Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Muziek

1

SNEEUWWITTE BOEZEM

Muziek

Alessandro Scarlatti

De muziekbundel heeft een donkerbruine kaft. Italian songs of the 18th century, for voice and piano is de titel, in 1954 uitgegeven door International Music Co. in New York.
Er staan liederen in van onder meer Bononcini, Marcello en Caldara, met titels als Begli Occhi en Hai core, o crudele. Liederen over verliefdheid, verlangen, teleurstelling en amoureuze wanhoop. Wat de keuze van hun onderwerp betreft verschillen de 18e eeuwse liedschrijvers niet van onze tijdgenoten.
Mijn zangleraar had voor mij uit deze bundel Nevi Intatte gekozen van Alessandro Scarlatti (1660 – 1725). Alessandro is de vader van Domenico en componist van ontelbare opera’s en oratoria. De tekst van Nevi Intatte (Onaangeroerde Sneeuw) is van een onbekende schrijver.

Nevi intatte, vie di latte, del bel seno del mio ben
Come date, dispietate, a quest’anima il velen

In de partituur is een Engelse vertaling opgenomen:
Untouched whiteness, bearers of milk, of my loved one’s beautiful breast
How can you give, pitilessly, poison to this soul

De zanger bezingt hier twee pagina’s lang de mooie borsten  van zijn geliefde.
Dat vind ik een invoelbare en doodnormale waarneming, maar kom daar in de huidige tijd maar eens om. Terwijl onze cultuur vergeven is van de decolletés en pornografie overal te vinden is, is het tegelijkertijd onbestaanbaar dat een lied over de vrouwelijke boezem verspreid en gezongen zou worden.
Rond 1800 was dat blijkbaar wel mogelijk. Schoonheid en voedende functie worden in één adem genoemd. En borsten worden vergeleken met maagdelijke sneeuw. Dat zouden we in deze tijd van zonaanbidding en solariums anders doen.

In de barok ligt er een accent op menselijke, individuele emoties, op dynamiek en tegenstellingen. In de barokliteratuur worden ‘grote woorden’ gebruikt die nu als overdreven of bombastisch overkomen. Dat zien we ook in dit lied.
Het begint met bewondering en schoonheid, maar halverwege kondigt het woord dispietate al aan dat er iets niet goed zit. Het lied eindigt letterlijk op een venijnige manier met het woord gif, de tegenhanger van de melk uit de eerste zin.
Wat is er gebeurd, vraag je je bij eerste lezing af. Waartoe heeft de sneeuwwitte boezem geleid? De ik-figuur loopt een blauwtje bij zijn geliefde, zoveel is duidelijk. Hij is pijnlijk geraakt. Maar betekent het gif een definitief einde of is er sprake van een fikse ruzie? Moet je als zanger hier een boze of een verdrietige man uithangen? Of een die op emotionele wijze om aandacht vraagt?
Scarlatti gaat in het tweede deel van majeur over op mineur. Hij voegt er dissonante noten in om de pijn te verklanken. De uitgever heeft daar doloroso en pianissimo boven geschreven. Dat is ook een interpretatie.
Tijdens mijn zangles deze week vindt mijn Amerikaans / Nederlandse zangleraar dat ik de klanken teveel push. Het lied moet very delicate gezongen worden. De sneeuw moet intact blijven, ik moet op kousenvoeten lopen.

Ik had hier graag een opname uit mijn zangles willen laten horen. Ik wilde mijn ijverige pogingen om er een gevoelige uitvoering van te maken delen. Het lukt mij echter niet het bestand te laden. Het voordeel daarvan is dat ik nu niet met mijn sneeuwwitte billen bloot hoef. Ter compensatie daarom hier de enige beschikbare opname van Nevi Intatte op You Tube. Een jongeman met een mooie stem, die het lied vlot afwerkt. En niet zo delicaat.

0

DE KOMISCHE NOOT

Muziek

Het kerkje van Maglioggio, Piemonte, zit net als vorig jaar helemaal vol, als wij, een groep van 9 Nederlandse zestigers, aantreden om te laten horen wat wij in de zevendaagse zangcursus geleerd hebben.
Onder de naam Musica Galante zingen we solo-aria’s, duetten en koorstukken uit de tweede helft van de 18e eeuw. In het overwegend gewijde en serieuze programma zijn twee komische stukken opgenomen. Beide stukken zijn, om niet opgehelderde redenen, aan mij toebedeeld. Tevoren vraag ik mij af hoe deze grappig bedoelde noten gaan uitpakken. We zingen in een gewijde omgeving, in gelovig Italië. Bovendien valt ons eerste optreden op de dag van nationale rouw, ter herdenking van de slachtoffers van de aardbeving eerder deze week.

In de aria Vedo quell’ albero van Baldassare Galuppi klim ik hoog in een boom om een lekkere peer te plukken. Muzikaal gezien moet ik voor die peer naar een hoge fis klimmen, zo hoog ben ik nog nooit geweest. De fis blijkt haalbaar, maar de peer kost meer moeite.
In de tuin van mijn ouderlijk huis heb ik vroeger talloze malen bovenin een perenboom gestaan, de volle plukschort bungelend aan mijn nek, om op mijn tenen de hoogste Conference of Gieser Wildeman te plukken. Dat liep altijd goed af, maar in deze aria donder ik omlaag,  col capo in giu, met het hoofd naar beneden. Het publiek kijkt geamuseerd toe.

Het duet Quei begl’ occhi van Leonardo Leo zing ik samen met een mezzosopraan. Ik ben een jong soldaatje met de onvergetelijke naam Lesbo en dolverliefd op Rosina. Ik wil het meisje veroveren door haar complimenten te maken over haar wonderschone ogen. Op zich geen gekke gedachte, maar omdat Lesbo in zijn vierjarige militaire vorming louter omringd is geweest door militaire attributen en geen enkele vrouwspersoon is tegengekomen, weet hij niets beters te doen dan de ogen van zijn geliefde te vergelijken met vuren, kanonnen en ander explosief materiaal.
De componist verbeeldt het verhaal in muzikaal opzicht met staccato geweerschoten, octaafsprongen als daverende salvo’s en ratelende loopjes . Ook dat is blijkbaar Musica Galante.
Rosina keert zich stug van mij af (Taci, taci, zwijg, zwijg), waardoor ik met verhoogde passie en naar forte oplopende smeekbedes tegen haar rug zing of zij mij misschien wil aanraken. Je moet immers iets doen om te kunnen vuren. In de laatste maten laat ik mijn schroom varen en trek haar hand naar mijn mond voor een kus, waarna Rosina op de eindnoot haar arm bruusk terugtrekt en mijn getuite lippen nogal dom in het luchtledige laat hangen.

De heilige Antonius boven het altaar heeft er blijkbaar zijn goedkeuring aan gegeven. Mijn peren en kanonslagen vallen bij het publiek danig in de smaak.
Als ik zou schrijven dat een groepje vrouwen na afloop bij de uitgang van de kerk mij staat op te wachten dan overdrijf ik. Er staan namelijk ook mannen bij. Maar de eerstgenoemden schieten mij  onmiddellijk aan, zoals Lesbo zijn Rosina. In rap Italiaans natuurlijk, ik heb hen immers ook in verstaanbaar Italiaans toegezongen. Ik begrijp echter niets van hun woorden.
Het zou kunnen zijn dat de vrouwen mij op het hart willen drukken dat als een vrouw ‘nee’ zegt, zij ook daadwerkelijk ‘nee’ bedoelt. Maar uit de toegenegen blikken krijg ik de indruk dat er sprake is van enige tevredenheid, over wat dan ook.
Ik neem hun woorden dankbaar in ontvangst, maar moet er direct tot mijn eigen teleurstelling en misschien ook wel de hunne aan toevoegen: ‘no parlo italiano’ (wat feitelijk een van de meest sprekende voorbeelden is van een contradictio in terminis).
Niettegenstaande dit succes heb ik de docenten gevraagd, of ik volgend jaar een meer gedragen stuk mag zingen. Om ook een andere kant van mijzelf te ontwikkelen.

Helaas heb ik geen geluidsopname van het duet kunnen vinden.

0

GEZAKT!

Muziek

zomaar een koor

‘Jullie zijn wéér een hele noot gezakt’, zei de dirigent van een van mijn koren onlangs. We hadden ons best gedaan op een compositie van Tomas Luis de Victoria. Het was de laatste repetitie voor een optreden. ‘Ik overweeg serieus om dit stuk tijdens de uitvoering neuriënd uit te voeren’, voegde hij er dreigend aan toe. We hoorden het aan met een mengeling van berusting en tegenzin. De dirigent besteedt al enkele jaren veel aandacht aan de intonatie. Maar op de een of andere manier wil het niet goed lukken. Wat is hier aan de hand?

Wie zingt moet aan het einde van het stuk de a of welke andere noot dan ook op dezelfde hoogte zingen als aan het begin. Dat gebeurt vaak niet en het vervelende is dat je  dat als zanger zelf niet goed in de gaten hebt. Het zakken ontstaat onder andere door de sprongen die je in de muziek maakt. Een hoge noot zingen is moeilijker dan een lage noot. Daardoor pak je die noot vaak net niet hoog genoeg. Omgekeerd bestaat bij een dalende melodielijn het gevaar, dat je de stap te groot neemt  en zo net wat te laag uitkomt. Onzekerheid over de noten en een gebrekkige ademsteun werken het zakken verder in de hand.
Zing je op je eentje, dan valt de schade nog wel mee. Maar in een koor heb je de neiging om je aan te passen aan je buurman. Ongewild en ongemerkt neem je de makkelijkste en laagste toon over en ga je met zijn allen omlaag. Gaat er één koe liggen, dan volgt de kudde als vanzelf.
Sommige koren zakken wel erg abrupt. Wie googlet op ‘zakken koor’ krijgt een site met een filmpje waarin een Chinees koor na een flinke armzwaai van de dirigent door het podium zakt en diep omlaag valt. De dirigent, van top tot teen gefocust, gaat nog even door met dirigeren. Hij zwaait de zangers uit die in de diepte verdwijnen. Daarna gaat hij kijken waar de zangers gebleven zijn. Er waren 8 gewonden.

Door te neuriën kan je het zakken beperken. Je hoort dan namelijk je eigen stem beter en die van de anderen minder. Hetzelfde geldt voor zingen met vingers in je oren.
De dirigent van mijn andere koor laat de zangers van de verschillende stemgroepen tijdens de repetities door elkaar heen staan. Dat stelt hogere eisen aan de zangers. Je moet je partij zelfstandig kunnen zingen, je kunt niet leunen op je buurman. In dit koor blijven we veel beter op toon.
Het zakken leidt binnen een koor tot frustratie en ongeloof. Alsof een voetbalelftal verloren heeft. Of de beurs is gekelderd. Ieder heeft zijn eigen mening over hoe het ontstaat. Je weet nooit precies waar het zakken begint. Het lastige is bovendien, dat een dirigent niet veel anders kan doen dan aangeven dat een noot hoger genomen moet worden. Maar wat je dan als zanger exact moet doen is niet uit te leggen.
Zoals een karavaan de snelheid heeft van de langzaamste kameel, zo heeft een koor de zuiverheid van de zanger die het minst op toon blijft. Dat roept spanningen op. Spanningen hangen samen met  ambities. Van de dirigent of van de betere zangers.
Daarom is het goed om na afloop van elke repetitie nog even door te zakken.

0

KOMMT, IHR TÖCHTER, HELFT MIR KLAGEN

Muziek

De afgelopen weken is in Nederland de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach zo’n 200 keer uitgevoerd. Daarnaast waren er nog de uitvoeringen van zijn andere passies.
Pieter Jan Leusink dirigeerde de Matthäus meer dan 25 maal. Ook in zijn uiterlijk begint Pieter Jan op Johann Sebastian te lijken.
Elk jaar verschijnen weer nieuwe publicaties over de Matthäus. Op de radio wordt de verkiezing van het mooiste fragment gehouden. De televisie vertoont documentaires.
Kortom, aan de Matthäus valt niet te ontkomen.
De vraag is of dit erg is.

Ik vind de Matthäus-Passion een van de mooiste werken uit de klassieke muziekgeschiedenis. Als ik in de beginmaten van het openingskoor de pulserende bas hoor, lang-kort, lang-kort, of als de engelachtige jongenssopranen het O, Lamm Gottes inzetten, dan ben ik even van de wereld. En als de hobo’s het thema inzetten van de aria Mache dich mein Herze rein, een basaria, die ik zelf nog eens ingestudeerd heb, dan voel ik direct een brok in mijn keel. Het is aangrijpende muziek, die tegelijkertijd triest en vreugdevol klinkt. Hoe is dat mogelijk?

Van alle klassieke muziek die er bij ons thuis langskwam, waren de koralen uit de Matthäus de eerste stukken die ik echt mooi vond. Ik kon niet langer ontkennen dat er naast de top 40 nog andere aantrekkelijke muziek bestond.
Ook de eerste maal, dat ik een klassiek concert bezocht betrof de Matthäus-Passion. Ik mocht als tienjarige met mijn ouders en enkele leden van het kerkkoor naar een uitvoering in Tivoli, het oude houten noodgebouw op het Lepelenburg in Utrecht. Van de uitvoering staat mij niets meer bij. Wel herinner ik me, dat we na afloop in een établissement op het Stationsplein nog wat dronken en dat een van de koorleden mij daar op gebak trakteerde. In de vastentijd. Ich hatte keine Schuld daran.
Vervolgens braken voor mij zo’n 30 Matthäusloze jaren aan.
Toen ik in de negentiger jaren de klassieke muziek herontdekte, was er een tijd dat ik na het slotkoor weer aan het openingskoor begon, zoals een roker een nieuwe sigaret met de oude peuk aansteekt. In 2009 zong ik zelf mee in de uitvoering door de Utrechtse Oratorium Vereniging. Bij Holz zum Kreuze selber tragen in het openingskoor kreeg ik het al te kwaad. Ik heb inmiddels talloze malen aan allerlei koorprogamma’s meegewerkt, maar het zingen van de Matthäus vond ik een onvergelijkbare ervaring. Als er een hemel bestaat, dan moet ie dicht bij deze beleving in de buurt komen. Dat ik hieraan mag meedoen, dacht ik steeds. Ik voelde me net zo nederig en klein als wanneer ik door het hooggebergte loop.

Is het dan niet prachtig, dat allerlei mensen, die de klassieke muziek niet kennen, door alle aandacht voor de Matthäus, kennis kunnen maken met de Hohepriester und Schriftgelehrten und die Kinder Zebedäi?
Natuurlijk.
En toch roept de hype bij mij tegenargumenten op.
Het lijkt wel alsof door alle aandacht de Matthäus minder mooi wordt. Ik hou niet van massatoerisme. De passies komen in handen van marketeers. Iedereen wil er aandacht en geld mee genereren. ‘Het werk verdisneyficeert, “Naarden” wordt een evenement à la het tennistoernooi van Rolland Garros’, zei dirigent Philippe Herreweghe.
Sommigen vinden, dat de bewondering voor de Matthäus-Passion intenser wordt, naarmate je hem vaker hoort.
Als ik elke dag Wiener Zachertorte eet, ken ik de ingrediënten steeds beter, maar na een week wil ik dan wel iets anders.
Daarom voel ik mee met dirigent Jos van Veldhoven, die gekscherend zei, dat men tien jaar lang de uitvoering van de Matthäus zou moeten verbieden.
De cd tien jaar lang in de kast laten staan gaat mij echter niet lukken.

2

EEN TOONTJE HOGER

Muziek

In vroeger eeuwen was de tenor de belangrijkste zangstem. Het woord tenor is afgeleid van het latijnse tenere wat (vast)houden betekent. De tenoren ‘houden de melodie vast’, waar de andere partijen omheen kunnen variëren. De andere stemmen mogen botsen met elkaar als het maar goed samenklinkt met de tenor.
Ook in de 19e eeuwse opera’s is de tenor belangrijk. De meeste en de mooiste aria’s zijn weggelegd voor tenoren. Als bariton (hoge bas) heb ik daar het nakijken.
Je zou dus denken, dat er genoeg mannen staan te dringen om die mooie tenorpartijen in te vullen. Niets is minder waar. Er is een groot tekort aan tenoren. Nederland telt duizenden koren en bijna ieder koor is op zoek naar tenoren.
Een populaire verklaring voor het toenemend gebrek aan tenoren wordt gevonden in de toegenomen lengte van mannen. Langere mannen hebben langere stembanden en daarmee lagere stemmen, zo wordt gezegd. Maar klopt dat wel?
In Duitsland heeft men dit onderzocht. Daar bestaan Musikmedizinische Institute. Men liet er vierduizend proefpersonen door de bodyscan gaan. Er werd geen verband gevonden tussen de lengte van de stembanden en de hoogte van de stem.
Wel ontdekte men, dat de spreekstem van mannen hetzelfde is als honderd jaar geleden, maar dat de stem van vrouwen een stuk lager is dan toen. Een lagere spreekstem drukt meer macht en competentie uit. Zo schijnen alle vrouwelijke nieuwslezers op tv een lage spreekstem te hebben. Bij de verlaging van de vrouwenstem denkt men daarom aan een relatie met veranderingen in rolpatronen.
Als het dan niet aan de lengte van de stembanden ligt, hoe komt het dan dat de tenor een soort uitstervend ras is?
Sommigen denken dat het fenomeen te maken heeft met een verschraling in de zangcultuur. Op basisscholen wordt weinig of geen tijd meer besteed aan zangles en de muziekscholen zijn wegbezuinigd of te duur geworden. Welke jongere meldt zich in het tijdperk van de Voice of Holland nog aan bij een zangvereniging?
Dit klinkt mij plausibel in de oren, maar waarom is er dan geen tekort aan bassen?
De Volkskrant kopte zes jaar geleden: Als zingen macho was, was er geen tenorentekort. Men verwijst in het artikel naar landen als Italië en Spanje waar een vette tenoraria nog altijd de grootste bewondering oogst. Mannen zouden in deze landen hoger dúrven zingen.
Is het probleem opgelost als wij mannen meer lef tonen?
Ik denk het niet. In de stemhoogtes is er naar mijn idee sprake van een normaalverdeling. De meeste mannen bevinden zich met een baritonstem in het midden van de normaalverdeling. Aan de uiterste linkerzijde is er een klein hapje (lage) bassen, aan de andere zijde een gering aantal (hoge) tenoren.
Als dan de zangcultuur achteruit gaat, dan staan er nog minder tenoren op. Dat geldt ook voor lage bassen.

Tja, wat moet je als je tenoren tekort komt?
In een aantal koren hebben de teneuzes of tenorettes hun intrede gedaan: lage alten die een tenorpartij aankunnen. Misschien zijn het wel de ‘vrouwen-met-de-broek-aan’ die hiermee hun macht uitdrukken. Hoe dan ook, ik vind het een noodoplossing. Lage vrouwenstemmen klinken ook daadwerkelijk laag. Hun stem is minder helder en stralend dan een hoge mannenstem.
Zouden baritons dan getraind kunnen worden om tenorpartijen te zingen?
Mijn zangjuf stimuleerde mij ooit om het steeds hogerop te zoeken. Dan zocht ze stukken op met een hoge fis of g. Het waren vaak macho-aria’s die zij voor mij uitkoos. Er zal wel een gedachte achter gezeten hebben. Tot aan de hoge f kan ik een redelijke klank produceren. Daarboven komen er bijgeluiden mee die aan heel andere sensaties doen denken. Iets wat ik trouwens bij uithalen van professionele sopranen ook wel ervaar.
Naast de hoogte van de stem verschillen de stemgroepen in timbre of klankkleur. Deze klankverschillen hoor je als een bas en een tenor hetzelfde lied in dezelfde toonsoort zingen. Zoals je ook verschillen hoort tussen bijvoorbeeld een saxofoon en een trompet. Technisch gezien kan ik een lage tenorpartij meezingen, maar mijn baritonklank sluit niet optimaal aan bij de klank van de tenoren.
Ik geloof dus niet dat je je als bariton tot tenor kunt ontwikkelen. Hoe aanlokkelijk dit ook zou zijn. Je wordt immers overal met open armen ontvangen.

1

MUZIKALE BEWEGING

Muziek

Soms betrap ik mijzelf er wel eens op.
Dan sta ik te zingen in een ensemble en beweeg ik met mijn bovenlijf om een noot die nadruk moet krijgen er mooi uit te laten komen. Die beweging is overbodig, maar ze komt als vanzelf. Ik ben daar niet de enige in.
Zo zag ik ooit een Tsjechische sopraan bij elke hoge noot beide armen omhoog zwaaien, alsof zij gebaarde dat het publiek moest gaan staan.
Van het door mij gewaarde oudemuziekensemble Vox Luminis staat een opname-sessie op YouTube. Men zingt het vijfstemmige Lord rembember not our offences van Henry Purcell. Het is een opname zonder publiek. Het ensemble lijkt, onder aanvoering van de boomlange bas Lionel Meunier, bevangen door een virus waardoor verschillende zangers om beurten door hun knieën zakken.
Het is prachtig gezongen, dat wel.
Dirigenten kunnen er ook wat van.
Ik heb Ton Koopman nog nooit met een rustig bovenlichaam voor een orkest zien staan of zitten. In beweeglijkheid wordt hij echter met vlag en wimpel verslagen door Lars Ulrik Mortensen, de Deense barokdirigent, die wapperend met zijn armen op de kruk achter het clavecimbel heen en weer stuitert.
Vorig jaar zag ik Lars Ulrik Concerto Copenhagen dirigeren in de Hohe Messe van Bach. Hij bewoog mee met elke Seufzer, draaide voortdurend met beide handen hoog in de lucht en keek met open mond en pijnlijke blik alsof hij zelf het leed van de wereld moest dragen. Toen hij na het laatste Donna nobis pacem opsprong vanachter zijn kistorgel, met een vuurrood hoofd, zijn handen omhoog gestrekt, de blik gepassioneerd naar de hemel gericht en zo een tijdlang bleef staan, leek het even of hij klaargekomen was.
Waarom maken musici bewegingen?
Beweging zorgt voor een doorgaande klank. Je helpt jezelf bij het leggen van de juiste nadruk of het volgen van de maat. Een beweging voorkomt het vastzetten van adem en spanning. Muziekdocenten laten hun leerlingen vaak armbewegingen maken voor een mooi legato of kniebuigingen voor het halen van een hoge toon. Die bewegingen sluipen ongemerkt de uitvoeringspraktijk binnen. Het worden maniertjes om de spanningen van het optreden te kanaliseren.
Voor anderen is de beweging een uiting van de gevoelens die het muziekstuk oproept.
Deze week zag ik een optreden van het strijkkwartel Danel. Voor de aanvang van het concert zagen we dat er voor de eerste violist een extra brede pianokruk was neergezet. Dat was al een voorteken.
Marc Danel bleek inderdaad een beweeglijk violist. Hij schoof tijdens het spelen naar links en rechts en omhoog en omlaag. Regelmatig leunde hij achterover en tilde zijn voeten van de vloer. Zijn lievelingsbeweging was de opgeheven knie. In een uiterste poging om de noten zo gevoelig mogelijk uit de snaren te halen hief hij een knie zover naar zijn borst, dat de voet boven de andere knie zweefde.
Op het hoogtepunt van Haydns strijkkwartet opus 20 nr. 5 trok hij zelfs beide knieën tegelijk in spreidhouding omhoog. Vanaf onze plek op de tweede rij konden we goed zien dat het een mannetje was. Het was de houding van een baby die verschoond moet worden.
Die aanblik leidde teveel af van de muziek. Daarom probeerde ik mij op mijn gehoor te concentreren. Marc Danel maakte het ons echter niet gemakkelijk. Zoals wel meer musici had hij ook nog eens de hinderlijke gewoonte om voor een aanzet opvallend luidruchtig door de neus in te ademen. Zo werden Haydns harmonische klanken gemengd met de geluiden van het optrekken van de neus.
Het tegenovergestelde komt ook voor.
In het orkest van de Nederlandse Bachvereniging zag ik een violiste, die onderuitgezakt met kromme rug op haar stoel zat. Tijdens het spelen van de snelle Händelnootjes staarde ze met de blik van een verstandelijk gehandicapte wezenloos naar het plafond van TivoliVredenburg. Haar spel was prachtig.
Gods muzikale wereld kent rare kostgangers.
Als de muziek maar mooi is.

0

WEIN, WEIB UND GESANG

Muziek, Reizen
De trossen met druiven hangen zwaar onderaan de ranken op de stenige hellingen langs de Moezel. Waar we ook kijken zien we de parallelle rijen groene struiken, de takken keurig langs palen en draden geleid. Het ruikt er zurig.
Een wijnboer in een grijze jas komt tussen twee rijen omlaag gelopen. Hij heeft een klein, buisvormig apparaatje in zijn hand. Daarmee kan, zo vertelt hij, het suikergehalte van de druiven gemeten worden. Hij is er tevreden over. Hij gaat zijn kinderen, broers, neven en nichten, en al wie een kniptang heeft, optrommelen om de volgende dag te beginnen met oogsten.
Ik wandel met mijn kamerkoor Decibelle over de heuvels langs de meanderende Moezel. We overnachten in Lösnich, een klein plaatsje, zo ongeveer halverwege Trier en Koblenz. Het toeval wil, dat in ditzelfde weekend in Lösnich het jaarlijkse Weinfest wordt gehouden. Elke wijnboer opent dan zijn schuren of zet een feesttent in zijn tuin . De hoofdstraat in het dorp wordt afgesloten voor het verkeer en waar je ook kijkt staan er rijen tafels en banken rond een tap van wijn en bier.
Her en der zitten plukjes mensen aan de tafels. Men drinkt een glas of doet zich in de avondkilte tegoed aan een plastic bordje lauwe frietjes en donkergebakken Schweinegebrat. De Riesling wordt in glazen van 0,2 liter verkocht. Of per fles natuurlijk.
Gesang  is er ook in ruime mate.
In de schuur van Weingut Orthmann speelt een bandje. Er zit een aantal mensen op de grond in een rij, dicht tegen elkaar aan, de benen gespreid, heen en weer wiegend op de tweekwartsmaten van de schlager. Het is niet duidelijk of dit een lokaal gebruik is of dat de feestvierders te vermoeid zijn om op hun benen te staan. Buiten bij Hotel Heil wiegt een oud echtpaar zachtjes mee op the sultan of swing, gespeeld door een stel oude rockers. De leadzanger lijkt als twee druppels water op Henk Krol van 50+.
Wijzelf hadden natuurlijk overdag onze bijdrage geleverd aan het Gesang. Het is sinds jaar en dag gebruikelijk, dat de partituren meegaan op het wandelweekend. Zingen en wandelen gaan goed samen, al doen we het nooit tegelijkertijd. Passeren we een kerkje of een kapel, dan voelen we even of de deur open is. Dan nodigen we onszelf uit naar binnen te gaan, leggen her en der de rugzakken, wandelstokken, dassen en jassen in de banken en verzamelen ons rond het altaar om in die mooie akoestiek van ons eigen gezang te genieten. Het klinkt in een godshuis zoveel mooier dan tussen de wijnranken of in een hooiberg.

 

In de Sankt Stephan in Zeltingen-Rachtig.

 

Foto’s: F. de Reeper
Met de Wein en het Gesang zat het dus wel goed tijdens ons weekend in Lösnich, maar hoe was het met die Weiber? Daar moet ik natuurlijk ook wat over schrijven. Dat plaatst mij echter wel voor een probleem, want alles wat ik hierover zeg kan verkeerd opgevat worden. Ik zit nu al een geruime tijd geblokkeerd achter het toetsenbord.
Als ik zou schrijven dat we met een paar lekkere wijven op wandelweekend waren, dan begeef ik mij, ook al zou mijn uitspraak waar zijn, ver buiten de ongeschreven code van het koor en dan hoef ik er nooit meer terug te komen.
Zou ik daarentegen in dit blog vermelden  dat ik met enkele  overjarige, rimpelige vrouwspersonen op pad was, dan zou mij, ook al spreek ik de waarheid, hetzelfde lot treffen.
Ik moet dus op mijn woorden passen, je doet het niet gauw goed.
Er wandelden aardige vrouwen mee met wie het fijn converseren was. Ze hadden meestal nog wel iets van gedroogde abrikozen of zo bij zich om uit te delen. Dat werkte verbindend. We hebben nog wat gedanst bij Hotel Heil. En tijdens het wandelen ritsten zij de pijpen van hun broeken, dat vond ik wel een mooi gebaar.
In ieder geval ben ik blij, dat ik in een gemengd koor zing. Ik geloof niet dat ik de aanleg heb om gelukkig te worden in een mannenkoor.
Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang, der bleibt ein Narr sein Leben lang.

Zo zegt men het in Duitsland.

1

MUZIEK MAAKT MENSEN BLIJ

Muziek, Reizen
In het noorden van de Italiaanse Alpen op een beboste helling boven het Val Antigorio ligt het gehucht Maglioggio. Vijfentwintig grijze huizen zijn het, veel meer kan het niet zijn. Voor een deel zijn ze onbewoond en vervallen. Bloembakken onder  de ramen geven aan of een huis bewoond is. Smalle paadjes van gras en keien kronkelen tussen de dichtopeenstaande huizen door. Boven in het dorpje staat het kerkje van San Antonio, gebouwd in 1642. De wit-roze verf van de gevel bladdert. In de felle zon schieten hagedissen schichtig over het pleisterwerk.

 

Binnen staan aan beide zijden van het middenpad zeven kerkbankjes voor 3 à 4 personen. Waar de zonnestralen binnendringen zie je de spinnenwebben onder de banken hangen. Links achterin hangt het dikke koord voor het luiden van de klok.
In het midden boven het altaar, omgeven door witte barokengeltjes, staat het beeld van de heilige Antonius. Hij heeft een staf in de ene en een gebedenboek in de andere hand. Met de kap van zijn bruine pij over zijn hoofd kijkt hij deemoedig door het getraliede raam naar buiten. Aan zijn voeten op het altaar staan zilverkleurige kandelaren om en om met plastic bloemen waarvan de kleuren verbleekt zijn.
Eeuwenlang hebben hier boeren en vakwerkers op de knieën, het hoofd gebogen en de ogen toegeknepen, vergeving gevraagd voor hun zonden en gebeden om genezing en geluk.
Op deze plek zongen negen Nederlandse zestigers vorige week liederen uit de Venetiaanse Barok, van Monteverdi tot Caldara en Vivaldi, muziek die even oud is als het kerkje. Het hele dorp was er voor uitgelopen, de bankjes zaten vol. Voor de openstaande buitendeur stonden nog enkele toehoorders.
Meer dan anderhalf uur zongen we, begeleid door Roberto op de piano, solo aria’s, duetten, terzetten en koorstukken. We hadden er een week lang hard op geoefend en barokke versieringen toegevoegd. Het Italiaans moest perfect zijn, het barokritme hoorbaar en de emotie voelbaar.
Alle zangers  zaten links en rechts van het altaar, samengedrukt in een hoekje op een veel te laag hard houten bankje. Daar wachtten we met kloppend hart onze beurt af. Tijdens het optreden ontstond de bekende vorm van bewustzijnsvernauwing. Er dringt weinig door, de tijd gaat snel en na afloop weet je eigenlijk niet meer wat je nu precies gedaan hebt.
De toehoorders luisterden aandachtig en beloonden elk optreden met een warm Italiaans applaus.
Na afloop dronken bewoners en zangers met elkaar een glas. De volle maan, die op deze avond dicht bij de aarde stond, rees in het oosten boven de donkere bergrand uit.
We waren gelukkig.
De volgende avond herhaalden we het programma in de kerk van Mozzio aan de overkant van het dal.
Don Davide, de priester die meer dan twintig kerken onder zijn hoede heeft, had zich een warm voorstander betoond. ‘Muziek maakt mensen blij en ik heb God beloofd, dat ik mensen blij zal maken’, zo had hij verkondigd. Don Davide heeft duizenden volgers op Facebook, dus zijn boodschap moet zich sneller over het dal hebben verspreid dan het gebeier van de vele kerkklokken op het hele en halve uur.
De San Giacomo in Mozzio is een stuk groter. We moesten derhalve nog beter artikuleren en onze gezongen boodschap naar de achterzijde van de kerk richten, zo ongeveer naar de plek waar je tegen betaling een kaarsje kunt opsteken en waar Mariabeeldjes staan die kunnen oplichten in het donker.
Het werd wederom een mooie, gevoelige avond. Na afloop werd gezegd, dat er mannen onder de toehoorders waren die hun tranen de vrije loop hadden gelaten. Don Davide, op de eerste rij, klapte het hardste en het langste van allemaal. Hij was het ook die, zijn belofte indachtig,  om een toegift vroeg.
Daarna overhandigde de gemeentesecretaris als blijk van waardering van de gemeenschap een immens grote mand met vleeswaren aan de Maestro di Musica. Een groot assortiment van worsten, ham en andere vleeswaren uit de streek, van rund, varken, hert  en ezel, fraai gerangschikt en verpakt in de rieten mand. Aan alles was gedacht. Slechts één detail was over het hoofd gezien. De maestro is al jaren vegetariër.

 

1

KLASSIEK CAFÉ

In het nieuws, Muziek
Heb je dat ook wel eens?
Je bent naar een concert of een toneelstuk geweest, je schuifelt tussen de drommen mensen naar de uitgang, je staat buiten en kijkt elkaar eens aan: ‘Zullen we nog wat gaan drinken?’.
‘Ja, leuk, maar waar?’.
Utrecht heeft bijna 900 horecabedrijven en toch sta ik regelmatig te prakkizeren waar we de nazit kunnen houden. Ik ga naar een café voor een ontmoeting, een gesprek. Als ik alleen maar dorst zou hebben, kan ik net zo goed naar huis gaan. Dat gesprek wordt in veel gelegenheden zo goed als onmogelijk gemaakt. De muziek staat er zo hard, dat ik mijn partner aan de andere kant van de tafel nauwelijks kan verstaan. Dat heeft met mijn gehoor te maken, zeker, maar niet alleen. Ik zie ook jonge mensen, die elkaar iets in de oren moeten schreeuwen. Vanwaar toch dat lawaai, vraag ik me af. Wat moet hier bevorderd of voorkomen worden?
Verder stel ik het op prijs als ik op een comfortabele stoel kan zitten. Ik hoef niet onderuit te zakken in loungebanken, waar je moeizaam uit omhoog komt om je glas neer te zetten. Ik wil niet staan of hangen aan strak vormgegeven hoge tafels. Voor mij geen kleurige zitelementen, steigermaterialen,  robuust meubilair en andere uitwassen van industrieel en urban design. En ik ben al helemaal niet op zoek naar een totaalbeleving.
Voor Simon Carmiggelt moest een Amsterdamse kroeg ‘een diepe bedstee’ zijn, ‘in het veilig vaderhuis’ . Een mens brengt ongeveer een derde deel van zijn leven in bed door. Dus voor Carmiggelt was de vergelijking van het café met een warm bed wellicht passend.
Zelf denk ik toch meer aan een gezellige huiskamer, waar je in een warme sfeer aardige mensen ontmoet. Geen dronkenlui of herrieschoppers, maar het hoeft ook geen sobere veganistenclub te zijn, waar de eters met de vingers bijhouden hoe vaak ze op een hap kauwen.
In landen als Ierland en België zie je allerlei mensen in het café. Mannen en vrouwen, jonge mensen, kinderen en grootouders. Het café is daar de ontmoetingsplek van de buurt. Waarom zijn onze cafés dan vooral op jonge mannen afgestemd?
In Utrecht zijn er vergevorderde plannen voor een café, waar uitsluitend klassieke muziek gedraaid zal worden. Zie  www.muzieklokaal.nl.
‘Het Muzieklokaal wordt het eerste café in Nederland waar alles draait om klassieke muziek. In het café is altijd klassieke muziek op de achtergrond te horen en er zijn vaak liveconcerten. Het Muzieklokaal is een sfeervol, gezellig café met een perfecte sfeer om te werken, ontmoeten of borrelen’.
De initiatiefnemers, twee jonge vrouwen, hebben door middel van een succesvolle crowdfundingscampagne in drie maanden 120.000 euro opgehaald. Genoeg om nu op zoek te gaan naar een geschikt pandje in de Utrechtse binnenstad. 
Wat mij in het citaat als eerste opvalt, is dat er blijkbaar geen enkel café in Nederland is waar uitsluitend klassieke muziek gedraaid wordt. Maar bij nader inzien is dit misschien niet zo gek. Cafés en klassieke muziek, dat is geen voordehandliggende combinatie. Voor de diehard klassieke muziekfan is het misschien zelfs vloeken in de kerk. Ik ken mensen, die vinden dat je klassiek alleen goed kunt beluisteren als je er niets bij doet. Zelfs een overhemd strijken leidt teveel af.
Gelet op het succes van de crowdfunding zijn er velen die het  Muzieklokaal een warm hart toe dragen.  Ik ben blij dat er zo’n café komt. Ik vind dat elk middel aangewend mag worden om de klassieke muziek te promoten. Daarom heb ik ook niets tegen Classic FM of André Rieu.
Maar wat mij betreft hoeft het Muzieklokaal zich niet uitsluitend te beperken tot klassieke muziek. Die hoor ik vaak genoeg. Dus als ik ’s avonds uitga, wil ik ook wel eens Bob Dylan horen, Chuck Berry of, vooruit, Herman van Veen. 
Enfin, als ik er maar prettig kan zitten en rustig kan praten.  
2

HANA

Muziek
In 2012 heb ik tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht niet alleen het werk van Jan Dismas Zelenka, een Boheemse componist uit de baroktijd, leren kennen, maar ook een Praags barokensemble, dat de muziek van Zelenka regelmatig uitvoert: het Collegium 1704, onder leiding van dirigent Václav Luks. Sinds die tijd heb ik heel wat audio- en video-opnamen van het Collegium 1704 via YouTube beluisterd en soms bekeken. Het orkest bestaat uit 25-30 musici, het koor veelal uit 16 zangers, vier in elke stemgroep. De solo’s worden door de leden van het koor gezongen.
Van de sopraansolisten viel mij er al snel één op, een tengere jonge vrouw met lang donker haar. Ik kwam er achter, dat zij Hana Blaziková heet. Hana kan mooi zingen. Heel helder en hoog.
 
Daarna zag ik Hana steeds vaker terug in opnamen van andere ensembles, onder leiding van o.a. Philippe Herreweghe, Masaaki Suzuki, en Jean Tubery. One of the most exciting voices in the baroque scene, las ik in een cd-recensie op Internet. Dat moet wel als je door deze dirigenten wordt uitgenodigd. Bij elke opname die ik van Hana zag, bleef ik hangen. Hana intrigeert mij.
Dat is wel bijzonder. Nog niet zo lang geleden, holde ik naar de volumeknop als een klassieke sopraan aanzette in een aria. Ik kon dat hoge gegil niet verdragen. Ik ben daar niet de enige in. Als mensen klassieke zang belachelijk maken, dan doen ze een hoge sopraan na. Denk aan Bianca Castafiora in Kuifje, een zangeres, die met haar gezang (‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in dees’ spiegel’) de glazen kapotzingt.
Toen mijn vader lang geleden eens naar een sopraanaria zat te luisteren, maakte ik een valse opmerking.
‘Dat is toch knap als je zo kan zingen’, zei hij.
‘Ik vind het gemaakt, onnatuurlijk’, antwoordde ik.
‘Daar heb je wel gelijk in’, zei mijn vader toen.
Ik herinner mij zijn reactie zo goed, omdat het een grote uitzondering was , dat hij mij gelijk gaf.
Het heeft nog jaren geduurd, voor ik enige waardering voor een sopraan kon opbrengen.
Dat begon met Mozart’s mis in c mineur (K427), om precies te zijn met het Laudamus te, met dank ook aan de stuwende orkestbegeleiding die Mozart hierbij schreef.
Ik ben nog steeds niet dol op heftig vibrerende sopranen die Italiaanse opera-aria’s zingen, maar baroksopranen kan ik nu goed hebben.
Vorig jaar, ook weer tijdens het Festival Oude Muziek, heb ik Hana Blaziková voor het eerst live gezien. Ik zat op de tweede rij. Af en toe kwam ze, bijna onmerkbaar, van achter uit het koor naar voren toe voor een solo. Dan stond ze vlak voor me. Net als voetballers in levende lijve jonge jochies blijken te zijn, zo zag Hana er een stuk jonger uit dan op de opnamen. Ik voelde haar concentratie voor de inzet. Ik volgde de bewegingen van haar hoofd bij een crescendo. Ik zag de rimpels tussen haar wenkbrauwen aan het einde van een frase.
De vraag is: waarom intrigeert Hana mij? Ze zingt technisch heel goed, maar ze heeft geen bijzondere klank. Het is ook niet dat ik op haar uiterlijk val.
Het moet haar innerlijk zijn.
Ik heb zoveel opnamen van haar gezien, dat het lijkt alsof ik haar persoonlijk ken. Zoals je ook van een tennisser via de close-ups voor en na de rally’s een beeld krijgt van de persoon. Hana lijkt mij serieus, hardwerkend, bescheiden en aardig. Dat vind ik een aantrekkelijke combinatie.
Vorige week zag ik de bevestiging.
Ik keek op YouTube naar een uitvoering van Händel’s La Resurrezione door het Collegium 1704. Aan het begin van de opname zie je een glimp van enkele leden van het ensemble, geconcentreerd wachtend in de coulissen vlak voordat zij het podium opgaan. Dan verschijnt Hana Blaziková in beeld. Zij staart naar haar partituur, haar vinger open bij een pagina. Zij neemt in gedachten nog wat noten door. Kijk wat er dan gebeurt, na 23 sec:
Alsof je je buurmeisje ziet voor de musical van groep 8. Heel innemend.
Als je verder kijkt, zie je ook de reden van de spanning. Hana moet als eerste een aria zingen, vanaf 4:45, een verduiveld moeilijke aria met veel snelle nootjes op dezelfde klank.
Zij kijkt geconcentreerd de zaal in, haar partituur hoog opgeheven. Dan gaat Hana los. 
Ik moet mijn vader gelijk geven: dat is toch knap als je zo kan zingen.