In een boek over het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog vroeg een hedendaagse schrijver zich af of hij het in soortgelijke omstandigheden zou aandurven om zich te verzetten tegen de bezetter. Of hij het risico op gevangenschap, marteling of dood zou durven nemen. We leven in een andere tijd, dus de vraag is niet goed te beantwoorden. Maar ik denk dat ìk niet de moed zou hebben.

Er kwam een voorval uit mijn vroege jeugd op. Ik was een jaar of zeven en ik kwam op mijn eentje uit school. Vlak voordat ik thuis was werd ik opgehouden. Twee mannen hadden een geul dwars over de weg gegraven. Ze stonden er tot hun bovenbenen in. Bergjes donkere grond lagen ernaast.
‘Nee, jij mag er niet door’, zei een van de twee. Ik schrok en liep angstig een paar meter achteruit. Ik zag de geul en die mannen en ik was bang dat ik nooit meer thuis zou komen. Toen ze mij na enige tijd toch doorlieten, holde ik in één keer door naar mijn moeder om mijn beklag te doen. Zij stapte zonder dralen in haar schort de achterdeur uit en liet de mannen in niet mis te verstane woorden weten dat zij niet meer dit soort flauwekul moesten uithalen.

Er was veel meer dat mij toen bang maakte: het hondje van Van der Klei, het donker, paarden en koeien, de diepte onder het wateroppervlak, onbekende volwassenen, de pastoor. Na de angst voor fysieke dreigingen volgde later de angst om mijn mond open te doen, om gek gevonden te worden, om niet mee te tellen, enz. Had ik maar wat meer van de stoutmoedigheid van mijn moeder gehad.
Er was ook een periode dat ik mijzelf niet bang vond. Als eerstejaars student psychologie moest ik een vragenlijst over angst invullen. Bij alle mogelijke gevaren streepte ik aan dat ik niet of nauwelijks bang was. Van het begrip sociale wenselijkheid had ik toen nog niet gehoord. Dat dit voorval nu nog naar boven komt geeft aan dat er ergens in mijn geweten iets geknaagd moet hebben bij zoveel van bravoure overlopende antwoorden.

Angst, zo leerde ik later, is in wezen een lichamelijke reactie op een dreigende situatie. De gevoeligheid daarvoor krijg je met je geboorte mee. Maar de opvoeding is ook van invloed. Het zal niet meegewerkt hebben dat een belangrijke les in mijn jeugd was dat ik maar op God moest vertrouwen (of anders op mijn moeder). Op mezelf en op mijn eigen kracht vertrouwen was geen onderdeel van het curriculum. Ik nam geen aanloop om over de geul te springen, hoewel ik gemakkelijk daartoe in staat was. Me verzetten heb ik wel geleerd, maar vooral tegen mijn eigen fouten.
Voor mannen met een schop week ik terug, voor Duitsers met een wapen zou ik dat zeker gedaan hebben, ook als volwassene. Nu ik dit zo overdenk valt het mij op dat niemand van mijn familieleden een rol in het verzet heeft gehad. Dat gold voor het grootste deel van de Nederlanders.