Ons huis, aan de Buys Ballotstraat in Utrecht, bestaat dit jaar 116 jaar.
Het is een hoog herenhuis, gebouwd in de zogenaamde neorenaissance stijl. De gevel heeft boven de tweede etage een uitspringende rand, een kroonlijst, met daaronder gemetseld sierwerk. De voordeur bevindt zich in een portiek met een soort griekse zuilen aan weerszijden en een geornamenteerde boog. Daarboven is een balkonnetje met siersmeedwerk. Mocht de burgemeester, de koning of misschien zelfs Henk Westbroek ooit nog eens door onze straat komen, dan kunnen wij hem vanaf ons balkonnetje toejuichen. Omdat het boven de gemeentelijke stoep hangt, betalen we de gemeente jaarlijks precariorechten. Voor dat geld wil  je tenslotte wel eens iemand kunnen toejuichen. Of toegejuicht worden. Daarvoor moeten we nog een goede smoes bedenken.

We gaan een keer ons huis verkopen, dus dan is het goed om te weten, dat het huis aan de binnenzijde nog allerlei originele details kent, zoals glas-in-loodramen, engelenkopjes in de sierlijk gestucte plafonds, zwartmarmeren schoorstenen, paneeldeuren en deurposten met 13 groeven (een uitdaging bij het schilderen). Openslaande balkondeuren geven op de eerste etage aan de achterzijde toegang tot een breed balkon. De schilder noemt deze deuren een stolpstel. Ik kende dat woord niet. Van Dale ook niet. Maar op Marktplaats kan je wel stolpstellen kopen.
Het huis heeft drie woonverdiepingen, met een zolder daarboven en een kelder daaronder. Toen mijn tante Jo lang geleden hoorde, dat wij een huis in de Buys Ballotstraat hadden gekocht, zei ze vol ontzag: ‘oh…een huis met een souterrain’. Als wij een oratio pro domo houden dan noemen wij deze kelder dus een souterrain.
De woning heeft binnen veel ruimte. Zo zijn de kamers beneden 3,60 meter hoog. Ik heb daar leren behangen. Als je zingt in het trappenhuis, kan je het volume van een operazanger benaderen. Eigenlijk zijn alleen de beide wc’s erg klein. Je kunt er je kont niet keren. Terwijl dat nu juist het enige is dat je daar wilt doen.

Het is een huis, dat uitnodigt om de geschiedenis te onderzoeken. Onze buurthistoricus Jos van Beurden heeft achterhaald, dat er in de begintijd in deze buurt leraren woonden, hogere militairen, oud-Indiëgangers, advocaten en hoger personeel van de spoorwegen.
Wie zou er in ons huis gewoond hebben en wat waren het voor mensen? Waren zij vroom? Is er wel eens een van de trap gedonderd? Hadden ze een dienstmeid of een commensaal? Werd er gezongen bij de afwas? Hoeveel kinderen zijn er geboren? Hoeveel bewoners zijn er overleden?

We weten er helaas weinig van.
Voordat wij het huis kochten was het een studentenhuis. Er woonden 9 studenten. Verdeeld over de étages waren er 4 keukentjes en één benauwde douche. Voor hen had er een wat vreemde man gewoond. Hij had een wat vreemde serre aan de achterkant nagelaten, waar het regenwater op de regels bleef staan. Die serre heb ik weer afgebroken.
Wij hebben het huis zoveel mogelijk intact gelaten, inclusief de schuifdeuren en de kasten die voor- en achterkamers scheiden. Vanwege de aanhoudende lekkages op zolder hebben we er wel een nieuw dak op laten leggen. De nieuwe dakpannen zijn zo glad dat ik niet meer als een haas over het dak kan lopen om de bladeren uit de dakgoot te verwijderen.
Van blaadjes in de goot zullen de bewoners in de eerste decennia geen last gehad hebben. Toen de kleine platanen voor hun huis eenmaal uitgegroeid waren tot fikse bomen, werden ze omgezaagd. Dat gebeurde in de hongerwinter. De aanplant van net na de oorlog komt nu weer ver boven de 11 meter hoge kroonlijst uit.

Wij wonen nu 28 jaar in dit huis. Ik herinner me dat ik, toen wij ons huis net betrokken hadden, wel eens met een gevoel van trots door het huis liep, omdat het ‘ons huis’ en ‘ons eigendom’ is.
Maar eigenlijk kan je beter zeggen dat wij een tijd op dit huis mogen passen. Daarna geven we het weer door aan een ander die het gaat beheren. Het huis is niet echt van iemand. Het huis is van zichzelf.