In het najaar van 1963, ik ben dan 11 jaar oud, stappen mijn vader en ik op een koude zondagmiddag uit de trein in Tilburg. We zijn op weg naar de paters Oblaten van de heilige Franciscus van Sales. In het missiehuis Ave Maria kunnen jongens een opleiding tot priester volgen.

Destijds was het ideaal, dat elk katholiek gezin een priester zou voortbrengen. Alle hoop was daarbij op mij gevestigd. Enkele jaren daarvoor was een neef tot priester gewijd. Hij was in een open rijtuig als een held in ons dorp binnengehaald. Dat leek me nog wel wat. Maar ik gruwde bij de gedachte aan een internaat.
We worden door een jonge pater binnengelaten in een hoge, betegelde hal waar elke voetstap de stilte verstoort. Spaarzaam licht valt binnen door twee smalle, gebrandschilderde ramen aan weerszijden van een donkere, glimmende trap tegenover de ingang. De stilte voelt beklemmend. Uit een lange, stenen gang klinkt ver weg het sluiten van een deur. Voetstappen naderen en even later zien we een pater van middelbare leeftijd met een grote glimlach op ons afkomen.
‘Pater van Vree’. Hij neemt mijn hand in zijn beide handen en schudt langdurig. Ik herken in hem de pater die enkele maanden daarvoor als uit het niets bij ons aan huis was geweest. Hij was ook toen  zo overdreven vriendelijk. Hij wist dat ik bij de verkenners was en dat ik goed kon leren. Hoe wist die man dat, vroeg ik mij af. Ik vertrouwde hem niet.
We krijgen een kopje thee geserveerd in een ontvangstkamer. ‘Neem gerust twee koekjes’, zegt pater van Vree breed lachend. ‘Dank u wel’, antwoordt mijn vader beleefd. Op een lage tafel staat een grote varen, rond de pot liggen missieblaadjes uitgespreid. Pater van Vree vertelt hoe alle jongens in dit huis hun best doen om het elkaar naar de zin te maken. Na een weekendje thuis komen ze  graag weer terug. Ik kijk uit het raam. Ik wil helemaal niet weg van huis.

Dan leidt de pater ons rond. We gaan eerst naar de recreatiezaal, die deze zondagmiddag vol is met jongens die spelletjes doen. We staan stil bij een tafeltennistafel, waar een jongen in een zondags pak het opneemt tegen een jonge priester in een zwart habijt. Dan maakt pater van Vree met een miniem gebaar van zijn ogen duidelijk dat de jongen plaats moet maken voor mij. Ondanks dat ik meeste ballen met het harde batje naast  de tafel sla, zegt de priester dat hij kan zien, dat ik aanleg heb. De jongen beijvert zich om alle ballen die ik missla weer razendsnel op te rapen. Dat zou ik nooit doen, als ik op bevel mijn beurt had moeten afstaan.

We lopen de trap op. ‘Hier is de kamer van de recreatiepater’, zegt pater van Vree. Hij klopt bescheiden op de deur. ‘Ik denk wel dat hij er is’, zegt hij met een vette knipoog naar mij.
In de kamer zit een jonge pater achter een bureau. ‘Goeiemiddag, zèèg’, klinkt het met een zachte g.
‘Hoe vind je het hier?’, vraagt hij mij vriendelijk.
‘W-wel mooi’, stotter ik.
‘Hou je ook van sporten?’
De recreatiepater vertelt uitgebreid over de sporten en buitenspelen op het internaat. ‘Wij doen hier van alles, eens even kijken’, hij opent een bureaula en zoekt tussen de paperassen. ‘Aha, hier’. Hij overhandigt mij een foto met handtekening van Reinier Paping. ‘Weet je wie dat is?’ Wat een domme vraag, denk ik.
‘Je mag die foto houden’, zegt pater van Vree.
‘Is dat even mooi’, antwoordt mijn vader, ‘dank u wel’.
Na de bezichtiging van de slaapzaal met chambrettes en de studiezaal eindigt de rondleiding in de kapel. Het is er donker en ijskoud. Op het altaar brandt een vlammetje in een rood glaasje. Mijn vader schuift de voorste bank in en knielt. Ik volg hem en knijp mijn ogen dicht. Ik wil hier weg, naar huis en naar mijn moeder. ‘Daar moet ik nu niet aan denken’, spreek ik mezelf toe, ‘ik moet nu bidden’. Ik bid voor de mensen die erg ziek zijn. En dat er vanavond geen auto-ongelukken zullen gebeuren. ‘Onze vader die in de hemel zijt… ’
Ik wacht tot mijn vader opstaat. Die komt overeind als pater van Vree weer terugloopt.
Bij het afscheid legt de pater een hand op mijn schouder. Hij buigt zich naar me toe. ‘Kom gerust nog eens een keertje kijken’. ‘Dank u wel’,  zeg ik beleefd. Ik neem mezelf voor om nooit meer terug te komen. Mijn vader bedankt de pater omstandig, diverse keren zijn hoofd buigend.  

Als ik thuis de achterdeur openzwaai en de keuken binnenstap, flikkert het kleine lichtje van het petroleumstelletje dat de koffie warm houdt. Mijn moeder komt ons met een blij gezicht tegemoet. Ik wil haar om de hals vliegen, maar hou me in.
Met de Kerst komt er een kaart van pater van Vree, daarna ook met mijn verjaardag.
Hij heeft dit vijf jaar volgehouden. Ondertussen hadden mijn ouders besloten, dat ik in Utrecht naar het gymnasium zou gaan. Dan kon ik daarna altijd nog de overstap naar het seminarie maken.
Nog voordat ik het gymnasium had afgemaakt, had ik afscheid genomen van de kerk.