Schrijven, Lezen, Leven.
1

DIERGENEESKUNDE

Herinnering

Het is je wellicht ontgaan: onlangs bestond de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht 201 jaar. Het is de enige universitaire veterinaire opleiding in ons land. De faculteit heeft een naam die tot buiten de landsgrenzen reikt. Toen ik studeerde in de jaren zeventig werden er vanuit Israël, waar zo’n opleiding destijds ontbrak, groepen studenten naar diergeneeskunde in Utrecht gezonden. Zij waren de voorlopers van de huidige horden buitenlandse jongeren die om de een of andere reden Nederland uitgekozen hebben voor hun academische studie.
Bij ons op de studentenflat woonde Amir, een gedrongen jongeman met veel lichaamsbeharing. Geschikt voor het groepsleven was hij niet. Hij gebruikte de keuken annex gemeenschappelijke ruimte alleen om iedere middag en iedere avond water te koken voor de thee. Van hem heb ik de uitdrukking ha maim rotchien geleerd. Dat is Hebreeuws voor ‘het water kookt’. Dat was een uiterst nuttige mededeling, want zodra hij een ketel water op de elektrische kookplaat had gezet trok Amir zich weer schielijk in zijn kamer terug. Er is menige fluitketel kromgetrokken omdat het water al verdampt was voor hij terugkeerde. Verder leerde ik van hem dat sofie ‘eindelijk’ betekent. Dat was toen ik achter een meisje met die naam aanliep. Dat heeft niet lang geduurd, maar Amir heeft nog vaak gevraagd of er nu eindelijk eens iets van kwam.

Bron: RTV Utrecht

Toen er een kamer vrij kwam kreeg Amir gezelschap van zijn landgenoot Nechemia. Ook deze jongeman droeg een baard. Die was op diverse plaatsen grijzig en kaal. Dat kwam, zo vertelde hij, omdat hij tijdens de Zesdaagse Oorlog in een tank zat, die in brand was gevlogen. We leerden van hem brood met ei bakken, een soort kruising tussen een wentelteefje en een gebakken ei. Dat kwam ook weer uit die Zesdaagse Oorlog. Ik was diep onder de indruk. Ik kwam niet zo vaak mensen tegen die in een oorlog gevochten hadden. Nechemia was een stuk socialer dan zijn landgenoot, hij sprak ook veel beter Nederlands. We keken er daarom niet van op, dat hij al snel binnen de geneeskunde overstapte van het dier op de mens. ‘Ik vind de boer interessanter dan de koe’, was zijn uitleg.
Daarnaast hadden we ook nog Wim, de derde diergeneeskundestudent. Of eigenlijk was hij de eerste. Wim had op zijn kamer een groot aquarium met tal van kleurrijke visjes. Dat weet ik nog door één specifieke gebeurtenis. We woonden op vijftien hoog en toen het op een oktoberavond orkaanachtig stormde bewoog de flat heen en weer. Dat kon je zien aan het schommelende water in het aquarium. Wim sprak nooit over zijn studie. Misschien had hij het ooit geprobeerd en stonden we er niet voor open. Zijn belangrijkste inbreng was, begin jaren zeventig, de introductie van de racefiets. Dat werd een rage en de gangen kwamen vol racefietsen te staan.
Dit alles kwam weer naar boven toen ik deze week op de wc zat en op de scheurkalender Utrecht 900 jaar het nieuws over de faculteit diergeneeskunde las.

3

DE VRAGENDOOS

Dagelijks

Afgelopen zondag vierde ik mijn zeventigste verjaardag. We hadden het Koetshuis van Restaurant Dengh, op de rand van Utrecht en Vleuten, afgehuurd. Een mooie locatie die ik anderen kan aanraden (hiermee heb ik een belofte ingelost die ik bij het afscheid aan het personeel heb gedaan).
De NS werkte aan het spoor, waardoor sommige gasten een flinke omweg moesten maken, maar dat was dan zo ongeveer het enige wat tegenzat. Er waren veel vrienden en familieleden, mooie toespraken, treffende liedjes, cadeaus en gezellligheid. Het weer was prachtig. Ik voelde me dankbaar maar ook wat ongemakkelijk bij alle aandacht.
Midden in het leven was het motto van het feest, een wat provocerende titel om aan te geven waar ik mij voel staan. Dat verhindert niet dat de eindigheid van het leven steeds vaker tot mij doordringt. Dat bleek ook tijdens het feest.

Kleindochter van elf was binnen komen lopen met een doos die beplakt was met kleurige versieringen en de tekst: ‘opa zeventig jaar’. In de deksel had zij een gleuf geknipt. Ze gaat toch niet iets ophalen voor een cadeau, was mijn eerste gedachte. In de uitnodiging had ik zelf immers het banknummer van een goed doel vermeld. Later pas zag ik de woorden De Vragendoos en Stel de ultieme vraag (wat je zou kunnen opvatten als ‘nu opa er nog is’, maar dat zal zij niet bedoeld hebben). Het bleek het voorspel voor een interview dat later die middag plaatsvond. Kleindochter en ik zaten naast elkaar voor het veelkoppige publiek. Zij diepte telkens een van de vragen op die de gasten op kleine papiertjes in de doos gedeponeerd hadden.
Er waren vrolijke vragen bij, zoals: hoe lang houdt Arnold al van augurken? Waar heeft opa oma leren kennen? Bijzondere vragen als: welke uitvinding in de afgelopen zeventig jaar is volgens jou het beste geweest? Maar veel gasten hadden de gelegenheid aangegrepen om persoonlijke vragen te stellen: hoeveel vriendinnen heeft opa gehad (vóór oma)? Als je de tijd kon terugdraaien, waar zou je een andere keuze hebben gemaakt? Wat uit je opvoeding heb je juist wel of niet meegegeven aan je kinderen? Dit soort vragen maakten me een beetje benauwd. Wat moest ik doen? Me ervan afmaken met een kwinkslag, gelet op de feeststemming? Of serieus beantwoorden? Ik probeerde het laatste.
Ik had bewondering voor mijn kleindochter die zich kranig weerde als interviewster. Ze nam niet direct genoegen met een antwoord en vroeg regelmatig door.

– In welke fase (decennia) van je leven was / ben je het gelukkigst?
‘Ik denk in deze fase. Ik kan nog van alles, maar ik hoef niets.’
– Wat is het meest confronterende van ouder worden / zijn?
‘De tijd die sneller lijkt te verstrijken. Een gebeurtenis van tien jaar terug lijkt maar zo kort geleden. Als ik dat omdraai naar de toekomst, dan volgt mijn 80e verjaardag (mocht ik die halen) al snel.’
Tot slot een vraag die ongesteld achtergebleven was in de doos:
– wat wil je de komende tien jaar zeker nog (een keer) gedaan hebben?
Mijn antwoord zou zijn geweest: ‘nog eens zo’n feest geven.’

4

KALF EN KUIT

Dagelijks

Joseph Haydn

In mijn zangweek in Italië zong ik onlangs met een bas en een tenor het lied Daphnens einzige Fehler. Een compositie van Joseph Haydn op een schertsende tekst, een gelegenheidswerkje. In het lied scheppen drie mannen beurtelings op over de kwaliteiten van Daphne. Ze heeft zulke mooie ogen, prachtige handen, een fraaie mond. Ze heeft goede manieren, kan goed spreken en weet op het juiste moment te zwijgen. Maar, dan komt het: Daphne heeft één gebrek. O wüsste Daphne nur noch zu lieben, klagen de mannen in, letterlijk, vele toonaarden. (Ze bedoelen natuurlijk dat zij Daphne niet in bed kunnen krijgen en wijten dat aan een gebrek aan haar kant.)

Het lied zou het vermelden niet waard zijn geweest als het niet de aanleiding was geweest voor een interessante zoektocht naar een taalkundig fenomeen: kalf en kuit. Voor ik daarop inga, moet ik eerst nog wat uitleggen over onze week in Italië.
De zangstudio waar wij oefenen ligt in Maglioggio, een gehucht 250 meter boven het dal en het dorp Crodo. Het hotel waar wij verblijven ligt op de tegenoverliggende helling, in het dorpje Mozzio, 350 meter boven het dal. Er is een busje geregeld voor het vervoer, maar de meeste zangers kiezen ervoor om een- of tweemaal per dag te lopen. Omlaag en omhoog, een heerlijke wandeling van ongeveer een uur. Tijdens de lunch vertelde de bas dat hij die ochtend achter de fraaie kuiten van een van de sopranen omhoog was gelopen. Moeten we dan, zo vroeg ik daarop, ook niet over de kuiten van Daphne zingen? Wat is een kuit eigenlijk in het Duits, was de volgende vraag. Google gaf snel het antwoord: Kalb. ??? Ja, het klopt, het Duits gebruikt hetzelfde woord voor kalf als voor kuit.
Iemand zocht verder en vertelde met stijgende verbazing dat in het Italiaans vitello zowel kalf als kuit betekent. Het Spaanse becerro idem dito. Daarna vlogen de talen over de lunchtafel. Het Russisch, het Zweeds, het Turks, het Grieks, al deze talen kennen hetzelfde woord voor kalf als voor kuit.

bron: www.eigenkracht.nl

Dat riep twee vragen op.
Op de eerste plaats: welke overeenkomst tussen een kalf en een kuit maakt dat zoveel talen hiervoor hetzelfde woord gebruiken? We zochten verder. In vele oude talen is het woord kalf verwant aan woorden voor baarmoeder en foetus (jong dier), maar ook aan woorden voor dik persoon en gezwel. Vandaar is de stap naar dikke of weke kuiten niet meer zo groot.
Maar dan de tweede vraag: waarom gebruiken al die talen hetzelfde woord voor kalf en kuit en heeft alleen het Nederlands twee woorden? Daarop moest dr. Google ons het antwoord schuldig blijven. Later die week spraken we een Italiaanse. Zij gebruikt voor kuit een heel ander woord dan vitello. Zou het kunnen, zo vroeg ik mij af, dat er meer talen zijn die verschillende woorden voor kuit hebben, maar dat Google Translate er steeds maar eentje weet?

4

MIJN ARIA

Muziek

Het is zover, ik ben aan de beurt. Met de partituur en een potlood in mijn klamme handen en mijn bril nog boven op mijn haar stel ik mij op tegenover de groep van twee zangdocenten en zeven collega-zangers. Exemplaren van de partituur worden verspreid, zodat ieder kan meelezen. Ik zoek de ontspanning in mijn lijf, dat lukt hooguit een seconde. Roberto, de pianist informeert naar het tempo. Ik draai de muziekstandaard nog iets omlaag. Het gaat vast wel lukken, schiet er met enige bravoure door mijn hoofd, maar ik voel mijn hart tikken. Dan zet Roberto het intro in, acht maten tot aan mijn inzet.

Voor de vijfde keer volg ik eind augustus de zangweek Belcanto in de bergen van de Amsterdamse zangpedagoge Hester Noyon. Plaats van handeling: Crodo, een dorp in de Italiaanse Alpen, bekend geworden van het drankje dat naar het dorp is genoemd: Crodino. Vijf vrouwen en drie mannen, in leeftijd tussen de vijftig en de zeventig, doen mee. Ieder zingt een aria en een duet of terzet (trio). Daarnaast zingen we gezamenlijk twee koorstukken. Aan het einde van de week zijn er optredens in twee verschillende kerken. Dit jaar zingen we werken van Joseph Haydn.
Mij is een bariton-aria uit Die Jahreszeiten toebedeeld: Schon eilet froh der Ackermann. Een lied over een boer die vrolijk fluitend achter zijn ploeg aanloopt en daarna met afgemeten passen het zaad uitstrooit. Flötend nach, flötend nach. In technisch opzicht is het een redelijk eenvoudig stuk, al komt er een passage in voor van acht maten vol zestiende nootjes. De uitdaging zit ‘em in de interpretatie en expressie. Wat kan je meer doen dan het overbrengen van het vrolijke fluiten?

Repetitie in het kerkje van San Antonio in Maglioggio

Aan het begin van de week zingt iedere deelnemer zijn aria voor de eerste maal voor de groep. Ik vind dit een spannend moment, misschien nog wel spannender dan de uiteindelijke uitvoering voor het Italiaanse publiek. Dat is, zo weet ik uit ervaring, complimenteus en enthousiast. Mijn collega-zangers daarentegen hebben meer geoefende oren. Ze horen de details in de ademhaling, de dynamiek, de uitspraak, de frasering, de expressie. Mijn hemel, hoe verder je komt, hoe meer valkuilen je tegenkomt. En dat niet alleen. Wie zingt geeft zichzelf bloot. Wat laat ik zien? De bedaarde volwassene die de lat lager probeert te leggen of de tienjarige jongen die alles wil winnen? De jongen meet zijn prestaties af aan de anderen in de groep. Mijn medezangers kennen natuurlijk dezelfde uitdagingen en zij steunen me in de moeilijkheden, maar tegelijk zijn ze ook mijn concurrenten in complimenten en applaus.
De kritieken op mijn eerste optreden zijn mild en opbouwend. Ik ben ‘redelijk tevreden’. Het voorkomt niet dat ik me in deze week regelmatig zal afvragen: waarom zoek ik deze spanning? Wat wil ik bereiken?

Dit is de geluidsopname van mijn aria tijdens de generale repetitie (tweemaal klikken).

Voor de liefhebbers van koormuziek hierbij het Agnus Dei uit de Kleine Orgelmesse van Haydn, zoals uitgevoerd door ons ensemble op 28 augustus j.l. in de San Rocco in Viceno. Orfeas John Munsey, de tweede docent, dirigeert. De opname begint na 12 seconden.

 

0

LEERZAME BOEKEN

Dagelijks

De Volkskrant liet deze zomer een aantal schrijvers aan het woord over de belangrijkste boeken die hen gevormd hadden. Als vanzelf vroeg ik mij af van welke boeken ik veel geleerd heb. Voor ik deze vraag beantwoord, moet ik eerst een bekentenis doen: ik ben helemaal niet zo’n lezer. Als ik een uur over een boek gebogen zit krijg ik de neiging om de was op te hangen of de boontjes te haren. Als kind speelde ik liever buiten. Later las ik alleen in vakanties. En nu ik meer de tijd heb lees ik vooral boeken in het kader van mijn schrijfprojecten. Toen ik een paar maanden geleden een gesprek had met een uitgever, vroeg deze mij of ik ook zo’n fan was van de Russische literatuur. De man had even tevoren mijn schrijfstijl de hemel in geprezen. Ik durfde daarom nauwelijks te bekennen dat ik nog nooit een Tolstoi of Dostojewski gelezen heb.

1. De eerste titel die de vraag van De Volkskrant bij mij opriep is De koperen tuin van Simon Vestdijk. Het gaat over een gevoelige jongen die, in de eerste helft van de twintigste eeuw, verliefd wordt op de dochter van zijn pianoleraar. Het is een boek dat doortrokken is van mislukte strevingen. Aanvankelijk kwam ik maar met moeite door alle volzinnen heen. Maar hoe meer ik las, hoe meer ik gegrepen werd. Het was alsof ik zelf rondwandelde in die stadstuin. Ik was het zelf die leed onder de onbereikbaarheid van de liefde. Later zorgden boeken als Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen en Terug tot Ina Damman van Vestdijk voor vergelijkbare gevoelens.
2. Van geheel andere aard is Het Verzameld Werk van G.L. Durlacher. In zijn oeuvre staan zijn ervaringen als Joodse jongen in de Tweede Wereldoorlog centraal. Ik had over concentratiekampen gelezen, films gezien, maar pas toen ik de sobere teksten van Durlacher las greep de ellende van het kampleven mij danig bij de keel. Zijn beschrijving hoe hij bij terugkeer in Nederland werd genegeerd en buitengesloten bleef dagen bij mij hangen.

3. Toen ik in mijn studententijd de verhalen van Maarten Biesheuvel in zijn debuut In de bovenkooi gelezen had wilde ik iedereen overhalen dit boek te lezen. Zoals het verhaal over de man in een rijdende bus, die dacht dat de wielen van de bus de aarde deden draaien. De gekte, de humor, de superieure schrijfstijl, het onverbloemd beschrijven van de eigen tekorten, alles beviel me.
4. In de romancyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden las ik het relaas van mijn generatie, al ken ik niet de Brabantse folklore en het verslavingsgedrag van de protagonist.
5. Het schitterende gebrek van Arthur Japin, en meerdere van zijn boeken, brachten me de voorliefde voor geromantiseerde versies van ware, historische gebeurtenissen. Hetzelfde geldt voor de boeken van Stefan Hertmans, zoals het prachtige Oorlog en terpentijn. Deze boeken worden tot de fictie gerekend. Die van Frank Westerman (bijv. De graanrepubliek), Alexander Münninghof (De stamhouder) of Jan Brokken (De vergelding) tot de non-fictie. Alle genoemde werken bevinden zich in het grensgebied, voor mij een grote bron van inspiratie.

———–

Ik ben voor een zangweek in Italië. Mijn plan is om mijn volgende bijdrage op 3 september te publiceren.

1

HET GROTE PARADIJS

Herinnering

Vakantieherinnering (10)

Nooit stonden we op een mooiere camping als in de zomer van 1995 in het Zwitserse Nax. Of, laat ik me preciezer uitdrukken, nooit hadden wij zo’n fraai uitzicht als vanaf ons terras naast de tent. De camping heette niet voor niets Grand Paradis. Ze lag hoog op de hellingen boven een zijdal van de Rhône. Zonder enige belemmering keken wij uit over de bergwereld rondom: rijen van kale rotspieken en besneeuwde toppen. Tegenover ons op de beboste hellingen lagen miniatuurdorpjes aan slingerende weggetjes. Rechts daarvan lag Sion in de diepte. Het was alsof de duivel ons al het moois van de wereld liet zien. Ik had voortdurend de behoefte om het uitzicht vast te leggen, bij ochtend en avond, in de zon, bij naderend onweer. Maar zoals mijn ogen het zagen liet het landschap zich niet pakken door mijn camera.

‘BEN JE ER NU PAS?’

In geen enkele vakantie hebben wij zoveel gewandeld als over de bergpaadjes boven Evolène, Arollo en Ferpecle. Nooit waren de zoons, op dat moment tien en acht, zo gemotiveerd voor de tochten. En er gebeurde nog iets bijzonders. Tijdens de klim naar de Anenhütte, in het Lötschental, kon ik hen niet meer bijhouden. Ik was 43, in de kracht van mijn leven en in goede conditie, maar in de laatste steile kilometers voor de hut moest ik, hijgend en zwetend, hen laten lopen. Het bleef op dat moment bij een verbaasde constatering, maar achteraf bezien was dat misschien wel het keerpunt. Misschien was ik daar wel op de helft van mijn leven (als het meezit). Ik behoorde opeens tot de oudere helft van het mensdom.

ZELF FIKKIE STOKEN

Op de Nationale Zwitserse feestdag, 1 augustus, werden alle campinggasten getrakteerd op een plak Raclette, half gesmolten Zwitserse kaas, geserveerd met een augurkje en een plastic bekertje halfvol met water aangelengde Fendant. Het leidde bij ons tot het ontstaan van het woord raclette-scheetje, als aanduiding voor een wind waarvoor je geen verantwoordelijkheid hoeft te dragen.
Daarna was het tijd voor het hoogtepunt van de avond. Twee mannen duwden een gammele houten kar vol vuurwerk tot bij het terras met feestvierders. Vuurpijlen, repeterende lichtkogels en sterrenregens wierpen vervolgens hun gekleurde licht op de gasten die met het hoofd in de nek omhoog staarden. Terwijl een van de twee mannen zich over de kar boog, stak de ander naast diens hoofd een sissende pijl aan. Nog brandende resten duwden ze met de hand de kar af, waardoor het gras op meerdere plaatsen vlam vatte. Wij schoven onze stoelen een stukje terug. Toen ook de houten bodem van de kar vlam had gevat en het ernaar uitzag dat het nog ruim overgebleven vuurwerk in één verwoestende knal zou ontploffen gooide een van de mannen onder toenemend gegil van de gasten een emmer water over de bodem, waarna de ander de pakketten met de ontvlambare mengsels uit elkaar begon te trekken om te redden wat te redden viel. ‘Vuurwerk afsteken bij de tenten is niet toegestaan’, had ik eerder die dag op de camping gelezen. Dat is werk voor Zwitserse specialisten.

1

CADIER EN KEER

Herinnering

vakantieherinnering 9

Janne Janssen zijn vrouw, dat was een koorddanseres
Maar bij gebrek aan een touw klom zij op het bordes
Het eten werd koud en Janne Janssen werd heet
En in de straat weerklonk zijn kreet:

Het is 1961. Wij gaan voor het eerst op zomervakantie. Mijn ouders hebben een vakantiewoning gehuurd boven een café in Cadier en Keer, in het Zuid-Limburgse heuvelland. De fietsen en vaders Solex zijn mee. Nog maar nauwelijks vertrokken uit Maastricht krijgen we de eerste klim voor de kiezen. Dat is nog wat anders dan de hoge brug in Maarssen. Het weerhoudt ons er niet van om er iedere dag met de fiets op uit te trekken. Mijn vader duwt mijn moeder omhoog (als er geen agent in de buurt is) en als het al te steil is gaan zij lopen. Dat is ver beneden mijn stand. Voor mij, negen jaar oud, zijn die hellingen een uitdaging. Ik wil als eerste boven zijn en laat me daarna omlaag vallen, mijn trappers houden het niet bij. Regelmatig fiets ik zonder mijn handen aan het stuur (als mijn moeder het niet ziet) langs de smalle wegen, de kapelletjes en kruistekens. Het geeft me zo’n machtig gevoel, dat ik met mijn losse armen het gebaar maak dat ik van de priesters in de kerk ken: Dominus vobiscum, de Heer zij met u.

Voor het eerst op een waterfiets

Ik kijk mijn ogen uit, alles is hier anders. We maken uitstapjes naar Maastricht waar mijn vader ons voorgaat in verschillende kerken en waar we een boottochtje op de Maas maken. In Valkenburg vermaken we ons bij de Wilhelminatoren. We volgen een rondleiding in onderaardse grotten. Na afloop zeur ik om vilten hoedje dat in een toeristenkraam hangt, zo een die bij een Lederhosen past. Mijn vader gunt het mij. Natuurlijk fietsen we naar het Drielandenpunt, waar ik opgewonden om de drie paaltjes heen hol. ‘Nu ben ik in Duitsland, nu in België, nu in Nederland.’
Vakantie of niet, op zondag gaan we naar de Heilige Mis. In de kerk van de Heilige Kruisverheffing gaat het er wat gemakkelijker aan toe dan ik gewend ben. Er zijn aparte banken voor de kinderen. Onwennig schuif ik erin. Onder het lezen van het Evangelie gaan de kinderen zitten. Dat hoort volgens mij niet. Dus blijf ik als enige knielen, zodat de andere kinderen hun benen niet goed kwijt kunnen.

In het café onder onze kamers komen we alleen om een ijsje te halen. Ik blijf dan altijd even hangen, aangetrokken als ik word door een glimmend apparaat. Gebiologeerd kijk ik naar de rijen genummerde knoppen: A24, B35 enz. Naar hoe de machine een plaatje uit de rij haalt, kantelt en op de draaitafel legt.
Als wij terugkomen van een fietstocht, als we boven de aardappels eten, als ik ’s avonds in bed lig: er is één lied dat steeds uit het café schalt.

Komme van dat dak af, ik waarschuw niet meer
Nee, nee, nee, nee, nee, nee, van dat dak af
‘k waarschuw niet meer
Komme van dat dak af, dat was de laatste keer

Met op het einde het geraas van donderende dakpannen.

1

PANAMA

Dagelijks

Hiernaast zie je het cadeau dat ik van G. kreeg voor mijn zeventigste verjaardag. Een zonnehoed van de firma Mayer, est. 1800. Ik hou wel van de zon, maar mijn hoofd niet. En omdat de koperen ploert zich steeds meer als zodanig gedraagt ga ik ’s zomers niet zonder hoofddeksel naar buiten. Het strooien hoedje dat ik ooit voor een habbekrats op een markt in Frankrijk had gekocht was gescheurd toen ik het in een koffer perste. Dus de suggestie van G. om een nieuwe zonnehoed uit te zoeken was direct raak. Was ik tegelijkertijd verlost van het probleem dat ik niet wist wat ik voor mijn verjaardag moest vragen.

Zo lopen wij op een zonnige middag naar de Bakkerstraat in Utrecht, naar Jos van Dijck, sinds 1923 (geen kledingmerk of -zaak zonder jaartal). Een winkel waar men hoofddeksels van enige stijl en enige prijs verkoopt. Jarenlang ben ik hieraan voorbijgelopen. Maar onderhand ben ik (est. 1952) al net zo arrivé en traditioneel als de waren die men daar aanbiedt.
Hier geen hoge glazen puien en felle spots, geen bonkende muziek. Binnengekomen moeten mijn ogen wennen aan het beperkte licht. De schappen langs de wanden links en rechts liggen barstensvol hoofddeksels. De verkoopster is een wat saai ogende dame van onbestemde leeftijd. Haar kwaliteiten zitten in de materialenkennis, haar oog voor de maat. Een zonnehoed wordt ook wel panama genoemd. De hoed is gemaakt van gevlochten bladeren. De oorsprong ligt in Ecuador en de geleerden zijn het er nog niet over eens waarom dit type de naam panama heeft meegekregen.
Binnen de kortste keren ligt de toonbank vol met allerhande op elkaar lijkende exemplaren. Er zijn kleine verschillen in kleur, structuur en breedte van de band. Me omdraaiend naar de spiegel pas ik de een na de ander. Mijn oren zitten dubbelgeklapt onder de rand. Zou dat normaal zijn of zou ik ze ertussen moeten stoppen, vraag ik me af. Als ik niet direct een model kan kiezen, loopt de verkoopster het magazijn achter de winkel in om nog meer soortgelijke exemplaren te halen. Dat maakt het er niet eenvoudiger op.

Badkoetsen aan het strand van Domburg

Nooit geweten wat nu precies een panama is, bedenk ik, als ik met mijn nieuwe verworvenheid de winkel uitloop. Terwijl ik er vaak over gezongen heb. Toen vriend T. en ik optraden met een programma van oude, nederlandstalige liedjes, was De Ballade een van onze favorieten. Het is een tekst over een jonge vrouw en een jongeman die zodanig verliefd worden op het strand dat zij niet in de gaten hebben dat zij worden omspoeld door de oprukkende branding.

Zo zaten zij daar nu tezamen, natvoets
Een badman wou hen redden in een badkoets
Noch ’t een noch ’t ander hielp hen uit de nood
Voor ogen hadden zij een wisse dood

Zij werd bang en huilde om haar pa en ma
En hij wier woest en zwaaide met zijn panama
Maar ’t enige wat er van hen overbleef
Dat was de panama die op de golfjes dreef….

2

MIJLPAAL

Dagelijks

Afgelopen maandag leek op een doorsnee maandag. Mijn wekker maakte mij om half acht wakker. Beneden opende ik de gordijnen, zette de achterdeur open voor de frisse ochtendlucht, nam mijn medicijn, maakte een ontbijt klaar en las al etend een dunne maandagkrant met veel oud sportnieuws. Daarna deed ik zoals elke maandagochtend de boodschappen. Bij de bakker wachtte ik onder het geronk van de snijmachine mijn bestelling van vijf meergranen broodjes af. Vervolgens liep ik in de supermarkt langs de schappen te turen, aangemoedigd door de opgewekte hits van Jumbo Radio, een aanmoediging die minstens evenzeer voor het traag bewegend personeel bedoeld leek. De week was weer begonnen.

Maar deze maandag was toch anders. Het flitste in de nacht al door mij heen tijdens de momenten van even wakker zijn en omdraaien. Het is mijn geboortedag en dat niet alleen, ik bereik een mijlpaal: zeventig jaar. Feitelijk verandert er niets, zoals dat op je achttiende of bij je pensionering wel het geval is. De tijd gaat door, dat is elke dag, elke week, elke maand zo. Maar gevoelsmatig is het een overgang, alsof je in één keer tien jaar ouder wordt. Wie dertig wordt verliest zijn jeugd, bij vijftig behoor je opeens tot de oudere helft van de samenleving. De zestig is een eerste waarschuwing, al viel me dat mee. Je bent dan nog aan het werk. Maar het bereiken van de zeventig voelt als de definitieve inschakeling in het legioen der ouderen. Ontkennen dat je oud wordt heeft geen zin meer. Je bent het al.

Ik was er voor gewaarschuwd door mensen die mij zijn voorgegaan. Dus heb ik snel wat tegenwerpingen bedacht: ik mag blij zijn dat ik deze leeftijd gehaald heb en dat ik kan genieten van de tijd die ik heb. Alles is relatief, wie nu tachtig is vindt zeventig jong. En als ik nu doodga voelt dat minder erg dan als ik nog negenenzestig was geweest. Enzovoort.
Kijk ik in de spiegel, dan zie ik de achteruitgang. Haren uit mijn oren in plaats van op mijn hoofd. Het gehoor wordt minder. ‘Wat zeg je?’ is bij ons in huis met stip de meest gestelde vraag. Maar mijn lichaam functioneert nog goed, op een enkele functie na die het nooit naar behoren heeft gedaan. Ik vergeet van alles maar dramatisch is het niet. Er zitten wat kunststof onderdelen in mijn lijf en ik draag een paar littekens en butsen mee. Het zijn de sporen van zeventig jaar intensief gebruik, geholpen door goede voeding, voldoende beweging en de dokter die af en toe een handje helpt.
Een prestatie kan ik het behalen van deze leeftijd overigens niet noemen. Dat vindt de burgemeester ook. Die komt pas op bezoek als je zeventig jaar getrouwd ben. (Ik ben benieuwd of hij dat ook doet als je zoveel jaren samenhokt.)
Op naar de volgende mijlpaal dus, al lijkt die nog ver. Ik mag hopen dat ik ‘em haal.

Dit stukje schreef ik maandag toen ik de boodschappen had opgeborgen. Daarna nam ik een kop koffie, loste de kruiswoordtest in Trouw op en ging verder werken aan mijn boek.

11

MANUSCRIPT

Dagelijks

De verschillende lockdowns van de afgelopen jaren hebben een onverwacht gevolg gehad. Velen hebben het gedwongen thuisblijven benut om een boek te schrijven. Uitgevers zijn daarom het afgelopen jaar zozeer overladen met manuscripten, dat sommige een stop hebben ingevoerd. Bij andere uitgevers duurt het maanden voor je een antwoord ontvangt. Niet dat het vóór corona veel beter was trouwens, maar men heeft nu een extra argument om de deur op slot te doen. In Nederland komen per week zo’n zeshonderd boeken uit. Het aantal ingestuurde manuscripten moet er een veelvoud van zijn.

Mijn overgrootvader Hein van Rooijen met zijn gezin in 1878. Tweede van links mijn oma.

De afgelopen twee jaar heb ik gewerkt aan een manuscript over de familie van Rooijen, de familie van mijn oma van vaders kant. Het beschrijft de levens van drie generaties uit de katholieke middenklasse tussen 1880 en 1980. De persoonlijke verhalen staan in de context van maatschappelijke en religieuze ontwikkelingen. Het gaat over ondernemen, je kunstzinnige hart de ruimte geven of je leven wijden aan God. Volgzaam zijn of je eigen gang gaan.
Omdat Valkhof Pers, de uitgever van mijn vorige boek, ermee ophoudt, moest ik op zoek naar een andere uitgever. Ik was daarom niet blij dat verschillende uitgevers een lockdown voor hun brievenbus afkondigden.
Voor wetenschappers die hun kennis willen delen is er zeker belangstelling in de uitgeverswereld. De werkstukken van journalisten en andere professionele schrijvers zijn kansrijk. Ben je een Bekende Nederlander die zijn ervaringen op papier heeft gezet, dan staan de uitgevers in de rij. Vooral als je een verslaving hebt overwonnen of als je vader van een flat is gesprongen. De vele talkshows op tv staan dan garant voor grote verkoopcijfers. Maar ben je, zoals ik, geen wetenschapper, beroepsschrijver of BN’er, dan is het nog een hele klus om op te vallen.

Ik stuurde de synopsis van mijn manuscript aan vijf bekende en vijf wat minder bekende uitgeverijen. Het is niet mijn stijl om te pochen over mijn werk. Maar in dit geval leek het me verstandig enkele juichende recensies van mijn vorige boek toe te voegen. Of dat nu dat kleine beetje extra aandacht heeft gegenereerd weet ik niet. De uitkomst was in ieder geval dat ik met mijn samenvatting bij drie uitgevers voldoende nieuwsgierigheid had opgewekt. Zij vroegen het manuscript op. Stap één was gezet. Daarna verstreken maanden. Het duurde zo lang, dat ik me afvroeg wat wijsheid was: de broedende kip niet storen of toch maar eens vragen of het ei al uitgekomen was.
Toen kwam de dag dat een kleine uitgever mij een positief en zeer complimenteus bericht stuurde. Daarna volgde een toezegging van een grote uitgever. Bij het lezen van dat bericht heb ik mij even gedragen als een voetballer die gescoord heeft. Ik kon kiezen. Het boek zal voorjaar 2023 verschijnen bij Walburg Pers, een gerenommeerde uitgever van historische en maatschappelijke boeken. Dan komt de volgende uitdaging: de aandacht van geïnteresseerde lezers vangen.