Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Familiegeschiedenis

1

EEN LEVEN VAN ZORGEN

Herinnering

Mijn tante Jo

In ons familiearchief vond ik een oude ansichtkaart.
‘Allemaal een Zalig Nieuwjaar. Als Mevrouw niet uitgaat, kom ik zondag thuis’. Zo schrijft mijn tante Jo op donderdag 29 december 1927 aan haar ouders, broers en zus. Zij is 25 jaar en als hulp in dienst bij een vermogend echtpaar dat in Baarn de statige Villa Veltheim bewoont. Jo zorgt graag voor de kinderen, maar ze mist de vertrouwde huiselijkheid van thuis.
Met Pasen 1928 is zij weer terug in Vleuten, waar zij haar moeder gaat helpen met het huishouden. Ze wordt actief bij de toneelvereniging Euphemia, bij het korfbalclubje van de R.K. Meisjesbond en als leidster bij de Katholieke (Vrouwen) Jeugd Vereniging. Ze kan hierin haar creativiteit kwijt. Maar voor een leidster van de K.J.V. zijn er beperkingen in de omgang met mannen. Als haar moeder halverwege de jaren dertig een jaar lang het bed moet houden en vervolgens blind wordt, is het lot van Jo bepaald: ze zal een groot deel van haar leven als ongetrouwde dochter haar ouders blijven verzorgen.

‘Die mij wilden hebben, wou ik niet en die ik wou hebben, wilden mij niet’, heeft ze later eens gezegd. Erg gemakkelijk in de omgang was ze niet. Het leven in een klooster leek haar op enig moment aantrekkelijker dan de zorg voor haar ouders en twee jongste broers.
Zij was als een moeder voor de jongste, mijn vader Kees. Toen Kees een conflict had met een leraar (waarschijnlijk omdat hij iets beter wist dan zijn leraar), ging Jo naar de mulo voor een gesprek. En toen Kees later zijn pogingen opgaf om trappist te worden, reisde Jo naar Tilburg om hem af te halen. Het was daarom met pijn in haar hart dat Jo mijn vader eind jaren dertig moest afstaan aan Anna, de vrouw die later mijn moeder zou worden.
Daarvoor in de plaats kwamen de neefjes en nichtjes. Elk jaar stapte er wel weer een nieuw kind over de drempel van de achterdeur en altijd kwam het blikje met zwarte ballen uit de keukenkast.
Na het overlijden van haar ouders bleef Jo in het ouderlijk huis wonen met haar eveneens ongetrouwd gebleven broer Do. Het huis stond vol negentiende eeuwse meubelen; ‘ouwe reut’, zoals zij het zelf onverschillig noemde. Ze werd nogal eens geplaagd door hoofdpijnen, maar alleen op zondagen.

Jo met haar vader op weg naar de kerk, eind vijftiger jaren

In de tijd dat wij thuis nog geen televisie hadden kwam ik er als tiener meermalen per week. Samen met mijn oom en tante volgde ik Engelse series als Coronation Street en Dad’s Army. Halverwege haalde tante Jo voor mij een klein bakje pinda’s uit de keuken. Mijn tante was altijd even aardig voor mij, maar echt warm werd de relatie nooit. Zij kon vaak haar cynisme over van alles en nog wat niet verbergen en kon schamper en wantrouwend over anderen spreken. Haar eigen werk was van weinig waarde en onze studieprestaties hemelde zij op.
Tante Jo was een wandelende familie-encyclopedie. Eerst schreef zij een bloknoot vol met herinneringen aan mijn vader, daarna nog een met familie-anekdoten. Als onofficiële familie-archivaris heb ik daar nog altijd veel plezier van.
In de zeventiger jaren zocht ik haar op, toen ze met een hersenschudding in het ziekenhuis lag. Blij verlost te zijn van alle dagelijkse zorgplichten bekende ze: ‘Ik lig hier zo goed, je zou er haast expres voor op je hasses vallen’.

0

EEN S-BOCHT

Herinnering

De smalle Themaat

Het is een zonnige zondagmiddag, G en ik fietsen over de Thematerweg in Vleuten. Het is een smal polderweggetje iets ten noorden van het dorp. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot. Verspreid liggen links en rechts oude boerderijen. Je waant je in het verleden.
Het eerste deel is niet veel breder dan een fietspad. Er staan knotwilgen in de berm. Het tweede deel is breder ten behoeve van het verkeer naar Haarzuilens. De Thematerweg is een kaarsrechte weg, op één bocht na. In het brede deel is er een S-bocht. Het is een kromming met historie, de Noodlotsbocht van de familie van Dijk.
De weg loopt al eeuwenlang door de polders Themaat en Wielreveld. Reeds in 1226 wordt de verbinding in de boeken genoemd. Hij loopt van de voormalige ridderhofstad den Engh, even ten westen van Utrecht, naar het kasteel de Haar. De S-bocht is ooit ontstaan omdat men bij de ontginning van de polder uitging van weidepercelen met een standaardlengte van 1300 meter.

Zo rond 1920 hebben mijn tante Jo (18 jaar) en haar broer Johan (16 jaar) de eerste prijs gewonnen in de versierde optocht op Koninginnedag, eind augustus. Mijn vindingrijke opa had van twee fietsen en een rol gaas een kleine auto gemaakt, een vervoermiddel dat  destijds sterk in opkomst was. De feestauto was versierd met klimop en bloemen. In hun overwinningsroes maakten broer en zus met het jongste broertje Kees (6 jaar), mijn vader, nog een rondje over Themaat. Zij merkten niet dat er onderweg enkele moeren waren losgegaan. In de bocht van de weg raakten zij de macht over het stuur kwijt en belandden met bloemen en al in de sloot. Jo’s eerste zorg was de kleine Kees, maar die was al eerder dan zij weer op de kant gekropen. Johan was blij, dat hij geen been gebroken had. Dat was hem als kind al tweemaal overkomen.
Ook mijn opa was meer dan opgelucht. Hij had in zijn jeugd een broertje verloren, die tijdens het spelen ongemerkt in een sloot was beland.
Behalve de natte pakken en het uit elkaar gevallen feestvoertuig leek er niets aan de hand. Totdat enkele dagen later Keesje problemen had met zijn ogen. Hij kon in de krant de letters niet van elkaar onderscheiden. Hij mocht van de dokter enkele weken niet naar school.

Jaren later, in 1959, had mijn neef Dirk (20 jaar) de beschikking over een motor. Dat was een machtig mooi gevaarte met een vermogen en een snelheid, waarbij vergeleken een bromfiets een slak was. Het was augustus, het weer was goed. Hij nodigde mijn broer Jos (12 jaar) uit voor een rondje over Themaat. Met wapperende haren reden zij over de Parkweg. Na het bruggetje aan het einde van de Joostenlaan kon Dirk op de Thematerweg weer gas geven. Bij het afremmen voor de S-bocht slipte de motor onderuit. De beide neven belandden met motor en al in de sloot. Jos werd met een gebroken bovenbeen naar het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht vervoerd, waar hij drie maanden lang met zijn been omhoog moest liggen.

‘Een bocht met historie’, zeg ik tegen G. Als ik door de flauwe bocht fiets, kan ik er nauwelijks een S-bocht in zien. Het is eigenlijk maar een lullig bochtje.

0

FRATER LUDGERUS

Herinnering

Hoe kan het gebeuren, dat ik, op 65-jarige leeftijd, een groot gevoel van medeleven ervaar met mijn vader, vanwege een gebeurtenis die hem overkwam op zijn 21e , in 1935?

Mijn vader met zijn broers rond 1928. Hij staat in zijn korte broek links van mijn Heeroom.

Van een neef ontving ik onlangs een dikke map met welgeteld 191 brieven, die frater Willibrordus, mijn Heeroom, tussen 1927 en 1963 naar zijn ouderlijk huis geschreven heeft. Mijn oom was trappist, ik schreef hier eerder over hem.
Omdat ik het familie-archief beheer, ben ik zeer geïnteresseerd in alle informatie over mijn familieleden, hun gewoonten, omgangsvormen enz. Daarom ben ik blij verrast met deze onvermoede vondst. Nieuwsgierig begin ik de epistels uit het klooster te lezen.
Ik kom niet alleen iets te weten over het strenge leven in het klooster, maar ook over de verkering van mijn ooms, de ziekte van mijn oma en de vorderingen van mijn vader op de mulo.
Al snel na zijn intrede in 1927 haalt mijn Heeroom zijn oudste zus over om ook het klooster in te gaan. Vervolgens wordt mijn vader, de jongste in het gezin, geadviseerd om goed te bidden en om alvast maar Grieks en Latijn te leren als voorbereiding op het kloosterleven.
Mijn vader heeft daar wel oren naar en in september 1934, hij is dan 20 jaar, meldt hij zich bij het poortgebouw van het trappistenklooster in Tilburg met de vaste bedoeling om daar als frater Ludgerus zijn verdere leven aan O.L. Heer te wijden.
Het zal vanwege mijn wettige aanwezigheid op deze aarde duidelijk zijn, dat mijn vader geen monnik is gebleven. Dat hij maar anderhalf jaar in het klooster heeft doorgebracht is ons bekend. Maar over de vraag hoe hij het kloosterleven ervaren heeft en waarom hij gestopt is, weten we weinig. Brieven die hij naar zijn ouders heeft geschreven zijn er niet meer. Ik ben daarom zeer benieuwd of ik in de nu opgedoken brieven van zijn broer een antwoord op deze vragen kan vinden.

De eerste berichten over de intrede zijn hoopvol. Frater Ludgerus doet overal flink aan mee, hij is opgeruimd en zal, schrijft frater Willibrordus met een knipoog, worden aangesteld als baas van ‘de afdeeling vegerij en schrobberij op het noviciaat’. Onderaan de brief staan in keurig handschrift enkele regels die mijn vader geschreven heeft, zie de foto rechts. Enkele weken later schrijft Ludgerus: ‘Alles best hier. Waar zou het beter zijn dan den geheelen dag met Jezus te leven’. Als kerkdienaar schiet hij een aantal bokken, maar in de Griekse les blinkt frater Ludgerus uit.
Een jaar later is de toon anders. Heeroom schrijft dat er een gouden jubileum van een broeder gevierd zal worden. ‘Dan kan ik met fr. Ludgerus een sigaretje smoken en een beetje praten.
In de volgende brief wordt het probleem benoemd.
U moet maar niet schrikken van den brief van fr. Ludgerus. ’t Is waar dat hij soms een beetje zwaar op de hand is. Weet u nog, dat hij toen hij nog heel klein was dat versje al zoo mooi vond: ‘Ja het leven is een zware strijd’.
Ach, hier breekt mijn hart. Hier staat zwart op wit dat de sombere buien van mijn vader niet alleen maar een last in de laatste twaalf jaar van zijn leven zijn geweest.
Ik lees dat de novicenmeester mijn vader flink aanpakt, ‘vooral nu hij in de eenzaamheid gelegenheid heeft om altijd te piekeren’. Maar zonder resultaat. Het gepieker houdt aan, zodat aan mijn Heeroom een zware zucht ontsnapt: ‘en dan gaat hij over Moeder tobben en met al dat getob loopen wij met z’n allen gevaar O.L. Heer en den hemel te vergeten’.
Tenslotte, in februari 1936, schrijft mijn vader (hiernaast op de foto links): ‘heel veel hartelijke groeten en dringende aanvragen om te willen bidden voor die arme stakker van een fr. Ludgerus’.
Kon ik nog naar hem toegaan, dan zou ik dat direct doen. Alsof het mijn zoon is.

Voorjaar 1936 keert hij terug naar huis. Ik lees dan, dat het met mijn vader, die inmiddels de naam Kees terug heeft, weer goed gaat. God zij dank, denk ik. (Het lezen van zoveel stichtelijke brieven heeft zelfs invloed op die woorden die in mij opkomen). Eigenlijk vind ik dat we O.L. Heer op onze blote knieën mogen danken, dat mijn vader het niet volgehouden heeft. Het strenge regime in het klooster was abnormaal, niet mijn vaders reactie hierop. Zijn neiging tot somberheid heeft hem in dit geval geholpen.

1

DE KEUZE VAN JE LEVEN

Herinnering
Heeroom 1

Mijn oom als journalist in Rotterdam, 1926

Hoe komen belangrijke keuzen in het leven tot stand? Voor een loopbaan, een partner, een verhuizing? De omstandigheden, rationele afwegingen, intuïtie en gevoelens, van alles komt er bij kijken. De laatste jaren denk ik steeds vaker dat je persoonlijkheid of karakter doorslaggevend is.

Ik ben bezig om de kast met familie-documenten, die mijn vader heeft nagelaten, te ordenen. Daarin kom ik veel stukken tegen over mijn Heeroom (1903 – 1989). Deze broer van mijn vader werd in 1927 monnik bij de cisterciënzers, beter bekend onder de naam trappisten.
De cisterciënzer monniken leven teruggetrokken achter de muren en wijden een groot deel van de dag aan zingen en bidden. De leefregels in het klooster waren zeker in de 20e eeuw zeer streng. De monniken stonden om 2 uur ’s nachts op, zeven minuten later waren zij allen aanwezig in de bijna geheel donkere en in de winter steenkoude kerk voor het eerste Ave Maria, gratia plena. In de loop van de dag volgden nog zes gebedsdiensten. Tussendoor waren er ‘vrije uren’, bedoeld voor studie. Daarnaast werd er flink gewerkt in de brouwerij of op het land, welke werkzaamheden werden beschouwd als ontspanning. Bij het ontbijt at men alleen een paar korsten droog brood. In de vasten was het menu nog kariger. De vastentijd bedroeg ongeveer de helft van het jaar. Een monnik leefde celibatair, een eigen kamer had hij niet en er gold een absoluut spreekverbod. Zo ging dat zeven dagen per week, jaar in, jaar uit.
Mijn oom was voor zijn intrede enkele jaren werkzaam als journalist in Rotterdam. Zo jong als hij was, had hij toch in korte tijd een enorme waardering opgebouwd bij zijn collega’s, ook van andere dagbladen. Hij had een uitgebreide vriendenkring en had onder meer contact met bekende schrijvers als Anton Coolen en Anton van Duinkerken. En, misschien nog belangrijker: hij had de grote liefde van zijn leven ontdekt, Do, een onderwijzeres. Ze keken samen in de duinen naar de ondergaande zon en zaten uren op een bankje in de Rotterdamse Diergaarde, waar hij moest zijn om een stukje te schrijven over de bijzondere victoria-bloem, die daar toen bloeide. Kortom, een mooie toekomst lag voor hem.
Op dat moment koos hij ervoor om in te treden in de strengste kloosterorde van Nederland.

heeroom 2

Na zijn wijding tot abt, 1945

Deze drastische keuze intrigeerde mij in hoge mate. Daar wilde ik meer over weten. Gelukkig kom ik in het archief enkele interviews tegen, waarin mijn Heeroom openhartig ingaat op zijn roeping. Voorop staat dat hij altijd een zeer gelovig man is geweest. Daarnaast was hij idealistisch. Hij zag veel armoede en onrecht in de wereld en meende dat hij als kloosterling méér aan een betere wereld kon bijdragen dan als journalist. Tenslotte was hij principieel en streng van aard.
Eén deel van zijn karakter vind ik in het roepingsverhaal onderbelicht: de emoties. Mijn Heeroom was een zeer gevoelige man. Beschermd opgegroeid kwam hij als journalist in de grote stad terecht waar hij geconfronteerd werd met de harde kanten van het leven: armoede, criminaliteit, losse zeden. In een interview  vertelt hij over de hoeren, die hem een keer bijna hadden meegelokt. En er was natuurlijk die grote liefde, die heftige gevoelens opriep. Sterke emoties kunnen beheerst worden door vaste regels te hanteren en de stilte op te zoeken. En waar kan dat beter dan in een kloostercongregatie?
Mijn oom heeft nooit spijt gehad van zijn keuze. Terugkijkend op de jaren vóór zijn intrede zegt hij: ‘wanneer ik terugdacht aan dat dynamische leven, kwam het me toch erg donker voor.’ En over Do, de grote liefde uit zijn jeugd, zegt hij op zijn tachtigste: ‘uit mijn geest is zij nooit verdwenen. Ik bid dagelijks voor haar’.

3

OME KEES

Herinnering

Op zondagmiddag nam mijn vader mij nog wel eens mee naar Ome Kees in Jutphaas. Ome Kees, destijds al in de 80, was een broer van mijn opa. Hij had de smederij van zijn vader aan de Nedereindseweg voortgezet, was ongetrouwd gebleven en woonde nog in het ouderlijk huis, tezamen met een huishoudster, die Tante Trui werd genoemd. Wij als kinderen vonden dat een lachwekkende naam. We kenden toch ook geen ome Broek. Maar grappen maken over de naam was niet toegestaan, ook al was Tante Trui een goedlachse vrouw. Ze lachte om het minste of geringste, een hikkende lach, die lang kon voortduren.

Ome Kees zelf stond bekend om zijn grappen. Hij was daarnaast een uitstekend zanger en een gedreven schaatser. Op zijn 73e schaatste hij over het haksel van een gesnoeide boom, brak zijn heup en lag drie maanden in het Stads- en Academisch Ziekenhuis in Utrecht.
Ondanks zijn grapjes leidde Ome Kees een streng en gelovig leven.
Nergens in de familie duurde het avondgebed langer dan in Jutphaas. Men was  geabonneerd op zo’n beetje elk denkbaar missie- en congregatieblad dat in Nederland werd uitgegeven. En het hele huis stond vol met heiligenbeelden, forse Duitse modellen van gekleurd steen en ouderwetse witte exemplaren, sommige onder een glazen stolp. Maria en Jozef waren beide tweemaal vertegenwoordigd en er was een zwaar beeld van Jezus met een lammetje. Voor de heiligen konden kaarsen worden opgestoken. Op een slaapkamer hing een foto van een slaafje dat door de familie was vrijgekocht.

Als ik met mijn vader binnenkwam, overviel mij de stilte in het huis, ondanks de gulle lach van Tante Trui. Misschien ook was ik geïmponeerd door de tijd, die hier stil was blijven staan, de negentiende-eeuwse meubels, de heiligenbeelden.
Vooral één herinnering is mij bijgebleven. Die van het eitje.
Achter het huis in de tuin, naast de poepdoos met het hartje in de deur, hield Ome Kees nog wat kippen. Als het eerste kopje thee was gedronken en de nieuwtjes waren uitgewisseld, zei ome Kees tegen mij: “Zullen we eens kijken of de kippen nog een eitje hebben gelegd?”
Diep bukkend en door zijn knieën buigend ging ome Kees dan het kippenhok binnen, terwijl ik rechtop nieuwsgierig achter hem aan liep. Kippen vlogen fladderend aan de kant.
‘En ja hoor, kijk daar eens’, zei Ome Kees, terwijl hij me een eitje aanwees.
Triomfantelijk bracht ik het eitje als een schat naar de keuken, waar Tante Trui het voor mij bakte. De kippen stelden mij nooit teleur, er lag altijd een eitje in het hok. Toen ik ouder was hoorde ik, dat Ome Kees iedere keer na onze aankomst snel en ongezien een eitje uit de keuken in het hok legde.

Nadat Tante Trui in 1962 was overleden, werd aan Ome Kees voorgesteld om te verhuizen naar een verzorgingshuis. Dat vond hij echt niet nodig.  Hij deed nog dagelijks gymnastische oefeningen.
In 1964 bracht hij de laatste maanden van zijn leven in Vleuten door bij mijn Tante Jo en Ome Do, die net als hij ongetrouwd in hun ouderlijk huis waren blijven wonen. Ik kwam daar vaak om televisie te kijken. In die periode wilde ik niets missen van de Olympische Spelen in Tokio. Ome Kees noemde me daarom prins Akihito.
Op zijn sterfbed kreeg hij het sacrament der zieken toebedeeld. De kapelaan die hem niet kende informeerde naar zijn leven: ‘Bent u getrouwd geweest?’, waarop Ome Kees antwoordde: ‘Tot op heden nog niet’.
Na zijn overlijden was het de taak van de familie om het huis in Jutphaas op te ruimen. Het was een ware beeldenstorm. Alle heiligenbeelden verdwenen in stukken onder het smidsbed in het afvalgat. Voor dergelijke vooroorlogse beelden betaal je nu meer dan 100 euro.

0

OP DE FOTO

Herinnering

trouwfoto 43Dit zijn mijn vader en moeder, Kees van Dijk en Anna Ekelschot.
Het is 23 november 1943, de 30e verjaardag van mijn moeder. Mijn vader is een half jaar jonger.
Het is een waterig koude dinsdag, de temperatuur komt niet veel hoger dan 4 graden. Voor de foto is het paar de tuin van het ouderlijk huis van mijn moeder ingelopen. Ze zijn neergezet voor een boom die het wit van de bruidsjurk goed doet uitkomen. Iemand heeft scheef over het gras een oude mat neergelegd. De trouwkledij ziet er onberispelijk uit. De schoenen zijn glimmend gepoetst. De grote dag is aangebroken.
Beiden kijken serieus, onbewogen en onbestemd naar de fotograaf. Als dat zijn bedoeling is geweest, dan is hij er goed in geslaagd.
Ze trouwen – voor die jaren – op late leeftijd, maar ze hebben tenminste een partner gevonden. In een tijd zonder sociale verzekeringen was dat niet onbelangrijk. En nog belangrijker: ze kunnen nu een gezin stichten. Zij kunnen de oproep van de bisschoppen volgen om het katholieke geloof te verbreiden.

Verbeeld ik het me nu of is het werkelijk zo, dat mijn moeder er iets steviger bij staat? De armen van mijn vader lijken niet echt ontspannen. In zijn rechterhand houdt hij die malle hoed. Die ligt nu op mijn kamer. London Manufactory staat er in, Wilson Oxford Street 647, Superior Quality. Het stijve hoofddeksel is voor mijn hoofd veel te klein. Ik vraag me af of  ie mijn vader gepast heeft. Achter de hoed zie je nog net, dat hij in zijn linkerhand een paar handschoentjes draagt. Misschien moest hij de handschoentjes en de hoed alleen maar in zijn handen houden.
Het paar was op 4 oktober in Vleuten voor de burgerlijke stand getrouwd. Voor de wet trouwen hoorde er wel bij, zo leerde ik nog in mijn jeugd, maar het ware huwelijk was de kerkelijke inzegening.

In de Tweede Wereldoorlog ging het aantal huwelijken omlaag. Trouwplannen werden uitgesteld in afwachting van betere tijden. Maar mijn vader en moeder waren niet de jongste meer. Het wachten was alleen nog op een woning. Die kwam beschikbaar, toen er een alleenstaande, oude man overleed. De pastoor adviseerde nog wel om de wind eens goed door het huis te laten waaien. Hij kon het weten, blijkbaar.
Mijn ouders liepen vele winkels in en rond Utrecht af voor de inrichting van het huis. Het was een tijd van schaarste. Vooral aan zeil en vitrage konden zij moeilijk komen. Op zo’n tocht was mijn vader ook nog eens zijn tas met vergunningen en bonkaarten kwijtgeraakt.
Gelukkig had hij goede ruilmiddelen: koffie, thee en tabak. Dat waren schaarse artikelen. Maar niet voor mijn  vader, hij werkte bij Douwe Egberts.
Daarom ook kan er op de bruiloft een goed maal geserveerd worden:
Vooroorlogsch Menu (zonder bon!)
Vermicellisoep
Runderlappen met jus (géén surrogaat)
Aardappelen met bloemkool en spinazie
Compôte
Caramelpudding – Vanillepudding
Fruit.
Er wordt flink gezongen. Er is een liederenbundel van 10 volgetikte pagina’s over de jeugd van de bruid en de bruidegom. Er wordt gezongen over die keer, dat Kees, die zangoefeningen leidde op de jeugdvereniging, boos was weggelopen, omdat Anna voortdurend aan het kletsen was.

Welke toekomst zien zij daar voor zich op die oude mat in de tuin?
Waarschijnlijk denken ze daar op dat moment niet aan. Ze zijn bezig de aanwijzingen van de fotograaf te volgen. Ze moeten stil blijven staan in de kou. Laten zien dat het een gewichtig moment is.
Dan drukt de fotograaf af.

1

HET LAATSTE OORLOGSJAAR IN VLEUTEN

Herinnering
In de nacht van 4 op 5 september 1944 trekken honderden Duitse auto’s en tanks door Vleuten. Palen en brugleuningen worden beschadigd. Voor het huis van mijn ouders wordt het hekje in elkaar gereden. Enkele dagen later vervoegt mijn vader zich bij de Schreibstube van het Duitse leger voor vergoeding van de schade. Hij wordt doorgestuurd naar de Offizier, die verwijst hem  naar de burgemeester, deze weer naar de Schade Enquête Commissie in Zeist en laatstgenoemde weer naar het Departement van Financiën, afdeling Bezettingsschade in Amersfoort.
Het is een van de eerste voorvallen, die mijn vader beschrijft in het dagboek, dat hij van 4 september 1944 tot en met 10 juni 1945 heeft bijgehouden. De aantekeningen beginnen  in de tijd, dat iedereen probeerde om, ondanks de oorlog, zo normaal mogelijk te leven. Hekje kapot? Dan vraag je schadevergoeding.
Vanaf dat najaar is echter niets normaal meer. De narigheden rijgen zich aaneen.
Er komt in toenemende mate een gebrek aan eten. Kleren en schoenen kunnen niet meer gerepareerd worden. Fietsen worden gevorderd. De elektriciteit valt voortdurend uit. Er komt nog maar een paar uur per dag water uit de kraan. Met de invallende winter worden de bomen in het park van kasteel de Haar tot kachelhout verwerkt. Utrechters trekken door het dorp op zoek naar eten.  Er wordt een NSB’er vermoord (‘hoeveel jaar zou het geleden zijn, dat er op Vleuten een moord is gepleegd?’, schrijft hij). Het dorp is bang voor een razzia. Er worden enkele personen ‘opgehaald’. ‘Naar men zegt (…) zijn ze doodgeschoten’.
Mijn vader is 30 jaar, net één jaar getrouwd en hij moet allerlei dingen doen die hij nog nooit eerder gedaan heeft. Een kar met twee mud cokes tegen de hoge brug  op duwen. Bomen klein zagen. Een ruif timmeren voor de geit.
De oorlog met al zijn bedreigingen komt dichtbij. Het meest angstaanjagend zijn de bombardementen, die Engelse vliegtuigen uitvoeren op de spoorlijn Utrecht-Woerden. De eerste  keer maakt mijn vader dit mee als hij op zijn werk is, het kantoor van Douwe Egberts in Utrecht. Doelwit van de bombardementen is de brug over het A’dam-Rijnkanaal. Er vallen ook  bommen op het terrein van Douwe Egberts. ‘Wat veroorzaakt zo’n bombardement een angst! Die geweldige ontploffingen met daarbij de onzekerheid elk ogenblik getroffen te kunnen worden; een soort doodsangst.’
Later moet hij, op weg van zijn werk naar huis in een greppel duiken omdat er een trein wordt aangevallen. ‘De projectielen en kogels vlogen laag over ons heen’.
Hij verzucht: ‘hoeveel bommen zijn er al niet gevallen en wat hebben de Engelsen ermee bereikt?’
Beangstigend zijn ook de aankondigingen dat mannen tussen de 16 en 40 jaar zich moeten melden voor werkzaamheden zoals het dichten van de gaten van de bombardementen aan de spoorlijn. Deze oproepen gaan gepaard met dreigementen om huizen in brand te steken of een groot aantal mannen op te pakken. De onzekerheid is groot. Meld je je aan of niet? Veel mannen durven zich niet op straat te vertonen. Mijn vader gaat er nog wel uit. De directie van Douwe Egberts heeft een verklaring geregeld, dat hij als Haupt-Administrator  nodig is voor het bedrijf.
 
 
Mijn vader heeft  bovendien een schuilplaats, een nis boven het hoofdeinde van hun bed, waar een schilderij voor hangt. Hij heeft  een koffer klaar staan, mocht het nodig zijn om te vluchten.
In december 1944 raakt mijn moeder in verwachting. Mijn vader gaat lopend naast de fiets naar zijn zwager in Hilversum om hout te halen voor een wieg. In Mijdrecht weet hij thee en tabak te ruilen tegen luiers en flanelstof (‘voor een luier gaf men toen wel 15 gulden’).
Ook al is het erg weinig, mijn ouders hebben in de hongerwinter nog wat brood en aardappelen. En zij hebben melk van de geit, die mijn vader met vooruitziende blik in juni 1944 had geruild tegen enkele pakken koffie. Behalve de boeren beschikte niemand meer over melk.
Op de ochtend van de 5e mei is mijn moeder al vroeg wakker. Zij vindt dat niet erg, zo schrijft zij in een vervolg op het dagboek. ‘Er waren zoveel aangename dingen om aan te denken. Vooreerst het was vrede, en dan het blije vooruitzicht dat ik moeder zou worden. Hoe dikwijls verlangde ik naar dit nieuwe leven in ons gezin.’
Op maandag 20 augustus beginnen de weeën, mijn moeder voelt het kind bewegen. Als  ’s avonds de dokter komt, voelt hij geen leven meer. Het jongetje geeft  geen geluid bij de geboorte. Alleen na het dopen nog een klein snikje. Daarna is het afgelopen. Met een leeuwenbekje uit de tuin in zijn hand wordt hij in een kistje gelegd.
Was het kind blijven leven, dan was ik de derde zoon  geweest. Dan  had ik Kees geheten.