Ik heb mijzelf deze week opgesloten in een archief. Terwijl ik door het smalle raam zie hoe de magnolia haar knoppen stralend naar het hemels blauw opent, zit ik achter dikke muren in de kilte. Het ruikt er lekker, een beetje muf, naar papier en karton, naar het verleden, naar vergane glorie. De complete rust in het archief is een verwijzing naar de gewijde stilte van deze plek. Om de twee uur klinkt er klokgebeier.
De weg naar de koffie voert door de uitgestorven kloostergangen. O beata solitudo, o schone eenzaamheid, staat er in gekrulde letters boven de deuren naar het slot. Mijn nieuwe schoenen knersen zachtjes op de diagonaal gelegde tegels en op de uitgesleten houten treden van de trap. Hier liggen de voetstappen van mijn heeroom, van mijn vader en van talrijke monniken, die zich sinds 1881 voor gebed en gezang teruggetrokken hebben achter de muren van abdij Koningshoeven in Tilburg.
Mijn oom heeft een boeiend leven geleid als monnik en abt. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Moet ik dat dan maar niet eens doen, vroeg ik me begin dit jaar af.
Alleen al het stellen van deze vraag, riep direct twijfels op. Heb ik wel voldoende stof om een boek te vullen? Ben ik als niet-meer-gelovige wel de juiste persoon om een kloosterleven te beschrijven?
Ik maakte als proef een opzetje voor de indeling en noteerde de onderwerpen waar ik meer over zou moeten lezen. Die laatste lijst groeide snel. Ik las een boek over de geschiedenis van het katholicisme in de 20e eeuw. Het zat de hele dag in mijn hoofd. Heeroom liet mij niet meer los.
Wikkend en wegend stelde ik mijzelf nog één voorwaarde: ik zou toegang moeten krijgen tot het archief van Koningshoeven. Stiekem rekende ik er al op, dat de abdij geen toestemming zou geven. Dan kon ik met een gerust hart deze megaklus laten liggen.
Op mijn voorzichtig informeren mailde de huidige abt terug:
‘Van onze kant verlenen we graag alle medewerking. Het archief staat voor je open’.
Maandagmorgen wacht Dom Bernardus me op. Hij draagt over zijn monnikspij een sportief fleece jack van La Trappe, het bier van Koningshoeven.
Het archief over mijn oom is een meter breed: dozen vol met correspondentie, toespraken, jubileumliederen. Stukjes bij beetjes wordt zichtbaar wat er onder de oppervlakte van het vredige, stille klooster gebeurd is.
In het gastenverblijf ontmoet ik bij het avondmaal een jonge benedictines. Ook zij draagt een fleece jack. Flee into the paradise staat er achter op haar rug. Als zij hoort dat ik niet meer gelovig ben, drukt zij mij hoopvol op het hart: ‘het kan nog komen’. Het lijkt mij het beste haar hoop niet te ontmoedigen. De avondzon projecteert een perfecte kopie van het glas-in-lood rozetraam op de muur van de eetkamer.
Na twee dagen geduldig zoeken heb ik twee archiefdozen doorgewerkt. Er zijn er nog zes te gaan.
Mijn vader, die archivaris was van beroep, kan met voldoening vanuit de hemel meekijken. Zijn zoon, die een andere kant op ging, volgt op latere leeftijd alsnog zijn spoor.