Schrijven, Lezen, Leven.
0

KORDAAT OPTREDEN

Herinnering

Wij hebben een nieuwe aanwinst. Hij hangt boven de kast in de huiskamer. Op het schilderij zien we een straat met links en rechts huizen. Het lijkt een tafereel van lang geleden. De weg is niet bestraat, er rijdt geen verkeer. De zon schijnt vriendelijk, er lopen enkele mensen. Misschien is het vooral de lijst met zijn vele krullen die aan vervlogen dagen doet denken.
Het is geen bijzonder schilderij. Er straalt rust van uit, maar er is weinig dat de aandacht wat langer vasthoudt. De mensen zijn ver weg en anoniem, wij kijken hen op de rug. Toch is het mij dierbaar. Het is een schilderij van de Dorpsstraat in Vleuten, mijn geboortedorp. Het moet zo rond de jaren twintig van de vorige eeuw geschilderd zijn door een onbekende meester. Het komt uit de nalatenschap van mijn ome Arie en er zit een verhaal aan vast.

Arie was een broer van mijn moeder. Hij werd geboren in 1915, als jongste zoon in het gezin van Arie en Hilletje Ekelschot. Arie sr. had een klein boerenbedrijfje dat net voldoende opleverde om de zes kinderen te eten te geven. Toen zoon Arie van school af kwam ging hij aanvankelijk aan het werk bij zijn vader. In de winters, als er minder werk was op de boerderij, werkte hij net als vele andere katholieke boerenzonen bij de SOL, de Stichtse Olie- en Lijnkoekenfabriek in Utrecht. Het werk kon hem niet echt bekoren. Datzelfde gold voor het melken van koeien. Hij had vier oudere broers en geen van hen had interesse gehad om het zieltogende bedrijfje van hun vader over te nemen. Arie’s grote wens was om politieagent te worden, net als zijn oudere broer Adriaan. Enkele jaren later, op zijn bruiloft, zou zijn familie hem toezingen: Agent worden wou hij met geweld. Zijn kansen waren echter klein, het was halverwege de jaren dertig, de werkloosheid was op een hoogtepunt. Maar Arie hield van aanpakken en hij was voor de donder niet bang. In het najaar van 1936 schonk het lot hem de gelegenheid om dat te laten zien.
Hij hoorde de buurvrouw gillen dat een van haar kinderen in de Molenvliet gevallen was. Arie aarzelde geen moment, sprong gekleed het water in, haalde het jonge meisje dat onder water was verdwenen op het droge en zorgde ervoor dat ze weer ging ademen. Op 27 januari 1937 berichtte de Woerdensche Courant:
Vleuten – Vanwege den Ned. Bond tot Redding van Drenkelingen is aan den heer A.M. Ekelschot een diploma en een onderscheidingsteken uitgereikt in verband met diens kordate optreden bij het redden van een kindje uit de Molenvliet.
Het getuigschrift spreekt van ‘bijzondere verdienste bij het wederopwekken der levensgeesten.’ Ook de burgemeester wilde zijn erkentelijkheid tonen. Hij schonk de jonge held het schilderij van het dorpsgezicht, waarop ik nu, terwijl ik dit stuk tik, kan uitkijken.
Het slot van deze geschiedenis was, als we de verhalen uit de familie mogen geloven, dat hij uit een grote groep met kandidaten werd gekozen voor een baan als politieagent in Hilversum en dat zijn oorkonde daarbij de doorslag had gegeven.

1

AFFICHE

Dagelijks

Fietsend op weg naar de bakker valt mijn oog op een raam dat in beslag genomen wordt door een affiche met de tekst: Een andere man is geen haar beter. Ik kijk nog eens om. Het staat er echt, ik heb het goed gelezen. Vol verbazing herhaal ik de tekst voor mijzelf. Wat beweegt iemand om een raam af te plakken met deze tekst?

Bron: www.by-mar.com

Is het een vrouw die na meerdere stukgelopen relaties aan de wereld wil laten weten wat zij daaruit geleerd heeft? Iemand bij wie de frustraties hoog zijn opgelopen en die een blijkbaar onbedwingbare behoefte heeft om anderen te behoeden voor de fouten die zij gemaakt heeft? Je geeft jezelf wel bloot op deze manier.
Of zou het een ongetrouwde en streng-gelovige man of vrouw zijn, die zich groen en geel ergert aan mensen die al te gemakkelijk scheiden en daarna weer snel een nieuwe relatie beginnen? Dit lijkt me niet waarschijnlijk. Dan zou je eerder een bijbels citaat over trouw en standvastigheid verwachten.
In de feministische golf van de jaren zestig en zeventig was er een radicale groep vrouwen die een liefdesrelatie met een man hadden afgezworen. Je gaat niet met je onderdrukker naar bed, was het parool. De man was het symbool van de macht, van alles wat fout ging in de wereld, daar moest je verre van blijven. Ik weet echter niet of er onder de jonge vrouwen van de eenentwintigste eeuw nog dergelijke feministes voorkomen.
Er komen steeds meer vragen bij mij op. Zou Een andere vrouw is geen haar beter ook bestaan? Voor al die relatiehoppende mannen die maar vinden dat zij onvoldoende aandacht krijgen?

Nieuwsgierig geworden kijk ik thuisgekomen op internet. Ik vind de betreffende tekst al snel op sites van firma’s die grappige ansichtkaarten verkopen. Op een setje van tien kaarten krijg je nu € 5 korting. Men heeft dus nog een grote voorraad in huis. ‘Inclusief gerecyclede envelop’, staat erbij. Voor enveloppen geldt blijkbaar een ander regime dan voor mannen.
In dezelfde serie bestaan ook: ik heb geen man nodig om mijn problemen op te lossen. Ik heb er een nodig die zelf geen probleem wordt. En de leus die alle andere overbodig maakt: soms is het gewoon kut. Kan je ook als affiche op je raam plakken.

Eén website geeft nog een toelichting op de man die geen haar beter is: vrouwen kunnen deze kaart aan hun man geven om hem eraan te herinneren dat hij heus niet de ergste is. Die uitleg zette mij opeens op een ander spoor. De kaart zou juist door mannen gebruikt kunnen worden! Om te voorkomen dat hun vrouw al te veel naar andere mannen kijkt. Of, nog beter, om hun eigen fouten te relativeren. Zo kan ik, als ik weer eens iets vergeten ben en daar door G. op gewezen wordt, luchtigjes opmerken: ach, een andere man is geen haar beter.

0

4 MEI

Dagelijks

Ilse Weber

Ilse Weber. Ik had nog nooit van haar gehoord. Zij was een Joodse schrijfster en componiste, geboren in Tsjechië. In 1942 werd Ilse Weber gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Daar werkte zij als ziekenverpleegster op de kinderafdeling. Zij schreef en componeerde hier een aantal liederen, zoals Ich wandre durch Theresienstadt. In 1944 werd zij op transport gesteld naar Auschwitz, waar zij om het leven kwam. De gedichten en liederen van Weber stonden deze week centraal tijdens een herdenkingsbijeenkomst in de Torenpleinkerk in Vleuten.

Na de bijeenkomst liepen de aanwezigen in een stille optocht door het dorp, voorafgegaan door twee muzikanten die een langzaam ritme sloegen op zwart omfloerste trommels. We kwamen langs het huis, waar  mijn ouders destijds woonden. Hier stond mijn vader boven uit een raam te kijken hoe Duitse soldaten de deuren afgingen om mannen te ronselen. Hier heeft hij zich angstig afgevraagd wanneer zijn beurt zou komen. Zijn schuilplaats was gereed. Een koffer om te vluchten stond klaar. Hier heeft hij zich in zijn moestuin plat op de grond gegooid als de Engelse vliegtuigen die de spoorlijn bombardeerden weer eens dichtbij kwamen. ‘Hoeveel bommen zijn er al niet gevallen en wat hebben de Engelsen ermee bereikt?’, verzuchtte hij. Hier heeft hij de boom staan zagen en hakken die hij uit het park van kasteel De Haar had gehaald.
De stille tocht eindigde bij een plantsoentje tegenover de kerk, bij het monument ter herdenking van de twee Vleutense verzetsstrijders die in 1944 zijn gefusilleerd. Het ontwerp van het beeld van een mannentorso die een slang de nek omdraait was vlak na de oorlog driemaal door de Provinciale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenktekens in niet mis te verstane woorden afgekeurd. Enkele jaren later hebben de lokale initiatiefnemers in een zaterdagse nacht het beeld alsnog op zijn sokkel geplaatst. ‘Je kunt de illegaliteit toch niet beter eren dan met een illegaal monument’, zo werd gezegd.

Midden achter het oorlogsmonument met de militairen

Deze week stonden er vijf militairen voor het monument, in vol ornaat, de borst getooid met een serie medailles, de petten diep over het voorhoofd getrokken, de blikken strak vooruit gericht. Bij het ingaan van de twee minuten stilte sloeg de klok van de katholieke kerk achter ons eerst nog acht forse slagen. In de oorlogsjaren hadden de Duitsers de klokken meegenomen. Toen moest de koster telkens de hoge toren inklimmen om met een hamer op een oude spoorrail te slaan.
Het werd stil in het plantsoentje. De wind was gaan liggen. Alleen een mees liet zich horen in het door late zonnestralen beschenen frisse, lentegroen. De tijd stond even stil, zoals alle aanwezigen onberoerd naast elkaar stonden, ieder met de eigen gedachten en toch verbonden. De dirigent van de harmonie keek om naar de organisatie, in afwachting van het teken dat hij het Wilhelmus kon inzetten. Toen het zover was bliezen de instrumenten schuchter en zacht de eerste maten. Ik was ontroerd.
Ik ben van even na de oorlog. Maar hoe ouder ik word, hoe dichter mijn geboortedatum bij de oorlogsjaren komt, hoe dichter ik zelf bij de oorlog kom.

0

VAN GOD LOS

Herinnering

Het Tweede Vaticaans Concilie

De opening van het Vaticaans Concilie had op mij als tienjarige zoveel indruk gemaakt, dat ik urenlang bezig was een kalligrafische weergave te maken van de openingsdatum. Met gekleurde potloden trok ik talloze lijnen rond de cijfers 11-10-1962 om de grootsheid van de gebeurtenis te onderstrepen.
Ik was een volgzame jongen, iedere zondagmorgen ging ik zonder morren naar de kerk. Tijdens het kamp van de verkenners in 1965 was ik zelfs iedere ochtend bij de mis die de aalmoezenier in de grote tent opdroeg. Ik ergerde me aan jongens die dit niet deden.
Die eerste jaren na het begin van het concilie was er in de Vleutense parochie nog niets te merken van de vernieuwing die het concilie in gang had gezet. Pastoor Beutener was op leeftijd, hij hield zich aan wat gebruikelijk was. Pas op de middelbare school kwam er in het godsdienstonderwijs iets van een frisse wind. De leraar behandelde de grote wereldgodsdiensten en de denkbeelden van progressieve theologen. Ik liet het langs mij heengaan.

In het item Beeldreligie werd de TV vergeleken met God

Op de tentoonstelling Van God los in het Catharijneconvent in Utrecht is het Tweede Vaticaans Concilie het beginpunt van de grote veranderingen in de katholieke kerk in de jaren zestig. Het altaar in de kerk werd omgedraaid, zodat de priester en de gelovigen elkaar aan konden kijken. Dat was meer dan een symbolische verandering. De aandacht diende niet louter naar boven gericht te zijn, naar God, maar evenzeer naar de medemens. Een eigen geweten en een persoonlijke manier van geloven kwamen in de plaats van het gehoorzame volgen van de kerkelijke dogma’s. Het had grote consequenties. De parochianen gingen niet meer elke zondag naar de kerk, de biecht verdween, net als het askruisje, het lof, de sacramentsoptocht, enz. Binnen korte tijd zou de zo stevig ogende katholieke zuil in elkaar zakken.
Van God los schrijft een belangrijke invloed toe aan de opkomst van de televisie. De beelden van langharige jongens en kortgerokte meiden,van sit-ins en demonstraties, maakten duidelijk dat er een andere tijd was aangebroken. Cabaretiers namen de conservatieve gebruiken van de kerk op de hak. Mijn ouders kochten pas een tv toen iedereen er al een had. Misschien, denk ik nu ik dit stuk schrijf, heeft mijn vader zo lang mogelijk geprobeerd om de verderfelijke wereld buiten te houden. Hij was al misselijk geworden toen hij een boek van Jan Wolkers inkeek en op de eerste bladzijde tweemaal het woord kut las.

Mijn puberteit viel precies samen met de anti-autoritaire golf van de jaren zestig. Ik werd als vanzelf meegenomen in de kritiek op het gezag. Oude vormen en gedachten hadden afgedaan. De kerk behoorde tot de gevestigde orde. Die telde niet meer mee.
De eerste stap was dat ik in navolging van mijn broer en zussen niet meer naar de zondagse mis ging. Het verdriet dat ik bij mijn moeder zag was onvoldoende om het geloof in stand te houden. Zo verdween bijna automatisch, zonder dat ik er bij stilgestaan had en zonder pijn, de kerk uit mijn leven.

De tentoonstelling over de onstuimige jaren zestig is nog tot 28 augustus te zien.

0

NIET MIJN EERSTE LIEFDE

Herinnering

De studentenflat aan de Van Lieflandlaan

September 1972, laat in de avond. In een studentenflat in Utrecht open ik de deur van een kamer. De ruimte is vol mensen. Zij zitten op de bank, op het bed, op de vloer. Een walm van rook komt mij tegemoet. Vanonder een paarse lampenkap valt flauw licht de kamer in. De ruiten zijn beslagen. Ik kijk rond waar ik nog kan zitten, het gezelschap staat me tegen. Even is er de ingeving om terug te gaan naar mijn eigen kamer. Maar daar wacht dan de eenzaamheid. Huisgenoot Frans, die zijn verjaardag viert, zegt dat het kratje met bier op de gang staat.
Op een van de weinige plekken die nog vrij zijn laat ik mij op de grond zakken. Tegenover mij zit een meisje dat ik niet ken. Roodgeverfde haren, gelakte nagels, oogschaduw. Wat een opgemaakte pop, denk ik. Zij steekt een sigaret op en blaast op nonchalante wijze de eerste rook uit. ‘Je verspreidt aardig wat rook.’ Er is niets anders wat mij op dat moment te binnen schiet. We kijken langs elkaar heen.
We zitten echter zo dicht op elkaar, dat we elkaar niet kunnen negeren. Aarzelend komt er een gesprek op gang. Zij komt uit Haarlem en werkt als tandarts-assistente.
‘Ken jij hier veel mensen?’, vraagt zij.
‘Eigenlijk alleen een paar huisgenoten.’
Zij zegt dat zij zich snel eenzaam voelt. Dat zij zich vaak de mindere voelt in een gezelschap. Dat herken ik. Mijn stemming slaat razendsnel om. Ik wil alles van haar weten. We kijken niet meer weg, we hebben alleen nog maar oog voor elkaar. Er ontstaat een intimiteit die slechts onderbroken wordt door mensen die langs en over ons heen stappen.

citroengeranium

‘Laten we naar mijn kamer gaan’, stel ik na een tijdje voor. Jozien is verrukt van de grote hoeveelheid planten. Ze ruikt aan de citroengeranium en blijft stilstaan voor de kast met mijn psychologieboeken. ‘Jij kan vast door mensen heen kijken.’ Hoe nu verder, denk ik. Het is over twaalven, Jozien gaat niet meer naar Haarlem. Ik heb nog nooit met een meisje geslapen. Iedere jongen van mijn leeftijd weet natuurlijk hoe je dat aanpakt. Ik zet de bandrecorder aan.
Als er stiltes vallen en ik de moeheid en de drank voel, zeg ik dat zij in mijn bed mag liggen. Dat ik op de bank ga slapen. Even later zien we elkaar tandenpoetsend in de spiegel boven mijn wastafel. Zij zegt dat ik de tanden verticaal moet poetsen.

De volgende morgen breng ik haar op de fiets naar een uitvalsweg vanwaar zij liftend naar huis zal gaan. Ze heeft haar armen om mijn middel geslagen. Nadat ik haar heb afgezet kijk ik nog eens om. Ik zie de rode haren wapperend in de wind. Terug op mijn kamer ben ik totaal van de wereld. Ik begin aan een lange brief. ‘Ik zie je nog steeds bij de oprit staan, ik ruik de patchouli aan mijn hoofdkussen en Utrecht voetbalt vandaag tegen Haarlem. Everything reminds me of you. Wanneer kom je terug, vuurtorentje?’
Er ontstaat een wekelijkse correspondentie. Jozien wordt verliefd. Dat wil zeggen: op mijn brieven. Maar ze komt niet terug. ‘Je kunt een veel beter meisje vinden.’

0

WARMTEPOMP

Dagelijks

We ontvangen een uitnodiging van de gemeente voor een voorlichtingsavond over de energietransitie. We kunnen de informatie via een scherm tot ons laten komen, dus we hoeven er de deur niet voor uit. Heeft corona dan toch nog enige vooruitgang gebracht?
De presentatrice leidt de avond met optimisme en gezelligheid. De deskundigen zijn weliswaar niet echt geschoold in het brengen van een heldere boodschap, de urgentie wordt wel duidelijk. Er komt ook een jonge wijkbewoner aan het woord die zelf met weinig moeite zijn energieverbruik maximaal omlaag had gebracht. Ik ben een leek op installatiegebied, dus deze doe-het-zelf-aanpak is aan mij niet besteed. Maar wie niet zelf wil sleutelen hoeft niet te wanhopen, zegt de goedgemutste presentatrice. Er staat namelijk een heel leger aan consultants, adviseurs en geïnteresseerde wijkbewoners gereed om te helpen. Ik schrijf driftig de adressen op van de websites waar ik antwoord kan vinden op àl mijn vragen. Last but least zijn er diverse subsidieregelingen die ons het water in de mond moeten doen lopen.
We leren verder, dat de gemeente voorbereidingen treft om in alle wijken een gemeentelijk aardwarmtenetwerk aan te leggen. Onze wijk is tussen 2030 en 2040 aan de beurt. De vraag is natuurlijk of wij nog zullen meemaken dat de wethouder van de lokale partij Utrecht Me Stadsie in 2038 de eerste boring verricht.

Maak je eigen actieplan, is het adagium, en die aansporing laat ons niet onberoerd. We besluiten het aantal zonnepanelen uit te breiden en onze cv-ketel, die langzamerhand aan zijn pensioen toe is, te vervangen door een hybride ketel met een warmtepomp. Onze installateur, een traditionele loodgieter, stuurt ons al snel een uitgebreide offerte. En omdat we geleerd hebben om bij zo’n prijzige aanschaf, en niet alleen daarbij , naar meerdere aanbieders te kijken nemen we contact op met een bedrijf, dat gespecialiseerd is in zonnepanelen en warmtepompen, Zerogas. Binnen een week is er een man in huis die belooft na zeven dagen een offerte te sturen.
Vanaf dat moment komt er danig de klad in.

Ondertussen informeer ik in de buurtapp naar ervaringen. Dat levert twee reacties op van buurtbewoners die zich ook aan het oriënteren zijn. Een van hen heeft een offerte ontvangen van de Eneco. Op vragen hierover is door de Eneco herhaaldelijk niet gereageerd. Dan hebben wij toch snellere aanbieders uitgekozen, denk ik nog in mijn onschuld.
Wij nodigen onze installateur uit voor de beantwoording van vragen over de offerte. Het duurt vier weken voor de man tijd hiervoor kan vrijmaken. Na dat gesprek wordt ons nog een aanvulling beloofd, maar ook dat duurt weer weken. De offerte van Zerogas hebben we ondanks aandringen na twee maanden nog altijd niet ontvangen.
Vervolgens breekt de oorlog in Oekraïne uit, stijgen de gasprijzen naar recordhoogten, wordt ons van allerwege aangeraden om een warmtepomp aan te schaffen en ontvangen wij van de installateur een kort berichtje, dat hij de geoffreerde warmtepomp vanwege de overweldigende belangstelling niet voor het einde van het jaar kan leveren. Kan ik nu concluderen dat de oorlog net als de coronapandemie nog iets positiefs heeft opgeleverd?

4

OUDE TALEN

Herinnering

Tacitus

‘Vandaar werden de soldaten teruggeleid naar het winterkamp, terwijl zij in hun hart blij waren, dat zij de tegenspoed op zee door de goed verlopen expeditie hadden gecompenseerd.’ Zo vertaalde ik in de vijfde klas van het gymnasium een Latijnse tekst. De leraar had mij een 6- gegund, maar uit de vele onderstrepingen met zijn rode potlood voelde ik dat het eigenlijk een onvoldoende had moeten zijn. ‘Oh, oh, wat ben ik ongelukkig’, schreef ik onder het cijfer.
Ik denk dat het een tekst van Tacitus is geweest. Die schreef altijd over krijgstochten en oorlogsontberingen. Drie lesuren per week pijnigden we onze hersens met zijn Annalen. In de les luisterden we hoe een van ons zwoegend en aarzelend een tekst vertaalde. Wegdromen was er niet bij want als de vertaler van dienst een fout maakte, kon je zomaar aangewezen worden om te corrigeren of om de beurt over te nemen. En altijd was er de angst voor een klagelijke uithaal van de docent als we een stommiteit begingen. Als we bijvoorbeeld altus vertaalden met oud.
Het kan ook een tekst van Livius geweest zijn, de schrijver van de Romeinse geschiedenis. Ook zijn boeken lazen wij drie uur per week. Voor de afwisseling lazen we dan, drie lessen per week, de door Vergilius beschreven omzwervingen van Aeneas.
Met die negen uren Latijnse vertalingen waren we er nog niet. We lazen daarnaast Griekse schrijvers, óók negen uur per week: Homeros, Herodotus en Sophocles, de schrijver van Griekse tragedies. Φεύ, φεύ! (Ach, wee!) zijn de Griekse woorden die ik mij, niet zonder reden, het best herinner.
Van de vijfendertig lesuren besteedden wij er dus achttien (18) aan Latijn en Grieks. Wie nu zo’n lesprogramma zou voorstellen loopt de kans dat er kamervragen worden gesteld over het onnodig schade berokkenen aan kinderzielen.

Odysseus

Het gymnasium is de opvolger van de Latijnse school uit de negentiende eeuw, zo schrijft NRC-journaliste Mirjam Remie, van wie onlangs een lovend boek over deze opleiding uitkwam. Zonen uit de hogere kringen werden er onderwezen in talen en cultuur. Zonder de klassieken kon de Europese cultuur niet begrepen worden. Zonder de klassieke filosofie kon men de wereld niet kennen.
Toen ik in 1964 aan het gymnasium begon was dat niet vanuit een jarenlange familietraditie, al waren een broer en een zus mij voorgegaan. De keuze kwam al helemaal niet voort uit mijn belangstelling voor de klassieke oudheid, integendeel. De enige reden was, dat het gymnasium aangeschreven stond als het hoogste wat je kon bereiken. Wie het gymnasium kon halen meldde zich niet voor de HBS. Voor mijn ouders telde nog dat een gymnasiumopleiding een minieme kans in leven hield dat ik alsnog voor een priesteropleiding zou kiezen.

Er waren leerlingen die aardigheid hadden in de talloze oorlogen die Tacitus beschreef of in de omzwervingen van Odysseus. Zij vormden de uitzondering. Voor mij was het verplichte kost. Het ging mij louter om goede cijfers en daarvoor was ik bereid om altijd braaf mijn huiswerk te maken. Maar wie denkend aan de hitparade en de voetbalcompetitie woordjes zit te stampen en verbuigingen probeert te ordenen, moet dat wel heel vaak herhalen.

2

MEDISCHE INFORMATIE

In het nieuws

De schroeven die mijn heupbotten bij elkaar hielden

Ruim tien jaar geleden werd ik geopereerd aan een heupbreuk. Daarbij werden de gebroken uiteinden weer vastgezet door middel van drie flinke schroeven. Die pinnen konden daar rustig blijven, zo vertelde de specialist. Maar als ik er last van kreeg, dan was hij graag bereid om ze er weer uit te halen.
Laat ik eens op internet kijken, bedacht ik, wat de voor- en de nadelen zijn. Dat had ik beter niet kunnen doen. Op fora waar ervaringen gedeeld worden las ik het ene na het andere akelige verhaal over de nadelen van het gebruik van schroeven, over tal van complicaties die kunnen optreden, over mensen die jaren later nog last hadden van de operatie.
Het is een bekend effect: wie ergens last van heeft laat dat eerder weten dan wie uiterst te tevreden is. Fora met ervaringen op medisch gebied zijn daarom verzamelplaatsen van alle mogelijke onheil. Het leek me beter om me te beperken tot door artsenorganisaties geredigeerde sites.

Maar ook van betrouwbare sites of artikelen kan je je afvragen of kennis over ziekten en gebreken bevorderlijk is. Van medische studenten in opleiding weten wij dat zij allerlei kwaaltjes gaan voelen nadat ze gehoord hebben wat er mis kan gaan met diverse organen. Ik moest daaraan denken, toen ik in de Volkskrant van 12 maart j.l. een artikel las over de vroegtijdige herkenning van hartklachten: Nooit klachten gehad en dan een hartinfarct. Een arts die de kans op problemen moet inschatten werkt met een lijstje risicofactoren. Wie ongezond eet en hartpatiënten in de familie heeft weet dat hij een grotere kans heeft op een hartinfarct. Maar wat blijkt? Er zijn, aldus het artikel, genoeg mensen die niet aan het risicoprofiel beantwoorden, maar wel hartklachten krijgen.
Heb ik iets aan deze kennis? Het roept een wat zorgelijk gevoel in mij wakker. Ik kan natuurlijk direct op zoek gaan naar het telefoonnummer van een privékliniek waar ik via een CT-scan kan laten achterhalen of mijn aders aan het dichtslibben zijn. Maar voor optimale zekerheid moet ik dan nog veel meer laten controleren. En dan nog weet ik niet alles, want er zijn verschillende kwaadaardige tumoren die zich pas aankondigen als het al te laat is. Ooit zong het Klein Orkest over iemand die zeer gezond leefde, maar toch niet oud werd omdat hij aangereden werd op een zebrapad. Het zit wel vaker eens tegen, gewoon blijven bewegen.

Juist één dag nadat ik voor de tweede keer door het coronavirus besmet was geraakt, las ik in diezelfde uitgave van de Volkskrant over het effect van een coronabesmetting op de hersenen. Corona doet de hersenen iets krimpen, zo stelden onderzoekers in Oxford vast. Ook blijken de voormalige coronalijders relatief wat minder goed in cognitieve taken. Dat komt dan bovenop het krimpen als gevolg van de veroudering.
Ik lees het, maar wat heb ik eraan? Het leed is al geschied. Ik heb nu hoogstens een kapstok waar ik eventuele denkfouten aan kan ophangen. ‘Ja sorry, dat wist ik even niet meer, mijn hersenen zijn bovennormaal gekrompen.’ Want dat laatste vergeet ik natuurlijk niet.

0

GELUKSVOGEL

Dagelijks

Sinds 24 februari kijk ik iedere ochtend na het opstaan eerst op Teletekst om te weten of er nog nieuws is uit Oekraïne. Daarna pas pak ik de krant. Ik lees de verhalen over de mannen die hun kostuum omwisselen voor een gevechtspak. Over de mensen in de schuilkelders en de angsten tijdens de inslagen van raketten. Ik zie de foto’s van de geblakerde gevels van flatgebouwen, van de mensen die hun leven wagen op straat om een naaste naar een ziekenhuis te brengen. Hoe zou ik reageren in zo’n situatie? Ik zou niet eens weten waar hier een schuilkelder in de buurt is. Het gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. En tussen al die gedachten over de oorlog dringt het besef door dat ik tot de generatie geluksvogel behoor.

Op de eerste plaats omdat ik nooit een oorlog heb meegemaakt en nooit heb hoeven vechten. De vrede en vrijheid die we kennen zijn als het water voor een vis: zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat. Maar er is veel meer dat mij tot een bevoorrecht mens maakt.
Ik groeide op in een veilige, groene, niet-vervuilde omgeving. Ik genoot degelijk onderwijs, wat mij hogerop bracht. Ik was jong in de jaren zestig, een decennium waarin de rode loper van vrijheid en autonomie voor mijn generatie werd uitgerold. Een golf van democratisering ging door het land. Mijn studie werd deels gefinancierd en ik mocht er lang over doen. De opkomst van de popmuziek was een ongekende ervaring. We konden ons eigen leven leiden, met voldoende middelen, ook op het gebied van genot en anticonceptie. Onder de dienstplicht uitkomen was een koud kunstje. Vervolgens leverde de studie een goed betaalde baan op. We kochten voor een habbekrats een huis en werden slapend rijk omdat het huis elk jaar meer waard werd. Ik had een baan met veel autonomie en voldoende ruimte voor creativiteit. Part-time, zodat ik ook nog verzorgende taken op me kon nemen en me kon uitleven in hobby’s. Lieve vrouw en kinderen, vrienden, goede gezondheid, vakanties naar het buitenland. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan zes van de zeven vinkjes van Joris Luyendijk aankruisen.

Voor zo’n geluksvogel als ik is het toch wel bijzonder dat ik zo vaak geprotesteerd heb tegen wat er in mijn ogen mis is in de maatschappij: de ongelijke kansen, discriminatie, de wapenwedloop, het gebrek aan democratie. Dat komt er blijkbaar van als je bent opgevoed met het streven dat altijd alles beter moet en dat we de hemel nog niet bereikt hebben. Maar heeft het wat uitgehaald? De kernwapens zijn de wereld niet uit, de ongelijkheid neemt toe, de milieuvervuiling kookt over.
De generaties voor mij hebben oorlogen gekend en economische crises. Wij konden profiteren van de vooruitgang en de welvaart. Voor de generaties na mij ziet het er voorlopig niet naar uit dat het beter wordt. Laten wij, van de geluksgeneratie, het huis waarin we zo heerlijk gewoond hebben, in een slechtere staat achter? Het is goed om hoop te houden. Maar ik heb er op zijn minst een ongemakkelijk gevoel bij.

1

CITYMARKETING

Dagelijks

Er is goed nieuws te midden van alle ellende: de EBU is weer bij elkaar! Voor wie het nog niet gelezen heeft: de Economic Board Utrecht is een samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en lokale overheden, opgericht om de regio Utrecht wereldwijd op de kaart te zetten, ditmaal met het thema gezondheid.
Utrecht heeft al de hoogste toren van het land. Nergens in Nederland is de brede welvaart zo hoog als hier. Het Utrecht Science Park is het grootste van de Benelux. De stad was een paar jaar geleden de beste fietsstad ter wereld en wij hebben de grootste fietsenstalling van de aarde en omstreken. En nu liggen er, aldus de EBU, voor de Utrechtse metropoolregio geweldige kansen om koploper te worden op het gebied van gezondheid en gezonde leefomgeving.
Dat u het maar even weet. Wat er nog ontbreekt is dat wij de grootste psychiatrische instelling hebben. En de grootste gevangenis.

‘De beste dames-tasschen vindt men bij magazijn De Concurrent’, klonk het in de vorige eeuw. ‘Onze collectie corsetten met elastieken binnenband kent haar weerga niet.’ Die aanprijzingen zijn nu overgeslagen naar elke zichzelf respecterende stad of gemeente. Citymarketing is een bedrijfstak van jewelste geworden. I Amsterdam.
In Utrecht kennen we Utrecht Marketing, ‘een partnerorganisatie, kennispartner en reputatiebouwer, die als verbinder partijen sectoroverstijgend samenbrengt.’
Het Merk Utrecht staat voor ‘een stad van makers met een drang tot vernieuwen en verbeteren. Kleine en grote ideeën worden hier werkelijkheid dankzij inspirerende verbindingen, verrassende kruisbestuiving en slimme samenwerking.’ Bent u er nog?
Het profiel dat Utrecht onderscheidend maakt is dat van ‘een verbindende creator.’ Waar gaat het dan om? ‘Hier wordt overal iets gemaakt, valt overal iets te ontdekken, vind je overal inspiratie.’ Ook in gezwollen taalgebruik wil Utrecht kennelijk de beste zijn.
In 1995 telde Utrecht 235.000 inwoners, nu zijn dat er 360.000. De stad wil de komende jaren doorstoten naar de 400.000. Daartoe moet elk stukje onbebouwde of verkeerd bebouwde grond worden opgevuld. Bijvoorbeeld de gebiedsontwikkeling Cartesius. ‘Een leefomgeving die bewoners en bezoekers in staat stelt om automatisch te doen wat goed is voor mens en natuur.’ Een plek om op te laden. ‘Cartesius is een gezond en duurzaam statement van wereldformaat’, aldus de baas van Ballast Nedam. Gesproken wordt van een wereldprimeur.

Nog een laatste voorbeeld. De EBU heeft het project Utrecht Talent Alliantie ontwikkeld. De metropoolregio wil het beste talent naar zich toehalen. Zorgen voor voldoende verpleegkundigen bijvoorbeeld.
Op dit punt wil ik dan toch een instemmend geluid laten horen. Die broeders en zusters zullen we met de toenemende vergrijzing hard nodig hebben. Jammer alleen dat Leiden, Apeldoorn en Breda net zoveel bakken geld uitgeven om die verpleegkundigen naar zich toe te halen.
Het Utrecht Marketing Team kan het niet alleen, zo lees ik op de site. Iedere bewoner wordt geacht zijn steentje bij te dragen. Iedereen moet hetzelfde geluid laten horen, dan wordt het een krachtig signaal. Ik heb deze week alvast geoefend. Dit was mijn eerste bijdrage.