1. Ik was bijna negen jaar oud, toen ik voor het eerst in een café in Vleuten kwam.
    Het was niet zo dat er weinig cafés in Vleuten waren. Wie vijftig jaar geleden buiten de deur wat wilde drinken kon in ons kleine dorp kiezen uit wel vijf cafés. Aan de buitenmuur gaf een emaillen bordje aan wat men mocht schenken: Verlof A, Verlof B of Volledige Vergunning.
    Wij kwamen nooit in een café, oh nee. Cafés waren plaatsen, waar mensen zich bedronken, geld verspilden en vals speelden. Zelfs om een ijsje te kopen hoefde ik het café niet in. Bij Van Berkel, café Het Oude Raadhuis, drukte ik op een bel naast een raam, rechts van de ingang. Al lang voor McDonalds zijn McDrive uitvond, wachtte ik, buiten op de fiets gezeten, mijn bestelling af.
    Toen kwam het moment, dat mijn ome Ries en tante Annie hun zilveren bruiloft vierden. Na de plechtige mis in de St. Willibrorduskerk trok de lange stoet gasten naar Van Berkel. Daar begon, met koffie en taart, het grote consumeren. Terwijl de ooms de hele middag bier dronken en sigaren rookten en de tantes hun advocaatjes en besjes verorberden, speelde de grote schare neefjes en nichtjes verstoppertje.
    De grote attractie voor ons was, dat we onbeperkt ijs mochten eten. Dat was voor mij nauwelijks te bevatten. De vrieskist stond op het toneelpodium achter een gordijn. Ik at die middag welgeteld twee ijsjes. Voor overdaad van welke soort dan ook was ik niet in de wieg gelegd. Ik keek dan ook met verbazing naar alle bier- en jeneverglazen op de tafels.
    Aan het einde van de middag schoof een groot gezelschap aan voor het diner. De wit gedekte tafels waren in U-vorm opgesteld. Serveersters liepen heen en weer met schalen huzarensalade. Naast ons bord lag een bundel met feestliederen.
    Schuin tegenover mij zat een oudtante die voortdurend onrustig om zich heen keek. Hoe langer het diner duurde, hoe schichtiger ze werd. Ik dacht dat het wellicht met de alcohol te maken had. Maar mijn moeder zei me later, dat die tante niet helemaal was zoals een ander. Van dat soort zaken wist ik toen nog niet veel. Ik was voortdurend bang, dat de vrouw plotsklaps zou opstaan en in één keer het witte tafelpapier met glazen en borden met zich mee zou sleuren.

We zongen vele liederen, er werd doorlopend bijgeschonken en er werden leuke stukjes opgevoerd.
Een oom zong het lied van Wilde Johnny. Dat deed ie altijd op familiefeesten. Zoals gewoonlijk raakte hij halverwege zijn tekst kwijt. Op dat moment kwam er een lachje om zijn mond en draaiden zijn ogen naar het plafond, alsof hij hulp van boven verwachtte. De spanning werd opgelost doordat een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Twee vaders van vriendjes werden met het borrelglas in de hand opeens ondeugende grappenmakers. Vrouwen kregen een rood hoofd en de slappe lach. Ik keek af en toe naar mijn vader en moeder. Die lachten mee, dus het mocht. Laat in de avond trok de polonaise tussen de tafels door. Ik liep nog wat onwennig mee.
Tegen half vier in de ochtend liepen we naar huis. Het was in juni, er was nog geen zomertijd, dus het werd al licht. We liepen midden op straat. Dat deden we anders nooit. Om vier uur lag ik op bed. Dat was een flinke verbetering van mijn record laat-naar-bed-gaan.