Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Vleuten

0

EEN ZILVEREN BRUILOFT

Herinnering
  1. Ik was bijna negen jaar oud, toen ik voor het eerst in een café in Vleuten kwam.
    Het was niet zo dat er weinig cafés in Vleuten waren. Wie vijftig jaar geleden buiten de deur wat wilde drinken kon in ons kleine dorp kiezen uit wel vijf cafés. Aan de buitenmuur gaf een emaillen bordje aan wat men mocht schenken: Verlof A, Verlof B of Volledige Vergunning.
    Wij kwamen nooit in een café, oh nee. Cafés waren plaatsen, waar mensen zich bedronken, geld verspilden en vals speelden. Zelfs om een ijsje te kopen hoefde ik het café niet in. Bij Van Berkel, café Het Oude Raadhuis, drukte ik op een bel naast een raam, rechts van de ingang. Al lang voor McDonalds zijn McDrive uitvond, wachtte ik, buiten op de fiets gezeten, mijn bestelling af.
    Toen kwam het moment, dat mijn ome Ries en tante Annie hun zilveren bruiloft vierden. Na de plechtige mis in de St. Willibrorduskerk trok de lange stoet gasten naar Van Berkel. Daar begon, met koffie en taart, het grote consumeren. Terwijl de ooms de hele middag bier dronken en sigaren rookten en de tantes hun advocaatjes en besjes verorberden, speelde de grote schare neefjes en nichtjes verstoppertje.
    De grote attractie voor ons was, dat we onbeperkt ijs mochten eten. Dat was voor mij nauwelijks te bevatten. De vrieskist stond op het toneelpodium achter een gordijn. Ik at die middag welgeteld twee ijsjes. Voor overdaad van welke soort dan ook was ik niet in de wieg gelegd. Ik keek dan ook met verbazing naar alle bier- en jeneverglazen op de tafels.
    Aan het einde van de middag schoof een groot gezelschap aan voor het diner. De wit gedekte tafels waren in U-vorm opgesteld. Serveersters liepen heen en weer met schalen huzarensalade. Naast ons bord lag een bundel met feestliederen.
    Schuin tegenover mij zat een oudtante die voortdurend onrustig om zich heen keek. Hoe langer het diner duurde, hoe schichtiger ze werd. Ik dacht dat het wellicht met de alcohol te maken had. Maar mijn moeder zei me later, dat die tante niet helemaal was zoals een ander. Van dat soort zaken wist ik toen nog niet veel. Ik was voortdurend bang, dat de vrouw plotsklaps zou opstaan en in één keer het witte tafelpapier met glazen en borden met zich mee zou sleuren.

We zongen vele liederen, er werd doorlopend bijgeschonken en er werden leuke stukjes opgevoerd.
Een oom zong het lied van Wilde Johnny. Dat deed ie altijd op familiefeesten. Zoals gewoonlijk raakte hij halverwege zijn tekst kwijt. Op dat moment kwam er een lachje om zijn mond en draaiden zijn ogen naar het plafond, alsof hij hulp van boven verwachtte. De spanning werd opgelost doordat een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Twee vaders van vriendjes werden met het borrelglas in de hand opeens ondeugende grappenmakers. Vrouwen kregen een rood hoofd en de slappe lach. Ik keek af en toe naar mijn vader en moeder. Die lachten mee, dus het mocht. Laat in de avond trok de polonaise tussen de tafels door. Ik liep nog wat onwennig mee.
Tegen half vier in de ochtend liepen we naar huis. Het was in juni, er was nog geen zomertijd, dus het werd al licht. We liepen midden op straat. Dat deden we anders nooit. Om vier uur lag ik op bed. Dat was een flinke verbetering van mijn record laat-naar-bed-gaan.

3

DE NIEUWBOUW

Herinnering

 

Het huis midden op de foto is mijn ouderlijk huis. Het lag tussen de weilanden en boomgaarden, als laatste huis aan de onverharde Hamweg in Vleuten. De foto is genomen in de vijftiger jaren.
Mijn opa Ekelschot heeft het huis in 1919 laten bouwen door zijn oudste zoon Dirk. Opa had een klein boerenbedrijfje. Links van het huis zie je nog de kippenschuur. In mijn jeugd was deze gepromoveerd tot kolenhok. Achter het huis lag de grote schuur waar mijn opa enkele koeien en varkens hield. Mijn ouders namen in 1950 het huis voor 11.000 gulden over.
Naast ons woonde in mijn jonge jaren de familie van der Horst, een gezin met veel kinderen en, zo te zien, een hoop witte was. Achter dit huis zie je een stuk van de Molenvliet, die uitkwam op de Vleutense Wetering.
In deze wereld van bessenbomen, brandnetels en pispotjes, zonder enig verkeer en zonder lawaai, ben ik opgegroeid. We speelden verstoppertje, sprongen over slootjes met kroos, plakten het kleefkruid op elkaars kleren en haren en maakten boomhutten in de knotwilgen langs de Hamweg. Vandaar keken we uit over de weilanden en de spoorlijn Utrecht – Woerden. Als er goederentreinen langskwamen telden we het aantal wagons. Dat waren er soms wel zeventig.

Begin zestiger jaren vonden burgemeester en wethouders, dat het dorp Vleuten in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden. Monumentale boerderijen en andere oude huizen in de kern van het dorp werden gesloopt. Weilanden moesten bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van nieuwe woonwijken. Bezwaar maken was er in die tijd niet bij.
Als eerste verdwenen bij ons huis de Molenvliet en het land  aan de rechterkant van dit water (uiterst rechts op de foto). Hier werd de Hamwijk gebouwd (foto hieronder, ik zit voor op de fiets, het huis van onze buren is inmiddels wit geschilderd).
Een paar jaar later werden de knotwilgen langs de Hamweg gerooid en verschenen er draglines in de weilanden voor ons huis. Op gepaste afstand stonden wij te kijken hoe zo’n gevaarte met zijn ijzeren bak aan rammelende kettingen enorme hoeveelheden grond verplaatste. Slootjes werden dichtgegooid en grondwater werd weggepompt. Er hing tijdenlang een geur van natte klei. Over deze aarden vlakte werd een ruitwerk van geasfalteerde wegen aangelegd. Dat waren voor ons uitstekende rolschaatsbanen. Mijn broer heeft er in het Dafje van mijn vader leren autorijden.
Toen er huizen werden gebouwd speelden we op de steigers.
In een bouwkeet zagen mijn vriendje en ik foto’s van halfnaakte vrouwen hangen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. ’s Avonds probeerden we met een stok via een openstaand luikje een van de dames aan de haak te slaan. Juist toen dat leek te gaan lukken werden we gestoord door de bewaker, een gepensioneerde metselaar die op zijn Mobylette door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen. ‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’ Mijn vriendje vroeg nog of we wel op het opgedroogde werk mochten spelen.

Vleuten dijde steeds verder uit. Als slotstuk werd eind zestiger jaren de boomgaard links op de bovenste foto omgetoverd in een villawijkje. We woonden niet meer aan een doodlopende weg. Verdwenen waren de weilanden en boomgaarden. Ons huis was het laatste huis niet meer. In minder dan tien jaar tijd waren we ingebouwd. Vleuten was meegegaan met zijn tijd.
Het zou toen niet lang meer duren of ik zou het ouderlijk huis verlaten om voor mijn studie in het dichtbevolkte Utrecht te gaan wonen. Daar woon ik nu nog. Ik verlang er regelmatig naar een rustige, groene omgeving waar ik kan uitkijken over de velden en waar ik de kikkers kan horen kwaken.

2

SPAREN IS EEN FEEST

Herinnering

Wat zien we op deze foto? Een uitreiking van witte envelopjes, zoveel is zeker. De foto van J. Verheul stond in november 1967 in het Utrechtse dagblad Het Centrum. Vier volwassen mannen in hun nette pak omringen drie jonge lieden.
In het najaar van 1967 werd bij de coöperatieve Raiffeisenbank in Vleuten het spaarbedrag van 7 miljoen bereikt. De spaarder die dit bedrag volmaakte, de 18-jarige J. de Goeij uit Haarzuilens, ontving ƒ 150,- uit handen van de voorzitter. De spaarders die net vóór en net na hem een bedrag gestort hadden, de 15-jarige Piet van der Linden uit Haarzuilens (rechts) en ik, eveneens 15 jaar oud, (midden) ontvingen een enveloppe met ƒ 75,-. De voorzitter toonde zich verheugd over de toenemende spaarzin.
Het was de tijd dat het geld eerst gespaard werd en daarna pas uitgegeven. De banken waren nog niet uit op winstmaximalisatie, maar hadden een sociale functie. Er werd wat afgespaard. Niet alleen geld, maar ook Ring-zegeltjes, D.E.-punten, de zegeltjes van de margarine, enz. Denken aan later, voorbereid zijn op de toekomst, daar ging het om.
Wat opvalt is dat de drie spaarders allen tiener zijn. Was dat toeval of heeft de bank ten behoeve van dit festijn de volgorde wat gemanipuleerd? Wilde men hiermee iets duidelijk maken naar alle jongemannen in Vleuten en Haarzuilens?
Zo te zien zijn de heren van de bank in een goed humeur. Ze glimlachen alsof zij zojuist in het geheim gehoord hebben dat zij zelf een tien keer zo grote bonus hebben binnengehaald.
Het tableau staat opgesteld tegen de achtergrond van een zestiger jaren gordijn. Tussen de pakken en kostuums ziet Piet van der Linden er met zijn coltrui en gedekte haar redelijk eigentijds uit. Mijn trui mag er ook wezen. Het was een  goudbruine velours sweater, toen mijn lievelingstrui. Mijn moeder heeft nog wel gezorgd voor een keurig wit overhemdje daaronder.
Wat nog het meest opvalt, is dat alle betrokkenen naar de overhandiging van de envelop aan de winnaar kijken en dat ik als enige naar de fotograaf kijk.  Had Verheul mij hiervoor niet kunnen waarschuwen? Nu sta ik, met die lok op mijn voorhoofd, als een soort jonge wethouder Hekking de aandacht naar mij toe te halen.
Terwijl alle aanwezigen doordrongen zijn van de heuglijke betekenis van het moment, straal ik een lijdzaam wachten uit. Voor mij heeft de zitting blijkbaar lang genoeg geduurd. Het envelopje heb ik binnen en die eerste prijs is toch niet meer haalbaar. Het kan ook zijn, dat ik weer thuis wilde zijn voordat Rawhide begon.
Ik weet niet meer wat ik met die 75 gulden gedaan heb. Er is een grote kans, dat ik het geld de volgende dag tijdens kantooruren naar de Raiffeisenbank teruggebracht heb om het te laten bijschrijven op mijn spaarbankboekje. Het kan ook de Rijkspostspaarbank zijn geweest in het postkantoor aan de Dorpsstraat. Want ook daar had ik een spaarrekening. Ik geloof niet dat ik in die tijd al aan risicospreiding deed. Waarschijnlijk had ik twee rekeningen, omdat mijn vader de diverse bankmedewerkers, die hij persoonlijk kende, te vriend wilde houden.
De bijschrijving van het geld was een nauwkeurige transactie. Een medewerker van de bank schreef met vulpen in fraai handschrift (zegge) vijfenzeventig gulden in het spaarbankboekje. Dan volgden een paraaf en twee harde klappen van stempels. Dichtgevouwen werd het boekje weer teruggeschoven naar de klant. Het appeltje voor de dorst was weer wat groter geworden.

2

IJSKOUD VASTHOUDEND

Herinnering

Het mechanisme werkt als volgt. Je hebt een bepaalde opvatting en alle argumenten en zelfs feiten, die daar tegen ingaan, ontken je, negeer je of bestrijd je; alles om maar vast te houden aan je eigen standpunt of waarheid. Dat kan ver gaan.

ijs polderHet is winter en er staat een straffe noordoosten wind. Na enkele dagen vorst is mijn verwachting dat  er wel geschaatst kan worden. Ik woon sinds een paar jaar op kamers in Utrecht, maar voor het schaatsen ga ik terug naar Vleuten. Ik zie de bevroren dauw in de winterse polder al voor mij, ik hoor het goddelijke geluid van schaatsen over hard, maagdelijk huis. Ik ruik de balkenbrij, waar mijn moeder mij na afloop op zal trakteren.
Het ijs van de spoorsloot voelt stevig aan, een enkeling heeft hier al geschaatst. De ijsvloer kraakt  waar deze losraakt van de slootkant. Met de wind schuin in de rug ben ik al snel bij de Bijleveld. Ook hier ziet ik schaatsstrepen. Mijn idee wordt bevestigd: het ijs is dik genoeg.
Dan kom ik bij een kruising, waar vanuit het noordoosten een sloot in de Bijleveld uitkomt. Die sloot ligt door de wind nog helemaal open. Aan de overzijde van de kruising spelen enkele jongens ijshockey. Ik hou even in, want het ijs, zo vlak bij die open sloot, ziet er dunnetjes uit. Vlak langs de oever lijkt het ijs dikker, dus daar moet ik langs.
Dan gebeurt het. Het ijs zakt weg onder mijn voeten. Ik ga omlaag, mijn benen worden nat, ik val schuin voorover.

Mijn eerste gedachte is: dit kan niet, het bestaat niet dat ik hier door het ijs zak. Ik heb al zoveel geschaatst, ik ken de polder, vertel mij wat. Ik zak dieper weg en het water komt aan mijn borst, maar ik geloof nog niet dat het waar is. Alles gebeurt in een flits van een seconde. Dan voel ik dat mijn benen traag door het water bewegen en met mijn kin kom ik op een scherpe rand ijs terecht. Pas nu zeggen mijn hersenen dat ik ervoor moet zorgen, dat ik zo snel mogelijk weer uit het water kom. Als in één doorgaande beweging weet ik weer overeind te komen en op de oever te klimmen. De jongens kijken me geschrokken aan. Ik doe alsof er niets aan de hand is. Alsof ik regelmatig zo eventjes door het water struikel. Via het weiland keer ik terug naar waar het ijs sterk genoeg is.

ijs gezaktOp de spoorsloot zie ik opeens, dat mijn beige jas aan de voorzijde geheel rood  geworden is. Er druppelt in hoog tempo bloed uit mijn kin. Vreemd, want ik voel geen pijn. Met mijn zakdoek op de wond probeer ik de vloed te stelpen. Als ik uiteindelijk tegen de wind in bibberend bij mijn schoenen aankom, zijn mijn vingers zo koud dat het me niet lukt om de inmiddels bevroren veters van mijn schaatsen los te knopen. Gelukkig is er een Florence Nightingale nabij die mij te hulp schiet.
In mijn ouderlijk huis blijkt de jaap in mijn kin zo groot dat het verstandig lijkt een arts te raadplegen. Uiteindelijk beland ik op een operatietafel in het Antonius Ziekenhuis, waar men de wond weer keurig dicht naait. Onderwijl dringt mijn ontkenning van de werkelijkheid die middag langzaam tot mij door. Ik ben met mijn vasthoudendheid aardig door het ijs gezakt.
Er zijn naasten, en zeker niet de minsten, die vinden dat ik me nog altijd onvoldoende heb losgemaakt van dit mechanisme. Misschien hebben zij gelijk. Maar misschien houden ook zij teveel vast aan hun eigen oordeel.

0

MET DE AUTO OP STAP

Herinnering

Op een mooie lentemorgen rijd ik met mijn ome Ries in zijn VW-bus door Haarzuilens. Hij slaat een doodlopend gedeelte van de Ockhuizerweg in, een smal weggetje met aan weerszijden sloten. Wij zijn op weg naar een boerderij, naar een van zijn klanten. Ome Ries is smid.

Wanneer ik in de smederij kom, roept hij altijd: ‘Ha, volle neef!’. Als kind sta ik geboeid te kijken hoe hij een vuurrood stuk ijzer uit het vuur haalt om dat met zijn hamer te bewerken. Dan hou ik mijn vingers in mijn oren. Als hij aan het lassen is kijkt hij door een grote zwarte kap met mica ruitjes. Ik kan maar beter niet naar al die vonken kijken, heeft ie gezegd. Dat is niet goed voor mijn ogen.
Ik ben er ook wel eens bij als er buiten een paard beslagen wordt. Dat geeft zo’n weeë, branderige geur. Soms moet mijn ome Do eraan te pas komen om het tegenstribbelende paard in bedwang te houden.
Het leukste van alles is als ik met ome Ries mee mag rijden. De motor van de VW-bus ronkt als ie optrekt. Het stuur ligt horizontaal op de stuurstang die recht uit de laag gelegen bodem komt. De versnellingshendel is een lange ijzeren pook. Beweeg je de richtingaanwijzer dan komt er buiten uit de carrosserie een oranje verlicht balkje tevoorschijn, alsof iemand een te klein armpje uitsteekt.
Ik rij mee met ome Ries naar boeren in de omgeving. Of naar een groothandel in Utrecht. Ome Ries zit altijd op zijn gemak achter het stuur, pratend over van alles en nog wat.
Op een kruispunt in Utrecht moet hij een keer plotseling boven op zijn rem gaan staan, omdat er een auto van rechts komt. De rem werkt uitstekend. Ik vlieg van de zitting af, bijna met mijn hoofd tegen de kleine voorruit.
‘Zo’, zegt ie nonchalant terwijl hij de auto weer start,  ‘die had voorrang’.
Op een ander tochtje zegt hij leunend met zijn armen op het stuur: ‘Auto rijden is geen kunst’. Hij kijkt me glimlachend van opzij aan: ‘dit kan jij net zo goed’.
Zijn kinderen rijden ook, al zijn ze nog jong. Zoon Brord was nog geen vijftien toen hij na een verjaardag enkele gasten naar Utrecht bracht. Hij reed in de koffiebruine Kever, die mijn vader van Douwe Egberts had overgenomen. Ik mocht ook mee. De eerste winterse buien waren net gevallen. Op de rotonde voor de Leidseveer tunnel gleden we naar rechts in plaats van naar links.

Halverwege de Ockhuizerweg komt ons een auto tegemoet. Er is weinig ruimte om te passeren. Ome Ries mindert vaart en rijdt met de rechterwielen door de grassige berm. Bij het passeren wijkt hij nog verder uit naar rechts. De auto helt over en staat nu nagenoeg stil. Als de tegenligger voorbij is en ome Ries weer door wil rijden, slippen de wielen in het gras. De motor slaat af en de auto zakt nog verder de berm in. Het busje hangt nu gevaarlijk schuin boven de sloot. Door het raampje rechts zie ik het heldere water vlakbij mij. Wat mij nog meer benauwt is dat ome Ries langzaam maar onontkoombaar mijn kant op komt glijden en mij met al zijn gewicht strak tegen de deur aan klemt.
‘Ik denk dat we maar beter niet aan jouw kant kunnen uitstappen’, zegt ie met een lachje om zijn mond. Hij trekt zich omhoog naar zijn eigen portier en stapt uit. Ik volg hem. Op het geluid van de buitelende kieviten na is het stil in de polder. Het is een prachtige lentemorgen, het gras is oogstrelend groen.
Ome Ries zit in zijn blauwe overall op zijn knieën op de weg en kijkt met gebogen hoofd onder de auto. Dan gaat ie op weg om hulp te halen. Er komen een tractor, zes boerenarmen en een paar planken aan te pas om de auto weer op de weg te krijgen. Daarna stappen we in en rijden verder alsof er niets gebeurd is.

1

WAAR IS VLEUTEN GEBLEVEN?

Dagelijks

Je kunt iemand in Vleuten nog een ansichtkaart sturen. Maar je kunt er niet meer geboren worden. Vleuten is opgegaan in Utrecht. Het is geen gemeente meer, geen dorp, geen wijk. Wat is Vleuten dan wel?

Halverwege de vorige eeuw was Vleuten niet veel meer dan een kruispunt van wegen, tien kilometer ten westen van Utrecht. Er stonden twee kerken, twee scholen, zeker vijf cafés en een aantal oude boerderijen. Mijn geboortehuis stond even buiten het dorp tussen de weilanden en de boomgaarden. Omdat het dorp in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden gingen de monumentale boerderijen in de kern van het dorp tegen de vlakte en werd de ene  na de andere nieuwbouwwijk uit de grond gestampt. Binnen tien jaar was ons vrij gelegen huis aan alle kanten omgeven door nieuwe huizen. Ondanks deze uitbreiding was het streven om Vleuten kleinschalig te houden. De gemeente verzette zich tegen groeiscenario’s zoals in Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. Dat lukte enkele decennia lang en toen ging het dorp alsnog voor de bijl. En hoe. Vleuten en de Meern werden opgeslokt door de grootste Vinexlocatie van Nederland, Leidsche Rijn. Deze ‘wijk’ nadert nu zijn voltooiing. Over enkele jaren zullen er bijna 100.000 mensen wonen.

Als ik vanuit de bestaande stad Utrecht het Amsterdam-Rijnkanaal oversteek kom ik in een woud van nieuwe huizen terecht, dat zich naar alle kanten uitstrekt. Langs straten met namen als Ivoorzwamhof, Zuiderbreedte en Jazzsingel rijgen de eengezinswoningen zich in schier oneindige aantallen aaneen. Heterogeen in stijl, kleur en hoogte, homogeen in hun nieuwe uitstraling. Jonge planten omlijsten de paadjes naar de voordeur. Vitrage en jaloezieën beletten de inkijk. Ik zie afvalcontainers, hondenuitlaatplaatsen en klimrekken.
Er is veel groen en veel water. Waar eens tuinderijen en kassen lagen, liggen nu de vlindertuin, de Japanse tuin en de speeltuin, onderdelen van het grootse Maximapark. Op de in Nederland schaarse ruimte is hier niet bespaard. Hoe langer ik fiets, hoe minder houvast ik heb. Het is een overdaad aan nieuwe huizen, waarin ik me verloren voel. Ik mis bakens als kerktorens, molens of schoorstenen. Ik zie weinig mensen op straat. Ik denk dat ik vroeg naar bed zou gaan, als ik hier zou wonen.

En waar is het dorp Vleuten gebleven?
Zoals mijn ouderlijk huis in de zestiger jaren is ingebouwd, zo ligt het oorspronkelijke dorp Vleuten nu ingeklemd tussen de nieuwbouwwijken, zonder identiteit en zonder grenzen. Het is niet verdwenen zoals sommige Franse dorpen onder de oppervlakte van een stuwmeer. Het is een plantje dat overwoekerd is door nieuwe uitheemse soorten. Een kleur die vervloeit omdat er teveel andere kleuren bij gemengd zijn.
Er staan nog steeds twee kerken en er zijn wat winkels. De woninginrichters en doe-het-zelfzaken doen het hier blijkbaar goed, net als de shoarmatenten en fysiotherapeuten. Het oude gemeentehuis is een eethuis geworden, het Verenigingsgebouw een meubelzaak. De winkeliersvereniging probeert de moed erin te houden. In augustus was er de Braderie en volgende maand wordt een Tiroler Oktober Festijn gehouden.
Op Facebook worden in de groep Je bent Vleutenees als…. oude en nieuwe foto’s uitgewisseld op zoek naar de identiteit van Vleuten. De historische vereniging houdt avonden over ‘de rijke geschiedenis van Vleuten’.

Ik weet het, er zijn nieuwe huizen nodig, nieuwe wegen en spoorbanen. Zo gaan de ontwikkelingen. Mijn geboortedorp is verdwenen. De naam Vleuten bestaat nog, maar er is geen woord meer om aan te duiden, wat Vleuten nu is.

1

DE VOORBEREIDING OP HET LEVEN

Herinnering

In september 1962 begon ik aan de vijfde klas van de Willibrordusschool in Vleuten. Het was een gecombineerde vijfde/zesde klas voor kinderen die door zouden gaan naar mulo of hbs. Wij hadden meester Theunissen als onderwijzer. Meester Theunissen was het Hoofd der School. Hij was een strenge, maar rechtvaardige onderwijzer, een autoriteit, die kaarsrecht op zijn fiets door het dorp reed. In de borstzak van zijn colbert zaten de pennen geklemd, waarmee hij het schoolwerk corrigeerde. De telefoon van de school stond in zijn lokaal. Als hij aan de telefoon was, telden wij het aantal keer dat hij achter elkaar het woord ‘ja’ gebruikte. Het record stond op achttien. Meester Theunissen werd door ons Piet Konijn genoemd. Als je tenminste zeker wist dat hij het zelf niet kon horen.

De eerste vier klassen was ik speels en onbezorgd doorgekomen. Ik leerde waar Apeldoorn lag en dat Mozes in een rieten mandje aan de dood ontsnapte. Maar de school was er ook voor het aanleren van discipline. Daar wrong bij mij nog wel eens de schoen. Als jongste van de vier kinderen genoot ik thuis enige regelvrijheid. Die ervaring nam ik mee naar school. Bij juffrouw Wortelboer in de tweede klas kwam ik hollend het lokaal binnen. Dat bleek niet de bedoeling. Ik gilde  ‘Loemoemba!’ en ‘Kasavoeboe!’. Die namen uit de oorlog in Congo kende ik uit het ANP-nieuws waar wij in stilte onder het avondeten naar moesten luisteren. Ik begreep niet waarom je die namen niet mocht roepen. In de derde klas bij juffrouw Witkamp (‘Witscheet’) zat ik in de middenrij, vlak voor de kast met nuttige handwerken, waar doorlopend een geur van mottenballen hing. Tijdens een gebed had ik een keer volgens de juffrouw mijn ogen niet goed gesloten. Zij liep al biddend met haar ogen open rond om te controleren. Zo had ze gezien, dat ik ‘door de kiertjes van mijn ogen gekeken had’. Nu was dat iets waartoe ik zeer wel in staat was. Die ochtend echter had ik mijn ogen stijf dichtgeknepen. Dus ik vond het een grote onrechtvaardigheid, dat ik een half uur  lang op mijn blote knieën voor het bord moest zitten. Tussen juffrouw Witkamp en mij is het daarna niet meer goed gekomen.

Bij meester Haarhuis in de vierde zaten we met meer dan vijftig kinderen in één klas. Dus dat hij het niet kon waarderen, dat er een rode rubberen weckring, waarmee ik zat te spelen, per ongeluk uit mijn handen schoot en bij hem op tafel belandde, kon ik me nog wel voorstellen. Dat ik moest nablijven totdat de school leeg was ook. Maar dat ik in een kromme, beschamende houding moest gaan staan zodat hij me hard op mijn billen kon slaan, vond ik te ver gaan. Voor een ander vergrijp kwam meester Haarhuis bij ons aan huis strafwerk afleveren. Dat zinde mij nog minder. Zo kwamen mijn ouders alles te weten en dat leek mij niet nodig. Ik overwoog even spijkertjes op het erf te strooien, zodat de meester met zijn mooie sportfiets een lekke band zou krijgen. Dat deden ze bij achtervolgingen in Kuifje immers ook.

Eenmaal in de doorleer-klas bij meester Theunissen was het afgelopen met dit soort aanvaringen. Het leven van later kwam om de hoek kijken. Door goed je best te doen op school moest je zo ver mogelijk zien te komen. Daarvoor kregen we alvast Franse les (‘papa fume une pipe’). De  meester nam mij nog wel eens als voorbeeld voor anderen, omdat ik alle boeken van Pim Pandoer had gelezen en de betekenis van het woord silhouet kende. Door die complimenten ging ik nog beter mijn best doen. Ik haalde met glans het toelatingsexamen voor het St. Bonifatiusgymnasium, tezamen met drie medeleerlingen. Daarna hoefden wij geen lessen meer te volgen. In de laatste weken voor de zomervakantie zaten we met zijn vieren boeken te kaften in de kamer van de onderwijzers. We draaiden net zo lang aan de zenderknop van het transistorradiootje tot we radio Veronica gevonden hadden. Love, love me do. We ontstegen de lagere school. Het leven kon beginnen.

2

HELLO JOSEPHINE

Herinnering

1965. Ik fiets in de Dorpsstraat in Vleuten en wil afslaan bij bakker van Dijk, als mij voor Hotel Het Oude Raadhuis iets opvalt. Midden op het grindterrein staat een VW-busje. De portieren staan wijd open.
Ik rem af en rijd het grindterrein op naar de werkplaats van schilder van Hoogstraten. Vanaf een afstandje zie ik, dat het busje volgestouwd is met apparaten die er uitzien als versterkers en ingepakte instrumenten. Eromheen lopen figuren, zoals ik die nog niet eerder in het dorp gezien heb. Mannen met lange, vettige haren, slordig gekleed in paarse en goudkleurige broeken. Wat doen die hier? Vanaf de overkant komt er nog een langharige type aangelopen. Hij heeft verschillende puntzakken friet in zijn handen. Hij moet even inhouden voor een vrouw in een keurige regenjas en met een hoofddoek om haar grijze kapsel.
De man in de paarse broek roept iets naar mij in het Engels. Ik versta niet wat hij zegt. Hij draait zich om, haalt iets uit het dashboardkastje en steekt zijn hand uitnodigend naar mij uit. Aarzelend pak ik het aan. Het is een foto van een beatband. De naam naast de foto doet mij duizelen: The Scorpions.
Ik kan het niet geloven. Dat kunnen toch niet dé Scorpions zijn, die Engelse band, die nog geen half jaar geleden een enorme hit had in Nederland met Hello Josephine? De band stond wekenlang in de top 40. Die bandleden staan hier toch niet zomaar midden in Vleuten een patatje te eten?
De man ziet mijn verwarring. Hij zegt weer iets onverstaanbaars. Aan de achterkant van de kaart zie ik de handtekeningen van de bandleden.
In de Jaarbeurshallen had ik nog niet zo lang daarvoor the Motions gezien, the Golden Earring en the Kinks. Ik had het laatste lesuur van de middelbare school gespijbeld om een goed plekje te bemachtigen. Maar desondanks stond ik ergens achter in de hal op een richeltje me uit te rekken om maar iets te kunnen zien van die beroemde figuren op het podium.
En nu sta ik dan hier vlakbij een andere befaamde band. Mijn ongeloof gaat langzaam over in een juichstemming. Ik ben de enige die hier staat en ik heb de handtekeningen van the Scorpions! Zomaar, toevallig en voor niets.

The Scorpions was een Engelse rock-n-rollband. Het was de jongens in eigen land niet gelukt om een platencontract te krijgen. De groep probeerde het daarom in Nederland. Pas bij  de derde single brak de band door. Hello Josephine, een ruige cover van een nummer van Fats Domino, bereikte de tweede plaats in de top 40.
Het hoogtepunt voor the Scorpions was een optreden in oktober 1965 bij het Grand Gala du Disque, op hetzelfde podium als the Everly Brothers, Lucille Starr en the Supremes.
Met de volgende singles haalden zij nauwelijks succes.  Omdat zij slechts voor een beperkte tijd een werkvergunning konden krijgen, moest de band regelmatig weer terug naar Engeland.

Ik prevel iets van Senk you, spring met bonzend hart op mijn fiets en rijd langs de patatkraam van Jo Janssen naar huis, de foto van the Scorpions stevig vastgeklemd tussen mijn vingers.
Had ik eigenlijk niet meer kaarten moeten vragen, gaat er dan door mijn hoofd.
Had ik niet iets moeten zeggen: Where are you going to? Do you like Holland?
Zal ik omkeren?
Thuisgekomen vertel ik opgwonden stotterend dat the Scorpions bij van Berkel stonden. Ik laat de foto zien.
‘Bof jij even’, zegt mijn moeder.
Als ze de kaart bekijkt, zie ik aan haar gezicht, dat zij nog nooit van de groep gehoord heeft en dat zij  dat liever zo wil houden. Zij moet niets hebben van langharig tuig.
Ik hol naar mijn slaapkamer en zet de kaart naast de foto met handtekening van Reinier Paping.
In mijn hoofd hoor ik het einde van Hello Josephine: Ha, ha, ha, ha, ha.

Reageren? Klik linksonder op het tekstwolkje. Het rechter icoontje kan je gebruiken om dit blog te delen. Op de hoogte blijven? Vul dan in de rechterkolom je naam en mailadres in.

0

AS HEM

Herinnering

Op mijn twaalfde kopen mijn ouders een nieuwe fiets voor mij, een kleine maat herenfiets. Als ik op het zadel zit, kan ik niet met mijn voeten bij de grond. Na de zomervakantie ga ik, in navolging van mijn oudere broer en zussen, naar het Sint-Bonifatiuslyceum in Utrecht. Dat betekent elke dag 10 kilometer heen en 10 kilometer terug fietsen. Dat doe je niet op een afdankertje.
Ik ben blij dat ik van de lagere school af ben en dat ik als jongste in het gezin nu eindelijk mee ga tellen. Maar spannend vind ik het ook, zo’n grote school in een grote stad. Boni heeft dat jaar 1600 leerlingen en meer dan 100 leraren.

Het schooljaar begint met een plechtige Heilige Mis in de Willibrorduskerk aan de Minrebroederstraat. “Bij de voorbereiding op hun toekomstige taak in de maatschappij dienen de leerlingen van het lyceum tevens hun religieus leven te vormen en te verdiepen”, zo staat te lezen in het programmaboekje voor het schooljaar.
Ik ben geplaatst in klas 1D. In de jaargang 1964-1965 zitten de jongens en meisjes van de lagere klassen gescheiden. Het katholieke Bonifatius acht het niet bevorderlijk voor het leerklimaat als jongens in de groei samen met ontluikende meisjes in de klas zitten. Wie in december j.l. mijn blog Die dag gelezen heeft, weet dat er enige aanleiding was voor dit standpunt.
Er gaat nog één andere jongen van mijn lagere school naar het Boni. Ook Jan is ingedeeld in 1D. Wij delen toevallig dezelfde achternaam.
Op de eerste schooldag fiets ik samen met mijn zus naar school, de fonkelnieuwe leren tas boordevol boeken onder de nog strakke snelbinders. Op het Pieterskerkhof aangekomen is het een drukte van belang. Te midden van een stoet jongeren die minstens een kop groter zijn schuifel ik met de fiets in de hand onder de poort door de binnenplaats van de school op. Gespannen zoek ik een plek voor mijn fiets in een van de met roestige golfplaten overdekte fietsrekken. Daarboven strekt zich dreigend en zwijgend het hoge gebouw met de vele ramen uit.
Klas 1D heeft het eerste lokaal links op de begane grond, vlak naast de kamer van conrector Erich. Geïntimideerd door de onbekende omgeving en zoveel stadse klasgenoten gaan Jan en ik samen op de eerste rij zitten.
We krijgen Nederlandse les van meneer Kuitenbrouwer. Hij loopt voor de klas heen en weer als hij in alfabetische volgorde de namen van de leerlingen opnoemt. Bij de D gekomen steken Jan en ik tegelijk onze vinger op. Meneer Kuitenbrouwer blijft hij voor onze bank staan.
‘Zijn jullie broertjes?’, informeert hij.
‘Nee’, kraait Jan lachend, ‘we zijn geen broertjes, we zijn vriendjes!’
Ik vind dat ‘vriendjes’ wat overdreven uitgedrukt, want zo dik zijn we niet met elkaar. Ik heb behoefte om me te onderscheiden.
‘Ik ben ouder as hem’, voeg ik toe.
‘As hem?’, vraagt de leraar Nederlands verbaasd. Zijn spreektoon gaat bij het woord hem fors de hoogte in.
‘As hem?’, herhaalt hij nog eens op vrolijke toon, terwijl hij de klas inkijkt, in afwachting van een reactie om zoveel domheid. De klas wacht gespannen af.
‘Dan hij, zal je bedoelen!’, zegt de leraar.
Dit is het sein voor de klas om in een algeheel gejoel los te barsten.
‘Dan hij’, roep ik nog verongelijkt, maar dat hoort niemand meer in het lawaai.
Taal was een van mijn beste vakken op de lagere school. Ik had met glans het toelatingsexamen voor het lyceum gehaald, met één negen en drie achten, waaronder een acht voor Nederlands. Het gebruik van als en hem in de vergrotende trap was zowel thuis als op school heel gewoon.
Het is duidelijk. Het is op deze eerste schooldag voor eens en voor altijd vastgesteld: wij zijn de boertjes van buiten, wij komen uit Vleuten, zo’n boerendorp, waar ze nog as hem zeggen. Wij kennen nu onze plaats.

Ter plekke neem ik me voor om snel te laten zien, dat ik tot veel meer in staat ben. Dat is de reflex die ik gewend ben van de lagere school, waar ik de meeste kinderen in intellectueel opzicht verre de baas was. De middelbare school is echter anders, zo zal weldra blijken. In deze klas kunnen alle kinderen goed leren. Ik ben op mijn nieuwe fiets in de grote wereld beland.

0

KONIJNEN EN ZOGGEDIJSELS

Herinnering

paardenbloemHet was in ons gezin vroeger een vanzelfsprekendheid. De kinderen hielpen mee met allerlei werkzaamheden: de vaat drogen, schoenen poetsen, op zaterdag het erf rijven, in de herfst stoofpeertjes schillen. Elke zondagmiddag telden we de centen, stuivers en dubbeltjes, die mijn vader die ochtend in de kerk in het zakje met de lange stok had opgehaald. En in de winter liep ik door weer en wind en in het donker naar ons voormalig kippenhok om de kolenkit bij te vullen.
Daarnaast was het mijn taak om een paar konijnen te verzorgen. Ik was niet zelf op dat idee gekomen. Wellicht dachten mijn ouders dat het stimuleren van verzorgende kwaliteiten bij mij geen kwaad kon. Er kunnen ook andere redenen hebben gespeeld.
De twee langoren zaten in één hok, maar van elkaar gescheiden door een tussenschot. Waarom ze niet bij elkaar mochten komen, heb ik me toen nooit afgevraagd. Ik wist niet of het mannetjes of vrouwtjes waren. Voor mij waren het gewoon konijnen.
Elke week moest het hok schoongemaakt worden. Daar had ik een grondige hekel aan.
De stank van de konijnenmest was nog tot daar aan toe. Ik rook in het dorp wel vaker luchtjes van dieren en mest. Vervelender was, dat ik na het verwijderen van het gaas voortdurend moest opletten, of niet een van de konijnen van de gelegenheid gebruik zou maken om te ontsnappen. Zie dan zo’n beest nog maar eens te pakken te krijgen.
Ik was bang voor de onverwachte bewegingen van de beesten. Waarschijnlijk waren de konijnen op hun beurt bang voor die grote schop die opeens hun eetkamer annex wc binnenkwam. Zo hielden we elkaar gevangen in een gezamenlijk verbond. Er is er nooit een ontsnapt.

konijnen

Ik kweet mij nauwkeurig en liefdevol van mijn taak. Het was weinig werk. Voer was er rond ons huis in voldoende mate aanwezig. Het gras groeide zelfs onder het hok. Ik hoefde niet met een zeis op pad om in de bermen langs de openbare weg een dagvoorraad bij elkaar te halen, zoals ik semiprofessionele konijnenfokkers met alpinopet regelmatig zag doen. Die hadden dan ook flatgebouwen met konijnen te voeden.
Ik gaf mijn langoren het liefste zoggedijsels[1]. Daar waren ze dol op. Ik mocht er graag naar kijken hoe ze aanvielen op hun verse groenvoer. Al zat er maar één zoggedijsel tussen een berg gras, dan nog haalden ze dat blad er onmiddellijk uit en aten dat als eerste op. Dat zou ik nooit doen, dacht ik dan. Ik bewaarde het lekkerste eten altijd tot het laatst.
Een week voor de Kerst kwam de olieboer uit ons dorp een van de konijnen halen. In zijn vrije tijd had de olieboer namelijk een bloeiende praktijk als dierenviller. Zijn kwaliteiten op dit gebied waren wijd en zijd bekend.
En zo geschiedde het dat er met de Kerst bij ons een konijnenbout in de braadpan lag.
Ik at niet mee.
Niet omdat ik ontdaan was dat die gulzige knager, die mij met zijn grote ogen vaak zo verwachtingsvol aangekeken had, opeens was veranderd in een braadstuk. Ik heb geen traan gelaten om het konijn, terwijl ik toch om het minste of geringste kon huilen.
Bij onze buren ging er eens een kip in de pan, die het hele jaar voor hun raam achteruitlopend de kale grond had afgezocht. Bij hen at de buurvrouw niet mee. Ze was er getuige van geweest dat de kip een kleine kikker had verorberd. De vorm van het beestje was nog enige tijd zichtbaar geweest in de hals van de kip.
Ik vond het opdienen van konijn of kip de normaalste zaak van de wereld. Maar ik at niet mee, omdat ik konijn niet lustte. Ik vond de geur van konijn zoveel vreemder dan de zaterdagse geur van draadjesvlees, gebakken in de bleu band.

________________________________________
[1] Dialect voor paardenbloem. Het Meertens Instituut houdt onder meer een databank bij van volksnamen voor planten. Het woord zoggedijsel (zoggedeisel) staat vermeld voor de plaatsen Benschop en Oud-Maarsseveen, beide met het jaartal 1945. Vleuten, het dorp van mijn jeugd, ligt zo’n beetje in het midden tussen deze West-Utrechtse dorpen. Misschien is het woord zoggedijsel wel het enige dialectwoord, dat ik uit mijn jeugd heb meegenomen.