Schrijven, Lezen, Leven.
0

VOORKIND

Herinnering

Petronella van Wijk, 1851 – 1932

Mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk is in 1870 negentien jaar oud als zij bevalt van een zoon, Cornelis. Hoewel zij in IJsselstein woont komt het kind in Linschoten ter wereld. De dokter uit Montfoort die geholpen heeft doet de aangifte op het gemeentehuis in Linschoten, waar hij vertelt dat Petronella ongehuwd is.
Blijkbaar komt de biologische vader niet in aanmerking als huwelijkskandidaat en gaat men op zoek naar een geschikte man. Dat vergt enige tijd en enige afstand. Uiteindelijk vindt men in Breukelen de 32-jarige boerenzoon Dirk Ekelschot bereid om met Petronella te trouwen. De huwelijksvoltrekking vindt wederom in Linschoten plaats. De griffier van de arrondissementsrechtbank Utrecht krabbelt in de kantlijn van de geboorteakte van Cornelis dat Dirk en Petronella het kind “als het hunne erkend en alzoo gewettigd hebben.” Cornelis krijgt op die dag de naam Ekelschot. Met deze oudste broer van mijn opa zouden de familiale contacten later zeer beperkt blijven.

Een voor het huwelijk geboren kind, het is van alle tijden. In het uitgebreide overzicht dat F. Pouw maakte van de familie Den Hartog, een andere voorouderlijke tak van mijn familie, kom ik er meer tegen. Zo bevalt de 21-jarige ongehuwde dienstmeid van de getrouwde Johannes den Hartog in 1831 van een zoon.
In de literatuur die ik op internet vind lees ik dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw een piek was in het aantal voor- en buitenechtelijke kinderen. De meest plausibele verklaring onder historici luidt dat de Verlichting en de Franse overheersing hieraan hebben bijgedragen. De Fransen hadden onder meer de prostitutie gelegaliseerd. Buitenechtelijke kinderen kwamen vooral voor in de steden en onder de lagere standen en meer bij protestanten dan bij katholieken. Vrijen voor het huwelijk was echter ook op het platteland heel gewoon. Officieel was het niet toegestaan, maar jongens mochten hun gang gaan, als maar niemand het zag. Er waren artsen die meenden dat het voor jongemannen ongezond zou zijn als zij hun lusten moesten beheersen.
Onder de toenemende invloed van kerkelijke instanties, het beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Victoriaanse tijdsgeest nam aan het einde van de eeuw het aantal buitenechtelijk geboren kinderen weer fors af.

Paulus de Lange, 1846 – 1915

Petronella van Wijk, die als jong kind haar beide ouders verloren had, verliest op 26-jarige leeftijd ook nog eens haar man Dirk Ekelschot. Ze verhuist met haar vier jonge peuters naar Maarssen, waar zij de buurvrouw wordt van boer Paulus de Lange. Als de buurman enkele jaren daarna weduwnaar wordt is het pact snel gesloten. Petronella trekt in bij Paulus, zonder te trouwen, wat voor die tijd nogal ongewoon is. Pas als hun eerste gezamenlijke kind op komst is geven ze elkaar in 1886 het jawoord. Vier maanden later wordt dochter Anna geboren. Ik heb haar nog gekend, het was een tante van mijn moeder.
Overigens was de moeder van Paulus de Lange een zus van Dirk Ekelschot. Petronella’s voormalige schoonzus werd dus nu haar schoonmoeder. Het ware kleine kringetjes waarin de mensen zich bewogen.

0

DIRIGEREN

Muziek

Het projectkoor bezig met de warming-up. Foto: Wil Schraven

De afgelopen twee maanden zong ik mee in een projectkoor onder leiding van een jonge dirigente. We oefenden een afwisselend programma met muziek uit de 19e , 20e en 21e eeuw. Er waren stukken bij, onder andere van Ravel en Hendrik Andriessen, waar we hard aan moesten werken. De groep bestaat echter uit ervaren koorzangers en de dirigente is een groot talent. Ze werkte in Nederland al met professionele koren. Juist in onze oefenperiode won zij in Zweden de prestigieuze Eric Ericson Award voor jonge koordirigenten. Daarom mag zij de komende drie jaren met elf prominente Europese radiokoren werken. Succes verzekerd voor ons project, zou je zeggen. Afgelopen zondag voerden we ons concert uit. Ik was teleurgesteld. Er zaten veel slordigheden in de uitvoering. Wat ging er mis?

Een groep zangers dirigeren is geen kleinigheid. Als je afgeslagen hebt beginnen ze meteen te kletsen. Er zijn tal van details die uitnodigen tot discussie. Je moet een goede balans vinden tussen de ambitieuze zangers en de gezelligheidszangers. Er zijn altijd eigenwijze lieden die het beter menen te weten dan de dirigent. Al is het over de juiste uitspraak van de -r- in het Engeland van de zeventiende eeuw.
Ik ben wel eens inval-dirigent geweest, hoewel ik de ervaring noch de scholing hiervoor heb. Samen beginnen en samen afsluiten, dat was het doel dat ik me gesteld had en dat was soms al lastig genoeg.

Een dirigent moet op de eerste plaats de nodige muzikale kwaliteiten hebben. Een partituur goed kunnen lezen. Duidelijk zijn in de maat en de inzetten. Goed kunnen horen waar iets fout loopt en dat op een prettige manier kunnen uitleggen. Communiceren is bovendien niet alleen een boodschap zenden maar ook boodschappen ontvangen: inschatten wat een koor wil en wat haalbaar is.
Een wisseling van dirigent houdt een risico in. Nieuwe dirigenten zijn ambitieus en willen dingen veranderen. Zo hoorde ik van een dirigent die bereid was een koor te leiden, onder de voorwaarde dat hij een paar mindere broeders eraf mocht sturen. De zondebokken bleken, zonder dat de kandidaat-dirigent dit wist, allen in het bestuur te zitten. Die zaten daar natuurlijk niet voor niets.

Onze dirigente beschikt over uitzonderlijke muzikale kwaliteiten. Intonatie, frasering, dictie, van alles viel haar op. Met fraaie beeldspraak legde zij uit hoe het beter kon. Wij bassen zongen teveel als een stampend paard dat de trap oploopt. Zij deed het even voor. Op één punt ging het volgens mij fout, een belangrijk punt. Het repertoire was te moeilijk, in ieder geval voor de korte repetitietijd die ervoor stond. Hoewel de dirigente ons voor de tweede maal in een project begeleidde had zij ons te hoog ingeschat. Of beter gezegd: zij was uitgegaan van haar eigen normen, haar eigen boodschap. Ze had te weinig opengestaan voor de boodschap van het koor. Natuurlijk, wij waren geen professionals, was haar reactie toen ik haar hierover sprak. Maar het Nederlands Kamerkoor was voor haar wel het richtsnoer. Zo keerde haar ervaring in de professionele wereld zich om tot een nadeel.
Maar het publiek heeft zondag genoten.

0

VOORBEREIDEN OP DE DOOD

Dagelijks

Twee weken geleden overleed een neef van mij. Hij is vijfenzeventig jaar geworden. Een halfjaar geleden was bij hem darmkanker vastgesteld. Hij was ervoor behandeld en hoopte dat hij nog een tijdje mee zou kunnen. Na enkele maanden constateerden de artsen dat er uitzaaiingen waren in de botten. Dat was niet alleen heel pijnlijk, het was ook onbehandelbaar.
Zijn overlijden confronteerde mij, niet voor de eerste keer, met de harde werkelijkheid: een ongeneeslijke ziekte kan je zomaar overkomen, zonder waarschuwing vooraf. Je kunt je niet op zo’n overval voorbereiden. Of wel?

Hodie mihi, cras tibi, heden ik, morgen gij. Het staat nog wel eens vermeld op begraafplaatsen. Alsof de doden je met een holle lach toeroepen: denk maar niet dat jíj eraan kunt ontsnappen.
De dit jaar overleden cabaretier Jeroen van Merwijk zong ooit over de dood:
Jij kunt van hem altijd op aan
Hij zal nooit iemand overslaan
Het is zeker dat hij vroeg of laat
Een keertje aan de voordeur staat
Dat het leven eindig is weten we allemaal. Maar met die kennis ben je nog niet voorbereid.
De Amerikaanse psychiater Kübler-Ross was in de jaren zeventig een van de eersten die aandacht vroeg voor het stervensproces. Je kunt beter afscheid nemen van het leven als je gedaan hebt wat je wilde doen en gezegd hebt, wat je nog te zeggen had, was haar boodschap. In grote lijnen voldoe ik hieraan, zeg ik dan stoer. Maar mocht ik morgen horen dat mijn einde nabij is, dan zou ik toch nog graag wat tijd willen om het boek, waaraan ik nu werk, af te maken.

De Australische stervensbegeleider Bronnie Ware vroeg aan terminale patiënten waarvan zij spijt hadden. Zij kwam tot een top 5:
1. Ik wilde dat ik meer mijn eigen keuzes had gevolgd in plaats van die van anderen.
2. Ik wilde dat ik niet zo hard gewerkt had.
3. Had ik maar vaker de moed gehad om mijn gevoelens te uiten.
4. Had ik maar meer aandacht besteed aan mijn vrienden.
5. Had ik mezelf maar wat meer geluk gegund.
Kijk ik naar deze punten dan krijg ik het al wat moeilijker. Gevoelens uiten is niet mijn sterkste kant en heb ik wel genoeg tijd aan sociale contacten besteed?

Huub Buijssen, een publicist die werkzaam was in de ouderenzorg, kreeg op een dag het bericht dat hij alvleesklierkanker had en hooguit nog drie maanden te leven had. Na enkele weken vertelde de arts dat hij een foute diagnose had gesteld. Al snel richtte Buijssen zich weer op de toekomst en op de dingen die hij wilde bereiken. Dat is heel menselijk, zegt hij in een interview. Je richt je niet op tegenslag. Ondanks dat hij de klap van het nadere einde ervaren heeft kon hij maanden later de pijn hiervan niet meer oproepen. ‘Je kunt je wel de dood van een ander voorstellen, maar niet die van jezelf.’
Mijn conclusie: ik kan lijstjes afvinken tot ik erbij neerval, maar als de dood morgen bij mij aanbelt zal ik totaal van slag zijn. De vraag is hoe ik daarna verder ga met de verwerking.

0

WHATS UP?

Dagelijks

‘Ping!’, klonk er op mijn telefoon. Ik zat in Italië in een busje dat zich door het donker langs haardspelbochten omlaag kronkelde. Mijn bril zat onbereikbaar voor mij opgeborgen in een tas die in de bagageruimte stond. Met veel moeite kon ik de vraag van G. ontcijferen: ‘Hoe ging het optreden’. Whatsappen is de snelweg in het communicatieve verkeer, dus ik wilde alvast een voorlopig antwoord geven op haar vraag. Dit is het bericht dat G. ontving: ‘Zit in het busje terug, we GGD volhajajopeld en’. Gevolgd door: ‘A Ntwootd laten er, geen bril opk’.

Aanvankelijk zag ik weinig in What’s app. Het leek mij meer iets voor jngrn. Ik zag hen met twee duimen razendsnel op hun schermpje tikken. Dat gepriegel met mijn dikke vingers op het kleine schermpje vond ik erg onpraktisch. Even bellen vond ik een stuk gemakkelijker. Bovendien probeer ik altijd foutloos Nederlands te schrijven.
Zoals ik indertijd na een periode van verzet toch maar op de smartphone ben overgeschakeld, bang dat ik anders de volgende innovatie niet meer zou kunnen volgen, zo heb ik mij aangepast in het gebruik van whatsapp. Net als 12,4 miljoen Nederlanders. Dat is met aftrek van kleuters en ouden-van-dagen zo ongeveer de gehele bevolking. Wereldwijd zijn er meer dan twee miljard gebruikers, dat is een kwart van alle mensen op de aarde. Er moeten landen zijn waar velen de fasen van het telefoneren en het mailen hebben overgeslagen. Zie ik beelden op televisie van arme mensen in krottenwijken, waar van alles ontbreekt, dan zie ik daar ook altijd mensen met een smartphone.
Ik liep eens op mijn eentje hoog in de Italiaanse Alpen, ver van de bewoonde wereld toen ik een appje ontving dat onze kat rustig in de zon lag. Wat zou de volgende ontwikkeling zijn? Het duizelt me af en toe. Wat zouden we zien als al die geluidsgolven zichtbaar waren? En nog raadselachtiger: waar verdwijnen al die geluidsgolven?

Ik zie nu de voordelen van whatsappen. Je kunt een aantal mensen tegelijk bereiken. Het is minder storend of dwingend dan telefoneren. Ik heb nog even geprobeerd om het tikken met twee duimen aan te leren. In een overmoedige bui dacht ik dat mij dat wel zou lukken. Ik heb het opgegeven. Sommige dingen moet je niet meer willen. Maar ik voel met niet onthand als Whatsapp eens uitvalt, zoals op 4 oktober j.l. Het is juist wel eens goed, dacht ik, als mensen eventjes niet meer alles kunnen wat zij willen. Maar dat komt omdat ik vlak na de oorlog geboren ben.
Vermakelijk is het af en toe, als ik kijk naar de woorden die de app suggereert.
Typ ik Vanavond eten wij dan volgen als opties: het – hebben – zijn.
Ik hou van de: middag – trein – gemeente.
Ik ga op vakantie: in Rusland – in Doorwerth.
Ik heb contact gehad met: Gerda Islam – Gerda – de.
Achtereenvolgende keuzen geven verrassende resultaten:
De politie heeft: nog meer > hulp > in de huishouding.
De kardinaal wil: graag > weer verder > met zangles.

2

HERFSTVAKANTIE

Dagelijks

Daar zitten we, naast elkaar in de smalle beige fauteuils. Het salontafeltje voor ons ligt vol boeken en spelletjes. Onder de televisie ligt een onafgemaakt spelletje Board Script, de look-alike van Scrabble. De open haard is leeg, asresten in de hoekjes herinneren aan het gebruik door vorige bewoners. Er hangt een vage geur van chloor. De radiatoren zijn behangen met badpakken en handdoeken. Een zachte najaarszon valt de kamer binnen, elk moment dwarrelt er wel een blad van een boom. Buiten klinkt het donkere geluid van een landbouwwerktuig.

Een quokka

Onze kleindochters van tien en negen vermaken zich elders op het park. Wij lezen een boek, in afwachting tot ze opgewonden weer binnen komen vallen om een boterham te eten. En een extra plak kaas. Oma is van de ‘kaas-delivery’, zo heet dat in hun taal. N. heeft gedroomd dat ze les kreeg van Albert Einstein. S. zoekt op de tablet een plaatje van een quokka. Een mooi woord voor scrabble, maar wat is dat, vraag ik. Alom verbazing. Wie weet er nu niet wat een quokka is? Het is het meest gelukkige dier ter wereld. De kleine kangoeroe lijkt rechtstreeks uit de studio van Disney afkomstig.
Toen we op vrijdagavond na uren in de file gestaan te hebben hongerig aankwamen op onze vakantiebestemming, liepen de kleindochters eerst naar hun slaapkamer om hun kleren in keurige stapeltjes in de kast te leggen. Daarna maakten zij de bedden op. Zonder dat wij het gevraagd hadden.
Hoe vaak ben ik al niet in een vakantiehuisje in Nederland geweest, vraag ik me af. Thuis moet er een logboek liggen waarin ik het aantal heb bijgehouden. Vastleggen is een vorm van niet-kunnen-loslaten. In de doos van Board Script vind ik tot mijn verbazing een stapel ingevulde scoreformulieren met datum en plaats erbij. Ik heb het spel door de jaren heen in uiteenlopende gezelschappen gespeeld en vaak in vakantiewoningen. Een leven samengevat in vakantieweekjes en scoreformulieren.

Dit is het eerste huisje waarbij je alles waar je behoefte aan hebt in de app kunt regelen. We hebben daar niet om gevraagd, maar het is voor ons eigen bestwil, zo begrijp ik. De openingstijden van de winkel, dat lijkt me nu echt iets voor de app. Helaas! De bediening van de magnetron en de vaatwasmachine. Tevergeefs! Wij zijn blij dat wij nog een van de weinige huisjes hebben waar we de deur met een sleutel kunt openen in plaats van met de app.
Ik haal de meisjes uit het zwembad. De een gaat achter op de fiets zitten, de ander op de stang. ‘Nu kan opa niet meer opstappen’, zegt N. Hoewel de meisjes al (bijna) tiener zijn, verhuur ik mijzelf nog regelmatig als pakezel of hobbelpaard. Ik heb een huppeltje bedacht, waarbij ik hand in hand met hen door het park ga. Dus nu slinger ik mijn been soepel tussen de meisjes door en over de stang. Ik voel me een jonge hond als ik zo met hen over het parkeerterrein slalom.
‘Wij hebben een atletische opa’, zegt N. ‘Wie heeft dat nou?’

2

NURIA

Muziek

Als sopraan Nuria Rial en het ensemble Accademia del Piacere zijn opgekomen zetten de muzikanten een instrumentaal stuk in. Nuria zit aan de zijkant, in afwachting van haar beurt. Ze schuift op haar stoel, beweegt het bovenlichaam en draait met haar hoofd. Is dit een teken van zenuwen? Je verwacht het niet maar waarschijnlijk zijn ook professionele zangers die al jarenlang op het podium staan voor elk optreden weer gespannen.
Als haar moment gekomen is, stapt zij naar voren. In haar zingen, toch een graadmeter van de emotie, is dan niets van spanning te merken. De stem beweegt soepel van hoog naar laag, van zacht naar krachtig. Snelle loopjes, barokke versieringen: ze komen er alle even gemakkelijk en soepel uit, alsof het geen moeite kost. Dat is nog zo’n misvatting: dat zingen als je eenmaal geoefend bent vanzelf gaat. Maar iedere professionele zanger moet elke dag uren oefenen. De zangers blijven regelmatig op les om hun verworvenheden bij te houden. Een beeldhouwer of een schilder beheerst zijn techniek. Een zanger moet ‘em dagelijks onderhouden.

Nuria Rial is een van mijn favoriete zangers van barokmuziek. De biografische gegevens vermelden dat zij uit Catalonië komt. Zoals zovele andere vertolkers van oude muziek kreeg zij haar vervolgopleiding aan de Musikhochschule in Basel. Ze trad op met dirigenten als René Jacobs en Trevor Pinock en met oudemuziekensembles als Collegium 1704 en L’Arpeggiata. Ze heeft er geen bezwaar tegen om oude muziek in een modern jasje te steken, zoals op de CD Händel goes wild. De oude instrumenten worden op deze opname aangevuld met een drumstel, een basgitaar en een jazzklarinet. Peter van de Lint, de muziekjournalist van Trouw, zag er een afschuwelijke godslastering in.
Nuria is misschien wel de barokzangeres met het meest warme en natuurlijke stemgeluid. Ze is het tegendeel van het aardappel-in-de-keel-gegil van Verdi-sopranen. Daarom hou ik zo van haar muziek. Haar zingen is even gewoon als van een buurmeisje, maar dan technisch volmaakt. Twee jaar geleden zagen wij haar in TivoliVredenburg met een Cavalli-programma. Daarna kwam ik heel wat optredens van haar op YouTube tegen. Het voelt een beetje alsof ik haar persoonlijk ken.

Ditmaal zingt ze liederen uit de Spaanse barok van voor mij onbekende componisten als Sebastián Duron en José de Nebra, muziek geïnspireerd op Spaanse dansen en ritmes met een belangrijke rol voor de gitaar. Het heet klassieke muziek, omdat het in de achttiende eeuw is geschreven. Je kunt het net zo goed volksmuziek of populaire muziek noemen. De ambiance van de uitvoering blijft echter klassiek. Het publiek luistert in stilte. De mystiek-religieuse teksten gaan grotendeels aan mij voorbij. Alleen in het laatste lied zijn de teksten recht voor zijn raap. Het gaat over schoonmoeders die noodweer veroorzaken en over boerenpummels die dat geen bal kan schelen.
Als het slotapplaus klinkt haast Nuria zich van haar plek voorop het podium naar achteren om tussen de instrumentalisten de toejuichingen in ontvangst te nemen, bescheiden knikkend met haar hoofd.

Een promofilmpje van CD en concert. Van een aantal van de liederen is een klein stukje te zien.

1

GODS SCHRIJFWERK

Herinnering

Ik was nog niet lang in het bezit van een brommer, toen ik op een warme zomerse dag ging toeren met de buurjongen. In Noorden werden wij overvallen door het onweer. Terwijl de bliksem door de lucht schoot, parkeerde ik mijn Tomos onder een hoge boom. Al snel drong de dichte regen ook op die plek door. ‘Kom naar binnen!’, riep een man op waarschuwende toon vanuit een bungalow aan de overzijde. Er werd voor ons een stoel aangeschoven aan de tafel waar het gezin zojuist het middagmaal had beëindigd. De borden waren leeggegeten, er lag een boek opengeslagen op tafel. Terwijl het geluid van de neerstortende regen werd afgewisseld met de voortrollende donderslagen, las de man een stuk voor uit de bijbel.

Ik wist niet wat mij overkwam. Dit soort particuliere bijbellezing had ik nooit eerder meegemaakt. Bij katholieken lag er geen bijbel onder handbereik, laat staan dat hieruit werd voorgelezen. Dat lieten we aan de pastoor over in de zondagse mis. We kenden op de lagere school het vak Bijbelse geschiedenis. Ik vond de verhalen over de zonen van Jacob wel spannend.
Op het Bonifaciuslyceum behoorden de Prisma-uitgaven van het Oude en het Nieuwe Testament tot de verplicht aan te schaffen boeken. De boekjes bevatten een ruime selectie uit de bijbel. In de eerste klas dicteerde de godsdienstleraar, de oude deken Wiegerink, in 1964: ‘… dat de bijbel volgens onze overtuiging een boek is, waarvan God de schrijver is. (…) Hieruit volgt dat wij ook moeten aannemen dat in de Bijbel niets dan de waarheid te vinden is.’ Om schrandere vragen over Gods schrijfprestaties voor te zijn, verzekerde de leraar ‘dat God de Bijbel niet heeft laten ontstaan door de tekst te dicteren.’ Daarna liet hij ons de verschillen noteren tussen de katholieke en de protestantse bijbelboeken. ‘De protestanten erkennen sommige van onze boeken niet.’ Ze bleven maar dwalen, die protestanten.
Daarna was het met de raadpleging van de Testamenten wel gedaan, want in het tweede schooljaar probeerde een godsdienstleraar, die in een spijkerbroek rondliep, ons te interesseren voor de werken van Teilhard de Chardin, de jezuïet annex paleontoloog die een ingewikkelde poging had gedaan de evolutieleer in overeenstemming te brengen met het bijbelse scheppingsverhaal. Ik begreep er niets van.

Hoewel ik er nooit een letter in las heb ik de Prismaboekjes nooit de deur uitgedaan. Het Oude en het Nieuwe Testament verhuisden altijd met mij mee. Ze komen de laatste jaren goed van pas nu ik in mijn katholieke voorgeschiedenis ben gedoken. Zodat ik een verwijzing naar Deuteronomium 32:48 kan opzoeken. En zodat ik weet welke verzen uit Genesis mijn oma heeft moeten overschrijven, toen zij in 1880 als jong meisje schrijfles kreeg van haar vader.
Misschien moet ik de nieuwste bijbelvertaling maar kopen. Zodat ik het complete werk heb. Dan hoef ik psalm 94, een van de vele psalmen die ontbreken in de Prisma-selectie, niet in de protestantse Statenvertaling te lezen: Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? (citaat uit Trouw). Ik zou mij weer in Noorden wanen.

1

ALS EEN FONTEIN

Muziek

Ooit ben ik met tranen in mijn ogen van zangles naar huis gefietst. Ik was erg gemotiveerd om beter te leren zingen. Ik werkte er hard aan. Maar in de les kreeg ik voortdurend het gevoel, dat ik er nog weinig van bakte.
De vigerende zangtechniek in de klassieke muziek is ontstaan in de negentiende eeuw, toen door de steeds grotere orkesten zangers gedwongen waren om met meer volume te zingen. Een open keel en een goede ademsteun zijn hierbij cruciaal. Ik moest tijdens mijn eerste zanglessen mij voorstellen dat ik moest braken. En ik diende mijn buikspieren aan te trekken om te zorgen dat de klank niet wegzakte. De oefeningen hielpen wel. Ik bereikte een groter volume. Maar er was nog zoveel dat beter kon.

Stel je eens voor, dat de ene autorijschool je leert om soepel te schakelen, de andere vooral aandacht geeft aan je houding in de stoel en de derde je ogen en je blik het belangrijkste vindt. Dat is de situatie in de zangwereld. Voor een belangrijk deel heeft dit te maken met de stem. Een pianoleraar kan voordoen hoe je je vingers op de toetsen houdt, een zangpedagoog kan alleen met woorden aangeven wat je in je keel en je hoofd moet doen. Zo heb ik heel wat beelden langs horen komen. Van fonteinen die er aan de achterzijde van mijn hoofd uit moeten spuiten en klanken die ik via een plasgootje omhoog moet sturen tot concentratie op de trillingen tussen mijn oren. De ene dirigent vraagt om meer breedte in de klank, de ander om meer lengte.
Gewoon in- en uitademen is er niet bij. Een goede ademstroom begint bij het spannen van de bekkenbodem, een licht aantrekken van de buikspieren, het breed houden van de borstkas, een open keel, enz. En hoeveel aanwijzingen ik wel niet heb gehad om hoge noten te halen… Ik ben vooruitgegaan, maar de hoge G die voor mij geen probleem zou moeten zijn is meestal niet meer dan een hees gepiep.

Ik heb een paar veeleisende zangleraren gehad. Het leek alsof zij mij zagen als een conservatoriumleerling op weg naar de grote operarollen. ‘Heel goed’, was steevast het begin van het commentaar als ik wat gezongen had en daarna volgde een exposé over wat beter moest. Concentreerde ik met op de zojuist gegeven aanwijzingen voor de hoge noten, dan was vervolgens de frasering of de dictie niet goed. Na alle oekazes was de opdracht ‘ontspan!’ dan ook een treffend voorbeeld van een paradox. In plaats van een fontein uit het achterhoofd vloeide het vocht uit de ogen.
Het grote dilemma is dat alle instructies om iets anders te doen leiden tot meer inspanning. En meer fysieke spierspanning leidt veelal tot een slechter resultaat, zeker bij iemand als ik die het altijd beter wil doen. Misschien zitten die hoge eisen ook wel in mijn eigen hoofd.
Dit jaar ben ik begonnen met lessen volgens de Lichtenberg Methode. Daarin ligt de nadruk op ontspanning en bewustwording. Op het nalaten van allerlei inspanningen.

0

ZEVENTIG JAAR TELEVISIE

Herinnering

foto: Isgeschiedenis.nl

Eind jaren vijftig stond ik met een groep kinderen iedere woensdagmiddag voor de achterdeur bij de familie Wolters. We wachtten op het sein dat we naar binnen mochten. Als het zover was deden we de schoenen uit en installeerden ons in de huiskamer op de grond voor dat wonderbaarlijke kastje.
Televisie voor kinderen was toen niet veel meer dan een nieuwe versie van de poppenkast, compleet met gordijntjes die open- en dichtgingen. De KRO zond het poppentheater Dappere Dodo uit. De NCRV volgde met Coco en de vliegende knorrepot. Verder werden we iedere uitzending onthaald op De Verrekijker. Die toonde ons educatieve filmpjes over kinderen in andere landen. Er is één filmpje dat ik me na zestig jaar nog kan herinneren: in Finland liepen blote kindertjes door de sneeuw.

Pater Kors voor de camera, foto: Beeld en Geluid

Mijn vader wilde lange tijd niet aan een tv. Achteraf vermoed ik dat zijn behoudende katholieke geloof hierin een rol heeft gespeeld. Katholieken hebben nooit voorop gelopen met vernieuwingen, zeker niet op het gebied van vermaak en genot. Dat leidde maar af het werkelijke doel van het leven. Bovendien lag er altijd het risico van emotie, opwinding en onkuisheid op de loer.
Pater Kors, vlak na de oorlog de voorzitter van de KRO, was daarom een tegenstander van de invoering van televisie. Hij zag het als een gevaar voor de ‘morele volksgezondheid’. De kerk zou de greep op de gelovigen verliezen. Vanuit zijn standpunt bekeken heeft Kors gelijk gekregen. In de jaren zestig en zeventig heeft het medium televisie in niet geringe mate bijgedragen aan het omver halen van heilige huisjes en ontkerkelijking.
De ontwikkelingen tegenhouden kon hij echter niet. Dus deed de omroep in de jaren vijftig met frisse tegenzin mee. Op dinsdag 16 oktober 1951 leidde de voorzitter met de volgende woorden de eerste televisie-uitzending van de KRO in: ‘het technisch vernuft dat de televisie ons heeft geschonken wil onze omroep dienstbaar maken aan het ideaal: de blijde boodschap van Christus niet alleen aan de mensheid te brengen, maar die ook te laten beleven.’ Kors gaf een positieve draai aan tele-visie, het ‘ver kunnen kijken’: ‘het betekent voor de Christen te kunnen schouwen over de grenzen van de stoffelijkheid dezer wereld en van het heelal heen, naar het Goddelijk licht dat ons het geloof heeft geschonken.’ Alsof De Verrekijker op zoek kon gaan naar beelden uit de hemel.

foto: Beeld en Geluid

De tv was in de jaren vijftig het stiefkind van de KRO. Kors vond het medium een stokpaardje van de overheid. Door de algemene programma’s van de NTS, waarmee al snel 40% van de zendtijd was gevuld, werd de invloed van de omroepen teruggedrongen. Daar kwam bij, dat de omroepverenigingen, anders dan bij de radio, niet beschikten over eigen tv-studio’s en opnameapparatuur. Ook nu, na zeventig jaar, klagen de omroepen over de te grote macht van de NPO. Pater Kors was een ziener.
In 1968 deed de tv uiteindelijk zijn intrede in onze huiskamer. De blote borsten van Hoepla, in ’67 van het scherm gehaald, heeft mijn vader niet hoeven meemaken. Ik heb ze ook gemist.

0

IN ‘T GROEN

Reizen

G. en ik lopen dit jaar regelmatig etappes van het Romeinse Limespad, een lange-afstand-wandelpad van Katwijk tot achter Nijmegen. Het pad loopt langs de Oude Rijn en de Nederrijn, indertijd de grens, de Limes, van het Romeinse Rijk.
Wie in Nederland van west naar oost wandelt, komt langs grazige weiden, groene rietkragen, ongerepte natuurgebieden, frisse uiterwaarden en prachtige bossen. Nederland op zijn groenst, zou je zeggen.
Op maandag de 20e beginnen we onze wandeling in Lienden, de plaats waar we de vorige keer geëindigd zijn. Op de smalle Rijndijk doet de Betuwe zijn naam eer aan. Links en rechts zien we boomgaarden met laaggehouden fruitbomen in kaarsrechte lijnen. Een tractor trekt een treintje van vijf bakken met peren. Rode appels hangen klaar om geplukt te worden. Er hangen overigens wel erg veel appels aan één tak. Dat ziet er niet natuurlijk uit. Zijn die boompjes gedrogeerd?

Het pontje bij Opheusden roept herinneringen op aan vervlogen tijden, aan de houten leer in de hoogstamboom, aan het varken in de modder. Door open velden naderen we Wageningen. Kippen schrapen achteruitlopend de grond af. Een poes luiert in de zwakke najaarszon en een vrouw wiedt het onkruid tussen prei en boerenkool, dahlia’s en oostindische kers. Dan doemt een complex van bedrijfshallen en kantoren op. Hier blijkt Monsanto te huizen, een multinational op het gebied van zaden. Het bedrijf is vooral berucht geworden vanwege het onkruidverdelgingsmiddel Roundup, waarmee niet alleen ongewenste plantjes doodgaan. De marketingnaam van Wageningen, City of Life Sciences, krijgt hierdoor een wrange bijsmaak. Zeker als we even later over de dijk langs de zware industrie aan de Rijnhaven lopen. Hier wordt krachtvoer voor vee geproduceerd.

In een ongerept natuurgebied langs oude watergeulen van de Rijn vliegt met trage vleugelslag een zilverreiger op. Sprinkhanen schieten voor onze voeten weg. We krijgen rode vingers van het plukken van bramen. Aan het einde van de middag beklimmen we de stuwwal. Een bankje in het bos geeft een boodschap mee: ‘wie echt van de natuur houdt, vindt de schoonheid overal.’
Na een nacht op de Wageningse Berg dalen we af naar een beekdal bij Renkum. De ochtend is helder, fris en stil. Bleke zonnestralen weerkaatsen in het drassige groen. Op de achtergrond stoten de vier enorme schoorsteenpijpen van een papierfabriek dikke rookwolken uit. De papierindustrie is eeuwen geleden in dit dal ontstaan.
Als ik een koe was, dan zou ik bij kasteel Doorwerth in de wei willen liggen. Een parkachtige omgeving waar de zon altijd lijkt te schijnen. Koeien zijn beesten die in hun eigen bord rondlopen. Sterker nog: ze piesen en poepen op hun eten. En ze boeren en winden met zijn allen een onvoorstelbare hoeveelheid broeikasgassen uit. Ik kan niet meer naar koeien kijken zonder die wetenschap in mijn achterhoofd.
Via Heveadorp en Oosterbeek bereiken we in de namiddag Arnhem, waar vallende eikels een helder geluid maken op de daken van geparkeerde auto’s. Onze tweedaagse zit er op. Wie van west naar oost loopt ziet meer dan alleen maar groen. Het glas is halfvol. Of halfleeg.