Sint stond verbaasd en overdonderd
Zijn uitroepen liepen in het honderd
Het was gewoon om dubbel te rollen
Het deed het bloed in je aderen stollen:
Mamma vroeg alwéér hyacintenbollen.

Vertwijfeld en geïrriteerd begon ik als tiener ooit op deze wijze een sinterklaasrijm voor mijn moeder. In surprises maken waren we bij ons thuis niet zo sterk. Maar er werd geen cadeau ingepakt zonder rijm, al was de inspiratie soms beperkt (Ha een Tjoklat! Dat is nog eens wat).

Volgens het Nationaal Sint Nicolaas Comité werden in de 19e eeuw alleen cadeaus aan kinderen gegeven, zonder rijm, ze konden veelal toch niet lezen. Pas in de 20e eeuw werd het gebruikelijk dat ook volwassenen presentjes ontvingen. Toen kwam de gewoonte in zwang om er een gedicht bij te schrijven, zoals dat al veel langer gebeurde bij huwelijken en andere feesten. De toon van dit soort gedichten was moraliserend.
Het normatieve gedicht is ook in mijn jeugd sterk aanwezig. Vooral mijn moeder is een meester hierin:
Want werken zal je sterken
Met dat niksen verdien je geen riksen
Niet vervelen of krakelen
Werk ijverig door, zo moet het hoor
Denk bij al je wensen aan de arme mensen
En wees paraat voor een goede daad
Voorwaar een aardige samenvatting van de normen en waarden, waarmee ik ben opgevoed.
Sint spoort mij bovendien aan om meer groente te eten, niet zo ondeugend te zijn op school, geen zus van de trap te duwen, niet zoveel tv te kijken en het leven serieus te nemen (je hele hoofd zit vol met sport, tot je er neurotisch van wordt). Er is ook een vurige wens van een Sint om het stotteren te genezen door mij een suikerhart te laten eten.
Veel gedichten komen voort uit ergernissen. Mijn zussen die de haarspeldjes bij elkaar wegpikten. Mijn broer die geen pudding op zijn soepbord bliefde.
Er zijn talrijke gedichten van Sinten die iets gekocht hebben waar zij niet zeker over zijn en die zich daarom indekken tegen mogelijke kritiek, met de bekende combinatie van ruilen en huilen. Of de inspiratieloze Sinten:
Beste Jos, je bent echt niet de klos
Sint neemt je niet in de boot, met dit pak zo groot.
Wij delen  nuttige cadeaus uit, zoals handschoenen, dusters, haarborstels, jampothouders en sokken. Bij voorkeur wordt in het gedicht regel voor regel een tipje van de sluier opgelicht en dient de ontvanger te raden wat er in het pak zit.

Hoe ouder wij kinderen worden, hoe meer creativiteit en humor er in de rijmen verschijnt. Zo wordt mijn moeder gekapitteld over het onderscheid tussen kennen en kunnen en liggen en leggen; lees ik dat mijn zus in haar rijles niet altijd de lantaarnpalen weet te vermijden en is er een gedicht over pannenkoeken en onderbroeken, dat zijn twee verschillende zaken.
In onze gymnasiumtijd worden klassieke schrijvers zoals Ovidius en Cicero erbij geroepen.
Mijn weerzin tegen het dragen van een helm op de brommer ontlokt een Sint de volgende homerische regels:
Zo vrees ik dat als het hèm belieft
Zeus jouw goede hoofd in tweeën klieft
Zo zien we dan, het hoeft ons niet te vermeien
Een half hoofd op een brommer rijden
Terwijl als het vuurrood bloed reeds is gestold
De andere helft de berm in rolt.