Schrijven, Lezen, Leven.
4

KATHOLIEKE VERGEVING

Dagelijks

Sassen als burgemeester van Veghel. Bron: BHIC

Jan Coenraad Hubert Marie Wilhelmus Sassen was een Brabantse ondernemer. In de jaren dertig werd hij lid van het Nationaal Front, een kleine fascistische partij die vooral onder katholieken populair was. Als veelgevraagd spreker fulmineerde hij tegen het Amerikaanse grootkapitaal en tegen het Russisch bolsjewisme. In beide geledingen waren immers de Joden heer en meester, zo betoogde hij. In het begin van de oorlog stapte hij over op de NSB, met de bedoeling om ‘de NSB in katholieke zin om te buigen’. Hij vervulde een hoge functie binnen de afdeling Pers en Propaganda van de nationaalsocialisten en hield wekelijkse radiopraatjes. In 1943 werd hij benoemd tot burgemeester van Veghel. Na de bevrijding van Zuid-Nederland vluchtte hij naar Utrecht en werd hij benoemd tot waarnemend burgemeester van Oudenrijn (De Meern). In diezelfde tijd verstrekte hij inlichtingen aan hoge nazi’s over de posities van de geallieerden in Brabant. Daarvoor werd hij flink betaald.

Links J. van Kilsdonk

Ik kwam Sassen tegen in mijn onderzoek naar de oorlog in Vleuten – De Meern. Er zou geen enkele aanleiding zijn geweest om hier aandacht te besteden aan deze foute figuur, die zelfs na de oorlog vond dat hij geen verkeerde idealen had aangehangen, ware het niet dat ik via hem op een interessant fenomeen stuitte.
In de dossiers van NSB’ers kom je vaak verklaringen tegen van getuigen die stellen dat de beklaagde een ‘goede NSB’er’ was die geen vlieg kwaad gedaan heeft. Ik heb tot nu toe zo’n dertig dossiers van NSB’ers bestudeerd en er was niemand die zoveel verklaringen à decharge had verzameld als Jan Sassen. Onder hen een aantal priesters. Een aalmoezenier sprak over Sassen als ‘slachtoffer’ en ‘patiënt’ en smeekt de rechter: ‘Grootedelachtbare, stop het zaakje in de doofpot en laat dhr. Sassen vrij.’ Pater J. van Kilsdonk, de latere voorman van progressief katholiek Nederland, stelde dat Sassen een goede burgemeester was geweest. ‘Met zijn twee jaar internering is hij voldoende gestraft.’ In het dossier trof ik een lijst van hooggeplaatste Nederlandse katholieken die het voor Sassen wilden opnemen, onder andere de hulpbisschop van Breda, de bekende Limburgse priester dr. Poels en A.C. de Bruin, voorzitter van de katholieke vakbond.

Hoe zit dat met die katholieke vergevingsgezindheid?
Al in 1943 hadden de bisschoppen gepleit voor barmhartigheid en opgeroepen om een bijltjesdag te voorkomen. Aartsbisschop De Jong noemde in 1945 de zuivering ‘een ziekelijk verschijnsel’. De geestelijken werd verboden om mee te werken aan de opsporing van landverraders. Kerkhistoricus Joep van Gennip ziet hiervoor twee redenen. Het Italiaans-fascistische gedachtengoed had in de jaren dertig veel aanhangers gehad onder katholieken. De kerk had dat laten gebeuren en was hierin tekort geschoten. Het opkomen voor de ex-NSB’ers zag de kerk als het inlossen van een ereschuld. Als tweede reden noemt Van Gennip de bekeringsdrang van de katholieken. Ik zou er de cultuur van het biechten aan toe willen voegen. Oordelen over zonden en je hiervan bevrijden, dat vond het episcopaat nu typisch een taak van de kerk.
Sassen werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenschap. Na precies drie jaar kwam hij vrij, nog voordat hij tweederde van zijn straf had uitgezeten.

1

HET VIEREN VAN DE VRIJHEID

Dagelijks

Afgelopen zondag, 5 mei, namen G. en ik deel aan een vrijheidslunch op het Berlijnplein in Leidsche Rijn. Sinds enige jaren worden deze maaltijden op taal van plaatsen in het land gehouden. ‘We eten samen om te vieren dat we in vrijheid leven. Samen eten is dé manier om elkaars werelden beter te leren kennen’, zo staat te lezen op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Iedereen is welkom, zo luidde de uitnodiging van het lokale comité, er is plaats voor 250 buurtgenoten.

Ik moet bekennen dat 5 mei voor mij jarenlang niet veel meer is geweest dan een vrije dag ergens tussen Koninginnedag en Hemelvaart. Het is lastig om stil te staan bij wat vrijheid is. Een vis beseft ook niet dat hij in water zwemt. De bevrijdingsfestivals die vanaf de jaren negentig opkwamen en die breed uitgemeten worden in de media bezorgden me cynische gedachten over jongeren en hun bewustzijn van vrijheid. Dan spreekt een gezamenlijke lunch mij meer aan, al ontkom ik ook hierbij niet aan de relativerende gedachte dat een ontmoeting met buurtbewoners een druppel op een gloeiende plaat is in een tijd dat een partij die zich Van de Vrijheid noemt de sfeer in het land verpest.
De aanleiding om mee te eten lag in een kleine bijdrage die ik heb geleverd aan het evenement. De organisatie wilde op posters enkele verhalen van jongeren uit de oorlog plaatsen. Door mijn onderzoek naar de oorlogsjaren in Vleuten – De Meern kon ik deze verhalen leveren.

Alma Mustafic, www.thesilvercity.net

Er was smakelijk eten, live muziek en er waren prettige contacten met tafelgenoten. Er speelde een Oekraïense accordeonist en er werden hapjes geserveerd uit een keuken gerund door asielzoekers. De vrijheidslunch zal ik me echter bovenal herinneren vanwege een indrukwekkende toespraak.
Alma Mustafic is een vrouw van begin veertig. Zij heeft een baan op de universiteit, spreekt goed Nederlands, al hoor je nog af en toe dat dit niet haar moedertaal is. Vrijheid is voor haar het vogeltje dat zij zag vanuit haar huis in Bosnië. Terwijl dat kon vliegen waar het wilde, kon zij zelf amper naar buiten omdat Srebrenica voortdurend vanuit de omringende heuvels beschoten werd. Haar vader werkte voor Dutchbat, maar werd desondanks op die julidag in 1995 meegenomen door de Serviers. En vermoord, zoals veel meer van haar familieleden en vrienden. In deze verkorte weergave van haar verhaal schieten mijn woorden hier vele malen tekort.
Alma heeft een nieuw bestaan kunnen opbouwen in Nederland, nota bene het land, dat bij uitstek de exponent is van het falende NAVO-beleid in Srebrenica. Terwijl Nederland net zijn doden heeft herdacht, en niet de hare, spreekt zij ons toe over vrijheid. Voor wie op dit moment denkt dat Nederland tevreden kan zijn voegt zij een ‘maar’ toe. Ze voelt zich hier niet echt vrij, want ‘ik weet niet meer wat ik op dit ogenblik in Nederland wel of niet mag zeggen.’
Er valt nog veel meer over Alma te vertellen. Voor wie geïnteresseerd is: je vindt hier haar website.

3

EEN ANSICHTKAART UIT LIMBURG

Herinnering

De Fatimakapel in Cadier en Keer

De blog die ik vorige week schreef over juffrouw Witkamp van de lagere school leidde tot een voor mij verrassende ontdekking. Ik zocht op internet of er wellicht een foto van deze juffrouw te vinden was. Dat bleek niet het geval. Wel kwam ik tot mijn verbazing terecht op een site van de historische kring Cadier en Keer, een dorp in het Limburgse Heuvelland. Ik belandde in een artikel over oude ansichtkaarten van het dorp. De auteur beschrijft twee foto’s van de plaatselijke Fatimakapel en geeft uitgebreide achtergrondinformatie.
De kapel is gebouwd in 1950. De paus had een heilig jaar uitgeroepen, er ging door Limburg een beeld van Onze Lieve Vrouwe Sterre der Zee rond en de inwoners van Cadier en Keer hadden de behoefte om Maria te danken omdat het dorp ongeschonden door de Tweede Wereldoorlog gekomen was. Een lokale winkelier bedacht daarna dat het aardig was om een paar ansichtkaarten van de kapel uit te brengen.
Heel interessant allemaal, dacht ik, de tekst door scrollend, maar waar blijft juffrouw Witkamp? Dan komt de auteur op een tweede ansichtkaart van de Fatimakapel, een beschreven kaart. Met stijgende opwinding lees ik de volgende zinnen:
“Deze kaart is verzonden door ene ‘Arnold’ aan een zekere juffrouw Witkamp in Utrecht. Een berichtje, hoe klein ook en toch wel gebruikelijk bij een ansichtkaart, heeft hij niet op de kaart geschreven. Hij volstaat met zijn naam.”
Zou ik die kaart verstuurd hebben? Het was nauwelijks te geloven. Ik ging op zoek en ontdekte dat ik in het schooljaar ’60 / ’61 les kreeg van juffrouw Witkamp. En waarachtig, in de zomer van 1961 was ons gezin een weekje op vakantie in Cadier en Keer. Het kan dus niet anders dan dat ik de bedoelde ‘Arnold’ ben.

De verstuurde ansichtkaart

Nadat mijn opwinding enigszins gezakt was, kwamen de vragen.
Hoe is deze kaart in Limburg terecht gekomen? Blijkbaar had mijn juffrouw allerlei ansichtkaarten zorgvuldig bewaard (niet alleen die van mij, mag ik hopen) en zijn deze na haar overlijden in het circuit van tweedehands ansichtjes terechtgekomen.
Intrigerender vind ik de volgende vraag: waarom heb ik destijds deze kaart verstuurd? Ik was nu niet bepaald een fan van die strenge en ouderwetse juffrouw. Bovendien kan ik me niet herinneren dat wij ooit ansichten aan onderwijzers stuurden.
Mijn eerste gedachte is dat het een idee van mijn ouders moet zijn geweest, waaraan ik snel heb toegegeven (vandaar alleen de vermelding van mijn naam, zonder groet). Een tweede mogelijkheid: juffrouw Witkamp had vast en zeker het Portugese Fatima bezocht, een plaats waar Maria in 1917 aan enkele herderskinderen was verschenen. Wellicht had de juffrouw in geuren en kleuren daarover verteld en wilde ik haar verrassen.
Een derde optie kan ik echter niet uitsluiten: ik was destijds gehoorzamer en had meer ontzag voor de onderwijzeres dan ik me nu kan voorstellen, ondanks of dankzij de straf die zij mij gaf. Misschien heb ik haar wel elk jaar een kaartje gestuurd.

1

JUFFROUW WITKAMP

Herinnering

Als ik door de Wijde Begijnenstraat in Utrecht fiets, kijk ik altijd even naar het huis waar juffrouw Witkamp woonde. Van 1923 tot 1967 was zij onderwijzeres op de St. Willibrordusschool in Vleuten. Haar werkzame leven viel zo ongeveer samen met het Rijke Roomsche Leven, de jaren waarin de katholieken openlijk getuigden van de gelukzaligheid van hun geloof, het enige ware geloof waartoe ook anderen bekeerd moesten worden.
Juffrouw Witkamp had dan ook als eerste doel de kinderen op te voeden tot goede katholieken. Ze was een ouderwetse en strenge juf die zich met veel liefde, inzet, en plichtsbesef aan haar kinderen wijdde. Zij hield van Vleuten. ‘De Vleutense jeugd is volgzamer, hartelijker dan in de stad’, zei ze bij haar afscheid. ‘De jeugd in de stad is opstandiger, vooral omdat zij teveel afleiding heeft.’
In het schooljaar ’60 / ’61 viel ik onder het regime van deze oude leerkracht. Zij hoefde vaak niets te zeggen om een leerling in het gareel te krijgen, haar ogen deden het werk. Zoals die keer dat ik nogal luidruchtig de klas binnenkwam. Ik had daar een goede reden voor. Tijdens de voorafgaande schoolmis was er een kind op mijn zakje met boterhammen gaan zitten.

Juffrouw Witkamp in 1963, bij haar 40-jarig dienstjubileum. Links van haar een serie geestelijken, rechts mijn moeder, destijds lid van het schoolbestuur

Als jongste van vier kinderen was ik thuis enige coulance gewend als ik over de schreef ging. Dat ik daar bij deze corpulente juffrouw niet op hoefde te rekenen kon ik maar moeilijk accepteren. Zo moest ik eenmaal lange tijd op mijn blote knieën in de hoek doorbrengen. Deze straf was mij opgelegd, omdat ik, volgens haar, tijdens het bidden door de kiertjes van mijn ogen had gekeken. Ik deed dat wel eens, maar juist die keer had ik mijn ogen keurig dichtgehouden.
Juffrouw Witkamp (‘Witscheet’ op het schoolplein) was in haar element als zij over het geloof sprak. Zij verraste mij een keer toen zij uitgebreid vertelde over hoe zij in de vakantie in de bergen had gewandeld. Hoe iemand die met een waggelende gang tussen de banken doorliep tegen een berg opgeklommen was kon ik niet direct begrijpen. Er was een gids bij geweest, zei ze en ze schreef het woord met een streepje onder de ‘d’ op het bord. Dit ter onderscheiding van gitzwart. Zo hadden we toch weer wat geleerd. De meeste meisjes herinneren zich juffrouw Witkamp vanwege de lessen in nuttige handwerken. Achter in het lokaal stond een kast waar altijd een geur van mottenballen hing.
Bij haar veertigjarig dienstjubileum heb ik op het podium van het verenigingsgebouw samen met de tweeling Staal (zij op de blokfluit, ik op viool) nog een boerenpolka opgevoerd. De jubilaris zat te glimmen op de eerste rij, haar mollige handen in haar schoot. Ik had liever met een andersoortige prestatie aan mijn imago gewerkt. Mijn eerste openbare optreden met de viool zou tegelijk ook het laatste zijn. Het pensioen van juffrouw Witkamp vier jaar later viel zo ongeveer samen met het begin van de ontkerkelijking.

2

ZATERDAGMORGEN

Dagelijks

Als ik mijn ogen open zie ik dat het 7.00 uur is. Het is een zaterdag, ik mag van mijzelf uitslapen. Verder slapen lukt echter niet. Ik sta maar op, al heb ik weinig zin. Ik voel wat pijntjes in mijn benen die ik niet verklaren kan. Het is tijd om te scheren. Zal ik dat gedoe maar eens overslaan? Van dat ouwe gezicht in de spiegel met het steeds dunner wordende haar word ik ook niet vrolijk. Alles staat me tegen. De kies waaraan ik al een aantal keer geholpen ben voelt nog steeds niet goed. Volgens een Oosterse filosofie, waarvan ik de naam vergeten ben, moet je iedere dag vijf maal aan je sterfelijkheid denken. ‘Dat is dan vandaag de eerste keer’, denk ik als ik mijn broek aantrek. Ik zie van alles wat opgeruimd moet worden, maar als ik nu ergens geen zin in heb dan is het in opruimen. Dan maak je maar zin, zegt de altijd aanwezige criticaster in mijn hoofd.
Er volgen gedachten over wat ik deze dag zal gaan doen. Er hoeft niets, er kan van alles. Geen enkele aanleiding dus voor humeurige gevoelens, spreek ik mijzelf toe. Het weer is goed, in de tuin ligt genoeg werk te wachten. Ik erger me aan het grasveldje waar van alles groeit behalve gras. Is er veel dat mij niet aanstaat, dan is er één bezigheid die de zaak kan omdraaien: het werken aan mijn boek. Dat lonkt deze morgen ook niet. De laatste keer was ik een avondlang bezig met een halve pagina. Het resultaat bevalt me nog steeds niet.

foto: Leo Janssen

Ochtendmens of avondmens, is mij wel eens gevraagd. Niet duidelijk een van beide, was mijn antwoord. Als ik beneden kom is het eerste dat ik zie, dat de krant weer eens niet op tijd bezorgd is. G. is ook opgestaan. Zij zegt, dat er een koordje van een zonnescherm op de tweede etage gebroken is.
Na het ontbijt en een deel van de digitale Volkskrant volgt de keuze: wat ga ik doen? Ik sjok met tegenzin de trappen op. Eerst maar eens naar dat zonnescherm kijken. Dat ziet er niet goed uit. Er zal een nieuw koordje moeten komen. Waar halen we dat vandaan? Het valt me op dat het raam onder de vogelpoep zit. Spreeuwen zijn begonnen met een nest in het gootje boven het raam. Lijkt me geen goed idee, al is het alleen maar vanwege die schijterij. Moet ik dat nu aanpakken? Zuchtend haal ik de keukentrap van beneden. Eerst dat nest maar eens weghalen. Dan doe ik die ondergescheten ruiten wel een andere keer.
Na een tijdje poetsen ziet de goot er weer perfect uit. Er komt een aria uit de Johannes Passion in mijn hoofd. Toch maar gelijk even die ramen zemen, de trap staat er nu toch. Een uurtje later kijk ik met een tevreden gevoel naar glimmende dakramen en een opgeruimde kamer. De zon schijnt, de bomen staan in bloei. Ik pak mijn skates en glijd even later met mijn kop in de wind tussen de groene weilanden. Wat een genot.

1

JULES DE CORTE

Herinnering

‘Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de bergen zo hoog?’ De liedjes van zanger, tekstschrijver en componist Jules de Corte moet ik als kind vaak gehoord hebben. Wie in de jaren vijftig, de hoogtijdagen van de radio, op de KRO afstemde, kon niet om hem heen. Het moet rond 1960 geweest zijn dat de zanger op uitnodiging van het Katholiek Vrouwengilde (waar mijn moeder in het bestuur zat) naar Vleuten kwam. De Cortes roem was dermate hoog gestegen, dat ik langdurig aan moeders hoofd zeurde, dat ik met haar mee wilde naar het optreden van de blinde zanger. Moeder aarzelde.

Toen ik later eigen muzikale voorkeuren ontwikkelde had De Corte voor mij afgedaan. Ik vond hem een semi-religieuze zanger van teksten waarmee progressieve paters vormingsweken voor jongeren vulden. Op dat moment was, tegelijk met de radio, ook de ster van De Corte al aan het dalen. Hij overleed in 1996.
Enkele jaren geleden zag ik een uitzending van Andere Tijden, gemaakt naar aanleiding van De Cortes 25e sterfdag (de uitzending is op YouTube te bekijken). Sander Zwiep van NPO Radio Klassiek maakte een podcast over het werk van De Corte. Dit jaar staat de zanger weer in de aandacht omdat hij honderd jaar geleden geboren werd. Door deze programma’s ben ik pas goed gaan luisteren naar zijn chansons.

Naast filosofisch getinte liederen schreef Jules de Corte teksten vol maatschappijkritiek, waarin hij de sociale ongelijkheid aan de kaak stelde of de schijnheiligheid van de katholieken. Dat paste niet altijd bij de KRO. Het bruidspaar, over een ‘moetje’, met een sneer naar de kerk van Rome, mocht niet worden uitgezonden. Ook in Het liedje voor de hopelozen moet de kerk het ontgelden, zie de tekst hieronder. Het ontroerende Als je overmorgen oud bent gaat over een onderwerp dat later door andere tekstschrijvers is opgepikt. Hoewel lang geleden geschreven klinken deze liederen nog actueel. Maar niet alleen zijn teksten worden geprezen. Musici als Cor Bakker en Henny Vrienten roemen ook zijn composities, die zij Schubertiaans noemen, met tal van verrassende harmonische overgangen.

Mijn moeder was destijds niet bestand tegen mijn zeuren. Zo liep ik op de avond van het concert aan haar hand het Verenigingsgebouw binnen. De grote zaal stroomde vol. Moeder koos een plaats achteraan. Dat viel wat tegen. Die teleurstelling werd echter overschaduwd. Het viel me direct op dat ik het enige jongetje was tussen alle vrouwen. Ze keken naar me om. Ik begreep de blikken: ik hoorde daar niet thuis. Moederskindje. Misschien was het wel voor het eerst in mijn leven dat ik zo sterk een gevoel van schaamte kreeg. Dat De Corte even later aan de hand van een begeleider naar de vleugel werd geleid en met energie zijn optreden begon, kon daar weinig aan veranderen.

Liedje voor de hopelozen – de tekst staat onder de opname.

Ik zing een liedje voor de hopelozen
Die levenslang nog nooit werden verstaan
Misschien omdat zij andere wegen kozen
Die wij met goed fatsoen niet durfden gaan
Wij leven immers langs een vaste baan
Bezaaid met dogma’s en met zekerheden
Waarmee we zijn vertrouwd van kinds af aan
Die stammen uit een schoon en ver verleden

Misschien hebben ze vroeger ook gebeden
Misschien met zoveel meer geloof dan zij
Die ’t alleen op vaste uren deden
Als ging het om een alledaags karwei
Zij wilden niet meer verder in de rij
Der vromen die hoewel zij God belijden
Elkaar in zijn naam dagelijks bestrijden
Ten bate van hun kerk en hun partij

Was steeds ’t koren van het kaf gescheiden
De mens die dorste naar gerechtigheid
Had niet steeds dieper hoeven af te glijden
Tot in het nihilisme van z’n tijd
Nu is ‘ie al z’n hoop en houvast kwijt
En zoekt vergeefs naar ongeschonden rozen
En strijdt vergeefs een hopeloze strijd
Dit is ’t liedje voor de hopelozen

Tekst en muziek Jules de Corte

2

SONNEVELD

Herinnering

Denkend aan Wim Sonneveld hoor ik weer de man van het buffet op zijn ordinair Amsterdams: ‘Menèh Sonneberg, mu krokette!’. Of de Limburgse tongval van Frater Venantius uit Schin op Geul. De kapper die aan een beambte op het postkantoor om een postzegel van 25 cent vraagt.
Maar meer nog dan van zijn typetjes zal ik me Sonneveld herinneren van zijn liedjes. Hij was een uitstekende zanger met een warme stem. In de jaren negentig heb ik, begeleid door een vriend op accordeon, vaak opgetreden met Nederlandstalige liedjes, vooral voor ouderen. De nostalgische ballades die ik van Wim Sonneveld kende, behoorden tot mijn favorieten: Aan de Amsterdamse grachten, Zo heerlijk rustig, Een zwoele nacht in Krimpen a/d IJssel en natuurlijk Het dorp, het lied dat nog altijd harten beroert en al jarenlang een plaats heeft in de top 2000. Maar ook meer volkse nummers als Het hondje van Dirkie en Daar komt de orgelman (‘Niet op reagere Lena!’) stonden op ons repertoire.
Dagblad Trouw herinnerde mij eraan, dat het dit jaar vijftig jaar geleden is dat Sonneveld overleed. Opnieuw, en eigenlijk voortdurend, zijn er zangers die met een Sonneveld-programma door het land toeren. Zo blijken zijn liederen meer te beklijven dan zijn conferences. Wim Ibo bewondert in zijn cabaretbijbel het talent van de jonge Sonneveld. De Sonneveld uit later jaren, de man die nu terug te vinden is in talloze YouTube-filmpjes, noemt hij een ‘entertainer’.

In mijn jeugd werd er gesproken over de Grote Drie: Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonneveld. Werd de one-man-show van Hermans uitgezonden op televisie, dan stroomde de achterkamer van mijn tante Jo vol met familieleden en dan lagen we krom om ‘Antonius van Padua stond naast de abrikozenvla’ of om het galabanket (‘Leg neer die bal!’). Dat alles gebeurde in het geval van Wim Sonneveld niet, hoewel het gegeven dat Sonneveld katholiek was en dat zijn shows werden uitgezonden door de eigen KRO een aanbeveling hadden moeten zijn voor onze katholieke familie. Maar Sonneveld was met zijn combinatie van bekakte en volkse taal een tikkeltje te ordinair. De Tearoom Tango met dat ‘belazerd en bedonderd’ was al niet zo netjes. Maar Nikkelen Nelis ging echt over de rand met ‘Drie veren droeg zij slechts en soms geen eens geen drie.’ Dat ging over een wereld die voor mijn ouders niet bestond. Misschien was het, nu terugkijkend, ook wel Sonnevelds soms nichterige presentatie die aanstoot gaf, ook al kenden wij dat bijvoeglijk naamwoord toen nog niet.

Dat alles speelde allang niet meer, toen ik vijfentwintig jaren later bevangen werd door Sonnevelds chansons. Het waren niet alleen de nostalgische teksten of de heerlijke melodieën waardoor ik graag zijn liedjes zong. Zijn toonhoogte komt ongeveer overeen met de mijne en misschien ook wel het timbre van de stem. Want behalve de kritiek van een man die mij had horen zingen en mij aanraadde om eens iets aan mijn ademhaling te doen (een goed advies), heb ik na afloop van een optreden meermalen gehoord: ‘U lijkt wel op Wim Sonneveld.’
Hierbij Annemarie, een van mijn lievelingsnummers.

 

2

VIVALDI RECOMPOSED

Muziek

Isabelle van Keulen

We gingen naar een klassiek concert in Muziekcentrum Tivoli Vredenburg. Op het programma stond een bewerkte versie van de Vier Jaargetijden van Vivaldi door de Deutsche Kammerakademie onder leiding van violiste Isabelle van Keulen, een gerenommeerd ensemble. In de zaal viel het me op dat ik ditmaal geen bekenden zag. Er zaten wel opvallend veel jongeren. Een vrouw met een enorme hanenkam liep naar een plek op de eerste rij. Op het podium stond een machine die rook verspreidde, de optrekkende flarden weerkaatsten de felle kleuren van de lampen. Zaten we wel in de goede zaal, vroeg ik mij af. We hadden niet, zoals anders, een programmaboekje ontvangen. Toen de zaallichten gedoofd werden stapte er een jongeman in casual kleding het podium op. Hij stelde zich voor als deejay en begon te vertellen over wat ons te wachten stond.

Wie wel eens een klassiek concert bezoekt zal het beeld herkennen: een zaal vol grijze koppen, die in volstrekte stilte en onbewogen de muziek over zich heen laten komen om na het wegsterven van de laatste toon een beschaafd applaus te geven. Dat geeft te denken over de toekomst van de klassieke muziek.
Ensembles, zaaldirecteuren en programmamakers zijn daarom al een tijdlang bezig om klassieke muziekuitvoeringen in een moderner jasje te verpakken. Het tv-programma Podium Klassiek wordt voor een behoorlijk deel gevuld met wereldmuziek, jazz en pop. Holland Baroque werkt samen met muzikanten uit andere sferen. L’Arpeggiata voorzag stukken van Händel van jazzy arrangementen (wat recensist Peter van de Lint in Trouw een hartverzakking bezorgde). Je merkt de veranderingen ook aan de populariteit van goed in het gehoor liggende minimal music. Een van mijn kleindochters speelt Einaudi op de piano.

Max Richter

Max Richter heeft een moderne versie van de Vier Jaargetijden gemaakt. Zo leren nieuwe generaties dat Quattro Stagioni ook nog naar iets anders verwijst dan naar een pizza. Ik leerde ook wat. Bij de naam Richter dacht ik aan een of andere onbekende Duitser uit de 19e eeuw. Het blijkt een hedendaagse Britse componist te zijn. Hij werkt, zo lees ik nu op Wikipedia, ‘in de ontmoeting tussen eigentijdse klassieke en alternatieve populaire muziekstijlen.’ Zijn inspiratie haalde hij onder meer bij Arvo Pärt en Philip Glass en bij popmusicus Brian Eno. De dj in Tivoli Vredenburg legde uit wat Richter voor de popmuziek betekent en strooide met titels van albums en projecten. Het zei mij allemaal niets, maar ik was wel geïnteresseerd geraakt.

Toen begon de Kammerakademie te spelen. Ik hoorde veel bekende thema’s. De langzame gedeelten leken nog langzamer en fluisterzacht. Andere delen met geleidelijk verschuivende basnoten leken op aangename filmmuziek. Er werden veel noten herhaald en de snellere gedeelten hadden een swing meegekregen. Isabelle van Keulen sprong van haar ene op haar andere been. De eerste violist kon nauwelijks op zijn stoel blijven zitten. Ik had ook liever gestaan dan gezeten. Tussen de delen door werd geklapt en gejoeld. Ik vond het fantastisch. Hierbij een opname van De Lente met Richter achter het keyboard. Daaronder een gedeelte uit de originele compositie.

2

FOTOGRAFEREN

Herinnering

Op mijn vijftiende verjaardag, in 1967, kreeg ik van mijn ouders een fototoestel cadeau. Ik was verrast. Het was een Lubitel, een camera van Russische makelij. Nog meer bijzonder vond ik de constructie. Toen ik het apparaat uit zijn bruine leren beschermtas had gehaald, deed mijn vader voor hoe je het toestel open klikt. Je keek van bovenaf in de zoeker en zag daar via spiegels het object dat zich voor de camera bevond. Dat zag er heel anders uit dan bij de Agfa Clack die mijn vader had.
Ik denk dat hij de inspirator voor dit cadeau is geweest. Hij was ooit lid van een fotoclub op zijn werk en had met plezier op zon- en feestdagen zijn kinderen en familieleden op de foto gezet. Die voorliefde wilde hij wel aan zijn jongste zoon overdragen. Ik denk wel eens, en misschien heb ik dat hier ooit opgeschreven, dat mijn vader zich weinig met mij bezighield en dat ik niet veel van hem geleerd heb. Ik moet dat beeld bijstellen. Niet alleen vanwege het plezier in musiceren, dat hij op ons heeft overgebracht, maar ook vanwege het fotograferen.

Mijn eerste zelf afgedrukte foto’s: mijn moeder en, links, tante Dora met fietsbanden

Er kwam nog iets bij. Hij stimuleerde mij mijn eigen foto’s te ontwikkelen. Bij Van Ekdom op de Kanaalstraat in Utrecht kochten we de nodige attributen. Daarna gebruikte ik de badkamer op gezette tijden als donkere kamer. Het ingewikkeldste vond ik het overbrengen van de filmrol op een spoel die in de ontwikkelbeker werd geplaatst. Dit moest in het complete donker, dus op de tast gebeuren. Het leukste moment volgde als ik na de belichting van een negatief het papier in een ontwikkelbadje legde. Dan werd onder het rode lamplicht de afbeelding geleidelijk zichtbaar. De geur van de chemicaliën kan ik me nog voor de geest halen.

Die eerste zomer liep ik voortdurend met mijn camera rond. Buren, familieleden, de DAF van mijn vader, ik probeerde van alles uit. De volgende stap in het stimuleringsproces van mijn vader was dat hij mij opdrachten voor zijn werk liet uitvoeren. Ik moest foto’s maken van logo’s en verpakkingen van Douwe Egberts. Het voelde als een verantwoordelijke taak en ik werd ervoor betaald.
Kennelijk had ik wel zoveel affiniteit met het fotograferen ontwikkeld dat ik een jaar later aan de beroepskeuzeadviseur die mij testte liet weten dat een opleiding tot fotograaf mij ook wel iets leek. Hetgeen zij prompt in haar advies overnam. Was ik echt geïnteresseerd, vraag ik mij nu af? Of volgde ik braaf mijn vaders stimulans?
Mijn camera leverde negatieven van 6 x 6. Een vergrotingsapparaat had ik niet, dus de kleine fotootjes die ik in mijn eerste album plakte stemden mij niet erg tevreden. Het werk in de doka liet ik als eerste achterwege. Daarna bleef de Lubitel steeds vaker in zijn beschermtas. Toen ik een paar jaar later op kamers ging wonen bleef het toestel in het ouderlijk huis achter. Dat was na de priesteropleiding en de vioolstudie het derde initiatief van mijn vader dat tot een voortijdig einde kwam.

1

BALIEMEDEWERKSTER

Dagelijks

bron: Autoweek

De ruitenwisser van de auto vertoonde kuren. Het rubber zat op enkele plaatsen los, waardoor er fraaie boogpatronen op de vooruit ontstonden. Mijn pogingen om met bison-kit de zaak weer te lijmen hadden slechts een beperkt en kortstondig resultaat. Dus meldde ik mij bij de balie van de garage en leverde mijn sleutel in. ‘Neemt u even een bak koffie, dan gaan wij aan de slag.’
In de koffieruimte staat een lange tafel met stoelen. De Telegraaf ligt uitnodigend naast een grote vaas met bloemen. Er zijn aansluitingen voor lap-tops. Ik installeer mij met de zelf meegenomen Trouw. Met mij wachten nog drie klanten. De ruimte staat in open verbinding met een enorme hal, die boordevol glimmende auto’s staat die geuren naar metaal en rubber. Ik vraag me af hoeveel auto’s er wel niet verplaatst moeten worden als een klant een wagen kiest die in het midden staat.

De koffieautomaat staat er niet alleen voor klanten, maar ook voor de kantoormedewerkers. Blijkbaar houden ze allen erg van koffie. De een na de ander tikt met de vinger op het touchscreen en wacht onder het krassende geluid tot zijn kop gevuld is. Eigenlijk zijn wij klanten onderdeel van hun kantooromgeving. Wij luisteren mee met de gesprekken bij de automaat. Naar welk fantastisch concert zij zijn geweest. We maken mee hoe medewerkers tussen de auto’s doorlopen en elkaar iets toeroepen over een factuur of een verzekering. Wij horen hoe zij op ontevreden toon lopen te bellen over een bestelling die niet op tijd geleverd is. Ondertussen zijn wij attent op voetstappen die de wachtruimte naderen en een naam die omgeroepen wordt. Dat gebeurt niet op volgorde van binnenkomst. Hoe de afhandeling van servicebeurten en kleine reparaties plaatsvindt blijft verborgen achter de wanden van de garage.

Een jonge vrouw van de balie roept een naam, waarop een oudere man naast mij verheugd ‘ja’ antwoordt. Meestal hoor je daarna aan de balie hoe de reparatie is verlopen. Ditmaal gaat het anders. ‘Je kunt je auto vandaag niet meer gebruiken’, zo spreekt zij de man op strenge toon toe. ‘Hij kan echt niet door de APK.’ Vervolgens kunnen wij allemaal mee genieten van het rapport. De uitlaat is ondeugdelijk, de banden zijn versleten, er zit vocht bij de lampen. Bij ieder mankement gaat de vrouw harder praten met de kennelijke bedoeling om een verweer bij voorbaat de kop in te drukken. ‘Je aandrijfriem is nagenoeg kapot.’ Alsof een leraar met sadistisch genoegen een drie voor een meetkundetoets uitdeelt. Of de huisarts je in een volle wachtkamer vertelt dat je een seksueel overdraagbare aandoening hebt. De man buigt zijn hoofd. De baliemedewerkster is in leeftijd nog niet eens de helft van de toegesproken klant. Dat zij hem tutoyeert maakt het er niet beter op. Ik voel plaatsvervangende schaamte. ‘Kan ik dan vandaag nog een vervangende auto lenen’, vraagt de man bijna op fluistertoon. De medewerkster zal eens kijken wat er mogelijk is. Het getik van haar hakken klinkt nog lang na.