Schrijven, Lezen, Leven.
0

BERICHT UIT BRAZILIË (2)

Reizen

Kamerkoor D’Allure is een projectkoor voor oudere koorzangers met ervaring en ambitie. Het koor staat onder leiding van dirigent Fokko Oldenhuis. Omdat deze in zijn jeugd in Brazilië heeft gewoond en daar nog contacten heeft, ontstond de mogelijkheid om deel te nemen aan het korenfestival in Londrina, in het zuiden van Brazilië. Daar hadden we wel oren naar. En we kunnen onze eigen tijd indelen. Zodoende checken we, ingeënt en met een goed gevulde reisapotheek, op 28 oktober in voor een vlucht naar Sao Paolo.

We worden ontvangen als sterren. De kosten van het verblijf worden voor ons betaald. Dagelijks staat een bus met chauffeur en gidsen ter beschikking voor fraaie excursies. Halverwege de week worden we in de watten gelegd als het zwembad van de Banco do Brasil exclusief voor ons ter beschikking staat.
Aan ons is bovendien de eer om het festival op dinsdagavond te openen. Ons optreden is niet perfect, maar er wordt luid gejuicht. Wat van ver komt moet goed zijn. Het kan ook zijn, dat het publiek weet, dat wij niet meer zo goed kunnen horen. Als wij het optreden eindigen met een liefdeslied in verstaanbaar Portugees, ontstaan er stadiontaferelen. In een gangpad juicht een aantal toehoorders met de Nederlandse vlag.

Tijdens de week treden wij diverse keren op voor sponsoren van het festival. Waar wij optreden zijn er camera’s van televisiestations aanwezig om die zangers uit dat verre Nederland in beeld te brengen. Dat ik dit mag meemaken, gaat er voortdurend door mij heen. Zo zingen we volksliedjes van de Zweedse componist Petterson-Berger in een bankgebouw, nadat we eerst door gewapende bewakers via een veiligheidspoort zijn gescand. Onderwijl wacht de cliëntèle voor de loketten lijdzaam de beurt af.

Bij Scania Vabis mogen we zonder inzingen en op onze nuchtere maag het ontbijt van de medewerkers opvrolijken. De monteurs die dagelijks onder de motoren van de vrachtwagens liggen blijken het Gloria van Nystedt te waarderen. Elke dag zit weer vol verrassingen, genoeg om evenzovele blogs mee te vullen.
Vijf avonden lang zien we in het stadstheater een bonte rij van Braziliaanse koren langskomen: kinderen uit een tehuis, zacht zingende dames van Japanse origine, kerkkoren toegejuicht door nonnen in de zaal, leraren uit het particulier onderwijs, personeel van de sportclub van de Banco do Brasil, presbyterianen die met een keiharde beat hun gospels uitventen. Een gebrek aan kwaliteit wordt gecompenseerd door een grote inzet, swingende pasjes of een kleurige uitmonstering, zoals de vogels in het regenwoud. En alles uit het hoofd gezongen. De optredens worden becommentarieerd door een aan zijn stoel gekluisterde oudere man, een stijve imitatie van de presentator van darts-wedstrijden (‘one-hundred-and-eighty!’). In de pauze is er een loterij. Zo wint een van ons een pakket met schuurlapjes, knijpers en iets wat op bronwater lijkt, maar bij de eerste slok een schoonmaakmiddel blijkt te zijn.

Tijdens een invalbeurt op vrijdagavond valt alles voor ons op zijn plek. We krijgen de zaal muisstil, wat hier een grote uitzondering is. Na afloop rijdt onze bus naar een bar voor een caipirinha, de nationale cocktail die zo heerlijk wegdrinkt maar lekker aankomt. Men wil ons een Braziliaans maal voorschotelen, maar als niemand zo laat op de avond zin heeft in rijst en bonen, stuurt de kok als alternatief de ene na de andere schaal met hapjes langs.
Het blijkt een opmaat voor het slotfeest van het festival, dat aan het einde van de zaterdagavond losbarst. Er is weer veel te eten en juist als ik heerlijk dansend aan mijn tweede jeugd begonnen ben, zie ik tot mijn ontzetting dat onze bus om 1 uur gaat vertrekken.
Tja, dat is waar ook, we zijn een koor van ouderen.

1

BERICHT UIT BRAZILIË (1)

Reizen

We lopen over een smal pad door ondoordringbaar bos, een wirwar van dunne en dikke bomen, groene bladeren zo groot als dienbladen, luchtwortels, lianen. De zon bijna recht boven ons hoofd dringt hier nauwelijks door. Gezoem van insecten, waarschuwende kreten van vogels, die zich twintig meter hoog in het gebladerte aan mijn kijker onttrekken.
Dit is het natuurpark Mata dos Godoy in het zuiden van Brazilië. Het Atlantische regenwoud herbergt vele planten die alleen hìer voorkomen, een nog grotere rijkdom dan in het Amazonegebied. Van dit tropisch bos resteert nog zo’n 5%. In Brazilië kijkt men niet op een boompje meer of minder. In zijn strijd tegen een afzettingsprocedure was president Temer onlangs nog bereid om een beschermd deel van het Amazonewoud op te offeren.
Voetbal en corruptie, de Brazilianen raken er nooit over uitgepraat, zegt onze gids. De politiek wordt beheerst door een aantal families. De best betaalde banen zijn bij de bureaucratische overheid. Brazilië heeft vele natuurlijke rijkdommen, maar is in vergelijking met omliggende landen een duur land. De verschillende soorten btw liggen tussen de 25 en 60%.

Met mijn kamerkoor D’Allure ben ik te gast op een korenfestival in Londrina in het relatief welvarende Zuidoosten van Brazilië. In 1930 was de houtkap tot hier doorgedrongen en werden de eerste huizen gebouwd. Nu is Londrina een plaats met 558.000 inwoners. De rijkere mensen wonen in flats. Er staat een hek omheen en er zit een conciërge bij de deur. Of men woont gezellig in compounds, waar de prikkeldraadversperringen bovenop de muren liggen die de wijk beschermen. Veiligheid is hier een belangrijk issue. De kloof tussen arm en rijk is groot.
In het historisch museum van de stad hangen foto’s van de pioniers: Duitsers, Italianen, Polen, Japanners, het was een bonte verzameling immigranten die hier op zoek ging naar geluk. De Indianen en Afrikanen waren de helpers. Het kapitalisme, het katholicisme, de blanke overwon. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er nog Duitsers en Japanners bij. ‘We hebben toen niet het beste binnengehaald’, zegt een van onze gastheren. Een gedenksteen in het museum over de stichting van Londrina is afgedekt. Er is een tekst in Indiaanse tekens overheen geplakt. Men was even vergeten, dat er ook vóór 1930 mensen op deze plaats hebben gewoond.

Achter het raam van de bus, die ons elke dag weer door Londrina rijdt, kijk ik mijn ogen uit, geïnteresseerd, nieuwsgierig, ik wil alles weten. Londrina was halverwege de vorige eeuw hèt centrum van de koffieteelt, niet alleen nationaal, maar ook internationaal. Het theater waarin het korenfestival gehouden wordt heet niet voor niets Ouro Verde, het groene goud. Nadat in 1974 strenge nachtvorst de plantages voor jaren beschadigd had, is de koffieteelt naar het noorden verplaatst. Nu zien we in de omgeving eindeloze akkers met soja en suikerriet. De Brazilianen zijn niet alleen zoetekauwen, hun auto’s rijden in grote getale op ethanol, een brandstof die van suikerriet is gemaakt. Omdat de Brazilianen voor alles de auto pakken, is ook obesitas een issue in dit land.
Tussen de moderne flats, de bankgebouwen en de overheidsinstellingen is het niet moeilijk om de onderkant van de samenleving te ontdekken: oude huisjes, kleine garages, smerige werkplaatsen, vervallen plekken. Een jongleur voor het stoplicht, een oude knoflookverkoper, een vervuilde dakloze. In een parkje schrik ik me dood als twee agenten in no-time hun pistool trekken om een man te fouilleren. Vol ongeloof staar ik naar het getrokken wapen. Ik loop zo ongemerkt mogelijk weg, want ik wil wel alles weten, maar mijn interesse in vuurgevechten is beperkt.

Om overeind te blijven koesteren de Brazilianen hun geloof en bijgeloof, hun cachaça – de nationale brandewijn – en last but not least: de muziek. Die klinkt op straathoeken, vanuit cafés, en begin november iedere avond vanuit het Teatro Ouro Verde.

 

Met dank aan August Willemsen voor de inspiratie die hij mij bood met zijn boek Braziliaanse brieven. Een aanrader.

1

DE REÜNIE

Dagelijks

Herinneringen verdwijnen naarmate de tijd voortschrijdt. Uitgezonderd de emotionele belevenissen zitten onze ervaringen na tientallen jaren zo diep opgesloten in het geheugen dat deze nauwelijks nog op te halen zijn. Zitten ze er eigenlijk nog wel?
Dit voorjaar ontving ik een mail van het KRO-NCRV-programma De Reünie. In dit tv-programma ontmoeten oud-klasgenoten elkaar sinds lange tijd weer. Men vroeg mijn medewerking aan een uitzending over klas 1D van het Bonifatiuslyceum in Utrecht in 1964. Mijn eerste klas van de middelbare school.

1964, het is meer dan vijftig jaar geleden. Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van de lengte van deze tijdsspanne. Het is meer dan de helft van een mensenleven. Het is zo lang geleden, dat mij uit deze klas slechts één herinnering voor ogen staat. Die heb ik eerder hier beschreven. Ik heb ook nog maar één vaag fotootje, waarop je kunt zien hoe ik tijdens een klasseavond met drie klasgenoten een beatbandje imiteer (zie hieronder, mijn hoofd uiterst rechts).
Toen ik probeerde namen terug te halen van klasgenoten, kwamen er slechts drie bij mij boven. Uit de lijst die ik daarna van de Reünie ontvang herkende ik nog een paar namen, maar bij de meeste leerlingen had ik geen enkel beeld, geen enkele herinnering. 1D was een brugklas. Na het eerste jaar vertrok het grootste deel naar de HBS, die in een ander gebouw gehuisvest was. De meeste klasgenoten heb ik na dat jaar nooit meer gezien of gesproken.
Mijn interesse was echter wel gewekt, ik ging namen googelen en stuitte op twee verrassingen.
Ik zat in de klas bij ene Henk R. Vaag komt bij deze naam het beeld van een donkere jongen op. Het blijkt dat Henk nu een van Neerlands meest beruchte criminelen is. Mijn zonen kennen hem als de Zwarte Cobra uit de misdaadprogramma’s van Peter R. de Vries.
Verder zag ik tot mijn verbazing de naam van Rob Plijnaar op de lijst. Ik ken Rob uit de negentiger jaren, hij was de buurman van vrienden. We kwamen elkaar twintig jaar geleden nog wel eens tegen, maar geen van beiden hebben wij toen beseft, dat we ooit in dezelfde klas gezeten hebben. Dertig jaar is al genoeg om herinneringen te vervagen.
In mijn eigen archief vond ik een incomplete verzameling van het leerlingenblad Stemmen. Van klas 1D heb ik nog een Godsdienstschrift en een Herbarium. Wie wat bewaart, die heeft wat. De bladeren zijn inmiddels goed opgedroogd.
Eigenlijk was er nog een derde verrassing. Hoe vaker ik de leerlingenlijst bekeek, hoe meer herinneringen er naar boven kwamen. Opeens zag ik bij de naam Anton een lange jongen met blond haar. En uit het niets kwam de herinnering dat Geke en ik op dezelfde dag geboren zijn. Op 18 januari 1965 werden we allebei 12½ jaar. We vierden dat in de pauze met een zakje drop bij de drogist in de Nobelstraat.
Omdat er te weinig leerlingen opgespoord zijn heeft de Reünie nog de medewerking gevraagd van enkele meisjes uit een parallelle brugklas. Toen dook opeens de naam van Charlotte op, het meisje van mijn eerste zoen, waarover ik eerder schreef.

Zo blijken diep weggezakte herinneringen voor een deel weer naar boven te halen. Door te zoeken in spullen van toen, door ermee bezig te zijn. Dat maakt het ophalen leuk en verrassend. Alsof je weer even terug bent in de tijd en een verloren gegaan stukje van jezelf ontdekt.
Voor de opname van het programma was een dag in juli uitgekozen die midden in mijn vakantie viel. Omdat de programmamakers mij er graag bij wilde hebben, bood men aan om mij een dag uit IJsland te laten overvliegen. Dat had ik er niet voor over. Mijn bijdrage is daarom beperkt gebleven tot de voorbereidingen.
Voor wie geïnteresseerd is: op donderdag 9 november a.s., 20.30 uur, wordt het programma uitgezonden, NPO 1. Over wat het leven de 12-jarigen gebracht heeft en wat er is uitgekomen van hun dromen.

1

ROZE EN BLAUW

In het nieuws

In Nederland leven op dit moment 1,5 miljoen honden, 2,8 miljoen katten en 8,5 miljoen vrouwen. Het houden van vrouwen is dan ook populairder dan ooit. Dat is niet verwonderlijk: de gemiddelde vrouw heeft een prettig karakter. Zij is sociaal, lief en kan uitstekend zorgen. Toch blijken er in de praktijk nog een hoop vragen te zijn rond het houden van vrouwen:
Is iedereen geschikt voor het houden van vrouwen?
Heeft een vrouw leervermogen en is zij te trainen?

De bovenstaande regels zijn niet van mij, maar van Myrthe van der Meer. Met één verschil. Ik heb overal vrouw ingevuld waar zij het woord man gebruikt.
Van der Meer schreef het boek Het houden van mannen – veldgids voor de praktijk. Voor de Volkskrant mocht zij een voorpublicatie schrijven. Het is een vorm van satire die mij even deed glimlachen, maar die al halverwege het artikel begon te vervelen. Wat mij verbaasd heeft is dat het boek geen weerwoord heeft opgeroepen. Want stel dat een man een boek geschreven had over de aanschaf van een vrouw, wat zou er dan gebeurd zijn?

De Britse journalist Peter Lloyd schreef Stand by your manhood, a survival guide for the modern man. Daarin betoogt hij dat mannen in de huidige maatschappij steeds meer achtergesteld worden. In een interview in Trouw zegt hij:
‘Mannen zijn minder goed opgeleid dan vrouwen. Ze zijn vaker dakloos en werkloos. Vaker slachtoffer van geweld. Plegen vaker zelfmoord’.
Lloyd trekt ten strijde tegen feministen, die zijn inziens niet strijden voor gelijke rechten, maar voor een bevoorrechte positie voor vrouwen: ‘Bijvoorbeeld toen er eens werd opgeroepen om evenveel vrouwen als mannen in het leger te krijgen. Welnee, riepen de feministen, vrouwen horen niet te vechten en te sterven aan het front. Maar wacht even: mannen soms wel? Intussen willen de feministen dat er meer vrouwen komen in de directies van grote bedrijven. Maar heeft u ooit gehoord dat er óók quota moeten komen zodat er evenveel vrouwen als mannen werken bij de vuilophaaldiensten?’

Ik hou niet zo van polarisatie, dus laat ik de zaak positief benaderen: het is goed dat er over emancipatie geschreven wordt, steeds opnieuw. De ontwikkelingen gaan door.
Tijdens de feministische golf van de jaren zeventig werd ik mij bewust van de achterstelling van vrouwen en van de reductie van vrouwen tot lustobject. De man was de oorzaak van dit onrecht en ik voelde mij er diep schuldig om. Ik liep daarom met een button met een mannenteken, waarop de schuin omhoog staande pijl was vervangen door een slap omlaag hangend exemplaartje. Ik leerde breien en zette mij aan het strijken. Toen wij later kinderen kregen verdeelden we keurig de huishoudelijke en verzorgende taken. Dat stemt mij tevreden. Het pijltje mag weer omhoog.
Sinds de zeventiger jaren is er het een en ander veranderd. Ik weet echter niet of het op dit moment de goede kant op gaat.
In de speeltuintjes waar ik met mijn kleinkinderen kom zie ik evenveel vaders als moeders. Maar er blijven verschillen. De vaders in de speeltuintjes zijn vooral met hun smartphone bezig. De moeders kletsen met elkaar of ze letten op hun kinderen.
Kijk ik naar het speelgoed dat voor kinderen te koop is, dan krijg ik het benauwd. Nergens is het verschil tussen de seksen groter. Alles voor meisjes is roze en popperig.
Ook in het onderwijs nemen de verschillen toe. Meisjes doen het beter dan jongens. Meer dan de helft van de studenten aan de universiteit is vrouw. Het kan niet anders dan dat dit gevolgen gaat hebben.

0

CHRISTOPHORUS BUYS BALLOT

In het nieuws

Sta je met je rug naar de wind, dan is er een lage drukgebied aan je linkerhand en een hoge drukgebied aan je rechterhand. Tenminste op het noordelijk halfrond. Dat wordt de wet van Buys Ballot genoemd. Dus komt de wind uit het westen dan ligt het lagedrukgebied ergens in het noorden en de hoge druk ergens in het zuiden. Voor de doorsnee burger is dit nutteloze kennis, want je kunt er niets mee.
Voor mij is het echter wel handig om te weten. Ik woon namelijk in de Buys Ballotstraat. Als ik vragen krijg over de naam van de straat, dan kan ik uitleggen dat Buys Ballot de oprichter van het KNMI was en de naamgever van de wet over de windrichting. Dat helpt bij het onthouden. Zoals mijn vader vroeger over onze Den Hamstraat nog wel eens vertwijfeld door de telefoon riep: ‘Geen spek, of worst, maar ham!’.

De Sonnenborgh

10 Oktober j.l. was het 200 jaar geleden dat Christophorus Buys Ballot geboren werd. Hij begon als 18-jarige aan de universiteit van Utrecht met de studie klassieke talen, maar al snel stapte de bolleboos over naar de exacte wetenschappen. Na zijn promotie werd hij op jonge leeftijd hoogleraar in de scheikunde, natuurkunde en wiskunde, dat kon in die tijd nog. De bestudering van de sterren vond hij net zo interessant als het meten van de hoeveelheid regen die op verschillende hoogten langs de Domtoren viel.
Met steun van eerste minister Thorbecke kon hij het 16e eeuwse bastion Sonnenborgh aan de buitengracht in Utrecht ombouwen tot observatorium voor weer- en sterrenkundige waarnemingen. Dat was het begin van het KNMI. Buys Ballot begon aan iets wat sommigen ook nu nog als een onmogelijke opdracht zien: het voorspellen van het weer. Hij was de grondlegger van de weerkaart en het weerbericht in Nederland. Hij plaatste apparatuur in havens waarmee de komst van stormweer kon worden voorspeld. Maar nog belangrijker was dat hij over de grenzen heen keek. Hij zorgde ervoor, dat men in heel Europa de wind en de temperatuur op dezelfde manier is gaan meten. Dat leverde een schat aan gegevens op, waaruit hij zijn beroemde wet kon destilleren.
Christophorus overleed in 1890 tijdens een griepgolf. Dat onheil had hij niet aan zien komen.
Zeven jaar later, nu 120 jaar geleden, wordt er aan de overzijde van de nieuwe Oosterspoorbaan in Utrecht op een drassig stuk weiland dat eigendom was van de katholieke kerk een straat aangelegd. De gemeente vernoemt de straat naar haar wereldberoemde meteoroloog.

Het KNMI verhuisde naar de Bilt en de Sonnenborgh in Utrecht is nu al weer een tijdje Museum de Sterrenwacht. Om de 200e geboortedag van Buys Ballot te vieren waren dinsdag alle inwoners van de Buys Ballotstraat in Utrecht, de Buys Ballotweg in de Bilt en de Buys Ballotlaan in Soesterberg uitgenodigd voor een avond met lezingen en demonstraties in het museum. Bewoners van dezelfde straten in onder meer Leiden, Apeldoorn, Venlo waren niet uitgenodigd, dus dat gaf het feestje enige exclusiviteit.
Je kunt in het museum van alles leren over het weer en de sterren en ik laat me de werking van een reusachtige telescoop uit 1835 uitleggen, maar net als vroeger tijdens de natuurkundeles kost het me moeite om mijn aandacht erbij te houden. Ik ben vooral geïnteresseerd in meneer Buys Ballot. Maar veel verder dan dat hij een zeer gelovig wetenschapper was, 8 kinderen had en zijn stappen telde tijdens het lopen kom ik niet. Door een stevige westenwind fiets ik weer naar huis. Links de lage druk, rechts de hoge, oefen ik nog even voor mezelf.

1

FEESTEN EN STUDEREN

Dagelijks

Deze corpsballen komen in dit stuk niet voor

In onze buurt is er vijf keer per jaar een buurtlezing. Dan houdt een buurtbewoner een spreekbeurt over zijn werk, hobby of interesse. Vorige week werd de lezing gehouden door de studenten van een huis van het Utrechtse Studenten Corps. Het zijn onze achterburen.
Onze contacten met hen zijn beperkt. De corpsballen gooien regelmatig een briefje door de bus met de aankondiging van een borrel of feest. Wij roepen af en toe over de schutting of de muziek wat zachter mag. Ooit riep het zoontje van onze huisgenoten: ‘Korfballen! Jullie stinken naar wijn!’.
Door de jaren heen zijn er diverse acties van buurtgenoten geweest om de geluidsoverlast te beperken. De verontschuldiging was steeds dat men helaas teveel had gedronken. Of het nu door de laatste buurtactie komt of door een betere opvoeding, de corpsstudenten van nu houden wat meer rekening met de buurt.

Samen met zo’n 25 buurtgenoten schuif ik voor de lezing aan in de achterkamer, waar wij vanuit onze huiskamer op kijken; de achterkamer, die enkele jaren geleden tot discotheek (zonder vergunning) is omgebouwd. Het publiek is grotendeels van mijn leeftijd, mensen die naar mijn inschatting hun studie op andere wijze hebben ingevuld dan de corpsballen.
De jongens ontvangen ons hartelijk. Ze doen geen enkele moeite om zich beter voor te doen dan ze zijn. Het is een rommel in huis, ze lopen met een biertje in de hand, het witte overhemd hangt slordig uit hun broek, er zijn hoge koelkasten, alle tot de nok gevuld met alleen maar flesjes bier. De eerste dia van de powerpointpresentatie is een foto van de huidige groep bewoners, naakt, met een fles voor hun leuter, zoals de jongeheren hun piemel noemen. Schaamtegevoel kennen ze niet, ze zijn met een groep.

de vrijwillige strandwacht bij paal 17 op Texel

Een van de jongens vertelt over het huis en de activiteiten: een schier oneindige rij van festiviteiten zoals huisdiners, reünies en borrels. Er is een jaarlijkse dag voor de ouders, een dag voor oud-bewoners, een weekend in het buitenland, bezoeken aan het gezin van de nieuwe bewoners (‘nestcontrole’) enz. Om het door het Groningse Vindicat beschadigde imago van de corpsbal wat op te vijzelen vertelt men verder over goede-doelen-acties, sponsorlopen en vrijwilligerswerk als strandwacht op Texel. Het leven van de corpsstudent bestaat uit regels, rituelen, structuur en hiërarchie.

In de pauze lopen wij door het huis, door duistere gangen waar de muren met verfspuiten zijn voorzien van versieringen, langs toiletten met naaktfoto’s van corpulente dames, langs een keur van verkeersborden die uit de openbare ruimte zijn meegenomen en over groezelige trappen, waar de handen blijven plakken aan de leuning. De kamers zien er uniform donker, ongezellig en chaotisch uit: hier komt men alleen om te neuken en te slapen.
Iedere jongen woont hier vijf jaar. De nieuwelingen beginnen onder aan de ladder met uitvoerende taken. Hoe langer in huis, hoe meer je te vertellen hebt. Feitelijk krijgen de bewoners naast hun studie een informele opleiding evenementenmanagement. Ze leren organiseren, plannen, leiding ontvangen en leiding geven. Wie nog wat schuchterheid meebrengt leert dat snel af. Het is een ouderwetse cultuur, een hechte gemeenschap in een individualistische maatschappij, een gigantisch rollenspel.
‘Het is niet mijn wereld’, zegt een van de buurtbewoners en ik knik instemmend. Maar als ik kijk naar mijn eigen zoektocht tijdens mijn studietijd vind ik het jammer dat ik destijds niet zo’n soort houvast gevonden heb. En misschien had ik ook wel eens uit de ban wil springen met een fles voor mijn leuter. In iedere man schuilt een corpsbal. In iedere corpsbal schuilt een brave burger.
De jongens kunnen zich vijf jaar lang ongegeneerd als kinderen uitleven voordat de verantwoordelijkheid van gezin en baan roept. Voor hen is geen SIRE-campagne nodig. Zij hebben de tijd van hun leven.

1

SAMEN GENIETEN

Reizen

Wij wandelen in een glooiend landschap, langs groene weiden waar de zwart-witte koeien tevreden liggen te herkauwen en over beboste hellingen waar de hoge eiken en beuken op het punt staan te verkleuren. Door kleine gehuchten waar de stilte verstoord wordt door een blaffende hond of door een reusachtige tractor met meer dan manshoge wielen die met zijn wagen vol gehakseld mais op je afdendert. Langs kleine begraafplaatsen, waar de zerken scheefgezakt in de grond staan, graslandjes met verweerde schuurtjes, waar eenden en geiten harmonieus samenleven, kapelletjes met plastic bloemen voor een vrome heilige, een gaard met hoge fruitbomen, waar rode appeltjes tussen breekbare oude takken glinsteren in het zonlicht. Entre les tours de St. Pieters-Voeren en Teuven.

Met mijn kamerkoor Decibelle ga ik eens per jaar, eind september, op wandelweekend, ergens aan de rand van Nederland, of liever nog, een stukje daaroverheen. In een lang lint trekken zo’n twintig mannen en vrouwen door de velden. Verbonden door de liefde voor de natuur en de zang, van elkaar onderscheiden door de eigen geschiedenis, de eigen voorkeuren, de eigenaardigheden. Wandelend worden discussies gevoerd en levensvragen gesteld. Het lief en leed wordt net zo makkelijk met elkaar gedeeld als de oordelen over de uiers van de koeien in de wei. Bij een kapel bezingen we de schoonheid van de dag (Sweet day, so cool, so calm, so bright) of het leed in de wereld (O vos omnes, qui transitis per viam). Op het terras gaan de wandelschoenen uit en genieten we van koffie met linzen-pruimenvlaai. We speuren onderweg naar bramen en testen gevallen appeltjes op rijpheid. Of we rusten uit in een zonovergoten wei, waar de geluiden van snuivende knoeien en gras dat afgesneden wordt steeds dichterbij komen, totdat je je ogen opent en een grote, nieuwsgierige koeienkop naast je ziet. Zouden we dit geluk kunnen noemen?
Op onverklaarbare wijze worden we elk jaar weer op een prachtige nazomer getrakteerd.
De trektochten door de heuvels maken de banden sterker. We geven elkaar een hand in de modderpoel en houden het prikkeldraad voor de ander omhoog. Het begrip wordt groter, de acceptatie van ongerief sterker. Wandelend door de natuur ga je steeds meer van elkaar houden.

Na een daglang wandelen zitten we dit jaar op de cour van ons groepsverblijf Domaine de Magis in het zuiden van de Voerstreek. We heffen met elkaar een koel glas. We laven ons aan het laatste zonlicht dat op de hobbelige kasseien van de binnenplaats valt en schuiven de stoelen naar waar het zonlicht zich verplaatst. Een nazomerse namiddag, waarop er niets meer te wensen valt. Te zeggen, dat het leven voltooid is zou sterk overdreven zijn, maar het komt een beetje in de buurt.

Op zondagavond, wanneer de meeste koorleden weer naar het Noorden vertrokken zijn, zijn we nog met z’n vieren over. Het Domaine heeft zes badkamers met vier ligbaden. In de luxe ontbreken alleen de Trumpiaanse gouden kranen. We kiezen elk een eigen bad om de vermoeide benen te ontspannen en de pijntjes niet te voelen.
Een koor is als een warm bad. Ook al vallen er soms een paar koude druppels uit de kraan.

1

ONDER BOUWVAKKERS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (11)

 

foto: Jasper de Boer

Broekje in de branding, oh jee, daar drijft het weg.
Het lied van Gerard Cox schalt door de timmerwerkplaats. De oude schilder staat zijn verfkrabbers te slijpen en brult het lied mee. Als hij daarna langs mij loopt, zingt hij: bh’tje in de branding! Zijn ogen fonkelen. Hij blijft staan en monstert mij. Ik weet niet hoe ik moet reageren en kijk naar de balk die in de schaafbank verdwijnt.
‘Zeg. Jij studeert toch aan de universiteit, hè?’.
Ik kijk weer op.
‘Als ik zoveel hersens had als jij, was ik hier allang vertrokken’.
Ik zoek naar een antwoord.
‘Altijd maar weer die tocht op de steiger. Elke dag weer die pijn in mijn donder. En ’s winters is het helemaal erg’. Zijn ogen achter zijn stoffige bril staan weer dof.
Nadat hij doorgelopen is, draait hij zich nog eens om: ‘Bovendien zie je in de winter je vrouw alleen in het weekend nog bij daglicht’.

Vanaf september 1973 werk ik als leerling-timmerman in de werkplaats van aannemer Verstegen in Montfoort. Ik mag sjouwen, opruimen, machinaal schaven en zagen. Ik leer van alles over meten, verbindingen maken, en soorten hout.
De eerste weken vind ik het werk interessant. Maar omdat er weinig afwisseling inzit, wordt het allengs saaier. We leven van ontbijtpauze naar koffiepauze naar lunchpauze. Op dinsdag kijken we al uit naar het einde van de week, op woensdag zijn we alweer halverwege. Donderdag is het dan nog even doorbijten.
Telkens als ik om 6.30 uur het station passeer op weg naar mijn bus en ik in het donker de wachtende gele treinen zie staan, heb ik de neiging in zo’n trein te stappen. Naar de Achterhoek, naar Friesland, het maakt niet uit waarheen. Maar elke dag rijd ik door naar mijn bus.
Soms mag ik mee op een klus. Een zolderkamer timmeren, een plavuizen vloer leggen of beton storten in een klein nieuwbouwproject. Ik duw acht uur lang een zware kruiwagen vol deinend beton over een smalle loopplank en weet de inhoud zonder te knoeien precies op goede plaats tussen de beschoeiingen te deponeren. Op dat moment heb ik voor het eerst even het gevoel dat ik een echte bouwvakker ben.

Ik kijk uit naar de pauzes, maar als het zover is verveel ik me al snel. We pauzeren met zijn vieren en echt op mijn gemak voel ik me niet. Het spelprogramma van de TROS met Willy Dobbe en Jan Theys heb ik niet gezien en het nieuws uit de Telegraaf bevalt me niet. Soms ga ik wel eens de discussie aan. Waarom de baas in een dure Mercedes moet rijden. Nou, als ik dat niet weet, dan heb ik er weinig van begrepen, is de reactie. Als ik stel dat de baas winst maakt ten koste van de arbeiders, is het antwoord, dat hij wel wat extra’s verdient. Het ontzag voor de baas is unaniem groot.
Ik probeer iets te vinden waarop we gezamenlijk actie kunnen ondernemen: er ontbreekt zeep en een handdoek in de WC. Dat vinden mijn collega’s iets voor watjes. ‘Als je een wondje op je hand hebt, dan kan je er het beste overheen pissen. Dat werkt ontsmettend’, zegt een sjouwer.

Ik heb me aangemeld als lid van de bouwbond NVV. Met hoge verwachtingen bezoek ik een ledenvergadering. Maar ook hier tref ik veel ontzag aan, ditmaal voor de vakbondsbestuurders. De enige reuring ontstaat als iemand eist dat zijn loon weer handje-contantje wordt uitbetaald in plaats van via de giro.
Ik verhuis nog naar een andere aannemer, maar daar val ik als timmerman door de mand. In juni 1974 word ik in mijn proeftijd ontslagen. Ik vind het wel goed zo en zet de tv aan voor het WK voetbal. Op de universiteit heb ik een projectgroep arbeids- en organisatiepsychologie ontdekt. Die doet onderzoek ten dienste van de arbeidersbeweging. Dat lijkt me wel wat.

1

KANDIDAAT

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (10)

Senaatszaal

Het is 2 juli 1973, een schitterende zomerse dag. De strakblauwe hemel houdt een belofte in.
Ik heb alle vakken voor het kandidaatsexamen met goed gevolg afgerond. Vandaag is de diploma-uitreiking in het Academiegebouw. Een erkenning van de kennis die ik heb vergaard, maar ik vind zo’n plechtigheid een achterhaald ritueel. Van mij hadden ze het papiertje gewoon over de post mogen sturen.
In de Senaatszaal aangekomen zie ik dat velen daar anders over denken. Menige kandidaat loopt keurig in het pak. Vele ouders vullen de rijen, een bloemetje ligt klaar onder de stoel. Ik zit er in mijn korte broek en t-shirt, ik heb niemand uitgenodigd. Vanaf de monumentale wanden kijken de hooggeleerde professoren mij streng aan. Had ik dit anders moeten doen? Ik val nu wel erg uit de toon.
Als mijn naam genoemd wordt en ik door het gangpad naar voren loop, meen ik dat ik gefluister achter mij hoor. De voorzitter van de examencommissie, de veelbelovende wetenschapper dr. Piet Vroon, staat al klaar om mij de hand te schudden. Ook hij is gekleed in een keurig kostuum. (Enkele maanden later zal ik het verhaal over deze uitreiking in verbasterde vorm terug horen als ik iemand hoor vertellen dat Vroon gekleed in korte broek de diploma’s uitreikte).
Tot mijn verrassing vertelt Vroon, dat ik mijn examen cum laude heb gehaald. Even flakkert een gevoel van trots op. Dat heb ik toch maar mooi beter gedaan dan die stropdassen. Maar al snel verdwijnt dat gevoel. Mijn mooie cijfers zijn het resultaat van braaf en plichtmatig studeren, schamper ik in mijzelf. Ik ben alleen een uitblinker in zelfkritiek.

Ik was aan de studie psychologie begonnen met het idee, dat ik ‘iets met mensen wilde doen’. In plaats daarvan heb ik de afgelopen drie jaar geleerd hoe je duiven kunt leren tafeltennissen en hoe ver je kunt gaan met het toedienen van elektrische schokken aan muizen. Ik wilde sportpsycholoog worden, maar werd vooral geraakt door het onrecht in de maatschappij, de armen in de derde wereld, de arbeiders die uitgebuit worden. De maatschappij moet veranderd worden, niet het individu. Ik ben bezig geweest met acties op de faculteit, ik zag mijn naam onder opruimende pamfletten staan. Maar ik ben ermee gestopt omdat de resultaten gering waren. Nu weet ik niet meer hoe ik aan mijn linkse idealen kan werken.
Ik heb bovendien geen enkel idee wat ik met mijn studie aan moet, wat voor werk ik later zou willen gaan doen. Ik maak ruzie met mijn huisgenoten om niks en ik ben van de kaart als mijn moeder een opmerking over mijn haren maakt. Mijn zelfvertrouwen is tot bij het nulpunt gedaald. Ik ken veel mensen, maar er is niemand met wie ik over dit soort problemen praat. Ik stotter af en toe zo heftig, dat ik het liefste zou weglopen. Ik word er depressief van. Ik heb vooral medelijden met mijzelf.
Zoals mijn spreken ongenadig vastloopt, zo is mijn leven vastgelopen. In een brij van idealen, normen en onmacht. Ik loop er uit weg door dagdromerijen over een vakantiehuisje in de stralende morgenzon, waar vogelgekwetter zich mengt met een sonate van Beethoven, die jij, mooi meisje, voor mij speelt.

Ik heb mijn kandidaatsexamen psychologie gehaald en ben kandidaat voor de psychiater.
Dit kan zo niet langer doorgaan, zeg ik tegen mijzelf. Er moet iets gebeuren. Ik meld mij aan voor een stottertherapie. En ik besluit te stoppen met mijn studie. Voor tenminste een jaar. Murw geworden van al die Amerikaanse handboeken en gedreven door idealen ga ik een jaar in de bouw werken. Iets met mijn handen doen, de wereld van de arbeiders leren kennen.

1

KLASSIEK VIERT DE ZOMER

Dagelijks

TV kijken doe ik bijna nooit, maar toen ik een aankondiging zag van een programma over een muziekfestival in de Zwitserse bergen kon ik er niet meer onderuit. Barokmuziek en bergwandelen, veel mooier bestaat er niet. Ik pakte er wat strijkwerk bij, zodat ik mijn tijd nuttig kon besteden.
In Klassiek viert de zomer trekt NTR-presentator Floris Kortie langs muziekfestivals in Europa. Elke uitzending volgt hij enkele Nederlandse bezoekers. Zo maken we in het begin van deze uitzending kennis met de sympathieke zestigers Huib en Judith. Hij is huisarts, zij werkt als vrijwilligster in de kerk. Uitkijkend over de Aletschgletsjer vertellen zij, dat klassieke muziek altijd een belangrijke rol in hun leven heeft gespeeld. De muziek geeft hen troost en rust, zeker ook in tijden van verdriet.
We zien nostalgische plaatjes van het bergdorp Ernen en omdat Huib ook zo heerlijk rustig wordt van tuinieren zien we hem geheel ongedwongen in het tuintje van zomaar een Zwitser schoffelen. Natuurlijk is ook Floris achter zijn microfoon vandaan gekomen om mee te wieden.
Dan zien we even een flits van Andreas Scholl in het Stabat Mater van Vivaldi. De camera zoomt hier in op Huib en Judith. Zien we een spoor van emotie? Het verhaal over de moeder, die treurt om het verlies van haar zoon, dat raakte, dat kwam echt binnen, vertelt Judith, boven op een bankje in de bergen. De wandelstokken staan tegen de leuning, we horen het gebeier van koebellen.
Terwijl ik wacht op meer muziek zie ik dat Floris op bezoek gaat bij een Nederlandse theorbespeler, Mike Fentross. Hij studeert samen met een harpiste in het portaal van het Zwitserse kerkje voor de wijd openstaande deuren. De cameraman maakt sfeervolle beelden van het berglandschap achter de musici. Oefenen voor open kerkdeuren is heel normaal onder musici.

Dan komt het drama. Mike hoorde vlak voor het concert in Ernen, dat zijn vader overleden was. We zien beelden van houten kruisbeelden op het kerkhof. Fentross is desondanks in Zwitserland gebleven om op te treden en Kortie hangt natuurlijk aan zijn lippen om te vragen wat de muziek op dat moment voor hem betekende. De musicus antwoordt op vlakke toon, ‘dat hij het een goede ervaring vond’.
Nog een flits Vivaldi. We keren weer terug bij het echtpaar. Het verhaal van het Stabat Mater is voor hen heel herkenbaar. Zij hebben het afgelopen jaar veel verdriet gehad om een zoon.
De schouderstukken van een overhemd gladstrijkend wordt het me plotseling duidelijk waar deze uitzending over gaat. Muziek geeft troost, het echtpaar heeft verdriet, er is iets met een zoon. We groeien naar een climax toe.

Musikdorf Ernen

Aarzelend vertelt het echtpaar: er is iets, iets wat zij nooit verwacht hadden, zij waren totaal ontredderd. Hun zoon is in detentie genomen. Even denk ik nog aan een psychiatrische opname of iets met quarantaine, maar nee, het is echt waar, de zoon zit in de gevangenis. Een groot verdriet voor het echtpaar, maar een geluk voor de documentaire. Zo’n keurig, hoogopgeleid, weldenkend stel heeft een zoon die al een jaar in de bak zit. Ik strijk opeens diverse vouwen in mijn hemd.
Vivaldi is verdwenen, mijn vragen over het festival, over de groepen die er spelen, over de muziek, ik ben alles allang vergeten en wil nog maar één ding weten: wat heeft die zoon uitgevreten?
Dan zegt Floris Kortie: ‘ik hoef natuurlijk niet te weten, wat daar precies gespeeld heeft, maar ik ben wel heel benieuwd wat dat voor jullie teweeggebracht heeft’.
In het laatste beeld wandelt het echtpaar weg, ze geven elkaar geheel ongedwongen een hand. De vertrouwde wandelstokken konden zij voor dit shot even niet gebruiken.
Klassiek viert de zomer: wat een feest! 1 Minuut klassieke muziek, 24 minuten emotie.