De jachtkamer van het kasteel dient als kleedkamer.
De muren hangen vol met parafernalia van de jacht: geweren, hertenkoppen, afbeeldingen, maar vooral geweien, kleine en grote, van verschillende soorten herten. Banken en tapijten tonen taferelen van meedogenloze honden die achter schichtige rendieren aanjagen. Er staat een salontafel met 8 stoelen. Poten, rug- en armleuningen zijn gemaakt van geweien. Door het enige raam valt zacht avondlicht de kamer in.
Enkele meisjes van de groep poolse dansers rijgen bij elkaar de barokjurken aan de achterzijde dicht. Anderen worden in het laatste licht bij het raam gepoederd. Weer anderen trekken turkse pofbroeken aan en draaien doeken om hun hoofd tot tulbanden.

Tussen de stoelen met geweien hijsen de zangers zich in hun barokke kleding, aards van kleur. We gebruiken de geweien om onze kleren aan te hangen. Een jonge tsjechische sopraan wikkelt om haar hoofd een sluier, die slechts de ogen vrijlaat. Naast mij stapt een oudere sopraan in een hoepelrok. Ik draag een wit shirt met pofmouwen, na lang zoeken gekocht via een duitse website. Over een zwarte broek trek ik een paar donkerblauwe voetbalkousen tot aan de knieën op, waardoor er de schijn van een pofbroek ontstaat. Om mijn middel wordt een okergele band met veiligheidsspelden vastgezet.
We zijn met een groep zangers, musici en dansers bij elkaar in het zuid-boheemse Bechyne, een barok dorpje met gekleurde huizen aan een marktplein, een oud klooster en een 16e eeuws kasteel. In de kloosterkerk gaven we een uitvoering van stukken die Händel en Rameau voor de Vrede van Utrecht componeerden. Deze avond staan delen uit de Bourgeois Gentilhomme van Lully op het programma, onder andere de Turkse Scene. De rol van de Moefti is verdeeld over vijf bassen.

Mijn eenmaal weerkerende tekst luidt:
Ti non star furba? Non star furfanta? Non star furfanta?
Donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta.
Het koor zingt tussen de eerste vragen door, tegen de maat in:
no, no, no.
Tijdens de repetities heb ik gehoord, dat ik op een Fanta-verkoper lijk en dat ik de klinkers veel langer moet aanhouden. ‘Open your throat’! Om een mooie -a- te krijgen dien ik mijn konen omhoog te trekken. Daarnaast moet ik dreigend en dominant zingen en met een doek zwaaien die de arme meneer Giourdina als tulband (turbanta) om zijn hoofd zal krijgen.
Voor mij zit de uitdaging vooral in het beginnen op de goede tel en op de goede toon. Als het koor het all’ ak-bar heeft afgerond, moet ik direct naar voren stappen en mijn solo beginnen. Anders gaat de vaart eruit en dat kan niet met dit soort muziek. ‘Keep it going’, de dirigent maakt er met zijn arm een karatebeweging bij.
In de jachtkamer oefenen enkele dansers hun pasjes en gebaren. Zangers pakken hun spiekbriefjes en lezen hun teksten nog eens door. Er was eigenlijk te weinig tijd om de teksten en gebaren in te studeren. We drentelen in nerveuze afwachting tussen de geweien en geweren. Een enkeling concentreert zich met de ogen gesloten. Een ander voert een vluchtig gesprekje.
Dan komt het sein. De zaal is vol, het orkest is aan het stemmen. We stellen ons op in een rij. Als het orkest de eerste maten inzet van Le marche pour la cérémonie des Turcs lopen wij op de maat de zaal met 17e eeuwse muurschilderingen binnen. Van achteruit stappen we door het middenpad naar voren, de gekruiste armen ferm vooruit gestoken, de hoofden bars omhoog. De voorstelling kan beginnen.