat mensen blijven functioneren in de maatschappij. De psychologie is het oliespuitje voor het kapitalisme. Maar, legt hij geduldig uit, de machine knerst hier en daar. Er openbaren zich grote tegenstellingen in het kapitalisme. Dat geeft mogelijkheden om het bestaande te ontkennen en te overstijgen, lees Habermas, lees Marcuse!
Ik volg zijn advies en sluit me aan bij een leesgroep. Overdag leer ik braaf voor mijn tentamens statistiek en methodologie. ’s Avonds discussieer ik in de leesgroep over vervreemding. Marx schreef, dat de mens vervreemd is van de natuur, van de producten die hij maakt, van de medemensen en van zichzelf. Maar omdat de arbeider volgens Marcuse zoet wordt gehouden met een autootje en een tv heeft hij zelf niet meer in de gaten hoe hij wordt uitgebuit. Studenten zijn in deze visie de dynamo van het verzet tegen de bestaande maatschappelijke structuren.
Ik consumeer gretig de maatschappijkritische literatuur, grote idealen verschijnen aan de horizon, inclusief de rituelen uit de socialistische kerk. De wereld steunt op nieuwe krachten, begeerte heeft ons aangeraakt. Hoe meer ik lees, hoe minder ik echter nog weet wat ik met mijn studie psychologie aan moet.
De Organisatie van Psychologiestudenten in Utrecht organiseert een congres over de beroepspraktijk van de psycholoog. Jan Foudraine, auteur van het net uitgebrachte boek Wie is van hout pleit voor het opengooien van de inrichtingen. Een andere spreker noemt bedrijfspsychologen een verlengstuk van de verfoeide ondernemer. Psychologen zouden samen moeten werken met actiecomités van arbeiders en onderzoek moeten doen naar onderdrukkende werkomstandigheden. Onderwijspsycholoog Co van Calcar roept op niet langer te lullen over de beroepspraktijk, maar materiaal te timmeren voor scholen in achterstandswijken. Ik lever een kleine bijdrage aan de organisatie van het congres  door stencils te rapen en congresmappen te verkopen. Met het rode organisatielintje om mijn arm voel ik mij heel wat.

Karl Marx

In de theoretische verhandelingen die we in de leesgroep bespreken staan de maatschappelijke structuren centraal, niet de psychologische. Het gaat over andere mensen, nooit over onszelf. Ik heb in die tijd geen vriendin, voel me onzeker in groepen en mis in mijn studentenflat het warme contact. Maar in mijn leesgroep pleit ik er voor om de zaken fundamenteler aan te pakken. We beginnen aan de Inleiding in de marxistische economie.
Tegelijkertijd vind ik dat ik niet alleen maar moet lezen en discussieren. Ik moet ook iets doen en dus sluit ik me aan bij de oppositiegroep van studenten op de subfaculteit Psychologie. Het onderwijs in het voorkandidaats vinden we belabberd. Wij kunnen te weinig meepraten. Er is 1 medewerker op 40 studenten, terwijl de landelijke norm 1 op 12 is. We schrijven pamfletten over de noodtoestand op de subfaculteit Psychologie en organiseren een protestavond. Er komen meer dan honderd studenten op af. De ontevredenheid is massaal. We weten precies wat er mis is, maar we hebben er nog niet over nagedacht hoe we deze onvrede kunnen omzetten in actie.
Enkele aanwezige studentenleiders van de studentenvakbond USF klampen ons na afloop aan. Als leden van de CPN zijn zij inmiddels gepokt en gemazeld in de organisatie van verzet. ‘Zo’n groep mag je nooit zo maar naar huis laten gaan. Dat demotiveert. Schrijf alle namen op, richt werkgroepen op, ontwerp petities’.
Ik sta er wat bedremmeld bij. De dynamo van verzet slipt over de band.

0

BIJ DE TANDARTS

Dagelijks

Tijdens het eten van een boterham kauwde ik op een hard stukje. Ik dacht dat de bakker een steentje in het brood had verwerkt, maar in mijn handen leek het stuk verdacht veel op een deel van een kies. De tandarts zag een gammele tand en concludeerde dat het plaatsen van een kroon een goede remedie zou zijn.  Vier weken later liep ik met mijn eerste kroon in bijpassende kleur te pronken. Maar omdat de kies mij last bleef bezorgen en bijvijlen niet hielp,  zat er volgens de tandarts niets anders op, dan de kroon weer van zijn plek te lichten en alle zenuwuiteinden dood te boren. Dat klonk weinig aantrekkelijk, maar wie ben ik om daar tegenin te gaan?
Zo heb ik dus de afgelopen tijd heel wat uren horizontaal in de oude tandartsstoel doorgebracht.
Niet alleen de stoel is oud overigens, ook de tandarts is al op leeftijd. Hij is minstens zo oud als ik. Terwijl mijn vorige tandarts altijd met de nieuwste snufjes aan kwam zetten, is deze tevreden met wat hij heeft. Dat heeft wel zijn charme. Ik stel me voor dat een tandartspraktijk in Roemenië er ongeveer zo uit zal zien. Maar misschien onderschat ik de Roemenen en wordt het in Nederland overbodig geworden tandartsinstrumentarium voor een tweede leven naar Afrika verscheept.
De vorige tandarts kletste mij altijd de oren van mijn hoofd. Ik kon alleen maar met ongepolijste keelklanken reageren. Deze tandarts zegt helemaal niets. Een uur lang. Dat is wel zo duidelijk. Het achtergrondgeluid van radio 4 wordt slechts verstoord door het hoge gillen van de boor en het slurpen van de waterzuiger.

Elk behandeluur begon de afgelopen weken met enkele venijnige prikjes verdoving. Ik lag er daarna redelijk ontspannen bij, terwijl de tandarts met rubberen doekjes en steunijzertjes zijn bouwput gereed maakte. Vervolgens ging hij in de weer met allerhande tangen, boren en spuitjes. Bij de meest grove boor kwam er een geur los alsof ze in de buurt paarden aan het beslaan waren.
Geduldig en onvermoeibaar zat mijn helper lange tijd met kleine en grote naalden in de uitgeboorde holtes te peuren. Het doel daarvan ontging mij volledig. Daarna verdween er een batterij aan plastic rietjes in de kies. Aan het einde van je leven heb je meer lichaamsvreemde stoffen in je lijf dan een vis die elke dag door de plastic soep zwemt.
Tenslotte kon het vullen beginnen. De tandarts vroeg zijn assistente om twee eenheden cement. In een bijkamer klonk daarop het geluid van een minuscuul betonmolentje. Tandartsen zijn bouwvakkers op de vierkante millimeter.
Gemiddeld genomen kwam de assistente tweemaal per behandeluur aan mijn stoel om iets aan te reiken of vast te houden. Dat lijkt me een saaie baan. En een kostenpost voor de tandarts. Misschien is daarom ooit het lied Het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente ontstaan. Anders dan bij de zanger kwamen er bij mij geen erotische gedachten naar boven. Wel moest ik denken aan de grote spinnenwebben die ik in de wachtkamer had zien hangen. Tussen het bereiden van het cement door leek mij dat wel een mooie voorjaarsklus.

Na zeven wekelijkse sessies was mijn kies gereed. Ik was geholpen, zogezegd. In de tandheelkunde geldt nog de ouderwetse betekenis van het woord. Terwijl in de rest van de zorg het meedenken, meepraten en de zelfzorg een hoge vlucht nemen, hoef je in de stoel van de tandarts alleen maar te liggen en je mond (open) te houden.

0

EINDELOOS OUDERSCHAP

Dagelijks

Toen zijn dochters rond hun twintigste verjaardag het huis uitgingen, zei een vriend van mij: ‘Zo, het project Kinderen is succesvol afgerond’. De kinderen stonden op eigen benen. Het opvoeden en verzorgen was afgelopen.
Soms loopt het zo. Voor de meeste ouders van mijn generatie geldt echter dat zij voor hun kinderen blijven zorgen, ook als deze volwassen zijn geworden. Herman Vuijsje en Anneke Groen schreven hierover het boek Eindeloos Ouderschap, met de wat fatalistisch klinkende ondertitel: zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op.
Was het dàt wat er door mij heenging, toen onze oudste zoon net geboren was en ik voor het eerst de babymelk aan het bereiden was? Er stonden acht lege flesjes op het aanrecht. Was het het zware gevoel van verantwoordelijkheid wat op mij drukte? Een baan kan je opzeggen, je huis kan je verkopen, je kunt desnoods van je partner af, maar een kind is er voor altijd.
Nu, zoveel jaren later, voldoen wij aan het beeld dat Vuijsje en Groen schetsen: wij passen op de kleinkinderen, staan onze kinderen bij met raad en daad en helpen bij de aankoop en het opknappen van een huis. Dit verschilt nogal met de relatie die wij met onze eigen ouders hadden. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Hoe kan het dat onze generatie die zelfstandigheid zo hoog in het vaandel heeft staan, doorgaat met de zorg voor de volwassen kinderen?

Onze generatie heeft veelal het geld en de tijd om de kinderen te steunen. Voor onze ouders gold dat veel minder. Bovendien hebben wij ons afgezet tegen onze ouders, wij wilden absoluut niet afhankelijk zijn.
Nu is de verhouding tussen ouders en kinderen harmonischer. Voor onze kinderen is de ondersteuning  welkom. De prijzen van huizen zijn vele malen hoger dan in onze tijd, de kinderen werken vaak in tijdelijke contracten. Beide partners werken en opvangarrangementen voor hun kroost zijn prijzig. Bovendien, vanuit de sfeer waarin zij zijn opgegroeid verwachten de volwassen kinderen ook de blijvende steun van hun ouders.

De vraag is of het erg is, dat deze jongvolwassen generatie deels afhankelijk blijft van hun ouders. Ik denk het niet. Ik prijs mezelf gelukkig, dat ik mijn kinderen kan steunen. Het contact met mijn kleinkinderen is een verrijking van mijn leven.
Maar er zijn wel enkele valkuilen.
In het boek van Vuijsje en Groen klinkt op diverse plaatsen een schuldgevoel van onze generatie door. Wij hebben in onze jonge jaren flink de wind mee gehad. Onze studiekosten waren laag, we konden aan een goed betaalde vaste baan komen, een huis kopen, dat sindsdien vier maal meer waard is geworden en geld sparen via fiscaal gunstige regelingen. Wij hadden toch het ideaal van delen en solidariteit? Schuldgevoel, het is geen goede drijfveer.
Een tweede valkuil is dat de volwassen kinderen de ‘altijddurende ouderlijke bijstand’ heel normaal vinden. In de rubriek Moderne Manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw las ik een brief van een vrouw die zich beklaagde over haar schoonzoon. Deze vindt het niet meer dan vanzelfsprekend, dat zijn schoonouders komen oppassen, zodat hij naast zijn drukke baan zijn uitgaansleven kan voortzetten. ‘Jullie hebben toch de tijd! En jullie vinden het toch leuk!’ Ouders hebben moeite met ‘nee’ zeggen. Je wilt geen ruzie met je kinderen.

De afgelopen week waren wij met onze kleindochters in een vakantiepark op de Veluwe. Je kon er geen klein kind tegenkomen of er liep wel een grootouder bij die de aandacht van het kind probeerde te trekken.
32 jaar na het vullen van de babyflesjes stond ik daar een maaltijd te koken voor mijn kleinkinderen. Ze probeerden mij te laten schrikken, maakten de knoop van mijn schort los en zeiden dat ik poep in mijn ogen had.
Zorgen houdt nooit op, zorgen hoort erbij.

1

STUDENTENFLAT

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (5)

Uitzicht over Tuindorp

Mijn kamer aan de van Lieflandlaan 50 in Utrecht meet 3 x 4 meter en staat vol met planten, zoals citroengeraniums en sierasperges. Vanaf de bovenkant van de klerenkast heb ik een netwerk van touwtjes gespannen, waarover een snel groeiende ficusachtige plant een groen bladerdak heeft gevormd, waar de verse scheuten omlaag hangen als in een prieeltje. Op een kastje staat een grote bandrecorder en het kleine stalen bureau ligt vol met studieboeken en collegedictaten. Hier bereid ik iedere dag plichtsgetrouw mijn colleges en tentamens voor.
Mijn kamer ligt op de vijftiende verdieping en kijkt uit over Tuindorp en treinstation Overvecht. Ik kijk vaak naar buiten en ken de vertrektijden van de treinen. Zie ik er een gaan, dan weet ik hoe laat het is. Ik hoor het continue geluid van de auto’s op de Kardinaal de Jongweg diep onder mij. Ik zie de wolken langstrekken, de mist verdampen.
Staande voor het raam kijk ik uit over mijn toekomst,  mijn idealen, mijn onzekerheden.

Ik woon hier met negen andere jongvolwassen mannen. Wij zijn de eerste bewoners. De Stichting Studentenhuisvesting meende er in 1971 goed aan te doen om de jongens gescheiden te houden van de meisjes. Die wonen naast ons. We kijken op uit de Volkskrant als zij over de galerij het raam van onze woonkeuken passeren. En vervolgens strelen we onze kat. Die heet Maup, naar de minister van Onderwijs, de Brauw.
Langzaam bouwen we een gemeenschap op, met lijsten bij de biervoorraad en de telefoon, met briefjes en discussies over schoonmaken (‘de douche elke week met lysol!’), over kookplaten die aan zijn blijven staan, koekenpannen die krom zijn getrokken en boterkuipjes die zijn verdwenen.

Maaltijd op de galerij voor de studentenflat

We beginnen met gezamenlijke maaltijden. Als er tenminste iemand bereid is om te koken. Tijdens de maaltijden nemen we elkaar de maat over welk onderwerp je ook maar kunt bedenken. Soms gaat het over de gewenste veranderingen in onderwijs en maatschappij. Ik ben daarin het meest principieel en idealistisch. Alles moet anders: democratie op de universiteit, zelfbestuur voor arbeiders in de bedrijven, verbanning van honger en uitbuiting uit de derde wereld. Het socialisme is mijn doel, maar dat gaat velen in ons huis ietsje te ver. Ik vind dat ik tekort schiet als ik hen niet kan overtuigen. Dan kijk ik na het eten weer uit het raam. Mijn onzekerheid wordt alleen maar groter. En ik noteer in mijn aantekeningen: ‘de banden hier in huis zijn losjes, er is nauwelijks werkelijk contact, we leven langs elkaar heen’. ‘De onderwerpen die tijdens het eten besproken werden, vond ik niet interessant, de meningen staan ver van mij af’.

Maar het huisfeest verbroedert. Het is een goede aanleiding om de kamer eens flink op te ruimen. Dan kunnen de gasten op de grond zitten. De firma Nectar levert met een steekwagen een grote hoeveelheid kratten af.
Het eerste huisfeest heb ik niet tot het einde meegemaakt. Huisgenoot Frans had, met de kennelijke bedoeling om de buurvrouwen te behagen, een aantal grote mandflessen sherry voor een spotprijsje ingekocht.  Iemand had mij geadviseerd om eens sherry te proberen. Met mijn moeders gezegde Onderzoekt alles en behoudt het goede in mijn achterhoofd was ik er niets vermoedend aan begonnen. Halverwege het feest stond ik op mijn kamer met mijn hoofd boven de wastafel, achter mijn groene prieeltje. Ik zag alle zorgvuldig gemaakte hapjes weer naar buiten komen. Dat leek mij niet het goede wat behouden dient te worden.

2

MEDIA VITA IN MORTE SUMUS

Muziek

Wat maakt, dat je gegrepen wordt door muziek? Dat je opeens bij je nekvel wordt gepakt en compleet van de wereld bent. Dat je in één ogenblik schoonheid, ontroering en melancholie ervaart. Dat je in dat moment wilt blijven en daarna steeds weer die muziek wilt horen.
Daar zijn tenminste drie dingen voor nodig.
Op de eerste plaats, het is een open deur, moet het natuurlijk een prachtige compositie zijn.
Daarnaast, minstens zo belangrijk, moet het stuk uitmuntend uitgevoerd worden. De musici of zangers moeten geïnspireerd zijn, betekenis geven aan de muziek en een gevoel uitdrukken.
Over de derde voorwaarde later meer.

Als ik achter de pc zit luister ik vaak oude muziek. Ik struin YouTube af en blijf dan vaak een tijdje hangen bij een bepaalde stijl of componist.
Momenteel zit ik midden in de Engelse Renaissance. Zo stuitte ik op het stuk Media Vita in morte sumus, een zesstemmige compositie van John Sheppard (ca 1515 – 1558). Ik vond een opname van het Tsjechische ensemble Cappella Mariana.
Niet bij de eerste keer luisteren, maar bij de tweede of derde keer werd ik diep geraakt. In tijden heb ik niet zo’n schitterend, hemels stuk gehoord. Ik luister steeds opnieuw.
Media vita in morte sumus is een Latijns gezang, dat veelal op de vierde of vijfde zondag van de lente werd uitgevoerd. Ik vond de volgende vertaling.
Midden in het leven zijn we door de dood omgeven.
Wie zullen wij als helper zoeken dan U, Heer,
Die door onze zonden terecht vertoornd bent?
Heilige God, heilig en sterk.
Heilige barmhartige redder.
Geef ons niet over aan de bittere dood.
Een bijzonderheid: Joost Zwagerman heeft op de dag van zijn zelfgekozen einde dit stuk als verzoeknummer aan radio vier gestuurd.

Cappella Mariana is een vocaal ensemble uit Praag. De hoge sopraan in deze uitvoering is Hana Blazikova over wie ik eerder in dit blog schreef. In bijgaande opname zingt het ensemble blijkbaar in een steenkoude kerk. De sopranen dragen warme capes. Het is een opname voor de Tsjechische radio. De presentatrice doet vanachter een laag tafeltje blauwbekkend de aankondigingen. Die koude sfeer verdwijnt echter geheel als de muziek wordt ingezet.

Media vita begint bij 14:00 en duurt tot 31:35. Wie in minder tijd een indruk wil krijgen begint bij 29:35. De zangers vallen vanaf hier om beurten in met Sancte misericor Salvator (Heilige barmhartige redder). Zoals kenmerkend is voor renaissancemuziek zingen zij door elkaar heen en weven met elkaar een prachtige samenklank. Aan het einde wisselen de hoge stemmen elkaar af in het dramatische Nec tradas nos (Geef ons niet over).

Het is een schitterende compositie, door Cappella Mariana mooi uitgevoerd.
Toch is het maar zeer de vraag of jij, lezer, ook door deze muziek geraakt wordt.
Dat kan te maken hebben met de stijl. Veelstemmige renaissancemuziek zit vaak ingewikkeld in elkaar. Je moet de muziek vaker horen om het te kunnen waarderen.
Nog meer bepalend is, en daarmee kom ik op de derde voorwaarde, dat de muziek bij mij als individu een gevoelige snaar moet raken. Ik moet er voor open staan, er voor in de stemming zijn, of het moet aansluiten bij iets wat mij emotioneel heeft geraakt. En het moet zeker geen negatieve associaties oproepen, bijvoorbeeld als je een allergie hebt voor religieus gezang, Latijn of overwegingen over de dood. Is deze derde voorwaarde niet vervuld, dan is de kans groot dat je het stuk niet afluistert.
Rest nog de vraag waarom Media vita in morte sumus mìj zo geraakt heeft de afgelopen tijd.