Schrijven, Lezen, Leven.
1

DE KRANT

Dagelijks

Iedere ochtend lees ik tijdens het ontbijt ongeveer een half uur Trouw. Dat is meestal voldoende om het nieuwskatern door te nemen. Tijdens de koffie of de lunch lees ik nog de achtergronden in De Verdieping en maak ik een van de puzzels (G. en ik verdelen deze eerlijk). Waar is dat lezen van de krant eigenlijk goed voor, vroeg ik mij laatst af. Wat zou er gebeuren als ik geen dagblad meer zou lezen?
Behalve uit de krant haal ik het nieuws enkele keren per dag van Teletekst, wat ik een goede journalistieke samenvatting vind van wat er in de wereld gebeurt. Ik kijk nog wel eens op nos.nl voor meer nieuws en als ik sta te koken zet ik gewoontegetrouw Radio 1 aan. Het nieuws op tv zie ik nauwelijks.
Zonder krant blijf ik dus ook wel van het belangrijkste nieuws op de hoogte. Sterker nog, een deel van wat ik in de krant lees is mij al bekend. En stel dat ik meer wil weten, dan kan ik het nog altijd ergens opzoeken.

In de editie van Trouw van woensdag 15 september is het artikel over versoepeling van de coronamaatregelen eigenlijk oud nieuws. De discussie over het gebruik van de coronapas interesseert me daarentegen zeker. Het verslag van de Europese spelen voor sociaal kwetsbaren sla ik over. Maar het artikel over de middagkranten die gaan verdwijnen lees ik. De kop Politiek koorddansen over de toekomst van Catalonië maakt me nieuwsgierig. Dat geldt ook voor Poetin: troepen Turkije en VS moeten Syrie uit, een uitspraak die in aanmerking komt voor de gotspe van het jaar. Zo wik en weeg ik bij elke kop: het artikel lezen of doorbladeren. Ik weet niet of er een rechte lijn in zit. Ik lees waarom DSM van zijn kunststofdivisie af wil, maar wat doe ik met die kennis? Ik lees ook wel eens een sensationeel stukje waarbij een stem in mij zegt, dat ik dat moet overslaan. Aan de opiniepagina besteed ik ruim aandacht, zoals ik ook de column van Stevo Akkerman altijd lees. Die van Ephimenco regelmatig, hoewel ik me erger aan zijn standpunten. Nelleke Noordervliet, James Kennedy, Rob de Wijk, Bert Keizer, Hans de Bruijn zijn columnisten van wie ik de stukjes vaak lees, de taalcolumn achterop altijd.

Het gebeurt niet vaak dat iets wat ik gelezen heb me nog lang bezighoudt. Zou ik ’s avonds een test moeten invullen van wat ik die dag in de krant gelezen heb, dan is de vraag wat er is blijven hangen. En als mij iets bijgebleven is, dan is de vraag wat ik met die kennis doe? Dus waarom dan iedere dag uitgebreid de krant lezen? Is het gewoontegedrag? Is het een tijdverdrijf, zodat ik tijdens ontbijt en lunch niet verveeld voor mij uit hoef te staren? Wil ik op een verjaardag kunnen meepraten?
Het zijn vooral de achtergronden, de analyses en de meningen die me in de krant interesseren. En dan vooral de zaken die bij mijn belangstelling en bezigheden aansluiten. Erg enerverend is dat allemaal niet. Maar als de krant een keer niet bezorgd is, begint mijn dag niet goed.

0

EEN SPOOR VAN GEWELD

Dagelijks

Twee jaar geleden zat ik op een terras in een dorp in Umbrië. Aan de tafel naast ons zat een groep oude mannen achter leeggedronken koffiekopjes. Er stopte een Fiat Panda voor het terras, waaruit een corpulente man stapte. Direct ontstond er een twistgesprek met een van de ouderen. Uit de woorden die zij elkaar toeschreeuwden begreep ik dat de een populist was, de ander communist. De dag tevoren had de populist Salvini de verkiezingen in Umbrië gewonnen. De woordenwisseling liep zo op dat ik even bang was, dat de mannen elkaar de hersens zouden inslaan.
Ik moest aan dit voorval denken bij het lezen van M De zoon van de eeuw, een boek van Antonio Scurati over de opkomst van Mussolini en het fascisme in Italië in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het heet een roman omdat het in literaire stijl is geschreven, maar het is geen fictie. Dat soort boeken lees ik graag. Maar toen ik het door mij gereserveerde boek bij de bibliotheek kwam afhalen had ik het bijna daar gelaten. Achthonderdvijftig pagina’s telt het werk. Zo’n aantal zou verboden moeten worden. Eigenlijk ben ik niet zo’n lezer.

Teruggekeerde soldaten

De zoon van de eeuw hield mij echter wel bezig.
Italië had vanaf 1915 aan de zijde van de geallieerden tegen Oostenrijk en Duitsland gevochten. Het slecht uitgeruste Italiaanse leger had daarbij immense verliezen geleden. Gedesillusioneerd en berooid keerden de soldaten terug. Vanwege hun aandeel in de overwinning beloofde de Amerikaanse president Wilson dat delen van de Dalmatische kust (nu Kroatië)aan Italië zouden toevallen. Toen deze belofte niet gestand werd gedaan voelde de overwinning voor veel Italianen als een nederlaag.
Zo niet voor de socialisten, die tegen deelname aan de oorlog waren geweest. Na 1918 waren zij op het toppunt van hun macht. Ze wonnen alle verkiezingen. De invloed van de vakbonden was zo groot, dat vele eisen van de arbeiders ingewilligd konden worden. De socialisten zelf twijfelden of zij de Russische revolutie zouden navolgen of via de legale weg hun macht zouden uitbreiden.

Mussolini spreekt zijn aanhangers toe

Mussolini speelde handig in op de alom aanwezige angst voor een socialistische revolutie. Hij hield niet van het parlementaire werk, hij hield van directe actie. Overal ontstonden fascistische knokploegen, gevuld met gefrustreerde ex-soldaten. Die staken het ene na het andere gebouw van de socialisten in de fik. Lokale leiders van partij en bonden werden gewoonweg vermoord. De knokploegen trokken een spoor van geweld door het land. De staat was te zwak om de aanslagen te keren. Een enkele fascist werd opgepakt, vaker keek het gezag weg of stond men aan de kant van de geweldplegers. De dreiging van nog meer geweld, via de Mars op Rome, bracht Mussolini aan de macht.

Ik kon af en toe niet verder lezen vanwege dat zegevierende geweld en het onrecht dat de socialisten werd aangedaan. Ik zag de aanval van de Trumpaanhangers op het Capitool. Ik hoorde Salvini Mussolini citeren. De literaire non-fictie had zijn werk gedaan. De achthonderd pagina’s beslaan de periode tot 1925. Inmiddels is deel II van Scurati’s trilogie uit, aan deel III wordt gewerkt.

0

FAMILIEHOTEL

Reizen

Uitzicht vanuit mijn hotelkamer

Wie vanuit Crodo, een plaats in de Italiaanse Alpen, de smalle weg met de vele haarspeldbochten omhoogrijdt, ziet na zo’n tien minuten boven zich de imposante gevel van Albergo Belvedere, aan de rand van het bergdorp Mozzio. Het terras voor het hotel en de vele kamers aan de voorzijde geven, zoals de naam al zegt, een prachtig uitzicht over het Valle Antigorio.
Eind augustus logeerde ik hier voor het vierde jaar, als deelnemer aan de zangweek van zangstudio Hester Noyon.

Zicht op Mozzio

In 1925 begon de familie Violetti het hotel. Inmiddels staat de vijfde generatie aan het roer, in de persoon van Marinella, een vrouw van rond de zestig. Zij heeft er tien jaar geleden voor gezorgd, dat het hotel niet samen met de toenmalige clièntele aan een einde is gekomen. Jarenlang kwamen er iedere zomer dezelfde oude gasten. Leunend op een wandelstok of aan de arm van een meegereisde dochter kwamen zij elke avond stipt om half acht naar de eetzaal, waar zij zich aan hun vaste tafeltje, met hun vaste servet en de fles wijn van de vorige dag, lieten verwennen. Elk jaar overleden enkele gasten, plaatsen die niet door andere werden opgevuld, zodat het hotel steeds leger werd.
Marinella heeft toen een andere koers ingezet. Zij bouwde een ruimte voor Spa & Welness. Het hotel werd Resort en sindsdien mag het zich in de grote belangstellling verheugen van vele Milanezen en andere Italianen die enkele dagen komen ontspannen in de zuivere berglucht. Op onze groep Nederlanders na is het een compleet Italiaanse ambiance. Het personeel spreekt alleen Italiaans en de kaart van het dagelijkse viergangenmenu geeft voor mij pas zijn geheimen prijs als ik mijn tanden erinzet. Zo kon het ook gebeuren dat ik eens op de rekening, die aan de hand van mijn paspoort was opgesteld, de aanhef las: Arnold van Dijk, burgemeester van Utrecht.

’s Morgens vroeg schept Marinella gerechten op van het ontbijtbuffet, ’s avonds schenkt zij borrels in aan de bar. Tussendoor loopt zij sloffend en met vermoeide ogen door de zaak, alsof zij de last van de wereld draagt. ‘Slapen doen we in de winter’, zo zegt zij. Haar beide zonen werken mee in de bediening. Een tante van zesenzeventig werkt als ‘kamermeisje’. Tot voor enkele jaren zagen wij een oude oma met stapels handdoeken door de gangen struinen, een oude opa knipte de rozen op het terras. Hij reed ons, zangers, regelmatig met een busje naar de zangstudio aan de andere kant van het dal. Dat deed hij ook toen de familie een nieuwe bus had gekocht, hoewel hij, in de haarspeldbochten omlaag suizend, de bediening niet meer geheel begreep. Toen hebben we om een andere chauffeur gevraagd.
Claudio, de man van Marinella, is dierenarts. Nadat hij overdag zijn arm in de kont van een koe gestoken heeft, helpt ook hij ‘s avonds nog een handje mee. Ze zijn allemaal even aardig.

Dit jaar werden wij, onverantwoordelijke en risicovolle Hollanders, in quarantaine gehouden. Men had de complete ontbijtzaal voor ons leeggeruimd, zodat wij in volstrekte isolatie van de Italiaanse keuken konden genieten. Zelfs dat was prachtig.

0

WAAKZAAMHEID

Herinnering

Vakantieherinnering (8)

 

Onderschrift in mijn foto-album: ‘slabbetje voor: …. eten’

In 1968 was ik voor het eerst met een vriend op vakantie. Met de tent op de bagagedrager waren wij rond het IJsselmeer gefietst. Een jaar later beschikken F. en ik beiden over een brommer, dus verleggen we onze horizon. Wij scheuren een dag lang naar het zuiden en bereiken Florenville, een stadje in het zuidoosten van België. Daar vinden we in een uithoek van de camping een rustig plekje langs de rivier de Semois. Er staat daar nog één andere tent. Al snel blijkt dat deze toebehoort aan vier Nederlandse meisjes van onze leeftijd. F. en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Die avond wisselen we een paar woorden met onze buurmeisjes. Dat blijft ook de volgende dagen zo. Wij houden enige afstand, zij doen hetzelfde. Volgens F. valt het meisje met het donkere krulhaar op mij. Ik geloof het niet, maar ondertussen probeer ik signalen op te vangen. Tevergeefs. Zo leuk is ze nu ook weer niet, bedenk ik.
’s Avonds in onze tent vertellen we elkaar over de meisjes op school, over stiekem zoenen op feestjes en of je wel eens een vrouw naakt hebt gezien. F. zegt dat hij condooms meegenomen heeft. Ik schrik ervan, maar wil het niet laten blijken. Ik weet nog net wat condooms zijn, maar daar houdt het wel mee op.

Na een paar dagen merken wij enige reuring op de camping. Het blijkt dat de avond tevoren een alleenstaande vrouw is lastig gevallen door een onbekende man. Er wordt een beroep gedaan op ieders waakzaamheid. Onze buurmeisjes vertellen dat zij de vorige avond iemand rond de tent hebben horen sluipen. Dat moet de onbekende man geweest zijn.
Die avond liggen we nog lang klaarwakker in onze slaapzak. We spelen het vijfletterspelletje dat later bekend geworden is onder de naam Lingo. Dan knippen we de zaklantaarns uit. Het is een andere nacht dan de vorige. Ik ben gespitst op geluiden. Behalve het zachte gekabbel van het water van de Semois hoor ik niets. Wij hebben in de voortent twee dikke stokken klaargelegd die we als knuppel kunnen gebruiken, mocht het nodig zijn. In het donker voel ik mijn hartslag redelijk snel tikken. Ik ben een beetje bang, maar tegelijk fantaseer ik over een heldenrol. ‘Aanrander gepakt door twee Nederlandse jongens.’ Hoe zou zo’n kop in het Frans luiden?
Dan zegt F. plots dat hij buiten iemand hoort lopen. Hij snelt als eerste zijn slaapzak uit. Met de knuppels in de hand stormen we naar buiten. Daar komen we meteen tot stilstand. We zien niets, we horen niets. ‘Hij is in de bosjes verdwenen’, zegt F. die zijn brommer start om met de koplamp de omgeving te verlichten. De zwart-groene takken hangen onbeweeglijk omlaag. In de tent van onze buurmeisjes gaat een lichtje aan. Ze zullen wel blij zijn, dat wij zo oplettend zijn. Na enkele minuten kruipen we onze tent weer in.
De volgende morgen breken de meisjes op. Over een mogelijke insluiper wordt niet meer gesproken. Wij vertrekken later naar Neckargemünd, in de buurt van Heidelberg.

1

LANGS HET WATER

Reizen

Durgerdam

‘Volgende week ben ik er niet’, zei ik tegen de verkoopster in de bakkerswinkel, waar ik elke maandagmorgen mijn bestelling haal.
‘Gaat u een weekje met vakantie?’
‘We gaan een rondje rond het IJsselmeer fietsen.’
‘Zo! Op de racefiets of met de e-bike?’
Ik moest lachen. ‘We gaan op onze stadsfiets.’
‘Echt? Nou, knap hoor.’
Ik vond het geen reden om me op de borst te slaan.
Aanvankelijk wilde ik met een weekendtas onder de snelbinder op pad en zien hoever we zouden komen. ‘En wat gebeurt er met die weekendtas van jou als er een lekkere zomerse bui valt?’, vroeg G. Ik moest het toegeven: we zouden eigenlijk andere fietsen moeten hebben en goeie spullen. Maar we wilden aan het einde van de week weg.
Dus werd het een luxe arrangement, waarbij we zonder zorgen en zonder bagage konden fietsen en er aan het einde van de dag een heerlijk maal klaarstond en een goed bed. Eigenlijk bestaat er niets mooiers. Elke dag weer naar een nieuwe onbekende plek, met de zekerheid van een luxe dak boven je hoofd.

Volendam

De tocht voert vanuit Huizen door het centrum van Amsterdam en over de dijk langs het IJsselmeer naar Enkhuizen. Daar wacht het bootje naar Stavoren (‘waar wij ons diner verloren’, zong Louis Davids). Met een extra bochtje over Hindelopen naar Lemmer, door de Weerribben en langs Giethoorn, Kampen en Nunspeet terug naar het uitgangspunt. In zes dagen zo’n 375 kilometer.
We trekken door een weidse wereld, van wolken, water en weiden. Verre horizonten en hoge luchten. Smalle paden door frisgroene weilanden, langs met riet bezoomde vaarten waar het water wordt opgestuwd door de wind. We passeren de ene na de andere jachthaven, een woud van masten en touwen boven witte kunststof.
In Friesland en in de kop van Overijssel is het een parade van motorjachten. De gepensioneerde man, schipperspet op het hoofd, zit soeverein achter het hardhouten stuurwiel in zijn skaileren stoel met armleuningen. Zijn bruinverbrande vrouw leest een tijdschrift op het achterdek en wacht op een glimpje van de zon.

Giethoorn

Langs de vaarten trekt een lang lint van fietsers, van velerlei pluimage. Vier dames van in de zeventig op de racefiets, je hoeft er niet van op te kijken. Van bovenaf moet het eruit zien als een optocht van nijvere mieren. Opeenhopingen ontstaan bij bruggen die open staan om de plezierjachten door te laten. Of bij de ruimschoots voorhanden horeca met zijn innovatieve ondernemers. Aanbieding in Elburg: ‘To go – concept: puntzak friet’.
Recreatieparken zijn er ook voldoende. Er worden nog steeds nieuwe bijgebouwd (de oude zijn voor de Polen). Alle parken hebben -staete, -resort of -beach in hun naam. En ondertussen werkt de boer van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor ons dagelijks glaasje melk. Hij maait het land en spuit de gier eronder. Zoek maar een toevlucht in de berm, als hij in zijn reusachtige New Holland komt aangeraasd.
Wij gaan nog eens verzitten op ons zadel en wapperen onze tintelende handen. Het volgende warme winterdekbed en het slechte leeslampje kunnen de pret niet drukken.

0

BURGEMEESTER VAN HET TEAM

Herinnering

Eenmaal in mijn leven heb ik deelgenomen aan een voetbalkamp. Dat was in de zomer van 1967. Ik fietste met mijn elftal naar Baarn, waar midden in het bos een kindervakantiekolonie lag. Die was ooit ontstaan om bleekneusjes uit Amsterdam in de zomer te laten aansterken.
Nu stonden er tussen de bomen zes grote witte tenten voor evenzoveel elftallen. We aten aan lange tafels in een houten kantine. Na afloop leverde je je bord en beker in bij een balie waar twee huisvrouwen in jasschorten het vaatwerk verveeld aannamen. Onszelf wassen deden we buiten bij rijen zinken wasbakken, waar alleen koud water stroomde. Daar was het oppassen geblazen, vooral voor de voetballers van Haarlem en hun grootstedelijke baldadigheden. Ik vond het maar niks dat zij hun handen onder de lopende kraan hielden, zodat het water alle kanten opspoot.

Ik sta op de achterste rij, tweede van rechts

Maar ook in onze eigen tent moest ik opletten. Als de elftalleider er niet was pakten een paar uitgegroeide jongens een van ons stevig vast. Het tegenstribbelende slachtoffer werd vervolgens van zijn broek en onderbroek ontdaan, zodat iedereen kon zien hoe het piemeltje erbij hing. Burgemeester maken, noemden ze dat. Wie niet betrokken was keek nieuwsgierig mee.
Elke dag fietsten we naar het voetbalveld naast paleis Soestdijk om ons te meten met een ander team. Het was het jaar van A whiter shade of pale van Procol Harum. Voor ons was dat een witte scheet op een paal.
Aan het einde van iedere middag was er kampoverleg, waarnaar vanuit elk elftal één speler werd afgevaardigd. Onze elftalleider had mij aangewezen voor die rol. Ik was zeker niet de beste speler of de jongen met de grootste mond. Bovendien was ik behept met een spraakgebrek. Maar als een van de weinige jongens die ‘doorleerde’ – ik zat op het gymnasium – was ik blijkbaar geknipt voor deze functie. In het overleg werden de kampregels besproken – en vooral de handhaving daarvan. Het stond onder leiding van een liefdadige man die wist wat goed voor ons was.
Deze vertegenwoordiging gaf mij binnen het team zoveel ontzag, dat niemand het aangedurfd heeft om mij burgemeester te maken. Ik was het eigenlijk al door mijn deelname aan het kampoverleg. Op de laatste dag ontving ik een erespeld van de KNVB voor mijn bijdrage. Ik hield mijzelf voor dat ik tot erelid was benoemd.

Vaak gebeurd, maar niet tijdens ons toernooi

Voor het begin van het voetbaltoernooi was ons uitgelegd, dat het voetbalveldje ook gebruikt werd als landingsterrein voor de helikopter van Prins Bernhard. Mocht Bernhard een keer onverwachts op deze wijze naar huis komen, dan diende de wedstrijd onderbroken te worden. Wij knikten allen begrijpelijk. Voor een lid van het koningshuis maakte je vanzelfsprekend ruimte. Sterker nog, de waarschuwing dat Bernhard misschien wel eens kon landen veranderde in een steeds sterker wordend verlangen. Tijdens een wedstrijd keek ik voortdurend omhoog naar een stip in de lucht. Ik spitste mijn oren naar een ronkend geluid. Winst of verlies deed er eigenlijk niet meer toe. Als we thuis maar konden vertellen dat de wedstrijd door Bernhards landing was stilgelegd. Maar Bernhard was, en bleef, de hort op.

1

EEN GEVAL VAN OVERBEVOLKING

Dagelijks

Slakken kunnen een afstand van wel honderd meter afleggen, zo lees ik op internet. Er staat niet bij hoeveel tijd zij daarvoor nodig hebben. Wel kom ik te weten, dat slakken hermafrodieten zijn, schepsels met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Een enkele soort kan zichzelf bevruchten, een intrigerend gegeven. Bij de meeste slakken echter is er sprake van ‘gelijk oversteken’, waardoor er wederzijdse bevruchting plaatsvindt. Het lijkt me een prachtige basis voor een gelijkwaardige verhouding. Zou de overlevingskans van de slak in de evolutie zó gering zijn geweest, dat die dubbele geslachtsorganen nodig waren, vraag ik me af. Hoe dan ook, het heeft zijn vruchten afgeworpen.
Het begon ermee, dat de bladeren van de hortensia’s in onze tuin kapot gevreten waren. Daarna kwamen de asters aan de beurt, vervolgens andere planten. Het vreemde was dat we aanvankelijk geen enkele slak zagen. Het zijn sluipmoordenaars. Zij houden zich verscholen onder bladeren en struiken en komen in de avondschemering tevoorschijn. Of als er net een regenbui gevallen is. Dat was het moment dat wij opeens tientallen naaktslakken als holle bolle gijzen in de planten zagen hangen.

Dieren horen erbij, dus als een naaktslak met zijn uitgestoken voelsprietjes zijn slijmerige spoor over de tegels trekt laat ik hem / haar rustig lopen. Ik zou hem nog een andere kant opsturen als hij de weg over wil steken. Maar op dezelfde wijze heb ik de zorg voor de planten. Niet ingrijpen was daarom geen keuze, dus begon ik op een avond slakken te verzamelen. Het moet gezegd, dat het me aanvankelijk moeite kostte om die koudbloedige beestjes met mijn blote handen los te trekken van de planten. Ik dacht aan de generaties voor mij en hun omgang met de elementen en sprak mezelf toe.
Mieren en muggen maak ik dood, maar hoe groter het diertje hoe meer ik mij afvraag of ik daartoe wel gerechtigd ben. Dus bracht ik die eerste avond de grote verzameling slakken naar een stuk gras buiten onze tuin. Na de volgende regenbui zat de tuin ( ± 50 vierkante meter) weer vol en las ik het stuk, waarmee ik deze blog begon.

Dit exemplaar had zich vrijwillig binnen gemeld

Het internet staat vol met adviezen over het weren van slakken uit je tuin. Van het ingraven van potjes bier, tot het strooien van eierschalen, van koperen tape tot de onvermijdelijke gifkorrels. Lijsters peuteren slakken uit hun huisje voor een culinair maal, maar die vogels zien we te weinig. Hoe je in geval van overbevolking de weekdiertjes moet verwijderen (lees: dood maken), heb ik nergens gevonden.
Zwemmen kunnen de op land levende slakken niet, dus de vaart achter onze tuin was een aantrekkelijke optie, al voelde ik me niet goed toen ik zag hoe sommigen zich met hun slijm krampachtig vasthielden aan de schep waarop zij lagen. Of verbeeldde ik me dat maar? Eenmaal in het water zakten zij snel naar de bodem en verdwenen zij uit mijn zicht. Alleen de slakken met een huisje bleven nog even drijven, totdat hun onderkomen volgelopen was en de onvermijdelijke gang naar beneden volgde. Zo stierven de afgelopen twee weken meer dan vijfhonderd slakken de verdrinkingsdood.

1

ONRUSTIG GEMEKKER

Herinnering

Vakantieherinnering (7)

De schapenmarkt in Brecon

Pas lang na de vakantie werd duidelijk wat de oorzaak was van het malheur. Toen ik nog eens de gebruiksaanwijzing van onze pyramidetent doorlas ontdekte ik dat we al acht jaar lang het grondzeil op een verkeerde manier hadden vastgezet.
Wij zijn in 1997 op vakantie in Wales. Dit is schapenland. Tijdens onze wandelingen staren de beesten ons waakzaam aan. Er is er altijd wel een die zijn darmen leegt, een rozenkrans van glimmende keuteltjes achterlatend. Of we horen hun geblaat achter de heggen. In Brecon is een schapenmarkt. In de lucht zien we schapenwolken.

Op de camping wemelt het van de kinderen. Onze zoons van tien en twaalf leren de eerste beginselen van cricket. Voortdurend klinkt het ‘Stay!’. Ze zingen een of ander verbasterd Engels lied, wat klinkt als: ‘I saw with my eyes in my underwear’, waarop zij zelf het vervolg bedenken: ‘And I just saw my balls weren’t there.’ We eten een curry in een plaatselijke pub, waar volkse mannen na het plassen nog bezig zijn hun gulp dicht te knopen als ze terugkomen in de gelagkamer. En waar zij met een boer de zaak weer verlaten.
Tijdens regenachtige dagen leren we de kinderen klaverjassen. Op hun beurt leren zij het weer aan campingvriendjes, waarna er een klaverjasgolf door de tenten trekt.

Halverwege de vakantie verplaatsen we ons naar het noorden.
Wij kamperen daar aan de voet van de Snowdon, met 1085 meter het hoogste punt van Wales. Die moeten we natuurlijk bedwingen. De eerste uitdaging is echter het opzetten van de tent. Het waait zo hard, dat we zelfs met zijn vieren nauwelijks in staat zijn om het klapperende doek in bedwang te houden, terwijl we ondertussen alle spullen moeten beschermen tegen de slagregens. Het had een voorteken moeten zijn.
We horen dat de camping bij Brecon de dag na ons vertrek ’s morgens vroeg is overlopen door een kudde schapen. De beesten liepen tot in het toiletgebouw, overal hun keutels achterlatend. We hebben geluk gehad, denken we op dat moment.
De Snowdon bewaren we tot het einde van de week, we trainen eerst onze spieren op wat lagere hellingen. Tijdens een uitje naar het strand helpen wij, gekleed in regenpakken, de kinderen in hun zwembroek en we lopen verdwaasd over de boulevard van Rhyll, waar veel te dikke, bleke Engelsen langs amusementshallen en kermisattracties sjouwen, gevolgd door snoepende kinderen in voetbalshirts en adidasbroeken.
Op maandagochtend 4 augustus neemt het gemekker van de schapen rondom de camping onrustbarende vormen aan. Er steekt een nieuwe storm op. Harde windvlagen gieren door de opbollende tent. De wind golft onder het grondzeil door. Dan opeens waait één zijde van de tent de lucht in. Het kooktoestelletje valt om, kleren worden weggeblazen. Alle tien de scheerlijntjes aan die zijde zijn gebroken. In de bulderende storm knopen we de lijntjes weer provisorisch vast. Het grondzeil aan de windzijde verzwaren we met kratten. In het crisisberaad dat volgt is de conclusie duidelijk. We pakken alles in voor een paar dagen London. De Snowdon bleek een berg te ver.

 

 

1

ZERO TOLERANCE

Herinnering

Vakantieherinnering (6)

Een hoge piep kondigt de sluiting van de deuren aan. De metro komt snel op gang. Twee rijen reizigers tegenover elkaar, de tas op schoot, handen op de tas. Gelijktijdig schudden we heen en weer bij een wissel. Ik tuur schuin omhoog naar de routekaart, zodat ik niet hoef te kijken naar de grote, donkere man, die tegenover mij zit. Hij ziet er in zijn vuile broek en versleten jasje onverzorgd uit. De donkergrijze haren staan alle kanten op. Zijn starre blik is op de vloer gericht. Hij praat in zichzelf, het zijn steeds dezelfde twee woorden, waarmee hij het suizende lawaai van de metro doorbreekt. Onze jongste zoon kan zijn ogen niet van de man afhouden. Als wij uitgestapt zijn, zijn we het niet over eens wat de donkere man riep: ‘three stops’ of ‘free stuff’.

New York was de eerste verblijfplaats op onze reis door de Verenigde Staten, voor onze zoons van veertien en zestien het land dat wij hen al enige jaren daarvoor hadden beloofd. We sliepen in een niet te duur hotel in het hartje van Manhattan, om de hoek bij Times Square. Bij aankomst had een piccolo direct onze rugzakken op een bagagetrolley met koperen stangen geplaatst. Het zag er vreemd uit, de doe-het-zelfbagage op een blinkende wagen in een luxe ambiance van art deco.
Vanuit hotel Edison struinden we drie dagen door de stad, onze hoofden voortdurend in de nek om ons te vergapen aan de hoogbouw. Alles is er hoger en groter dan elders (ook de psychiatrische inrichtingen en de gevangenissen, zo luidde de pointe van een mop uit mijn jeugd). Het Liberty Statue, symbool van de vrijheid, Times Square, symbool van de marketing, de alomtegenwoordige beurskoersen, symbool van de speculatie, McDonalds, symbool van fastfood en wegwerpmaatschappij.
Toen we nog maar net de drempel van een koffiezaak over waren, riep een jongeman vanachter het buffet: ‘Yes, please, can I help you, I love to help you, sure I do, I am quick!’ Ik bestelde ‘two small coffee’, waarna hij direct naar achteren riep: ‘two tall coffee!’. Ik corrigeerde dat ik toch echt ‘small coffees’ had besteld, waarop hij uitlegde dat er drie maten waren: Tall, Grand, Giant.
We bezochten de musical Chicago, aan het einde waarvan de twee hoofdrolspeelsters voor een glittergordijn met sterren the American way of living uitdroegen: you can live the life you like, isn’t it grand, isn’t it great, oh it’s heaven nowadays.

De metro brengt ons naar het station WTC, het World Trade Centre. Om bovengronds te komen passeren we eerst een luxueus winkelcentrum, hoge glazen puien, veel licht, veel marmer. Mode, horloges, parfum en whisky. Buiten steken de verticale lijnen van de Twin Towers de oneindigheid in. Op een marmeren plein ligt een grote fontein met een goudkleurig kunstwerk. Een van onze zoons voelt met zijn handen in het water. Hij wordt direct vermaand door een beveiliger. Het is hier Zero Tolerance. Alles is onder controle. Het is dinsdag 10 juli 2001.

0

DE LANDWACHT

Dagelijks

Oefening van de Landwacht – Foto collectie Niod

In de Tweede Wereldoorlog zijn door het verzet meer dan vijfhonderd aanslagen gepleegd op NSB’ers, collaborateurs, Nederlandse SS’ers en Duitsers. Dat schrijven Kooistra en Oosthoek in hun boek Recht op Wraak. De 91-jarige Kooistra, ook wel de Friese Wiesenthal genoemd, liet mij via de mail weten dat hij geen enkel geval kende van een NSB’er die niet door het verzet, maar door eigen mensen uit de weg is geruimd. Dat is echter precies de verdenking in het geval van de liquidatie van de Vleutense NSB’er Van der Grift in 1944. Ten behoeve van de historische vereniging Vleuten – de Meern doe ik onderzoek naar deze aanslag. Vorige week beschreef ik hier mijn speurtocht naar de mogelijke betrokkenheid van de Rotterdamse NSB’er Y. Een zoektocht die vooralsnog als enige aanwijzing opleverde dat Y. lid was geweest van de beruchte Landwacht.

De Landwacht was door NSB-leider Mussert opgezet om bescherming te bieden aan NSB-leden. Vanaf najaar 1944 werd de organisatie ingezet voor het opsporen en arresteren van tegenstanders, onderduikers en illegalen. ‘De Duitsers konden het niet alleen’, schrijft historicus Ad van Liempt. Bij de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei hebben nooit meer dan zevenhonderd functionarissen gewerkt. De aanstelling van 20.000 Landwachters betekende daarom een forse uitbreiding van de opsporingsmogelijkheden. Op deze betaalde banen kwamen nogal wat werkloze rauwdouwers en gefrustreerde vechtersbazen af. In hun opsporingswerk gebruikten de Landwachters veel geweld, vaak onder invloed van alcohol. Zo werd de leider van het verzet in Zuid-West Utrecht na zijn arrestatie in de Meern mishandeld door een LW’er die eerst een fles jenever had leeggedronken. De verzetsman werd na overdracht aan de Sicherheitsdienst niet veel later gefusilleerd.

Een liquidatie – Foto collectie Niod

Op zondagmorgen 1 oktober 1944 ontvangt de groepsleider van de NSB in Vleuten een aantal Landwachters. Hij heeft werk voor hun. Op de achterkant van een oude envelop van een verzekeringsmaatschappij heeft hij de namen geschreven van zwarthandelaren, verzetsmensen, onderduikers en ‘communisten’. De eerste razzia van de Landwachters levert weinig op. Veel verdachten zijn niet thuis. Het lijkt erop, dat zij gewaarschuwd zijn. Volgens Kooistra heeft Van der Grift, die gekenmerkt wordt als ‘goede NSB’er’, hierin een rol gespeeld.
Op 9 oktober wordt Van der Grift geliquideerd. Deze aanslag is aanleiding voor de Landwacht om enkele Vleutense verzetsmensen op te pakken. Twee dagen later worden zij door de Duitsers terechtgesteld.

Kortom, de Landwacht en de NSB hadden meer baat bij de liquidatie van Van der Grift dan het Vleutens verzet:
– Van der Grift hinderde hen in het opsporen van onderduikers en verzetsmensen;
– Een liquidatie van een NSB’er zou hen vrij spel geven om verzetslieden op te pakken.
En wie weet was Van der Grift een gevaar geworden, omdat hij na een beëindiging van de oorlog belastende informatie over collaborateurs zou kunnen doorgeven. De vrouw van Van der Grift was ervan overtuigd dat de NSB betrokken was bij de moord op haar man.
Rest de vraag, wie de trekker heeft overgehaald. Wellicht heeft de Landwacht voor het uitvoeren van de aanslag een collega uit Rotterdam ingeschakeld. Of een van de Landwachters heeft als schuilnaam de naam van Y. heeft gebruikt. Bewijzen zijn er niet en waarschijnlijk zullen die er ook niet meer komen.