Op een zomeravond, als de achterdeur wijd open staat om wat koele avondlucht binnen te laten, horen wij opeens het geluid van krassende poten op het parket.
Dan zien wij een duif op zijn gemak de voorkamer binnenstappen. Hij draait met zijn kop om ons met een kraaloogje te monsteren. Hij kijkt of hij de lang verwachte gast is, die eindelijk is aangekomen.
Ik hou van vogels, maar niet van duiven. Er zijn er teveel in de stad, ze schijten de boel onder, ze bedelen brutaal als je wat zit te eten en ze maken je aan het schrikken als ze klapwiekend uit het gebladerte opvliegen.
Omdat wij weinig kennis hebben van de motieven en gedragingen van de duivensoort, willen we het beest zo snel mogelijk het huis uit hebben. Hij zou in paniek een vaas bloemen om kunnen gooien of de canapé onder kunnen schijten. Zie dan de schade nog maar eens op iemand te verhalen. We openen daarom de deuren naar de veranda en op zijn gemak – het beest lijkt veel rustiger dan wij – wandelt ie weer naar buiten.
De volgende morgen zit ie op het hek van de veranda met dezelfde blik: ‘Ik ben toch jullie vriend?’
Pas dan zie ik de gekleurde ringen om zijn poten. Het is een postduif die waarschijnlijk de weg is kwijtgeraakt; een jong beest, die te lang achter de vrouwtjes is aangevlogen of een oude duif die gekweld wordt door geheugenstoornissen.
Ik zie dat er cijfers staan op een ring. Voorzichtig kom ik naderbij om het getal te fotograferen. Ik google op ‘postduif gevonden’ en lees op de site van de postduivenvereniging, dat de beste methode is om het beestje in huis te halen en lekker te verwennen, totdat zijn baasje hem komt halen. Het baasje is echter alleen te detecteren als je naast het registratienummer ook over een jaartal beschikt. Dat zie ik nergens.
Een contactpersoon van de vereniging geeft via de mail advies.
‘Geef hem elke dag een handje rijstkorrels en wat water. Dan kan de duif aansterken en op eigen houtje weer naar huis vliegen’.
Na vier dagen is de duif, die wij inmiddels Stef hebben gedoopt, zodanig kind aan huis geworden, dat ik vrees, dat ie voor altijd ons pleegkind zal blijven. Zodra ik me in de tuin vertoon, komt Stef gezellig buurten. Omdat zijn ring is gedraaid is, lukt het me nu om het jaartal te lezen. Door het vindsysteem van de website kom ik op een telefoonnummer in de regio Eindhoven.
Mijnheer Zaadman (!) blijkt een meneer van 80 jaar te zijn die onlangs zijn auto de deur uit heeft gedaan.
‘Ik zou niet weten, meneer, hoe ik ‘em zou moeten halen’.
Als hij mijn aarzelingen hoort, vervolgt hij boos:
‘Wat is dat nou voor moeite om zo’n beest nog een paar dagen wat oud brood te geven!’
Ik stem toe en het lijkt wel of ik buiten blij vleugelgeklepper hoor.
Nog een week lang eet Stef met ons mee. Dan haal ik de voerbakjes binnen.
Na twee dagen zonder eten komt hij nog steeds op bezoek. Als ik die avond in de tuin zit, drentelt hij langdurig om mijn stoel heen en springt op tafel naast mij. Hij gaat nog net niet op schoot zitten.
Daarna hebben we hem niet meer gezien. Stef heeft op zijn eigen manier afscheid genomen.