Schrijven, Lezen, Leven.
0

MANTELZORG

Herinnering

Het jaar 2000 (2)

Die zaterdagavond, eind juli 2000, slaap ik voor het eerst sinds vele jaren in mijn ouderlijk huis. Alles oogt klein. De slaapkamer voelt benauwd, het raam is veel kleiner en lager dan het vroeger was. Alsof het huis gekrompen is.
Mijn moeder was gevallen en ze kon niet meer opstaan. Ze had geen gevoel meer aan één kant van haar lichaam. Zij kon slechts met veel moeite haar arm en been iets bewegen. Met een uiterste inspanning was het ons gelukt om samen mijn auto te bereiken, zodat ik haar naar de eerste hulp kon rijden. Daar zaten we uren op slechte plastic stoelen te wachten tussen de gevallen mannen die van de voetbalvelden werden aangevoerd. Het leek alsof het niet tot mijn moeder doordrong wat er met haar gaande was. We verlieten het ziekenhuis met een voorraad bloedverdunners en de verzekering dat er niets gebroken was. Over de oorzaak van haar val en de aard van de beperkingen waren we niet wijzer geworden.
Hoe dan ook, het was duidelijk dat zij bij alle dagelijkse verrichtingen hulp nodig had. Ik bleef bij haar en hielp bij het uitkleden. Het was een gedoe, haar armen en benen werkten niet mee. Ik verbaasde me over wat zij onder haar jurk droeg: verschillende hemden, geen bh, een slobberige onderbroek. Het ondergoed was nog niet versleten tot op de draad, maar het kwam behoorlijk daarbij in de buurt. Met mijn armen om haar bovenlijf liet ik haar heel voorzichtig achterover zakken, zodat zij zittend op het bed belandde. Ik voelde het direct in mijn rug, ik ben een leek in de ouderenzorg. Daarna zwaaide ik haar benen bij. Die horde was genomen.

Moeder bij de wasmachine

Ik had me al vaker afgevraagd wanneer onze hulp nodig zou zijn. Van leeftijdgenoten had ik verhalen gehoord over wat er al niet gevraagd wordt aan mantelzorg. Op dit moment zijn wij aan de beurt, denk ik die avond met enig fatalisme. Ooit waren wij afhankelijk van moeders zorg. Nu zijn de rollen omgedraaid.
‘s Nachts word ik wakker van een geluid uit haar slaapkamer. Het is een langgerekt en angstig oeoeoeoe. Ze moest plassen maar kon haar bed niet uitkomen. Geduldig trek ik haar eerst een schone onderbroek en pyjamabroek aan. Terwijl zij zich vasthoudt aan de wastafel verschoon ik het bed.
Als ik ’s morgens opsta, mijn hoofd nog duf en duizelig, blijkt het bed van moederlief weer nat. Zou er ergens op deze zondag incontinentiemateriaal te koop zijn, vraag ik me af. Ik trek al haar natte goed uit. Ze staat geheel naakt voor me bij de aanrecht in de keuken, klaar om gewassen te worden. Moet ik dit wel doen? Ja, dit hoort erbij, niet nadenken, spreek ik mezelf toe. Mijn moeder lijkt zich niet bewust van het bijzondere van dit moment, ze laat alles gebeuren. Alsof ik haar elke morgen verzorg. Voorzichtig was ik haar witte lijf, de slappe borsten die mij ooit gevoed hebben, de schoot die mij gebaard heeft.
Als zij na veel moeite aangekleed is zitten we samen aan de keukentafel. De wasmachine draait en het koffiezetapparaat pruttelt. We hebben het goed samen.

1

MIDLIFE

Herinnering

Het jaar 2000 (1)

Op mijn werk in de jaren negentig

2020, het jaartal voelt onwennig aan, alsof de stap naar het nieuwe jaar groter is dan anders, alsof het over een verre toekomst gaat. Het doet me denken aan die andere grote overgang, die naar het jaar 2000. Wat deed ik toen? Hoe verging het me in dat jaar?
Ik was zevenenveertig en dus In media vitae, ofwel Mitten im Leben, maar denkend aan 2000 klinkt er geen klassiek muziekstuk met deze titel door mijn hoofd, maar een tekst van Eric Clapton uit 1974:
Standing at the crossroads, trying to read the signs
To tell me which way I should go, to find the answer

De plannen van ‘later als ik groot ben’ waren uitgekomen: ik had een vrouw, een baan, een huis, twee zonen, vrienden. Dat alles was op dat moment echter onvoldoende om mij een zorgeloos en tevreden gevoel te geven.
In 2000 was ik meer dan tien jaar hoofd van een afdeling in de geestelijke gezondheidszorg. Ik keek uit naar iets anders, maar was er tegelijkertijd bevreesd voor om oude zekerheden los te laten. Om verder te komen had ik met succes een driejarige managementopleiding gevolgd. Daarna had ik geprobeerd een andere baan te vinden, wat niet gelukt was.
Ik had me naast het werk en de huishoudelijke taken steeds kunnen uitleven in muziek en cabaret, maar ik was erop uitgekeken zonder dat zich een andere liefhebberij had aangediend.

Jarenlang had ik al die bezigheden gecombineerd, maar aan het begin van de nieuwe eeuw voelde ik me moe en futloos. In mijn hoofd duizelde het. Ik ging naar de KNO-arts en toen die niets kon vinden, klampte ik mij vast aan een te laag ijzergehalte in mijn bloed. En toen de staalpillen slechts tijdelijke verlichting boden, bezocht ik de homeopaat, daarna de acupuncturist. Ik hield aantekeningen bij, probeerde patronen te ontdekken en oorzaken te achterhalen, om alles overziende te constateren: het is niet de objectieve overbelasting die mij nekt, maar de manier waarop ik ermee omga. Ik stel te hoge eisen, neem mezelf voortdurend de maat (die negatief uitvalt) en hou mijn gevoelens teveel in. Het bracht me naar de psychotherapeut. Wat toen niet in mij opkwam, maar nu een voor de hand liggende gedachte is: het was mijn midlife crisis. Teveel gedaan, te weinig stilgestaan en op zoek naar bakens voor de toekomst. Een collega zei dat ik er opeens een stuk ouder uitzag.

Het jaar 2000 was ook het jaar van een fusie op mijn werk. Ik kreeg de opdracht om twee afdelingen, die feitelijk hetzelfde werk deden, maar in aanpak en cultuur hemelsbreed van elkaar verschilden bij elkaar te voegen. Het was, na de tegenslagen in de sollicitaties, een nieuwe uitdaging, waarin ik me met plezier in vastbeet. Het ging me goed af en het gaf me weer nieuwe energie. Die kon ik goed gebruiken.
In juli braken we een kampeervakantie in de Vogezen voortijdig af wegens aanhoudende regenval. Nog maar net thuisgekomen kwam het bericht, dat mijn 86-jarige moeder was gevonden door de SRV-man. Zij lag op de vloer van haar slaapkamer, was bij bewustzijn, maar kon niet meer zelf overeind komen.

0

DOUWE EGBERTS

Herinnering

Net veertien jaar oud behaalde mijn vader het mulo-examen. Daarna deed hij nog cursussen Engelse en Duitse handelscorrespondentie, kantoorstenografie en machineschrijven. Met die bagage begon hij op woensdag 8 januari 1930 zijn werk als kantoorbediende bij Douwe Egberts, het bedrijf van de Friese familie de Jong. Zijn moeder had die baan voor hem uitgezocht. Het was een goed katholiek bedrijf. Daarnaast was het een voordeel dat de Utrechtse vestiging vlakbij Vleuten lag. Zij was met hem meegegaan, toen hij er zich als vijftienjarige ging ‘presenteren’. Hij zou er meer dan veertig jaar blijven werken, tot aan zijn overlijden in 1972.
Mijn vader begon als assistent van de directeur, J.H. de Jong. Net als de andere leden van deze familie werd de directeur met zijn initialen aangeduid: mijnheer J.H. Mijn vader werkte mee in de boekhouding en zorgde ervoor dat de salarissen uitbetaald werden. Door zijn fabelachtige geheugen werd het bedrijfsarchief zijn belangrijkste taak. In mijn jeugd was hij het hoofd van het Centraal Archief. Toen hij vanwege gezondheidsproblemen deze functie niet meer kon uitoefenen werd hem gevraagd een historisch archief op te zetten. Een publicatie over de geschiedenis van het bedrijf heeft hij niet meer kunnen afronden.
De binding tussen de familie de Jong en de werknemers was sterk. Opeenvolgende generaties waren in dienst bij het bedrijf. Bij ons thuis was Dee-ee een van de zekerheden in mijn jonge jaren.

De herinneringstegel van het 200-jarig bestaan, in 1953, hing in de huiskamer. Sinterklaas bracht ooit een houten vrachtwagen met het opschrift D.E. voor mij mee. Vanzelfsprekend spaarden we de punten van de thee en de koffie. Periodiek werden deze in bosjes van honderd gebonden. Daarna kon de keuze uit de geschenkenlijst worden gemaakt. De koffie- en theepotten, de kopjes, de lepeltjes, de trommeltjes en busjes, alles kwam van D.E. Later kwamen daar de electrische koffiemolen en het eerste koffiezetapparaat bij. In zijn archief vind ik nog een lezing terug van mijn vader over het geschenkenstelsel. Hij eindigt deze met een citaat uit de bijbel: ‘Zoek eerst het Rijk Gods en al het andere zal U worden geschonken als toegift.’
Zoals zijn moeder voor hem een baan had geregeld, zo arrangeerde mijn vader voor mij in mijn tienerjaren vakantiewerk bij Douwe Egberts. Ik mocht binnen het bedrijf de post rondbrengen, een luizenbaantje. Daarnaast fotografeerde ik artikelen waarvan de afbeeldingen in het archief bewaard dienden te worden. Het was voor mij een opmaat naar een opleiding als fotograaf, die er nooit van gekomen is.

Het bedrijf deed alles om de werknemers aan zich te binden. Nog voor de sociale verzekeringswetten van de jaren vijftig beschikte D.E. over eenvoudige regelingen voor pensioen en kindertoeslag. Na het overlijden van mijn vader ontving mijn moeder een volledig jaarsalaris als eenmalige uitkering. Daarna ontving zij nog tot in lengte van jaren gratis koffie en thee, een bos bloemen op haar verjaardag en het kerstpakket. Zelf heb ik vanaf 1972 meerdere jaren een studietoelage van D.E. ontvangen. Deze bijdragen hebben niet kunnen voorkomen dat de verbinding door de jaren heen verwaterd is. Met enige schaamte moet ik hier bekennen dat wij al lang onze koffie en thee bij AH kopen. Nu plakken we de zegeltjes van AH. Dat dan weer wel.

1

IN DEN VREEMDE

Herinnering

In zijn nieuwe roman, Finse dagen, beschrijft Herman Koch hoe hij in 1972 als negentienjarige naar Finland trok om op een boerderij te gaan werken. Een jaar eerder was ik, ook op mijn negentiende, met vriend C. in Finland op vakantie.
Van Helsinki herinner ik me weinig meer dan de ontelbare flatgebouwen tussen bossen en rotsen. In Lahti kampeerden we aan een meer. Voor f 1,70 per nacht konden we continu gebruik maken van warme douches en goed geoutilleerde keukens. ‘Het is bijna geen kamperen meer’, schreef ik naar huis. Er lagen roeiboten waarmee we op het meer rond de beboste eilandjes konden varen. Tijdens zo’n tocht brak er een hels onweer los. Slagregens doorweekten ons, een blikseminslag was niet ver verwijderd en de orkaanachtige windvlagen duwden ons bootje bijna om. ‘Dan heb je later een mooi verhaal om aan je kleinkinderen te vertellen’, zei C. kalm. In Savonlinna, op de volgende camping aan een meer in een bos, konden we vanuit de sauna direct het water induiken.

Het was het verlangen naar het onbekende geweest, wat ons naar Finland had gedreven. We wilden zo ver mogelijk van huis, naar onbekende streken, naar de eenzaamheid van oneindige bossen en meren, naar een andere cultuur. De boottocht van Lübeck naar Helsinki, twee dagen en nachten, had mij tevoren ook zeer aantrekkelijk geleken. Maar eenmaal onderweg verveelde ik me al snel dood.
Voor het eerst kwam ik in een land, waar ik niets kon maken van de taal die ik hoorde, waar ik geen woord begreep van wat ik las. We hadden een taalgidsje Fins op reis, zodat we duidelijk konden maken dat wij uit Alankomaat kwamen en we bij de kapper ‘wassen en watergolven’ konden bestellen. Sammeko me kaivaa tähän kuopan?’ was een zinnetje dat we uit ons hoofd hadden geleerd. We vroegen het wildvreemden op straat en in de tram. ‘Mogen we hier een kuil graven?’

Foto’s gemaakt door Arja Turkulainen

Het was de eerste maal, dat ik met C. op vakantie was. Ook dat was wennen. C. was al snel tevreden. Beetje zitten op de camping, boekje lezen, wat ouwehoeren met andere campinggasten. Ik wilde graag iets doen. Dus toen we een keer niet gingen zwemmen of roeien trok ik erop uit voor een boswandeling. Tevergeefs, want al gauw merkte ik dat er nergens paden door de bossen lopen. Het leek op de contacten met de weinig spraakzame en ondoordringbare Finnen: die liepen ook al snel dood. In Helsinki had ik me verbaasd over de lange rijen voor de staatswinkels waar tijdens beperkte uren alcohol verkocht werd. Wat drijft de Finse ziel, vroeg ik mij af.
Gelukkig kwamen we in Savonlinna Arja Turkulainen tegen. Zelfs je naam was mooi, zou Henk Westbroek later zingen. Arja liet ons het stadje zien. We zaten uren achter een duur biertje en kletsten over school, drank en muziek. In die jaren werd ik snel verliefd op ieder meisje dat enige belangstelling voor mij toonde. Bij Arja gebeurde dat niet. Terug in Nederland bleef ik nog een tijd met haar corresponderen. Ik kon, zeker via brieven, het contact intiem en persoonlijk maken, maar tot het hart van Arja heb ik nooit kunnen doordringen.
Ik had gekregen wat ik wilde: het onbekende en het vreemde.

0

BLOKKADE

Dagelijks

Uit het stottercabaret Groen en Geel

Een van de merkwaardigste aspecten aan het stotteren is, dat het gehakkel zeer aanwezig is in de communicatie maar meestal onbesproken blijft. Terwijl de vreemde klanken, de rare bewegingen en de hoogspanning niet te negeren zijn, doen beide partijen alsof er een normaal gesprek gevoerd wordt. De luisteraar weet niet wat hij moet doen, of hij moet helpen of beter af kan wachten. Hij wordt er zelf gespannen van en kan slechts hopen op een spoedige verlossing.
Wandel je samen met iemand die moeilijk ter been is, dan vraag je rustig of je niet te hard loopt. Weet je dat iemand angstig is dan informeer je of je iets kan doen. Maar in het geval van stotteren leidt het betonblok van de geremde spraak zelden tot openheid.
Ik was zestien jaar toen er voor het eerst een programma over stotteren op tv kwam. Mijn ouders nodigden mij terloops en heel voorzichtig uit om samen naar de uitzending te kijken. Ik veinsde dat mijn huiswerk nog niet af was en ontsnapte naar boven om niet geconfronteerd te worden met alle schaamte- en schuldgevoelens, met al die dagelijkse pijnlijke ervaringen waarvoor ik geen oplossing zag. Ik stopte mijn kop in het zand.
Zo beïnvloedt de vermijding de communicatie. De stotteraar probeert uit alle macht om zijn stotteren niet te laten horen, wat de spanning zo opdrijft dat de blokkades juist wel naar buiten komen. Hij kijkt er letterlijk van weg en brengt daarmee de boodschap over aan de luisteraar dat hier iets dermate pijnlijks aan de hand is, dat deze er beter niets over kan zeggen.

Sire-campagne uit 1987

Een belangrijke onderdeel van de behandeling van het stotteren is daarom: kijk ernaar, praat erover, kom ervoor uit. Toen ik via een groepstherapie voldoende over mijn negatieve gevoelens heen was gekomen, wilde ik niets liever dan de heilige boodschap van openheid overal verkondigen. Ik meldde mij aan als voorlichter bij Demosthenes, de vereniging van stotteraars.
We togen naar pedagogische academies om de studenten te vertellen hoe het voelt om te stotteren. We daagden hen uit om zelf maar eens hakkelend een bruin brood te kopen. We werden uitgenodigd door logopedie-opleidingen en huisvrouwenverenigingen. Daarnaast organiseerden we zogenaamde Stotter-ins, voorlichtingsbijeenkomsten, waar in het openbaar heel wat afgestotterd werd. Stotterjijofstotterik was de leuze op een sticker die we in veelvoud verspreiden. ‘Wacht met koffie zeggen als iemand een ko- ko- kopje thee bestelt’, was een van de leuzen in een Sire-campagne.
We spraken altijd voor een aandachtig gehoor dat de bewondering voor het praten over je eigen zwakheden niet onder stoelen of banken stak. Toen wij eens een christelijke pedagogische academie bezochten opende de lerares met een gebed: ‘En wij danken God dat wij vanmorgen twee stotteraars in ons midden hebben.’

Dergelijke ervaringen kwamen weer boven toen ik onlangs door twee studenten geschiedenis geïnterviewd werd over het Jaar van de Gehandicapte (1981) en de ups en downs van het stotterleven. Onderwerp te zijn van een historisch onderzoek deed me niet alleen beseffen dat de jaren vorderen, maar ook dat negatieve gevoelens soms weer de kop opsteken en de openheid belagen.

0

HET HOGE WOORD

Herinnering

August Willemsen (1936 – 2007) was een vertaler van Portugese literatuur. Daarnaast heeft hij dagboeken, brieven en essays gepubliceerd. Zijn bekendste boek is Braziliaanse brieven waarin hij op schitterende wijze zijn ervaringen met het Zuid-Amerikaanse land beschrijft. De goddelijke kanarie gaat over het Braziliaanse voetbal, De val over de behandeling van zijn alcoholverslaving.
Willemsen was een stotteraar – of moet ik zeggen: een spreker met een niet-vloeiende achtergrond. (Er zijn meer schrijvers met een spraakgebrek, wellicht is hier sprake van compensatie-gedrag.) Zijn ervaringen als stotteraar beschreef hij in het essay Het hoge woord, in een bundel met dezelfde titel uit 1994. Het was mij destijds ontgaan, maar ik kwam op dit spoor toen Frits Abrahams er onlangs in de NRC over schreef.
Willemsen heeft naar eigen zeggen het stotteren overgenomen van een buurjongen. Hij merkte dat hij door te stotteren onder de hoge verwachtingen van zijn ouders uit kon komen. De beloning was dat hij ontzien werd en minder verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Zo werd het stotteren geleidelijk en onmerkbaar een deel van zijn leven, een houvast in situaties waarin gepresteerd moest worden en een excuus voor tekortkomingen. Het werd zijn manier van ‘in de wereld staan’.
‘Er zit ook een behoorlijk portie aanstellerij bij. Ik vond eigenlijk dat ik een flink pak lazer verdiende’, schrijft Willemsen. Want, zo zegt hij, iedere stotteraar kan ook vloeiend spreken.
Dat laatste is waar. Het verwijst naar het grote raadsel van het stotteren: waarom de ene keer wel en de andere keer niet? Waarom spreken sommige stotteraars vloeiend als zij een rol spelen? Wat te denken van stotteraars die het tot professioneel acteur geschopt hebben (Carol van Herwijnen) of geprezen cabaretier (Herman Finkers)? Marilyn Monroe, Winston Churchill, Rowan Atkinson, de lijst is lang.

De jongensgroep in het zomerkamp, Willemsen uiterst rechts

Ooit deelde ik een week lang een kamer met August Willemsen. Het was in 1975, in de periode dat hij bezig was om een bestaan als vertaler op te bouwen. We waren beiden actief als vrijwilliger in een zomerkamp voor jonge stotteraars. Willemsen was een lange man, die nog langer leek als hij ’s avonds een nachtgewaad aantrok dat tot zijn enkels reikte. Ik vond hem een originele geest met creatieve gedachten. Hij kon op de drukste straathoek van Den Bosch tien minuten lang met zijn ogen dicht een ontspanningsoefening doen. Stotteren hoorde ik hem weinig. Zijn handicap was een ijsberg. Els Versteegh, de therapeute die ons beiden begeleid heeft, zei eens: ‘Stotteren is een oude knecht, die jou al vaak geholpen heeft. Het is nu tijd om het vechten op te geven en vrede met hem te sluiten.’
‘Maar gewoonten van een halve eeuw zijn hardnekkig’, schrijft Willemsen. ‘En zodra er een kink in de kabel komt, ruzie, emotie, woede, irritatie, misverstand, meningsverschil, schieten de schouders en de adem omhoog en maakt het verwende mormel zich weer onaanspreekbaar.’ Als hij consequent op zijn ontspanning en adem let, zou hij vloeiend kunnen spreken. Maar dat voelt voor hem heel vreemd. ‘Ik voel me, zonder de vertrouwde aanstellerij, letterlijk displaced, in een andere wereld, en klamp me aan mijn laatste innerlijke bolwerk, mijn gehate houvast.’
Confronterend en voor mij herkenbaar beschreven. Maar de complexe wereld van de stotteraar laat zich niet op één manier verklaren of verbeteren.

0

EEN GEZOND NIEUWJAAR

Dagelijks

‘Mijn buurvrouw is al in de negentig en nog altijd zo vief! Dus laatst vroeg ik haar: buurvrouw, hoe blijft u toch zo gezond? Vertel ‘ns, wat is uw geheim?’
‘Nou, wat zei ze?’
‘Ze wachtte even en toen zei ze: ik wil het jou wel verklappen, ik eet elke dag een pond rauwe uien.’
‘Oh, hoe heeft ze dat geheim kunnen houden?!’
Ik moest aan deze conversatie van Snip en Snap denken bij het lezen van het boek Seniorenbrein van André Aleman, hoogleraar neuropsychologie te Groningen. Het boek beschrijft wat er in ons hoofd gebeurt als we ouder worden, op welke manier onze hersens bij het vorderen der jaren achteruitgaan en of je deze ontwikkeling kunt tegengaan of afremmen.

In onze gepolariseerde maatschappij lijken ook de visies op de dood steeds meer uit elkaar te lopen. Er zijn mensen die bezig zijn met de vraag hoe zij hun overlijden zelf in de hand kunnen houden en hoe zij kunnen voorkomen dat het leven eindigt in een portie narigheid en pijn. Daartegenover staan de mensen die voortdurend op zoek zijn naar manieren om, zo niet eeuwig, dan wel zo lang mogelijk te kunnen leven. Voor deze laatste groep hebben goeroes tal van adviezen over het gebruik van pillen, kruidenmengsels, vetzuren of ginkgo-extract. Anderen raden voor een gezonde oude dag cognitieve trainingen aan, puzzelen, bridgen, geheugenspelletjes en, natuurlijk, zingen, het middel tegen velerlei kwalen. (Over het nut van schrijven is helaas nog niets geschreven.)

Het boek van Aleman puilt uit van de onderzoeken naar middelen om de lichamelijke achteruitgang tegen te gaan. Er wordt naarstig naar gezocht, maar medicijnen om ons geheugen of ons denkvermogen te verbeteren zijn nog niet gevonden, al mogen in een goed dieet vitamine B12 en omega 3-vetzuren niet ontbreken. Er zijn veel stoffen die een beetje helpen en veel methoden waarvoor enig maar geen afdoende bewijs is. Zo gaat dat in de wetenschap. Waarna Aleman constateert, dat er eigenlijk maar één middel is waarvan onomstotelijk is vastgesteld, dat het heilzaam is voor iedere oudere: lichaamsbeweging. Door te sporten worden de hersenen groter. ‘En dat kan geen kwaad gezien de gemiddelde afname van ongeveer 15 procent van ons hersenweefsel tussen ons 30e en 90e levensjaar.’
Bewegen is overigens niet alleen goed voor de hersenen. ‘Voldoende bewegen heeft aantoonbare positieve effecten op een hoge bloeddruk, overgewicht, een te hoog cholesterolgehalte en een te hoge bloedsuikerspiegel die ouderdomssuikerziekte tot gevolg heeft.’ Volgens die andere bekende neuropsycholoog, Erik Scherder, is zelfs flink kauwen goed voor de hersenen. Dus weg met de doorgekookte worteltjes en de rijstepap!

Tot welke groep je ook behoort, ik wens je een gezond 2020 toe en ik hoop dat je je wensen kunt realiseren. Lukt dat niet, luister dan nog even naar de kersttoespraak van onze koning: ook mislukkingen en tegenslagen horen bij het leven. Misschien ook wel bij het einde van het leven, zou ik hieraan toe willen voegen.

0

DE JAARWISSELING ’78 – ’79

Herinnering

De voordeur staat een stukje open. Ik loop een goed verlichte gang in die naar een trap leidt. Boven is het duister. Mensenmassa’s bewegen zich traag van de ene naar de andere ruimte. Onder een overvolle kapstok liggen stapels jassen, her en der staan glazen en bierflesjes . Overal klinkt harde muziek. Ik zie een paar bekenden met elkaar in gesprek. Zij kijken niet naar mij.
In een bedompte danskamer bewegen warme lijven ritmisch en ongelijk. Een jonge vrouw danst met haar ogen dicht, een halve literfles bier in de hand. Een stel kronkelt als slangen om elkaar heen, de ogen continu op elkaar gericht, mysterieus. Mensen doen moeite elkaar iets in het oor te schreeuwen.
Ik heb het warm en doe mijn trui uit, niet wetend waar hem te laten. Op zoek naar drank beland ik in een keuken waar men een lamp heeft aangelaten. De kratjes bier staan hoog opgestapeld. Ik zoek vergeefs een opener.
‘Geef maar hier’, zegt een andere gast en hij opent twee flesjes tegelijk door de doppen uit elkaar te trekken. Op een oude tafel staat een nog volle schaal salade van grof gesneden rode biet en aardappel. Wat nu, vraag ik mezelf af. Ik voel me nog niet op mijn gemak op dit feest.

In de smalle gang sta ik opeens tegenover een onbekende jongeman van mijn leeftijd. Het lange, sluike haar valt over zijn oren en over de pootjes van zijn ronde bril. Wat het meest opvalt, is dat hij zijn jas aan heeft, een rood-zwart geblokte houthakkersjas.
Ik moet denken aan de winterjas die ik tot voor kort droeg, een zwarte houtje-touwtje jas. Die had ik weggegeven aan Edje. Hij liep in de winterse kou zonder jas over straat. Hij had er geen, zei hij. Ik moest aan mijn moeder denken, die zou zo’n jongen ook geholpen hebben. Een week later had ik Edje een café binnen zien komen. Het was nog steeds winter en opnieuw droeg hij geen jas. Op dat moment drong tot me door, dat hij verslaafd was. Uiterlijk viel dat niet op. Hij zag er uit als een normale gozer, hij had al zijn tanden nog. Mijn winterjas moest hij verpatst hebben.

De jongen in de zwart-rood geblokte jas lijkt me niet het type verslaafde. Misschien is ie wel wat zonderling of in de war. Die mensen lopen vaker rond op feesten waar de buitendeur openstaat.
‘Heb je het koud’, vraag ik. Bij mij staan de zweetdruppels op mijn voorhoofd.
Hij wacht even met zijn antwoord.
‘Ik ben viator’, zegt hij op een toon alsof hij een geheim prijsgeeft.
Viator, ik graaf in mijn gymnasiumverleden, dat moet ‘reiziger’ zijn.
‘Aha’.
‘Ik ben altijd onderweg.’
‘Je kunt zo weer vertrekken.’
‘Precies.’ Hij schuifelt door, een nadere kennismaking past niet in zijn reisschema.
Altijd onderweg, een ongebonden bestaan, het raakt bij mij een snaar. Ik ben net begonnen aan mijn eerste baan, maar ik vraag me af of ik mijn bestemming gevonden heb. En voor hoelang? Opeens dringt de vraag naar de zin van het leven in alle hevigheid binnen. Met een onbehaaglijk gevoel zoek ik in het duister mijn jas. Via de hel verlichte trap loop ik het nieuwe jaar in.

0

W. & D. MOED

Herinnering

De eerste folder

Het was, zoals wel vaker, begonnen met een aardigheidje. Op een feestavond van aktiekoor Linksom had ik, begeleid door T. op zijn accordeon, oude liedjes gezongen over gebroken harten, versleten broekjes en werkloze handen. We wilden wel eens wat anders dan politiek correcte liederen. De nostalgische volksliedjes waren zo overdreven sentimenteel dat wij ze juist weer mooi vonden. Dus kwam er een vervolg.
Ik zie nog een oude vrouw voor me tijdens ons eerste optreden in een bejaardenhuis halverwege de jaren tachtig. Het gerimpelde gezicht bleef tijdens ons optreden in mineurstemming staan. Alsof haar lippen voor eeuwig omlaag stonden en haar ogen niet anders meer dan streng konden kijken. Zij belichaamde als het ware de ellende waarover wij zongen. Ik probeerde zo min mogelijk naar haar te kijken om niet te worden meegenomen in de gedachte dat zij onze uitvoering waardeloos vond. Na afloop gebeurde het. Onder het krachteloze applaus van de bewoners pakte ze haar stok, tikte er driftig mee op de grond en riep: ‘Toegift, toegift!’
‘Iedereen is tot het einde blijven zitten’, zei een verzorgster, ‘en dat is nog nooit gebeurd.’
Zo kregen wij de smaak te pakken. We noemden onszelf W. & D. Moed, stuurden een folder de wereld in en daarna begon het te lopen.
Het ene na het andere verzorgingshuis in Utrecht en verre ommelanden contracteerde ons voor een avondje ouderwets amusement. Wij hadden de wind mee, want er waren toen nog veel van die huizen. Als we een uur voor aanvang binnen kwamen was de zaal al goed gevuld. Soms werd nog wat gekibbeld over wie naast wie mocht zitten. Na afloop kwam er altijd ergens een directeur tevoorschijn om de heren te bedanken en een bloemetje ‘voor de vrouw’ te overhandigen. Een enkele bewoonster stopte ons een gulden toe. Daarna liep de zaal direct leeg en vormde zich een lange rij rollators voor de lift.

Fragment uit de Backroom Tapes, een niet eerder uitgebrachte opname van een repetitie (in de stijl van Lou Bandy):

Tussendoor traden wij ook nog wel eens op in buurthuizen, wat ons een vreemd gevoel bezorgde omdat men Johnny Jordaan en Tante Leen echt mooi vond. Het gebeurde dat daar zoveel gekletst werd dat we moeite moesten doen om de aandacht vast te houden.

De folder van ons laatste programma

Na een paar jaar volgde een professionaliseringsslag. Ik dook bibliotheken in om het vooroorlogse leven te bestuderen en legde een grote verzameling oude, populaire muziek aan. We maakten thematische programma’s over amusement in de dertiger jaren en over gezinnen met zeventien kinderen. Daarbij vertelden we anekdotes, ondersteund door dia’s met ‘beelden uit mijn kinderjaren’. De prijs ging navenant omhoog: van 100 naar 295 gulden exclusief reiskosten en met een beleefd verzoek de belastinginspecteur niet in te lichten.
Ons publiek werd met de jaren ouder en hulpbehoevender. Naast de rollators werden er bedden de zaal ingereden met bewoners die hun ogen continu gesloten hielden. Eén vrouw lispelde voortdurend: ‘Oh moedertje, oh moedertje’, waardoor een vrijwilligster haar kwam knuffelen om verdere verstoring te voorkomen. Een bewoonster op de eerste rij die almaar riep ‘en waar moet ik nu naar toe?’ werd met zachte drang weggebracht.
Toen wijzelf na bijna tien jaar in de auto op weg naar huis ‘o moedertje’ begonnen te zuchten werd het tijd om de apparatuur te verkopen en onze carrière af te sluiten.

Live opname van onze grootste hit ‘Ik voel me slap’

3

LINKSOM

Herinnering

aktiekoor Linksom

Het is een winderige zaterdagmiddag, begin jaren tachtig. In een witte evenemententent in Gorinchem staan zo’n tweehonderd stoelen opgesteld. Op het met vlaggen van politieke organisaties versierde podium houdt een spreker een gloedvol betoog over de gevaren van kernwapens. Een plukje van zo’n 30 mensen luistert. De wind en de vele lege stoelen geven de manifestatie ‘Gorinchem tegen de kernwapens’ een koud en onmachtig karakter. De spreker slingert aan het einde van zijn betoog een aantal leuzen de tent in: de kernwapens de wereld uit! Om te beginnen uit Nederland! Gorinchem kernwapenvrije gemeente!
Dan komen twintig mensen uit de zaal naar voren. Aktiekoor Linksom uit Utrecht betreedt het podium. Het zingt zijn strijdliederen voor een handvol organisatoren en sympathisanten in de zaal.

Linksom werd eind jaren zeventig opgericht voor een verstrooiende noot tijdens demonstraties en manifestaties. Op tal van plaatsen in het land verschenen in die jaren muziekgroepjes met namen als Soliedair, Ontstemd, Averechts, Vrolijk Verzetskoor en Onaangepast.
Nadat ik een aantal jaren met toenemende frustratie aan linkse acties had deelgenomen zag ik Linksom op een 1-mei-manifestatie. Ik wist het direct: dít wil ik ook. Niet argumenteren, theoretiseren of propageren, maar zíngen. Dat leek mij bevrijdend. Maar dan wel zingen voor het goede doel.
Linksom begon met traditionele socialistische strijdliederen. Van de Belgische Internationale Nieuwe Scène leerden we liederen over de uitbuiting van de Arbeider door het Kapitaal, begeleid door gezellige accordeonakkoorden.
De ontwikkelingen binnen het koor volgden elkaar snel op. Van podiumkoor wilden we straatkoor worden. We gingen zelf teksten schrijven. De bezongen problemen moesten ons persoonlijk raken. Er werd aandacht besteed aan de presentatie. Zo ontstonden thematische programma’s over ontwapening, kernenergie, fascisme en internationale solidariteit. Overal waar de roep om verandering klonk stond aktiekoor Linksom paraat met een bijpassend programma.
De tekst was altijd belangrijker dan de muzikaliteit. Het heilige moeten prevaleerde boven het plezier. Verstaanbaarheid was belangrijker dan intonatie. Zou de aandacht teveel naar zuiver zingen uitgaan, dan “zijn er liederen die te mooi worden”, zo staat ergens in de notulen.

In bijgaand fragment: Over de gastarbeiders en Fascisme is moord.

We repeteerden elke week en we vergaderden elke week. Over de aanschaf van een afwasborstel en de lengte van de rookpauze, maar vooral natuurlijk over de vraag “wat voor koor we nu eigenlijk willen zijn”. Gaan we alleen voor het zingen naar Dodewaard of doen we het hele weekend mee met de acties tegen de kerncentrale? Alles werd ter discussie gesteld.
Uit een stencil met stellingen: “Zolang we ons nog ophangen aan een bepaalde hiërarchie binnen het koor, worden we nooit een goed aktiekoor”. Regelmatig spreken we over aanwezig zijn en op tijd komen. Er werd doorlopend kritiek geuit, maar aan het einde van de donderdagavond fietste eenieder naar het Pandje, destijds Utrechts enige nachtkroeg. Hier werd nog lang nagepraat. Hier keken sommigen elkaar peilloos diep in de ogen.
Al snel stond het voor mij vast: zingen vind ik fijn, dat wil ik blijven doen. Zeven jaren zong ik bij Linksom. Toen doemde een volgende uitdaging op.