Studeren in de jaren ’70 (22)

 

Cartoon op de uitnodiging voor mijn afstudeerfeest

In de zomer van 1978 is na zeven jaar studeren en meer dan voldoende studiepunten de tijd gekomen. Ik verstuur mijn eerst sollicitatiebrief. Ik ding mee naar een baan als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. De universiteit, dat is bekend terrein voor me. Na bij diverse universiteiten een zeperd te hebben opgelopen verleg ik mijn aandacht naar praktijkinstellingen: Jongeren Advies Centra en het preventiewerk in de geestelijke gezondheidszorg.
Het Gewestelijk Arbeidsbureau schrijft mij in onder nummer 0617:

PSYCHOLOOG, hoofdrichting klinische psychologie; nevenrichting arbeidspsychologie. Bezit 1e graads onderwijsbevoegdheid. Scriptie: “Preventie van psychosociale problematiek in de eerstelijns gezondheidszorg.
26 jaar, wonende te Utrecht. Geen militaire verplichtingen. Heeft nog geen werkkring gehad.
Gewenste functie (max. 1 uur reizen van Utrecht): het – in teamverband – verrichten van gedeeltelijk hulpverlenende-, gedeeltelijk begeleidende-, gedeeltelijk organisatorische / beleidsmatige werkzaamheden.

Het aantal banen is beperkt, het aantal kandidaten groot. De economische neergang van de jaren tachtig is al ingezet. Maar net zo belangrijk als de economie is mijn eigen instelling. De opleiding heeft me veel geleerd, de studentenjaren hebben mij een stuk volwassener gemaakt, maar de al veel langer knagende zorg over mijn beroepsidentiteit, over wat ik de arbeidsmarkt te bieden heb met al mijn alternatieve studieonderdelen is levendiger dan ooit.
Er rest mij nog één individueel tentamen, van de cursus gedragstherapie bij prof. dr. W. Everaerd. De toets zou evengoed als een vriendschappelijk bakkie koffie met Walter beschreven kunnen worden. Everaerd benut het gesprek om te laten weten wat hij vindt van de pretenties van de projectgroep Nieuwegein om alles anders te doen. ‘Jullie opleiding is waardeloos, iets voor een buurtwerker of maatschappelijk werker. Jullie belijden met woorden dat je structureel bezig bent, je praktijk is echter heel traditioneel’. Het gesprek biedt voldoende stof voor mijn favoriete bezigheid in deze dagen: praten. Praten over relaties, over banen, over mijzelf, over het leven. Ik schrijf een artikel over mijn studietijd voor De Gebalde Frustratie, een blad van opponerende psychologiestudenten.

In de plechtige senaatszaal van het Academiegebouw vindt de rituele afsluiting van mijn studie plaats, tezamen met die van Marcelle en Gerard, twee medestudenten van de projectgroep Nieuwegein. Geheel in de stijl van de egalitaire projectgroep worden wij niet toegesproken door een wetenschappelijk medewerker maar door enkele studenten van de projectgroep. Mijn nooit aflatend engagement wordt genoemd, evenals mijn ijzeren werklust en mijn eigenzinnigheid. De toespraak eindigt met de woorden: ‘ik heb wel vertrouwen in jou als psycholoog’. Het laatste woord wordt met opgeheven handen van aanhalingstekens voorzien. Beter had de spreker mijn gevoel niet kunnen uitdrukken.

‘Werk krijgen’, zo schreef ik aan het einde van het artikel over mijn studietijd, ‘gaat zo langzamerhand een minder belangrijke plaats voor mij innemen. Dat wil zeggen dat ik er niet meer alles voor over heb om werk te krijgen en dat vrienden, expressie, praatgroepen e.d. ook belangrijk zijn’.
Enkele maanden later zou ik worden aangenomen als preventiewerker bij Buro Voorlichting en Vorming (Preventie) van het Interkerkelijk Bureau voor Levens- en Gezinsvragen.