Sinterklaas was nog maar nauwelijks vertrokken of ik keek als 7-jarige al weer uit naar Kerstmis. Op de adventskrans brandden nog maar twee kaarsjes, dus ik moest nog een tijd wachten. ‘Geduld is een schone zaak’, leerde mijn moeder mij.
Na twee weken was het zover. Mijn vader haalde, voorzichtig achteruitlopend over de losstaande vlieringtrap, de grote doos van de kerststal naar beneden. Het uitpakken van de beelden was voor mij een van de hoogtepunten. Ze zaten gewikkeld in vergeeld krantenpapier, dat nog ouder was dan ikzelf. De kameel was een enorm beest en de zwarte koning vond ik een beetje eng. De kribbe werd in de stal gezet, maar het baby’tje Jezus mocht er pas op de eerste kerstdag ingelegd worden. Boven het rieten dak van de kerststal hing mijn moeder wat kersttakken.
‘Waarom hebben wij geen boom?’, vroeg ik.
‘Dat doen alleen de protestanten’, antwoordde mijn moeder.
Toen ik vroeg naar het verschil tussen katholieken en protestanten, legde zij uit, dat de protestanten niet in Maria geloven. Het leek mij een gering onderscheid. Hadden de protestanten dáárom een eigen school en een eigen bakker? Waren het daarom minder goede mensen?
In de week voor de kerst werden wij op pad gestuurd om langs katholieke deuren kinderkerstboeken te verkopen. ‘Nee, dank je wel, we doen al overal aan mee’, kregen we soms te horen. Ik had een hekel aan dat leuren, maar het was voor het goede doel.

De geboorte van Jezus was in de katholieke kerk het grootste feest van het jaar. Vrede op aarde, zo werd gepreekt. Tijdens de nachtmis leek het wel of de kerk warmer en mooier was dan anders. Er brandden zoveel kaarsen en iedereen in de afgeladen kerk zong mee met de kerstliedjes. Na afloop wensten we elkaar een Zalig Kerstfeest. Thuis aten we daarna nog bolletjes en krentenbrood. De schuifdeuren waren open, de kachels snorden. Ik wilde na afloop de kaarsjes op de tafel uitblazen. Maar ik mocht er geen ruzie over maken. Dat was tijdens de kerst een nog veel grotere zonde dan anders.

Op eerste kerstdag 1959 gingen we op bezoek bij opa van Dijk.
Mijn opa was dat jaar 88 geworden. Hij bracht zijn dagen door in een hoge, leren leunstoel voor het raam, dat uitkeek op de wetering. De ouderdom had hem in zijn greep. Hij hoorde weinig, zag weinig en kon niet meer zelfstandig lopen. Hij verliet alleen zijn stoel om aan de arm van mijn tante Jo naar de wc te schuifelen. Ik was het achttiende kleinkind en ik kan me niet herinneren, dat hij ooit een woord tegen mij gesproken heeft. Op één keer na. In een strenge winter was ik voor zijn raam op mijn kop op het ijs van de wetering gaan staan. Dat kon hij wel waarderen.
Voor die kerstmiddag bij opa hadden wij een muzikaal programma ingestudeerd. Mijn broer, zussen en ik speelden alle vier blokfluit. Het programma was uitgetypt op de oude Remington die mijn vader van zijn werk had overgenomen. Omdat de letter l kapot was gebruikten we daarvoor een 1.
In een sfeer van zaligheid liepen we na afloop weer naar huis. Ik geloof niet dat het mij als 7-jarige gelukt is twee volle dagen lang de vrede op aarde te bewaren, zeker niet op het moment dat de speelkaarten op tafel kwamen.