Het dashboard van de Daffodil

Ik sta in de wachtstand. Bijna ongemerkt trekken er gedachten over de toekomst door mijn hoofd. Zoals dat ooit was voor ik op kamers ging wonen, voor ik een baan kreeg. Straks, als…, straks dan… Maar omdat ik de toekomst nog nooit zo weinig in de hand heb gehad als nu, ga ik in dit stuk vierenveertig jaar terug, naar dinsdag 1 april 1976, de dag dat ik voor de eerste maal opging voor het rijexamen.
Ik was bijna vierentwintig jaar en tot dan had ik niet de minste behoefte gevoeld om het rijbewijs te halen. Het was in de jaren dat ik graag van de hoofdstroom afweek. Ik had me echter laten overhalen met het argument, dat het nooit weg is om een rijbewijs te hebben. Zoals iemand die niet van zwemmen houdt toch zijn zwemdiploma wil behalen.
Overigens had ik al wel vaker een auto bestuurd. Mijn vader had in een Daffodil gereden, uitgevoerd met dubbele rem en dubbele spiegels, wat in die tijd gelijk stond aan een lesauto. Toen hij ernstig ziek was, reed ik ook wel in mijn eentje naar het ziekenhuis.
Ik begon daarom bij de rijschool met het idee, dat ik met mijn rijervaring aan een paar lesjes genoeg zou hebben. De instructeur dacht daar anders over en juist toen ik vermoedde dat hij vanwege zijn portemonnee het examen nog langer wilde uitstellen, viel de oproep in mijn bus.

Het was een vochtige, grijze morgen, die donderdag dat ik mij bij het Oude Tolhuys in Utrecht meldde. Voor de eerste maal dat voorjaar trok er warme lucht over Nederland. Mijn examinator was een oudere man in een wollen winterjas. Of ik het nu warm kreeg van de zenuwen of de examinator door zijn veel te dikke jas, feit was dat, nog voor ik wegreed, de ramen aan alle kanten beslagen waren. In mijn lessen was ik met alle mogelijke situaties geconfronteerd, onder allerlei weersomstandigheden, maar een oefening in beslagen ruiten had ik nooit gehad. Ik wist niet waar de knop zat om dit euvel te verhelpen en was compleet van mijn à propos. Ik verwachtte elk ogenblik een ingreep van de examinator.

Nog juist op tijd vond ik een knop waardoor er ergens een blazend geluid ontstond en er zich aan de onderzijde van de voorruit een paar kijkvensters vormden. Ik vroeg me af of het de bedoeling was, dat ik turend door die smalle spleten de wagen in beweging zou brengen. ‘Laat ‘em nog maar even lekker doorblazen’, bromde de examinator. Ik had het idee dat zijn jas nog dikker geworden was.
Na deze valse start hervond ik mijn beheersing en verliep alles vlot totdat ik aan het einde de oprit achter het stadion naar de snelweg opreed. Dit is, nog altijd, een hele korte oprit. Ik gaf flink gas, tuurde gespannen in mijn zijspiegel en zag enkele auto’s naderen. Vlak voor me kwam ook het einde van de oprit akelig dichtbij. God zegene de greep dacht ik en voegde in. De examinator zag  mijn gespannenheid blijkbaar aan voor koelbloedigheid. Al de volgende dag kon ik vlakbij mijn huis het begeerde roze document ophalen, gemaakt van een papiersoort die kon rafelen als een stuk katoen.