Studeren in de jaren zeventig (17)

Wat onwennig schuiven enkele mannen het zaaltje van het wijkcentrum binnen, waar wij, vier studentikoze types die de maatschappij willen veranderen, in gespannen afwachting zijn. De buideltjes zware Van Nelle komen op tafel. Een dikke man belandt in een hoestaanval.
‘Dat komt van al die tocht op de bouw’, sneert Eelke, onze aanvoerder.
Al maandenlang proberen we de actiebereidheid onder bouwvakkers te bevorderen. Eindelijk is het ons gelukt om enkelen van hen voor een vergadering te interesseren.

In 1976 staat mijn leven volledig in de actiestand. Op de universiteit doe ik actieonderzoek ten behoeve van de arbeidersbeweging. Als vertegenwoordiger van mijn onderzoeksproject draai ik overuren in discussies over vernieuwingen in het onderwijs en de democratisering van de universiteit. Daarnaast loop ik opruiende krantjes te colporteren op bouwprojecten. Ik ben nauwelijks thuis. Tijd voor vrienden heb ik niet meer.
‘Het gaat om de opbouw van een tegencultuur’, zeiden mijn collega-actievoerders. ‘Daarin hebben we elkaar nodig’. In de uitloop van een actievergadering stond de tafel vol met lege beugelflessen Grolsch, de asbakken puilden uit. Een actievoerster die een dag afwezig was geweest vanwege de  bruiloft van een nichtje werd op het matje geroepen. Dat vond ik overdreven, maar ik hield mijn mond. In mijn hoofd zat het verhaal van een elektricien. Hij zat al maanden in de ziektewet toen wij die week bij hem op bezoek waren.
‘Elke ochtend als ik wakker word verrek ik van de pijn’, zei de man. Hij keek mij doordringend aan: ‘Dat kan jij je niet voorstellen, hoe dat is’.
Ik stond met mijn mond vol tanden. Alle boeken die ik gelezen had over vervreemding in het kapitalisme, het bewustzijn van de arbeider en de wegen naar verandering lieten mij op dat moment in de steek. De man had gelijk. Ik zou elk moment met het krantje kunnen stoppen, voor hem was er geen keus. Ik was bevoorrecht en voelde me schuldig. Moest ik wel doorgaan met dit soort acties, vroeg ik me af.

‘Het waren vakbondslui! Renegaten! Klootzakken!’, briest Eelke als wij na afloop van de vergadering naar een naburig café fietsen.
Op onze actievergadering waren enkele bouwvakkers verschenen, die we nog niet eerder ontmoet hadden. Zij hadden ervoor gepleit om de acties voor verbetering van werkomstandigheden via de vakbond te voeren. Door de wol geverfd als zij waren hadden zij gemakkelijk de andere bouwvakkers weten te overtuigen. Het initiatief was ons uit handen geslagen.
‘De volgende keer moeten we een vergadering geheim houden’, zegt Tom als hij met vier glazen bier tegelijk aan komt lopen. Hij weet er altijd de moed in te houden. Maar ditmaal slaat zijn optimisme niet meer op mij over. Ik voel me klote. Ik ben compleet vastgelopen tussen mijn opvattingen en mijn gevoelens. Als Tammy Wynette’s jankende Stand by your man door het café klinkt, krijg ik een brok in mijn keel. Ik wil weg, neem een haastige laatste slok en zet het glas met de schuimranden nog aan de binnenkant op tafel. Als ik buiten mijn fiets van het slot haal springen de tranen in mijn ogen. Nog voor ik bij mijn kamer ben weet ik het zeker. Ik stop met dit gedoe. Ik word er diep ongelukkig van.