Schrijven, Lezen, Leven.
0

VRIJ ALS EEN VOGEL

Herinnering

De Safety

Op een mooie dag in 1891 stapt de twintigjarige Rinus van Rooijen, de broer van mijn oma, in Montfoort op een boerenwagen. Hij kan meerijden naar Utrecht. Op het Vreeburg stapt hij af en vindt al snel de winkel die hij zoekt.
Rinus was de zoon van wagenmaker Hein van Rooijen. Na de lagere school was hij bij zijn vader in het bedrijf gekomen. Hij leerde snel. Kaasbrikken, boerensjezen, hooiwagens, mallejannen: op zijn achttiende kon hij elke wagen maken. Zijn vader was trots en noemde hem een volleerd wagenmaker. Maar Rinus had een bredere belangstelling. Hij had een tekencursus gevolgd en was bezig Duits en Frans te leren. Hij wilde meegaan met zijn tijd. Dus hij volgde met veel belangstelling het nieuws over de safety. Dit nieuwe rijwiel, in 1885 in Engeland ontwikkeld, was uitgevoerd met een ketting die het achterwiel aandreef. De wielen van deze fiets waren even groot. In 1888 kwam de volgende innovatie. John Dunlop bedacht de luchtbanden. De productie van deze rijwielen nam nu een grote vlucht en al snel waren zij ook in Nederland te koop. Rinus wist in welke winkel hij in Utrecht moest zijn.
Als de winkelbaas hem het rijwiel laat zien, begint Rinus te gloeien van opwinding. Hij twijfelt geen ogenblik. Dit is wat hij zoekt.
‘Heeft u wel eens op zo’n rijwiel gereden?’, vraagt de baas.
‘Nee, nog nooit’, antwoordt Rinus eerlijk.
‘Dan zal ik u helpen.’

Christien en Rinus

Even later zwabbert Rinus buiten tussen de voetgangers, paard-en-wagens en handelaren met handkarren, die zonder regels door elkaar heenlopen. Als hij de bel van de tram hoort stuurt hij snel naar de kant. Hij is een sportieve vent. Het fietsen krijgt hij op het Vreeburg snel onder de knie. Zijn eerste tocht naar Montfoort kan beginnen.
Met de fiets gaat er een wereld voor hem open. De boot Montfoort – Utrecht doet er vier uur over. Op de fiets legt hij de vijftien kilometer in een uurtje af. Woerden is in een half uur te bereiken in plaats van twee uur lopen.
Zijn vader vindt het maar niks. In Montfoort heb je zo’n ding toch niet nodig. Niemand anders heeft een rijwiel. Het is alleen maar voor het genot, zonde om daaraan je centen uit te geven. Maar Rinus voelt zich nu zo vrij als een vogel, hij kan zijn eigen gang gaan. Dus gaat hij op zondagmiddag niet meer naar het plechtig lof, maar naar een café in Utrecht om te biljarten. Als op een middag de ballen gunstig voor hem rollen, begint hij met zijn fraaie bariton een Frans lied te zingen. De dochter van de cafébaas hoort hem vol bewondering aan. Enkele weken later is de verkering een feit.
Het is precies wat zijn vader had gevreesd. ‘Zo’n kakmadaam uit de stad, ’t is schaand.’ In 1896 trouwen Rinus en Christien met elkaar. Zij beginnen samen het Grand Hotel Rustoord. Voor zo lang als het duurt, want eigenlijk wil Rinus portretschilder worden. Gelukkig voor Hein heeft hij nog een tweede zoon, Kees, met wie hij de wagenmakerij zal uitbouwen tot een carrosseriefabriek.
Mijn tweede boek over de geschiedenis van mijn familie is in de maak.

0

ZAADLOZING

Herinnering

De biechtstoel

Ach, wat leef ik met terugwerkende kracht toch mee met de katholieke jongemannen die in de eerste helft van de vorige eeuw volwassen werden. Ze moesten slapen met de handen boven de dekens, ook als de seksuele opwinding door hun lijf gierde. Ik lees hierover in verband met een volgend boek dat ik bezig ben te schrijven.
Volgens de katholieke kerk was elke seksuele activiteit voor ongehuwden uit den boze. Masturbatie was een doodzonde. Wie daarover geen schuld bekende in de biechtstoel kwam in het eeuwig brandende vuur van de hel terecht. Dus jongens die zich niet hadden kunnen beheersen dienden onverwijld hun zonde op te biechten.
Wat moeten zich in de hoofden van die jongens ongelooflijke conflicten hebben afgespeeld, vooral in die van de gevoelige en consciëntieuze types. Er kon niet over gesproken worden, er bestond geen seksuele voorlichting. ‘Zorg vooral voor een maximum aan wils- en gewetensvorming. Dat is beter dan de beste voorlichting’, zo schreven de paters van de Heilige Harten in 1934 in het tijdschrift Huwelijk en Huisgezin. Zij konden het weten. Leer uw kinderen zelfbeheersing en doordring hen ervan dat zij zelf de schuld dragen, als die beheersing mislukt.

Begin jaren zestig was de situatie maar weinig verbeterd. Toen ik in de laatste klas van de lagere school zat, kregen de jongens, alleen zij, een speciaal gesprek met de kapelaan. Het was ergens buiten school, het kwam mij vreemd over. Van alles wat hij gezegd heeft kan ik me een paar zinnen herinneren. Die heb ik wel donders goed onthouden. Ik vond het een merkwaardig en onsmakelijk verhaal. Het paste niet bij de kapelaan die ik kende.
Hij vertelde ons, dat elke jongen die opgroeit op een gegeven moment een zaadlozing krijgt. Ik kende dat woord niet. Er zou dan een beetje vocht uit mijn plassertje komen. Daarover hoefden we ons geen zorgen te maken, zei de kapelaan. Het had iets te maken met een goed huwelijk en kinderen verwekken, begreep ik, maar hoe de vork in de steel stak kwam niet aan de orde. Het verhaal over de zonde en de hel bleef achterwege. De zaadlozing zou ons overkomen, dus dat wij er zelf de hand in konden hebben, bleef ook onvermeld.

Omdat ik verder van vriendjes niets wijzer was geworden, werd ik een paar jaar later compleet overvallen door een heftige spiersamentrekking in mijn onderbuik. Ik lag op mijn buik in bed wat heen en weer te rollen, toen het gebeurde. Mijn eerste associatie was pijn, maar die waarneming moest ik ogenblikkelijk bijstellen. Dit was best lekker, al voelde ik al snel nattigheid. Ik stapte mijn bed uit, schakelde de lamp aan en bestudeerde als verbaasde, jonge onderzoeker wat er gebeurd was. Pas toen ik weer in bed lag herinnerde ik mij de woorden van de kapelaan.
Juist in die jaren kwam er een einde aan de biechtpraktijken. Voor mij verdween daarmee de hel uit mijn leven, maar de schuldgevoelens over zelf opgewekte lusten bleken behoorlijk hardnekkig. Voor de generatie van mijn vader kwam die bevrijding te laat. Velen van hen raakten op latere leeftijd in de problemen door het strenge regiem uit hun jeugd.

1

GOEDE VRIJDAG

Herinnering

Op donderdag koopt G. een paasstol. Als zij op vrijdag het brood wil aansnijden, bedank ik voor een snee. ‘Dat is toch voor Pasen’, antwoord ik, ‘het is vandaag Goede Vrijdag!’ Ziehier het verschil tussen een beperkt hervormde en een volledig verzorgde rooms-katholieke opvoeding.

Ooit liet ik op Goede Vrijdag mij van mijn beste kant zien. Vond ik zelf. Ik hielp de hele ochtend mijn moeder met haar huishoudelijke werk. Dit was de dag waarop Jezus gekruisigd was. Ik vond het gemeen dat hij was opgehangen terwijl hij onschuldig was. Het gebeurde omdat het eerder zo was opgeschreven door de profeet, dat vond ik wel vreemd. Hoe dan ook, Jezus was voor ons gestorven. Die spijkers door de handen en voeten, dat leek mij het ergste. Daarom wilde ik iets doen wat ik niet leuk vond en dus hielp ik met het opmaken van de bedden en het boenen van de meubels en het zeil. Iets wat ik anders nooit deed. Mij bewust van de ernst van deze dag had ik het kruisbeeldje uit mijn slaapkamer gehaald. Ik nam dit overal met mij mee, waar ik die dag ook was.
Op paaszaterdag fietste ik samen met mijn broer naar de kerk. Daar stond in het portaal een houten ton gewijd water. Iedere parochiaan kon daaruit zijn voorraad wijwater aanvullen. In veel katholieke huizen hingen op slaapkamers kruisbeelden met wijwatervaatjes. Zo kon je je aan het begin van de dag beschermen tegen onheil en de verlokkingen van de duivel. Het wijwater werd tevens gebruikt om het huis te behoeden tijdens onweer. Ik had nooit gezien dat er bij ons wijwater werd gebruikt, maar een huis zonder wijwater dat was de goden verzoeken.
Om twaalf uur luidden de kerkklokken het einde van de vastentijd in. Dat klonk heel feestelijk. Veertig dagen lang hadden wij het zonder koekje bij de thee moeten doen. De snoepjes hadden we gespaard in een vastentrommeltje. Zo jong als ik was, was ik al aardig getraind in het uitstellen van behoeftebevrediging. Af en toe keek ik verlekkerd in mijn trommeltje, trots op mijn voorraad en op mijn uithoudingsvermogen. Ik begon er op zaterdag nog niet aan. De volgende dag zou het pas echt feest zijn.

Op zaterdagavond mocht ik mee naar de nachtmis. Ik vond het geweldig dat ik zo laat mocht opblijven. Het hoogtepunt voor mij lag al direct aan het begin. Dan werden alle lichten gedoofd. In het spannende donker hoorde je achter in de kerk wat gerommel. Nadat de paaskaars was aangestoken werd deze in een processie van priesters en misdienaars naar voren gedragen: Lumen Christi, Deo Gratias. Ik rekte mijn nek uit om iets te kunnen zien. Een mis met drie heren, de zegeningen met wijwater en met wierook, alles droeg bij aan een plechtige, feestelijke sfeer. Ik voelde mij onderdeel van een groter geheel.

We hebben onze paasstol uiteindelijk op zaterdag aangebroken. G. had ondertussen nog een ontdekking gedaan. In agenda’s staat Goede Vrijdag in het rijtje van Nationale Feestdagen.

2

ANGST VOOR GEVAREN

Dagelijks

Hoe ouder ik word, hoe meer gevaren ik zie, hoe minder risico ik neem. Alsof ik een wandelende FOBO-commissie ben (Fouten, Ongelukken, Bijna Ongelukken) die constant aanbevelingen doet voor veilige gedragingen.
Ik doe van alles om risico’s te verkleinen. Voordat ik de deur uitga controleer ik of ik mijn portemonnee, sleutels, en mijn telefoon bij mij heb. Als ik op een tweebaansweg ook maar een stipje van een tegenligger zie, haal ik niet in. Ik ga niet als eerste schaatser onder een bruggetje door. Ik eet geen zwartverbrande korsten en rook geen sigaretten. Ik probeer elke dag een half uur te bewegen. Zo hoop ik nog even verder te leven en een slopend ziekbed te voorkomen. En zo lijkt het alsof ik mijn leven in eigen hand heb.

Maar niets is minder waar.
Als jong kind liep ik na het uitgaan van de school vol enthousiasme bijna onder een auto. Later maakte ik in de bergen hachelijke situaties mee. In 1978 daalde ik in de Franse Alpen de Col d’Allos af. Het was stralend weer, de weg was schoon en zeer bochtig. Op mijn zwaar beladen racefiets ging ik al snel meer dan zestig kilometer per uur. De omgeving was adembenemend mooi. Hier moet ik van genieten, dacht ik. Ik richtte me op en keek een ogenblik naar de bergen. In een flits zag ik in een bocht een donkergrijze rotswand opdoemen. Nog juist op tijd kon ik mijn stuur bijdraaien. Een fietshelm droeg ik in die jaren niet.
Wat leerde ik van deze situaties? Het is een cliché: toen ik jong was zag ik de gevaren niet. Of ik was zo eigenwijs om te denken, dat het ongeluk mij niet zou treffen. Daarin werd ik ook nog eens bevestigd. Ik verloor mijn portemonnee, omdat er een flink gat in mijn kontzak zat. Nadat ik ‘em via een eerlijke vinder teruggekregen had bleef ik onbezorgd de broek dragen. Zodat ik de portemonnee niet veel later voor de tweede keer kwijt was. En opnieuw kreeg ik ‘em met inhoud terug.

Zou ik nu in zo’n situatie belanden, dan zou ik flink in mijn remmen knijpen of onmiddellijk een andere broek aantrekken. Hoe dichter ik bij het einde kom, hoe bezorgder ik word. Dat is een aardige paradox. Want als je jong bent, heb je een heel leven te verliezen. Als je oud bent gaat het om een gering aantal jaren. Wie vijfduizend euro bij zich heeft moet voorzichtiger over straat dan wie vijftig eurocent op zak heeft. En toch loop ik met mijn vijftig eurocent alsof ik die elk moment kan verliezen. De crux is natuurlijk dat de kans dat ik op latere leeftijd die vijftig eurocent verlies veel groter is dan dat het verliezen van vijfduizend euro op jonge leeftijd.
Honderd jaar geleden was sterven op je 68e doodnormaal. Toen ik geboren werd was de levensverwachting voor de man zeventig jaar, nu is dat tachtig. Ik ben heel tevreden, dat ik zo’n bofkont ben, maar stiekem hoop ik op meer.

1

DIGITALE SAMENZANG

Muziek

Zoom sessie Vocal Group Timelez

Het is nog niet zo heel lang geleden dat er alom geklaagd werd over jongeren die de hele dag achter een scherm doorbrengen. Nu zit een groot deel van Nederland dagelijks uren naar een laptop of tablet te staren. Werken, lessen volgen, overleggen, de schouwburg bezoeken, sporten, winkelen, samen eten, familiebezoek, voor bijna alles is er een digitale vorm. Het is eigenlijk een wonder hoe al die bytes bijna ongestoord door Nederland schieten.
Het was dan ook begrijpelijk dat de meer dan één miljoen koorzangers in Nederland zochten naar digitale alternatieven voor hun koorrepetities. Zoom blijkt niet erg geschikt. De vertraging op de lijn zorgt voor verwarring. Veel koren laten zich echter niet tegenhouden en houden repetities per stemgroep waarbij de zangers kunnen meezingen met een begeleidende dirigent. Zij horen dan alleen hun eigen stem. Andere zijn zo inventief om individueel ingezongen opnamen tot één samenzingend koor te combineren, wat niet alleen een goed maatgevoel van de zangers vraagt, maar vooral veel technisch vernuft.

Jamulus dashboard

Het wachten was op een programma dat digitaal samenzingen zonder vertraging mogelijk zou maken. Dat is het programma Jamulus. Dit stelt wat hogere eisen dan Zoom. Zo moet je een kabelverbinding hebben met Internet, geen wifi. Daarnaast kan je het beste gebruik maken van een koptelefoon inclusief microfoon die je direct met de computer verbindt.
Mij stond het eigen maken van zo’n programma geweldig tegen, maar ik ben in de gelukkige omstandigheid, dat G. zich voor haar koor in Jamulus heeft verdiept en zo voor mij het bedje heeft gespreid. Op die manier kon ik mij zonder watervrees aanmelden voor een digitale koorworkshop van de Stichting Huismuziek en zat ik op zaterdagmiddag om drie uur klaar met Jamulus op de desktop en daarnaast Zoom op de laptop. Voor wie niet gezegend is met twee apparaten: je kunt de programma’s ook combineren op één scherm. Ik zat daar weliswaar trots en quasi-professioneel achter twee schermen te schakelen, maar had tegelijkertijd het idee dat mijn grens qua digitale vernieuwing zo ongeveer bereikt is.

Deze zangeres komt niet in dit verhaal voor

Het eerste half uur was nodig voor een goede soundcheck. Dat loste enkele nare bromgeluiden op, maar verhinderde niet dat ik van sommige zangers het idee had dat zij ergens buiten voor de voordeur stonden te prevelen. Desondanks voelde het geweldig en wonderlijk om zo samen te zingen.Wat ik niet verwacht had: ook hier overheersten de grijze koppen.
Bijzonder is dat je via Zoom jezelf ziet zingen. Dat kan heel educatief zijn (hoofd in rust, mond ontspannen houden). Je kunt overigens gerust in je blote kont de repetitie bijwonen, voor wie dit altijd al gewild heeft. Dan moet je wel de camera goed instellen. Bij sommigen zag ik vooral het prachtige plafond, bij anderen kon ik via het raam naar de buren gluren.
Het Jamulus-scherm bestaat uit een mengpaneel met schuifknoppen, waardoor het geluid van iedere zanger harder of zachter gemaakt kan worden. Zo heb je bij een digitaal koor het grote voordeel dat je die brommende bas of die schelle sopraan buiten de deur kan zetten. In deze workshop solliciteerden enkele alten daarnaar. Hoe goed de techniek ook werkt, het gezamenlijke resultaat blijft afhankelijk van de individuele kwaliteiten.

Kijk op www.huismuziek.nl voor het Jamulus-aanbod voor zangers.

1

VERKIEZINGSFEEST

In het nieuws

De kandidatenlijst kwam deze week binnen. Een vel van een meter breed. Ik heb een loep nodig om de namen te kunnen lezen. De peilingen, stemwijzers en debatten stromen via elke verbinding met de buitenwereld overvloedig onze huiskamer binnen. We weten nu dat Sigrid dure jurken draagt, dat Lilianne de dochter van de melkboer is en dat Wopke van schaatsen houdt. En dat iedereen samen sterker vooruit wil voor een betere toekomst. Kortom, het feest van de democratie is begonnen. Er wordt flink gedanst, maar ik heb nog weinig zin om mee te doen. Er heeft nog niemand bij mij aangebeld om een roos aan te bieden. Of een theezakje.

Al die aandacht in de media voor de verschillende keuzes, dat is toch waar het in een democratie om gaat? Dat is toch iets om blij van te worden?
Jazeker, maar nu? De democratie kraakt en piept. De persoon van de politicus is belangrijker dan zijn standpunt. De wetgeving en de uitvoering zijn complex geworden. Het vertrouwen in de overheid daalt zienderogen.
Wat mijn stemming nog meer verpest is dat de man die verantwoordelijk is voor wat er de laatste tien jaar is misgegaan in Nederland nu in de peilingen op eenzame hoogte staat. De natuur laten verpieteren, de multinationals die belasting willen ontwijken faciliteren en de eigen belastingbetaler hard aanpakken, het onderwijs en de zorg door de efficiency-mangel halen, vluchtelingen de deur wijzen, van de wmo en de jeugdzorg een chaos maken. Moet ik nog verder gaan? Hij is zelf afgetreden vanwege falend beleid. In een goed functionerende democratie moet dat consequenties hebben. Dat het niet gebeurt is een veeg teken.

En dan te bedenken dat de grootste concurrent van de VVD geen democratische partij is maar een populist die ongeremd mag discrimineren. Het is de wil van het volk, zegt hij. Hij bedoelt daarmee dat het hem stemmen oplevert. Een bulldog die automatisch begint te blaffen als je er een Marokkaans muntje in stopt, steeds feller en steeds harder, eindigend in een scheldkannonade. Een politicus die het dragen van verantwoordelijkheid makkelijk uit de weg kan gaan omdat hij weet dat hij vanuit de oppositie genoeg invloed heeft. Eén blik op het vluchtelingenbeleid zegt wat dat betreft voldoende.
Ik heb mijn leven lang links gestemd. Die partijen liggen nu amechtig hijgend in de hoek van de ring. Ik kan kiezen tussen partijen die vanwege hun principes weggelopen zijn van de vorige onderhandelingstafel en partijen die hun verantwoordelijkheid genomen hebben door compromissen te sluiten, maar daarbij op ongenadige wijze zijn ingepakt door de politici met de gemakkelijke boodschap. Of denk ik te veel in de oude termen links en rechts en hebben de mensen gelijk die zeggen dat we met zijn allen naar links gaan? Dat Nederland een diep-socialistisch land is? Ik ben er niet gerust op. Woensdag zal ik met mijn biljet (en mijn bril ) op pad gaan. Dan is het feest. Ik hoor de muziek van de uitslagenavond al klinken. Er speelt een dixielandorkestje en er kan gedanst worden.

1

VAN MERWIJK

In het nieuws

Een aantal jaar geleden was ik bij een voorstelling van cabaretier Jeroen van Merwijk. Als hij geen liedje zong, zat hij te tekenen op het toneel. Hij sprak die keer over taal en het aanleren van taal en wilde de naam noemen van een beroemde Amerikaanse taalgeleerde. Wat niet iedereen weet is dat hij stotterde in zijn jeugd en dat dat nooit helemaal gesleten was. Het tekenen op het podium maakte hem rustig. En als hij een blokkade niet kon vermijden gebruikte hij een truc.
‘Die Amerikaanse taalgeleerde, hoe heet die ook al weer?’, vroeg hij aan het publiek.
‘Noam Chomsky’, zei ik vanaf mijn plaats halverwege de zaal. Ik zei het halfzacht en niet voor iedereen hoorbaar. Maar Jeroen had het gehoord.
‘Ja, ja’, veerde hij op, ‘die was het, zeg het nog eens’, en hij keek hoopvol de donkere zaal in. Toen ik de naam hardop voor iedereen moest herhalen, voelde ook ik dat ik zou blokkeren en hield ik maar mijn mond. Ook Jeroen herhaalde de naam niet. Na afloop ben ik naar hem toegestapt om het verhaal te vertellen. Hij glimlachte flauwtjes.

Jeroen van Merwijk, deze week overleden, was een cabaretier die fantastische grappen kon maken, een meester in mooie woordspelingen en wrange observaties. Hij is nooit naar het grote publiek doorgebroken. Hij speelde in de kleine zalen en die boekten hem na een aantal jaren ook niet meer. Hij was een compromisloze cabaretier die vond dat hij dingen moest zeggen, die de mensen liever niet wilden horen. Daardoor is lang onopgemerkt gebleven dat hij ijzersterke liedjes schreef. Teksten waarmee anderen wel succes behaalden, zoals Karin Bloemen (Apartheid es ien skone saeck). Naast tekstschrijver was Van Merwijk ook schilder.
De afgelopen zomer deed Van Merwijk zijn beklag in de Volkskrant. Hij had een jaar lang op zijn Facebookpagina een tekst op rijm geschreven over actuele gebeurtenissen. ‘Ik denk niet dat er in Nederland iemand rondloopt die dat kan. Maar er is niet veel waardering voor. Het ligt er puur aan dat ik niet zichtbaar ben op radio en tv, dan besta je niet.’ Hij voelde zich door ‘die verdomde marktwerking’ voorbijgelopen door ‘mensen die niet goed genoeg zijn om je schoenveters vast te maken.’
De aanleiding voor het interview was dat hij een onbehandelbare vorm van darmkanker had en dat hij niet lang meer zou leven. Hij zei ervan overtuigd te zijn, dat hij kanker had gekregen van de frustratie. Het stuk in de Volkskrant maakte een stroom van publiciteit los. Een interview in Trouw, een documentaire op televisie. Er kwam een cd waarop dertig cabaretiers zijn liedjes vertolkten en last but not least ontving hij de Edison Oeuvreprijs Kleinkunst, een onderscheiding die sinds 2014 niet meer was uitgereikt. Ineens stonden er drie uitgevers in de rij om een boek van hem uit te geven. Dat werd Kanker voor Beginners.
Oh ironie, de pijnlijke humor waarin Van Merwijk zo’n meester was. Als hij het nog had gekund zou hij een prachtig cynisch lied geschreven hebben over een cabaretier die bij zijn leven vanwege gebrek aan uitstraling te weinig erkenning vindt en die pas geprezen wordt als de kanker hem klein gekregen heeft.

0

ZUSTER BODDEKE

Dagelijks

Een enkele keer ontwaarde ik wel eens een opgetrokken wenkbrauw of hoorde ik een verbaasde vraag (‘Echt waar?’). Maar gelukkig is het beeld van een man achter een strijkplank niet zo schokkend meer. Al meer dan veertig jaar strijk ik zelf mijn wasgoed.
Het gaat niet in de hoeveelheden die mijn moeder verwerkte. Ik beperk me tot broeken en overhemden. Rondlopen in een kreukelig shirt vind ik geen gezicht. Als leidinggevende heb ik tweemaal een collega op een ongestreken voorkomen moeten aanspreken, een man en een vrouw. Met de eerste voelde ik enig medeleven, bij de tweede was het slechts irritatie. Zo word je regelmatig met je gender vooroordelen geconfronteerd.

Ik mag wel zeggen dat het strijken mij vlot afgaat. Wie vraagt wat mijn geheim is, krijgt als antwoord: ‘ik strijk met zuster Boddeke.’ Met zo’n antwoord is het geheim nog niet ontrafeld. Dat komt door dat lastige voorzetsel met. Je kunt dan denken dat ik de strijk samen met zr. Boddeke doe, om de beurt een mouw bijvoorbeeld. Ik zou dat heel graag doen, om niet te zeggen dat het een van de nog niet vervulde wensen van mijn leven is. Maar dat is niet de strekking van mijn antwoord. Ik bedoel dat mijn strijkplank zuster Boddeke heet. Hoezo, hoor ik je denken, wie geeft er zijn strijkplank een naam? Dat voedt de verdenking dat ik ook voor de stofzuiger en de ragebol koosnaampjes heb bedacht. Het eerlijke verhaal is dat ik ooit in een kraakpand heb gewoond, waar huisgenote Lucia B. na haar vertrek een strijkplank had achtergelaten, die aan de achterzijde gebrandmerkt is met de naam Zr. V. Boddeke. Die plank heb ik mij daarna toegeëigend. Zo ging dat destijds in commune-achtige settings.

Ik stel me voor dat Lucia een ongetrouwde tante heeft gehad en dat Lucia na tantes overlijden uit de onverdeelde boedel de strijkplank kreeg toebedeeld. Het is niet aannemelijk dat de tante een Augustines of Claris is geweest. Het zou immers een grove schending van de gelofte van armoede zijn als een non in het bezit van een strijkplank was geweest. Daarom denk ik dat zr. Boddeke een degelijke wijkzuster was (eigen solex, eigen strijkplank) of een verpleegkundige die naast een ziekenhuis in een zusterhuis woonde. Zo’n voorziening waar het krioelde van de zusters, die natuurlijk niet allemaal hun eigen plank hadden. En dat zuster Boddeke na de zoveelste maal dat een collega háár plank had ingepikt een pen heeft gepakt en haar naam op de achterzijde heeft geschreven. Wat haar door het ongelakte hout nog niet gemakkelijk is afgegaan. Wat een gedreven zuster!
Hoe dan ook, het is een beste plank, ook na de zeventig jaar die ik haar (het is een zij) geef. Mijn streven is dat ik nooit meer een andere strijkplank hoef te kopen en dat ik met zr. Boddeke het einde van mijn leven ga halen. Zodat het overhemd dat men mij zal aantrekken als ik in de kist lig op deze plank is gestreken. Ware ik een Egyptenaar, ik zou de zuster meenemen in mijn graf. Nu zit ik mijn hersens te pijnigen wie ik in mijn testament als erfgenaam zal opnemen.

0

WEEKBOEK

Dagelijks

Op zondagmiddag om vijf uur bind ik voor de laatste keer mijn noren onder. Op de vaart achter ons huis kan ik zonder klunen twee kilometer toeren. Aan de zijkant langs het riet is het ijs na vier dagen schaatsplezier nog opvallend goed. Ergens staat een groep veertigers hossend op het ijs, de plastic bekertjes met glühwein in de hand. Alsof het einde van het coronatijdperk gevierd wordt. Onder het wolkendek wordt het licht langzaam grijsblauw. Opeens zie ik G in onze achtertuin. ‘Het is al zes uur’, hoor ik. Ik heb moeite met afscheid nemen. Het is zo’n mooi geluid, de ijzers over het donkere harde ijs. Links, rechts in een fijne cadans. Horizontaal skiën. Zelfs de kou is aangenaam.
Maandagmorgen fiets ik met drie volle boodschappentassen door een druilerige regen naar huis. In onze straat moet ik lopend verder, glijdend over glibberige korsten van platgereden vuile sneeuw. Mijn fiets glijdt weg, maar ik blijf overeind. Links en rechts schuift de laatste sneeuw van een dak met een doffe klap omlaag. Sneeuwbouwsels van kinderen staan er verloren bij.
Regendruppels vallen op het donkere natte ijs. De lichte lijnen van de scheuren vormen een prachtig patroon. Daarboven vliegen eenden, aalscholvers, meeuwen en een paar zilverreigers af en aan op zoek naar eten. Waar zouden de door ons geadopteerde meerkoeten zijn?
Dinsdagmorgen bij het openen van de gordijnen: ‘Hé, daar zijn Keet en Koet!’ Toen het ijs ontstond waren zij verdwenen, met onbekende bestemming. Voor een ongeluk werd gevreesd. Nu zitten ze trouw op het doffe ijs te wachten als twee verslaafden op hun shot. Ze hebben een aantal eenden meegenomen. In de tuin doen de mussen en de mezen zich tegoed aan pinda’s en vetbollen. Andere soorten pikken de restjes op. Een ploeg van twaalf spreeuwen doet goed werk op het gazon.

Aswoendag
. Ik had het goed voorvoeld, het feest is voorbij. Het is tijd om te minderen en niet alleen voor veertig dagen. Minderen in consumeren, in zeuren en eisen, in feesten, in reizen en milieu belasten. Waarin eigenlijk niet? De sneeuw is nu nagenoeg weg. De eerste voorjaarsbloemen zijn tevoorschijn gekomen en de temperatuur bereikt de dubbele cijfers. Het voelt warm aan, maar alles is relatief. Als de temperatuur boven de twintig graden is geweest, dan is elf graden koud.
Op woensdagavond lag er nog een gesloten ijsdek, op donderdagmorgen is alles verdwenen. De vaart is teruggegeven aan de watervogels. De vertrouwde zuidwester blaast de rimpels over het water. Geknakte rietstengels herinneren aan spelende kinderen. Ik zie nog juist dat de kat van de buren een vergeefse sprong waagt naar een aalscholver die zit te mijmeren op de vlonder. Later struinen drie waterhoentjes door de tuin. Zouden hun uitwerpselen goed zijn voor het gras?
Op vrijdag is het tijd om te vissen. Mijn vangst: 4 pakjes Wiki, 2 blikjes energy-drink, 2 half afgekloven appels, 1 aansteker, 1 pakje tempo zakdoekjes, 3 plastic zakken.
Zaterdag: in Utrecht varen er kano’s door de Oude Gracht. Mensen zetten hun stoelen buiten en laten hun jassen binnen. Ik signaleer de eerste korte broek en er is al een waarschuwing voor hooikoorts afgegeven.

0

WINTERKOU

Herinnering

Op zaterdag 9 januari 1982 reizen G en ik met de trein naar Winterswijk, een plaats die op die dag zijn naam eer aandoet. Het land zucht onder een dikke laag sneeuw en de almaar toenemende vorst.
G is pas afgestudeerd en half januari gaat zij beginnen aan haar eerste baan, als sociaal cultureel werker in een buurthuis. Dat betekent dat de plichten van een werkend leven voor eeuwig in het verschiet liggen. Of tenminste voor zo’n veertig jaar. Daarom hebben we nog snel een vakantiewoning geboekt.
Die ligt bij een boerderij buiten Winterswijk. Als wij op onze huurfietsen aankomen, rijdt de boer juist met zijn tractor het land op om bruine gier over de maagdelijk witte sneeuw te spuiten.
De woning is afgescheiden van de stal. De smalle kamer annex keuken staat volgestouwd met tweedehands meubeltjes. Een steile trap, de luxe uitvoering van een leer, leidt naar een kamer die juist groot genoeg is voor een tweepersoons ledikant. Niet veel ruimte dus, maar wie twee jaar bij elkaar is vindt dat geen enkel bezwaar. In die fase zit je bij voorkeur boven op elkaars lip.
Problematischer is dat de voordeur nogal ruim in de sponningen hangt, zodat de wind de kou de kamer in blaast. ‘Het moet nog even warm worden’, had de boerin gezegd, toen ze de oliegestookte kachel aan de praat had weten te krijgen. ‘Ze zeggen dat het min twintig wordt vannacht’, voegde ze er aan toe, alsof zoiets daar elke week het geval was.

We geven het kacheltje een kans en gaan naar buiten voor een wandeling. Het land is leeg en kaal. De stilte wordt alleen verstoord door het kraken van de sneeuw onder onze wandelschoenen. Kraaien hippen tussen de maisstoppels die nog boven de sneeuwlaag uitkomen en pluimpjes rook waaien uit de schoorstenen naar de grijze lucht.
Terug in ons huisje merken we dat je alleen vlak naast de kachel enige warmte voelt. Wij schuiven onze stoelen aan. G. is bezig met het haken van een sprei, ik heb een breiwerkje. We zijn zo vooruitziend geweest om een kruikfles Berenburg mee te nemen.
Dan houdt aan het begin van de zaterdagavond de oliekachel ermee op. De boer constateert dat de grote olietank buiten, goed voor meer dan een jaar warmte, nu toevallig net zo leeg is als zijn giertank deze middag. ‘Ik ga ‘ns kiek’n of ik iemand vind’n kan’, zegt hij. We halen dekens van boven. Een uur later suist ons kacheltje warempel als nooit tevoren. Dat is het fijne van ontberingen. Dat je na afloop zegt dat je zo’n geluk hebt gehad.
Aan het einde van de avond wacht de volgende uitdaging. De slaapkamer ligt boven de koeienstal. Daarom vriest het er niet, maar daar is alles mee gezegd. ‘Het was of ik met mijn kont in een bijt viel toen ik in bed stapte’, zei mijn ome Ries ooit. Wij hebben de fles Berenburg tot kruik gepromoveerd en kruipen met ijskoude neuzen dicht tegen elkaar aan. Over het aantal dekens waaronder we lagen, lopen de meningen nog altijd uiteen. Iets tussen de vier en de zeven. Wij droegen een zware last, daar in Winterswijk, zoveel is zeker.