Mijn tante Jo

In ons familiearchief vond ik een oude ansichtkaart.
‘Allemaal een Zalig Nieuwjaar. Als Mevrouw niet uitgaat, kom ik zondag thuis’. Zo schrijft mijn tante Jo op donderdag 29 december 1927 aan haar ouders, broers en zus. Zij is 25 jaar en als hulp in dienst bij een vermogend echtpaar dat in Baarn de statige Villa Veltheim bewoont. Jo zorgt graag voor de kinderen, maar ze mist de vertrouwde huiselijkheid van thuis.
Met Pasen 1928 is zij weer terug in Vleuten, waar zij haar moeder gaat helpen met het huishouden. Ze wordt actief bij de toneelvereniging Euphemia, bij het korfbalclubje van de R.K. Meisjesbond en als leidster bij de Katholieke (Vrouwen) Jeugd Vereniging. Ze kan hierin haar creativiteit kwijt. Maar voor een leidster van de K.J.V. zijn er beperkingen in de omgang met mannen. Als haar moeder halverwege de jaren dertig een jaar lang het bed moet houden en vervolgens blind wordt, is het lot van Jo bepaald: ze zal een groot deel van haar leven als ongetrouwde dochter haar ouders blijven verzorgen.

‘Die mij wilden hebben, wou ik niet en die ik wou hebben, wilden mij niet’, heeft ze later eens gezegd. Erg gemakkelijk in de omgang was ze niet. Het leven in een klooster leek haar op enig moment aantrekkelijker dan de zorg voor haar ouders en twee jongste broers.
Zij was als een moeder voor de jongste, mijn vader Kees. Toen Kees een conflict had met een leraar (waarschijnlijk omdat hij iets beter wist dan zijn leraar), ging Jo naar de mulo voor een gesprek. En toen Kees later zijn pogingen opgaf om trappist te worden, reisde Jo naar Tilburg om hem af te halen. Het was daarom met pijn in haar hart dat Jo mijn vader eind jaren dertig moest afstaan aan Anna, de vrouw die later mijn moeder zou worden.
Daarvoor in de plaats kwamen de neefjes en nichtjes. Elk jaar stapte er wel weer een nieuw kind over de drempel van de achterdeur en altijd kwam het blikje met zwarte ballen uit de keukenkast.
Na het overlijden van haar ouders bleef Jo in het ouderlijk huis wonen met haar eveneens ongetrouwd gebleven broer Do. Het huis stond vol negentiende eeuwse meubelen; ‘ouwe reut’, zoals zij het zelf onverschillig noemde. Ze werd nogal eens geplaagd door hoofdpijnen, maar alleen op zondagen.

Jo met haar vader op weg naar de kerk, eind vijftiger jaren

In de tijd dat wij thuis nog geen televisie hadden kwam ik er als tiener meermalen per week. Samen met mijn oom en tante volgde ik Engelse series als Coronation Street en Dad’s Army. Halverwege haalde tante Jo voor mij een klein bakje pinda’s uit de keuken. Mijn tante was altijd even aardig voor mij, maar echt warm werd de relatie nooit. Zij kon vaak haar cynisme over van alles en nog wat niet verbergen en kon schamper en wantrouwend over anderen spreken. Haar eigen werk was van weinig waarde en onze studieprestaties hemelde zij op.
Tante Jo was een wandelende familie-encyclopedie. Eerst schreef zij een bloknoot vol met herinneringen aan mijn vader, daarna nog een met familie-anekdoten. Als onofficiële familie-archivaris heb ik daar nog altijd veel plezier van.
In de zeventiger jaren zocht ik haar op, toen ze met een hersenschudding in het ziekenhuis lag. Blij verlost te zijn van alle dagelijkse zorgplichten bekende ze: ‘Ik lig hier zo goed, je zou er haast expres voor op je hasses vallen’.