Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

0

LIEBE, FREUDE UND FREIHEIT

Reizen

Kan je medelijden hebben met een staat?
G en ik waren de afgelopen week in Wenen. Halverwege de derde dag gebruikten we de zelf meegebrachte lunch op een bankje in de Belvedere Garten, vlakbij het kasteel Oberes Belvedere.
Wenen staat vol met kastelen en paleizen uit de negentiende eeuw en daarvoor. Het ene gebouw nog mooier dan het andere. Het is de uitdrukking van de toenmalige macht en rijkdom van het Habsburgse rijk.
Hoe kan het, vroeg ik me af tijdens het broodje kaas, dat een land dat honderd jaar geleden tot de machtigste landen van Europa hoorde, nu een kleine EU-staat is met beperkte invloed? Oostenrijk heeft weliswaar in de vorige eeuw twee oorlogen verloren. Maar dat geldt voor Duitsland ook. Beide keren heeft Duitsland zich weer opgericht. Het is nu de machtigste natie binnen de Europese Unie. Hoe kon het Oostenrijkse keizerrijk als een plumpudding in elkaar zakken? Of, om een vergelijking te gebruiken geïnspireerd door een bekende inwoner van Wenen, Prof. Dr. S. Freud: hoe kon zo’n fier opgeheven lid verschrompelen tot een rimpelig ouwemanslulletje?
Wenen leeft van het verleden en van de toeristen die zich in de fiakers laten rondrijden. De Donau is al lang zo blauw niet meer. Udo Jürgens, de enige Oostenrijkse winnaar van het Eurovisie Songfestival (Merci, Cherie), is al jaren passé. De Wiener Schnitzel met zijn van braadvet doortrokken paneerlaag is de paria van de culinaire wereld, om over de prestaties van het Oostenrijks voetbalelftal maar te zwijgen. Krijgen Oostenrijkse politici internationale bekendheid (Kurt Waldeim, Jörg Haider), dan blijkt er een verkeerd geurtje omheen te hangen.

Wat is er misgegaan in de afgelopen eeuw?
De vraag stellen is gemakkelijker dan deze te beantwoorden, bedacht ik even later lopend tussen de standbeelden van componisten in het Stadtpark.
Blijkbaar was het Habsburgse rijk gevestigd op de macht van het wapen, de adel en de bureaucratie en te weinig op een goed draaiende economie. Alleen van Milka repen en Doppelmayr skiliften word je niet rijk.  Bovendien ging in het Wenen van 1900 de bovenlaag van het volk  teveel naar het bal, de theaters, het vertier. Tegelijkertijd was er sprake van melancholische trekken. Ik las in Wenen de verhalen van Arthur Schnitzler. Ze spelen rond die eeuwwisseling en in elk verhaal speelt zelfmoord een rol. (Sinds de toetreding van Oostenrijk tot de EU gaan de suicidecijfers naar beneden tot gemiddeld europees niveau).

Valt er verder nog iets positiefs over Oostenrijk te melden?
Jazeker. Op onze eerste dag in Wenen belandden wij op zondagmorgen onverwachts in een feestelijke hoogmis in de Augustinerkirche. We liepen in den beginne nog wat doelloos door de stad en zagen de aankondiging van de mis inclusief de uitvoering van de Messa di Gloria van Puccini. Een half uur te vroeg, maar nog juist op tijd vonden we een zitplaats. Even later vulden zich de gangpaden, de trappen van de zijaltaren en waar er ook maar iemand kon staan of leunen, met gelovigen en ongelovigen.
Om vijf over elf kwam er een processie de kerk binnengelopen, onder de tonen van Festmusik nr. 1van K. Pilss (niet te verwarren met het dweilorkest Kleintje Pils): voorop de acolieten met een groot kruis en een walmend wierookvat, daarachter een groep misdienaars (m/v),  dan volgde een stoet leken in middeleeuwse mantels en de optocht werd gesloten door de priesters, acht in getal, onder hen ook ouden van dagen voor wie de kniebuiging voor het hoofdaltaar niet meer haalbaar was. Na de rondtocht in de overvolle kerk konden de strijkers het Kyrie inzetten (http://youtu.be/HWXuTiQjOwU). In het Gratias agimus tibi gloreerde een tenor met de naam Ilker Arcayürek (voor hem gold waarschijnlijk: if you can’t beat them, join them).
De feestpreek werd gehouden door Pater Magister Matthias Schlögl OSA. Hij sprak over het contact met de medemens, durch Liebe, Freude und Freiheit. Hij werkte deze begrippen systematisch uit en vatte aan het einde van zijn preek de hoofdpunten nog eens duidelijk samen, zodat ik deze een week na het gebeuren nog moeiteloos uit het hoofd kan reproduceren. Na zijn laatste woord zette een oudere heer achter ons het applaus in.
Nu de daden nog.
Toen men na twee uur van feestelijkheden nog niet aan de offerande toegekomen was, slopen G en ik de Augustinerkirche uit, linea recta naar het dichtstbijzijnde koffiehuis. Daar bejegenden we elkaar met Liebe und Freude, onder het genot van een klein kopje koffie en een miniatuurtaartje. Even later verlieten we het huis, onder een hoofdknik van de stijve ober en  € 17,30 lichter.
Zou Oostenrijk er op deze manier weer bovenop komen?

 

 

 
0

THE CANADIANS ARE COMING (2)

Reizen
Dit stuk is een vervolg op de bijdrage van 6 september j.l.
Op de eerste dag van onze wandeling over de West Highland Way in Schotland ontbeten we in de paarskleurige Premier Inn in Mylgavnie. Langs het ontbijtbuffet van cereals, yoghurt en geroosterd witbrood liep een groep mensen die de aandacht trok. Drie mannen en drie vrouwen, die alle een wit t-shirt droegen met een foto van een vrouw en het getal 50 op de voorzijde. Aan hun taal kon ik niet goed vaststellen of het Engelsen waren of Amerikanen. ‘Het zijn denk ik Canadezen’, zei G.
Later die morgen haalden ze ons op een afdaling in. Ze waren van plan om de whisky-distilleerderij enige kilometers verderop te bezoeken. Daarna kwamen we de groep nog vaker tegen. Aan het einde van een wandeldag zag je ze meestal zitten, achter een tafel met grote pullen bier, de benen omhoog. Een vrolijk stel. Ze nodigden je uit om erbij te komen zitten en staken hun hand omhoog voor een high five: ‘We made it!’
Met de mededeling dat de Canadezen in aantocht waren, leek de jonge Belg zich wat te ontspannen. Hij deed geen pogingen meer om overeind te komen of om te drinken. Naast hem voelde ik me een bezorgde vader die op bezoek is in het ziekenhuis.
Na enige tijd hoorden we stemmen. Daar arriveerden, de hoofden rood en bezweet van de inspanning, de drie mannen uit het canadese gezelschap. De achterste van de drie kwam hinkelend omhoog.
Een van de anderen gaf direct instructies, doortastend, met overwicht, alsof hij ooit het diploma Mountain Rescue had gehaald en verlangend was om nu voor de eerste maal zijn kennis toe te passen. We stelden ons met zijn vieren rond de gevloerde man op. De leider van de hulptroepen telde tot drie en met één gezamenlijke krachtsinspanning stond de Belg zonder in een kramp te schieten weer op zijn benen. Hij dronk eerst het blikje met energydrink in één teug leeg, daarna nog een halve fles water. Vervolgens zei hij, dat hij wel weer zou kunnen lopen. ‘Are you sure?’, vroeg de aanvoerder met zijn gezicht vlak voor dat van de Belg. ‘There’s a ravine on that side, so you should not fall’.
Daarop vertrok de karavaan. De Schot met ontblote bovenlijf ging voorop, als vaandeldrager zonder vlag. Daarna kwam de Belg, aan beide armen stevig vastgehouden door een sterke Canadees. Omdat het pad te smal was voor drie personen moest de Canadees aan de dalzijde voortdurend door varens en over struiken heen springen. Daarachter volgde ik als mentor en als laatste, met de zware rugzak van de Belg, de strompelende Canadees. Hij had 6 joekels van blaren op zijn voeten. Dat had hem niet weerhouden van deze reddingsactie: ‘this is an allied action by Scotland, the Netherlands and Canada.’
Beneden op de camping gekomen was de Belg weer in staat om zelfstandig zijn tent op te zetten. De Canadezen bestelden nog een pul bier. ‘You’ve done a great job’, zei de leider tegen mij en hij hield zijn vuistje voor, zodat ik er met de mijne tegenaan kon tikken. Het bleek echter niet voldoende, want tijdens het avondeten zagen we een ambulance het terrein op rijden. De Belg had opnieuw krampaanvallen gekregen. Hij werd nu naar een ziekenhuis gebracht.
‘s Avonds zaten we met de Canadezen in de nabijgelegen Drovers Inn, een eeuwenoude, wijd en zijd vermaarde gelegenheid. We hadden eerder op deze reis Amerikanen ontmoet, die er een autorit van drie uur voor over hadden, omdat er in hun reisgids stond, dat je deze Inn niet mocht missen.
De muren in de donkere pub zijn zwartgeblakerd door de rook. Het houten plafond is er laag. Naast eenvoudige houten krukjes staan er met rood fluweel bedekte stoelen. De barman draagt een kilt en men heeft een groot assortiment aan whisky’s en ales.
We zaten rond een tafel vol met gevulde bierpullen en klonken op de mooie dag en we klonken (nog een keer alle pullen tegen elkaar) op de mooie highlands. Een fototoestel met uitvergrote foto’s van de reusachtige, bleekgele blaren van de hinkelende Canadees ging rond. Er werd een bijzondere whisky besteld, die na enig proeven als niet smakelijk ter zijde werd geschoven. We vertelden elkaar onze High en Low van deze dag.
Tenslotte toostten we nogmaals, ditmaal op de Belg.
We weten niet hoe het met hem afgelopen is.
 
 
0

THE CANADIANS ARE COMING

Reizen
Het gebeurde tijdens de wandeling van Rowardennan naar Inverarnan, een van de etappes van de West Highland Way, een langeafstandswandelpad in Schotland. We hadden zojuist Loch Lomond achter ons gelaten en waren via een korte klim aangekomen op een weidse pas. Vanaf de hellingen, bedekt met geelgroen gras en donkergroene doornstruiken kwamen kleine stroompjes omlaag, glinsterend in het uitbundige zonlicht. Het was vijf uur in de middag en we waren nog een kleine kilometer verwijderd van ons einddoel die dag, Beinglass Farm, een camping waar we zouden overnachten in een houten châlet.
Na een bocht in het smalle pad zagen we hem opeens liggen. Een zwaargebouwde jongeman in donkere kleren, liggend op zijn rug, dwars over het pad. Zijn antracietkleurige overhemd, dat strak rond zijn bleke, vlezige borstkas stond, was doordrenkt van het zweet. Zijn ogen onder het kortgeknipte zwarte haar stonden dodelijk vermoeid.

‘Are you oké?’, was  de eerste vraag van G.
Hij kon zijn belabberde toestand niet ontkennen: ‘No, I’ve got cramps’.
Dat moest te verhelpen zijn, dachten we, en we hielden zijn been gestrekt omhoog en bogen de tenen naar de romp. Even flink strekken en de jongeman zou weer verder kunnen lopen.
Die verwachting kwam niet uit. Het sjorren aan zijn benen veroorzaakte weer andere krampen in zijn borst, zijn buik en zijn armen. Hij schokte over zijn hele lijf en schreeuwde het uit.
‘Heb je wel genoeg gedronken’, vroegen we, ietwat belerend. We hadden intussen ontdekt dat de man uit Belgie kwam en nederlands sprak. Hij zei dat ie in de afgelopen paar uur twee liter water gedronken had. Een landkaart lag uitgevouwen achter zijn hoofd. ‘Het is niet ver meer, ik moet nog even rusten, dan ga ik het wel halen’. Het was niet duidelijk of hij zichzelf of ons moed wilde inspreken.  Zijn ogen rolden angstig heen en weer. Hij probeerde op zijn zij te rollen en overeind te komen, maar de minste beweging van zijn hoofd was al voldoende voor een volgende pijnlijke krampaanval. Een tweede poging vijf minuten later faalde op dezelfde manier.
Mijn kennis over wat hier aan de hand was en wat je moet doen in zo’n situatie is beperkt. Het was duidelijk dat we dat zware lijf niet met zijn tweeën overeind konden krijgen. We keken elkaar aan. We moesten hulp halen. G liep naar beneden naar Beinglass Farm, ik bleef bij de ongelukkige Belg.

Terwijl ik een sinaasappel pelde, vertelde de jongeman, dat hij juist naar Schotland was gekomen, omdat hij niet tegen de hitte kan. De avond tevoren had hij in zijn tent al hevige krampen gehad. Hij had deze wandeletappe sterk ingekort door een boot te nemen tot het einde van Loch Lomond. Hij was dus nog geen uur aan het lopen, wilde even rusten, maar eenmaal op zijn rug beland kon hij niet meer overeind komen.
Ik stopte wat sinaasappelpartjes tussen zijn lippen. Naast mij liep een grote zwarte tor over het pad.
‘Als torren op hun rug liggen, komen ze ook niet meer overeind’, zei ik. Het was niet duidelijk of hij deze vergelijking kon waarderen.
Af en toe kwamen er nog wandelaars langs. Men bekeek het tafereel van het dwars over het pad gestrekte lichaam en de gehurkte grijsaard daarnaast als was het een doodnormaal tableau wat je meermalen per dag tegenkomt. Ze stapten over het bezwete lijf, zoals ze eerder over de rotsblokken en boomstronken op de oevers van Loch Lomond waren gestapt.
Na enige tijd kwam er van de andere zijde een jongeman naar boven gehold. Hij droeg een zwarte trainingsbroek en fel oranje joggingschoenen. Zijn ontblote, bruinverbrande bovenlijf, een gespierde torso als van een jonge god, glom van het zweet. Hij droeg twee waterflessen van anderhalve liter en een klein blikje energy-drank. Hijgend en zonder veel woorden vuil te maken aan de toestand probeerde hij de Belg wat te laten drinken. Tevergeefs, want deze lag met zijn hoofd naar achteren en alleen al het opheffen van zijn hoofd veroorzaakte nieuwe krampaanvallen. Mijn blijdschap over het arriveren van de schotse hulp veranderde in teleurstelling.  ‘It don’t work that way’,  zei ik. Meteen bedacht ik dat ik had moeten zeggen: ‘it doesn’t work’. 
De Schot zag de ernst van de situatie in, stak een sigaret op en pakte zijn mobiel. Toen hij enkele tellen later uitgebeld was, sprak hij de verlossende woorden: ‘the Canadians are coming’.

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
0

LULLY IN BECHYNE

Muziek, Reizen
De jachtkamer van het kasteel dient als kleedkamer.
De muren hangen vol met parafernalia van de jacht: geweren, hertenkoppen, afbeeldingen, maar vooral geweien, kleine en grote, van verschillende soorten herten. Banken en tapijten tonen taferelen van meedogenloze honden die achter schichtige rendieren aanjagen. Er staat een salontafel met 8 stoelen. Poten, rug- en armleuningen zijn gemaakt van geweien. Door het enige raam valt zacht avondlicht de kamer in.
Enkele meisjes van de groep poolse dansers rijgen bij elkaar de barokjurken aan de achterzijde dicht. Anderen worden in het laatste licht bij het raam gepoederd. Weer anderen trekken turkse pofbroeken aan en draaien doeken om hun hoofd tot tulbanden.

Tussen de stoelen met geweien hijsen de zangers zich in hun barokke kleding, aards van kleur. We gebruiken de geweien om onze kleren aan te hangen. Een jonge tsjechische sopraan wikkelt om haar hoofd een sluier, die slechts de ogen vrijlaat. Naast mij stapt een oudere sopraan in een hoepelrok. Ik draag een wit shirt met pofmouwen, na lang zoeken gekocht via een duitse website. Over een zwarte broek trek ik een paar donkerblauwe voetbalkousen tot aan de knieën op, waardoor er de schijn van een pofbroek ontstaat. Om mijn middel wordt een okergele band met veiligheidsspelden vastgezet.
We zijn met een groep zangers, musici en dansers bij elkaar in het zuid-boheemse Bechyne, een barok dorpje met gekleurde huizen aan een marktplein, een oud klooster en een 16e eeuws kasteel. In de kloosterkerk gaven we een uitvoering van stukken die Händel en Rameau voor de Vrede van Utrecht componeerden. Deze avond staan delen uit de Bourgeois Gentilhomme van Lully op het programma, onder andere de Turkse Scene. De rol van de Moefti is verdeeld over vijf bassen.

Mijn eenmaal weerkerende tekst luidt:
Ti non star furba? Non star furfanta? Non star furfanta?
Donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta, donar turbanta.
Het koor zingt tussen de eerste vragen door, tegen de maat in:
no, no, no.
Tijdens de repetities heb ik gehoord, dat ik op een Fanta-verkoper lijk en dat ik de klinkers veel langer moet aanhouden. ‘Open your throat’! Om een mooie -a- te krijgen dien ik mijn konen omhoog te trekken. Daarnaast moet ik dreigend en dominant zingen en met een doek zwaaien die de arme meneer Giourdina als tulband (turbanta) om zijn hoofd zal krijgen.
Voor mij zit de uitdaging vooral in het beginnen op de goede tel en op de goede toon. Als het koor het all’ ak-bar heeft afgerond, moet ik direct naar voren stappen en mijn solo beginnen. Anders gaat de vaart eruit en dat kan niet met dit soort muziek. ‘Keep it going’, de dirigent maakt er met zijn arm een karatebeweging bij.
In de jachtkamer oefenen enkele dansers hun pasjes en gebaren. Zangers pakken hun spiekbriefjes en lezen hun teksten nog eens door. Er was eigenlijk te weinig tijd om de teksten en gebaren in te studeren. We drentelen in nerveuze afwachting tussen de geweien en geweren. Een enkeling concentreert zich met de ogen gesloten. Een ander voert een vluchtig gesprekje.
Dan komt het sein. De zaal is vol, het orkest is aan het stemmen. We stellen ons op in een rij. Als het orkest de eerste maten inzet van Le marche pour la cérémonie des Turcs lopen wij op de maat de zaal met 17e eeuwse muurschilderingen binnen. Van achteruit stappen we door het middenpad naar voren, de gekruiste armen ferm vooruit gestoken, de hoofden bars omhoog. De voorstelling kan beginnen.

0

GROETEN VAN VLIELAND

Reizen

Het bleke licht van een waterige zon wordt weerspiegeld in het grijze nat van het drooggevallen wad. Grutto’s en bergeenden spitten naar eten. Wat verder uit de kust foerageren aalscholvers boven het rimpelige water.
In de duinen waait de wind stevig door het geelbleke helmgras. Scholeksters scheren in paartjes luidruchtig en opgewonden boven onze hoofden. Op de groengrijze duintoppen zijn her en der de witte vlekken van rustende meeuwen zichtbaar. Voortdurend horen we het knarsende geluid van fietsbanden over schelpenpaden.

G en ik wandelen op Vlieland. Wij behoren tot de weinigen die het eiland te voet doorkruisen. Het lijkt wel of iedere toerist, jong of oud, de godganse dag rondjes fietst over het eiland. Vooral tandems voor 1 volwassene en 1 kind zijn hier razend populair. In de Dorpsstraat van Oost-Vlieland,  waar terrasstoelen, reclameborden, gestalde fietsen en kledingrekken de voetganger dwingen om op de rijweg te lopen, moet je uitkijken dat je niet omver gereden wordt door mensen die hun eerste meters maken op zo’n tandem.
Toegegeven, van huis uit was ik ook meer fietser dan wandelaar. Als ik met mijn ouders eenmaal per jaar een weekje op vakantie ging, ergens in Nederland, dan gingen altijd de fietsen mee. Toen ik later zelf op vakantie ging, trok ik er met de racefiets op uit. G daarentegen is van jongs af aan gepokt en gemazeld in het wandelwezen. Zij heeft mij de schoonheid van het wandelen geleerd.
Behalve met fietsers is Vlieland deze week vol met kinderen. Uit wat ik zo hier en daar opvang van de conversatie tussen kinderen en hun ouders wordt mij duidelijk, waarom ouders maar wat graag hun kinderen op een tandem zetten om een eindje te gaan toeren, met een ijsje als beloning in het vooruitzicht.
Een jongetje van een jaar of zes tegen zijn moeder: ‘daarover wil ik nu niet in discussie’.
Een andere jongen ’s avonds om half negen in de ijssalon: ‘dan wil ik nu nog naar de manege’. ‘Oh nee’, reageert moeder kordaat, ‘dàt gaan we nu niet meer doen’. Waarop vader zegt: ‘van mij mag ie naar de manege…’.
Schuin onder ons logeert een gezin met drie kinderen: een meisje van naar schatting 11 jaar, een jongen van 9 en een meisje van 7. De drie kinderen doen buiten allerlei spelletjes, maar geen enkel spel houden ze langer dan 5 minuten vol. Spelen ze met een rugbybal, dan wil het jongetje stevig tegen zijn zusjes aanbotsen, maar de zusjes willen alleen kalm overgooien. De jongen heeft hele andere zaken aan het hoofd. Hij roept regelmatig: ‘Condooms! Hoeveel condooms heb jij, is dat wel genoeg om te sexen?’. Moeder doet ondertussen een vergeefse poging om rustig van de zon te genieten. Hebben wij vroeger ook op deze wijze vakantie gevierd?
Wij lopen  van het knersende schelpenpad af en klauteren moeizaam via een zanderig pad  een duin op. Tijdens het klimmen zakt de grond onder onze voeten weg. Het voelt als een soort sneeuwwandelen. Aan de andere zijde schuiven we met schoenen vol zand omlaag een breed strand op. Dam 30 heet het hier. Het is er volkomen leeg. Strand, zee en lucht zijn één oneindige ruimte. Zo ver wij links en rechts kunnen zien, is er geen mens te bekennen. De wind heeft vrij spel. Het lichte, droge zand wordt in grillige slierten over het vochtige deel van het strand geblazen. Het zand knerst tussen onze tanden.Opeens zien wij dat bandensporen hier dichtregels in het vochtige zand hebben achtergelaten:

Mijn lippen verlangen naar het zilte van de jouwe
De wind maakt ruimte en in de stilte kan ik van je houden.

Kijk, daar komen we voor.
Later lezen we dat de Vliehors Express elk jaar nieuwe dichtregels op zijn banden krijgt. Iedereen kan regels daarvoor insturen. Zal ik eens gek doen en de eerste zin van dit stuk toesturen?

0

GEPIMPTE TUINKABOUTER

In het nieuws, Reizen
Berlusconi is terug, tot verbazing en afgrijzen van velen. Hoe kan het dat er zoveel mensen stemmen op een schaamteloze flapuit, een oude seksist, een mooiprater, die de wetten aan zijn laars lapt? Waarom haalt hij nog 50% meer stemmen binnen dan de protest-leider Grillo?

Toen wij najaar 2007 in Rome waren trok een wijd verspreid affiche onze aandacht. Het was een oproep voor een politieke manifestatie met diverse sprekers, waaronder S. Berlusconi. Italianen houden van een levendig debat, ze zwaaien met vlaggen en komen massaal de straat op om hun onvrede te uiten. Omdat wij dat in Nederland niet zo veel meer meemaken, liepen wij naar het manifestatieterrein in een park ten zuiden van het Colosseum. Van de organiserende partij hadden we nog nooit gehoord. (Een week later zagen we thuis op Internet dat het de jongerenafdeling van de MSI was, de opvolger van de partij van Mussolini). Van een levendig debat of protest was overigens geen enkele sprake. Er ontstond alleen enige beroering toen er een groep veiligheidsmensen tussen een haag van achteruitlopende cameraploegen het manifestatieterrein opkwam. Daartussen bleek onze gepimpte tuinkabouter te lopen. Hij is zo klein, dat hij pas zichtbaar werd, toen hij op het podium werd gezet. Daar liet hij zich geheel ontspannen, als de vader des vaderlands, met een grap en een grol, interviewen over de benarde economische situatie van de Italiaanse jeugd. De toeschouwers luisterden ademloos en vol vertrouwen.

Italianen, zo is het beeld, zijn extravert, emotioneel, gericht op het uiterlijk. Als ze met elkaar praten, lijkt het of ze ruzie hebben. Zij willen opvallen en er mooi uitzien. De decolleté’s zijn er dieper dan elders. De grafmonumenten zijn er groter en protseriger. De aria’s worden met meer emotie gezongen en na een aria springt het publiek applaudiserend op. Zelfs een mis van Puccini of het Requiem van Verdi klinkt als een opera.
Officieel zijn Italianen katholiek. Er gaan nog steeds jonge mannen het klooster in en priesters lopen in Italie in hun soutane over straat. In Rome kan je jaarkalenders kopen met zwart-wit foto’s van aantrekkelijke, jonge priesters. Je kunt in Italië nog biechten. Ik zag eenmaal een stel nonnen in de rij geknield voor de biechtstoel (en ik dacht: wat hebben die daar te zoeken?). De meeste Italianen gaan echter niet meer naar de mis of ter biecht. Ze nemen het met de regels van kerk en staat niet zo nauw.
Bijgelovig zijn de inwoners van Italie zeker.  In iedere kerk is er wel een beeld van een heilige dat gekust moet worden om onheil af te wenden of een hoekje waar de foto’s van overleden kinderen, verongelukte wielrenners en motorrijders, tezamen met de gedragen helm, als gedenkteken aan de muur hangen.
Sportfanaten zijn het ook. Als het Italiaanse voetbalelftal speelt, is het, behalve in Süd-Tirol, overal uitgestorven op straat. Ze doen er alles voor om te winnen. De kennis over doping is tot wetenschap verheven.

Als deze beelden kloppen, dan is Berlusconi, met zijn schone schijn, gesjoemel, sport en porno, de meest Italiaanse man die er bestaat. En dan moeten we ons niet verbazen, dat er velen op deze man gestemd hebben.
Elk volk kiest de leiders die erbij passen, hoe zeer ook het buitenland, de financiële markten of Brussel dit anders zouden willen. De Europese Unie heeft eenmaal gedaan gekregen dat er een technocraat als regeringsleider werd aangesteld. Dat was tot voor enkele jaren geleden ondenkbaar. Het zal voorlopig een uitzondering blijven. Als je zaken wilt doen met Italie, krijg je met Berlusconi-achtige leiders te maken.
0

GROETEN UIT GUARDA

Reizen
Als ik uit het raam van het hotel kijk, zie ik een besneeuwde helling waarover diagonaal een wandelpad loopt. Bovenop de helling staat een rij kale naaldbomen. Daarachter ligt een bergrug waarvan de witte toppen, nog net beschenen door de late middagzon,  afsteken tegen een helder blauwe lucht.
G en ik vermaken ons deze week in de sneeuw in Guarda, een plaats in Oost-Zwitserland waar men Raeto-Romaans spreekt. Je wordt hier welkom geheten met Bainvignü. Alsof je een Duitser Italiaans hoort spreken. De taal is Zuid-Europees en het weer is veelal zonnig zuidelijk. In cultureel opzicht daarentegen heerst hier de Duitse Gründlichkeit und Ordnung. In deze enclave van de Europese unie komen Noord- en Zuid-Europa elkaar tegen.
Guarda is een klein dorp, gelegen op een zuidelijke helling op 1650 m hoogte. Op de gele en bruine gevels van de 17e eeuwse boerderijen zie je versieringen, spreuken en trompes d’oeuils. Dat noemen ze sgraffiti. Auto’s kom je er in de smalle straatjes niet tegen, winkels, reclames en vertier al evenmin. Hier wordt wintersport in stilte bedreven. Wandelend in de bergen hoor je alleen je eigen voetstappen, een sluiting van de rugzak die meetikt met de beweging, soms een piepend geluid als de punt van de wandelstok uit de sneeuw wordt getrokken.

Wij verblijven in hotel Meisser, al evenzeer een bolwerk van traditie als het dorp en een combinatie van stijl en zuinigheid. Het is keurig ingericht – zo’n vijftig jaar of langer geleden. Kroonluchters beschijnen de houten lambrizering in de eetzaal. Het bestek is van zilver en de naam van het hotel is in het damasten tafellaken geweven. De kaalgesleten plekken in het fraaie tapijt op de trap verraden jarenlang gebruik.
We hadden een eenvoudige hotelkamer geboekt. Omdat deze niet de gehele week beschikbaar was,  hebben we een kamer toegewezen gekregen aan de overkant van de straat, in zo’n oude, versierde boerderij. De entree is eeuwenoud: een vloer met brede planken, een lage zoldering, smalle deurtjes links en rechts en een steile trap omhoog. Op de 2e etage, onder de nok, waar eerst de hooizolder was, gaat een deur open naar een zeer luxueuze suite van enorme afmetingen. Tussen het woongedeelte en de badkamer en tussen de keuken en het slaapgedeelte kunnen we hier aardig wat meters maken. De wandelvakantie strekt zich tot binnen uit. Het voordeel is dat er genoeg ruimte is om de vochtige wandelkleding uit te hangen. Ook de scheetjes van de Zwitserse Raclette lossen hier snel op.
In de bergkamer hangt achteloos de prijs van deze suite aan de muur:  400-500 euro per nacht op basis van halfpension. Sinds wij de wijnkaart hebben gezien, met diverse gerenommeerde wijnen van boven de 100 euro, kijken we hier nergens meer van op.

Vandaag wandelden we op onze sneeuwschoenen met een groepje onder leiding van de gediplomeerde berggids André naar een naamloze stapel stenen op zo’n 2400 meter. In het begin is het even wennen aan die dienbladen onder je voeten. Maar als de sneeuw dikker wordt blijkt hoe handig ze zijn. Het Schneeschuhwandern heeft twee verschillende kanten. Omhoog loop je eerst over gebaande paden, hogerop maak je slalommend door de Tiefschnee op de alm je eigen weg. Dit is het meest inspannende deel van de tocht. Omlaag loop je gewoon via de kortste weg de berg af. Je zet eerst je ene hak in de sneeuw, daarna de andere en schuift zo omlaag. Je moet er enig lef voor ontwikkelen, maar als dat is gelukt, loop je heerlijk ontspannen immer gerade aus de helling af. Je moet niet stil blijven staan, want dan zak je tot je knieën of meer in de sneeuw. Kom je vast te zitten, dan duik je voorover in de sneeuw om je benen weer los te wrikken. Zo valt er steeds wat te beleven.
Voor onze veiligheid hoeven wij niet te vrezen. Ieder van ons draagt een pieper. De gids heeft uitgelegd hoe je een signaal moet uitzenden als iemand bedolven is onder een lawine. Het is iets met drie maal kort indrukken of éénmaal drie seconden lang indrukken. Dat heb ik nog niet goed begrepen. Ik hoopte dus maar dat André niet bedolven zou raken. Ik had vandaag de verantwoordelijke taak om peilstok en schepje mee te sjouwen, noodzakelijke instrumenten om iemand die onder de sneeuw ligt uit te graven. Ik had voortdurend zin om mijn schepje uit te proberen.
Onderweg legde André het verschil uit tussen een spoor van een edelhert en dat van een ree. Verder zagen we een braakbal van een vale gier en het toilet van een das. Het woord van de dag was Losung (uitwerpselen). We kennen nu niet alleen de vorm, maar ook de structuur van de Losung van alle wilde dieren in het Engadin-dal.
Morgen gaan we weer op pad.