Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Studeren Jaren ’70

1

PASSIVITY IS THE DRAGON

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (21)

Meer dan vier jaren heeft zij samengewoond met haar vriend. Nu is het voorbij. Sinds enkele maanden woont zij op zichzelf.
Het waren vier mooie jaren. Ze waren bijna altijd samen, zij deden alles samen: vrienden bezoeken, naar de film, naar feesten toe. Niet dat het samen optrekken haar bewuste keuze was geweest. Het was vanzelf zo ontstaan, het was prettig. Zij kende het van haar ouders en veel van hun vrienden leefden zo.
Maar het afgelopen jaar was de relatie gaan knellen. Haar vriend sprak wel eens af met een andere vrouw. Voor haar speelde er iets anders. De relatie was een sleur geworden. Alsof ze in een trein zat die vanzelf steeds maar doorging. Ze hoefde er niet bij na te denken en juist dàt was haar tegen gaan staan. Ze had zich niet afgevraagd wat zij zelf eigenlijk wilde. De relatie had haar afhankelijk en passief gemaakt.
Laatst zag zij een poster met een afbeelding van een vrouw met een zwaard en de tekst: Passivity is the dragon that each woman must slay in her quest for independence. Dat is precies zoals zij het voelt. Die poster hangt nu op haar kamer.

Ze was getroffen door De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Niet doen wat er van je verwacht wordt of wat je behoort te doen volgens de conventies. Maar stilstaan bij wat je zelf wil. Je eigen keuzes maken. Daarover praat ze in haar fem-soc-groep, een groep waarin de ongelijkheid tussen man en vrouw wordt besproken. Ze doet mee aan demonstraties tegen geweld tegen vrouwen en aan de vrouwenstaking.
Het feminisme klinkt door in haar studie op het Instituut voor Ontwikkelingspsychologie. Ze doet mee in de werkgroep preventie en loopt stage in de wijkwinkel Wittevrouwen waar men buurtbewoners helpt met de regie over het eigen leven.

Bevrijd van de relatiedwang kiest ze nu haar eigen afspraken. Zij is met een vriendin in Oxford geweest. Ze biljart regelmatig met vriendinnen in het mannenbolwerk Palais des Sport aan de Croeselaan en vanavond gaat ze naar een feest van Rien. Het feest is een eindje weg, in Vleuten, maar gelukkig mag ze meerijden met Pieter. Ze heeft een lange jurk uitgekozen, daarin kan ze heerlijk dansen.
Als zij na een tijdje dansen even uitrust en een sigaret opsteekt raakt ze in gesprek met een jongen met donkere ogen en donkerblond haar. Hij zit bij de projectgroep Nieuwegein. Dat lijkt op wat zij in de wijkwinkel doet. Het is een aantrekkelijke, zachtaardige jongen, maar veel meer komt ze helaas niet van hem te weten, want Pieter wil weer terug naar Utrecht. Dat is jammer, ze zou die jongen wel eens vaker willen spreken.
Op weg naar de auto blijft ze even staan. Als ze iets wil met die jongen, dan moet ze niet afwachten. Dan moet ze nú iets doen. Met haar jas al aan loopt ze terug de kamer in.
‘Zullen we telefoonnummers uitwisselen?’
Twee dagen later ligt er een briefje van een huisgenote bij haar op tafel: ‘Je “Ronald” heeft gebeld’.
Het zou nog meer dan anderhalf jaar duren voor onze relatie een vaste vorm gekregen had.

2

TAKE IT EASY

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (20)

Het is 1978. Ik heb er zeven studiejaren opzitten en al meer dan genoeg studiepunten binnen om af te studeren, maar ik kan nog geen afscheid nemen van mijn projectgroep Nieuwegein. Ik wil nog even niet denken aan een baan, ik zou niet weten wat voor een. Wel gaat in het zicht van de haven het tempo terug naar normaal. Alle tijd die overblijft is voor cafébezoek, afspraken met vrienden en feesten. Elk weekend is er wel een feest, waar ik me in het zweet dans op School van Supertramp, onder het muzikale gedreun gesprekken voer over relaties en nieuwe vriendinnetjes leer kennen.

Ik word regelmatig verliefd, maar blijkbaar heb ik een ongelukkige hand van kiezen. Of van gekozen worden. Er zijn vrouwen met een vaste relatie, die mij er wel stilletjes bij willen. Vrouwen die nog aan het afkicken zijn van een vorige relatie. Vrouwen die na het ontwaken veel minder om te zoenen zijn dan de nacht ervoor en vrouwen die een claim op mij willen leggen. Ik geniet van alle contacten maar verliefdheid en onbereikbaarheid lijken onverbrekelijk verbonden met elkaar.
Well I’m running down the road, tryin’ to loosen my load, I got seven woman on my mind. Four that wanna own me, two that wanna stone me, one says she’s a friend of mine.
Take it easy van the Eagles wordt op die feesten veel gedraaid.
Als mijn hoofd weer eens vol zit, bel ik een vriend of vriendin om mijn hart te luchten. Alles wordt besproken. In de mannenpraatgroep heb ik geleerd me onzeker op te stellen. Dat kost me geen moeite, de onzekerheden trekken dagelijks door mijn hoofd. Ik heb een opschrijfboekje bij me om in het openbaar vervoer, in cafés of waar ook mijn gedachten en mijn vraagtekens te kunnen vangen. In de studie psychologie heb ik mezelf leren kennen. Ik kan goed luisteren, ben gevoelig van aard en bang voor risico’s, schrijf ik op.
‘Waarom zou je je aan één persoon moeten binden?’, vraagt een vriend. Het is de tijd van het stellen van waarom-vragen. ‘Zou je niet net zo goed met verschillende vriendinnen en vrienden een goede relatie kunnen hebben?’ Als ik op een feestje ben met vaste stellen die dromen over hun eerste kind, stap ik vroeg op. Ik vervloek hun ideaal als burgerlijk, maar ga ondertussen door met mijn eigen zoektocht. Come on baby, don’t say maybe, I gotta know if your sweet love is gonna save me.

Op een feest van twee projectgroepleden die in Vleuten wonen, val ik na het dansen neer op een matras, dat daar bij gebrek aan stoelen is neergelegd. Ik raak in gesprek met een jonge vrouw met lang donkerblond haar. Haar jurk met tierelantijntjes en spiegeltjes valt tot op haar enkels. Al snel eindigt het gesprek, omdat zij met iemand mee kan rijden naar Utrecht. Haastig wisselen we telefoonnummers uit.
Als ik na een paar dagen bel, is ze niet thuis.
‘Je Ronald heeft gebeld’, staat er op een briefje dat een huisgenote voor haar heeft neergelegd.
Nu, veertig jaar later, zit G. achter mij met haar tablet op de bank.
Lighten up while you still can, don’t even try to understand, just find a place to take your stand and take it easy.

0

HET PERSOONLIJKE IS POLITIEK

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (19)

Projectgroep Nieuwegein in 1976; ik zit onder de lamp

De groene deur van het statige, oude pand aan de Korte Nieuwstraat in Utrecht gaat met een lichte duw open. Ik sta in de hal van het Instituut voor Klinische Psychologie. Hier worden psychologen opgeleid om mensen van hun psychische problemen af te helpen. Hier ga ik mijn studie vervolgen. Dat is even wennen.
Het is een traditionele studierichting, maar daarbinnen kies ik voor het alternatief. Bij de projectgroep Nieuwegein gaan we immers alles anders doen. Geen simpele therapietjes, wij willen psychische problemen niet individualiseren. Ook in het onderwijs en het onderzoek zoeken we de innovatie. De groep van 20 studenten wordt begeleid door twee wetenschappelijk medewerkers, maar voor ons is er geen onderscheid: iedereen is werker, ieder kan van elkaar leren. De groep bruist van energie.
We beginnen een centrum voor laagdrempelige eerstelijns hulp in Nieuwegein en regelen alles zelf: de overeenkomst met de gemeente Nieuwegein, de subsidie, de meubels. Een van ons heeft op eigen naam een bankrekening voor het project geopend, waarop een medewerker van de interne controledienst een alarmerende brief stuurt naar het College van Bestuur. Wij spreken er schande van, de universiteit moet ons faciliteren, niet controleren.
Een belangrijk deel van onze tijd gaat op aan plenaire vergaderingen, subgroepjes, werkgroepjes. We moeten het met elkaar eens zijn, dat kost tijd. De correcties op de zelf gestencilde notulen bedragen meer dan een pagina, net als de mededelingen en de rondvraag. Voor discussies over de langetermijndoelstellingen blijft er geen tijd over. Op vrijdagmiddag zakken we door bij Jan de Winter aan de Oude Gracht.

Ik voel me op mijn plek in de projectgroep. Al snel zijn al mijn dagen gevuld. Voor de eerste maal in mijn studietijd voel ik me in een groep echt op mijn gemak. Onzekerheden en irritaties zijn bespreekbaar, sterker nog: moeten besproken worden, want ook ten aanzien van onze eigen emoties geldt, dat we niet willen individualiseren.
De informele leider is R., zonder zijn instemming gebeurt er niets. R. heeft een kwakkelrelatie met M., een vrouw uit de projectgroep. Op een projectweekend vraagt R. aandacht voor hun relatie, het persoonlijke is tenslotte politiek. Hij constateert (‘het is geen verwijt, hoor’), dat, terwijl iedereen weet dat M. en hij het moeilijk hebben, niemand ook maar één teken van solidariteit heeft getoond. Waarna een ingewikkeld gesprek volgt, enkele vrouwen hun tranen niet kunnen bedwingen en diverse mannen hun getheoretiseer niet kunnen inhouden. Ik hou mijn mond, terwijl ik me zit te verbijten dat ik geen zinvolle bijdrage kan leveren. Hoe langer het duurt, hoe meer ik me begin op te winden. Toen ik me eerder eens had geërgerd aan een niet nagekomen afspraak, had ik met een onverwachte heftigheid geroepen: ‘Ik baal hiervan!’. Dat kreeg ik later bij Jan de Winter te horen. Dus nu wacht ik af, totdat iemand na twee uur zegt: ‘Ik ga een biertje halen’ en de vergadering als een fietsband leegloopt, zonder conclusie, zonder vervolg.

Het is een leerzame periode. Beleid maken, de vraag achter de vraag stellen, organiseren, gesprekstechnieken toepassen, vergaderingen voorzitten: ik leer allerlei vaardigheden waar ik later dankbaar gebruik van zal maken. En ik leer ook nog iets over hoe je mensen kunt helpen.

1

CRISIS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (18)

Op mijn kamer aan de Oude Kamp

Toen eind jaren zestig velen de katholieke kerk verlieten, liep ik mee. Zonder naar links of naar rechts te kijken stak ik vrijwel direct over naar de socialistische kerk. Hoewel er grote verschillen zijn in de leer, zie ik ook veel overeenkomsten: het geloof in een heilstaat, de opoffering die daarvoor nodig is, het uitdragen van het geloof, de strenge regels en de hiërarchische organisatie, het opkomen voor de minder bedeelden, de verering van leiders, de stralende zekerheden die geen twijfels toelaten.
Maar waar het verlaten van de katholieke kerk mij geen enkele moeite had gekost – het geloof was er van bovenaf ingestampt zonder dat ik er zelf verantwoordelijkheid voor hoefde te nemen – leidt mijn breuk met het actiewezen in 1976 tot een existentiële crisis. Ik stop niet alleen met de acties onder de bouwvakkers, maar ook met de al even marxistische studierichting arbeids- en organisatiepsychologie. Het voelt nog steeds als een plicht om iets doen aan het onrecht in de wereld, maar ik weet niet wat en in welk verband. Twee jaar na mijn kandidaatsexamen ben ik opnieuw op een dood spoor beland.
Zoals er in mijn kamer aan de Oude Kamp in Utrecht door de hoge bomen nauwelijks zonlicht binnenkomt, zo donker is het in mijn geest. Ik laaf mij aan treurige muziek van popmuzikanten die lijden aan sehnsucht of weltschmerz. I said hey sister Moonshine, won’t you send me a little sun (Supertramp). Er komen weinig mensen meer langs. Met mijn verhaal kan ik bij niemand terecht. De oude kameraden willen er niets van weten, de weinige vrienden kunnen het zich niet voorstellen.

Tussen mijn groep van het zomerkamp. De tweede begeleider (geheel rechts) is August Willemsen, later bekend geworden als schrijver van het boek Braziliaanse brieven

Via mijn contacten uit de stottertherapie komt er een kans om als begeleider mee te doen in een zomerkamp, waar jonge stotteraars een week lang therapie volgen. Ik grijp die met beide handen aan en beleef een geweldige week als ik merk, dat ik veel voor deze jongens beteken. Ik lees een boek over stotteren, dan nog een, en nog een. In een niet te stoppen honger lees ik zo’n beetje alles wat er over te lezen valt. Ik maak er een scriptie van die in korte tijd in heel Nederland gretig aftrek vindt en mij nog studiepunten oplevert ook. Erkenning en waardering, het is precies wat ik nodig heb.
Bij een cursus gedragstherapie op het instituut voor klinische psychologie is nog een plaatsje open. Iemand zegt: therapietjes doen, dat is toch mensen aanpassen aan de maatschappij, dat biedt toch geen structurele oplossing. Ik ben het met hem eens, toch schrijf ik me in.
Dan ontmoet ik op dit instituut mensen van een projectgroep die iets nieuws begonnen zijn in Nieuwegein. Zij willen niet alleen psychische problemen verhelpen, maar ook verder kijken, naar maatschappelijke achtergronden, zoals woningnood, werkeloosheid, en de socialisatie van mannen en vrouwen. Het persoonlijke is politiek, is het uitgangspunt. Ik voel een enorme opluchting. Dit is wat ik wil. Hier kan ik mijn maatschappelijke opvattingen met mijn persoonlijke ervaringen combineren. De overstap is snel geregeld.

Voor de liefhebber: vóór ik deze serie over Studeren in de jaren ’70 begon, heb ik hier al een keer over de projectgroep Nieuwegein geschreven. Ook een eerdere blog over een mannenpraatgroep is uit deze tijd.

3

RENEGATEN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (17)

Wat onwennig schuiven enkele mannen het zaaltje van het wijkcentrum binnen, waar wij, vier studentikoze types die de maatschappij willen veranderen, in gespannen afwachting zijn. De buideltjes zware Van Nelle komen op tafel. Een dikke man belandt in een hoestaanval.
‘Dat komt van al die tocht op de bouw’, sneert Eelke, onze aanvoerder.
Al maandenlang proberen we de actiebereidheid onder bouwvakkers te bevorderen. Eindelijk is het ons gelukt om enkelen van hen voor een vergadering te interesseren.

In 1976 staat mijn leven volledig in de actiestand. Op de universiteit doe ik actieonderzoek ten behoeve van de arbeidersbeweging. Als vertegenwoordiger van mijn onderzoeksproject draai ik overuren in discussies over vernieuwingen in het onderwijs en de democratisering van de universiteit. Daarnaast loop ik opruiende krantjes te colporteren op bouwprojecten. Ik ben nauwelijks thuis. Tijd voor vrienden heb ik niet meer.
‘Het gaat om de opbouw van een tegencultuur’, zeiden mijn collega-actievoerders. ‘Daarin hebben we elkaar nodig’. In de uitloop van een actievergadering stond de tafel vol met lege beugelflessen Grolsch, de asbakken puilden uit. Een actievoerster die een dag afwezig was geweest vanwege de  bruiloft van een nichtje werd op het matje geroepen. Dat vond ik overdreven, maar ik hield mijn mond. In mijn hoofd zat het verhaal van een elektricien. Hij zat al maanden in de ziektewet toen wij die week bij hem op bezoek waren.
‘Elke ochtend als ik wakker word verrek ik van de pijn’, zei de man. Hij keek mij doordringend aan: ‘Dat kan jij je niet voorstellen, hoe dat is’.
Ik stond met mijn mond vol tanden. Alle boeken die ik gelezen had over vervreemding in het kapitalisme, het bewustzijn van de arbeider en de wegen naar verandering lieten mij op dat moment in de steek. De man had gelijk. Ik zou elk moment met het krantje kunnen stoppen, voor hem was er geen keus. Ik was bevoorrecht en voelde me schuldig. Moest ik wel doorgaan met dit soort acties, vroeg ik me af.

‘Het waren vakbondslui! Renegaten! Klootzakken!’, briest Eelke als wij na afloop van de vergadering naar een naburig café fietsen.
Op onze actievergadering waren enkele bouwvakkers verschenen, die we nog niet eerder ontmoet hadden. Zij hadden ervoor gepleit om de acties voor verbetering van werkomstandigheden via de vakbond te voeren. Door de wol geverfd als zij waren hadden zij gemakkelijk de andere bouwvakkers weten te overtuigen. Het initiatief was ons uit handen geslagen.
‘De volgende keer moeten we een vergadering geheim houden’, zegt Tom als hij met vier glazen bier tegelijk aan komt lopen. Hij weet er altijd de moed in te houden. Maar ditmaal slaat zijn optimisme niet meer op mij over. Ik voel me klote. Ik ben compleet vastgelopen tussen mijn opvattingen en mijn gevoelens. Als Tammy Wynette’s jankende Stand by your man door het café klinkt, krijg ik een brok in mijn keel. Ik wil weg, neem een haastige laatste slok en zet het glas met de schuimranden nog aan de binnenkant op tafel. Als ik buiten mijn fiets van het slot haal springen de tranen in mijn ogen. Nog voor ik bij mijn kamer ben weet ik het zeker. Ik stop met dit gedoe. Ik word er diep ongelukkig van.

1

IN DE GEEST VAN LENIN (SLOT)

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.

 

0

IN DE GEEST VAN LENIN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (15)

De plannen van de partij – zijn de plannen van het volk

Met een groep Nederlanders ben ik in een bus onderweg naar het Rode Plein in Moskou. ‘Het leninisme is ons vaandel’. ‘De besluiten van het 25e congres worden uitgevoerd’. Het wordt ons vanaf spandoeken duidelijk gemaakt. We rijden te midden van vrachtwagens en bussen uit de vijftiger jaren. Bij een verkeerslicht staat een bus stil, de chauffeur staat gebogen over de geopende motorkap, een emmer water naast zich.
Wij hadden lang moeten wachten op onze bus en toen die er eenmaal was moest er nog een andere chauffeur komen. Op het Rode Plein volgt een nieuwe wachtperiode, ditmaal voor het mausoleum van Lenin. Enkele bouwvakkers stappen van een steiger bij de muur van het Kremlin. Pas op het laatste moment, zie ik dat het vrouwen zijn. Een vrouw in een overall vol met steengruis doet haar handschoenen uit en strijkt een piek haar achter haar oren.
Het is 1976 en ik ben met een groep op reis in de Sovjet-Unie. Na alle negatieve verhalen in Nederland over de vijand achter het IJzeren Gordijn wil ik eens met eigen ogen bekijken hoe men hier het ‘reële socialisme’ vormgeeft. Het is een reis met sociale excursies.

Zo gaan we op bezoek in een kindervakantiekolonie, een erehaag van kinderen in uniform wacht ons op. Onder begeleiding van een tandeloze accordeonist voeren zij liedjes op, gymnastische oefeningen en ballet, alles zeer gedisciplineerd. Na het Ka-ka-lin, ka-ka-la van de Oktoberjeugd is het onze beurt. Wij zingen enkele Nederlandse kinderliedjes. Vooral Mijn tante uit Marokko waarbij de kinderen de bewegingen mee kunnen doen is een groot succes. Pas na twee toegiften mogen we het podium verlaten, waarna een leidster, ‘sprekend in de geest van Lenin, de kindervriend’ ons hartelijk bedankt.
Onze groep bestaat uit enkele links georiënteerde jongeren, naast deelnemers die niet in de politiek geïnteresseerd lijken. Ik kijk de eerste dagen de kat uit de boom en probeer me aardig voor te doen. Ik heb mede ingetekend op de reis om mensen te leren kennen, schrijf ik in mijn vakantiedagboekje; waarna ik mezelf direct corrigeer: ‘Mensen? Meisjes zal je bedoelen, held op sokken, stille bewonderaar, dagdromer’.

Onder luide aanmoedigingen dans ik met een dame op mijn rug

Er staat een feestavond op het programma met de jeugdafdeling van de communistische partij in een textielfabriek. ‘Dus kleed maar je beste kleren aan’, zegt Irina, onze Nederlands sprekende begeleidster. In de kantine worden we aan tafeltjes gezet tezamen met medewerksters uit de fabriek. Het zijn jonge vrouwen met geverfde haren, rode lipstick en vooruit staande borsten. Het hoofd van de afdeling verwelkomt ons met de leuzen van het 25e congres: vrede en solidariteit. Zij eindigt met de aanbeveling om eerst met elkaar kennis te maken. Achterin de kantine zet een jongen Dynamite van Mud op. Helaas spreken de dames aan onze tafel enkel Russisch, zodat we niet veel verder komen dan de uitwisseling van onze namen en woonplaatsen. De Riesling gaat open en er zijn sneetjes met ham en stukjes meloen. Vervolgens ook ijs, morozjenowo zeg ik Swetlana na.
Gelukkig hebben wij nog onze tante uit Marokko, de stoelendans en de zevensprong. De Russische dames zingen een lied, aan het einde waarvan zij ons allemaal bestormen, waarna we ons uit een kluwen van lijven moeten bevrijden. Er wordt nieuwe Riesling gebracht. En wodka. Ondertussen heb ik alleen maar aandacht voor één vrouw uit onze groep, Karin.

(wordt volgende week vervolgd)

1

STROMENDE ZINNEN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (14)

Ik lig met mijn ogen dicht op een deken. Rondom mij is een zaal waar meer mensen liggen. Ik ben geheel ontspannen. Mijn buik beweegt zachtjes mee met mijn adem. Dan hoor ik klassieke muziek: langgerekte tonen van strijkers gevolgd door wonderschone, tedere pianoklanken. Ik ben totaal gelukkig, er is niets meer dat mij hindert. Ik voel mij bevrijd van elke spanning en angst, ik kan de hele wereld aan.

Alle spanning vanwege mijn idealen over maatschappijverandering, al mijn twijfels over mijn studie en mijn relaties en alle onzekerheden over mijzelf balden zich samen in mijn spraakgebrek. Het monster, dat mij in zijn greep had, weerhield mij van een gelukkig leven.
Telefoneren vermeed ik. Een brood kopen was een opgave, een retourtje bestellen een lijdensweg. Ik focuste uitsluitend op blokkades en pijnigde vergeefs mijn hersens met analyses van oorzaken. Zo raakte ik steeds dieper in de put.
Op televisie zag ik succesverhalen van de behandeling volgens de Doetinchemse Methode. Die was gebaseerd op acceptatie van je stotteren. Dat wilde ik niet. Daarom zocht ik stad en land af naar een therapie die mij, het liefst in korte tijd, van mijn monster kon bevrijden. Na een paar jaar speuren zonder succes klopte ik toch maar in Doetinchem aan.

Met een groep van twintig stotteraars zijn wij een week lang in afzondering bij elkaar. Door middel van adem- en ontspanningsoefeningen proberen we een nieuwe manier van spreken op te bouwen, in een laag tempo, soms maar één woord op een adem. We pakken de vermijding aan door opzettelijk te stotteren.
‘Ja, ik ben een stotteraar’, luidt de eerste zin in het begeleidend oefenboek. En ook: ‘ik ben, zoals ik ben, goed genoeg’. Het is in deze groep van lotgenoten niet erg om fouten te maken.
Mijn angsten vallen weg. Ongeduldig wacht ik tot ik een spreekbeurt mag houden voor de hele groep. De zinnen stromen vloeiend uit mijn keel. Ik wil nog heel lang doorpraten en genieten, maar al snel is de volgende aan de beurt.
We oefenen eindeloos met elkaar en daarna gaan we naar buiten om opzettelijk stotterend de weg te vragen. Of om een Rolletje Redband Drop te kopen op spreektechniek.
De twee behandelende logopedisten verklaren dat de vermijding de angst in stand houdt en hoe een positieve situatie voorbereiding behulpzaam kan zijn. Die uitleg komt mij wat te simpel over, ik plaats er kanttekeningen bij. Als we in de groep elkaar feedback geven komen mijn opmerkingen als een boemerang terug: ik reageer volgens de anderen te verstandelijk, ben te kritisch, te drammerig. Ik zou mijn gevoelens meer moeten uiten, meer tevreden moeten zijn, vooral met mijzelf. Enkele vrouwen prikken door mijn façade heen en laten een zwak voor mij blijken.

Na vier van dit soort weken word ik weer losgelaten in de maatschappij van vloeiende sprekers en normaal spreektempo. Ik zit vol met positieve ervaringen en loop over van de goede voornemens. In mijn schriften staan de oefeningen en de aanwijzingen om de negatieve cirkel te doorbreken. De uitdaging wacht.

N.B. De muziek waarnaar in de eerste alinea van dit stuk wordt verwezen is het Andante uit het 12e pianoconcert van W.A. Mozart (KV 414).

1

JANNIE

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (13)

Ze staat te wachten op het stationsplein in Arnhem. Ze is klein en heeft blond haar. We kussen zonder elkaar aan te kijken. Het voelt vreemd naast haar in de bus naar Malburgen Oost. We lijken onbekenden van elkaar. Jannie is stil. Ik kijk uit het raam en vraag me af hoe ik het ijs kan breken. We stappen uit bij de flat, waar ze samen met haar zus woont.
‘Die is nu een weekendje met haar vriend weg’, zegt ze vlak.

Twee weken daarvoor was ik in het aksiesentrum De Kargadoor in Utrecht. Er was een congres van basisgroepen over de organisatie van de klassenstrijd. Leden van uiterst linkse splinters uit het hele land discussieerden een weekendlang over de eenheid in de strijd. Gesjeesde studenten in werkmanskloffies betwistten elkaar de juiste interpretatie van de geschriften van Marx, Lenin en Mao. Tussen de langharige, shagjes draaiende kamergeleerden liep een aantal werkende jongeren uit Arnhem. In de discussiegroep over het revisionisme binnen de arbeidersbeweging zat een van hen, een klein blond meisje, tegenover mij. Zij zei niets. Ik zei ook niets. Ik pijnigde mijn hersens over een zinvolle bijdrage aan de discussie.
Die avond was er voor de congresgangers een spetterend feest. De Nijmeegse aktieband Kladderadatsch speelde onaangepaste muziek met teksten over werkloosheid, woningnood en kernenergie. Opeens zag ik, een paar meter bij mij vandaan, het kleine, blonde meisje staan. Zij stond alleen, ik stond alleen. We keken elkaar aan en pats! Daar was de hunkering, de gedeelde hartstocht, het samenzijn dat geen woorden nodig heeft. Twee magneten die elkaar niet kunnen ontlopen. We verlieten al snel de herrie en gingen naar mijn kamer.
‘Wat een boeken heb jij’, zei Jannie vol bewondering.

Nu zitten we naast elkaar op haar bed. Aan de wand van haar meisjeskamer hangt een poster van Rod Stewart. Op een kastje staan een paar knuffels. Muziek van Queen voorkomt de stilte. Ik voel me nog niet op mijn gemak. Jannie kijkt me af en toe even snel aan, haar blik heeft iets kinderlijk ondeugends. Het avondrood valt de kamer binnen. Ik heb trek. Ik zit te wachten op het moment dat Jannie naar de keuken gaat om te koken. Zal ik haar aanbieden om te helpen?
‘Zullen we er maar in gaan liggen?’, vraagt Jannie onverwachts. Nu al?, schiet er door mij heen. Ik heb meer zin in eten, maar dat zeg ik niet. Jannie houdt van doorwerken. We trekken onze kleren uit en kruipen onder de deken. In een mum van tijd is het voorbij.
‘Ben je klaar?’, vraagt Jannie, op een toon alsof ik de boontjes aan het haren ben. Zonder het antwoord af te wachten stapt ze uit bed, vist haar slipje bij het voeteneind vandaan en veegt daarmee wat vlekken weg. Onderweg naar de douche gooit ze het slipje direct in de wasmachine.

De volgende ochtend maakt Jannie zonder te praten een ontbijt. Wel vraagt ze tweemaal of ik genoeg heb. Of ik nog ontbijtkoek wil. Of de thee smaakt.
Het is nog vroeg op de zondagmorgen als we over de dijk langs de Rijn wandelen.  In de verte klinkt het gebeier van kerkklokken.
‘Ik vond dat congres vreselijk’, zegt Jannie, ‘al dat moeilijke gepraat, al die gestudeerde types’.
‘Ik ben toch ook zo’n gestudeerd type’.
‘Nee, maar jij was… jij bent, ja…’. Jannie draait zich naar me toe: ‘..ja, ..anders’.
We omarmen elkaar. Midden op de Rijndijk is de intimiteit voor even terug. Maar tegelijkertijd dringt bij mij het besef door, dat – als de trein mij straks weer naar Utrecht heeft gebracht – ik nooit meer terug zal keren.

 

0

ACTIE-ONDERZOEK

Herinnering

Serie Studeren in de jaren ’70 (12)

Een samenvatting van de eerste elf stukken in deze serie:
Geïnteresseerd in de mentale kant van topsport begon ik in september 1970 met de studie psychologie. Direct in het eerste jaar raakte ik in de ban van het onrecht in de wereld: de armoede in ontwikkelingslanden, de uitbuiting van arbeiders. Ik dook in de marxistische literatuur en werd actief in de studentenoppositie. Ondertussen studeerde ik op mijn kamertje in de studentenflat braaf voor de tentamens fysiologie en persoonlijkheidsleer. Mijn kandidaatsexamen behaalde ik met lof, maar de verandering van de maatschappij vond ik veel belangrijker dan mijn studie. Na een jaar werken in de bouw vond ik nieuwe inspiratie bij de Vakgroep Vorming en Aktivering: wetenschap in dienst van de klassenstrijd.

Daalderop, foto: Michel van Berkum

Ik participeer in een onderzoek naar het bedrijvenwerk van de katholieke vakbond NKV bij metaalfabriek Daalderop in Tiel, bekend van de boilers. Het oorspronkelijke familiebedrijf was enkele jaren daarvoor overgenomen door Internatio-Müller, een multinational. Er is sprake van reorganisaties en inkrimping. De werksfeer is matig, de directie doet een proef met de invoering van werkoverleg. Het NKV, op zijn beurt, kampt bij Daalderop met een gebrek aan animo onder de leden.
Onze projectgroep, bestaande uit 7 studenten en een wetenschappelijk medewerker, krijgt opdracht van de bond om een onderzoek uit te voeren naar verbeteringen in het bondswerk en de standpunten over het werkoverleg.
Wij hebben onze doelstellingen uitgebreid beschreven en degelijke Duitstalige literatuur doorgenomen over Das Bewusstsein der Arbeiter en Arbeiterräte in der Novemberrevolution. Ons doel is de politisering en activering van de metaalarbeiders. Daartoe hebben we een informatieve brochure samengesteld (zie de cartoon, hieronder).
Zo zit ik op een avond met een lange vragenlijst aan tafel bij een van de oudere bondsleden, een kalende man die ik in het bedrijf in een grijze stofjas zag en die mij nu in geruit colbert met stropdas ontvangt. Mijn notablok ligt naast het biedermeier koffiekopje op het hoogpolige tafelkleed. De Friese staartklok tikt de minuten weg, de kanariepiet naast de Dru-gashaard laat af en toe van zich horen.
Mijn gesprekspartner geeft korte antwoorden, mijn bloknoot blijft akelig leeg. Al na een half uur zijn we al door alle vragen heen. Van dit bondslid hoef ik geen revolutie te verwachten. Of ben ik tekort geschoten in mijn activerende taak?

Wij moeten onze hooggespannen verwachtingen bijstellen. Er zijn maar weinig werknemers die willen meewerken aan het onderzoek. Meer dan de helft van de geïnterviewden is niet op de hoogte van het bestaan van het werkoverleg. De leden van het NKV weten niet wie hun kaderleden zijn.
Er is in de verste verte geen teken van radicalisering of verzet te bespeuren. Desondanks blijf ik vasthouden aan de idealen van de revolutie. Zo ben ik opgegroeid. De hemel uit mijn katholieke jeugd is weliswaar vervangen door de socialistische heilstaat, maar voor het overige zijn er opvallende parallellen tussen het katholicisme en het socialisme: het opkomen voor de minder bedeelden, de opoffering, het zieltjes winnen, de oppervlakkige zekerheden van het ware geloof.
Ik blijf geloven. Nog even.

Wil je de voorgaande stukken in deze serie lezen, klik dan in de rechterkolom onder Thema’s op Studeren jaren ’70.