Tevoren moet ik toestemming vragen voor een bezoek. Daarvoor moet ik digitaal een uitgebreid formulier invullen en de voorwaarden ondertekenen. Zo verbind ik me aan de regel, dat ik in publicaties geen namen zal noemen van nog levende personen.
Bij mijn bezoek enkele weken later (nog voor de coronacrisis) draagt de vrouw achter de balie mij op om mijn persoonlijke bezittingen in een kluis op te bergen. Alleen een stukje papier en een potlood mag ik meenemen. Zij maakt een foto van mij en gebruikt deze voor het aanmaken van een pas. Met mijn potlood en papier in een doorzichtige plastic tas loop ik even later naar een man in een donkerblauw uniform. Hij stelt vast dat ik alleen een potlood en een blocnote meeneem. Daarna open ik met mijn nieuw verworven pas een tourniquet en loop de leeszaal binnen.

In het kader van 75 jaar bevrijding schreef ik in februari voor het blad van de historische vereniging Vleuten-de Meern een artikel met delen uit het oorlogsdagboek van mijn vader. Ik vermeldde daarin dat op 9 oktober 1944 in Vleuten de NSB’er Hendrik van der Grift geliquideerd werd. Nog wat googelend op ‘Vleuten in de Tweede Wereldoorlog’ stuitte ik bij toeval op een artikel van Bas Kromhout in het Historisch Nieuwsblad in 2009. Hierin wordt de liquidatie van Van der Grift onterecht genoemd. Zou dit kloppen, vraag ik mij af? Waarom heb ik in Vleuten dan nooit eerder hierover gehoord? Navraag bij de historische vereniging levert niets op.
Kromhout baseert zich op het boek Recht op Wraak van Jack Kooistra, de journalist die ook wel ‘de Friese Wiesenthal’ wordt genoemd. Kooistra heeft een uitgebreid archief aangelegd van Nederlanders die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. In zijn boek vind ik een hoofdstuk ‘bedrijfsongeval, dubieuze aanslag of misverstand’. Hierin staat met een paar regels de liquidatie in Vleuten beschreven. Nieuwe feiten vind ik niet. Er staat niet bij vermeld op welke bronnen Kooistra zich baseert.
Ik probeer tevergeefs via zijn uitgever in contact te komen met Kooistra. Ondertussen lees ik dat de man al in de negentig moet zijn. Als ik via de Leeuwarder Courant nog een laatste, voor mijn gevoel zinloze poging waag, ontvang ik direct een mail van Kooistra: zijn medewerkers hebben de informatie gevonden in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in Den Haag. Dit archief bevat alle dossiers van de meer dan 300.000 collaborateurs, NSB’ers en andere Nederlanders die verdacht werden van samenwerking met de Duitsers. Tegen elk van hen werd een proces gevoerd.

In de leeszaal toon ik bij een uitgiftebalie de brief met toestemming voor mijn bezoek en de nummers van de dossiers die ik mag inzien. Even later staan er twee lichtbruine kartonnen dozen voor mij klaar. Een belangrijk ogenblik is aangebroken, mijn nieuwsgierigheid naar de inhoud bereikt een hoogtepunt. Voorzichtig, alsof ik een partij eieren draag, loop ik met de dozen naar een lege tafel. Langslopende toezichthouders zien hoe ik met mijn potloodje driftig aantekeningen maak over het proces dat in 1947 postuum tegen Van der Grift is gevoerd.
Na anderhalf uur maak ik de gang terug, door het tourniquet, langs dezelfde tasjescontroleur en langs de balie. Volgende week volgt hier het resultaat van deze speurtocht.