Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Muziek

4

TOT HET BITTERE END

Muziek
Er zijn tal van fysieke gevaren die de beoefenaar van de zangkunst bedreigen.
Het op één na grootste gevaar betreft de aantasting van de stembanden door verkeerd gebruik van de stem of door een verkoudheid. Zo had ik zelf de afgelopen weken door een langdurige verkoudheid veel slijm in mijn keel, waardoor mijn stem soms oncontroleerbaar alle kanten opschoot.
Er zijn ook andere ongemakken.
Vorige week wendde een lezeres van Trouw zich tot de medische rubriek van de krant. Zij zingt al jaren met veel plezier in een koor, behalve op de momenten dat zij last heeft van winderigheid. En laat die flatulentie zich nu uitgerekend tijdens de koorrepetitie voordoen!
Tja. Ik geloof echt, dat dit een probleem kan zijn. Eerlijk is eerlijk, bij mij ontsnapt er ook wel eens wat, zij het niet in die mate, dat ik op zoek ben gegaan naar hulp. Deze lezeres was blijkbaar ten einde raad. De enige uitweg die ze zag was een brief naar de Lieve Lita van Trouw. 
De krant maakt zijn serieuze naam helemaal waar. Men heeft een maag-darm-arts geraadpleegd. Deze specialist weet alles over gasvorming in de dikke darm. ‘Zangers halen vaak diep adem en als daardoor de druk in je buik toeneemt, kunnen gassen wel eens de weg van de minste weerstand kiezen’. Dat laatste klinkt logisch, al heb ik nooit geweten, dat darmgassen een keuze hebben.
De lezeres hoeft zich echter niet te schamen. ‘De mens laat gemiddeld dagelijks tussen de tien en vijftien scheten’. Dat is aardig wat. Die beroemde 19e eeuwse Franse petomaan zou er wel raad mee geweten hebben. Was hij lid geweest van een muziekgezelschap, dan had hij als fagot meegedaan. Het therapie-advies van de maagspecialist is iets praktischer: gebruik de maaltijd na afloop van de repetitie en kijk nog eens naar de ademhaling. En als dat allemaal niet helpt: ‘Vrouwen staan vaak vooraan in het koor. Het wordt wellicht wat minder genant, wanneer ze zich wat meer naar achteren opstelt’. Binnenkort kunnen we het meemaken: een koor in een normale vierpartijen opstelling en hier en daar, wat meer naar achteren, staan enkele lijdende éénlingen krampachtig met de billen te knijpen en lucht weg te wuiven.
Er zijn grotere ongemakken denkbaar.
Fysiek gevaar nummer één, zo weten doorgewinterde zangers, is de veroudering. Dan kan je denken aan het achteruitgaan van de ogen, de oren, het geheugen of het vermogen om langdurig te staan. Soms zie ik in een akelige droom, dat ik een optreden op een stoel onder een megasterke lamp en met en loep moet afwerken.
De grootste zorg is dat de stembanden, die precies werkende spiertjes, onnauwkeurig en inflexibel worden. De stembanden laten dan vanzelf wat meer lucht door (ook daar al). De stem klinkt zwakker en is minder goed te controleren.
Voor de feestavond ter gelegenheid van het 6elustrum van mijn koor Decibelle heb ik twee jaar geleden over deze kwestie het volgende lied geschreven.
Melodie en idee: Drs. P., de Dodenrit (ook bekend onder de naam de Troika hier, Troika daar).
1
We zingen elke woensdag en we maken veel plezier
Elk jaar een nieuw programma en op tijd een glaasje bier
We zingen met z’n allen nu al bijna dertig jaar
Maar ongemerkt en langzaamaan verschijnt er een gevaar….
2
De ogen worden slechter en onthouden wordt een plaag
De rimpels worden erger en van alles hangt omlaag
De stembanden verweken en nog veel meer averij
De ouderdom die komt nu toch wel heel snel dichterbij
3
Wie zal als eerste stoppen, dat is voor ons een vraag
’t kan komend jaar gebeuren maar ook zomaar nog vandaag
We blijven moedig zingen omdat dat ons goed bevalt
Van Als de ziele luistert en daar gaat de eerste alt
4
We zingen een noot lager en we nemen nog eens les
Een grote sterke bril en een slokje uit de fles
En nu Verleih uns Frieden, in een gestrekte draf
Het mag helaas niet baten: twee tenoren vallen af
5
We zingen nu eenstemmig, het vibrato is erg groot
We ademen na ieder woord, we zakken steeds een noot
En van de dynamiek, komt weinig meer terecht
Entflieh mit miren dan opeens zijn vier sopranen weg
6
De ene na de ander loopt nu bij een specialist
We vragen om begeleiding van een goede pianist
We gaan er maar bij zitten, zwijgen bij die hoge noot
Mon coeur se recommend’ en alle bassen zijn nu dood
7
We zijn nog met zijn tweëen en we zingen ongestoord
We treden enkel op voor blinden, doven, enzovoort
We zingen kinderliedjes en eenvoudige chansons
En als het niet meer gaat, dan zingt de zuster wel voor ons
Ook al worden wij dement – wij gaan door tot ‘t bitt’re end
Ieder jaar meer corpulent – wij gaan door tot ’t bitt’re end
En ook erg incontinent – enz.
Zonder mijn medicament
Impotent en decadent
Met en zonder dirigent
Vaak absent en veel ellend
Zonder cent en zonder vent
Geen talent en niks gewend
Permanent mot in de tent
Altijd windjes aan de krent
Met en zonder instrument
Tot ons laatste incident – wij gaan door tot ’t bitt’re end

 

3

DE WARMTE VAN EEN ALT

Muziek
Mocht men mij onverhoopt in een quiz vragen om drie wereldberoemde, nog actieve alten te noemen, dan zou ik, ondanks dat ik dagelijks evenveel klassieke muziek luister als een gemiddelde Nederlander televisie kijkt, met mijn mond vol tanden zitten. In nagenoeg alle concerten die ik de laatste jaren heb bijgewoond werd de altpartij door een countertenor vertolkt.
Kijk je in Wikipedia naar de lijst van klassieke zangeressen, die een plekje hebben in de online encyclopedie, dan staan er bijna uitsluitend (mezzo-)sopranen. Kortom, de alt lijkt een uitstervend ras.
Met name in de oude muziek hebben countertenoren het werk van de alten overgenomen. In de 17e en 18e eeuw werden alle partijen door jongens of mannen gezongen. De inzet van countertenoren past daarom goed bij de historische uitvoeringspraktijk.
Countertenoren zingen meestal technisch perfect. Zij laten hun stem elastisch en zuiver in de hoogte rondtollen. Dat geeft een mooie klank zonder rafels. Ze hebben daarbij het voordeel dat zij niet met een stembreuk te maken hebben. Andreas Scholl, Philippe Jaroussky, Damien Guillon of Maarten Engeltjes kunnen prachtig zingen.
Toch hoor ik liever een alt.
Het geluid van een alt is warmer en rijker aan klank. Door de borststem hoor je meer verschillende tinten. Wat sommigen te zwaar vinden (‘die stem van Natalie Stutzman kan echt niet bij Bach’) vind ik mooi. Om dezelfde reden hoor ik ook liever een gewone sopraan dan een jongenssopraan. Het jongensgeluid klinkt ijler.
Nog mooier dan een alt vind ik een een contra-alt of lage alt. Dat is warmte, gevoel en melancholie in het kwadraat. Daarvoor zet ik de radio harder. Laat ik het werk uit mijn handen vallen. Of zet ik de auto aan de kant. Dan geef ik me over aan dat hemelse geluid. Kon ik met zo’n alt nog eens een duet zingen!
Kathleen Ferrier en Aafje Heynis waren in de twintigste eeuw beroemd om hun lage timbre. Tik je wereldberoemde alten in op Google, dan kom je hun namen tegen.
Maar ook deze tijd kent zijn mooie contra-alten. Delphine Galou is er zo een.
Ik kan er nog zoveel over schrijven, beter is het om de zangers te horen.
Luister eens naar twee versies van de meest beroemde altaria, Erbarme dich uit de Matthaeus Passion van Johann Sebastiaan Bach. De eerste opname is van de countertenor Damien Guillon, de tweede van Delphine Galou.
(de zangers zetten na ongeveer één minuut in)
Over smaak valt niet te twisten. De een vindt dit mooi, de ander dat.
In het geval van de voorkeur voor een countertenor of een alt speelt er echter nog een ander element mee.
Bij een alt hoor je een vrouw. Bij een countertenor komt er een vrouwelijk geluid uit een mannenlichaam. Dat laatste werkt vervreemdend. ‘Wat is dat voor man, die zo gek vrouwelijk zingt? Is het een achttiende eeuwse castraat? Dan toch zeker wel een homo!’ Alfred Deller, de eerste grote countertenor uit de twintigste eeuw, zette een portret van zijn vrouw en kinderen op de piano om dit soort gedachten tegen te gaan.
Toen ik zelf leerde om hoger te zingen vond ik het aanvankelijk ook raar om mezelf met een hoge stem te horen. Toen ging het niet eens over zingen met een kopstem.
Countertenoren tasten het beeld van de mannelijke identiteit aan. Dat is voor mannen misschien nog meer verwarrend dan voor vrouwen. Mijn hypothese is, dat mannen liever een alt horen en dat het voor vrouwen niet uitmaakt.
Mannelijke zangers kunnen dus het gehele register kiezen. Er zijn zelfs mannen die sopraanpartijen zingen, sopranisten. Vrouwen zijn beperkter in hun keuze. Dat botst met mijn ideaal van gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Alten moeten de tenoren maar terugpakken door als teneuze te gaan zingen.
Laten de andere alten de podia terugveroveren. Alten aller landen: laat uw arias galmen!
0

HET KLASSIEKE HART

Muziek
In het radio 4-programma De Klassieken mag elke week een Bekende Nederlander 5 favoriete muziekfragmenten laten horen. De BN’er vertelt daarbij over zijn leven. Omdat ik geen BN’er ben en de kans daarop met de dag tot nagenoeg 0% daalt, gebruik ik dit weblog om mijn huidige muziekkeuze te laten horen. Mijn stelling hierbij is: wat je in een bepaalde periode mooi vindt, hangt nauw samen met je leven in die fase.
Als kind heb ik thuis veel klassieke muziek gehoord. Of, beter gezegd, moeten horen. Mijn vader was een groot liefhebber. Ik kan niet zeggen, dat ik het mooi vond, al heb ik als kleuter wel eens boven op een stoel gestaan om een vioolromance van Beethoven te dirigeren. Dat leek me een fluitje van een cent, dat dirigeren.
Zo rond mijn 21e werd ik voor de eerste keer echt geraakt door klassieke muziek. Ik volgde met een groep een stottertherapie. We lagen op een dekentje voor een ontspanningsoefening. Ik voelde me geheel vrij van angsten en zo vol zelfvertrouwen, dat ik de hele wereld aan kon. Op dat moment liet de therapeute het Andante horen uit het 12e  pianoconcert van Mozart (KV 414) en belandde ik in een bovenaardse staat van gelukzaligheid.
Klassieke muziek kreeg vanaf toen een plaats in mijn leven, zij het nog aan de rand. Want ik hield vooral van popmuziek.
De volgende doorbraak kwam begin negentiger jaar. We wilden onze zoons van 6 en 8 laten kennismaken met klassieke muziek. Dat had ik dan toch van mijn vader overgenomen. We kochten een abonnement op een kinderserie in muziekcentrum Vredenburg. De kinderen waren na drie concerten wel uitgekeken, maar G en ik hebben sindsdien elk jaar een abonnement op een serie concerten. Ik begon ook thuis naar klassieke muziek te luisteren,  grote werken van 19eeeuwse componisten als Beethoven, Dvorak, Mendelssohn en Brahms. Klassieke muziek was voor mij in die jaren een rustpunt in een druk leven met verantwoordelijkheden. Ik kreeg een voorliefde voor Brahms met zijn afwisseling van donkere en llichte melodieën, zoals hier in het eerste deel van de tweede symfonie.
Daarna raakte ik in de ban van de vocale muziek en van religieuze werken. Ik was lid geworden van het kamerkoor Decibelle. In mijn eerste uitvoering zongen we het Requiem van Michaël Haydn. De schitterende harmonieën galmden nog lang na, niet alleen in de kerk, maar ook in mijn hoofd. Ik kocht cd’s van missen, requiems en oratoria. Gulzig luisterde ik keer op keer naar de op muziek gezette kerkelijke teksten. Zelfs sopraanaria’s, die ik tot dan toe als gegil had bestempeld, begon ik mooi te vinden, met dank aan het Laudamus te uit Mozart’s mis in c mineur.  
Ik heb niets meer met de kerk. Desondanks kan ik van religieuze muziek geen genoeg krijgen.  Het brengt me terug in het veilige, overzichtelijke leven van mijn kindertijd. Bovendien gaan religieuze werken over de wezenlijke zaken in het leven. Over lijden en pijn, maar net zo vaak over troost en aanvaarding.
Ik luisterde al regelmatig barokmuziek, maar in 2013 werd ik echt verliefd op de barok. Ik deed mee aan een een zomerweek. Met een groep goed geschoolde zangers en instrumentalisten zongen we stukken van Händel, Rameau en Lully.  Wat een heerlijk tempo, wat een vrolijke nootjes! Muziek om op te dansen.
In korenland is al enkele jaren 20e eeuwse muzieke van noord-europese componisten, zoals Pärt, Kreek en Nysted populair. Er zijn mooie stukken bij met lang aangehouden noten en met schurende harmonieën die altijd wel weer ergens oplossen in consonante drieklanken. Muziek om te luisteren als je mindfull op je dekentje tussen de waxinekaarsjes ligt. Blijkbaar is dat op dit moment niet zo mijn behoefte. Na een paar stukken verlang ik naar tempo.
Ik ben verder de barok ingedoken, in de laatrenaissance en de vroege barok. Ik kom naast weemoed veel vrolijke muziek tegen, waarin de luit, de theorbe en andere voorlopers van de gitaar een belangrijke rol spelen en waarin oude blaasinstrumenten als de cornetto jazzy improvisaties laten horen.
Het ensemble L’Arpeggiata, onder leiding van Christina Pluhar, heeft er zijn bekendheid mee verdiend. Sommige mensen vinden dit geen klassieke muziek meer.
Vijf muziekfragmenten en niets van Bach, dat kan eigenlijk niet. Die bewaar ik dan voor een volgende keer. Over een tijdje heb ik waarschijnlijk weer andere voorkeuren. De klassieke muziek is een oneindig universum.

 

1

UTRECHTSE LIEDJES

Muziek
De acteur Rijk de Gooyer (1925 – 2011) was de zoon van een gereformeerde banketbakker aan de Bemuurde Weerd in Utrecht.  Na de oorlog werkte hij korte tijd als leerling-verslaggever bij de NCRV. Hij werd er ontslagen nadat hij de communist en homoseksueel Jef Last had geïnterviewd.
Later trad hij in dienst bij de VARA. Een onderdeel van het radioprogramma Showboat was Eli Assers radiostrip Mimoza (afkorting voor Ministerie voor Moeilijke Zaken). Rijk de Gooyer speelde daarin het Utrechtse typetje Bartels (Bààrtels). Hij werd er in korte tijd razend populair mee. Zijn Goejdààg werd een vaste uitdrukking in die dagen (en veertig jaar later weer in de tv-reclame voor Reaal Verzekeringen). Bartels was een vertegenwoordiger in apparaten uit Hààrmele. Hij ging met weinig succes langs de deuren, zoals bezongen in dit lied:
’t Benne krenge van dinge, ik wou dat ze gingen
Ik jakker door stegen en straotsies
Zo loop ik te leure, langs ramen en deure
M’n koffertsjie vol àppàraotsjies
Ze smàkken me van de tràp
En ik voel me al zo slàp
Maar iedereen verwàch
Dat ik toch nog zeg: Goejdààg
http://youtu.be/ZIU4c3c22Eg(Let op het drumwerk bij de regel Ze smakken me van de trap en op het einde van de plaat).
Het werd in 1956 de Gooyer’s eerste single. Op de B-zijde (!) stond Als ik boven op de Dom kom.
Het muziekblad Tuney Tunes schreef in een recensie:
“De populaire Bartels-figuur uit het Mimozaprogramma van de Showboat debuteert hier op de plaat met twee typisch Barteliaanse werkjes. Geestig en vol spirit brengt hij ze en we geloven wel, dat Bartels (Rijk de Gooyer) en zijn vele luisteraar-bewonderaars van plaatjes als deze plezier zullen hebben”.
Dat plezier hebben we zeker gehad. In de tachtiger en negentiger jaren traden vriend Theo en ik op in buurthuizen, verzorgingshuizen en op feesten en partijen. Onder de naam W. & D. Moed zongen we nostalgische, nederlandstalige liedjes; populaire nummers met een lach en een traan. Als duo uit Utrecht hadden we vanzelfsprekend een aantal Utrechtse liederen op het repertoire. Zo zongen we Gebroken harten van de Limburgse Selvera’s in het plat Utrechts. Als we ’t Benne krenge van dinge zongen, haalde ik een vijftigerjaren Elaul mixer uit een koffertje tevoorschijn.
Het meeste succes hadden wij met een ander Utrechts lied van Rijk de Gooyer. Het gaat over iemand die teveel gedronken heeft. Wie kon dat beter zingen dan Rijk?
Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand dit lied zong. Het staat niet op YouTube en de titel geeft op Google geen enkele hit. Omdat ik dit graag zo wil houden, volgt hier alleen het eerste coupletje.
Bij het eerste bàkkie koffie en de kràànt
Nog geen vuiltsjie aan de luch, niks aan de hàànd
Maor toen ik een kwartiertsje zàt
Dàch ik hé-wàt-dàchie-wàt
Ik gao mooi nog effe plàt
Maor het hielp geen spàt.
Wie de rest wil horen, komt op zaterdagavond 15 november a.s. tijdens het Smartlappenfestival naar café de Potdeksel aan het Lucas Bolwerk in Utrecht. Daar maak ik na meer dan 16 jaar mijn come-back als zanger van het populaire lied. Vanaf 20.30 uur zingen vriend Ad en ik samen een half uurtje vol over de zoektocht naar de liefde en de geneugten van het café. Omdat we (nog) geen naam hebben, heeft de organisator van het festival ons als de Zonnetjes  op de kaart gezet. Er is maar één zon, maar van zonnetjes kan je er meerdere in huis hebben. 
Mocht je willen komen luisteren, kom dan op tijd. Café de Potdeksel loopt tijdens dit festival  al snel vol.
0

O GRADITA MIA FERITA (O AANGENAME WOND)

Muziek
Claudio Monteverdi is een Italiaanse componist, die leefde van 1587 – 1643. Hij werd onder meer bekend door zijn madrigalen. In deze wereldlijke liederen, geeft hij uitdrukking aan individuele emoties, zoals verliefdheid en verdriet. Voor die tijd had nog niemand dat zo gedaan.
In juli ben ik voor een zangweek in Tsjechië. De leiding heeft bedacht, dat ik een duet ga zingen met een sopraan, begeleid door enkele instrumentalisten. De keuze is gevallen op Septimusvan John Blow en Chiomo d’oro van Monteverdi. Dit laatste lied is weliswaar geschreven voor twee sopranen, maar ook voor een bariton zou de lagere partij haalbaar zijn.
Chiomo d’oro gaat over een geliefde, die er zó mooi uitziet, dat het zelfs pijn doet.
Een van de begeleiders in de zangweek is een Italiaan, die niet alleen een uitstekend clavecimbelspeler is, maar ook een kenner bij uitstek van het werk van Monteverdi. Hij is dus de aangewezen man om ons te coachen.
Terwijl ons ensemble aan het studeren is, komt hij voorzichtig de oefenruimte binnen. Hij wil eerst graag een toelichting geven op het werk van Monteverdi. Voor een goede uitvoering moet je het stuk immers doorleefd hebben.
In de teksten en de muziek van de madrigalen, zo begint hij, is een diepere laag aanwezig. De liederen werden in de 17e eeuw vaak gezongen in een kleine kring van ontwikkelde mensen. Er werden bedekte termen gebruikt om de fysieke aantrekkelijkheid en de erotiek te omschrijven.
De Italiaan begint nu langzamer te spreken. Hij zoekt naar de juiste woorden.
In Chiomo d’oro wordt niet alleen de schoonheid van een man bezongen, maar ook – zijn ogen draaien nu weg –  …eh, hoe moet je dat zeggen… hoe heerlijk het is om seks te hebben met deze man. Dit wordt via metaforen duidelijk gemaakt. Waar gezongen wordt over het gebonden of losse haar van de man wordt the penis bedoeld. De roos die zijn lichaam bedekt is het vrouwelijk schaamdeel en de pijn, de aangename wond waarmee het lied eindigt, verwijst naar het orgasme.
De Monteverdi-kenner lacht er verlegen bij. Met nadruk vraagt hij om deze uitleg niet te zien als zijn persoonlijke interpretatie. Al is hij Italiaan, hij heeft geen dirty mind. Alle musicologen zijn het over deze interpretatie eens.
Ik ben verrast. Dat ik over de aantrekkelijkheid van een man sta te zingen, daar valt mee te leven. Maar wat te denken van de uitleg van de Italiaan? Zijn toelichting heeft toch ergens iets weg van Thijs van den Brink die voor de EO vertelt hoe we Hele Grote Bloemkolen van André van Duin moeten opvatten.
Ik kijk de kring eens rond. De Poolse claveciniste, een zeer getalenteerde jonge vrouw, tuurt ingespannen naar haar partituur, alsof haar bril niet sterk genoeg is. De corpulente Tsjechische cellist zit te hijgen, waarschijnlijk omdat hij tien minuten daarvoor een trap is opgeklommen. Eén van de twee blokfluitistes blaast opzichtig door de kop van haar instrument, met de kennelijke bedoeling om het vocht te verwijderen. Hetgeen in deze context toch als een erotisch moment kan worden opgevat. Maar misschien is zij in gedachten wel bij Blow.
De sopraan naast mij is een keurige, net gepensioneerde vrouw. Hoe ik ook zoek, ik  kan bij haar geen bijzondere gaven ontdekken in de expressie van erotisch getinte liederen. Ik krijg het vage gevoel, dat ik bij de uitvoering niet teveel op haar moet leunen.
Nadat de Italiaan nogmaals en met handgebaren gesmeekt heeft om hem deze duiding niet persoonlijk aan te rekenen, verlaat hij de oefenruimte. Het is even stil.
‘Shall we start again’?, vraag ik aarzelend.
‘Bar 37, second beat’?
Vervolgens mis ik mijn eigen inzet.
Later die week, bij de uitvoering voor eigen publiek, beperken we ons tot het lied van John Blow. Chiomo d’oro laten we vallen. Officieel omdat we het nog te weinig geoefend hebben. Je zou ook kunnen zeggen: omdat we het te weinig doorleefd hebben.
3

RETIRE, RETIRE

Muziek
King Arthur is een semi-opera van de Britse componist Henry Purcell (1659-1695).
Het is een warrig verhaal over oorlogen, het liefdesleven van herders en een cold genius die door Cupido tot leven gewekt wordt. De moraal is: lang leve Britannia, het mooiste land op deze aarde.
In het Tsjechische Bechyne studeer ik samen met vijftien andere zangers en een klein orkest de opera in. Na een week voeren we het stuk twee dagen achter elkaar op in de koningszaal van het 15e eeuwse kasteel aldaar. De koorzangers nemen ook de solopartijen voor hun rekening.
De deelnemers zijn doorgewinterde musici uit alle delen van de wereld. Ze zingen al jaren op hoog niveau of spelen in de betere amateurorkesten. Sommigen hebben musicologie gestudeerd of het conservatorium afgerond. Het gaat tijdens het instuderen dan ook om de details. Om de dynamiek binnen een woord of een lettergreep of om de uitspraak van de -r- in het 17e eeuwse Engels. De docenten hebben tevoren dé Purcell-deskundige in Nederland geraadpleegd over de muziek en de teksten. Dat kan niet verhinderen, dat diverse deelnemers hun eigen mening over de interpretatie naar voren brengen.
Ik ben een geoefend amateur-zanger, maar reken mijzelf niet tot deze categorie van ingewijden en bijna-professionals. Niettemin heb ik uit vrije wil en met mijn volle verstand voor dit project gekozen. De leiding had mij een rol toebedeeld in twee korte trio’s. In een vlaag van ongepaste ambitie had ik toen gevraagd of ik ook een solo-aria voor mijn rekening mocht nemen. Hetgeen boven mijn verwachting direct gehonoreerd was. Gedurende deze achtdaagse komt echter aanhoudend de vraag in mij boven of ik, om in muzikale termen te blijven, niet te hoog heb ingezet.
Ik zing de aria Ye blustering brethren of the skies. De god Aeolus kalmeert in dit lied de tierende winden (retire, retire), zodat Britannia, de koningin van de eilanden, uit de zee kan oprijzen. De aria begint met een groot aantal zestiende nootjes in de violen, een druk en onrustig allegro, dat geleidelijk, als de winden bezworen zijn, overgaat in een andante: serene and calm, and void of fear, the queen of islands must appear. Luister maar hoe bas Petteri Salomaa dit zingt:
http://youtu.be/6fhs6C_UJy4?t=1h1m56s(aria loopt door tot 1:05:15).
Na de eerste repetitie zegt de conductor dat hij mijn klank mooi vindt, maar  dat ik het tempo eruit haal door regelmatig net na de tel in te zetten. Gaandeweg de week krijg ik steeds meer complimenten, maar het stuk moet wel steeds opnieuw geoefend worden. Mijn collega zangers loven mij in die mate, dat het voelt alsof ik zonder dat de eindstreep niet zal halen.
Een aparte uitdaging is mijn eerste inzet. Je kan nog zo mooi zingen, maar als je een tel eerder of later inzet, gaat de aria de mist in. Het orkest gaat door, het is geen piano die een paar tellen kan inhouden. De aria begint in de tweede tel van de 12e maat. Het orkest komt in die maat op een c-groot akkoord uit en dat zou mijn houvast moeten zijn. Door al dat gefiedel haal ik die c er echter niet uit, dus ik ben er toe veroordeeld om vanaf het begin 12 maten straf mee te tellen.
Bij de uitvoering sta ik aan het begin achter in de zaal, als een polsstokspringer voor zijn aanloop. Ik moet door het middenpad opkomen. Op de afgesproken tel ben ik vooraan en begin ik met het temmen van de winden. Het voelt alsof ik het orkest aan het kalmeren ben.
 
Dan zie ik op de eerste rij een jonge vrouw met een wereldwijd decolleté. Dat helpt niet als je de boel tot bedaren moet brengen. Ik richt mijn ogen op de duistere achterzijde van de zaal.
Als iemand zegt dat je niet aan een roze olifant moet denken, komt dat beest je vanzelf voor ogen. Zo komt ook in dit geval het beeld van de boezem onherroepelijk terug.
Ik concentreer me op het tellen. Ondertussen ben ik, begeleid door de  blokfluiten, aangekomen in het andante: serene and calm. Ik begin er van te genieten. De laatste maat houd ik wat langer aan. Daarna zet onze voorklapper het applaus in.
0

VOL OP HET ORGEL

Herinnering, Muziek
Dit is uw orgel Heer, dit is uw kerk
‘k Loop zo maar binnen Heer, net van mijn werk

Zo begint het lied Mijn gebed over een liefhebber van orgelmuziek. Het werd gezongen door een Nederlandse zanger, die om onduidelijke redenen de artiestennaam D.C. Lewis had bedacht. In 1970 had hij een nummer-1-hit met dit lied. Daarna hebben we nooit meer iets van D.C. Lewis gehoord, maar elk jaar kom je Mijn gebed weer tegen in de top 2000.
In het 2e couplet komen een paar zinnen voor die al jaren ergens door mijn brein zweven en zo af en toe onaangekondigd naar boven komen:
Ik ben niet hervormd of zo, niet katholiek
Ik kom hier alleen maar Heer voor de muziek
Na deze strofe ging de organist van dienst, Feike Asma, vol op het orgel. Dat was het wijd en zijd bekende Garrelsorgel van de Groote Kerk in Maassluis.
Waarom ik deze regels onthouden heb is voor mij een raadsel. Ik hou van allerlei soorten muziek en veel instrumenten zijn mij lief. Maar als ik iemand op een orgel hoor soleren dan haak ik subiet af.
Ik heb een hekel aan al die in elkaar overvloeiende noten, die dreunende tonen en vooral die zware galm. Ik vind het gekunsteld klinken als er een nieuw register wordt opengetrokken, alsof je een mechanische truc op een speelgoedinstrument uithaalt.
Orgelliefhebbers argumenteren dat een orgel eigenlijk een groot orkest is. Groot is het zeker, daarover hoeven we geen discussie te voeren. Het orgel  is de olifant onder de muziekinstrumenten. Zo dendert de muziek regelmatig door de kerkelijke porceleinkast. Niettemin gaat mijn grote bewondering uit naar meneer Garrels en zijn voorgangers die het instrument hebben ontwikkeld. Minstens evenveel bewondering heb ik voor de mensen die zo’n instrument met twee handen en twee voeten weten te bespelen.
Zoals de klank van een piano of een cello niet in zichzelf een positieve of negatieve waarde heeft, zo zijn de tonen van het orgel ook niet lelijk van zichzelf. Mijn afkeer moet daarom terug te voeren zijn op de omstandigheden waarin ik het orgelspel leerde kennen: het langdurig knielen op houten kerkbanken, een schijnheilige preek en opgelegde dogma’s.

Eenmaal heb ik mijn tranen laten lopen bij het horen van orgelmuziek.
Het was in 1976, ik was 24 jaar en met een groep op bezoek in de Sovjet-Unie. De reis, georganiseerd door de Vereniging Nederland-USSR, ging naar Moskou, Leningrad en Riga. Op het programma stonden bezoeken aan onderwijsinstellingen, jeugdverenigingen en bedrijven. Daarnaast waren er in elke plaats culturele uitjes. In Riga bezochten we ’s avonds een orgelconcert in een protestante kerk. We zaten op harde, rieten stoelen met een ingezakte zitting. Het rook er naar boenwas. Voor mij zat een vrouw met een grote, grijze knot, die mij elk zicht ontnam. Dat was echter geen enkel bezwaar, want het orgel en de organist bevonden zich achter ons. Het voltallige publiek zat met zijn rug naar de musicus gekeerd. Naast de vrouw met de knot zat een magere man in een eenvoudige, grijze regenjas. Bij zijn bakkebaarden sprongen enkele grijze krulharen onder de rand van zijn pet uit.
In afwachting van het begin van het concert vroeg ik me af of met deze man nu de Nieuwe Mens werd bedoeld, waarover tijdens onze bezoeken veelvuldig was gesproken.
Toen het orgel onaangekondigd inzette, stopte het geroezemoes in de kerk terstond. Zachte, ijle mineurtonen vulden de ruimte. Het was alsof de smart van het leven de kerk binnenkwam, maar ook de troost van de muziek. Ik werd overvallen door mijn eigen tranen. De man met de pet voor me hield zijn ogen gesloten. Zou een Nieuwe Mens mogen huilen?
Toen het adagio overging in het allegro besefte ik dat mijn tranen niets te maken hadden met de kerk, met Händel of het orgel, maar alles met mijn eigen gemoedstoestand. Ik was in die dagen op zoek naar een nieuwe maatschappij en ik was me er in het Oostblok van bewust dat dat ideaal verder weg was dan ooit. Bovendien ik was verliefd op het verkeerde meisje in de groep. Dan weet je het wel. Dan zijn een paar mineurtonen voldoende, al is het van een orgel.

1

WIE LIEGT DIE STADT SO WÜST

Muziek

We hebben de feestmaand december achter de  rug en het gewone leven is weer begonnen. ‘Het is niet anders’, zei een collega tegen mij. Ze voegde eraan toe: ‘dan gaan we toch lekker dromen over de volgende vakantie’. Blijkbaar is dit iets wat veel mensen in de maand januari doen. Reclameblokken en –pagina’s worden deze weken gevuld met zonovergoten, alle wensen vervullende vakanties in Zuid-Europa of andere zonnige oorden.
Graag nodig ik eenieder daarom uit om eens een bezoek te brengen aan Dresden.
Pardon, Dresden? Is dat niet die grauwe industriestad in voormalig Oost-Duitsland? Zijn daar ook palmenstranden?
Dresden, de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saksen, is een stad vol indrukwekkende geschiedenis.
In de 18e eeuw was de stad een centrum voor kunst en cultuur. Dresden werd het Florence aan de Elbe genoemd. De vele fraaie kerken en barokke paleizen herinneren nu nog aan die tijd. De componist Heinrich Schütz heeft er zijn leven lang gewerkt. Jan Dismas Zelenka componeerde hier zijn  missen.

Dresden is ook bekend door het bombardement. In de nacht van 13 op 14 februari 1945 legden geallieerde vliegtuigen een bommentapijt over de stad. Er ontstond een verwoestende vlammenzee. Geen steen stond meer op de andere. 75.000 Huizen en gebouwen werden verwoest. Ruim 25.000 mensen kwamen in die ene nacht om het leven.
Vorig jaar zagen wij in de schouwburg het toneelstuk Het stenen bruidsbed , naar de roman van Harry Mulisch. Van die voorstelling is mij vooral het ontzagwekkende decor bijgebleven. Het speelvlak was opgebouwd uit vlonders bovenop een angstaanjagende hoop doodskoppen en gebeenten.
In de twintigste eeuw was Rudolf Mauersberger (1880 – 1971) lange tijd organist in de Kreuzkirche en dirigent van het befaamde Kreuzchor Dresden. Mauersberger heeft met zijn koor veel platen opgenomen, onder andere de werken van Heinrich Schütz. Hij componeerde ook zelf, met name geestelijke werken.
Vlak na het bombardement van Dresden, waarbij van de Kreuzkirche niets meer overbleef, schreef hij het lied Wie liegt die Stadt so wüst. Hij gebruikte daarbij een bijbelse tekst uit de klaagliederen van Jeremia over een verwoeste stad.
Het vierstemmige lied werd voor de eerste maal uitgevoerd door het Kreuzchor in augustus 1945 tussen de ruines van de voormalige kerk. De tekst is een afwisseling van smartelijke klacht en intens verlangen. Verdriet, onbegrip, melancholie, boosheid en verlatenheid monden uit in de vraag warum, warum?  en worden afgesloten met Ach Herr, Siehe an mein Elend.
Ik heb dit lied onlangs ingestudeerd. Het gebeurt mij maar een hoogst enkele keer, dat een koorstuk mij zo aangrijpt dat ik een brok in mijn keel krijg en even niet meer verder kan zingen. Dat was bij dit lied het geval.
Wie liegt die Stadt so wüst is een van de stukken op het programma van het concert dat ik met mijn bejaardenkoor D’allure, genoemd naar de dalurenkaart, in het weekend van 8 en 9 februari ga uitvoeren.
 

Ingezonden mededeling
 
KAMERKOOR D’ALLURE o.l.v. FOKKO OLDENHUIS
 
MITTEN WIR IM LEBEN SIND
 
Muziek van Brahms, Mendelssohn, Distler, Mauersberger, Schütz
 
Utrecht, zaterdag 8 februari 2014, 20.15 uur, Lutherse kerk, Hamburgerstraat.
Amsterdam, zondag 9 februari 2014, 15.30 uur, Oosterkerk, Kleine Wittenburgerstraat.
 
Toegang: € 15,00 – 12,50.

 

 
0

INTERMEDIUM FÜNF

Muziek
Polen gaat een volkstelling houden. Conservatief als de regering is, moet elke Pool zich in zijn geboortedorp laten registreren. Dus gaan Agnieszka en Miroslaw uit Arnhem op weg in hun twintig jaar oude VW Golf. Het is vroeg in de nacht als zij voorbij Wroclaw in een verlaten streek panne krijgen. Wegenhulp en onderdak zijn ver te zoeken. Agnieszka is hoogzwanger en voelt de eerste weeën opkomen. Zij lopen naar een afgelegen donker huis. Het blijkt een stal blijkt te zijn. Toegesnoven door een ezel en een os wordt hier hun kind geboren.
Dit zou een moderne variant kunnen zijn van het oude kerstverhaal (de kwestie van de onbevlekte ontvangenis laat ik hier dan maar buiten beschouwing; die suggereert dat er iets mis is met alle vrouwen die bevlekt ontvangen zijn). De schrijver van de oude tekst zal geen ogenblik vermoed hebben, dat zijn verhaal eeuwen later tot het grootste jaarlijkse feest in de christelijke wereld zou leiden.
Heinrich Schütz (1585 – 1672) was een Duitse componist. Lang voordat Bach met het Weihnachtsoratorium een wereldhit schreef, zette Schütz het kerstverhaal op muziek.
Ik kende Schütz eigenlijk nauwelijks en van zijn Weihnachtshistorie had ik al helemaal niet gehoord, toen ik afgelopen zomer deelnam aan een zangweek in Tsjechië en daar met drie andere bassen de uitvoering van het Intermedium 5 uit Schütz’ werk toebedeeld kreeg. In dit deel roepen de hogepriesters en schriftgeleerden op om naar Bethlehem te komen. Daarmee gaan, zoals te doen gebruikelijk, de woorden van de profeet in vervulling.
Het heeft iets merkwaardigs om midden in de zomer een stuk van het kerstverhaal op te voeren. Maar muziekstukken voor vier bassen zijn dungezaaid. Bovendien houdt mooie muziek zich niet aan een jaargetijde. Dus voerden wij met verve en toewijding in de kloosterkerk in het Tsjechische Bechyne Intermedium 5 uit: Zu Bethlehem im jüdischen Lande, denn also steht geschrieben durch den Propheten.
Het zal daarom niet verbazen, dat in alle oproepen voor kerstconcerten dit jaar de uitvoering van de Weihnachtshistorie van Schütz door de nederlandse Bachvereniging mij in het bijzonder opviel. Het programma Muziekwijzer op Radio 4 verlootte enkele kaartjes voor het concert in Naarden onder degenen, die het juiste antwoord wisten op de vraag hoeveel klokken er in de grote kerk in Naarden hangen. Omdat iedereen natuurlijk weet, dat er vijf klokken hangen, was ik aangenaam verrast toen ik het bericht ontving dat ik tot de uitverkorenen behoorde.
En zo geschiedde het dat G en ik de afgelopen week in onze oude VW Golf naar de vestingstad Naarden trokken, waar er voor ons twee plekjes gereserveerd waren onder de preekstoel, in een soortement houten omheining als voor bijeengedreven schapen. Met het hoofd in de nek bewonderden we de 15e eeuwse schilderingen op het tongewelf (http://www.grotekerknaarden.nl/new/grotekerkNaarden.html) en met verbazing keken we naar het gooise publiek. Oudere heren, keurig in het pak, het sjieke sjaaltje losjes om de nek, wandelden met de borst vooruit om zich heen kijkend de kerk binnen, tezamen met hun blinkende eega’s, die zojuist onder de kappersföhn vandaan waren gekropen.
De complete Weihnachtshistorie bleek overigens geen stuk om over naar huis te schrijven. Minstens de helft van de tijd was de Evangelist aan het woord. Dat lijkt op het rondspelen van de voetbal achterin voordat een mooie aanval wordt opgezet. Anders dan in mijn eigen ervaring, kwam het Intermedium 5 voor de bassen hier naar voren als een donkere, onderaardse harmonie waarin de vier stemmen moeizaam te onderscheiden waren.
Voor het overige klonken de oude instrumenten en de jonge stemmen van de Nederlandse Bachvereniging prachtig. En toen wij onder een heldere maan weer naar de auto liepen waren wij geheel voorbereid op het grote jaarlijkse feest.
 
0

IT’S NOW OR NEVER

Herinnering, Muziek
Sommige dingen moet je eenmaal in je leven doen, ook al voel je er aanvankelijk niet zoveel voor. Campari drinken bijvoorbeeld. Dat kon ik op mijn 21e afvinken. Mijn snor laten staan deed ik een paar jaar later, in jeugdige onbevangenheid. Maar het zou nog tot mijn veertigste duren voor ik mij aan karaoke waagde. Met onverwachte gevolgen.
We kampeerden met onze nog jonge kinderen op een kasteelcamping in Bretagne. De kinderen wilden graag naar een karaoke-avond. ‘Ik ga wel met jullie mee’, zei ik, ‘maar ik ga niet zingen’ voegde ik er resoluut aan toe.
Het evenement vond plaats in een grote, rechthoekige zaal van het landhuis, dat bij de camping hoorde. Aan alle vier de zijden stonden tafels en stoelen opgesteld. In de lege ruimte in het midden waren een televisiescherm, een recorder en een microfoon geplaatst. De avond werd ons aangeboden door pastisbrouwer Ricard. Een goed gebruinde jongeman met de naam van de firma op zijn shirt verwelkomde ons met een brede glimlach. Hij deelde een lijst uit met liedjes die gezongen konden worden. Deze zag er uit als de menukaart van een jukebox met nummers als A 151 en B 212. De zaal was goed gevuld met campinggasten, vooral jongeren en moeders met kinderen. Blijkbaar was dit geen festijn voor vaders.
De animo om te zingen bleek aanvankelijk niet zo groot, zodat de Ricard-man zelf de eerste nummers voor zijn rekening nam. Het ijs werd gebroken door een jonge vrouw, die na Tous les garçons et les filles de mon age van Françoise Hardy luid werd toegejuicht. Daarna volgden meer gasten. Ze zongen staccato en soms te snel de regels die op het scherm verschenen. Na afloop kreeg iedere zanger een miniflesje Ricard, een aansteker of een pet van Ricard mee.
‘Als jij iets zou zingen, welk lied zou jij dan uitkiezen?’, vroeg zoon E. Ik liet mijn blik langs de nummers glijden. ‘All my loving’, denk ik. Het begon te kriebelen bij mij. Dat zingen moest toch niet zo moeilijk zijn.
‘Je gaat toch niet echt meedoen?’, vroeg A, de andere zoon. Het was mij niet duidelijk of dit hem met zorg of bewondering vervulde.
Toen het een paar ogenblikken duurde voordat de volgende zanger zich aandiende, stond ik op en stapte met bonzend hart de lege ruimte in. De microfoon die de Ricard-man mij gaf voelde zwaar aan. Hij startte het apparaat. All my loving begint zonder intro, dus voor Close your eyes and I’ll kiss you  was ik te laat. Daarna kwam ik er snel in.
‘Olluh mai lovingk, c’est formidable’, kraaide de presentator na afloop in de microfoon, terwijl hij me een aansteker en een flesje meegaf.
In de pauze kwam er een kleine vrouw op mij af. Verlegen vroeg ze of ik samen met haar iets wilde zingen. ‘Bien sur’, antwoordde ik, ‘quel numéro’. Ze wees op Da doo ron ron. ‘Okay, à bientôt’.
‘Je gaat toch niet met haar zingen’, vroeg A ontsteld. ‘Die vrouw kan helemaal niet zingen, dat zie je zo’.
Even later stond ik met de française in het midden. Ze tuurde geconcentreerd naar het scherm, bang om een fout te maken. Ik vond het al zo vanzelfsprekend gaan, dat ik rustig om mij heen keek.
Niet lang daarna stond er opnieuw een vrouw voor me.
‘Voulez-vous chanter avec moi?’, was haar vraag. Het ontbrak er nog aan dat ze ce soir aan haar vraag toevoegde. Ze zag er prachtig uit. Ze had wat weg van zangeres Vicky Leandros (Ich hab’die Liebe gesehen beim ersten Blick in deinen Augen). Ooit hadden mijn huisgenoten op de studentenflat tegen mij gezegd, dat ik met die woorden naar Vicky Leandros keek.
Ik liet genereus de keuze van het lied aan de franse vrouw over. Het werd It’s now or never.
‘Eh voilà, un autre couple, un autre duo’, kondigde circusdirecteur Ricard aan.
It’s now or never, come hold me tight. Kiss me my darling, be mine tonight. We klonken prachtig samen door de zaal. Ik keek de française niet veel aan. Ik wilde voorkomen, dat ze de woorden letterlijk zou opvatten. Of kwam die gedachte alleen in mijn hoofd op? Ik twijfelde of ik na afloop haar zou zoenen. Ze glimlachte toen we elkaar een hand gaven.
Ik keerde met flesjes en aanstekers terug bij ons tafeltje. Daarna moest ik een volgende vrouw teleurstellen. De Ricard-man vond het welletjes. In de drukte bij het verlaten van de zaal zocht ik Vicky Leandros. Ik zag haar nergens meer. 
Teruglopend naar de tent waren mijn zoontjes het niet eens over de verdeling van de flesjes en de aanstekers. Eén flesje was bovendien al aangebroken – rara, wie had dat gedaan?
Ik stond weer met beide benen op de grond.