Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

1

SAMEN GENIETEN

Reizen

Wij wandelen in een glooiend landschap, langs groene weiden waar de zwart-witte koeien tevreden liggen te herkauwen en over beboste hellingen waar de hoge eiken en beuken op het punt staan te verkleuren. Door kleine gehuchten waar de stilte verstoord wordt door een blaffende hond of door een reusachtige tractor met meer dan manshoge wielen die met zijn wagen vol gehakseld mais op je afdendert. Langs kleine begraafplaatsen, waar de zerken scheefgezakt in de grond staan, graslandjes met verweerde schuurtjes, waar eenden en geiten harmonieus samenleven, kapelletjes met plastic bloemen voor een vrome heilige, een gaard met hoge fruitbomen, waar rode appeltjes tussen breekbare oude takken glinsteren in het zonlicht. Entre les tours de St. Pieters-Voeren en Teuven.

Met mijn kamerkoor Decibelle ga ik eens per jaar, eind september, op wandelweekend, ergens aan de rand van Nederland, of liever nog, een stukje daaroverheen. In een lang lint trekken zo’n twintig mannen en vrouwen door de velden. Verbonden door de liefde voor de natuur en de zang, van elkaar onderscheiden door de eigen geschiedenis, de eigen voorkeuren, de eigenaardigheden. Wandelend worden discussies gevoerd en levensvragen gesteld. Het lief en leed wordt net zo makkelijk met elkaar gedeeld als de oordelen over de uiers van de koeien in de wei. Bij een kapel bezingen we de schoonheid van de dag (Sweet day, so cool, so calm, so bright) of het leed in de wereld (O vos omnes, qui transitis per viam). Op het terras gaan de wandelschoenen uit en genieten we van koffie met linzen-pruimenvlaai. We speuren onderweg naar bramen en testen gevallen appeltjes op rijpheid. Of we rusten uit in een zonovergoten wei, waar de geluiden van snuivende knoeien en gras dat afgesneden wordt steeds dichterbij komen, totdat je je ogen opent en een grote, nieuwsgierige koeienkop naast je ziet. Zouden we dit geluk kunnen noemen?
Op onverklaarbare wijze worden we elk jaar weer op een prachtige nazomer getrakteerd.
De trektochten door de heuvels maken de banden sterker. We geven elkaar een hand in de modderpoel en houden het prikkeldraad voor de ander omhoog. Het begrip wordt groter, de acceptatie van ongerief sterker. Wandelend door de natuur ga je steeds meer van elkaar houden.

Na een daglang wandelen zitten we dit jaar op de cour van ons groepsverblijf Domaine de Magis in het zuiden van de Voerstreek. We heffen met elkaar een koel glas. We laven ons aan het laatste zonlicht dat op de hobbelige kasseien van de binnenplaats valt en schuiven de stoelen naar waar het zonlicht zich verplaatst. Een nazomerse namiddag, waarop er niets meer te wensen valt. Te zeggen, dat het leven voltooid is zou sterk overdreven zijn, maar het komt een beetje in de buurt.

Op zondagavond, wanneer de meeste koorleden weer naar het Noorden vertrokken zijn, zijn we nog met z’n vieren over. Het Domaine heeft zes badkamers met vier ligbaden. In de luxe ontbreken alleen de Trumpiaanse gouden kranen. We kiezen elk een eigen bad om de vermoeide benen te ontspannen en de pijntjes niet te voelen.
Een koor is als een warm bad. Ook al vallen er soms een paar koude druppels uit de kraan.

0

EEN RUIG LAND (2)

Reizen

De breedgeschouderde nazaten van de Vikingen dragen nog altijd een baard. Zo ook Einar. Hij was boer in het zuiden van IJsland, maar daar viel geen droog brood meer mee te verdienen. Bovendien heeft de jökulhlaup van 1996 (zie de vorige aflevering van dit blog) de vruchtbare weiden in dit deel van het land in een kale steenwoestijn veranderd. Veel boeren zijn een guesthouse begonnen.
Einar vervoert met zijn tractor met platte wagen toeristen over een zwartgekleurd wad naar het eiland Ingolshöfdi, een kleine puist die zich vlak onder de kust uit zee verheft.  Voor IJslanders is dit een bijzondere plek, omdat volgens de overlevering de eerste Vikingen hier aan land zijn gekomen. Voor buitenlandse toeristen is dit eiland interessant vanwege de broedende zeevogels. We struinen het eilandje af, belaagd door grote jagers, zeemeeuwen, die agressief naar de hoofden van de indringers duiken om hun broedsel te beschermen. We liggen tijden in het gras, het fototoestel in de aanslag, om een plaatje te kunnen schieten van de mateloos populaire papegaaiduiker.
Leuker nog zijn de onverwachte ontmoetingen met zeldzame vogels. Zo blijkt de eend die ik zie dobberen in een meertje bij een guesthouse een roodkeelduiker te zijn. Elders begint mijn hart te bonzen als ik zomaar een paar ijsduikers met een jong op de rug zie.
Er volgt nog een onverwachte ontmoeting. Op de terugweg van Ingolshöfdi zie ik een doodgereden scholekster op de weg liggen. Het volgende wat ik zie is dat een andere scholekster, waarschijnlijk zijn maatje, neerstrijkt op de weg, waar ik met een vaart van 90 km per uur in aantocht ben. Meestal vliegt zo’n beest weer snel op. Dit keer niet. De doffe klap waarmee de vogel onder de auto verdwijnt – witte veren vliegen op – is niet eens zo hard. Het afgebroken leven van de vogel dreunt nog lang na in mijn hoofd.

We maken een wandeling in het Hengill-gebergte.  Overal om ons heen stijgen rookpluimen op, warm water pruttelt uit kleine en grote gaten omhoog. Er staan waarschuwende borden: Haetta! De aarde dampt de hitte uit, de lucht van rotte eieren is alom. Al het warme water in IJsland ruikt zo. Dat leidt tot merkwaardige combinaties van geuren onder de douche.
Het water is in deze tijd van het jaar overal. Het stroomt van de bergen, het valt van de rotsen en het komt uit de lucht omlaag.
Als we na drie kilometer bergopwaarts in een beekdal belanden zien we een apart tafereel. Het is 8 graden, het regent en in de dampende beek liggen mensen te genieten van het warme water.
Hoe hoger we komen hoe meer we in de wolken belanden. De mist geeft de wandeling iets mystieks. Een enkele keer vermindert de dichtheid en worden we beloond met een blik op een helling met een waterval.
Dan wordt de mist zo dicht dat we het pad niet meer kunnen vinden. In het zoeken raken we eerst elkaar bijna kwijt, daarna kost het ons moeite om uit te vinden waar we vandaan gekomen zijn. Op dat moment duikt er uit de witte massa opeens een groep IJslandse wandelaars op, onverschrokken doorzetters, die ons vriendelijk en zonder veel woorden in hun midden opnemen.
Het is het onverwachte wat een vakantie sjeu geeft.
Terug bij ons vakantiehuis laten we het warme water nog eens door de hot tub stromen. De wolken zijn opgetrokken, vanuit ons verkwikkend bad kijken we kilometers ver uit over dit ruige land. De stilte om ons heen wordt slechts verstoord door het trillende geluid van een watersnip in de lucht.

1

EEN RUIG LAND

Reizen

foto: Sarah Martinet

Wie met het vliegtuig bij het eiland aankomt ziet van boven een enorme witte ijskap. Daarna kale bruine bergen, donkerblauwe meren en waterstroompjes. In het binnenland zie je geen wegen, huizen of ander teken van leven.
Rij je daarna met de auto door het land, dan zie je onherbergzame natuur, waar weinig meer groeit dan de paarse lupine. Onafzienbare velden van lavahopen bedekt met grijze mossen wisselen af met kale bergen. Bomen staan er nauwelijks. Er zijn stenige woestijnen, geelgrijs tot zwartgrijs, waar geen grasspriet groeit en geen vogel vertoeft. Een desolaat maanlandschap. Of de aarde na de atoombom. Maar dan wel met veel water.

Het moeten doorzetters geweest zijn, die hier in de 9e eeuw aan land kwamen om een bestaan op te bouwen. Mannen met baarden, de Noorse uitvoering van Jan, Piet, Joris en Corneel.  Ze kwamen in zelfgebouwde zeilschepen. IJsland noemden ze het land, omdat er grote brokken ijs met de rivier de zee indrijven. Het is er meestal koud en de winters duren lang.
Natuurlijk, ze konden er genoeg vis vangen, ook walvissen en zeehonden. Er is ruimte en stilte in overvloed. En aan de kust zijn stukjes gras waar schapen kunnen grazen. Tenminste in de zomer, als het land niet onder de sneeuw ligt.
Waar de eerste bewoners geen weet van hadden, is dat het in IJsland voortdurend rommelt en beeft onder de aarde. Ter compensatie van de kou spuwen de vele vulkanen op gezette tijden het gloeiende binnenste van de aarde naar buiten. IJsland is een pubergezicht met puisten die op knappen staan. Op tal van plaatsen zijn er rookpluimen te zien van hete, naar zwavel ruikende gassen die aan de aarde ontsnappen. Aardwetenschappers lopen er likkebaardend rond. Op andere plaatsen spuit het hete water met tussenpozen uit de grond. Wij hebben er het woord geiser aan te danken.
Ook onder de gletsjers liggen vulkanen. Als die tot uitbarsting komen smelt een deel van de ijskap en ontstaat een verwoestende watervloed. Een jökulhlaup noemen ze dat daar, alleen al het woord dwingt ontzag af. In 1996 werd zo nog een deel van de ringweg, de enige belangrijke vervoersader, vernield, waardoor het verkeer totaal ontwricht werd.

Ondanks alles zijn er door de eeuwen heen mensen blijven wonen in deze uithoek. Al zijn het er niet veel: 300.000 op een land dat 2½ keer zo groot is als Nederland. Tweederde daarvan woont in de hoofdstad Reykjavik en zijn voorsteden. Lange tijd lag het land in een isolement en was het slechts een tussenstop voor vliegtuigen die vlogen tussen Amerika en Europa. Maar de ruigheid van het land, de gigantische gletsjers en de hete, pruttelende modderpotjes, kortom alles wat het leven zo moeilijk maakt voor de bewoners, is nu juist interessant voor toeristen. Die komen er dus in groeiende aantallen, al meer dan twee miljoen per jaar. Men hoeft er geen reclame voor te maken.
Behalve de natuur en het avontuur heeft IJsland nog een troef in handen: verkwikkend warm water. Er zijn bergbeken waar je zelfs in de winter een heerlijk warm bad kunt nemen. En elk guesthouse heeft een hot tub, een warm bad in de buitenlucht. Het warme water komt er voor niets uit de grond en haalt de kou uit de lucht. Ook liefhebbers van wolkenformaties en uiteenlopende vormen van neerslag kunnen in IJsland hun hart ophalen.
Wij behoren dit jaar tot de twee miljoen. Daarover volgende week meer.

1

SPAARNESTAD

Reizen

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt, het Spaarne gaat voorbij.
Op onze tour langs Neerlands stedenschoon bezochten we afgelopen zondag Haarlem.
Ik was er diverse keren geweest voor mijn werk, in naamloze kantoorgebouwen die ik me niet meer kan herinneren. En in oktober 2009 zat ik te blauwbekken in een gure westenwind op de gammele hoofdtribune van HFC Haarlem voor de wedstrijd tegen Excelsior (0-1). (Twee maanden later ging voetbalclub Haarlem failliet).
Maar ik had er nog nooit langs het Spaarne gelopen,  nog nooit iets gedronken in de schaduw van de Grote of St. Bavo Kerk en de Barteljorisstraat kende ik slechts van Monopoly.

De zondagmorgen ademt een en al rust in het opgeruimde centrum van de oude stad. Als toeristen mensen zijn, die aandachtig door een straat lopen, links en rechts omhoog kijkend naar de gevels, elkaar af en toe wat aanwijzend, dan zijn wij toeristen. We zien vele fraaie 17e en 18e eeuwse pandjes. Ook het gebouw Zang en Vriendschap anno 1915 kan mij bekoren. We lopen door aangeveegde binnenstadsteegjes die uitpuilen van het groen van bloembakken en te grote bomen. Er staan bankjes voor de deur en er hangen lampenkappen in de huiselijke straatjes. Ik proef hier Klaver en Pechtold. De vele gasthuizen en hofjes uit de Gouden Eeuw, gebouwd voor behoeftige mensen, wijzen op een sociale inborst.
Frans Hals portretteerde de regenten van deze voorzieningen. Èn de regentessen, want de vrouwen in Haarlem lieten zich door de eeuwen heen wel kennen. In een flitsende multimediale presentatie aan het begin van de tentoonstelling wordt onder meer verteld hoeveel kleuren zwart Frans Hals gebruikte. Die wetenswaardigheid had ik op deze plaats willen doorgeven, maar ik was het aan het einde van de dag alweer vergeten. De schilderwerken worden met high-tech apparatuur wetenschappelijk onderzocht. Is het een Frans Hals of is het geen Frans Hals? That’s the question.

Bij het Waaggebouw, waar de geest van Cobi Schreijer en de folkmuziek allang weer zijn verdwenen, bereiken we het Spaarne. Het water draagt op deze warme, zonnige dag een parade van boten en bootjes. Spaarzaam  geklede vrouwen laten zich badend in de zon vervoeren. Mannen met tattoos op de armen sturen zonder wanklank hun vaartuig onder de Gravestenenbrug door, de dubbele ophaalbrug die met de oude gevels op de achtergrond een geliefd plaatje van Haarlem vormt.
Natuurlijk zijn er ook vandaag weer Festivals. In de Haarlemmerhout vindt het Hout Festival plaats, een keurig familiefestival met muziek, theater en dans en de niet te vermijden foodcourt.
Op de Grote Markt zetten harmonieorkesten en blaaskapellen hun beste beentje voor. Vanaf een terras op gepaste afstand horen wij mooie koperblazers en zien we ingewikkelde choreografieën van muzikanten in veel meer kleuren dan het zwart van de schutterij uit de 17e eeuw. Batons gaan op de maat de lucht in, begeleid door zwaaiende vendels. Is dit ook cultuur? Ik denk het wel. Onderwijl eet een grote zilvermeeuw als een stofzuiger de patatjes die onder een terrastafel zijn blijven liggen.
Het beest bevestigt mijn indruk. Haarlem, het kleine broertje van Amsterdam, is een keurige stad. Geen voetbalhooligans, geen bierfietsen, geen Hoog-Catharijne, geen monstertruck, geen modern station. Er wordt gehonkbald, gecricket en muziek gecomponeerd.
En het Spaarne stroomt.
Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen
Het water gaat, wat blijft is de rivier
En wat er ook voor andere tijden komen
Hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.
(Tekst: Lennart Nijgh, muziek: Boudewijn de Groot).

1

VAN INDUSTRIE NAAR CULTUUR

Reizen

Appartementen in de voormalige spinnerij van Van Heek

We zaten afgelopen zondag al vroeg in de trein. We konden vrij reizen, dus we gingen maar eens ver weg. In ieder geval ver genoeg om het boekenweekgeschenk uit te kunnen lezen, Gemakkelijk Leven van Herman Koch. De titel was in ieder geval op ons van toepassing.
De trein zat vol met grijze koppen, het blauwe geschenk van Koch bij de hand voor de conducteur die zich niet vertoonde. Buiten deed de zon zijn best de dauw van de velden te verdampen. Donkerbruine paarden graasden het jonge, groene gras weg.
We reisden mee tot de laatste halte.
Het is het eindpunt van de trein,
Bijna geen mens hoeft er te zijn,
Bijna geen hond gaat zo ver mee:
Enschede.
(Uit het gedicht Textielstad, Willem Wilmink).
Wat zochten wij in Enschede, dat uit zijn voegen gegroeide dorp, groot geworden door de textiel, die nu al weer vijftig jaar verdwenen is? Een stad van arbeiders, waar de PVV onlangs bijna de meeste stemmen kreeg. Een plaats waar niets wat er staat ouder is dan 150 jaar. In 1862 brandde Enschede helemaal af en in de oorlog werd de stad per ongeluk gebombardeerd. In mei 2000 volgde nog de vuurwerkramp. De beelden liggen nog vers in het geheugen: mensen die weghollen onder een donkere hemel van exploderend vuurwerk en beelden van smeulende ruïnes. Het woord zeecontainer heeft sinds die ramp zijn neutrale klank verloren.
Waarom Enschede?

Rafaël, Engel, 1501

Tot en met 18 juni is er in het Rijksmuseum Twenthe de tentoonstelling In het hart van de Renaissance. Omdat een museum in Brescia ingrijpend wordt verbouwd, is men zo verstandig geweest om de collectie Noord-Italiaanse renaissancekunst een tijdje in Enschede op te hangen. Niet eerder waren in Nederland zoveel Italiaanse meesters te zien. Er hangen werken van onder meer Rafaël, Titiaan, en Moretto. Bijbelse voorstellingen naast portretten van voorname lieden uit de 16e eeuw. Uitbeeldingen van devotie, trots en stil verlangen, akelig scherp en realistisch geschilderd. De kleurige mantels en de krullen in de haren zien er driedimensionaal uit. Alleen de baby’s op Maria’s schoot lijken kleine volwassenen. In de begeleidende teksten wordt vrijelijk gespeculeerd over de details: is de eekhoorn toegevoegd als symbool voor waakzaamheid? Zie je in de blik van Jezus al de aankondiging van het toekomstige leed?

Na de onderdompeling in de 16e eeuw maakten we een stadswandeling. Een oude spinnerij en een pakhuis van het textielimperium Van Heek zijn omgebouwd tot woonappartementen. Elders zijn de weefmachines vervangen door kunstateliers. Afbeeldingen van de cover van Ik, Jan Cremer, de in Enschede geboren schrijver, sieren de gevel. In de villa’s van de textielbaronnen huizen nu firma’s voor Knowledge management en Online brand excitement, dit laatste is geen verwijzing naar het verleden.
De wijk Roombeek, in 2000 volledig weggevaagd door de vuurwerkexplosie, is onder leiding van beroemde architecten uit de as herrezen. De oorspronkelijke bewoners hebben meegedacht over de nieuwbouw. Er is veel ruimte voor onder architectuur gebouwde villa’s. De  textielfabriek Rozendaal is omgevormd tot het culturele hart van Roombeek.
Zo timmert de voormalige industriestad nu aan de weg als kennisstad en culturele hotspot. Op de trappen van Hogeschool Saxion staat dit citaat van Willem Brakman, bedrijfsarts, schrijver en jarenlang inwoner van Enschede.
De filosofie duidt
De wetenschap verklaart
Maar de kunst toont, en wel dat wat zij niet zeggen kan.
Na zo’n citaat past een blogschrijver slechts het zwijgen.

2

HET LAND VAN CUIJK

Reizen

De ochtend is winmaasdstil en vochtig. Een brede grintweg slingert zich parallel aan de dijk langs de Maas. Het bedauwde gras onder een oude appelboom ligt bezaaid met kleine appeltjes. Ganzen trekken kwakend over de landerijen. In de bleke ochtendzon ligt het Kruisherenklooster in Sint Agatha er schitterend bij. Ik proef mijn onbezorgde jeugd.

Waar de Maas vanuit het Zuiden tegen de heuvels onder Nijmegen botst en naar het Westen buigt ligt in de oksel van de rivier het land van Cuijk. Vanuit Grave wandelen wij drie dagen over het Maas- en Peelliniepad. De streek is bekend om het unieke Maasheggenlandschap. Op de zanderige oevers van de rivier liggen kleine weilanden omzoomd door eeuwenoude meidoorns en sleedoorns. Statige eiken staan te dromen langs het water. Zeldzame planten groeien langs kleine beken. Het tijdloze landschap is een paradijs voor vogels en dassen.
Laverend tussen de koeienvlaaien lopen we langs de rivier. Schepen met hopen grint en zand, die als piramides boven de laadruimte uitsteken, schuiven bijna geruisloos voorbij. De Maas is een schitterende vaarweg, maar tijdenlang was de rivier ook een barrière voor reizigers en  strijdtoneel tijdens oorlogen. Nog altijd vormt het water de scheidslijn tussen het Noorden en Zuiden van ons land.

Na Boxmeer wandelen we het achterland in.  Langs akkers, waar glimmend zwarte kraaien tussen de bleke maisstoppels hippen en de sporen van brede tractorbanden diep in de grijsbruine aarde staan. Langs stallen met hoge voedersilo’s. Hier zien we de andere kant van het land van Cuijk: nergens ter wereld is de veehouderij zo intensief als in Oost-Brabant. varkensNergens leven er zoveel miljoenen kippen en varkens op zo’n kleine oppervlakte. Nergens wordt zoveel gescheten.
De boeren weten niet meer waar ze de mest moeten laten. De grond is er vol van.
Er zijn veehouders, die zich de kritiek hebben aangetrokken. We passeren een bord waarop in kleur de voordelen van biomassa uit kippenstront worden aangeprezen. Andere boeren zijn overgegaan op het kweken van bomen. Het aantal vegetariërs neemt immers ook toe.
Het spanningsveld tussen economie en milieu is voelbaar in een bistro in Cuijk. Aan een tafeltje naast het onze fulmineert een boer met harde stem tegen de milieubeweging. ‘Ze komen alleen maar met problemen en nooit met oplossingen’. Tegenover hem zitten twee vrouwen, maar hij richt zich uitsluitend op de man die naast hem zit. ‘Nu hebben ze langs de Maas grond gekocht en gaan ze daar stiltegebied van maken. Ongelooflijk! Dat is beste landbouwgrond’.

We lopen richting Overloon. Over door eiken omzoomde weggetjes, waar smalle banen zon door de veelkleurige bladeren breken en de glimmende shirts van wielrenners even verlichten. Vanuit Sambeek klinkt klokgebeier over de velden. Misschien schuifelen er enkele Zusters van Liefde naar de kerk.
Koeien houden op met grazen als wij langslopen. G zingt een liedje over een koe uit Apeldoorn. Die was haar staart verloren, zomaar midden in de week. Waarschijnlijk is ie er onverdoofd afgehaald en verwerkt in de ossenstaartsoep van de Unox in Oss.
De boeren klagen over de milieumaatregelen. Zij kunnen niet meer concurreren tegen het buitenland. Daar wordt bovendien nog driftiger met antibiotica gestrooid. In de Provinciale Staten hebben de Brabantse agrariërs de steun van CDA, VVD en SP.
Bij een volgende wei steken twee bruinzwarte paarden hun kop over het hek. Zij willen een aai over hun kop, pardon hun hoofd. Wat een mens- en milieuvriendelijke dieren zijn dat toch.

1

RIVIÈRA

Reizen

menton 2Mediterranée, zo blauw, zo blauw
met je mademoiselles, belles, belles, belles
Mediterranée
De boodschap van Toon Hermans meer dan vijftig jaar geleden was duidelijk: wie met zijn tijd mee wil gaan, gaat  niet meer uit in eigen land, niet meer naar Monschau of de grotten van Han, maar naar de Franse Rivièra.
Mijn beste vriendje hoorde tot de voorlopers. Hij ging elk jaar met zijn ouders naar de Franse zuidkust.  Met de vouwcaravan, dat was nog zo’n noviteit. Verder kende ik niemand die naar dat ver gelegen paradijs ging. De Rivièra, alleen al het woord had een magische klank. Altijd zon, een prachtige blauwe zee, en mooie zandstranden, dat moest wel bijna de hemel zijn.

Het was er nooit van gekomen, maar in 2016 lopen G en  ik dan echt het strand aan de Franse Middellandse zeekust op, in Menton. Het is er allemaal: een stralende zon, palmbomen, een turquoise zee van een niet te evenaren helderheid, de blinkend witte jachten. Evenwijdig aan het strand eerst een onafzienbare rij eettentjes, daarachter een drukke straat waar de obers behendig tussen de cabriolets en de scooters door laveren, daarachter weer de hotels, in lila, beige en zachtgele kleuren, en het kolossale casino.
Wij komen aangelopen vanuit de bergen van de Alpes Maritimes, waar we een week lang van plaats naar plaats getrokken hebben. Wij waggelen niet met strandstoelen, parasols en volle tassen het strand op, maar halen een simpele handdoek uit onze rugzak, trekken schielijk onze badkleding aan en strompelen dan bij gebrek aan waterschoenen, als ouden van dagen zonder rollator, over een strook met kleine keien naar het uitnodigende, goddelijke water. Mediterranée, zo blauw, zo blauw.
Nadat we druipend en wankelend zijn teruggekeerd volgt Het Moment. De kern van waar het om te doen is, de essentie van de strandvakantie: we liggen languit, sluiten onze ogen en laten onze lichamen koesteren in de warmte van de zon. Het toppunt van vakantie voor velen.

Om ons heen zien wij een collage van nog witte, glimmend rode, en bruine lijven.  Diepbruin kleuren  enkele oudere dames naast ons. Die moeten hier het hele jaar al gelegen hebben, in hun strijd tegen de voortschrijdende ouderdom. Mademoiselles, belles, belles, belles. Een van hen is voortdurend in de weer met de verstelbare zonwering  op haar ligstoel, een ander met de bandjes van haar bikini. Bruinen is geen sinecure.
In het ondiepe water staat een corpulente vijftiger meer dan een half uur lang zonder zich ook maar een centimeter te verplaatsen. En langs de vloedlijn trekt een optocht van badgasten: de slenteraars, de hardlopers, de zwaarlijvigen, de ‘zie-mij-hier-eens-lopers’. Je kunt toch niet de hele dag op je krent liggen.

France, Côte d'Azur, Menton: Beach Scene | Frankreich, Côte d'Azur, Menton: Strand

Vóór ons ligt een man met grijze haren en een uitgelubberde buik. Aan voor- en achterzijde is hij lelijk bruin. Deze morgen is hij bezig om de zijkanten van zijn lijf een bruinbeurt te geven. Vervolgens, we weten niet wat we zien, maar het is echt waar, steekt hij een elleboog in de lucht en zijn hand achter zijn hoofd, zodat hij zijn oksels kan bruinen. Eerst links, zolang als zijn oude spieren de arm in de lucht kunnen houden, dan rechts. Het is jammer voor de man, dat het op dit strand niet toegestaan is om de bilnaad te bruinen.
Merkwaardig toch dat het voltooid deelwoord van zonnen gezond is.

Lang geleden was zo’n strandvakantie voor velen niet meer dan een mooie droom, zoals voor Boze Buurman Boordevol uit Ja Zuster, Nee Zuster:
…geld, geld, geld en als ik dat heb, dat geld, dan zeg ik: hoeveel kost die auto, twintig mille? Da’s een schijntje zeg. Nee hij hoeft niet worden ingepakt, ik scheur er subiet mee weg, naar de Ri-vi- jei-ra, naar de Ri-vi-jei-ra.

1

LA DOUCE FRANCE – DEEL 2

Reizen

Na 16 jaar brachten we weer eens onze zomervakantie door in Frankrijk. Zou het land veranderd zijn, vroegen we ons af.

Op een zonnige vrijdag om 10.30 uur parkeren we onze auto in Fontvieille, een dorp niet ver van Arles (Provence). We lopen door kleine, stille straatjes, waar de electriciteitsdraden diagonaal van huis naar huis lopen en passeren een smid, die buiten voor zijn werkplaats een spijl aan een smeedijzeren hek last. In een volgende steeg klinkt Franse accordeonmuziek uit openstaande deuren. We zien een man binnen in het halfduister werkloos aan tafel zitten. Hij kijkt verveeld alsof hij alweer naar de avond verlangt.

fontvieille 1Verderop horen we kerkelijk gezang. We komen aan op een kerkplein en zien de kolossale deuren van de kerk wijd open staan. Nieuwsgierig blijven we even staan op de trappen voor de ingang. Het altaar voorin de kerk is goed verlicht. De priester staat achter een katheder naast enkele manshoge brandende kaarsen. Verspreid over de kerkbanken luistert zo’n twintigtal ouderen naar de sonore bariton van de priester. Als we verder lopen, merk ik dat ik zonder nadenken mijn strooien hoed had afgenomen.

Bij de Alimentation steken we de hoofdweg van het dorp over. Iemand heeft nog onlangs met witte verf in koeieletters CGT op de straat geschreven, de naam van een vakbond. Dat is waar ook, we zijn in Frankrijk. Een paar dagen geleden staakte het treinpersoneel. Misschien dumpen morgen de boeren hun mest op de stoep van de Mairie.

We komen op een plein met platanen. Er staan vier rijen marktkramen. Tussen de uitstallingen van olijven, herbes de provence, lederwaren en kleding loopt een klein aantal mensen. Mannen lopen een meter achter hun vrouw aan, ik ben een van die mannen. Vanuit een kraam met stapels rieten tassen kijken twee dames, het haar in een pony zoals Mireille Mathieu, verwachtingsvol naar potentiële klanten. We vragen ons af of de kleinkinderen zo’n tasje leuk vinden. Daarnaast heeft een oude aardappelman ruzie met zijn digitale weegschaal. Hij duwt zijn sterke bril nog wat steviger op zijn neus en vervloekt het apparaat.

Een agent van de Police Municipale staat naast de verkoper in diens viskraam. De politieman draagt een Amerikaanse baseballpet en een driekwarts broek. Het gezag in een modern jasje. Mollige moeders doorzoeken de kledingrekken, halen er een jurk uit, keuren en hangen deze dan weer terug. Een boomlange neger prijst zijn portemonnees aan. fontvieille 2Daar zien we dezelfde agent weer. Nu staat hij bij de bakker onder het luifel, zelfgenoegzaam kijkend alsof zelfs het mooie weer door hem geregeld is. De bakker wikkelt een kleine strook papier om het stokbrood.

We kijken en snuffelen, G houdt zich nog een blouse voor, door de kleine verkoper op gepaste afstand met belangstelling gevolgd, maar we kopen niet. Als vanzelf belanden we aan het einde op een terras. Er staan parasols van Paulaner Bier. Duits bier op een Frans terras. De Europese integratie schrijdt voort. Er is wifi en als de ober merkt dat wij geen vlekkeloos Frans spreken, gaat hij automatisch over op het Engels. Dit zijn de kleine veranderingen die we merken. Voor het overige lijkt Frankrijk gewoon Frankrijk gebleven.  Misschien ligt daar wel een probleem.

 

 

1

LA DOUCE FRANCE

Reizen

boulangerieIn 1973 was ik voor het eerst op vakantie in Frankrijk. Ik fietste met een vriend langs campings in de Corrèze en  de Dordogne.
Ik was meteen gegrepen door het Franse dorpsleven. De pleintjes met de platanen, de gekleurde lichtjes en de jeu-de-boulesbaan. De baguettes en croissants, die we elke morgen vers bij de boulangerie haalden. De saamhorigheid van de grote families, die buiten onder een kastanje aan een lange tafel de maaltijd gebruiken. De gezelligheid van de kleine kermis, het nostalgische draaimolentje, de musettes van de accordeonist, de volksspelen en zangwedstrijden.
Een paar jaar daarvoor had ik hetzelfde aantrekkelijke landleven gezien in de film Le Boucher van Claude Chabrol.
Frankrijk voelde ouderwets en behoudend. Het leek op het overzichtelijke, onbezorgde leven van mijn jeugd. Ergens in mijn achterhoofd wist ik dat de werkelijkheid minder mooi en zorgeloos was. Net zoals het dorpsleven in Le Boucher een façade was waarachter de meest vreselijke dingen gebeurden. Maar wie op vakantie is, zoekt het genot en het vertier. Dat bood Frankrijk in ruime mate.

Daarna ben ik nog vele malen op vakantie geweest in Frankrijk, met vrienden en vanaf de tachtiger jaren met G en de kinderen. Elk jaar bezochten we weer een andere streek, het land is er ruim genoeg voor. De stapel Michelinkaarten werd elk jaar groter.
Ga je naar Frankrijk dan ben je in één dag rijden op je bestemming. Het weer is er goed, het eten uitstekend en de wijn betaalbaar. Elk dorp heeft zijn eigen camping en de Tour de France is nooit ver weg. Er is genoeg te wandelen, fietsen of klimmen. In de oude dorpjes staan de kerken, kloosters en musea open.
De uitdrukking ‘leven als God in Frankrijk’ is niet voor niets ontstaan.
Een vakantie in Frankrijk was voor ons in die tijd net zo gewoon als je tanden poetsen aan het einde van de dag. Vrienden en bekenden deden hetzelfde, we kwamen hen ook tegen, verwacht èn onverwacht.
We stonden er nauwelijks bij stil. Als de auto tot de nok volgeladen was, reed ie als vanzelf naar het Zuiden. De rustplaatsen langs de Autoroute waren de opmaat voor een vakantie met garantie. Frankrijk is de Mozart onder de vakantielanden: altijd aangenaam en je weet wat je krijgt.

Dat die grote landbouwmachines iedere avond nu net naast de camping hun lawaai moesten produceren, dat hoorde bij het landleven. En dat sommige campings verzamelplekken werden van Nederlanders namen we voor lief. Net als  de diarree na het eten van tripe en het gruwelijk opjagen van eenden tijdens een dorpsfeest. Het paradijs bestaat nu eenmaal niet.
Hoe groter de kinderen werden, hoe groter de camping die zij wilden. Een zwembad werd een vereiste. Dat botste nog wel eens met ons verlangen naar rust.
petanqueToen ze na verloop van tijd niet meer met ons op vakantie gingen, was het opeens over met onze liefde voor Frankrijk. Het was geen weloverwogen besluit. Er lag geen plan aan ten grondslag. Het hoefde niet meer.
Op een paar dagen na zijn we sinds het jaar 2000 niet meer in Frankrijk geweest.
Dus het is wel weer eens tijd om de Autoroute op te zoeken.
De komende twee weken gaan we kijken hoe het met Frankrijk gaat.
In de voorbereiding zei ik tegen G: ‘Ik wil wel een streek met leuke dorpjes,  dorpspleintjes met gekleurde lampjes, een jeu-de-boulesbaan en een draaimolentje’.
Ik ben al net zo behoudend als de Fransen zelf.

0

STEENEIKEN IN DE MIST

Reizen

steeneikWe maken een meerdaagse wandeltocht in de Sierra de Grazalema, een bergachtig gebied in Andalusië. Omdat G vanwege last aan haar knie een dagje overslaat loop ik in mijn eentje de etappe naar Benaocaz.
De vorige dag heeft het aanhoudend geregend. Ik reken deze dag op wat minder nattigheid, maar als ik na een half uur over een stenig pad omhoog klim, valt de regen met bakken uit de hemel. Na een uur voel ik dat het water bij mijn schouders en armen mijn jas binnenkomt.
Ik sta even stil. De lucht ziet aan alle kanten donkergrijs. Ik kan nog omkeren, gaat er door mij heen.
Dan loop ik verder.
Boven op een pas kom ik bij een houten wandelwijzer. Druipend aan alle kanten diep ik de routebeschrijving op uit een binnenzak. De regendruppels vallen met een dof geluid op de plastic beschermhoes. De beschrijving stuurt mij het pad op waar ik net vandaan kom.

Verontwaardigd kijk ik naar het papier. ‘Klote beschrijving’, roep ik in de leegte.
Vind ik dat nog  wel leuk? Hoe lang ga ik nog door?
Ik volg mijn eigen richtinggevoel en hervind na een poosje bij een waterbekken voor vee de route. Het is een verlaten gebied. Er zijn geen dorpen onderweg, alleen enkele tot ruïne vervallen boerderijen. Om mij heen is er het geluid van de regen. Wind is er niet, vogels laten zich niet horen.
Dan zie ik boven mij, dwars over het smalle wandelpad, een rund van kolossale afmetingen. Het beest lijkt verdacht veel op het stenen exemplaar, dat naast het stierenvechtersstadion in Ronda staat. De hoorns zijn mega groot. En ik draag een donkerrode jas. Aan de gele flap in zijn oren zie ik dat hij EU-gecertificeerd is. Hoewel dit enig vertrouwen inboezemt, loop ik toch maar met een grote boog om de stier heen. Als ik het beest met een quasi-ontspannen loopje gepasseerd ben, zie ik uiers tussen de achterpoten hangen.

Dan neemt de regen af en gaat over in mist. Terwijl de routebeschrijving mooie uitzichten presenteert, loop ik ergens op de Spaanse hellingen onder een matglazen stolp. Ik zie alleen silhouetten van steeneiken om mij heen. Zou iemand niet eens een mooi gouache daarvan kunnen maken?
Wat doe ik hier eigenlijk, vraag ik me af. Ik ben gekomen voor de natuur, de ontspanning en een beetje mooi weer, maar ik tref niets van dat alles.
Waarom loop ik dan door?
Niet, omdat ik een held wil zijn, die de ontberingen opzoekt.
Ik hoef ook niet met mezelf geconfronteerd te worden. Of zijn dit soort vragen al een vorm van confrontatie?
Bij het zien van de sombere weersvoorspelling deze ochtend in het hotel zei een Engelse zestiger die deel uitmaakt van een wandelgroep: ‘Of course we will walk today. That’s why we’re here for!’ Dat is me toch te star.

Als ik stil sta om een broodje te pakken komt het inzicht. Het is geen nieuw idee, ik weet het eigenlijk wel, maar het laat soms even op zich wachten voor het bovendrijft: ook als de omstandigheden niet meewerken kan je genieten van wat er is. De donkerrode bergviooltjes en al die andere bloemen waarvan ik de namen niet weet. De beken met het snel stromende water. Ik maak er een sport van om op de zompige weiden van steen naar steen te springen.
De mist trekt wat op en dan zie ik aan het begin van de middag beneden mij de witte huizen van Benaocaz. Even later loop ik door de nauwe straatjes van het dorp. Het is er stil. Alleen uit de openstaande deuren van de cafés klinkt er gepraat en gelach van mannen. Zij kijken niet op van de verzopen toerist die met een regenbroek vol modderspatten langsloopt.