Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Psychologie

0

DRIJFVEREN

Dagelijks

Elke maandag staan er in dagblad Trouw levensbeschrijvingen van bekende of onbekende personen die pas zijn overleden. Tot voor kort sloeg ik deze over. Totdat mijn aandacht getrokken werd door een foto-onderschrift. Het betrof een man van mijn generatie, die de katholieke kerk vaarwel had gezegd, in het welzijnswerk was beland en zijn leven besteed had aan het helpen van de behoeftige medemens. Ik raakte geïnteresseerd, las verder over de drijfveren van deze man en spiegelde dit aan mijn eigen leven.
Waarom wordt de ene mens politieagent en belandt zijn klasgenoot in het criminele circuit? Wordt de een ondernemer en zijn buurjongen diens chauffeur? Dat vind ik boeiende vragen. Ooit heb ik zelf voor psychologie gekozen. Vanuit de hartelust waarmee ik me nu met zingen en schrijven bezig hou, vraag ik me wel eens af, of ik indertijd de goede keuze heb gemaakt. Het lezen van een necrologie heeft dan in zoverre nut, dat ik weer besef, dat ik niet warm loop voor technische innovaties of notariële teksten, maar voor de mens, zijn drijfveren en zijn levenswandel.

De belangrijke keuzen in het leven hebben te maken met een partner, kinderen, een baan of een promotie. Het zijn de zaken waarvan kinderen zeggen: ‘Later als ik groot ben, wil ik…’ Ik betrap mijzelf nog steeds op dit soort wensen voor later.
Volgens managementgoeroe Steven Covey moet je je afvragen hoe jij wilt dat er op je begrafenis over je gesproken wordt. Daaruit zijn je doelen af te leiden.
Als je je loopbaan hebt afgesloten en je kinderen het huis uit zijn verandert het perspectief enigszins, maar de vraag blijft gelijk: hoe wil je de jaren die voor je liggen invullen? De grote onbekende hierin is de Tijd. Hoeveel jaren zijn je nog gegeven?
Wie de zaak op zijn beloop laat, kan spijt krijgen en dan wordt het link. Spijt is een herkenbare, veel voorkomende, maar oh zo nutteloze emotie. In ieder geval voor wie op zijn sterfbed ligt. Aan  de eindeloze rij van top-zoveel lijstjes heeft de Australische schrijfster Bronnie Ware de Top 5 regrets of the dying toegevoegd. Mensen die doodgaan hebben vooral spijt over het gebrek aan moed om een eigen leven te leiden, over te hard werken, te weinig genieten, het onvoldoende uiten van gevoelens en over het gebrek aan aandacht die zij aan hun vrienden hebben besteed. Geen lijstje om te memoreren op de begrafenis of in de levensbeschrijving van Trouw. Terwijl ik dit tik begint hier in de buurt de klok van het kerkje op de begraafplaats St. Barbara te luiden.
De boodschap is: stel niet uit tot morgen, wat je vandaag wilt…. Ik ben het me bewust, het schiet regelmatig door mijn hoofd en toch stel ik  sommige dingen uit tot later, als ik groot ben.

Deze week was ik bij een optreden  van het vocaal ensemble Sfinx. Men zong onder meer een compositie van Wim van Wolferen op een tekst van Shakespeare over de genadeloze werking van de Tijd. De vrije vertaling is van Hans Manders:

Zoals golven naar het strand toe stromen
Zo gaan de minuten een voor een voorbij
Zij blijven zonder oponthoud maar komen
En niemand stopt dit eeuwige getij.

Een baby die het daglicht heeft bewonderd
Groeit in een zucht van klein tot groot
Waarna de Tijd ‘m, niemand uitgezonderd,
Gauw uit het rijk der jeugd verstoot

Als de Tijd iets geeft, dan neemt hij ’t terug
Want schoonheid mag niet te lang duren
Wat komt tot bloei verdwijnt erna weer vlug
En moet het na een tijdje flink bezuren

Alleen dit vers voor jou blijft buiten schot
Dat krijgt de Tijd, hoe wreed ook, niet kapot.

2

OP DE DIVAN

In het nieuws

Divan, Freud Museum London

Ik droom dat ik bij een spoorwegovergang de bomen omhoog zie gaan. Ik stap naast mijn moeder in een trein die langzaam op gang komt en een donkere tunnel in rijdt. Als de trein de tunnel uitkomt zit mijn vader tegenover mij. Mijn moeder is weg.
Voor een psychoanalyticus zou de duiding van deze nepdroom zo klaar zijn als een kontje. De spoorbomen die omhoog gaan staan voor een erectie, de trein die op gang komt voor de coïtus, de donkere tunnel voor de vagina en de rest voor het Oedipuscomplex. Ik begeer mijn moeder en ben bang voor de straf van mijn vader.

De psychoanalyse in Nederland bestaat honderd klaar en dat wordt uitgebreid gevierd. Het lijkt erop, dat de weinig overgebleven analytici hiermee zichzelf wat viagra willen toedienen om de zaak weer overeind te krijgen.
De theorie van Freud is, dat mensen niet alleen worden gedreven door overwegingen, normen en opvattingen, maar nog meer door het onbewuste: gevoelens, lusten, instincten. Het onbewuste openbaart zich bijvoorbeeld via versprekingen en verschrijvingen en via dromen en humor. Wat je werkelijk drijft kan je achterhalen door in analyse te  gaan. Hiervoor moet je vier tot vijf keer per week een uur op de divan liggen. Je associeert een eind weg over wat er op dat moment in je hoofd opkomt. Als je geluk hebt bromt de therapeut, die onzichtbaar achter je zit, af en toe een aansporing tot verdere exploratie van je gedachten en gevoelens. Deze frequente sessies moet je vijf jaar volhouden.
In Nederland wordt deze kostbare vorm van therapie niet meer vergoed wegens gebrek aan bewezen effectiviteit. In andere landen, zoals de Verenigde Staten, liggen dagelijks vele analysanten op de divan (terwijl buiten de psychiatrische patiënten verdwaasd achter hun winkelwagentje met plastic zakjes lopen).

Jaren geleden had ik via mijn werk nog wel eens wat te maken met het Psychoanalytisch Instituut Utrecht, de geilige tempel van de psychotherapie, gevestigd in twee majestueuze panden aan de Maliestraat. Daar werkten in zalen van behandelkamers de echte therapeuten, de belezen mannen die zich ver verheven voelden boven de doorsnee hulpverlener. Zij behandelden zo’n 5 patiënten per week, veelal goed opgeleide neuroten. De privacy stond hoog in het vaandel, patiënten mochten elkaar niet op de gang tegenkomen. Er waren nogal wat bekende Nederlanders bij. Verwarde psychiatrische patiënten behandelde men niet, de methode zou bij die groep alleen maar ontregelend werken.
Er was een forse ondersteunende staf, een schitterende bibliotheek met behulpzaam personeel en een eigen kopuleerafdeling voor de reproductie van honderden vagina’s over de nieuwe theoretische ontwikkelingen. De peperdure behandeling werd betaald door het ziekenfonds. Dus ik begrijp dat de SP daarnaar terugverlangt.

Kritiek op aannames of duidingen kon door de analytici gemakkelijk worden weerlegd als weerstand, voortkomend uit een onverwerkt verleden. Ook ik ben in dit stuk nog steeds met mijn vader aan het vechten. Mijn superego (mijn geweten) zegt mij nu echter, dat ik ook iets aardigs over de psychoanalyse moet zeggen.
Welnu, dit stukje is tot  stand gekomen, nadat ik een uur lang op mijn eigen bank heb liggen associëren op het woord psychoanalyse. Een uitnodiging ooit van mijn verleidelijke therapeute om in analyse te gaan heb ik weerstaan, maar concepten als het onbewuste en het superego hebben mijn zelfinzicht vergroot. In mijn terugblikken op deze plek was ik niet zo ver gekomen als ik niet van psychoanalytische inzichten had geprofiteerd.
Daarom feliciteer ik bij deze het psychoanalytisch genootschap. Met daarbij één adviesje: kom eens uit je ivoren phallus, de 19e eeuw is al lang voorbij.

1

DE KEUZE VAN JE LEVEN

Herinnering
Heeroom 1

Mijn oom als journalist in Rotterdam, 1926

Hoe komen belangrijke keuzen in het leven tot stand? Voor een loopbaan, een partner, een verhuizing? De omstandigheden, rationele afwegingen, intuïtie en gevoelens, van alles komt er bij kijken. De laatste jaren denk ik steeds vaker dat je persoonlijkheid of karakter doorslaggevend is.

Ik ben bezig om de kast met familie-documenten, die mijn vader heeft nagelaten, te ordenen. Daarin kom ik veel stukken tegen over mijn Heeroom (1903 – 1989). Deze broer van mijn vader werd in 1927 monnik bij de cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten.
De cisterciënzer monniken leven teruggetrokken achter de muren en wijden een groot deel van de dag aan zingen en bidden. De leefregels in het klooster waren zeker in de 20e eeuw zeer streng. De monniken stonden om 2 uur ’s nachts op, zeven minuten later waren zij allen aanwezig in de bijna geheel donkere en in de winter steenkoude kerk voor het eerste Ave Maria, gratia plena. In de loop van de dag volgden nog zes gebedsdiensten. Tussendoor waren er ‘vrije uren’, bedoeld voor studie. Daarnaast werd er flink gewerkt in de brouwerij of op het land, welke werkzaamheden werden beschouwd als ontspanning. Bij het ontbijt at men alleen een paar korsten droog brood. In de vasten was het menu nog kariger. De vastentijd bedroeg ongeveer de helft van het jaar. Een monnik leefde celibatair, een eigen kamer had hij niet en er gold een absoluut spreekverbod. Zo ging dat zeven dagen per week, jaar in, jaar uit.
Mijn oom was voor zijn intrede enkele jaren werkzaam als journalist in Rotterdam. Zo jong als hij was, had hij toch in korte tijd een enorme waardering opgebouwd bij zijn collega’s, ook van andere dagbladen. Hij had een uitgebreide vriendenkring en had onder meer contact met bekende schrijvers als Anton Coolen en Anton van Duinkerken. En, misschien nog belangrijker: hij had de grote liefde van zijn leven ontdekt, Do, een onderwijzeres. Ze keken samen in de duinen naar de ondergaande zon en zaten uren op een bankje in de Rotterdamse Diergaarde, waar hij moest zijn om een stukje te schrijven over de bijzondere victoria-bloem, die daar toen bloeide. Kortom, een mooie toekomst lag voor hem.
Op dat moment koos hij ervoor om in te treden in de strengste kloosterorde van Nederland.

heeroom 2

Na zijn wijding tot abt, 1945

Deze drastische keuze intrigeerde mij in hoge mate. Daar wilde ik meer over weten. Gelukkig kom ik in het archief enkele interviews tegen, waarin mijn Heeroom openhartig ingaat op zijn roeping. Voorop staat dat hij altijd een zeer gelovig man is geweest. Daarnaast was hij idealistisch. Hij zag veel armoede en onrecht in de wereld en meende dat hij als kloosterling méér aan een betere wereld kon bijdragen dan als journalist. Tenslotte was hij principieel en streng van aard.
Eén deel van zijn karakter vind ik in het roepingsverhaal onderbelicht: de emoties. Mijn Heeroom was een zeer gevoelige man. Beschermd opgegroeid kwam hij als journalist in de grote stad terecht waar hij geconfronteerd werd met de harde kanten van het leven: armoede, criminaliteit, losse zeden. In een interview  vertelt hij over de hoeren, die hem een keer bijna hadden meegelokt. En er was natuurlijk die grote liefde, die heftige gevoelens opriep. Sterke emoties kunnen beheerst worden door vaste regels te hanteren en de stilte op te zoeken. En waar kan dat beter dan in een kloostercongregatie?
Mijn oom heeft nooit spijt gehad van zijn keuze. Terugkijkend op de jaren vóór zijn intrede zegt hij: ‘wanneer ik terugdacht aan dat dynamische leven, kwam het me toch erg donker voor.’ En over Do, de grote liefde uit zijn jeugd, zegt hij op zijn tachtigste: ‘uit mijn geest is zij nooit verdwenen. Ik bid dagelijks voor haar’.

5

MIJN EERSTE KLANT

Herinnering

De oude man heeft zijn jas open geknoopt. Zijn pet ligt voor hem op het tweedehands salontafeltje. Hij zit op de rand van de fauteuil, alsof hij elk moment weer wil opstappen. Door het hoge raam valt  zonlicht op een fris uitziende plant.
De man vertelt, dat hij in de Molenkruier gelezen heeft over de opening van ons centrum. Dat iedereen binnen kan komen lopen voor een gesprekje.
Hij wil graag iets vertellen.

Ik behoor tot een groep studenten, die vanuit de Vakgroep Klinische Psychologie een centrum in Nieuwegein hebben opgezet, De Aanloop. We bieden laagdrempelige psychologische hulp in de wijk. Het is het midden van de jaren zeventig, alles moet anders. Dus we willen een verband leggen tussen de problemen van het individu en zijn omgeving: het sociale netwerk, de woonomstandigheden, de man-vrouwverhoudingen. Bewoners kunnen binnen lopen voor een praatje, een kopje koffie of om een tijdschrift in te zien.

‘Ik wil iets vertellen over lang geleden’, begint mijn eerste klant, ‘toen ik nog een jongeman was’.
Vanuit mijn fauteuil knik ik hem bemoedigend toe. Ik probeer een ontspannen houding te vinden. Ik heb het erg warm.
Op een dorpsfeest had hij een aardige vrouw ontmoet. Ze waren met zijn tweeën gaan wandelen, weg uit het feestgedruis, het dorp uit, over stille landwegen. Ze hadden uren gesproken met elkaar en waren gaan liggen in een grasberm. Toen de duisternis was ingevallen, hadden zij  – op dit punt aarzelt de man enkele ogenblikken  – de liefde bedreven.
Ik knik hem nogmaals toe, uiterlijk kalm, maar in mijn hoofd ben ik koortsachtig op zoek naar waar dit verhaal naar toe gaat en hoe ik moet reageren.
We hebben ons goed voorbereid op de hulpverlening. We hebben niet alleen stapels literatuur bediscussieerd over de relatie tussen psychische problemen en maatschappelijke omstandigheden. We hebben ook geoefend met het bespreken van angsten, relatieproblemen, en sombere gevoelens.
De man kijkt mij kalm, maar indringend aan.
‘Dat was de mooiste nacht, die ik ooit heb meegemaakt’, zegt hij op bijna fluisterende toon.

Twee medewerkers van de Aanloop

Hij voegt eraan toe, dat hij nooit getrouwd geweest is en dat het dus bij die ene nacht gebleven is. Maar dat hij nog altijd, ook nu, warm wordt bij de herinnering aan het samenzijn met die vrouw.
Wat moet ik hiermee, flitst er door mijn hoofd. Ik ben op zoek naar een probleem dat ik kan analyseren, maar dat heb ik nog niet ontdekt. Ik voel medelijden opkomen en moet de gedachte onderdrukken dat ik zelf al zoveel meer ervaring heb met mooie nachten.
Zoekend naar woorden geef ik een samenvatting van wat de man verteld heeft. Dat is een van de gesprekstechnieken, die we geleerd hebben. Die kan je inzetten om te toetsen of je het goed begrepen hebt. Samenvatten is ook een uitnodiging aan de cliënt om verder te vertellen.Dat doet deze man dan ook. Zonder een spoor van berouw, spijt of een ander negatief gevoel, vertelt hij nog eens over die aardige vrouw en het samenzijn op de landweg.

Wat brengt hem er toe om hier nu zijn verhaal te vertellen, vraag ik mij af?
Terwijl ik nog zit te broeden op een goede formulering van deze vraag, geeft de man zelf al het antwoord. Het is een gebeurtenis van jaren geleden en hij is nu op leeftijd. Hij heeft er heel zijn leven lang over willen vertellen, maar het nooit aangedurfd. Niet één keer. Tegen niemand. Daarom is hij blij dat hij het nu een keer heeft kunnen vertellen.
Hij bedankt mij voor mijn aandacht, pakt zijn pet, geeft mij een hand en loopt de deur uit.
‘En hoe ging het?’, vragen mijn collega’s als ik beduusd en met zweetplekken onder mijn oksels de spreekkamer uitkom.

7

DEPRI

Dagelijks

bladerenStel je hebt een hernia of je bent geopereerd aan een gebroken heup. Dan heb je op een verjaardag wat te vertellen. Dan ben je verzekerd van aandacht en medeleven.
Maar als je een depressie hebt gehad, dan hou je liever je mond.
Een depressie, of een andere psychische stoornis, wordt gezien als een vorm van persoonlijk falen. En praten over je eigen fouten doe je niet.
Of, om het nog pregnanter te formuleren: als je je heup gebroken hebt doordat je een fout gemaakt hebt bij het skiën, dan kan je dat rustig vertellen. Maar in het geval van een depressie hangt het falen zo samen met gevoelens, gedachten en gedrag dat je op een feestje niet op de openbare divan gaat liggen. Dat is kenmerkend voor psychische problemen.
Afgelopen maandag is in Amsterdam het Depressie-Gala gehouden. Deze feestelijke bijeenkomst was mede georganiseerd door de psychiaters Esther van Fenema en Bram Bakker. Zij vinden dat je net zo gemakkelijk over een depressie moet kunnen vertellen als over een hernia. Een optocht van bekende Nederlanders uit de wereld van het amusement kwam vertellen over de eigen depressie. Die BN’ers waren blijkbaar niet moeilijk te vinden.
Ik heb zelf een groot deel van mijn loopbaan in de preventieve geestelijke gezondheidszorg gewerkt. Ik weet waar het over gaat en ik ben blij met de aandacht voor depressie. Zo was het jaren geleden een enorme doorbraak toen prins Claus verklaarde onder depressies te lijden. Ik juich daarom het doel van dit Gala van harte toe. De bijeenkomst was een succes, het genereerde veel media-aandacht. Dat heb je nodig voor een mentaliteitsverandering.
En toch. Er is iets dat mij stoort aan dit Depressie Gala. Maar wat is dat?

Het gaat mij er niet om, dat het begrip depressie aan inflatie onderhevig is. Woorden als depressief en depri zijn onderdeel geworden van het dagelijks taalgebruik, wat tot vervaging van het begrip leidt. Maar daar kunnen de organisatoren niets aan doen.
Hen valt evenmin te verwijten dat er nog veel onduidelijkheden zijn rond het ontstaan van depressies. Er is geen onderwerp in de psychiatrie waar de laatste jaren zoveel mensen op zijn gepromoveerd, maar de resultaten van al die onderzoeken zijn niet eenduidig. Zo kwam een promovenda vorig jaar tot de conclusie dat een gelukkige jeugd vaker de voorbode is van een depressie op latere leeftijd.
Een depressie ontstaat nooit alléén door een stofje in de hersenen. Ook de omstandigheden spelen een rol (bijvoorbeeld het verlies van een dierbare) en een persoonlijke factor (je gedrag en je gedachten en gevoelens). Daarin onderscheidt een psychisch probleem zich juist van een fysieke aandoening zoals een hernia. Dat deze nuance in de publiciteit rond het Gala verdwijnt zij de organisatoren vergeven.

Waar het mij om gaat, is dat voor het doorbreken van een taboe en het anders denken over depressies een langetermijnstrategie nodig is.
Wij hadden in Nederland tot voor een paar jaar een prachtige structuur voor de preventieve aanpak van psychische problemen. Vanuit elke GGZ-instelling waren preventiewerkers actief in het geven van voorlichting en effectieve cursussen. Voor een schijntje. In andere landen was men jaloers hierop.
De afgelopen jaren hebben de ziektekostenverzekeraars onder aanvoering van minister Schippers deze structuur compleet om zeep geholpen. De medewerkers zijn ontslagen, een grote schat aan expertise is verloren gegaan. Dat zal met preventieprogramma’s in de somatische zorg niet gauw gebeuren. Ook op het ministerie is de houding tegenover een hernia anders dan tegenover een depressie.
In plaats van het dagelijkse preventieve werk is er nu een eenmalig Amerikaans liefdadigheidsgala van enkele narcistische mediapsychiaters. En terwijl wij jarenlang bij het ministerie van VWS hebben lopen sappelen voor anonieme e-health voor jongeren met sombere gevoelens en we hierin steeds stuitten op een kruideniersachtige bezuinigingsdrift, komt Edith Schippers in het zicht van de camera’s opeens verklaren dat zij de preventie zo’n warm hart toedraagt en tovert zij 10 miljoen euro uit een hoge hoed voor nog eens een volgend onderzoek.
Daar word ìk nu een beetje depressief van.

0

IS DAT WEL GOED VOOR U?

In het nieuws
Het tijdschrift Zorg+Welzijn luidde vorige week de noodklok: Steeds meer alcoholverslaving onder ouderen. Huisarts en Wetenschap bericht: ‘de frequentie van het alcoholgebruik onder 55-plussers is gemiddeld hoger dan onder jongeren, en zij drinken ook vaker dagelijks. In 2008 gebruikte 71% van de 65-plussers per dag meer dan 1 glas alcohol.’
Weg dus met al die zorgen om comazuipende jongeren en overlast van laveloos jongvolk in het uitgaanscircuit. Dat is klein bier vergeleken met al die glaasjes die ouderen vaak in stilte achteroverslaan.  Het zijn nu eens de ouderen die onze aandacht verdienen!
Het alcoholgebruik per oudere neemt ook nog eens fors toe. Ouderen hebben tijd en geld. Daarnaast zijn er ouderen die drinken om de eenzaamheid te verdrijven of om te ontsnappen aan gezondheidsklachten of andere problemen.
Wij 55-plussers drinken er dus lustig op los. Artsen vinden dit riskant. Een senior is namelijk door een verminderde werking van organen juist minder goed tegen alcohol bestand. Ook de combinatie van alcohol en medicatie kan verkeerd uitpakken. Gebruik je als oudere teveel alcohol dan kan dat leiden tot een veelheid aan lichamelijke klachten. Je komt eerder op je snufferd terecht (botbreuken) en – last but not least – je gaat eerder dood.
 
alcohol en ouderen
 
Gezondheidsvoorlichters raden ouderen daarom aan om niet meer dan 7 glazen per week te drinken en maximaal 2 of 3 glazen per keer. Volgens anderen is dit nog te veel. Kom daar maar eens mee aan bij de biljarttafel in de dorpskroeg of de kaarttafel op de ouderensoos.
Artikelen over alcoholgebruik onder ouderen eindigen steevast met aanbevelingen om de signalering van overmatig gebruik door ouderen te verbeteren en vroegtijdig in te grijpen. Na het ethisch appèl van de Blauwe Knoop is er nu het gezondheidsappèl.
Bij mij roepen deze artikelen twee vragen op.
1.    Is het erg dat ouderen meer alcohol gebruiken dan strikt genomen goed is?
Als iemand op latere leeftijd door de drank zijn huwelijk verwoest, zijn kinderen nooit meer ziet en eenzaam drinkend ten onder gaat, dan lijkt me dat reden om hulp aan te bieden. Maar wat te denken van een oudere, die 3 glazen per dag drinkt, geen enkele overlast geeft, maar door het drinken wel eerder ziek wordt en eerder dood gaat? Geeft dit aanleiding voor een stevig gesprek?
Misschien zouden we in dit geval wel het rijbewijs moeten afpakken.
2.    Is vroegtijdig ingrijpen haalbaar?
De zegeningen van de alcoholpreventie zijn beperkt. Over de resultaten van het voorkómen van verslaving onder ouderen heb ik helemaal niets kunnen vinden. In zijn algemeenheid is bekend, dat je via voorlichting kennis kunt overdragen. Daarom is het zinvol om ouderen te vertellen dat hun lichaam minder goed bestand is tegen alcohol.
Kennis alleen echter leidt niet tot gedragsverandering. Elke roker weet dat hij een grotere kans heeft op longkanker en een korter leven. Toch roken mensen door. Zo zijn er ook ouderen die in volle bewustzijn ervoor kiezen om meer te blijven drinken dan goed voor hen is.
Ten aanzien van de rol van de huisarts in de vroegtijdige signalering wil ik nog een vraagteken plaatsen. Uit een enquete van Medisch Contact bleek, dat 60% van de huisartsen niet naar het alcoholgebruik van de patient vraagt, ook als de klachten er wèl aanleiding toe geven. De reden hiervan laat zich raden. Bijna 90% van de huisartsen lust zelf graag een borrel.
Voor wie zijn alcoholgebruik wil testen volgt hieronder een veelgebruikte vragenlijst voor eerste screening. Beloon jezelf na het invullen met een lekker kopje kruidenthee. Met een slagroomgebakje.
1 Hoe vaak drinkt u alcoholische dranken?
(0.0) Nooit
(0.5) 1x per maand of minder
(1.0) 2 tot 4 x per maand
(1.5) 2 a 3 x per week
(2.0) 4 x of vaker per week
2 Hoeveel alcoholische dranken gebruikt u op een typische dag waarop u alcohol drinkt?
(0.0) 1 of  2
(0.5) 3 of 4
(1.0) 5 of 6
(1.5) 7 tot 9
(2.0) 10 of meer
3 Ergert u zich wel eens aan mensen die opmerkingen maakten over uw drinkgewoonten?
(0.0) Nee
(1.0) Ja
4 Voelt u zich wel eens schuldig over uw drinkgewoonten
(0.0) Nee
(1.0) Ja
5 Drinkt u wel eens ’s ochtends alcohol om de kater te verdrijven?
(0.0) Nee
(1.0) Ja

 

Score: tel de punten die voor het gekozen antwoord staan op. Een score van 2,5 of hoger duidt op mogelijk problematisch alcoholgebruik. Neem dan contact op met je huisarts. Je kunt op zijn minst ervaringen uitwisselen.
1

OP ZOEK NAAR VERLICHTING

Herinnering
Begin jaren zeventig krijgt psychiater Jan Foudraine grote bekendheid met zijn boek Wie is van hout?Hierin keert hij zich tegen het onpersoonlijke karakter van de medische psychiatrie en het reduceren van de patiënt tot zijn ziekte. Nog nooit verkocht een psychiater zoveel boeken.
Enkele jaren later vindt hij de medemenselijkheid en liefde terug bij de Indiase goeroe Bhagwan. Als Swami Deva Amrito keert hij in een rood-oranje gewaad terug naar Nederland. In zijn voetsporen bezoekt een grote schare Nederlanders de ashram in Poona op zoek naar geluk en zingeving. De leefgemeenschap ontwikkelt zich tot het grootste therapiecentrum ter wereld.
Het zijn de jaren van Sterft gij oude vormen en gedachten. Alles moet anders, vrijer, democratischer en menselijker. Aanvankelijk zijn het de radicale politieke bewegingen waarin jonge mensen zich verenigen. Maar als blijkt dat de maatschappijverandering toch niet zo gemakkelijk gaat, verspringt de aandacht bij velen naar de persoonlijke groei. Waar de traditionele religies hebben afgedaan, gaat men op zoek naar nieuwe vormen van zingeving.
Opeens kwam je ze overal tegen, de verlichte sannyasins in hun kleurige gewaden, de zwarte kralenketting met de foto van Bhagwan om de nek. Net als hun kleding zagen ze er opgewekt en energiek uit. Het leven en de liefde lachten hen toe. Ze richtten communes op om samen te werken aan het loslaten van hun ego.
Ook in de ggz-instelling, waar ik begin jaren tachtig werkzaam was, verschenen hulpverleners in oranje kleding onder een nieuwe naam. Niemand stelde hier vragen bij.
Op mijn afdeling werkte een jonge, afgestudeerde academicus, die, nog onzeker over hoe zijn leven in te richten, vooralsnog de kost verdiende met secretariaatswerk. Hij liet al snel blijken onder de indruk te zijn van Bhagwan. Het duurde nog even voordat hij zich openlijk tot sannyasin bekende. Weifelend als hij was, koos hij voor een combinatie van zijn oude naam met een door Bhagwan toegekende naam. De zwarte mala bleef de eerste tijd nog onder zijn Nederlandse overhemden verborgen.
In de uitgebreide koffie- en theepauzes, die destijds gewoon waren, spraken we nog wel eens over Bhagwan. Ik zei dat ik mij het zoeken naar menselijkheid en zingeving goed kon voorstellen, maar dat ik de verering van Bhagwan niet begreep. Aan het katholieke geloof, dat ik van mij had afgeschud, had ik een allergie voor persoonsverheerlijking overgehouden.
P. antwoordde op dit soort opmerkingen op een standaard wijze: “Bhagwan, zegt….” En dan volgde een uitleg over de visie van de meester. Mijn vraag liet volgens P. zien, dat ik me nog niet kon openstellen voor het positieve. Ik had sterk de indruk, dat hij daar ook moeite mee had.
Na enige tijd kwam ook de vrouw van P. op ons secretariaat werken. Zij was eveneens sannyasin, maar ze vertoonde zich nooit in het oranje. Ik vond haar verre van zweverig. We verzeilden nooit in discussies over verlichting en transcendentie.
Wij vielen bij elkaar in de smaak en dus maakten we een keer een afspraak voor een avondje uit.
We dronken wat in een café en voerden een diepgaand, persoonlijke gesprek. Aan het einde van de avond waren we elkaar zeer nabij, zowel geestelijk als fysiek. Ik voelde een omarming naderen. En misschien nog wel meer.
Het café werd voller, de muziek klonk luider. T. schoof haar stoel wat dichter naar mij toe, legde haar handen op mijn knieën en boog zich met haar mond naar mijn oor.
‘Ik voel..’, zei ze, fluisterend temidden van het lawaai. Ze hield even in, als om de spanning te verhogen. Dit moest een speciale boodschap zijn, die niemand anders mocht horen.
‘Ik voel.., dat Bhagwan tussen ons is’.
Als door een wesp gestoken schoot ik achteruit en keek haar geschrokken aan. Ik wist niet wat te zeggen.
Dodelijker had haar opmerking niet kunnen zijn. Alsof je onder het vrijen wordt gevraagd: ‘heb je de vuilniszak nog buiten gezet?’
 ‘Wa-wat bedoel je daarmee?’, was het enige wat ik na enkele seconden uit kon brengen.
‘Oh, niets anders dan dat ik nu de liefde voel, die Bhagwan in ons opwekt. Ik voel nu die kracht, de energie.. ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen’.
Mijn hoofd bonsde. Ik schoof mijn stoel verder achteruit.
T. vervolgde haar uitleg, maar haar woorden drongen nauwelijks meer tot mij door.
Het kwam die avond niet meer goed. We zijn nooit meer met elkaar uit geweest. 
Bhagwan was inderdaad tussen ons gekomen. Als splijtzwam.

 

1

OM GEK VAN TE WORDEN

In het nieuws
Wie vijfentwintig jaar geleden depressief was, meldde zich bij ‘het Riagg’. Je kwam dan op een wachtlijst te staan. Als je na een half jaar niet spontaan beter was geworden, kreeg je een intakegesprek. Daarna volgde de wachttijd voor de start van de behandeling. Was die mooie dag eindelijk daar, dan nam de behandelaar je mee naar een gesprekskamer en kon je je hart uitstorten. Wat er gebeurde in die gesprekskamer bleef verborgen. Zowel voor de instelling, de financier, de inspectie, voor wie dan ook. De gesprekken gingen door zolang de  hulpverlener dat nodig achtte. Dat was vaak lang. De hulpverlener hoefde geen verantwoording af te leggen. Welke behandelingen geboden werden en met welke resultaten werd niet bijgehouden. Alleen als de hulpverlener advies nodig had, kon hij een behandeling inbrengen in een wekelijkse overleg. Twintig medebehandelaren deden er dan hun professionele plas over en vervolgens was het aan de hulpverlener wat hij met de adviezen deed.
De instelling ontving elk jaar hetzelfde budget. Na afloop werd keurig gerapporteerd welke kosten waren gemaakt voor personeel,  huisvesting, kopieerpapier en koffie.
Eind jaren negentig begon deze situatie te knellen. De instellingen wilden uitbreiden en de wachtlijsten wegwerken. De overheid en de verzekeraars eisten meer inzicht in wat er met het geld gebeurde.
De handen werden ineengeslagen. Het budgetplafond verdween. Iedereen met een verwijsbrief van de huisarts mocht geholpen worden. Instellingen konden groeien en de wachtlijsten wegwerken. Als wederdienst werkten de instellingen mee aan de ontwikkeling van een transparante wijze van financieren en verantwoording afleggen. Dat werd het beroemde systeem van de Diagnose Behandel Combinatie. Voor elke stoornis moest worden vastgelegd welke behandeling passend was, hoe lang die behandeling mocht duren en tegen welke kosten. De DBC-ontwikkeling duurde een aantal jaar, want het GGZ-veld vond dat de complexe behandelwereld niet in minder dan 1000 DBC’s te vatten was.
Ondertussen explodeerden de kosten. Er was sprake van een verdubbeling in tien jaar tijd. Dat gold ook voor de zorgen van opeenvolgende staatssecretarissen van VWS. Minister Schippers gaf tenslotte het heft geheel in handen van de zorgverzekeraars.
Die wisten daar wel raad mee. Niet gespeend van enige kennis over de GGZ werd via de financiering het ‘productieproces’ gestroomlijnd en gestandaardiseerd. De cliënt vult bij de aanmelding een vragenlijst in (bij voorkeur één lijst voor alle stoornissen). De behandelaar bepaalt meteen daarna de diagnose en de ernst. Daaruit volgt het standaardbehandelplan, bijv.  4 of 8 of 12 gesprekken. Aan het einde wordt de vragenlijst weer afgenomen. Dan wordt duidelijk in welke mate de behandeling geholpen heeft.  Behandelaren hoeven niet meer met elkaar te overleggen. Contact met de huisarts of de ouders is niet meer nodig. Zo kan een behandelaar tenminste 8 gesprekken op één dag voeren.
Het Kwik-fitmodel. Tjak, tjak, tjak, volgende patiënt, zo luidt de kop boven een artikel over de GGZ in de Volkskrant van 13 februari. Psycholoog Masja Schakenbosch vertelt dat er binnen haar instelling alleen nog maar gesproken wordt over het halen van de productie. Elke minuut moet verantwoord worden. De diagnose moet na één gesprek gesteld worden, anders krijgt de instelling niet uitbetaald. Het management laat elke vergadering weer weten, dat de productie omhoog moet. ‘Halen we het niet, dan gaan we failliet’.
Het artikel geeft de werkelijkheid uitstekend weer. Ook binnen de instelling waar ik werk regeert de boekhouder. Vergaderingen gaan al enkele jaren alleen maar over ‘slimme oplossingen’ om de  registratie te verbeteren en de facturering te faciliteren.  
Masja Schakenbosch heeft ontslag genomen. Door ingezonden briefschrijvers in de Volkskrant wordt zij als een held beschouwd. Zij is voor zichzelf begonnen. Dit is  een schijnoplossing, want als kleine zelfstandige heeft zij met precies hetzelfde regiem van de zorgverekeraar te maken. Sterker nog, zij kan alleen een kruisje zetten bij een eenzijdig opgelegd contract. Het alternatief is dat cliënten deels of geheel hun eigen behandeling betalen.
Hoe nu verder? Terug naar vijfentwintig jaar geleden lijkt me niet de goede weg.
Er moet meer balans komen in de verhoudingen. De macht van verzekeraars moet worden teruggedrongen. Behandelaren moeten binnen de financiele kaders meer autonomie krijgen. Minder controle (dat scheelt kosten) en meer vertrouwen in elkaar (zoals VVD’ers en ondernemers met elkaar omgaan).
Word je in de tussentijd depressief, klop dan gerust aan bij de GGZ. Tweederde voelt zich na de behandeling opgeknapt. Beter nog is om te voorkómen dat je depressief wordt. Dat kan namelijk uitstekend.

 

1

OP JE HOEDE VOOR JE WOEDE

Dagelijks
Het kost mij moeite om het te bekennen, maar ik kan er niet omheen: omgaan met boosheid is niet mijn sterkste kant. Als mij iets niet lukt, of als anderen mij in de weg zitten, dan ligt de irritatie al snel op de loer. Vervolgens weet ik niet goed wat ik met dat gevoel moet doen.
Zo kan ik al kregelig worden als ik een theedoek wil ophangen en ik het lusje pas bij de vierde hoek van de doek vind. Handleidingen van mobiele telefoons of downloadprogramma’s op Internet vormen ook een gemakkelijke bron van irritaties. De werking wordt slechts ten dele uitgelegd. Of er worden zaken bekend verondersteld die men mij nooit verteld heeft.
Verder weten mijn gezinsleden, dat ze zich beter niet in mijn buurt kunnen vertonen als vader in de kelder een fiets gaat repareren. Ik heb de firma Batavus al ettelijke malen vervloekt om de ondeugdelijke voorlampen, slecht bevestigde jasbeschermers of niet te openen kettingkasten.
Vaak gaat het om klussen, waar ik eigenlijk geen zin in heb. Als het dan niet meteen wil lukken en ik bovendien nog vind dat ik het klusje in een handomdraai moet kunnen klaren, dan ontstaat er een almaar toenemende onrust, die zicn een weg naar buiten zoekt en die na enige tijd ontsnapt via een flinke zucht, een kreet of een vloek.
Laatst heb ik mij nog ernstig moeten inhouden toen er een colporteur van kunstkaarten voor het goede doel tijdens het avondeten voor de deur stond. Ik kreeg de neiging om hem van het trapje te lazeren, omdat de arme man al de vijfde was die week die zo nodig onder het avondeten aandacht kwam vragen voor een schrijnende misstand.
Ooit heb ik daadwerkelijk een keer een tik uitgedeeld. Ik moest tijdens een sneeuwbui op de fiets onverhoeds in mijn remmen knijpen. Er kwam mij een grote groep scholieren tegemoet, die geen enkele ruimte liet voor een tegenligger. Dat was mij al vaak overkomen. Een ex-collega van mij is eens voor hetzelfde vergrijp door de politie opgebracht.
In mijn jonge jaren werd ik driftig genoemd. Als er ergens iets begon te koken, stuurde mijn moeder mij snel naar kruidenier Broekhuysen voor een pond suiker. Zo heb ik heel wat onnodige boodschapjes gehaald. De emotie moest beheerst en binnengehouden worden. Dat is een gevaarlijke strategie. Want als je irritaties opspaart dan barst de bom later alsnog en heftiger dan je wilt. Of de agressie keert zich tegen jezelf. Daar kan je depressief van worden.
Van alle emoties is de boosheid wel het lastigste te hanteren. Ik ben tenminste nog maar weinig mensen tegengekomen, die gebukt gaan onder gevoelens van hoop of verbazing.
De vraag is wat je het beste kunt doen, als je voelt dat je boos wordt. Tot tien tellen biedt alleen op de korte termijn soelaas.
In voorbije eeuwen werden spanningen niet uitgepraat, maar uitgevochten. Als kind heb ik nog lang in deze traditie gestaan door op het schoolplein menig robbertje te vechten. Als volwassenen moeten we andere manieren vinden om onze boosheid in goede banen te leiden.
Gelukkig zijn er genoeg humane instellingen, waar je kunt leren hoe je beter je agressie kunt reguleren. Op je hoede voor je woede, heet bijvoorbeeld zo’n cursus. Je leert op een beschaafde manier om negatieve gedachten die de boosheid uitlokken te vervangen door positieve gedachten. Hé Batavus, je nodigt mij uit om nieuwe dingen te leren!
Je kunt natuurlijk ook even lekker stampen of hardlopen. Accepteren, dat je deze gevoelens hebt. Boosheid omzetten in humor. Of een pondje suiker bestellen op Internet. 
Ach, we hebben nog veel te leren.  Voor sommige mannen zou een cursus Op je hoede voor je roede ook niet verkeerd zijn.
0

ANGST IN DE HAND

In het nieuws
Ik heb er lang naar uitgekeken. Deze week is het zover: de Week van de Veiligheid.
400 Jaar geleden lagen de  gevaren overal op de loer. Je kon beroofd worden op een landweg, slachtoffer worden van de pest, verdrinken bij een dijkdoorbraak of omkomen in een oorlog.
In de loop der tijd hebben we steeds meer gevaren weten te bezweren. De dijken zijn verhoogd, besmettelijke ziekten zijn getemd. Er zijn wel nieuwe gevaren bijgekomen, zoals het snelverkeer. Maar door veiligheidsmaatregelen is het aantal dodelijke verkeersslachtoffers de laatste dertig jaar drastisch afgenomen. De maatschappij is gericht op het indammen van gevaar en het signaleren van risico’s. In auto’s, ijskasten en andere apparaten gaan lichtjes flikkeren of piepjes klinken als er iets mis dreigt te gaan. Er zijn tal van veiligheidseisen, zoals voor speelgoed, horeca en evenementen.
In het Westen en in Nederland leven we relatief veilig. Hoe veiliger de omgeving, hoe minder angst. Zou je denken. De werkelijkheid is dat het aantal angstige mensen enorm toeneemt.
Mensen zijn bang om de straat op te gaan, om afgewezen te worden, om fouten te maken. Bang voor enge ziekten, computerinbrekers, vliegtuigen, beestjes in het voedsel, gluten, pindakaas aan hun gehemelte. Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er bang voor zijn.
Ik ben geen uitzondering. Ik heb zelfs hele rare angsten. Als dertienjarige kocht ik in 1965 bij Staffhorst in Utrecht het singletje Eve of Destruction van Barry McGuire. Toen ik daarna de brug over de Catharijnesingel overliep hield ik mijn net verworven aankoop zo krampachtig in de hand, dat ik pijn in mijn vingers kreeg. Ik was bang dat ik het plaatje in het water zou gooien! Zo zal ik ook nooit in een luchtballon stappen. Je zult maar de neiging krijgen om jezelf er uit te gooien.
Laatst zag ik in een documentaire een doorsnee Amerikaans stel dat hun kinderen nooit alleen laat spelen. Ook al spelen ze in de omheinde tuin, één van de ouders is erbij. De kinderen kunnen immers gekidnapt worden. Deze ouders willen graag bij elke deur van de school twee bewapende agenten. Dat brengt veiligheid.
Zo zijn we bezig onze angsten te beheersen.
En nu is er dan de Islamitische Staat, het kalifaat met de wrede ideologie. Als IS deze praktijken voor zichzelf zou houden, zoals de Mexicaanse drugsmaffia, dan zouden de zorgen wat minder zijn. Maar de dreiging is op het goddeloze Westen gericht.
Je moet de jihadisten nageven, dat het hen gelukt is om met een paar eenvoudige filmpjes de hele westerse wereld angst aan te jagen. Misschien nog wel meer dan de plaatsing van de kruisraketten of de Russische onderzeeërs op weg naar Cuba. Volgens sommigen zijn we weer bij de Eve of Destruction beland.
In de media worden de gevaren van IS breed uitgemeten. Ik wil dat gevaar niet onderschatten. De wereld wordt er onveiliger door. Nederland wordt er waarschijnlijk onveiliger door. Maar zou alle aandacht voor dit fenomeen de angst niet enorm aanwakkeren?  Zouden we het niet een beetje in verhouding moeten zien? De kans dat je omkomt bij een verkeersongeluk lijkt nog altijd een stuk groter dan de kans dat je slachtoffer wordt van een terroristische aanslag.
Volgens sommigen is de toename van de angst in deze maatschappij juist het gevolg van het gegeven, dat wij  in een veilige omgeving zijn opgegroeid. We hebben daarom onvoldoende geleerd om met angst en lijden om te gaan.  Daarom is het beter om niet alleen te focussen op het verminderen van gevaren, maar ook op het accepteren dat angst iets is dat bij het leven hoort.
Er zijn ook therapeuten die menen, dat we angst niet als een probleem moeten zien, dat bestreden moet worden, maar als een ‘mogelijkheid tot vrijheid’. 
Ik ben erg voor nieuwe gezichtspunten, maar dit lijkt me er toch een voor gevorderden. Ik denk dat ik in een luchtballon de vrijheid juist zal vrezen.