Schrijven, Lezen, Leven.
0

PASTOOR BEUTENER

Herinnering

Pastoor J.H. Beutener

Uit mijn familie ken ik het verhaal over een pater die godsdienstles gaf op een lagere school. ‘Kunnen wij God zien?’, vroeg deze pater aan een leerling. De jongen wist het antwoord niet, maar zijn achterbuurman schoot hem fluisterend te hulp: ‘Dat kan niet, want God heeft geen lichaam’, waarop de jongen opgelucht als antwoord gaf: ‘Nee, wij kunnen God niet zien, want hij heeft geen licht aan’.
Op de St. Willibrordusschool kreeg ik godsdienstles van pastoor Beutener. Hij vertelde ons begin jaren zestig over de hel waar de kwaadwilligen jammeren en knarsetanden. Wie daar terechtkomt, kan er nooit meer uit. Daar branden de vlammen eeuwigdurend. ‘Als er ook maar één hele kleine kans zou zijn, dat de duivels de hel kunnen verlaten, al zou het pas over een miljoen jaar zijn, dan nog zou er bij dit vooruitzicht een groot feest in de hel losbarsten’, zei Beutener met gevoel voor drama.
Het maakte zo’n indruk op me dat ik dit na meer dan vijftig jaar nog altijd weet. Alleen wie zich goed gedroeg kon in de hemel komen. Op die plaats van altijddurend geluk mocht je dan eeuwig blijven. Eigenlijk vond ik dat ook wel een beetje angstaanjagend, om ergens te zijn waar nooit een einde aan komt.
Het waren de nadagen van het Rijke Roomsche Leven. De katholieke kerk beheerste ons leven zonder dat wij onszelf daarvan bewust waren. We gingen naar een katholieke school en naar katholieke verenigingen. We kochten bij katholieke middenstanders, lazen katholieke bladen en luisterden naar de Katholieke Radio Omroep. Beelden van Jezus en het Heilig Hart stonden op smeedijzeren consoles aan de kamerwand naast de kalender van het Kanunnik van Schaikfonds, waar je stuivertjes in kon sparen. Na het avondeten baden we de rozenkrans, op onze knieën, zodat na afloop de afdruk van de kokosmat op mijn blote benen stond.
Meneer pastoor was voor elke parochiaan de hoogste vertegenwoordiger van de kerk. Hij was bestuurder van vele verenigingen en kwam op huisbezoek om te controleren of de gelovige nog wel voldoende de regels van de Kerk volgde en om en passant tot gezinsuitbreiding te stimuleren.

De biechtstoel in de katholieke kerk in Vleuten

Tijdens het bestuur van pastoor Beutener werden er nieuwe katholieke scholen gebouwd, een bejaardencentrum en een klooster. Fijnbesnaard was onze pastoor niet. Als hem iets niet zinde kon hij met bulderende stem reageren. Mijn opa zei, dat Beutener beter het vak van diens vader had kunnen kiezen. Die was klompenmaker.
Ik was een beetje bang voor Beutener. Als misdienaar had ik eens de altaarbel uit mijn handen laten vallen. Daarna liet hij het dragen van het zware altaarboek niet meer aan mij over. Toen ik tijdens het Confiteor niet uit mijn woorden kwam, nam hij het gebed direct met harde stem over. Ik schaamde mij diep.
Bij mijn eerste biecht bekende ik bibberend, dat ik bloemetjes uit de tuin van dokter Schuurs had geplukt. Ik durfde nauwelijks naar het houten rooster te kijken waarachter ik, in het duister en heel dichtbij, het hoofd van de pastoor ontwaarde. Zou hij waarschuwen voor hel en vagevuur? De bulderpreek die ik verwachtte bleef uit. Tegen het kindertarief van drie Onze Vaders en drie Weesgegroetjes kon ik alles weer goed maken.

2

EEN EIGEN HUIS

Herinnering

Routineus loop ik met de dik ingesmeerde, dubbelgeslagen baan behang de keukentrap op. De borstel steekt uit de zak van mijn zeventigerjaren tuinbroek. Als ik bovenop sta en me uitrek kom ik met mijn handen net bij het plafond. De muur is 3,60 meter hoog. Zorgvuldig balancerend plak ik het bovenste deel van de baan op de muur en borstel ‘m stevig vast. Nu kan ik de rest van de baan laten zakken.

In 1985 kochten G en ik tezamen met een bevriend stel ons eerste huis. De jaren waarin alles anders moest echoden nog na. Alle vier hadden we tijdens onze studietijd in een groep gewoond. We waren niet toe aan wat wij huisje-boompje-beestje noemden: met zijn tweeën een gezinnetje stichten. Om ons ideaal van samenwonen vorm te geven kochten we een huis dat groot genoeg was voor een gezamenlijk huishouden van vier volwassenen en twee baby’s.
Het was een oud herenhuis, gebouwd in het begin van de eeuw, met originele details waarvan makelaars opgewonden raken: glas-in-loodramen, gestucte engeltjes in het plafond, schouwen van zwart marmer.
Na de aankoop liep ik apetrots door het pand. Dit was óns huis. Ik had al een baan en een vriendin en ons eerste kind was net geboren. Met dit huis erbij was ik nu definitief tot de rangen der volwassenen toegetreden. Tenminste zo leek het.
Het huis van vier verdiepingen, de kelder niet meegerekend, was bewoond geweest door negen studenten en rijp voor een flinke opknapbeurt. We braken tussenwandjes af, sloopten vier keukentjes, een aantal wastafels en een douche, verwijderden de oude betengeling en trokken overal dikke lagen behang van de muren. Lagen die de geschiedenis van het huis en zijn bewoners blootlegden. Maar tijd om ons daarin te verdiepen was er niet.
De opbouw begon met het egaliseren van de muren. Ik was zo lang bezig met het vullen van gaten in alle vertrekken dat ik op mijn werk alleen maar gaten en oneffenheden zag die gladgestreken moesten worden. Daarna begon de grote behangmarathon. Het gehele huis, van boven tot onder, bekleedden we met rauhfaser behang. Ik had nog nooit behangen, maar kreeg het al snel onder de knie. Een strak behangen wand vervulde mij met groot geluk.

Vanuit de hoogte zie ik de twee baby’s in hun wipstoeltje op de vloer staan, tussen de behangtafel en het bouwmateriaal. Een rammelaar en een speen liggen naast hen op de grond. Af en toe geeft een van hen blijk van ontevredenheid. Dan moet het werk, of ik het nu leuk vind of niet, onderbroken worden voor een schone luier of een ommetje met de kinderwagen. Als moderne man wil ik natuurlijk mijn aandeel daarin leveren.
Een aannemer zorgde voor een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer. Ouders en vrienden hielpen mee met tegel- en verfwerk. Maar het leeuwendeel namen we zelf voor onze rekening. Het schuren van alle randjes in de deurposten en paneeldeuren deed een beroep op mijn uithoudingsvermogen. We deden de verbouwing in krap twee maanden, naast ons werk en naast de verzorging van de kinderen. Als ik er nu op terug kijk vraag ik me af, hoe we dat alles voor elkaar speelden. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken.

3

BANKSTEL

Dagelijks

In mei schreef ik hier, dat wij een nieuw bankstel hebben gekocht. Daarom was er een bankstel over. Zelfs twee stellen, omdat twee oudere banken nog jarenlang op een jongenskamer dienst hebben gedaan. Gebruikte exemplaren, maar nog keurig om te zien en comfortabel om op te zitten.
Het was dus tijd om het meubilair voor een klein prijsje op Marktplaats aan te bieden. Vol verwachting klopte ons hart. Na twee weken stond het aantal reacties nog op nul. Toen we verder keken, zagen we dat er op deze vrijplaats meer dan 32.000 banken worden aangeboden. De consumptiedrang heeft blijkbaar tot een gigantisch tweedehands aanbod geleid. De omloopsnelheid van de bankstellen is al net zo groot als de spelers in de eredivisie.
Niet getreurd, de kringloopwinkel bleek bereid de banken op te halen. Een man met een eerbiedwaardige buik inspecteerde de boel en zag een los draadje.
‘Sorry, muneeh, deze kenne we nie meer verkope. We hebbe aal veuls te veul van aal daat spul.’
Dat viel tegen. Dat er een enorm overschot is aan banken drong nog niet echt tot ons door. We logden blijmoedig in bij gratisaftehalen.nl en gratisoptehalen.nl. Op of af, het maakte ons niet uit, als we die dingen maar kwijt raakten. Langzamerhand was er toch wat onzekerheid in dit project geslopen. Het ging allang niet meer over geld, het ging over iets wat waarde heeft. Dat gooi je toch niet weg. We produceren al zoveel afval.
Diverse mensen reageerden enthousiast op ons aanbod, maar lieten daarna niets meer van zich horen. Anderen maakten een afspraak, maar kwamen niet opdagen.

Je gunt het die banken niet. Wat hebben ze al niet meegemaakt. Baby’s die er moedermelk overheen spuugden. Kleine kinderen die in hun pyjama aandachtig luisterden naar het laatste verhaaltje voor het slapen gaan. Sinterklaascadeaus die haastig werden uitgepakt. De leuning die als steun diende om de piek op de kerstboom te zetten.
We haalden chips uit de naden nadat pubers languit op de bank voor de tv hadden gelegen. We vonden ’s morgens vroeg een zoonlief die zijn roes lag uit te slapen. En nog steeds zien die banken er goed uit. Er restte ons niets anders dan met pijn in het hart het nummer van het grofvuil te bellen.
Een week later stopte er een enorme wagen voor de deur, als een olifant met een lange snuit. Met speels gemak werden de banken aan de achterzijde in het gat van het monster gegooid. Er volgde een gekraak dat door merg en been ging. Alsof men wilde voorkomen dat we alsnog spijt zouden krijgen werden de banken ter plekke vermalen en vermorzeld. Zo kunnen ze als een compact pakketje worden aangeboden aan een afvalcentrale, het crematorium voor al uw restafval. Als die afvalcentrale tenminste niet aan vervanging toe is.
Elk product heeft zijn levenscyclus, leert ons de econoom. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

1

KERKBEZOEK

Reizen

Wat ga je onthouden van deze kerk, vraagt G. mij. We staan in Bath Abbey, een gotische kathedraal in het Engelse Bath. De vraag is bedoeld om ons slechter wordend geheugen een handje te helpen. Het plafond vind ik wel apart, antwoord ik, of die zesenvijftig glas-in-loodramen die het leven van Jezus weergeven. Terwijl ik dit zeg, weet ik dat deze oefening vergeefs is. Over een jaar zal ik me uit het blote hoofd niets meer van Bath Abbey herinneren.
Voor het verrijken van onze kennis of voor het oefenen van het geheugen hoeven we het niet te doen. De vraag is dan: waarom bezoeken we in elke plaats de kerk?
De meest simpele verklaring is: zo ben ik groot geworden. Niet dat we vaak op stap gingen in mijn jeugd. Maar als we ergens waren, in Oldenzaal, Middelburg of Köln, dan bezochten we onder aanvoering van mijn vader de plaatselijke kerk. Overal liepen we zachtjes en vol eerbied door het middenpad, maakten een korte kniebuiging voor het hoofdaltaar en bekeken de schilderijen in de zijaltaren. Als kind zag ik weinig verschil tussen de ene of de andere kerk. Het kerkbezoek hoorde erbij, het maakte onderdeel uit van het complex van plichten dat je als katholiek nu eenmaal had.
Het geloof is nu allang verdwenen, maar de impuls om een kerkgebouw binnen te lopen is gebleven.
Een argument is, dat een kerk vaak een museum van architectuur en religieuze kunst is. Je kunt er gratis en vrijblijvend naar binnen lopen. Dat danken we toch maar aan alle gelovigen die door de eeuwen heen hun geld aan de kerk geschonken hebben. Om zich van een plekje in de hemel te verzekeren.

Je kunt een kerk ook bezoeken voor de rust en ontspanning, voor de koelte, voor een moment van bezinning. Nog nooit bezochten we zoveel kerken als in Rome. Ik herinner me (zonder dat G. er een vraag over had gesteld) dat we in een hete straat vol verkeerslawaai de hoge trappen van een kerk opliepen. We openden de deuren en stonden direct in een oase van rust en koelte. De naam van de kerk herinner ik me niet meer. Ik weet wel, dat er schilderingen waren van een armada uit het christelijke Venetië die op volle zee de moslims uit de Midden-Oosten versloeg. Dat waren nog eens tijden. We waren op dat moment de enigen in die kerk. Tenminste zo leek het. Maar opeens hoorden we dat voorin de kerk iemand een paar noten aangaf. Daarna klonk er een schitterend meerstemmig religieus lied, zo indringend, zo zuiver en zo prachtig, dat ik mijn tranen niet kon bedwingen.
Hoe is dit mogelijk, vraag ik mij nu af. Roept het gezang iets op uit een ver verleden, iets wat verloren is gegaan, iets wat ik misschien wel weer terug zou willen? Zoals klokgelui op zondagmorgen ook iets nostalgisch heeft?
In Bath Abbey geeft men niet alleen informatie over de historie van de kerk. Men probeert de bezoeker ook te interesseren voor wat de kerk nú te bieden heeft. Dat gaat me toch een stap te ver. Daarvoor kom ik niet binnen.

1

RULE BRITANNIA

Reizen

In de opera King Arthur van Henry Purcell brengt Aeolus de winden tot bedaren, zodat Britannia fier en in triomf uit de zee kan oprijzen. Daarna volgen de welbekende aria Fairest isle, all isles excelling en een trio waarin de Engelse handelswaar als superieur wordt bezongen: the British wool is growing gold. Uit dezelfde zeventiende eeuw stamt het patriottische Rule Britannia, Britannia rules the waves. De mentaliteit van ‘wij zijn de besten en wij bepalen het zelf’ is al meer dan driehonderd jaar oud.
Twee eeuwen later wordt de eigenwaan van Groot-Brittannië werkelijkheid. Met kolonies op elk continent is het een wereldmacht. De militaire kracht wordt verheerlijkt in Elgars Pomp and Circumstance Marches. Ieder jaar nog gaan de beheerste Engelsen op deze muziek uit hun dak.
Maar elke macht heeft zijn houdbaarheidsdatum. Die van het Verenigd Koninkrijk begon halverwege de vorige eeuw te tanen. De Britten lijken er nog steeds niet aan gewend.

De afgelopen tijd liepen G. en ik de Cotswold Way. Dat is negen dagen wandelen vanuit Midden-Engeland naar Bath in het Zuidwesten. Het is een Area of Outstanding Natural Beauty, een lieflijke, idyllische omgeving waar de tijden niet zijn veranderd; een parkachtig landschap waar ik als koe graag zou willen liggen. Grazige heuvels met grote oude eiken, intieme dalen met kleine beekjes, schattige dorpjes opgetrokken uit de lokale, honingkleurige steen. Je vindt hier de plaatsen die in de tijd van Henry Purcell rijk geworden zijn door de wolhandel. Het is een conservatieve regio waar alles typical English is: de grote landgoederen met statige manors, de paarden en de jachthonden, de golf courses, de Country Fair, de pubs. De Britten koesteren hun verleden. Ze blazen hier een stoomtreintje nieuw leven in. Hoor de fluit klinken over heuvels en dalen! Net als weleer.

Niet gewend om de macht te delen was Groot-Brittannië aanvankelijk niet in Europese samenwerking en in de EEG geïnteresseerd. Later slot men zich toch aan, maar het land bewaarde altijd een zekere afstand. Het ging de Britten om de vrijhandel en voor de rest wilden zij geen bemoeienis. Nu hebben enkele populisten een kleine meerderheid onder valse voorwendselen weten te overtuigen dat een terugkeer naar de glorieuze dagen van weleer mogelijk is. De globalisering voltrekt zich in een hoog tempo, maar in Britannia zingt men het lied van Wij op Ons Eiland. Lopend tussen het vee op de hellingen komt mij het beeld naar boven van Engeland als een koe, die tevreden met de ogen dicht ligt te herkauwen, terwijl achter haar de weiden in hoog tempo worden omgebouwd.
Hier in de Cotswolds gelooft men in de Brexit. ‘We kunnen toch ook handel drijven met Poetin?’, zegt onze eerste host. ‘Voordat we tot de EU toetraden ging het toch ook goed?’, zegt een ander. Een derde vreest nog wel de gevolgen voor de inkomsten. Het merendeel van de wandelaars komt uit het buitenland.
Eerlijk gezegd voel ik wel een klein beetje met de Britten mee. Wat zou het toch mooi zijn als het onbezorgde, overzichtelijke leven weer terug zou kunnen komen. Zonder milieuvervuiling, terrorisme en vluchtelingenstromen, zodat we weer het leven hebben zoals nu in de Cotswolds. Het is toch ook niet voor niets dat wij in onze vakantie dit leven opzoeken?
Als…

0

PANNE

Reizen

Op de dag dat overal hitterecords gebroken worden zitten wij in de Eurostar, de trein die ons vanuit Brussel naar London gaat brengen. Een kwartier na vertrek mindert de trein vaart en komt tot stilstand.
‘Ladies and gentlemen, we have a serious problem’, meldt de steward via de intercom. Dan valt eerst de airco uit, vervolgens het licht en tenslotte houdt ook het communicatiesysteem ermee op.
Daar zitten we dan midden op de dag in een open veld onder de hete zon in een volle trein. Hoe lang gaat dit duren, hoe houden we dit uit? Vooralsnog wacht iedereen gelaten de ontwikkelingen af. Barmedewerkers delen flesjes water en reepjes Twix uit. Een uur lang weet ik mezelf bezig te houden met de puzzels uit Trouw. Daarna lukt het me niet meer om me te concentreren. Het zweet loopt in straaltjes van mijn hoofd, mijn rug zit vastgeplakt aan de zitting. We zitten gevangen in een bakoven. Alles in mij schreeuwt om lucht, een zuchtje wind, een streepje schaduw. Ik moet me op iets anders concentreren, spreek ik mezelf toe. Anders houd ik het niet meer uit. Dan breekt de paniek door.
Rond de trein is er geen enkele beweging en geen enkel geluid. Gebeurt er eigenlijk wel iets om het probleem op te lossen? Waarom komt er geen andere voertuig om ons op te halen?
Niet alleen de trein staat stil, ook de tijd lijkt tot stilstand gekomen. Sinds de laatste keer dat ik op mijn horloge keek is er slechts vijf minuten verstreken. Na anderhalf uur meldt een rood aangelopen spoorwegmedewerker dat er een rescue train onderweg is uit Lille en dat we geëvacueerd zullen worden. Ik ben nog nooit geëvacueerd. We moeten onze koffers in de noodlotstrein achterlaten. Wanneer en waar we die zullen terugzien is een grote vraag.
In afwachting van de rescue train mogen we onze sauna verlaten. De buitenlucht van 35 graden voelt als een verademing. Het blijkt dat de achterste helft van de trein in een tweehonderd meter lange tunnel staat. In een lange rij lopen we over de brokkelige spoorkeien naar de schaduw. Er hangt een gebroken bovenleiding omlaag. Het wemelt hier van de gele hesjes: reparateurs, treinpersoneel, spoorwegbeambten, politie en brandweermannen. De agenten proberen als schaapshonden de kudde aan de kant te houden. Iemand spant over tien meter een nutteloos roodwit lint. Er worden weer flesjes water aangevoerd. Voor het overige gebeurt er niets. De gele hesjes roken en kijken op hun smartphone. Niemand heeft informatie, niemand lijkt de leiding te hebben.
Na een uur komt er over het andere spoor vanuit Brussel stapvoets een trein de tunnel binnen. Er volgt druk overleg tussen de verschillende hesjes. Water is er genoeg, maar elke informatie ontbreekt. Om onbegrijpelijke redenen duurt het nog weer een uur voordat de evacuatie kan beginnen. Een agent deelt mee, dat we eerst nog onze koffers uit de sauna moeten halen. Vervolgens trekt elk hesje zijn eigen plan en worden er tegengestelde aanwijzingen gegeven. Zo ontstaan er grote files in de noodlotstrein van groepen zwetende reizigers die met hun bagage in de smalle gangpaden op elkaar botsen.
Zes uur na vertrek zijn we terug in Brussel waar cameraploegen van lokale zenders ons opwachten en het inchecken opnieuw moet beginnen.
Overigens ben ik nog steeds van mening dat de trein te verkiezen is boven het vliegtuig.

1

MIJN EERSTE RACEFIETS

Herinnering

Het moet rond 1972 geweest zijn dat Wim T., een van mijn huisgenoten op de studentenflat, opeens op een splinternieuwe blauwe racefiets aan kwam zetten. Zo’n fiets waar Merckx en Zoetemelk op reden! Met belangstelling bekeken wij het kromme stuur, de remkabels die daarbovenuit bolden, het puntzadel en de dunne bandjes. De riempjes om de schoenen vast te binden leken ons wat link bij het afstappen. Wim parkeerde zijn aanwinst in het smalle gangetje van de flat. Dat vond ik wel een minpunt.
Nog geen jaar later liep ik zelf fietsenhandel Kok binnen, de enige zaak in Utrecht die destijds racefietsen verkocht. Even later kwam ik met een paars merkloos, want goedkoop exemplaar weer naar buiten. Overal waar ik kwam werd de racefiets met bewondering bekeken en uitgeprobeerd. Zéven versnellingen, dat was ongekend. En zo licht van gewicht! De gebogen houding waarmee je uitgestrekt over de fiets lag werd niet door iedereen gewaardeerd, al verzekerde een jonge vrouw dat zij op het puntzadel goed zou kunnen klaarkomen.

Wekelijks maakte ik een trainingstocht om me voor te bereiden op het volgende ideaal: samen met vriend Paul op vakantie met de racefiets. De bestemming voor onze toertocht was duidelijk. Dat kon alleen maar Frankrijk zijn.
Bij aankomst met de trein in Cahors, een middeleeuws stadje ten zuiden van de Dordogne, bleek dat mijn fiets de reis niet geheel ongeschonden was doorgekomen. Met enkele kale plekken op het frame en deukjes in het spatbord viel echter nog prima te fietsen. Dat werd anders toen ik tijdens de eerste klim flink op de pedalen ging staan en een behoorlijke speling in het trapstel voelde. Met de blik van een kenner zette ik de fiets op zijn kop. Tot onze verbazing rolden er zes kleine, zwarte kogeltjes ergens uit de fiets via de zadelbuis de onderkant van het zadel in. Boos op de hele wereld en op fietsverkoper K. te U. in het bijzonder liet ik mij schoorfietsend weer naar Cahors afzakken.

Fietsenmakers waren er destijds genoeg in Cahors, maar pas de derde die wij bezochten wilde er wel eens naar kijken. De zaak heette Tout pour le cycle en werd gedreven door een oud mannetje die in zijn vuile werkplaats geholpen werd door een doofstomme man met een zenuwtrek.
Toen wij na anderhalf uur terugkwamen was de baas juist bezig met een zware hamer flinke klappen uit te delen aan het trapstel van mijn nieuwe fiets. Bij iedere klap kromp ik ineen. Zijn rappe commentaar was voor mij niet te volgen. Na zes jaar Franse les op het gymnasium wist ik feilloos de woorden voor het middenschip en de zijbeuken van een kerk, maar aan de onderdelen van een racefiets waren we niet toegekomen. Omdat zijn methode blijkbaar niet de gewenste resultaten gaf maakte hij duidelijk dat het trapstel un peu forcé was en daarom vervangen moest worden. Tegen een bedrag dat een flink gat sloeg in mijn vakantiebudget kon ik de fiets de volgende dag weer ophalen.
Zwaar beladen vertrokken we die dag stroomopwaarts langs de rivier de Lot. Met goede zin, zeven versnellingen en strak aangetrokken riempjes reden we de vrijheid tegemoet.

0

EEN EXTRA DAG IN DE WEEK

Dagelijks

Ooit ontving ik op mijn werk een eervolle vermelding in een prijsvraag. De vraag luidde: ‘op welke innovatieve wijze kan de efficiency in ons werk vergroot worden?’ Efficiënt werken heeft mij altijd geboeid, maar deze prijsvraag schoot mij in het verkeerde keelgat. Ik beschouwde deze als de zoveelste poging van de directeur om ‘slimmer te produceren’. ‘Slimmer’ was altijd zijn eufemisme voor ‘méér’. Uit oubolligheid diende ik het idee in om tussen de woensdag en de donderdag een achtste dag in te voeren, de wonderdag.
Hoe irreëel ook, onlangs is mij gebleken, dat dit idee toch werkelijkheid kan worden.

In minder tijd hetzelfde doen, het is een belangrijk motief in de ontwikkeling van de mensheid. Wie eenzelfde product in minder tijd kan produceren is spekkoper. In het huishouden volgt de ene automatisering de andere op, zodat we steeds meer tijd overhouden.
Mijn leven lang ben ik al geobsedeerd door tijdsbesparing. Als kind zag ik een Amerikaanse film over een huisvader die met een stopwatch klokte hoe het dichtknopen van zijn vest het snelste verliep: als hij bij het bovenste knoopje begon of bij het onderste. Zoiets onthoud je niet voor niets.
Zo kan ik me bij de supermarkt ergeren als vrouwen (het zijn altijd vrouwen) de boodschappen rustig over de band laten lopen en pas na het afrekenen op hun gemak gaan inpakken. Mijn boodschappen zitten al in de tas als ik ga betalen en ik ben de winkel uit als mijn voorgangster nog staat in te pakken. Waarschijnlijk leeft ze een stuk langer dan ik.

Tijd is objectief te meten, maar de objectieve tijd komt vaak niet overeen met het gevoel. Daar liggen de mogelijkheden voor de wonderdag.
Zo’n dertig jaar lang was de woensdag naast mijn vierdaagse werkweek mijn huishoudelijke dag en oppasdag. ’s Morgens deed ik de boodschappen en ruimde ik het huis op, ’s middags paste ik op de kinderen. Dankzij een grote vrieskist kon ik eenmaal per week het brood bij de bakker kopen. Als ik daar de deur binnenstapte lag de bestelling al voor mij klaar. Ook dat is efficiency. Toen ik er niet meer voor de kinderen hoefde te zijn kwam het sporten voor het oppassen in de plaats. Maar de woensdagmorgen bleef al die jaren gereserveerd voor de boodschappen.
Sinds G., mijn meisje, dit voorjaar ook gestopt is met werken is alles gaan schuiven. Om redenen waar ik je niet mee zal vermoeien doe ik sinds kort op dinsdagochtend boodschappen. En zie wat gebeurt: de volgende dag, woensdag, heb ik het idee dat het donderdag is. Totdat ik besef dat het nog maar woensdag is en ik blij kan constateren dat ik een dag extra heb. Het patroon is er in dertig jaar zo ingesleten, dat ik na vier maanden van dinsdagse boodschappen nog elke week het gevoel van die extra dag heb. Een aanrader dus.
Voor wie vindt dat een week al lang genoeg duurt liggen hier omgekeerd ook kansen om het aantal dagen te bekorten.

2

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KIPPENHOK

Herinnering

Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.

6

SCHRIJVEN LOONT NIET

Dagelijks

Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.