Schrijven, Lezen, Leven.
0

TINTINNABULI

Muziek

In 2015 zong ik voor de eerste maal koormuziek van de Estse componist Arvo Pärt (geboren 1935). Met projectkoor D’Allure besloten we een optreden met Da Pacem. Dirigent Fokko Oldenhuis had de zangers van de vier stemgroepen door elkaar opgesteld en verspreid over het hele podium, als in een coronaproof-opstelling avant la lettre. Zijn bedoeling was dat iedere zanger zich onderdeel van het geheel zou voelen. Zodat de individuele stemmen ondergeschikt werden aan de samenklank. Het was een uitdaging, die niet bij iedere zanger goed uitviel. Degenen die de steun van hun eigen partij misten vielen door de mand en mochten bij het volgende project niet meer meedoen. Ook in de amateurkoormuziek is men soms bikkelhard.

Arvo Pärt begon zijn compositie-carrière met experimentele muziek. Een hoop kabaal, vrijgevochten 12-toons muziek, niet om aan te horen. Hij verdiende nog wat brood met het componeren van filmmuziek. In het begin van de jaren zeventig kwam hij in een spirituele en professionele crisis. Hij begon zich te verdiepen in gregoriaanse muziek en de muziek van de renaissance. Dat was de omslag. Daarna componeerde hij eenvoudige, verstilde muziek, met lange muzikale lijnen. Hij noemde dat zijn tintinnabuli stijl, naar het Latijnse woord voor klokjes of bellen. Sommigen noemen het minimal music. Pärt maakt gebruik van een beperkt aantal noten, die in steeds verschuivende harmonieën terugkeren. Liefhebbers horen hierin het geluid van de eeuwige Estse bossen, waarin Pärt zich heeft teruggetrokken. Anderen zijn diep onder de indruk van het spirituele gehalte van zijn muziek. De stiltes vindt Pärt net zo belangrijk als de noten. Er staan weinig aanwijzingen in zijn composities uitgezonderd de plekken waar hij een Grote Stilte wil. Zijn muziek is de laatste jaren heel populair geworden. In de klassieke top 400 van radio 4 staan tien composities van Pärt, tegen, bijvoorbeeld, vier van Vivaldi en vijf van Brahms. Spiegel im spiegel belandde na Bachs Matthaeus en Mozarts Requiem op de derde plaats. Ter gelegenheid van de vijfentachtigste verjaardag van de componist maakte Hans Smits onlangs de podcast Het pad van Pärt, te vinden op de site van radio 4.

Arvo Pärt is erg geliefd bij koordirigenten en koorzangers. De noten zijn gemakkelijk. Maar als het adagium, dat muziek méér is dan de goede noten zingen, ergens opgaat, dan wel voor deze muziek. Het lijkt gemakkelijk als je twaalf maten achter elkaar een g moet zingen, maar juist met alle verschuivende harmonieën om je heen, is het een hele kluif om vast te houden aan de zuivere g. Je moet in die lange lijnen je adem goed zien te verdelen en niet tegelijk met anderen ademhalen. Je moet veelal zacht, maar wel duidelijk inzetten.
Ik heb nog wel eens ambitieuze dirigenten, die niet goed inschatten wat het koor aan kan, de mist in zien gaan. Dan krijg je aarzelende, bibberende inzetten, het ontbreken van spanningsbogen en onzuivere intonatie. Zakkende sopranen en wegvallende bassen, wat doet meer pijn aan je oren?
Sinds 2015 heb ik een aantal stukken van Pärt gezongen bij verschillende koren. Het is mooie muziek, waar je stil van wordt. Waar je als luisteraar je ogen bij sluit. Muziek als tegenwicht tegen de jachtigheid van deze tijd. Prachtig. Als het met mate wordt opgediend.

0

CORONA REVISITED

Dagelijks

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar bij mij komt het coronavirus mijn neus uit. Ik bedoel dan alle berichtgeving hierover. De halve krant is ermee gevuld. Ook de pagina’s over economie, sport en kunst zijn geïnfecteerd. En dan het eindeloze palaveren en speculeren in de talkshows. Ik begrijp, dat dit het gesprek van de dag is. En het klopt dat er aanleiding is voor gespeculeer, want de onzekerheid is groot. Maar ik hoef het even niet meer.
Als ik dan toch één steentje mag bijdragen, dan is het dit. Ik heb bijna mijn hele werkende levende in de preventieve gezondheidszorg gewerkt. De hoge idealen die er waren konden we niet waarmaken. Maar te midden van de huidige onzekerheid staat voor mij één ding vast: de regering loopt achter de feiten aan. Waren er in augustus de juiste preventieve maatregelen genomen, dan had een nieuwe golf, inclusief alle economische narigheid, voorkomen kunnen worden. Maar zachte heelmeester Rutte durft geen impopulaire maatregelen te nemen.

Als je in dezelfde mood bent als ik, dan heb je deze pagina al weggeklikt. Op het gevaar af, dat je dit nu alsnog gaat doen, wil ik nog enkele persoonlijke ervaringen toevoegen. Want wie vaker hier komt, weet dat ook G en ik onlangs door het coronabeest geveld waren.
‘Jij corona?, dat had ik nooit gedacht’, was een reactie die ik meermalen kreeg. Zo’n uitspraak komt voort uit een beeld van mij als risicomijder, als iemand die altijd tweemaal controleert of de huisdeur op slot zit. Daar zit een kern van waarheid in. Dat betekent dat het virus niemand spaart. Het is het ongeluk in dat kleine hoekje. De pech, dat je op het verkeerde ogenblik op de verkeerde plaats bent.
‘Waar heb je het opgelopen?’, was een veel gestelde vraag. Het was ook de eerste vraag die ik mezelf stelde. Wij mensen hebben een sterke behoefte om onzekerheid te reduceren. Maar sec genomen is het een waardeloze vraag. Alsof ik anderen zou kunnen behoeden voor besmetting door hen aan te raden niet meer op een voorbije dag de trein naar Utrecht te nemen. Of niet naar de presentatie van mijn volgende boek te komen.
‘Je bent de eerste, die ik ken, die corona heeft. Het komt nu wel erg dichtbij’, was een andere reactie. Dank u, het is mij een eer om die eerste te zijn. Al was ik dat liever in een andere tak van sport geweest. Het ‘dichtbij komen’ speelt ons wel parten. De buren blijven nu op grote afstand staan. De plannen om te oefenen met mijn zangkwartet zijn afgeblazen. Stond ik in de schoenen van de ander dan zou ik, risicomijdend, waarschijnlijk hetzelfde doen. Maar het voelt alsof ik melaats geworden ben. Voor de zekerheid heb ik mijn zangles maar afgebeld. Eigenlijk ben ik net zo’n bangeschijterd als Rutte. Dat is waar corona toe leidt.
De enige die zich aan de malaise weet te onttrekken is de heer Donald T. Hij slaagt erin al na drie dagen uit de corona-as te herrijzen. Zelfs sterker dan hij ooit was.

0

BREIEN

Herinnering

Hier ben ik bezig met een shawl waarin ik als oefening verschillende steken verwerkte, zoals de patentsteek en de gerstekorrel

Nadat ik halverwege de jaren zeventig een jaar als leerling-timmerman had gewerkt, was ik in staat om zelfstandig kleine meubels te maken. Het vervulde me met trots, ik kreeg er meer zelfvertrouwen door. Ik had iets technisch geleerd, dat ik niet van huis uit had meegekregen. Iets stoer-mannelijks bovendien.
Het was de aanzwellende, tweede feministische golf, die maakte dat ik ook mijn vrouwelijke kwaliteiten wilde ontwikkelen.  Hoe ik op breien uitkwam weet ik niet meer. Misschien wel, omdat het ook een technische vaardigheid is. Of omdat breien gemakkelijker te leren is dan zorgzaamheid of invoelend vermogen. Hoe dan ook, ik verlangde opeens heftig naar een breiwerkje in mijn handen. Wat doe je dan als 23-jarige? Dan stap je naar je moeder.
Toen ik voorzichtig mijn wens bij haar op tafel legde, verblikte of verbloosde zij niet. We hadden weliswaar een neef, die na een aantal jaren achter de naaimachine uit de kast gekomen was. Maar mijn moeder zal zich gerealiseerd hebben dat zo’n ontwikkeling bij mij niet erg voor de hand lag. Het was in een tijd, dat ik wel eens twee vriendinnen tegelijkertijd had en het was inmiddels tot haar doorgedrongen, dat ik niet alleen de tafel met hen deelde. Dat baarde haar zoveel zorgen, dat de wens om te leren breien een verwaarloosbare afwijking was van wat zij in haar jeugd had meegekregen.
Goedgemutst en dankbaar dat zij iets voor mij kon doen, begon zij met de eerste les: insteken, omslaan, doorhalen en af laten glijden. Het werkje vroeg iets meer fijne coördinatie dan het inslaan van een spijker, maar na een week had ik de basistechniek redelijk onder controle. Ik had het tempo al een beetje opgevoerd en ik kon zelfs af en toe nonchalant een blik op de tv werpen.

In deze trui had ik zoveel wol verwerkt, dat ie na verloop van tijd een jurkje geworden was

Op dat moment schemerde er weer een mannelijk verlangen door mijn vrouwelijke idealen. Ik viel in een valkuil van ambities. Mijn moeder breide in die tijd alleen wollen sokken. Daarvoor gebruikte zij vier breipennen. Vooral het breien van de hak was een technisch hoogstandje. (Zij gebruikte overigens zulke degelijke wol en zij maakte er zo’n stevig ontwerp van dat wij nu, vijfenveertig jaar later, nog enkele paren als bedsokken gebruiken.)
Sokken breien, dat wilde ik dus ook direct leren. Alsof ik van het derde pianoboek van Folk Dean wilde overstappen op een pianoconcert van Mozart. Mijn moeder was zo verstandig mijn ambitie te negeren. Ze wilde me wel wat andere steken leren.
Ik ging van proeflapjes naar dassen. Vervolgens gaf ik mijn ziel en zaligheid aan een eerste trui. Daarna volgden truien met patronen en in verschillende kleuren. Het geluid van de tikkende pennen vervulde mij met een grote tevredenheid. Ik kon niet alleen een bank timmeren, maar ook een trui breien.

Zo plotseling als de hobby opgekomen was, zo geruisloos verdween ie weer uit mijn leven. Ik was begonnen met mijn eerste baan bij het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen, waar ik de enige man in het team was. Dus ik kreeg sterk de behoefte om iets te doen aan die disbalans. Daar paste het meenemen van een breiwerkje niet in.
Enige tijd later werd ik de coördinator van het team.

6

VERHOGING

Dagelijks

Opeens is daar het onheil, zonder aankondiging, als een dief in de nacht, de nacht van zondag op maandag 21 september. Hitte, rillingen, een bonkend hoofd. De koortsthermometer bevestigt mijn gevoel: 39,1. Ik verhuis direct naar een andere slaapkamer, waar ik onrustig lig te draaien zonder in slaap te komen. Normaal is een griep vervelend. Nu voelt het alarmerend. Heeft het mij nu ook te pakken, het virus dat de hele wereld al een half jaar in zijn greep houdt? Ik voel een kriebeltje in mijn keel, maar dat kan ik geen keelpijn noemen. Ik voel me niet benauwd, maar mijn hartslag bonkt in een hoog tempo door mijn lijf.
Waar zou ik besmet zijn geraakt? Ben ik te onvoorzichtig geweest? Behalve tijdens de presentatie van mijn boek heb ik in de voorgaande dagen nauwelijks mensen ontmoet. Moet ik iedereen gaan waarschuwen? Ik moet eerst zekerheid hebben.

Maandagochtend spreken G en ik direct af om elkaar zoveel mogelijk te mijden. Eigen slaapkamer, eigen wc, eigen ontbijttafel, eigen computer. G voelt zich nog goed en hoewel het volgens de regels niet mag, doet ze boodschappen. Ondertussen maak ik deurknoppen, trapleuningen, grepen van keukenkastjes enz. schoon met een ontsmettingsmiddel. Later merk ik dat er nog veel meer voorwerpen zijn waar ik door de dag heen met mijn vingers aankom. Theepot, kaasdoos, broodzak. De pagina’s van de krant. De afstandsbediening van de tv. Ik doe dunne handschoentjes aan, maar dat helpt natuurlijk maar even. Het is ondoenlijk. Ik begrijp nu een beetje wat mensen met smetvrees doormaken. En dat je er gek van kan worden.
De aanhoudende hoge koorts eist zijn tol. Ik kan niet veel anders meer dan op bed liggen. De trap oplopen is een berg beklimmen. Wachtend aan het ene uiteinde van onze lange tafel op het moment dat verzorgende G mij een bord met eten voorzet, voel ik me een afhankelijke bejaarde in een verpleeghuis. Stel dat ik ergens in de tachtig ben en me dagelijks zo zou voelen, hoe zou ik dan tegen het leven aankijken? Ik zwaai naar G aan het andere uiteinde.

Woensdag ga ik door de lopende band van de teststraat. Zou het niet beter zijn als ik het virus maar gehad heb? Op vrijdag volgt het telefoontje: men noemt de uitslag positief.
Een dag later geeft de thermometer ook bij G verhoging aan. Dat kan maar één ding betekenen: dat onze vermijdingsdansen onvoldoende zijn geweest. Het virus heeft de regie overgenomen. Onze wereld bestaat uit zorgen.
De eerste dagen van mijn tweede ziekteweek blijft de temperatuur onveranderd rond de 38 graden. Ik betrap mezelf erop dat ik me alleen maar focus op iets wat ik niet in handen heb. Nieuwsuur trakteert me op een reportage over de schade die Covid aan de hersenen toebrengt. Dat had ik niet willen zien. Hoe kon ik denken dat het maar beter zou zijn om het virus gehad te hebben?
Ook de uitslag voor G is positief. Het enige voordeel is, dat we niet meer bang hoeven te zijn dat we elkaar aansteken. De zon hebben we al dagen niet gezien.
Na elf dagen verhoging kan op vrijdag 2 oktober de trompet geblazen worden: mijn eerste koortsvrije dag. Vandaag heb ik mijn herintrede in de maatschappij gemaakt.

2

WEEMOED

Herinnering

Deze week hoorde ik het lied weer. Het was jaren geleden dat het voorbij gekomen was. Ik werd er door overvallen en was gelijk van de wereld. Er ontstond een wee gevoel in mijn buik, een heftig verlangen gemengd met de pijnlijke gewaarwording van het onbereikbare. Heimwee naar iets dat al lang voorbij is en nooit meer terugkomt. De muziek nam me mee naar 1970, naar mijn achttiende jaar en het eerste jaar van mijn studie.

America van Simon and Garfunkel is een rustige ballad over een jong stel dat door de Verenigde Staten trekt om het land te ontdekken. Een romantisch lied over vrijheidsdrang en ongebondenheid. De Greyhound bus nemen en dan maar zien waar je uitkomt. Met weinig geld, samen met je lief. Op zoek naar, ja, op zoek naar wat?
Let us be lovers, we’ll marry our fortunes together
I’ve got some real estate here in my bag
So we bought a pack of cigarettes and Mrs. Wagner’s pies
And we walked off to look for America
Zij dromen weg in de Greyhound bus die over eindeloze highways rijdt, terwijl de maan opkomt boven een open veld. Zij ontdekken dat het leven niet alleen maar mooi is.

Cathy I’m lost, I said, though I knew she was sleeping
I’m empty and aching and I don’t know why
Counting the cars on the New Jersey Turnpike
They’ve all come to look for America
Het lied begint en eindigt met zachte gitaarklanken, met neuriënde samenklanken van de tenorstem van Garfunkel en de bariton van Simon, in een afwisseling van mineur en majeurakkoorden. Zijn het verlangen en de nostalgie in die akkoorden verwerkt of leg ik die er in?

Ik had, als eerstejaars student, voor weinig geld een verzamelelpee gekocht. Met een uitgavenpatroon van vijf gulden per dag kon ik mij niet meer veroorloven. Rock Machine – I love you was de titel. De flowerpower periode duurde in 1970 nog voort – in ieder geval in de marketing. Op de hoes stonden talrijke kleine fotootjes van vrijende paartjes afgebeeld, alles Amerikaans-keurig en niet aanstootgevend, al was er hier en daar vaag een door mij gekoesterde blote tiet te zien. De nummers op de lp vielen me enorm tegen en het zou een miskoop geweest zijn, ware het niet dat America van Simon and Garfunkel erop stond.
Er is geen ander lied dat zo goed mijn gevoelens en ervaringen van die tijd belichaamt. Ik was op kamers gaan wonen. Voor het eerst stond ik geheel op eigen benen, met al zijn aantrekkelijkheden en onzekerheden. Er ging een wereld voor mij open, er was een wereld te ontdekken. Ik deed mijn brommer van de hand en spaarde voor een bandrecorder. Ik liep een avond achter een meisje aan, dat vriendelijk naar mij had gelachen. Dat eerste jaar was een avontuur, waar ik nu met nostalgie aan terugdenk. In werkelijkheid was het natuurlijk veel minder mooi dan het nu lijkt.

2

KOESTER JE IDEALEN

Dagelijks

De kerk van de abdij Koningshoeven

Afgelopen donderdag vond dan eindelijk, na maanden corona-uitstel, de presentatie van mijn boek plaats. Hoge idealen, nederige aanvaarding – Willibrord van Dijk en de vernieuwing van het kloosterleven werd gelanceerd op de enige plek die hiervoor geschikt is: de trappistenabdij Koningshoeven in Tilburg.
Het klooster is door de coronabeleidsmakers aangemerkt als particuliere woning waar maximaal zes gasten mogen worden ontvangen. Daar kwam bij, dat er net twee dagen tevoren een medewerker van de kwekerij besmet was geraakt. De presentatie vond daarom onder de nodige beperkingen plaats. De trappisten, meesters in het zichzelf opleggen van beperkingen, draaiden er hun hand niet voor om. De wereldlijke bijeenkomst werd verplaatst naar de abdijkerk, een gewijde ruimte, die alleen al door zijn kolossale afmetingen bij velen ingetogenheid en stilzwijgen afdwong.

31 mei 1945, abtswijding van Willibrord van Dijk

Daar stond ik dan op het presbyterium, de verhoogde ruimte vanwaar de priester de mis leidt. Een plaats bestemd voor monniken, abten en hoogwaardigheidsbekleders. Waar mijn heeroom tot abt werd gewijd, liggend op de grond, de uiterste vorm van nederigheid. Kon ik hier wel spreken over de schade die de strenge regelgeving van de orde had aangericht?
Voor mij zag ik de aanwezigen, verspreid in het gangpad en de koorbanken. De uit hout gesneden heiligen keken van beide zijden toe op mijn familieleden en vrienden. Hoevelen zouden er nog trouw zijn aan de kerk van Rome? Sommigen waren tevoren rondgeleid door een eenvoudige monnik, die later de abt bleek te zijn.
De locatie had één nadeel. De galm in de kerk, zo verbonden met de gregoriaanse zang, was een hinderpaal voor de verstaanbaarheid van de sprekers. Zeker gelet op het grote aantal lijders aan een toenemende doofheid.

Mgr. de Korte heeft zojuist het eerste exemplaar in ontvangst genomen

Ik had gepolst of de bisschop wellicht bereid zou zijn het eerste exemplaar van het boek in ontvangst te nemen. Tot mijn verrassing stuurde de bisschop zelf direct een positief antwoord, eindigend met: ‘Voor nu veel groeten uit ’s Hertogenbosch. In Christus verbonden. + Gerard de Korte.’
Anders dan in vroeger jaren werd de bisschop ditmaal niet bij de poort opgewacht en in optocht onder een baldakijn naar de kerk geleid. Hij kwam even voor tijd binnenlopen, gekleed in het dagelijkse zwart. Ingegeven door de eerbied voor het coronavirus leek het mij verstandig het boek niet daadwerkelijk te overhandigen. Maar toen het moment daar was vond ik het toch wat overdreven om het boek op de altaartreden te leggen. Alsof het een besmet artikel was en de bisschop daarna onverwijld zijn handen diende te wassen. Het is een bekend ritueel in de kerk, daar niet van. Maar met beide armen gestrekt werd de overhandiging ook corona-proof.
Bij de uitgang kon ieder vervolgens een trappistenbiertje nemen. Broeder Wigbertus zorgde ervoor dat een risicovolle stormloop uitbleef door de gasten per rij te laten opstaan, zoals met de communie.
De nazit vond plaats in een binnentuin, waar de monniken een corona-proof terras hadden ingericht onder hoge bomen die er even gewijd uitzagen als de kerk. Daar kon de verkoop van het boek plaatsvinden; de economie mocht immers niet lijden onder de pandemie. Toen de bisschop zag dat ik voor de kopers een opdracht schreef, wilde hij er ook een. Als toespeling op de titel had ik voor velen Koester je idealen opgeschreven. Dat leek me voor mgr. de Korte toch wat minder geschikt.

0

ZONDIGEN TEGEN DE NATUUR

Dagelijks

Het is duidelijk. Als we zo doorgaan, blijft er straks niet veel van onze aarde over. Van diverse kanten worden we daarom aangesproken: wat is jouw ecologische voetafdruk? Wat doe jij om de aarde te redden?
Vast niet genoeg, denk ik dan, al bezitten we een stukje windmolen en een aantal zonnepanelen. Al rijden we een hybride auto en nemen we de trein in plaats van het vliegtuig. Al gooi ik mijn oude overhemden nog niet weg en knip ik de heg met de hand.
Op dat laatste punt scoor ik nog niet zo slecht. Iedereen om ons heen, niemand uitgezonderd,  gebruikt een elektrische heggenschaar. Er zijn buren, die voor het opruimen van de takken een soort buiten-stofzuiger gebruiken in plaats van een bezem of een tuinhark. Het gemak dient de mens. Als de klus geklaard is stappen ze in hun SUV om in de sportschool aan hun conditie te werken. Ik overdrijf natuurlijk, er zijn ook mensen die de elektrische fiets gebruiken.

Foto: IVN

Maar zou ik niet meer moeten doen? Dagelijks worden mij nieuwe ideeën aangereikt.
Wat dacht je van een Tiny forest in je tuin? Van IVN Natuureducatie mogen twintig huishoudens een bos in hun achtertuin planten. De bomen compenseren de uitstoot van 1800 autokilometers, zorgen voor biodiversiteit en voor koelte. Je moet er wel een stuk grond ter grootte van een tennisbaan aan spenderen. Mocht je nu onverhoopt je tennisbaan niet willen opofferen, dan biedt IVN voor € 119,- nog een Tuiny forest, een fraai pakket inheemse boompjes en struiken, inclusief een zakje bodemliefde, een handleiding en een helpdesk. Hoe makkelijk wil je het hebben? Dan kan je toch niet meer zeggen, dat de energietransitie niet haalbaar is?
Meer groen in de tuin, het lijkt me een uitstekend idee. Als ik mijn buurt er nog eens bij mag halen, dan zie ik veel tuinen die in tegelplateaus zijn veranderd. Voor de sier staat er nog één bloembak met een wegkwijnende plant. Daarnaast een overkapt terras met de onvermijdelijke grijze loungebanken en als het even kan terrasverwarming. Als ik ergens een stukje groen ontwaar, dan heeft men voor de kinderen kunstgras aangelegd. Hoveniers zijn hier vervangen door stratenmakers.
De vergelijking met de buurt doorstaan wij opnieuw glansrijk, maar nog wat tegels eruit en boompjes erbij, kan natuurlijk geen kwaad. Het probleem is dat ik niet zo’n bosmens ben. Het mooiste van wandelen in een bos vind ik het moment dat je er weer uitkomt. Ik hou van uitzicht, ook in onze tuin. Ik hou van de vogels, het water, de wolken, de zonsondergang. Deze week zag ik nog een ijsvogel langskomen. Dan kan een boom behoorlijk in de weg staan.

Als het aankomt op het redden van de aarde, dan kan ik nog wel wat verbeteren. Al die plastic verpakkingen. Al het drinkwater dat onnodig wegspoelt. Er zijn nog veel dingen die beter kunnen. Het schuldbesef ligt op de loer. Het lijkt erop dat in mijn hoofd de zonden tegen het geloof hebben plaatsgemaakt voor de zonden tegen de natuur.

3

HETE MEIDEN

Dagelijks

Het lukt me niet de slaap te vatten en na een uur lang draaien en talmen stap ik uit bed en loop naar de huiskamer. Zappend langs vele zenders zie ik beelden van een jonge vrouw die op bed met haar telefoon speelt. Ze ligt op haar buik en steunt op haar ellenbogen. Haar onderbenen steken vrolijk de lucht in. Ze draagt een kort bloesje en een strakke korte broek. Met een lange, roodgelakte nagel wenkt zij de kijker. Teleshop, staat er in beeld en Nachtlounge babes. Men promoot hier telefoonsex.
Vroeger moesten mannen zich tevreden stellen met boekjes uit obscure winkels. Of een bioscoop waar men films draaide als Kom met je waldhoorn tussen mijn Alpen. Dat trok mij totaal niet aan. In Utrecht was er nachtclub Limburgia. Naast de deur hing een vitrine met foto’s van danseressen in fraaie kleding, zodat je wist wat zij binnen uit zouden trekken. Ik kende niemand die daar ooit geweest was.

‘Waar wacht je nog op, onze meisjes wachten op jou. Of durf je niet?’, vraagt de voice-over van de Nachtlounge. Het commentaar is hitsiger dan de beelden. ‘Dat lekkere kontje, die mooie borsten. Doe maar wat uit schatje. Haal maar lekker die grote jongen uit je broek.’ De langdradige reclame wordt nog eens onderbroken door een reclameblok van korte filmpjes met weer andere telefoonnummers. Er is voor elk wat wils. ‘Je mag ook luisteren hoe ik mijn hoogtepunt bereik.’
De aanval op de preutsheid kwam in de jaren zeventig. De vpro-o-o-o bracht Phil Bloom en de PSP het blote meisje naast de koe. De commerciëlen roken hun kans op een fikse omzetverhoging. Na de Tiroler films kwam de echte porno in de bioscoop, nog eens aangewakkerd door minister Dries van Agt, die had bepaald dat Deep Throat alleen ‘in besloten kring’ mochten worden vertoond, dat wil zeggen in een zaal met maximaal negenveertig stoelen. Dat wilde ik wel eens meemaken. Maar toen ik met dat plan door Amsterdam liep, vroeg ik me af of ik het wel zou durven. Ik voelde me een monnik met zondige gedachten. Of Don Camillo met een kennelijke erectie onder zijn rok, dat is misschien een betere vergelijking, want ik had het gevoel dat iedere passant op de Nieuwendijk wist waar ik naar toe ging. Vlakbij de bioscoop liep ik een vriend uit Utrecht tegen het lijf. Mijn eerste gevoel was schaamte, daarna volgde de opluchting. Hij kwam net uit de voorstelling, zei hij. ‘Het is een verhaal van niks.’ Gerustgesteld liep ik naar de kassa.

Met de paarse kabinetten en de vrije marktideologie in de jaren negentig wonnen de commerciëlen. Het nieuwe RTL wist veel kijkers te winnen met Sex voor de Buch. Daarna ging dankzij het internet het hek van de dam. Hulpverleners en feministen waarschuwen voor de negatieve gevolgen. Hoe ver mag de vrijheid gaan?
De jonge dame op het bed streelt lichtjes haar borsten. ‘Onze babes zijn erg heet, ze doen misschien wel alles wat je vraagt.’ Net als ik op de bank voor de tv de gewenste slaap begin te krijgen, trekt het meisje tergend langzaam haar bloesje uit.

2

ONVERWACHT BEZOEK

Herinnering

Het moet rond 1960 geweest zijn, dat er halverwege een nazomermiddag een auto stopte bij ons huis. Het was het laatste huis aan een halfverharde, doodlopende weg. Behalve de tractor van een fruitteler kwam er nooit verkeer langs. De auto was te meer bijzonder, omdat het een Mercedes was met een Duits kenteken. Ik zag het gebeuren en mijn overtuiging dat de vreemdelingen de weg kwijt waren geraakt werd ontkracht door het stilvallen van de motor. Vervolgens gingen alle portieren open en stapte een heel gezelschap uit, volwassenen en kinderen. De komst van de vreemdelingen maakte me bezorgd.
Na al die jaren zie ik nog slechts twee mensen duidelijk voor mij. Als eerste van de groep liep er een kleine, brede man met donker haar het erf op. Hij lachte mij toe alsof hij me eerder gezien had. Achterin het gezelschap schuifelde een oude oma, geheel in het zwart gekleed. Zij had een klein mondje en ingevallen kaken.

Dat voorjaar tijdens het Vleutens Feest hadden de winkeliers bij wie je Ring-zegels kon sparen, een ballonwedstrijd uitgeschreven. Voor ieder kind werd door het promotieteam van Ring een ballon gevuld met helium. Daarna werd het kaartje met je naam en adres eraan geknoopt. Vervolgens moesten we onze ballon stevig vasthouden totdat voor alle kinderen de ballonnen waren gevuld. Terwijl er al een enkele ballon de lucht inging, stond ik met een verkrampte hand te wachten. Onder luid gejuich steeg tenslotte de gekleurde massa ballonnen op richting het zuidoosten.
Van mijn ballon is taal noch teken meer vernomen, maar mijn zus ontving na een aantal dagen het kaartje retour. Haar ballon was ergens in Duitsland geland. Daarmee had zij de tweede prijs in de wedstrijd gewonnen. En nu stonden onverwacht de vinders voor de deur.

Daar zaten we dan met zijn allen, in een wijde boog om de tafel in de voorkamer, terwijl mijn moeder druk in de weer was met kopjes en glaasjes. De bezoekers keuvelden er rustig op los, blijkbaar ervan uitgaande dat wij hun Duits goed kon volgen. Veel buitenlanders zien Nederland als een Duitse provincie en het Nederlands als een Duits dialect.
Mijn broer die een paar jaar middelbare school achter de rug had, was de enige die wat kon verstaan. We misten node mijn vader die als veertienjarige met mooie cijfers het diploma Duitsche Handelscorrespondentie had behaald. De woordenschat die mijn moeder in de oorlog had opgedaan, beperkte zich tot woorden als nicht, richtig en aufmachen.
Het was daarom pijnlijk dat mijn moeder op een stoel naast oma belandde. Door het ontbreken van het grootste deel van haar tanden zou het geslis van de oude vrouw zelfs voor leraren Duits onverstaanbaar zijn geweest. Met bewondering zag ik hoe mijn moeder aanhoudend begrijpelijk naar oma knikte.
Er is tot slot nog één beeld dat ik levendig voor me zie. Ik was destijds nog nooit iemand tegengekomen met een gouden tand. Nu zag ik bij elke lach van de Duitse man links en rechts, boven en onder, gouden tanden blinken. Niet lang daarvoor had ik gehoord, dat de nazi’s de gouden tanden uit de lijken van de gaskamers hadden verwijderd.

0

EEN SPECIALE PRIJS

Herinnering

Vakantieherinnering (4)

De haven van Genua

Eenmaal waren G. en ik in Genua, de stad die is beschreven door Ilja Leonard Pfeiffer en eenmaal reden we over het beroemde viaduct, dat ons toen nog kon dragen. Het was in 2012, we beschikten niet over een navigatiesysteem, dus het kostte veel overbodig rondrijden, vragen en irritatie voor we ons doel bereikt hadden: een overdekte, bewaakte parkeergarage naast het station.
We zouden een week gaan wandelen in het Parque Nazionale delle Cinque Terre, langs vijf voormalige vissersdorpjes, die op onmogelijke plaatsen tussen de rotsen boven de Middellandse Zee liggen. Dorpjes die vroeger over land onbereikbaar waren, maar nu vanwege hun schitterende ligging en hun ‘authentieke karakter’ jaarlijks een paar miljoen bezoekers trekken. Waardoor je er niet je auto kunt parkeren. In zijn boek Grand Hotel Europa, één lange aanklacht tegen het toerisme, besteedt Pfeiffer ook een hoofdstuk aan de Cinque Terre.

We reden de Golf Variant de donkere buik van de garage in, het ene na het andere smalle bochtje omlaag, langs stootranden die al vaak geraakt waren en met banden die piepten op een vloer die op geglazuurd beton leek. Diep onderin vonden we een veilig plekje. Het tarief was € 1,60 per uur. Een schappelijk prijsje, maar wij waren benieuwd naar het tarief per week. De automaat gaf het ons niet prijs en het kantoortje daarachter was leeg en donker. In de hele garage was het doodstil, we waren de enigen in het halfduister ergens diep onder de grond. Dit was bewaking op zijn Italiaans.
De automaat beschikte over een gele knop met het woord ‘info’. Aarzelend duwden we deze in. We hoorden een krakerige stem, die ons in het Italiaans toesprak. Het klonk mij alsof wij in overtreding waren en opgesloten zouden blijven, maar G., die beter is in talen, had ook enkele Engelse woorden opgevangen en daaruit begrepen dat er iemand naar ons toe zou komen. Na vijftien spannende minuten kwam er waarachtig een kleine Italiaan in een mouwloos hemd op een scooter aangereden. Hij verontschuldigde zich. Het was de nationale feestdag, La Festa de la Republicca, hij had thuis achter de tv gezeten.
Natuurlijk, een week parkeren was mogelijk. Dat kostte 105 euro, maar – hier begon hij zachter te praten, zijn blik werd samenzweerderig – hij kon ons de stalling voor 90 euro aanbieden, handje contantje. We moesten dan bij het ophalen vragen naar Gianlucca. Zijn ogen glinsterden. Wij keken elkaar bezorgd aan. ‘Dit is Italië’, zei ik in de duistere lift omhoog.

Een week later waren wij opgelucht dat we de auto in puike staat terugzagen. Gianlucca was echter nergens te bekennen. In plaats daarvan zagen wij in het kantoortje een onkreukbaar uitziende Italiaan in uniform, die zomaar eens de baas van Gianlucca zou kunnen zijn. Het leek mij onverstandig om uit te leggen welke prijs wij hadden afgesproken. We stopten daarom ons parkeerkaartje in de automaat. We werden aangeslagen voor € 264. Zie je wel, we zijn bedonderd, zei ik. Er zat niets anders op dan de kwestie aan de onkreukbare beambte voor te leggen. Die glimlachte bij het horen van de naam Gianlucca. Hij gaf ons voor 90 euro de begeerde uitrijkaart, waarna wij met piepende banden uit het duister omhoog reden naar het zonlicht .