Als ik champignons klaarmaak, denk ik altijd aan de Limburgse champignonkweker met wie ik een etmaal op een kamer lag in het Sankt Vinzenz Krankenhaus in Zams, Oostenrijk.
Ik lag driehoog op de Afdeling Unfälle Männer. De meeste Omgevallen Mannen kwamen, net als ik,  van de vele skipistes in de wijde omgeving. Elk uur werden nieuwe Verletzte aangevoerd, ik zag de helikopters landen voor mijn raam.
Tegenover mij lag een jonge Duitse manager, een evenbeeld van Ronald Koeman. Zijn kniebanden waren op de piste afgescheurd. Naast mij lag M, een oude man uit het nabijgelegen Landeck. Hij was met zijn hoofd op de plavuizen van de keukenvloer gevallen. Daarnaast had hij stoflongen, omdat hij de kost had verdiend met het boren van tunnels.
Op vrijdagmorgen werd de champignonkweker binnengebracht. Hij had zijn skipak en zijn skischoenen nog aan. Hij had pijn aan een arm en een schouder en hij was duizelig. Uit foto’s was gebleken dat er niets gebroken was. Hij wilde daarom terug naar zijn familie en zijn appartement. Herr Doktor wilde echter nog een dag een oogje in het zeil houden. Dat zeiden tenminste de verpleegkundigen, want Herr Doktor zelf vertoonde zich niet.
De kweker drentelde wat om zijn bed heen, lachte eens naar ons, brekebenen, en ging uiteindelijk toch maar even op het bed liggen, dat twee Pflegerinnen zojuist routineus voor hem hadden opgemaakt. Hij dacht er nog juist aan om zijn skischoenen uit te doen.
Ik begreep wel waarom hij nog een dag in het Krankenhaus moest blijven. Toevallig had een duits journaal een paar dagen eerder een reportage uitgezonden over de oostenrijkse hulpindustrie. De hulp aan skigewonden is, zo werd verteld, perfect georganiseerd. Met de helicoptervluchten, ambulancetochten en ziekenhuisopnamen wordt een goede boterham verdiend. Vooral de Nederlanders worden goed verzorgd, ‘want die zijn het beste verzekerd’. 
De champignonkweker belde met zijn familie. Verbazing en teleurstelling over zijn opname streden om voorrang. Na een uur deed hij zijn skipak maar uit, ging in bed liggen en nam de medicijnen die gedistribueerd waren. In no time was hij gehospitaliseerd. Voor hem niet leuk, voor ons, zo zou later blijken, evenmin.

Een verpleegkundige vroeg mij op luide toon voor de tweede keer die dag naar mijn Stuhlgang. Zij vroeg dat alleen aan  mij. Dat vond ik wat vreemd. ‘Nein, noch nicht’, antwoordde ik schuldbewust. Ik vreesde het moment dat de vraag voor de derde keer gesteld zou worden en ik en plein public voor de derde keer ontkennend zou moeten antwoorden. Wie zou er dan gaan kraaien?
In het strakke dag- en nachtritme van Sankt Vinzenz ging om negen uur ’s avonds het licht uit, als aanbeveling om te gaan slapen. Omdat het slapen mij daar moeilijk afging, lag ik meestal nog lang bij een bedlampje te lezen. Of ik hinkelde nog wat over de afdeling. Onze champignonkweker was echter direct vertrokken. Al snelde galmde er een regelmatig snurkgeluid door kamer 304.  

In de loop van de week was ik gewend geraakt aan allerlei slaapgeluiden. De tunnelboorder was overdag een man met een zacht stemgeluid. Zodra hij echter horizontaal ging lag hij een aan stuk door te piepen, rochelen, blazen en fluiten. Regelmatig kreeg hij een verschrikkelijke hoestbui. Dan gooide hij er een hartgrondig ‘Scheisse Lunge’ tussendoor. De Limburger overstemde echter alles. Nog nooit heb ik iemand zo hard horen snurken. We vroegen of hij op zijn goede schouder kon gaan liggen. Dat hielp een paar minuten. Daarna kwam het eerste, zachte gereutel aarzelend uit zijn keel om geleidelijk aan te zwellen tot straaljagerniveau.
Koeman was al twee dagen bezig om te regelen dat hij zo snel mogelijk naar een ziekenhuis in zijn woonplaats, 800 km verderop, zou worden getransporteerd, desnoods met een taxi. Maar ook hij had nog geen toestemming van de geneeskundige. Nu regelde hij bij de verpleegkundige dat we een partij oordoppen kregen uitgereikt. Het mocht niet baten, het geronk drong door de dichtgeperste oorschelpen heen.
Zo werd het een lange nacht. ‘Denk maar aan iets leuks’, zei ik tegen mezelf en ik begon alle gezinsvakanties langs te lopen, alle plaatsen waar we gekampeerd hadden. Ik dwong mezelf niet op mijn horloge te kijken. Toen ik toch keek was het nog maar half twee. Tegen de ochtend viel ik af en toe in een onrustig slaapje.
Ik was blij dat ik het eerste bleke licht op de besneeuwde toppen zag komen. Daarna daalde het licht langzaam de hellingen af tot het tenslotte het dorp bereikte en de huizen weer hun kleuren gaf.
De champignonkweker had goed geslapen. Monter vertelde hij dat hij na het ontbijt zou worden ontslagen.
Ik hou nog steeds erg veel van champignons.