Schrijven, Lezen, Leven.
0

BALLENALARM

Dagelijks

Bron: MO. Deze arts komt niet voor in dit verhaal

Teelbalkanker kan in een vroeg stadium opgespoord worden. Als de Nederlandse man zich maar bewust is van de noodzaak, zo menen urologen. Een van hen kreeg een opwindend idee: er moest een landelijke campagne komen. De plannen werden uitgewerkt, de financiering werd geregeld.
Ik zie het helemaal voor me. Daar zit de uroloog, in een steriele vergaderkamer tezamen met enkele mannen van het reclamebureau. De koffiekannen op tafel glimmen in het licht van de tl-buizen. Op de flipover staan de woorden en pijlen van een vorige sessie.
‘De campagne moet het equivalent worden van het borstonderzoek, dat heeft bij vrouwen uitstekend gewerkt’, legt de uroloog uit. Er wordt geknikt. ‘Het moet een regelmatig weerkerend onderzoek zijn, anders werkt het niet.’ De creative director gaat naast de flipover staan. ‘Oké, hoe gaan we die attention genereren?’ Hij nodigt ieder uit om zijn associaties de vrije loop te laten.
‘Waakzaamheid.’
‘NL-alert.’
‘Luchtalarm.’
‘Ballenalarm.’
Na dit laatste woord volgt een geloei, dat in de omringende kamers is te horen. ‘Dat is ‘em!’, zegt de creative director, wijzend naar de man die het woord bedacht. Geen gezeik over testikels of scrotum. Ballen, dat is de taal die mannen verstaan. De uitwerking ligt snel op tafel. Er moet een filmpje komen van mannen, op kantoor, in het café, in de bouw, you name it, die het moment van het maandelijks luchtalarm aangrijpen om hun ballen te controleren op knobbels, hardheid en veranderingen. Onder het motto: Het ballenalarm. Laat alles vallen en pak je ballen!
Er worden acteurs ingehuurd die als bouwvakkers op een brug in Amsterdam in hun broek grijpen. Een secretaresse die licht verbaasd van haar werk opkijkt als haar collega’s naast hun bureau het onderzoek uitvoeren. Met hun broek dichtgeknoopt wel te verstaan. Mannelijke geslachtsdelen zijn geen vrouwenborsten.

Ik heb het uitgeprobeerd. Je moet met twee handen in je broek en dat is verdomd lastig, als je die broek nog aan hebt. Bovendien vind ik testikels gevoelige organen. Ik had mij als kind ooit verstopt op de bovenste plank van een vaste kast. Toen ik naar beneden sprong belandde ik met mijn kruis op de deurkrik. Met als gevolg donkerblauwe balletjes en een uitstralende pijn die ik nog dagenlang voelde. Iedere voetballer die ooit een bal in zijn kruis heeft gehad kan erover meepraten. Je moet dus niet te hard knijpen als je op zoek bent naar knobbeltjes.
Voor het uitproberen was ik naar de badkamer gelopen. Want welke man gaat de aanbeveling volgen om bij het horen van de maandelijkse sirene terstond op te staan en in het bijzijn van wie dan ook het onderzoek uit te voeren? Wat is er misgegaan in de brainstormsessie? Voor een instructiefilm lijkt de douche me een betere plek. Dat zou tegelijk het taboe op het tonen van mannelijke geslachtsdelen doorbreken. De reclamejongens hebben het niet aangedurfd. Dat brengt mij op een laatste vraag. Hebben die creatieve mannen nog overwogen dat een maandelijkse controle de teelbal reduceert tot object van medisch onderzoek? Is een tedere aanraking daarna nog hetzelfde?

1

DEMENTIE

Dagelijks

Ik hoor dat een oud-collega op zoek is naar mij. Zij had bij ons vorige huis gestaan, niet wetend dat wij verhuisd zijn. Ik bel haar op. Het enthousiasme in haar stem klinkt heel vertrouwd. Dit jaar is zij tachtig geworden. Het gaat goed met haar, al merkt zij wel – hier verandert de emotie in haar stem – dat zij steeds meer last krijgt van dementie. Het is een familiekwaal, haar zussen hebben ook Alzheimer. We spreken af, dat ik de volgende dag bij haar op de thee zal komen. ‘Ik schrijf het direct op de kalender’, zegt C. opgewekt.
Als ik die dag met de trein ben aangekomen, bel ik om te zeggen dat ik iets later ben. Het blijft even stil aan de lijn. ‘Je zou toch gisteren komen? Ik moet zo weg.’ De verwarring bij haar verdwijnt echter snel. ‘Ik haal je wel even op met de auto’, klinkt het monter. C. is als altijd een groot liefhebber van autorijden geweest. ‘Ik ben er in een paar minuutjes.’ Ik zeg dat ik aan de achterkant van het station sta. Heen en weer lopend met een grote bos bloemen kijk ik tevergeefs uit naar een auto die het parkeerterrein opdraait. Er gaan tien minuten voorbij. De bloemen voelen steeds zwaarder. Vijftien minuten. Dan komt C. er lachend aangelopen. ‘Stond je toch niet aan de voorkant.’

Een week later bezoek ik een concert van een kamerkoor. Na afloop raak ik in gesprek met een mij welbekende bas. We delen de liefde voor schrijven. Hij is bezig met zijn levensverhaal. ‘Ik ben nu gekomen tot 2004, maar de laatste tijd vlot het niet meer.’ De bas is de vijfenzeventig gepasseerd. ‘Dan mag je wel opschieten’, zeg ik grappenderwijs. Hij beaamt het lachend. ‘Er is bij mij Alzheimer geconstateerd’, zegt hij. Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Laatst is dat nog eens bevestigd.’ Hij vertelt het rustig, zonder emotie. Hij krijgt medicijnen om het proces van achteruitgang te vertragen.
Ooit heb ik op mijn werk een project Dementie geleid. We gaven voorlichting aan medewerkers van de thuiszorg en vrijwilligers. Het woord Alzheimer roept bij mij beelden op van dwalende mensen die hun huis niet meer kunnen vinden. Tafelkleden die in de koelkast zijn opgeborgen. Het zijn beelden die mij beangstigen. Ik kijk ook wel eens in een keukenkastje als ik de nietmachine moet hebben. Om direct daarna te beseffen dat het ding altijd in de kamer ligt.

Weer een week later ben ik bij de crematie van een neef. Tussen de vele aanwezigen tref ik een familielid, die ik lang niet gezien heb. Hij ziet er wat breekbaar uit. Hij moet voor in de tachtig zijn. ‘Het gaat goed met mij’, zegt hij. In één adem door voegt hij eraan toe: ‘bij mij is de ziekte van Alzheimer geconstateerd.’ Ook hij vertelt het nuchter. Hij mag geen auto meer rijden, maar voor het overige leidt hij een normaal leven. Hij eet wel wat meer, zegt hij, omdat de geestelijke achteruitgang nog wel eens samengaat met een flinke vermagering.
Op dit moment zijn er zo’n 200.000 mensen met Alzheimer in Nederland.

0

BIJ DE TIJD

Dagelijks

Ik had nog nooit een honderdjarige ontmoet. Was ik van tevoren onkundig geweest over de leeftijd van de nog altijd zelfstandig wonende mevrouw H. (102), dan zou ik haar zo rond de tachtig geschat hebben. Bij sommigen zit de jeugdigheid in de genen.
De inrichting van haar huis gaf iets prijs van haar lange bestaan. Kaal vinyl, versleten vloerbedekking, krassen op het verfwerk. Maar wie tachtig is en het tapijt sleets ziet worden, denkt al snel: het zal mijn tijd wel duren. Die tijd schat je niet op twintig jaar.
Haar kamer, verwarmd door een zachtjes flakkerende gashaard, was één grote verzameling. Niet alleen van stoelen, tafeltjes en kussentjes uit lang vervlogen tijden. Tussen de snuisterijen, kaarsen, souvenirs en ingelijste foto’s lagen overal stapels papieren, tijdschriften, losse papiertjes met aantekeningen, oude radiogidsen en nog veel meer dat ik nu niet meer kan reproduceren. Alsof mevr. H. de controle op het leven zou verliezen door iets weg te doen. Alsof opruimen voor haar hetzelfde was als afscheid nemen en doodgaan.

De gevel van het hotel-restaurant-café Oog in Al. Foto: J.C. de Graaf, collectie Utrechts Archief.

Ik mocht bij mevrouw op bezoek komen om vragen te stellen over haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Zij woonde destijds in de Utrechtse wijk Oog in Al. Haar vader was textielhandelaar, haar broer handelde in lederwaren. Zij verrichte hand- en spandiensten voor hen. In de wijk waren veel officieren van de Duitse marine gehuisvest. Het weerhield haar er niet van om een Joodse man lopend over straat naar een veilig onderkomen te begeleiden. Als vanzelf werkte zij mee bij het rondbrengen van illegale blaadjes. Ze voorzag Rotterdamse mannen die na een razzia lopend in een colonne de wijk passeerden van eten en liet een enkeling ontsnappen door gearmd met hem weg te lopen. Pas na de oorlog werd dit werk ‘deelname aan het verzet’ genoemd. Destijds voelde dit voor haar niet zo.

Mevr. H. had als jong kind tien jaar in Vleuten gewoond. Aan de Stationsstraat, zo ongeveer tegenover het huis van de burgemeester. De families waren bevriend geraakt met elkaar. Men kwam elke zondagmorgen bij elkaar op de koffie. Mevrouw was bevriend geraakt met M., de enige dochter van de burgemeester. In de herinneringen van mijn tante had ik gelezen dat deze dochter met een Duitser was getrouwd en tijdens de oorlog als tolk voor de Duitsers op de Maliebaan had gewerkt. M.’s enige nog levende broer (ook al de negentig voorbij) kon (of wilde) de Duitse gezindheid van zijn zus tegenover mij niet bevestigen. Mevr. H. daarentegen sprak duidelijke taal. M. had voor een Duitse firma gewerkt en was op die manier aan de Duitse kant beland.
Meer woorden wilde zij er niet aan vuil maken. Ook over de rol van de burgemeester en zijn vrouw was zij snel uitgesproken. Pijnlijke herinneringen laat je liever onaangeroerd. Of je kunt ze niet meer vinden. Mevrouw schakelde moeiteloos over op verhalen over haar kinderen en kleinkinderen. Op de onverdraagzaamheid die zij ziet in de huidige maatschappij. Of op de vrouw in Iran die onlangs was opgepakt en omgekomen. Honderdentwee, op zichzelf staand en een heldere, bijdetijdse geest.

0

‘T IS WEER VOORBIJ

Herinnering

Toen ik woensdagnacht wakker werd draaide ik mijn hoofd naar de rode cijfers van de wekker. 5:34 uur. Op hetzelfde moment zat er een liedje in mijn hoofd: ’t is weer voorbij die mooie zomer. Hoe toepasselijk voor deze week. Maar, hoe kwam dat lied daar op dat moment? Een klein uur eerder had ik de auto van de krantenbezorger gehoord. Had de bezorger wellicht de radio aanstaan zonder dat dit bewust tot mij was doorgedrongen? Of was de hit van Gerard Cox eerder deze week ongemerkt binnengekomen? Zo’n onbewuste waarneming is mogelijk, leerde ik ooit in mijn studie. Subliminal messages worden deze prikkels genoemd. Coca-cola zou zelfs ongemerkt reclameboodschappen door films heen mengen, werd toen verteld.

Na na na, nananana, na na naa. Het vrouwenkoortje waarmee het lied begint trok door mijn slaperige hoofd. De nasale stem van Cox die bij het scherpe hoge zoemen van een mug even inhoudt voor het woord mug. Ik heb ’s nachts allang weer mijn pyjama an is nog zo’n zin die bij mij is blijven hangen, hoewel dat woensdagnacht voor mij niet opging. Ik had juist het dekbed van me afgeslagen om wat af te koelen. Kon ik de slaap weer vatten? Het gezang van Gerard hielp er niet bij.
De volgende morgen zocht ik het nummer op. Volgens Wikipedia (waar het lied een eigen pagina heeft) hoorde Cox in Frankrijk Salut les amoureux, een chanson van Joe Dassin over afscheid nemen. Cox maakte er in korte tijd een Nederlandse tekst bij.
Op het strand slapen, vissen in de zon, zwemmen en varen, Gerard dook al zijn mooie herinneringen aan de zomer op. Haringgeur vermengd met zonnebrand, het rijmde mooi op in je kleren schuurde zacht het zand. De platenmaatschappij vond het nummer niet passen bij Cox’ kritische imago, maar de zanger zag er brood in en kreeg gelijk. Het lied stond in het najaar van 1973 wekenlang nummer één op de hitparades, er werden uiteindelijk meer dan 200.000 exemplaren van verkocht. De B-kant, zullen we ritselen?, lijkt me trouwens ook interessant. Het zal wel het favoriete nummer van Mark Rutte zijn.

’t is weer voorbij brengt mij onverbiddelijk terug naar de werkplaats van aannemer Versteegen in Montfoort, waar ik in die tijd werkte. Het lied bracht licht in de monotonie van de arbeid. Maarten, de meester-timmerman, keek even glimlachend op van zijn klus. Koen, de norse werker, met immer een sigaar hangend in de mondhoek en de pet achter op zijn hoofd, keek wat vrolijker uit zijn ogen. Willem, de oude schilder, brulde het nummer hard mee, boven het lawaai van de slijpsteen waaraan hij zijn verfkrabbers scherpte. Hij kwam naast mij staan, te dichtbij naar mijn zin, maar daarover durfde ik niets te zeggen. Hij vertelde dat hij vlak na de oorlog in Frankrijk had gewerkt. Daar verbleef hij in een soort kamp, waar een hek omheen stond. Maar dat gaf niks, zei ie, want ’s avonds kwamen de meisjes uit het dorp. ‘Voor tien franc mocht je dan je lul door het hek heen steken.’ Die mooie tijd was allang voorbij, maar het genot glom nog achter zich dikke brillenglazen.

3

VERDOMHOEK

Dagelijks

Afgelopen zaterdag stond op de voorpagina van Trouw prominent een uitspraak van Maria Goos: Kom uit die verdomhoek. Oud, be proud! Het citaat moest verleiden om een interview met de toneelschrijfster te lezen. Ik kreeg direct een vieze smaak in mijn mond.
Goos beweert hier niets meer of minder dan dat ouderen in een verdomhoek zitten. Waarmee zij de situatie die zij wil bestrijden alleen maar bevestigt. Zij als jonge oudere (66 jaar) komt net kijken, maar zij weet wel wat er mis is. Zij plaatst zichzelf buiten die verdomhoek en weet wat al die anderen fout doen. Een voorbeeld van misplaatste trots. Stupid goose.

Na een paar dagen vroeg ik mij af, waarom Goos’ uitspraak mij zo geraakt had. Dat gebeurt niet zomaar. Het was tijd voor een klein zelfonderzoek.
Ik voel mij niet aangesproken. Het beeld dat ik als oudere in een achterafhoekje van de maatschappij zit weg te kwijnen herken ik niet. Ik ben van de geluksgeneratie die in welvaart is opgegroeid en ik ben in de conditie dat ik nog veel kan en weinig hoef. Is de verdomhoek van Goos wellicht mijn (en haar?) angstbeeld? Ben ik bang voor wat mij te wachten staat aan lichamelijke achteruitgang, het verminderen van contacten, het wegvallen van betekenis voor de maatschappij? Moet ik daarom mijn best gaan doen om dat gevoel van betekenis, van trots te houden?

Soms zou ik wel eens hetzelfde willen roepen als Maria. Bijvoorbeeld als ik pleidooien lees van politieke partijen, pensioenactivisten of ingezonden brievenschrijvers die erop neerkomen dat ouderen altijd weer gepakt en achtergesteld worden. De werkelijkheid is dat ouderen het nog nooit zo goed gehad hebben. Het probleem zit in het containerbegrip ouderen. Want natuurlijk is er ook een categorie 65+-ers die het moeilijk heeft. Dan is het goed dat er mensen zijn die daarvoor opkomen. Maar laten ze dan de categorie achtergestelden wel helder benoemen.

Goos heeft nog een argument voor haar uitspraak over de verdomhoek. Ouderen hebben in deze maatschappij een andere positie dan, zeg, honderd jaar geleden. Waar wijsheid en ervaring destijds als vanzelf respect afdwongen, gaat dat door alle technologische ontwikkelingen niet meer op. Oud is uit de mode. Zij ziet ouderen die zich zo jong mogelijk willen voordoen. ‘Vanwaar die focus op jong? Waarom zou je je onder een hoody verstoppen en doen alsof je dertig bent?’
Daar heeft zij een punt. Die neiging onderken ik. Het is een tot mislukken gedoemde poging om jong te blijven. Daarom loop ik maar vaak in een vest, hét kledingstuk voor de oudere man. Daarom heb ik mijn baard niet laten staan. Maar moet ik dit nu trots van de daken schreeuwen? Dat is net zo zeer een knieval voor de huidige cultuur. Ik gebruik liever de 500 woorden van mijn blog dan de 140 tekens van Twitter.

1

EEN KLEINE OORLOG

Herinnering

In september 1940 treft de rijksveldwachter in De Meern een Duitse militair, die met een neergeschoten, nog warme fazant uit de polder Reijerscop komt gelopen. Dat is verboden, legt de politieman uit. Het jachtterrein in de polder is verpacht. ‘Hier in Holland ist für uns nichts verboten’, antwoordt de soldaat. Burgemeester Van Koningsbrugge, een man die het recht hoog in het vaandel heeft staan, protesteert schriftelijk bij de Duitse autoriteiten. Hij ontvangt na enkele maanden een brief van het Luftgaukommando Amsterdam dat de polder door het Duitse leger is gevorderd en dat de jacht alleen is toegestaan door Wehrmachtangehörige.

In januari 1942 houden honderd militairen van de Luftwaffe een drijfjacht in Reijerscop. Aan het einde worden twee zwanen meegenomen. De volgende dag staat boer Bijman op de stoep bij Van Koningsbrugge. Bijman eist zijn zwanen terug. Het is een teeltpaar en in 1941 heeft deze teelt hem f 84,- opgeleverd. De burgemeester schrijft een brief op poten naar het Haupt van het Luftgaukommando.
Een maand later ontvangt Van Koningsbrugge een antwoord van een Oberstleutnant. De militairen hadden de zwanen in sterk verwaarloosde en bijna bevroren staat aangetroffen. Door de goede verzorging bij het leger zijn de uitgehongerde beesten inmiddels weer opgeknapt. Zij zullen aan de stad Utrecht worden overgedragen. Bij de brief is een rekening voor Bijman gevoegd van f 202,40 voor de huur van een stal, loon van verzorgers en voederkosten. De boer moet het geld persoonlijk in de Kromhoutkazerne in Utrecht komen afgeven. Tenslotte geeft de Oberstleutnant de burgemeester nog een veeg uit de pan vanwege zijn ‘unverschämtes Schreiben’.

De rekening van de Oberstleutnant

Zoals zoveel burgemeesters heeft Van Koningsbrugge zich na de Duitse inval voorgenomen om vooral de rust en de orde te handhaven en zoveel mogelijk de belangen van de inwoners te dienen. Het agressieve optreden van enkele NSB’ers maakt het hem niet gemakkelijk. Dat de Duitsers metalen, voertuigen en paarden vorderen en zich zonder overleg de polder als jachtgebied hebben toegeëigend gaat in tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid. De brief van de Oberstleutnant overtreft alles. Het is voor hem een bewijs van de onbetrouwbaarheid en brutaliteit van de bezetter. Hij bijt zich vast in de kwestie. Bij zijn baas, de Commissaris van de Koningin, kan hij niet terecht, dat is een NSB’er. Hier past maar één middel, moet Van Koningsbrugge gedacht hebben. Hij schrijft een brief over de zwanen aan generaal Christiansen, de Befehlhaber van de Wehrmacht in Nederland, de hoogste militair.
Als een antwoord uitblijft, richt hij zich tot secretaris-generaal Frederiks, de belangrijkste Nederlandse ambtenaar in Den Haag. Hij vraagt of deze gelegenheid ziet om eens voorzichtig bij Christiansen te informeren. Maanden later volgt een uitnodiging om met de Hauptintendant van de generaal te bespreken welke vergoeding Bijman billijk acht. De boer is inmiddels bereid om f 25,- te betalen als hij zijn zwanen maar terugkrijgt. Na een zich voortslepende correspondentie laat de Hauptintendant in november ’42 aan de burgemeester weten dat de zaak is overgedragen aan het Luftgaukommando te Amsterdam. Hiermee eindigt dit dossier. Ik trof het aan in het Utrechts Archief bij mijn onderzoek naar de gebeurtenissen in de oorlog in Vleuten – De Meern.

0

GROENTETUIN

Dagelijks

De ochtendlucht voelt fris, de bomen kleuren geel, de nijlganzen snateren in het weiland. Ik ben met de fiets op weg naar de tuin. Sinds dit jaar zijn wij lid van Moestuin De Haar. Op een flinke lap grond in Haarzuilens worden door drie part-time tuinders (allen vrouw) groenten en bloemen geteeld. Onbespoten, biologisch, duurzaam, hoe dan ook verantwoord. Het abonnementsgeld geeft ons recht op vijf groenten per week. Die oogsten wij zelf.
De tuin grenst aan het park van Kasteel de Haar. Jarenlang was op deze plek de groentetuin van de baron. Hoewel de adellijke familie slechts twee maanden per jaar op het landgoed vertoefde beschikte men over een mega moestuin. De medewerkers voor het onderhoud van park en groentetuin stonden onder leiding van Lambert Voortman, de enige niet-katholiek in de gemeenteraad van Haarzuilens. Maar ik dwaal af.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw werden de kosten voor het buitenverblijf de baron wat te gortig. Het kasteel werd in 2000 met geld van Natuurmonumenten eigendom van een stichting. De Moestuin de Haar werd in 2019 opgericht. Elke week nu fietst een van ons, met schepje en mesje in de tas, naar Haarzuilens om de groenten te oogsten. Met de handen in de klei en de poten in de modder.

Mijn vader had vroeger een groentetuin naast ons huis. Ieder jaar vanaf augustus aten wij wekenlang sperziebonen en voor de afwisseling snijbonen. Om mij de liefde voor het vak over te dragen kreeg ik een perkje toegewezen waarop ik groenten naar eigen keuze mocht telen. Mijn enthousiasme was groot toen de oranje kopjes van de peentjes boven de grond uitgroeiden en mijn eigen radijsjes smaakten lekkerder dan ik ze ooit gegeten had. Desondanks was mijn belangstelling voor het kweken al na één seizoen verdwenen. De kennis van het telen, generaties lang van vader op zoon doorgegeven, stopte bij mij en bij velen van mijn generatie. Groentetuinen werden siertuinen en de groenteboer in het dorp kreeg een hoop klandizie. Hoe vaak stond ik niet in de rij voor de toonbank, terwijl onder het stilvallen van de aardappelschilmachine de piepers met een dof geluid in de opvangemmer rolden.

Moestuin De Haar

In de gemeenschappelijke moestuin leer ik iedere keer weer bij. Zodat ik niet per ongeluk snijbiet rooi als ik rode biet wil oogsten. Wij leren nieuwe groenten kennen, zoals Nieuw-Zeelandse spinazie, meiraapjes, bladmosterd en fluo-melde (zelfs voor de spellingchecker is deze laatste onbekend). We volgen de seizoenen. Dat valt nog niet mee. Dit voorjaar wilden we na verloop van tijd wel iets anders eten dan spinazie, snijbiet, raapsteeltjes of postelein.
Een grote vooruitgang is dat we wekelijks tuinkruiden kunnen oogsten. In plaats van de gedroogde kruiden uit het groenterek staat er nu een rij plastic doosjes in de koelkast. Van tijm tot oregano, dille, peterselie, salie en rozemarijn. En een voorraad verse munt voor de thee.
Met twee fietstassen met groente en een bos bloemen fiets ik terug naar huis. Voldaan, alsof ik het zelf gekweekt heb.

2

ANGST

Herinnering

In een boek over het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog vroeg een hedendaagse schrijver zich af of hij het in soortgelijke omstandigheden zou aandurven om zich te verzetten tegen de bezetter. Of hij het risico op gevangenschap, marteling of dood zou durven nemen. We leven in een andere tijd, dus de vraag is niet goed te beantwoorden. Maar ik denk dat ìk niet de moed zou hebben.

Er kwam een voorval uit mijn vroege jeugd op. Ik was een jaar of zeven en ik kwam op mijn eentje uit school. Vlak voordat ik thuis was werd ik opgehouden. Twee mannen hadden een geul dwars over de weg gegraven. Ze stonden er tot hun bovenbenen in. Bergjes donkere grond lagen ernaast.
‘Nee, jij mag er niet door’, zei een van de twee. Ik schrok en liep angstig een paar meter achteruit. Ik zag de geul en die mannen en ik was bang dat ik nooit meer thuis zou komen. Toen ze mij na enige tijd toch doorlieten, holde ik in één keer door naar mijn moeder om mijn beklag te doen. Zij stapte zonder dralen in haar schort de achterdeur uit en liet de mannen in niet mis te verstane woorden weten dat zij niet meer dit soort flauwekul moesten uithalen.

Er was veel meer dat mij toen bang maakte: het hondje van Van der Klei, het donker, paarden en koeien, de diepte onder het wateroppervlak, onbekende volwassenen, de pastoor. Na de angst voor fysieke dreigingen volgde later de angst om mijn mond open te doen, om gek gevonden te worden, om niet mee te tellen, enz. Had ik maar wat meer van de stoutmoedigheid van mijn moeder gehad.
Er was ook een periode dat ik mijzelf niet bang vond. Als eerstejaars student psychologie moest ik een vragenlijst over angst invullen. Bij alle mogelijke gevaren streepte ik aan dat ik niet of nauwelijks bang was. Van het begrip sociale wenselijkheid had ik toen nog niet gehoord. Dat dit voorval nu nog naar boven komt geeft aan dat er ergens in mijn geweten iets geknaagd moet hebben bij zoveel van bravoure overlopende antwoorden.

Angst, zo leerde ik later, is in wezen een lichamelijke reactie op een dreigende situatie. De gevoeligheid daarvoor krijg je met je geboorte mee. Maar de opvoeding is ook van invloed. Het zal niet meegewerkt hebben dat een belangrijke les in mijn jeugd was dat ik maar op God moest vertrouwen (of anders op mijn moeder). Op mezelf en op mijn eigen kracht vertrouwen was geen onderdeel van het curriculum. Ik nam geen aanloop om over de geul te springen, hoewel ik gemakkelijk daartoe in staat was. Me verzetten heb ik wel geleerd, maar vooral tegen mijn eigen fouten.
Voor mannen met een schop week ik terug, voor Duitsers met een wapen zou ik dat zeker gedaan hebben, ook als volwassene. Nu ik dit zo overdenk valt het mij op dat niemand van mijn familieleden een rol in het verzet heeft gehad. Dat gold voor het grootste deel van de Nederlanders.

0

TAALVIRTUOOS

Dagelijks

Jan Beuving. Bron: Podium Hoge Woerd

Uit het grote theateraanbod hadden wij dit jaar onder andere gekozen voor een voorstelling van Jan Beuving. De naam zei mij vaag iets. Hij maakt in zijn cabaret gebruik van zijn opleiding als wiskundige en hij stelt vragen die tot nadenken stemmen, zo werd de voorstelling aangekondigd. Wiskunde was op de middelbare school veruit mijn zwakste vak. Dus ik maakte me zorgen of ik de grappen wel zou kunnen volgen. Niettemin was mijn nieuwsgierigheid gewekt. De voorstelling, Restante, viel op twee punten anders uit dan ik verwacht had.
Beuving (40) mag dan wiskunde hebben gestudeerd, ik vond hem bovenal een taalvirtuoos. Hij schrijft ijzersterke liedjes. Maatschappelijke problemen of huiselijke sores weet hij in rake bewoordingen te typeren. Hij is een meester in het rijm. Zijn pianist, Tom Dicke, heeft er originele composities bij gemaakt, melodieën die Beuving met verve zingt. De wiskunde kwam nog even om de hoek kijken toen hij de zaal talloze malen liet rijmen op het woord staartdeling.
Jan Beuving toont zich een waardig opvolger van Jeroen van Merwijk of Kees Torn. Hij vertelde dat hij ooit in Utrecht naast Van Merwijk voor het stoplicht stond te wachten. ‘Meneer van Merwijk’, zei hij toen, ‘ik ben een groot fan van u’, waarop Van Merwijk antwoordde: ‘Ja, dat ben ik zelf ook.’
Ik begon een fan van Beuving te worden.
In de tien jaar dat hij in het vak zit heeft hij al tweemaal de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste lied gewonnen, onder ander voor Die Geur, een lied uit 2018 met een zeker voor deze tijd zeer actuele tekst. Het wordt hier gezongen door Patrick Nederkoorn. Melodie en begeleiding zijn van Tom Dicke.

Dan de tweede belofte, die anders uitpakte.
Jan Beuving is christelijk opgevoed. Dat is niets bijzonders. Maar anders dan velen is hij nog steeds een gelovig mens. Voor een wetenschapper die zich tot cabaretier heeft ontwikkeld lijkt me dat uniek. Wie al wat langer meegaat kan zich wellicht nog Fons Jansen herinneren of Jules de Corte. Deze katholieke kleinkunstenaars stopten nogal wat geloof in hun programma’s. Maar zij dreven vooral de spot met de kerk. Jan niet. Lef kan je hem niet ontzeggen. Ik schatte in dat hij voor een overwegend seculier publiek speelde.
Dat hij aan de kaak stelde dat in zijn hoogopgeleide, linkse bubbel de islam wordt verdedigd, maar het christelijk geloof verdacht wordt gemaakt, daar kon ik inkomen. En dat hij heeft leren rijmen door alle liedteksten die hij op zondagen in de kerk gezongen heeft, kon ik begrijpen. Het onderwerp liet hem echter niet los. De vragen die tot nadenken moesten stemden begonnen mij te veel op een getuigenis te lijken. Al kan dit ook mijn allergie zijn. Ik weet nu echter niet meer wat ik tegen hem zou moeten zeggen als we samen voor een stoplicht staan.

1

DIERGENEESKUNDE

Herinnering

Het is je wellicht ontgaan: onlangs bestond de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht 201 jaar. Het is de enige universitaire veterinaire opleiding in ons land. De faculteit heeft een naam die tot buiten de landsgrenzen reikt. Toen ik studeerde in de jaren zeventig werden er vanuit Israël, waar zo’n opleiding destijds ontbrak, groepen studenten naar diergeneeskunde in Utrecht gezonden. Zij waren de voorlopers van de huidige horden buitenlandse jongeren die om de een of andere reden Nederland uitgekozen hebben voor hun academische studie.
Bij ons op de studentenflat woonde Amir, een gedrongen jongeman met veel lichaamsbeharing. Geschikt voor het groepsleven was hij niet. Hij gebruikte de keuken annex gemeenschappelijke ruimte alleen om iedere middag en iedere avond water te koken voor de thee. Van hem heb ik de uitdrukking ha maim rotchien geleerd. Dat is Hebreeuws voor ‘het water kookt’. Dat was een uiterst nuttige mededeling, want zodra hij een ketel water op de elektrische kookplaat had gezet trok Amir zich weer schielijk in zijn kamer terug. Er is menige fluitketel kromgetrokken omdat het water al verdampt was voor hij terugkeerde. Verder leerde ik van hem dat sofie ‘eindelijk’ betekent. Dat was toen ik achter een meisje met die naam aanliep. Dat heeft niet lang geduurd, maar Amir heeft nog vaak gevraagd of er nu eindelijk eens iets van kwam.

Bron: RTV Utrecht

Toen er een kamer vrij kwam kreeg Amir gezelschap van zijn landgenoot Nechemia. Ook deze jongeman droeg een baard. Die was op diverse plaatsen grijzig en kaal. Dat kwam, zo vertelde hij, omdat hij tijdens de Zesdaagse Oorlog in een tank zat, die in brand was gevlogen. We leerden van hem brood met ei bakken, een soort kruising tussen een wentelteefje en een gebakken ei. Dat kwam ook weer uit die Zesdaagse Oorlog. Ik was diep onder de indruk. Ik kwam niet zo vaak mensen tegen die in een oorlog gevochten hadden. Nechemia was een stuk socialer dan zijn landgenoot, hij sprak ook veel beter Nederlands. We keken er daarom niet van op, dat hij al snel binnen de geneeskunde overstapte van het dier op de mens. ‘Ik vind de boer interessanter dan de koe’, was zijn uitleg.
Daarnaast hadden we ook nog Wim, de derde diergeneeskundestudent. Of eigenlijk was hij de eerste. Wim had op zijn kamer een groot aquarium met tal van kleurrijke visjes. Dat weet ik nog door één specifieke gebeurtenis. We woonden op vijftien hoog en toen het op een oktoberavond orkaanachtig stormde bewoog de flat heen en weer. Dat kon je zien aan het schommelende water in het aquarium. Wim sprak nooit over zijn studie. Misschien had hij het ooit geprobeerd en stonden we er niet voor open. Zijn belangrijkste inbreng was, begin jaren zeventig, de introductie van de racefiets. Dat werd een rage en de gangen kwamen vol racefietsen te staan.
Dit alles kwam weer naar boven toen ik deze week op de wc zat en op de scheurkalender Utrecht 900 jaar het nieuws over de faculteit diergeneeskunde las.