Leonard Cohen

Vroeger gingen popsterren op jonge leeftijd dood, vaak als ze 27 jaar waren, meestal als gevolg van een overdosis drank, drugs of pillen. Of ze verdronken onder niet-opgehelderde omstandigheden in een zwembad. Hun overlijden paste goed in de popcultuur, waarin ze groot waren geworden: die was anders, rebels, tegendraads.
De laatste jaren maken we het overlijden mee van popmuzikanten die hun 70e of 80e hebben gehaald: David Bowie, Lou Reed en, vorige week, Leonard Cohen. Het heengaan van de popsterren was groot nieuws in alle gevestigde media. De dood van Bowie was het openingsnieuws op de voorpagina van de Volkskrant en Trouw. De Volkskrant wijdde er nog eens een apart  katern aan. Ook de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Bob Dylan kan worden gezien als een teken dat de popmuziek geen randverschijnsel van jongeren meer is, maar een geïntegreerd onderdeel van de hedendaagse Westerse cultuur.
Bowie, Reed en Cohen werden ooit gerekend tot de Underground, muziek die zich afzette tegen de gevestigde orde. In de loop der tijd zijn ze bovengronds gekomen en geaccepteerd, zo blijkt juist op het moment dat zij zelf weer onder de grond zijn gegaan.

Mensen die overlijden worden gewoonlijk opgehemeld. Alsof zij zonder deze loftuitingen niet op eigen kracht de hemel zouden kunnen bereiken. Maar los van dit fenomeen, kan je je afvragen of zoveel aandacht aan het overlijden van gewezen popsterren terecht is. Ingezonden briefschrijvers in Trouw vonden het maar overdreven. Dat roept de vraag op, hoe we de popmuziek uit de vorige eeuw moeten beoordelen. Is die werkelijk zo goed, zoals wij dat veertig jaar geleden ervaren hebben, toen we achter de lp’s aanjoegen om deze op bandjes op te nemen?

De laatste tijd ben ik regelmatig als ongediplomeerd en onbezoldigd huisschilder aan het werk. Dat is alleen een aangenaam tijdverdrijf als ik er ook muziek bij kan horen. Je kunt ook zeggen, dat ik graag muziek luister en er een bezigheid bij zoek, die daarmee goed te combineren is. Tijdens het schuren wil ik ook wel eens iets anders horen dan 17e eeuwse Italiaanse barok.
Het toeval wil dat ik onlangs in mijn kamer op de onderste plank in de kast een plastic tas zag staan. Deze bleek geheel gevuld met cassettebandjes uit de 70-er jaren, mijn jaren van volwassen worden.
Op welke nummers danste ik mijn studentenkamer door? Waarvan lag ik toentertijd te zwijmelen op mijn zelfgetimmerde bankje? En ga ik er nu nog steeds van dansen en zwijmelen, zo vroeg ik me af. Ik nam de bandjes mee naar mijn verfwerkplek. Nu sta ik daar te plamuren met de muziek  van bijvoorbeeld Supertramp, Joe Jackson en Pink Floyd. Zo kan ik nagaan wat er na al die jaren van de muziek overeind blijft.

Mensen vinden muziek geweldig, als deze gekoppeld is aan een sterke emotie zoals verliefdheid of verdriet. En muziek wordt gewaardeerd als het past bij hoe je in het leven staat.
Op de cassettebandjes hoor ik veel adolescenten op zoek naar liefde en identiteit. Ik vind het leuk om terug te horen omdat de muziek mij terugbrengt in de tijd. Maar verder zie ik weinig redenen om bij het overlijden van Bonnie Raitt of Elvis Costello eens flink uit te pakken.
Maar er zijn uitzonderingen. Voor sommige artiesten kunnen de journalisten alvast necrologieën opstellen. Zoals bijvoorbeeld voor Brian Wilson (the Beach Boys), Bruce Springsteen en Randy Newman. Van de laatste hoorde ik deze week de lp Good Old Boys, liedjes over de bekrompen, conservatieve, blanke Amerikaan, die over zijn gewaardeerde Mr. President zingt:
May be you’re cheatin’
May be you’re lyin’
May be you have lost your mind
May be you’re only thinking ‘bout yourself.
Dit schreef Newman in 1974.